Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds

Type Verdrag
Publication 2003-07-04
State In force
Source BWB
artikelen 60
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die bij deze Overeenkomst partij zijn en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank zijn overeengekomen hierbij het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds op te richten, waarop de onderstaande bepalingen van toepassing zijn:

HOOFDSTUK I. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

(1). Overal waar de onderstaande uitdrukkingen in deze Overeenkomst worden gebezigd, wordt daaraan de hieronder aangegeven betekenis gehecht, tenzij uit het zinsverband duidelijk blijkt of het zinsverband vereist dat een andere betekenis aan deze termen moet worden toegekend:

  • „Fonds”, het bij deze Overeenkomst opgerichte Afrikaanse Ontwikkelingsfonds;
  • „Bank”, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank;
  • „lid”, een lid van de Bank;
  • „deelnemer”, de Bank en elke Staat die partij wordt bij deze Overeenkomst;
  • „deelnemende Staat”, een andere deelnemer dan de Bank;
  • „oorspronkelijk deelnemer”, de Bank en elke deelnemende Staat die deelnemer wordt krachtens artikel 57, eerste lid;
  • „bijdrage”, de bedragen waarvoor de deelnemers krachtens de artikelen 5, 6 of 7 hebben ingeschreven;
  • „rekeneenheid”, een rekeneenheid met een waarde van 0,81851265 gram fijn goud;
  • „vrij inwisselbare valuta”, de valuta van een deelnemer ten aanzien waarvan het Fonds na overleg met het Internationale Monetaire Fonds bepaalt dat deze, wat betreft de werkzaamheden van het Fonds, voldoet aan de voorwaarden voor vrije inwisselbaarheid in andere valuta’s;
  • „President”, „Raad van Bestuur” en „ College van Bewindvoerders”, onderscheidelijk de President, de Raad van Bestuur en het College van Bewindvoerders van het Fonds en, wat de bestuurders en de bewindvoerders betreft, mede de plaatsvervangende bestuurders en plaatsvervangende bewindvoerders wanneer deze als bestuurders onderscheidenlijk bewindvoerders optreden;
  • „regionaal”, deel uitmakend van het Afrikaanse vasteland of de Afrikaanse eilanden.

(2). De vermelding van Hoofdstukken, artikelen, leden en bijlagen heeft betrekking op de Hoofdstukken, artikelen en leden van of bijlagen bij deze Overeenkomst.

(3). De opschriften bij de Hoofdstukken en de artikelen zijn alleen duidelijkheidshalve aangebracht en maken geen deel uit van deze Overeenkomst.

HOOFDSTUK II. Doel en deelneming

Artikel 2. Doel

Het Fonds heeft ten doel de Bank te helpen een steeds doeltreffender bijdrage te leveren aan de economische en sociale ontwikkeling van de leden van de Bank, alsmede aan het bevorderen van samenwerking (met inbegrip van regionale en sub-regionale samenwerking) en van een omvangrijker internationaal handelsverkeer, met name tussen de leden. Het verschaft op concessionele voorwaarden geldmiddelen voor doeleinden die van het grootste belang zijn voor en dienstbaar zijn aan een zodanige ontwikkeling.

Artikel 3. Deelneming

(1). Deelnemers in het Fonds zijn de Bank en de Staten die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst daarbij partij zijn geworden.

(2). De oorspronkelijk deelnemende Staten zijn de Staten opgenomen in bijlage A, die partij bij deze Overeenkomst zijn geworden krachtens artikel 57, eerste lid.

(3). Een Staat die geen oorspronkelijk deelnemer is kan deelnemer en partij bij deze Overeenkomst worden op voorwaarden die niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en die de Raad van Bestuur vaststelt bij een met eenparigheid van het totale aantal stemmen van de deelnemers aangenomen resolutie. Deze deelneming is alleen mogelijk voor Staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een der gespecialiseerde organisaties of die partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof.

(4). Een Staat kan een lichaam of instantie namens deze Staat optredend machtigen deze Overeenkomst te ondertekenen en deze Staat te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden deze Overeenkomst betreffende, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 55.

HOOFDSTUK III. Middelen

Artikel 4. Middelen

De middelen van het Fonds worden gevormd door:

  • (i). bijdragen van de Bank;
  • (ii). bijdragen van deelnemende Staten;
  • (iii). andere door het Fonds ontvangen middelen; en
  • (iv). fondsen afkomstig uit werkzaamheden of uit anderen hoofde toevloeiend aan het Fonds.

Artikel 5. Bijdragen van de Bank

De Bank betaalt het Fonds als aanvangsbijdrage het in rekeneenheden uitgedrukte bedrag dat achter haar naam staat vermeld in bijlage A, waarbij zij voor dat doel de fondsen aanwendt die op het tegoed van het „Afrikaanse Ontwikkelingsfonds” van de Bank staan geboekt. De betaling geschiedt op dezelfde voorwaarden als vervat in artikel 6, tweede lid, voor de betaling van de aanvangsbijdrage van deelnemende Staten. Daarna draagt de Bank andere door de Raad van Bestuur van de Bank te bepalen bijdragen bij, op met het Fonds overeengekomen voorwaarden.

Artikel 6. Aanvangsbijdragen van deelnemende Staten

(1). Iedere deelnemende Staat schrijft bij deelneming in voor een bijdrage voor het door deze Staat vastgestelde bedrag. Zulke bijdragen worden hierna aangeduid met de term „aanvangsbijdragen”.

(2). De voor elke oorspronkelijke deelnemende Staat vastgestelde aanvangsbijdrage bestaat uit het in bijlage A achter de naam van die Staat vermelde bedrag, uitgedrukt in rekeneenheden en betaalbaar in vrij inwisselbare valuta. De betaling geschiedt in drie gelijke jaarlijkse termijnen, en wel als volgt: de eerste termijn wordt betaald binnen dertig dagen nadat het Fonds zijn werkzaamheden is aangevangen krachtens artikel 60 of op de datum waarop de oorspronkelijk deelnemende Staat partij wordt bij deze Overeenkomst, al naar gelang welke van beide data later valt; de tweede termijn wordt betaald binnen een jaar daarna en de derde termijn binnen een jaar na de betaling of de vervaldatum van de tweede termijn, al naar gelang welke van beide data eerder valt. Het Fonds kan om eerdere betaling van hetzij de tweede hetzij de derde termijn, alsook van beide termijnen verzoeken, indien de werkzaamheden van het Fonds zulks vereisen, maar zodanige eerdere betaling dient door elke deelnemer op geheel vrijwillige basis te geschieden.

(3). De aanvangsbijdragen van deelnemende Staten die geen oorspronkelijke deelnemers zijn, worden eveneens uitgedrukt in rekeneenheden en zijn betaalbaar in vrij inwisselbare valuta. Het bedrag en de betalingsvoorwaarden voor deze bijdragen worden door het Fonds krachtens artikel 3, derde lid, vastgesteld.

(4). Behoudens door het Fonds goed te keuren uitzonderingen handhaaft iedere deelnemende Staat de vrije inwisselbaarheid van zijn» krachtens dit artikel door hem betaalde valuta.

(5). Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, kan een deelnemende Staat gedurende een tijdvak van niet meer dan drie maanden het verrichten van een krachtens dit artikel vereiste betaling uitstellen, wanneer overwegingen van budgettaire aard of andere overwegingen een zodanig uitstel noodzakelijk maken.

Artikel 7. Aanvullende bijdragen van deelnemende Staten

(1). Wanneer het Fonds, gezien het betalingsschema voor de aanvangsbijdragen van oorspronkelijke deelnemers, en gezien zijn eigen werkzaamheden zulks passend acht, alsook met passende tussenpozen daarna, neemt het de toereikendheid van zijn middelen in studie en kan het, zo het zulks wenselijk acht, zijn goedkeuring hechten aan een algemene verhoging van de bijdragen van de deelnemende Staten op door het Fonds vast te stellen voorwaarden. Niettegenstaande het voorgaande kan het Fonds te allen tijde aan algemene of individuele verhogingen van bijdragen zijn goedkeuring hechten, met dien verstande dat een individuele verhoging slechts op verzoek van de betrokken deelnemende Staat in overweging wordt genomen.

(2). Bij goedkeuring van een aanvullende individuele bijdrage krachtens het eerste lid, wordt iedere deelnemende Staat in de gelegenheid gesteld, op door het Fonds naar redelijkheid vast te stellen voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die vastgesteld krachtens het eerste lid, in te schrijven voor een bedrag dat hem in staat zal stellen zijn relatieve stemmensterkte onder de deelnemende Staten te handhaven.

(3). In geval van algemene of individuele verhogingen van de bijdragen is een deelnemende Staat niet verplicht in te schrijven voor aanvullende bedragen.

(4). Machtigingen tot, en beslissingen ten aanzien van algemene verhogingen krachtens het eerste lid worden verstrekt, onderscheidenlijk genomen, met een meerderheid van 85% van het totale aantal stemmen van de deelnemers.

Artikel 8. Andere middelen

(1). Onverminderd de volgende bepalingen van dit artikel, kan het Fonds overeenkomsten aangaan met het doel andere middelen, daarbij inbegrepen schenkingen en leningen, te ontvangen van leden, deelnemers, Staten die geen deelnemer zijn, of van enigerlei openbare of particuliere instantie of instanties.

(2). De voor deze overeenkomsten geldende voorwaarden dienen verenigbaar te zijn met de doelstellingen, de werkzaamheden en het beleid van het Fonds en aan het Fonds of de Bank mag ingevolge zulke overeenkomsten geen al te zware administratieve of financiële last worden opgelegd.

(3). De voor deze overeenkomsten geldende voorwaarden, met uitzondering van die voor schenkingen voor technische hulp, mogen het Fonds niet verhinderen te voldoen aan de vereisten van artikel 15, vierde en vijfde lid.

(4). In geval van overeenkomsten met een Staat die geen lid is of geen deelnemer is, of met een lichaam van die Staat, behoeven deze overeenkomsten de goedkeuring van het College van Bewindvoerders, met een meerderheid van 85% van het totale aantal stemmen van de deelnemers.

(5). Het Fonds aanvaardt geen leningen (behalve tijdelijke voorschotten die het voor zijn werkzaamheden nodig heeft) die niet op concessionele voorwaarden worden verstrekt en leent niet op geldmarkten, of neemt niet als leningnemer, als degene die een zekerheid stelt of anderszins deel in de uitgifte van effecten op geldmarkten en geeft geen verhandelbare of overdraagbare schuldbrieven uit, waaruit de schuldverplichting blijkt voor krachtens het eerste lid ontvangen leningen.

Artikel 9. Betaling der bijdragen

Het Fonds aanvaardt elk deel van de bijdage van een deelnemer dat krachtens de artikelen 5, 6 of 7 of krachtens artikel 13 door de deelnemer moet worden betaald en dat het Fonds niet nodig heeft bij zijn werkzaamheden, in de vorm van promessen, kredietbrieven of soortgelijke schuldbrieven uitgegeven door de deelnemer of de eventuele bewaarinstelling, aangewezen door de deelnemer krachtens artikel 33. Zodanige promessen of andere schuldbrieven zijn niet verhandelbaar, niet rentedragend en op verzoek tegen pari-waarde betaalbaar op de rekening van het Fonds bij de aangewezen bewaarinstelling, of indien er geen bewaar instelling is aangewezen, volgens aanwijzingen van het Fonds. Ongeacht de uitgifte of aanvaarding van een zodanige promesse, kredietbrief of andere schuldbrief, blijft de verplichting van de deelnemer krachtens de artikelen 5, 6 of 7 en artikel 13 bestaan. Gelden in het bezit van het Fonds op grond van bijdragen van deelnemers die geen gebruik maken van de bepalingen van dit artikel kunnen door het Fonds ter bewaring worden gesteld of belegd ter verwerving van inkomen ten einde zijn administratieve en andere uitgaven te helpen bestrijden. Voor zover over een redelijke termijn uitvoerbaar neemt het Fonds op basis van evenredigheid gelden op van alle ontvangen bijdragen ter financiering van zijn uitgaven, ongeacht de vorm waarin zodanige bijdragen zijn geleverd.

Artikel 10. Beperking van aansprakelijkheid

De deelnemers zijn niet op grond van hun deelneming aansprakelijk voor handelingen of verplichtingen van het Fonds.

HOOFDSTUK IV. Valuta’s

Artikel 11. Het gebruik der valuta’s

(1). De valuta’s ontvangen ter betaling van, of krachtens artikel 13 ten aanzien van, bijdragen verricht krachtens artikel 5 en artikel 6, tweede lid, kunnen door het Fonds worden gebruikt en omgewisseld voor al zijn werkzaamheden en, behoudens goedkeuring door het College van Bewindvoerders, voor het tijdelijk beleggen van middelen die het Fonds niet voor zijn werkzaamheden nodig heeft.

(2). Het gebruik van valuta’s ontvangen ter betaling van, of krachtens artikel 13 ten aanzien van, bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, en artikel 7, eerste en tweede lid, of als andere middelen krachtens artikel 8, wordt bepaald door de voorwaarden waaronder deze valuta’s zijn ontvangen of, in het geval van valuta’s ontvangen krachtens artikel 13, door de voorwaarden waaronder de valuta’s waarvan de waarde op deze wijze wordt gehandhaafd, werden ontvangen.

(3). Alle andere door het Fonds ontvangen valuta’s kunnen vrijelijk door het Fonds voor zijn werkzaamheden worden gebruikt en omgewisseld en, behoudens goedkeuring door het College van Bewindvoerders, voor het tijdelijk beleggen van middelen die het Fonds niet voor zijn werkzaamheden nodig heeft.

(4). Er worden geen beperkingen opgelegd die in strijd zijn met het bepaalde in dit artikel.

Artikel 12. De waardebepaling der valuta’s

(1). Wanneer het krachtens deze Overeenkomst noodzakelijk is de waarde van een valuta te bepalen uitgedrukt in een andere valuta of valuta’s of in de rekeneenheid, dient deze waarde naar alle redelijkheid door het Fonds na overleg met het Internationale Monetaire Fonds te worden vastgesteld.

(2). Bij een valuta die geen bij het Internationale Monetaire Fonds vastgestelde pariteit bezit, wordt de in de rekeneenheid uitgedrukte waarde van deze valuta telkens wanneer dit nodig blijkt door het Fonds vastgesteld krachtens het eerste lid van dit artikel; de aldus vastgestelde waarde wordt, wat deze Overeenkomst betreft, beschouwd als de pariteit van deze valuta, waarbij de bepalingen van artikel 13, eerste en tweede lid, zonder enige beperking van toepassing zijn.

Artikel 13. De handhaving van de waarde van het valutabezit

(1). Steeds wanneer de pariteit in het Internationale Monetaire Fonds van de valuta van een deelnemende Staat wordt verminderd in verhouding tot de rekeneenheid, of zijn wisselkoers naar de mening van het Fonds in aanmerkelijke mate is gedeprecieerd binnen het grondgebied van die deelnemer, betaalt die deelnemer het Fonds binnen een redelijke termijn een bedrag van zijn valuta vereist om de waarde te handhaven, berekend naar het tijdstip van inschrijving, van het bedrag aan valuta dat in het Fonds was gestort door die deelnemer krachtens artikel 6 en krachtens de bepalingen van dit lid, ongeacht of deze valuta wordt gehouden in de vorm van promessen, kredietbrieven of andere schuldbrieven aanvaard krachtens artikel 9 met dien verstande dat het voorgaande alleen van toepassing is indien en voor zover deze valuta niet voor de eerste maal is uitbetaald of omgewisseld in een andere valuta.

(2). Wanneer de pariteit van de valuta van een deelnemende Staat wordt verhoogd in verhouding tot de rekeneenheid of wanneer zijn wisselkoers naar de mening van het Fonds in aanmerkelijke mate is gestegen binnen het grondgebied van die deelnemer, betaalt het Fonds binnen een redelijke tijd aan die deelnemer een bedrag terug van die valuta gelijk aan de waardevermeerdering van het bedrag van deze valuta waarop het bepaalde in het eerste lid van toepassing is.

(3). Het Fonds kan van de toepassing van het bepaalde in dit artikel afzien of dit niet van toepassing verklaren wanneer eenvormige verandering in de pariteit van de valuta’s van alle deelnemende Staten door het Internationale Monetaire Fonds tot stand wordt gebracht.

HOOFDSTUK V. Werkzaamheden

Artikel 14. Het gebruik der geldmiddelen

(1). Het Fonds verstrekt geldmiddelen voor projecten en programma’s ter bevordering van de economische en sociale ontwikkeling op het grondgebied van de leden. Het Fonds verstrekt deze geldmiddelen ten behoeve van leden waarvan de economische situatie en de economische vooruitzichten het noodzakelijk maken dat aan hen geldmiddelen op concessionele voorwaarden worden verstrekt.

(2). De door het Fonds verstrekte geldmiddelen dienen voor doeleinden die naar de mening van het Fonds, gezien de behoeften van het betrokken gebied of de betrokken gebieden, voor de ontwikkeling hoge voorrang verdienen, en dienen, behoudens bijzondere omstandigheden, te worden gebruikt voor nauwkeurig omschreven projecten of groepen projecten, vooral die welke een onderdeel vormen van een nationaal of regionaal of sub-regionaal programma, met inbegrip van de verstrekking van geldmiddelen aan nationale ontwikkelingsbanken of aan andere daarvoor in aanmerking komende instellingen met het oog op het doorlenen van gelden voor door het Fonds goedgekeurde nauwkeurig omschreven projecten.

Artikel 15. Financieringsvoorwaarden

(1). Het Fonds verstrekt geen geldmiddelen ter financiering van een project op het grondgebied van een lid indien dat lid daartegen bezwaar maakt, met dien verstande dat indien geldmiddelen worden verstrekt aan een publiekrechtelijke internationale, regionale of subregionale organisatie het Fonds zich er niet van behoeft te overtuigen dat individuele leden geen bezwaar maken.

  • (a). Het Fonds verstrekt geen geldmiddelen indien naar zijn mening zulke middelen uit andere bronnen beschikbaar zijn op voorwaarden die het Fonds voor de ontvanger redelijk acht.
  • (b). Bij de beschikbaarstelling van geldmiddelen voor andere lichamen dan leden, neemt het Fonds alle nodige maatregelen ten einde te verzekeren dat de concessionale voordelen van zijn financiering alleen ten goede komen aan leden of andere lichamen die, alle ter zake dienende omstandigheden in aanmerking genomen, enkele of al deze voordelen dienen te genieten.

(3). Voordat geldmiddelen worden verstrekt dient de aanvrager een behoorlijk gefundeerd voorstel te hebben ingediend via de President van de Bank en dient de President aan het College van Bewindvoerders van het Fonds een schriftelijk rapport te hebben voorgelegd waarin deze financiering wordt aanbevolen op basis van een door de staf verrichte studie naar de merites van het project.

  • (a). Het Fonds stelt niet als voorwaarde dat door hem verstrekte geldmiddelen in de gebiedsdelen van een bepaalde deelnemende Staat of een bepaald lid moeten worden besteed; deze geldmiddelen dienen echter alleen te worden aangewend voor aanschaffing in de gebiedsdelen van deelnemende Staten of leden van goederen voortgebracht in en diensten verleend vanuit de gebiedsdelen van de deelnemende Staten of de leden, met dien verstande dat, in het geval van fondsen ontvangen krachtens artikel 8 van een Staat die geen deelnemer of lid is, de gebiedsdelen van die Staat ook in aanmerking komende bronnen voor aanschaffingen uit deze fondsen moeten zijn en in aanmerking komende bronnen kunnen zijn voor aanschaffingen uit de andere krachtens dat artikel ontvangen fondsen, zulks ter bepaling door het College van Bewindvoerders.
  • (b). De aanschaffingen geschieden op basis van internationale concurrentie tussen in aanmerking komende leveranciers, behalve in gevallen waarin het College van Bewindvoerders bepaalt dat een zodanige internationale concurrentie niet kan worden gerechtvaardigd.

(5). Het Fonds treft maatregelen om te verzekeren dat de opbrengst van verstrekte geldmiddelen uitsluitend wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor de gelden zijn verstrekt, waarbij terdege rekening wordt gehouden met factoren als besparingsmogelijkheden, voldoende rendement en internationale handelsconcurrentie, doch niet met politieke of andere niet-economische invloeden of overwegingen.

(6). Gelden die krachtens een financieringstransactie worden verstrekt, worden aan de ontvanger slechts beschikbaar gesteld voor de bestrijding van de werkelijke kosten die in verband met het project worden gemaakt.

(7). Het Fonds laat zich bij zijn werkzaamheden leiden door de beginselen van een verantwoord beheer van de voor ontwikkelingshulp bestemde gelden.

(8). Het Fonds houdt zich niet bezig met herfinancieringstransacties.

(9). Bij het verstrekken van een lening houdt het Fonds terdege rekening met het feit of de leningnemer, alsook degene die zich eventueel voor hem garant stelt, in staat zullen blijken hun verplichtingen na te komen.

(10). Bij het in behandeling nemen van een financieringsaanvrage houdt het Fonds terdege rekening met op het project betrekking hebbende steunmaatregelen die door de ontvanger worden getroffen en, indien de ontvanger geen lid is, met de maatregelen die ter zake worden getroffen door de ontvanger en het lid of de leden voor de gebiedsdelen waarvan het project of programma is bestemd.

(11). Het Fonds neemt de maatregelen die nodig zijn om een doeltreffende toepassing van dit artikel te verzekeren.

Artikel 16. Financieringsvorm en -voorwaarden

(1). Financiering door het Fonds uit middelen verstrekt krachtens de artikelen 5, 6 en 7 en uit terugbetaling van en inkomen voortvloeiend uit deze financiering, vindt plaats bij wege van leningen. Het Fonds kan andere financiering verstrekken, met inbegrip van schenkingen, uit middelen ontvangen krachtens regelingen uit hoofde van artikel 8, die uitdrukkelijk een zodanige financiering toestaan.

  • (a). Onder voorbehoud van het bepaalde in het voorgaande lid, worden geldmiddelen door het Fonds verstrekt op passend geachte concessionele voorwaarden.
  • (b). Wanneer de leningnemer een lid is, of een intergouvernementeel lichaam waartoe een of meer leden behoren, houdt het Fonds bij het vaststellen van de financieringsvoorwaarden in de eerste plaats rekening met de economische situatie en vooruitzichten van het lid of de leden ten behoeve waarvan de geldmiddelen worden verstrekt en, daarnaast, met de aard van het betrokken project of programma en met de eisen die dit stelt.

(3). Het Fonds kan geldmiddelen verstrekken voor: (a) elk lid of elk geografisch of bestuurlijk onderdeel of elke organisatie daarvan; (b) elke instelling of onderneming op het grondgebied van een lid; en (c) elke regionale of sub-regionale organisatie of instelling die zich bezighoudt met ontwikkelingswerk in de gebiedsdelen van leden. Alle zodanige financieringsmaatregelen dienen naar de mening van het Fonds de doelstellingen van deze Overeenkomst te bevorderen. Indien de leningnemer niet zelf lid is, verlangt het Fonds een passende garantie of garanties van een regering of van anderen.

(4). Het Fonds kan buitenlandse valuta ter beschikking stellen ter bestrijding van plaatselijke onkosten die voor een project zijn: gemaakt wanneer en voor zover zulks naar het oordeel van het Fonds nodig is voor of dienstig aan het doel van die lening, daarbij rekening houdend met de economische situatie en vooruitzichten van het lid of de leden ten behoeve waarvan de geldmiddelen worden verstrekt en met de aard van het project en met de eisen die het stelt.

(5). Een lening wordt afgelost in de valuta of valuta’s waarin zij werd verstrekt of in andere door het Fonds te bepalen vrij inwisselbare valuta of valuta’s.

(6). Voordat geldmiddelen ter beschikking worden gesteld aan of ten behoeve van een lid of voor een project op het grondgebied van een lid, overtuigt het Fonds zich ervan dat zulk een lid alle bestuursrechtelijke en wettelijke maatregelen ten aanzien van dit gebied heeft getroffen, die nodig zijn om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 11, vierde lid, en Hoofdstuk VIII, alsof het lid een deelnemende Staat is; voorwaarde voor een zodanige financiering is dat deze bestuursrechtelijke en wettelijke maatregelen gehandhaafd blijven en dat in geval van een geschil tussen het Fonds en een lid, en bij gebreke van andere regelingen ter zake, het bepaalde in artikel 53 van toepassing is alsof het lid een deelnemende Staat is zich bevindend in de omstandigheden waarop dat artikel van toepassing is.

Artikel 17. Toepassing en beoordeling

Door het Fonds gefinancierde voltooide projecten, programma’s en activiteiten worden aan een grondig en voortdurend onderzoek onderworpen ten einde het College van Bewindvoerders en de President bij te staan bij het beoordelen of het Fonds bij de verwezenlijking van zijn doelstellingen doelmatig te werk gaat. Met instemming van het College van Bewindvoerders treft de President regelingen voor het verrichten van zodanige beoordelingen, waarvan de resultaten via de President ter kennis van het College van Bewindvoerders worden gebracht.

Artikel 18. Samenwerking met andere internationale organisaties, andere instellingen en Staten

Ter bevordering van de verwezenlijking van zijn doelstellingen streeft het Fonds naar samenwerking en kan het regelingen treffen voor samenwerking met andere internationale organisaties, regionale en sub-regionale organisaties, andere instellingen en Staten, met dien verstande dat geen zodanige regeling met een Staat die geen lid of deelnemer is of met een organisatie van die Staat wordt getroffen, tenzij deze is goedgekeurd met een meerderheid van 85% van het totale aantal stemmen van de deelnemers.

Artikel 19. Technische hulp

Ter bevordering van de verwezenlijking van zijn doelstellingen kan het Fonds technische hulp verlenen, maar deze hulp zal gewoonlijk moeten worden terugbetaald, indien zij niet wordt verleend krachtens bijzondere schenkingen voor technische hulp of uit andere middelen die aan het Fonds voor dit doel ter beschikking zijn gesteld.

Artikel 20. Diverse werkzaamheden

Naast de uitoefening van de elders in deze Overeenkomst bedoelde bevoegdheden kan het Fonds andere met zijn werkzaamheden samenhangende activiteiten ondernemen, die nodig of wenselijk zijn ter bevordering van zijn doelstellingen en die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 21. Verbod van politieke activiteit

Het Fonds noch functionarissen of andere personen die namens het Fonds optreden, mengen zich in de politieke aangelegenheden van een lid; noch laten zij zich bij hun beslissingen door de politieke instelling van het betrokken lid of de betrokken leden beïnvloeden. Bij hun beslissingen laten zij zich slechts leiden door overwegingen betreffende de economische en sociale ontwikkeling van de leden en deze overwegingen worden op onpartijdige wijze beoordeeld ten einde de in deze Overeenkomst vermelde doelstellingen te verwezenlijken.

HOOFDSTUK VI. Organisatie en bestuur

Artikel 22. Organisatie van het Fonds

Het Fonds heeft een Raad van Bestuur, een College van Bewindvoerders en een President. Het Fonds maakt voor de uitoefening van zijn taken gebruik van de functionarissen, het personeel, de organisatie, de diensten en toerusting van de Bank en, indien het College van Bewindvoerders tot de conclusie komt dat er behoefte is aan extra personeel, krijgt het Fonds dit personeel toegewezen, dat door de President in dienst wordt genomen krachtens artikel 30, vierde lid, onder (v).

Artikel 23. Raad van Bestuur: bevoegdheden

(1). Alle bevoegdheden van het Fonds berusten bij de Raad van Bestuur.

(2). De Raad van Bestuur kan aan het College van Bewindvoerders al zijn bevoegdheden overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid

  • (i). nieuwe deelnemers toe te laten en de voorwaarden voor hun toelating vast te stellen;
  • (ii). verhogingen in bijdragen krachtens artikel 7 goed te keuren en de daarop betrekking hebbende voorwaarden vast te stellen;
  • (iii). een deelnemer te schorsen;
  • (iv). te beslissen omtrent beroepen naar aanleiding van door het College van Bewindvoerders genomen beslissingen betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst;
  • (v). machtiging te verlenen tot het treffen van regelingen van algemene aard tot samenwerking met andere internationale organisaties, met uitzondering van regelingen van tijdelijk of administratief karakter;
  • (vi). accountants van buiten het Fonds aan te trekken voor de controle van de boeken van het Fonds en de waarmerking van de balans en de staat van inkomsten en uitgaven van het Fonds;
  • (vii). de balans en de staat van inkomsten en uitgaven van het Fonds goed te keuren na kennisneming van het accountantsrapport;
  • viii). wijzigingen in deze Overeenkomst aan te brengen;
  • (ix). te besluiten de werkzaamheden van het Fonds te beëindigen en zijn activa te verdelen;
  • (x). alle andere bevoegdheden uit te oefenen, die in deze Overeenkomst uitdrukkelijk zijn voorbehouden aan de Raad van Bestuur.

(3). De Raad van Bestuur kan de overdracht van een bepaalde bevoegdheid aan het College van Bewindvoerders te allen tijde herroepen.

Artikel 24. Raad van Bestuur: samenstelling

(1). De Bestuurders en plaatsvervangende bestuurders van de Bank zijn ambtshalve bestuurders onderscheidenlijk plaatsvervangende bestuurders van het Fonds. De President van de Bank stelt het Fonds eventueel in kennis van de namen van deze bestuurders en plaatsvervangende bestuurders.

(2). Elke deelnemende Staat die geen lid is benoemt een bestuurder en een plaatsvervangende bestuurder, die aanblijven zolang de deelnemer die de benoeming heeft verricht zulks wenst.

(3). Een plaatsvervanger heeft geen stemrecht, behalve bij afwezigheid van de bestuurder wiens plaatsvervanger hij is.

(4). Behoudens het bepaalde in artikel 60, vierde lid, vervullen de bestuurders en plaatsvervangende bestuurders hun taak zonder beloning of vergoeding van onkosten door het Fonds.

Artikel 25. Raad van Bestuur: procedure

(1). De Raad van Bestuur houdt een jaarvergadering en alle andere vergaderingen die de Raad nodig acht of die door het College van Bewindvoerders worden bijeengeroepen. De Voorzitter van de Raad van Bestuur van de Bank is ambtshalve Voorzitter van de Raad van Bestuur van het Fonds.

(2). De jaarvergadering van de Raad van Bestuur wordt gehouden te zamen met de jaarvergadering van de Raad van Bestuur van de Bank.

(3). Het quorum voor een vergadering van de Raad van Bestuur wordt gevormd door een meerderheid van het totale aantal bestuurders die niet minder dan drie vierde van het totale aantal stemmen van de deelnemers vertegenwoordigen.

(4). De Raad van Bestuur kan volgens een nader te bepalen regeling een procedure vaststellen waarbij het College van Bewindvoerders, wanneer het dit raadzaam acht, een beslissing van de bestuurders ten aanzien van een bepaald vraagstuk kan verkrijgen zonder een vergadering van de Raad van Bestuur bijeen te roepen.

(5). De Raad van Bestuur, en het College van Bewindvoerders voor zover het daartoe is gemachtigd door de Raad van Bestuur, kunnen de voor de uitoefening van de werkzaamheden van het Fonds noodzakelijke of wenselijk geachte hulporganen instellen.

(6). De Raad van Bestuur, en het College van Bewindvoerders voor zover het daartoe is gemachtigd door de Raad van Bestuur of door deze Overeenkomst, kunnen voorschriften vaststellen, die niet strijdig zijn met deze Overeenkomst en die noodzakelijk zijn of wenselijk worden geacht voor de uitoefening van de werkzaamheden van het Fonds.

Artikel 26. Het College van Bewindvoerders: taken

Onverminderd de bevoegdheden van de Raad van Bestuur als bepaald in artikel 23, is het College van Bewindvoerders belast met de leiding van de algemene werkzaamheden van het Fonds en oefent het tot dit doel alle taken uit die dit College uitdrukkelijk door deze Overeenkomst zijn verleend of door de Raad van Bestuur aan dit College zijn overgedragen, en wel in het bijzonder:

  • (i). het voorbereiden van het werk van de Raad van Bestuur;
  • (ii). het nemen van besluiten, in overeenstemming met de algemene aanwijzingen van de Raad van Bestuur, betreffende individuele leningen en andere vormen van financiering door het Fonds krachtens deze Overeenkomst te verstrekken, onderscheidenlijk te verzorgen;
  • (iii). het vaststellen van regels, voorschriften of andere maatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat de boekhouding en de overige financiële administratie betrekking hebbende op de werkzaamheden van het Fonds op de juiste wijze worden gevoerd en door accountants gecontroleerd;
  • (iv). ervoor te zorgen dat het Fonds op de meest doelmatige, en zuinige wijze functioneert;
  • (v). het op elke jaarvergadering ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van Bestuur van de rekeningen voor elk boekjaar in een vorm waarin, voor zover nodig, een onderscheid wordt gemaakt tussen rekeningen betreffende de algemene werkzaamheden van het Fonds en betreffende werkzaamheden die worden gefinancierd uit bijdragen die het Fonds krachtens artikel 8 ter beschikking worden gesteld;
  • (vi). het op elke jaarvergadering ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van Bestuur van een jaarverslag; en
  • (vii). het goedkeuren van de begroting en het algemene, programma voor leningen, alsmede van het beleid van het Fonds, overeenkomstig de middelen die onderscheidenlijk voor deze doeleinden beschikbaar zijn.

Artikel 27. College van Bewindvoerders: samenstelling

(1). Er is een College van Bewindvoerders bestaande uit twaalf bewindvoerders.

(2). De deelnemende Staten kiezen, ingevolge bijlage B, zes bewindvoerders en zes plaatsvervangende bewindvoerders.

(3). De Bank wijst, ingevolge bijlage B, zes bewindvoerders en hun plaatsvervangers aan uit het College van Bewindvoerders van de Bank.

(4). Een plaatsvervangend bewindvoerder van het Fonds kan alle vergaderingen van het College van Bewindvoerders bijwonen, doch neemt geen deel aan de besprekingen en brengt geen stem uit, behalve bij afwezigheid van de bewindvoerder wiens plaatsvervanger hij is.

(5). Het College van Bewindvoerders nodigt de andere bewindvoerders van de Bank en hun plaatsvervangers uit vergaderingen van het College van Bewindvoerders bij te wonen als waarnemer en elke zodanige bewindvoerder of, bij zijn afwezigheid zijn plaatsvervanger, kan deelnemen aan de bespreking van een voorgelegd project dat beoogt het land dat hij in het College van Bewindvoerders van de Bank vertegenwoordigt ten goede te komen.

  • (a). Een door de Bank aangewezen bewindvoerder oefent zijn functie uit totdat zijn opvolger is aangewezen ingevolge bijlage B en zijn functie heeft aanvaard. Indien een door de Bank aangewezen bewindvoerder aftreedt als bewindvoerder van de Bank, treedt hij tevens af als bewindvoerder van het Fonds.
  • (b). De ambtsperiode van door deelnemende Staten gekozen bewindvoerders is drie jaar, doch eindigt wanneer een algemene verhoging van de bijdragen krachtens artikel 7, eerste lid, van kracht wordt. Deze bewindvoerders zijn verkiesbaar voor een of meer volgende ambtsperioden. Zij blijven in functie totdat hun opvolgers zijn gekozen en hun functie hebben aanvaard. Indien de functie van een zodanige bewindvoerder openvalt vóór het verstrijken van zijn ambtsperiode, wordt de opengevallen plaats vervuld door een nieuwe bewindvoerder gekozen door de deelnemende Staat of Staten waarvoor zijn voorganger gerechtigd was te stemmen. Een zodanige een ander opvolgende bewindvoerder bekleedt het ambt voor het resterende gedeelte van de ambtsperiode van zijn voorganger.
  • (c). Zolang de functie van een bewindvoerder onvervuld blijft, oefent de plaatsvervanger van de vorige bewindvoerder de bevoegdheden van de laatste uit, behalve het recht een plaatsvervanger te benoemen, anders dan een tijdelijke plaatsvervanger, om hem te vertegenwoordigen op vergaderingen waar hij niet aanwezig kan zijn.
  • (a). Indien een Staat een deelnemende Staat wordt krachtens artikel 3, derde lid, of een deelnemende Staat zijn bijdrage verhoogt of indien er zich om andere redenen wijzigingen mochten voordoen in het stemrecht van afzonderlijke deelnemende Staten tussen de voor de keuze van de bewindvoerders die deelnemende Staten vertegenwoordigen bepaalde data:
  • (i). Leidt zulks niet tot aanstelling van andere bewindvoerders, en verstande dat indien een bewindvoerder niet langer stemrecht bezit, zijn ambtsperiode en die van zijn plaatsvervanger onmiddellijk worden beëindigd.
  • (ii). Wordt het stemrecht van de deelnemende Staten en van de door hen gekozen bewindvoerders aangepast met ingang van de datum van inwerkingtreding van de verhoging van de bijdrage, van die van de nieuwe bijdrage of van die van een andere wijziging in het stemrecht.
  • (iii). Kan, indien zulk een nieuwe deelnemende Staat stemrecht bezit, deze Staat een bewindvoerder, die dan een of meer deelnemende Staten vertegenwoordigt, aanwijzen hem te vertegenwoordigen en voor hem te stemmen tot de volgende algemene verkiezing van bewindvoerders voor de deelnemende Staten.

(8). Bewindvoerders en hun plaatsvervangers vervullen hun taak zonder beloning of vergoeding van onkosten door het Fonds.

Artikel 28. College van Bewindvoerders: procedure

(1). Het College van Bewindvoerders vergadert telkens wanneer de werkzaamheden van het Fonds dit vereisen. De Voorzitter roept een vergadering van het College van Bewindvoerders bijeen wanneer daarom wordt verzocht door vier bewindvoerders.

(2). Het quorum voor een vergadering van het College van Bewindvoerders wordt gevormd door een meerderheid van het totale aantal bewindvoerders die niet minder dan drie/vierde van het totale aantal stemmen van de deelnemers bezitten.

Artikel 29. Stemrecht

(1). De Bank en de deelnemende Staten als groep hebben elk 1000 stemmen.

(2). Elke bestuurder van het Fonds die bestuurder is van de Bank bezit, en is gerechtigd uit te brengen, dat gedeelte van de stemmen van de Bank dat door de President van de Bank ter kennis van het Fonds is gebracht.

(3). Elke deelnemende Staat bezit een evenredig gedeelte van de gezamenlijke stemmen van de deelnemende Staten, gebaseerd op de bijdragen van een zodanige deelnemer verricht ingevolge artikel 6 en, voor zover de deelnemende Staten de aanvullende bijdragen toegestaan krachtens artikel 7, eerste en tweede lid, hebben goedgekeurd, gebaseerd op deze aanvullende bijdragen. Het totale aantal stemmen toe te wijzen aan regionale leden die deelnemende Staten zijn mag echter niet hoger zijn dan één procent van het totale aantal stemmen van de deelnemende Staten. Bij stemming in de Raad van Bestuur is elke bestuurder die een deelnemende Staat vertegenwoordigt gerechtigd de stemmen uit te brengen van de deelnemer die hij vertegenwoordigt.

(4). Bij stemming in het College van Bewindvoerders bezitten de door de Bank aangewezen bewindvoerders te zamen 1000 stemmen en bezitten de door de deelnemende Staten gekozen bewindvoerders te zamen 1000 stemmen. Elke door de Bank aangewezen bewindvoerder bezit het aantal hem door de Bank toegewezen stemmen als neergelegd in de kennisgeving van zijn aanwijzing, gedaan krachtens deel I van bijlage B. Elke door een of meer deelnemende Staten gekozen bewindvoerder bezit het aantal stemmen in het bezit van de deelnemer of deelnemers die hem heeft of hebben gekozen.

(5). Elke bewindvoerder van de Bank brengt zijn stemmen uit in een blok. Een bewindvoerder die meer dan één deelnemende Staat vertegenwoordigt kan de stemmen van de Staten die hij vertegenwoordigt afzonderlijk uitbrengen.

(6). Niettegenstaande de overige bepalingen van deze Overeenkomst wordt een Staat die zowel deelnemende Staat als lid wordt of zal worden, uitsluitend voor de toepassing van deze Overeenkomst, in alle opzichten behandeld als was hij geen lid.

(7). Voor zover in deze Overeenkomst niet anders is bepaald, worden alle besluiten van de Raad van Bestuur of het College van Bewindvoerders genomen met een meerderheid van drie/vierde van het totale aantal stemmen van de deelnemers.

Artikel 30. De President

(1). De President van de Bank is ambtshalve President van het Fonds. Hij is Voorzitter van het College van Bewindvoerders, doch heeft geen stemrecht. Hij mag deelnemen aan vergaderingen van de Raad van Bestuur, doch heeft geen stemrecht.

(2). De President is in rechten vertegenwoordiger van het Fonds.

(3). Ingeval de President van de Bank afwezig is of zijn functie openvalt treedt de persoon die voorlopig is aangewezen om de taken van de President van de Bank te vervullen op als President van het Fonds.

(4). Onverminderd het bepaalde in artikel 26 leidt de President de gewone werkzaamheden van het Fonds en verricht in het bijzonder de volgende werkzaamheden:

  • (i). hij legt zowel de begroting inzake de werkzaamheden van het Fonds als de administratieve begroting voor;
  • (ii). hij legt het algemene financieringsprogramma voor;
  • (iii). hij treft regelingen voor de bestudering en de beoordeling van projecten en programma’s met het oog op financiering door het Fonds overeenkomstig artikel 15, derde lid;
  • (iv). hij maakt, al naar behoefte, gebruik van de functionarissen, het personeel, de organisatie, de diensten en de toerusting van de Bank om de werkzaamheden van het Fonds te kunnen verrichten en is verantwoording verschuldigd tegenover het College van Bewindvoerders met betrekking tot de zorg voor en het toezicht op de juiste organisatie, personeelsbezetting en dienstverlening als bepaald krachtens artikel 22;
  • (v). hij neemt het personeel, daarbij inbegrepen adviseurs en deskundigen, in dienst dat het Fonds behoeft en kan het dienstverband daarvan beëindigen.

Artikel 31. Verhouding tot de Bank

(1). Het Fonds vergoedt de Bank op billijke wijze voor het gebruik van de functionarissen, het personeel, de organisatie, de diensten en de toerusting van de Bank, overeenkomstig tussen het Fonds en de Bank getroffen regelingen.

(2). Het Fonds vormt een eenheid die wettelijk geheel gescheiden is van de Bank en de activa van het Fonds worden geheel van die van de Bank gescheiden gehouden.

(3). Geen bepaling van deze Overeenkomst stelt het Fonds aansprakelijk voor de handelingen of verbintenissen van de Bank, of stelt de Bank aansprakelijk voor de handelingen of verbintenissen van het Fonds.

Artikel 32. Kantoor van het Fonds

Het kantoor van het Fonds is het hoofdkantoor van de Bank.

Artikel 33. Bewaarinstellingen

Elke deelnemende Staat wijst zijn centrale bank of een andere instelling die voor het Fonds aanvaardbaar is aan als een bewaarinstelling waar het Fonds saldi in de valuta van die deelnemer of andere activa van het Fonds kan aanhouden. Bij gebreke van een andere aanwijzing is de bewaarinstelling voor elk lid de door hem aangewezen bewaarinstelling voor de toepassing van de Overeenkomst tot oprichting van de Bank.

Artikel 34. Verbindingen

Elke deelnemende Staat wijst een passende instantie aan, waarmede het Fonds zich in verbinding kan stellen in verband met ieder vraagstuk dat zich als gevolg van deze Overeenkomst kan voordoen. Bij gebreke van een andere aanwijzing is de door een lid voor de Bank aangewezen verbindingsinstantie de verbindingsinstantie voor het Fonds.

Artikel 35. Publikatie van verslagen en het verstrekken van inlichtingen

(1). Het Fonds publiceert een jaarverslag dat de door accountants gecontroleerde jaarrekening bevat en verstrekt met passende tussenpozen aan deelnemers en leden een beknopt overzicht van zijn financiële positie, alsmede een staat van inkomsten en uitgaven waaruit de resultaten van zijn werkzaamheden blijken.

(2). Het Fonds kan de andere verslagen publiceren die het voor de vervulling van zijn doelstellingen wenselijk acht.

(3). Van alle verslagen, overzichten en publikaties die krachtens dit artikel worden samengesteld, worden afschriften verstrekt aan de deelnemers en de leden.

Artikel 36. Verdeling van het netto-inkomen

De Raad van Bestuur neemt telkens wanneer dit nodig blijkt beslissingen omtrent de verdeling van het netto-inkomen van het Fonds, met inachtneming van de nodige voorzieningen voor reserveringen en onvoorziene omstandigheden.

HOOFDSTUK VII. Opzegging; schorsing van deelneming; beëindiging der werkzaamheden

Artikel 37. Opzegging door deelnemers

Iedere deelnemer kan te allen tijde zijn deelneming in het Fonds opzeggen door middel van een schriftelijke mededeling aan het hoofdkantoor van het Fonds. De opzegging wordt van kracht op de dag van ontvangst van een dergelijke mededeling of op een in deze mededeling aangegeven datum, die uiterlijk 6 maanden later mag liggen.

Artikel 38. Schorsing van deelneming

(1). Indien een deelnemer enige verplichting tegenover het Fonds niet nakomt, kan het Fonds bij besluit van de Raad van Bestuur de deelnemer schorsen. De op deze wijze geschorste deelnemer houdt één jaar na de datum van zijn schorsing automatisch op deelnemer te zijn, tenzij door de Raad van Bestuur wordt besloten de deelnemer in ere te herstellen.

(2). Zolang de deelnemer geschorst is, is hij niet bevoegd enig recht uit hoofde van deze Overeenkomst uit te oefenen, behalve het recht van opzegging, maar de deelnemer blijft aan alle verplichtingen gebonden.

Artikel 39. Rechten en verplichtingen van Staten die ophouden deelnemer te zijn

(1). Indien een Staat ophoudt deelnemer te zijn, heeft hij geen rechten krachtens deze Overeenkomst met uitzondering van die vervat in dit artikel en in artikel 53, maar hij blijft voor zover in dit artikel niet anders wordt bepaald, aansprakelijk voor alle door hem tegenover het Fonds als deelnemer, debiteur, garant of anderszins aangegane financiële verplichtingen.

(2). Indien een Staat ophoudt deelnemer te zijn gaan het Fonds en de Staat over tot regeling van hun verplichtingen. Als onderdeel hiervan kunnen het Fonds en de Staat een overeenkomst treffen inzake de aan de Staat te betalen bedragen ter zake van zijn bijdrage en inzake het tijdstip waarop en de valuta’s waarin de betaling zal geschieden. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 40 wordt met betrekking tot een deelnemer de term „bijdrage” geacht zowel de aanvangsbijdrage als de verdere bijdragen van die deelnemer te omvatten.

(3). In afwachting van een zodanige regeling en in elk geval indien binnen zes maanden na de datum waarop de Staat ophoudt deelnemer te zijn of op een ander door het Fonds en de Staat overeen te komen tijdstip geen regeling tot stand is gekomen, gelden de volgende bepalingen:

  • (i). De Staat wordt ontslagen van alle verdere aansprakelijkheid tegenover het Fonds ter zake van zijn bijdrage, behalve dat de Staat verplicht is op de vervaldata aan het Fonds alle op de datum waarop hij ophield deelnemer te zijn nog onbetaalde bedragen te betalen, die het Fonds naar zijn oordeel nodig heeft om zijn op die datum bestaande, in het kader van zijn financieringswerkzaamheden gedane, toezeggingen gestand te kunnen doen.
  • (ii). Het Fonds betaalt aan de Staat de door deze laatste ter zake van zijn bijdrage betaalde gelden terug of de daaruit als terugbetaalde hoofdsommen voortgekomen gelden die zich in het bezit van het Fonds bevinden op de datum waarop de Staat ophoudt lid te zijn, voor zover het Fonds naar zijn oordeel deze gelden niet nodig heeft om zijn op die datum bestaande, in het kader van zijn financieringswerkzaamheden gedane, toezeggingen gestand te kunnen doen.
  • (iii). Het Fonds betaalt aan de Staat een evenredig deel van alle terugbetaalde hoofdsommen die door het Fonds ontvangen zijn na de datum waarop de Staat ophield deelnemer te zijn, uit hoofde van vóór die datum verstrekte leningen, met uitzondering van leningen verstrekt uit middelen die aan het Fonds verschaft zijn krachtens regelingen die bijzondere afwikkelingsrechten voorschrijven. Dit aandeel bedraagt een deel van de totale hoofdsom dezer leningen, dat bepaald wordt door de verhouding tussen het totale door de Staat ter zake van zijn bijdrage betaalde en aan hem niet ingevolge het bepaalde sub (ii) teruggestorte bedrag en het totale door alle deelnemers ter zake van hun bijdragen betaalde bedrag, dat door het Fonds gebruikt is of dat het Fonds naar zijn oordeel nodig heeft om zijn op de datum waarop de Staat ophield deelnemer te zijn bestaande, in het kader van zijn fmancieringswerkzaamheden gedane, toezeggingen gestand te kunnen doen. Deze betaling door het Fonds geschiedt in termijnen naarmate de terugbetaalde hoofdsommen door het Fonds ontvangen worden doch niet meer dan een keer per jaar. Deze termijnen worden betaald in de door het Fonds ontvangen valuta’s, maar het Fonds kan naar verkiezing in de valuta van de betrokken Staal betalen.
  • (iv). Een bedrag dat aan een Staat ter zake van zijn bijdrage is verschuldigd, kan ingehouden worden zolang die Staat, of enig onderdeel of enige organisatie van een hunner als debiteur of garant jegens het Fonds aansprakelijk blijft, en dit bedrag kan naar verkiezing van het Fonds verrekend worden met een dergelijke verplichting wanneer deze opeisbaar wordt.
  • (v). In geen geval is een Staat krachtens dit lid gerechtigd in totaal meer te ontvangen dan het kleinste van de twee volgende bedragen:
  • (1). het bedrag door de Staat ter zake van zijn bijdrage betaald, of
  • (2). een deel van het volgens de boeken van het Fonds berekende zuivere vermogen van het Fonds op de dag waarop de Staat ophield deelnemer te zijn, te bepalen door de verhouding tussen de bijdrage van de Staat en het totale bedrag van de bijdragen van alle deelnemers.
  • (vi). Alle krachtens dit lid te maken berekeningen geschieden op een door het Fonds naar redelijkheid te bepalen grondslag.

(4). In geen geval wordt enig aan een Staat krachtens dit artikel verschuldigd bedrag eerder uitbetaald dan zes maanden na de datum waarop hij ophield deelnemer te zijn. Indien het Fonds binnen zes maanden na de datum waarop een Staat ophoudt deelnemer te zijn in het Fonds, zijn werkzaamheden overeenkomstig artikel 40 beëindigt, worden alle rechten van die Staat door artikel 40 bepaald en wordt hij voor de toepassing van artikel 40 als deelnemer in het Fonds beschouwd, met dien verstande dat hij geen stemrecht heeft.

Artikel 40. Beëindiging van werkzaamheden en regeling van verplichtingen

(1). Het Fonds kan zijn werkzaamheden beëindigen bij besluit van de Raad van Bestuur. Opzegging door de Bank of door alle deelnemende Staten krachtens artikel 37 betekent beëindiging van de werkzaamheden van het Fonds. Na een zodanige beëindiging van de werkzaamheden staakt het Fonds onmiddellijk alle activiteiten, behalve die welke verband houden met het ordelijk te gelde maken, in stand houden en beschermen van zijn activa en de regeling van zijn verplichtingen. Tot het tijdstip van de uiteindelijke regeling van die verplichtingen en de uitwerking van die activa blijft het Fonds voortbestaan en blijven alle wederzijdse rechten en verplichtingen van het Fonds en zijn deelnemers ingevolge deze Overeenkomst onverminderd van kracht, met dien verstande dat geen deelnemer wordt geschorst of zijn deelneming kan opzeggen en dat geen uitkering aan de deelnemers wordt gedaan, behalve als in dit artikel bepaald.

(2). Geen uitkering wordt aan de deelnemers gedaan ter zake van hun bijdragen voordat alle verplichtingen aan crediteuren zijn voldaan of voorzieningen daartoe zijn getroffen en voordat de Raad van Bestuur besloten heeft tot een zodanige uitkering over te gaan.

(3). Met inachtneming van het voorgaande en van bijzondere regelingen getroffen ter zake van de beschikking over middelen in verband met de verstrekking daarvan aan het Fonds, keert het Fonds zijn activa aan de deelnemers naar evenredigheid uit, in verhouding tot de door hen ter zake van hun bijdragen betaalde bedragen. Iedere uitkering ingevolge de voorgaande bepaling van dit lid vindt slechts plaats na een voorafgaande vereffening van alle uitstaande vorderingen van het Fonds op de deelnemer. Een zodanige uitkering wordt verricht op zodanige tijdstippen, in zodanige valuta’s, hetzij in contanten, hetzij in andere activa, en op een wijze die het Fonds billijk en redelijk oordeelt. De uitkering behoeft wat betreft de aard van de uitgekeerde vermogensbestanddelen of de valuta's waarin zij zijn uitgedrukt niet voor alle deelnemers gelijk te zijn.

(4). Iedere deelnemer die door het Fonds ingevolge dit artikel of artikel 39 uitgekeerde activa ontvangt, geniet ten aanzien daarvan dezelfde rechten als het Fonds vóór de uitkering daarvan genoot.

HOOFDSTUK VIII. Rechtspositie; immuniteiten; vrijstellingen en voorrechten

Artikel 41. Doel van het Hoofdstuk

Ten einde het Fonds in staat te stellen op doeltreffende wijze zijn doelstellingen te verwezenlijken en zijn taken te vervullen, worden op het grondgebied van elke deelnemende Staat in het Fonds de in dit Hoofdstuk vermelde rechtspositie, immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten toegekend en deelt elke deelnemende Staat aan het Fonds de bijzondere maatregelen mede die hij te dien einde heeft getroffen.

Artikel 42. Rechtspositie

Het Fonds bezit onverkorte rechtspersoonlijkheid en heeft in het bijzonder de bevoegdheid:

  • (i). overeenkomsten te sluiten;
  • (ii). roerende en onroerende goederen te verwerven of te vervreemden;
  • (iii). rechtsgedingen te voeren.

Artikel 43. Rechtsvordering

(1). Het Fonds geniet immuniteit van iedere vorm van rechtsvordering, behalve in gevallen voortspruitende uit of verbandhoudend met zijn bevoegdheid leningen te ontvangen overeenkomstig artikel 8, in welke gevallen vorderingen tegen het Fonds mogen worden ingesteld voor een bevoegde rechter op het grondgebied van een land waar het kantoor van het Fonds is gevestigd of waar het een vertegenwoordiger heeft aangewezen voor het aannemen van gerechtelijke aanzeggingen of anderszins met de rechtsvervolging heeft ingestemd.

(2). Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, mag het Fonds geen proces worden aangedaan, hetzij door een deelnemer, hetzij door een organisatie of instantie van een deelnemer, hetzij door een lichaam dat of persoon die direct of indirect optreedt voor of vorderingen heeft op een deelnemer of op een organisatie of instantie van een deelnemer. Ter regeling van geschillen tussen het Fonds en de deelnemers dienen deze laatsten gebruik te maken van daartoe in deze Overeenkomst, in de verordeningen en voorschriften van het Fonds of in met het Fonds gesloten overeenkomsten opgenomen bijzondere procedures.

(3). Het Fonds treft ook voorzieningen ten aanzien van passende wijzen voor de regeling van geschillen voor gevallen waarop het bepaalde in het tweede lid en in de artikelen 52 en 53 niet van toepassing is, doch ten aanzien waarvan ingevolge het eerste lid van dit artikel de immuniteit van het Fonds van kracht is.

(4). In gevallen waarin uit hoofde van de bepalingen van deze Overeenkomst het Fonds geen immuniteit van rechtsvordering geniet, zijn het Fonds en zijn eigendommen en activa, waar zij zich ook bevinden en wie deze ook in bezit heeft, niettemin vrij van iedere vorm van inbeslagneming, beslaglegging of executie alvorens een eindvonnis tegen het Fonds is uitgesproken.

Artikel 44. Immuniteit van activa

Eigendommen en andere activa van het Fonds, waar deze zich ook bevinden en wie deze ook in bezit heeft, zijn vrij van onderzoek, vordering, inbeslagneming, onteigening of andere vormen van beslaglegging of uitsluiting op last van de uitvoerende of wetgevende macht.

Artikel 45. Immuniteit van het archief

Het archief van het Fonds en in het algemeen alle documenten die het Fonds bezit of die bij het Fonds berusten, zijn onschendbaar, waar deze zich ook bevinden.

Artikel 46. Vrijstelling der activa van beperkende maatregelen

Voor zover zulks nodig is voor de uitoefening van de taken en functies van het Fonds en behoudens de bepalingen van deze Overeenkomst, zijn alle eigendommen en andere activa van het Fonds vrijgesteld van beperkingen als gevolg van financieel toezicht, dan wel van voorschriften of moratoria van welke aard ook.

Artikel 47. Bevoorrechte behandeling van mededelingen

Door elke deelnemende Staat wordt aan de officiële mededelingen van het Fonds dezelfde behandeling toegekend als aan de officiële mededelingen van andere internationale financiële instellingen waarvan hij lid is.

Artikel 48. Immuniteiten en voorrechten van functionarissen en personeel

Alle bestuurders en bewindvoerders en hun plaatsvervangers, de President en het personeel, alsmede deskundigen die voor het Fonds een opdracht vervullen:

  • (i). genieten immuniteit van rechtsvorderingen ter zake van handelingen uit hoofde van hun ambt verricht;
  • (ii). genieten, voor zover zij niet de plaatselijke nationaliteit bezitten, geen minder gunstige immuniteiten ten aanzien van immigratiebeperkingen, registratieplicht voor vreemdelingen en militaire dienstplicht, en geen minder gunstige faciliteiten ten aanzien van deviezenbepalingen, dan door de betrokken deelnemende Staat worden toegekend aan de vertegenwoordigers, functionarissen en employés van vergelijkbare rang in dienst van andere internationale financiële instellingen waarvan hij lid is;
  • (iii). genieten geen minder gunstige behandeling ten aanzien van reisfaciliteiten dan door de betrokken deelnemende Staat worden toegekend aan de vertegenwoordigers, functionarissen en employés van vergelijkbare rang in dienst van andere internationale financiële instellingen waarvan hij lid is.

Artikel 49. Vrijstelling van belasting

(1). Het Fonds, zijn activa, eigendommen, inkomsten, werkzaamheden en transacties zijn vrijgesteld van alle directe belastingen en van alle douanerechten of belastingen met gelijke werking op voor zijn officiële gebruik ingevoerde of uitgevoerde goederen. Het Fonds is eveneens vrijgesteld van iedere verplichting tot betaling, inhouding of inning van belastingen of heffingen.

(2). In afwijking van het bepaalde in het eerste lid maakt het Fonds geen aanspraak op vrijstelling van belastingen die slechts heffingen voor verleende diensten zijn.

(3). De met een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid ingevoerde goederen worden niet binnen het grondgebied van de deelnemende Staat die de vrijstelling verleende, verkocht behalve op met die deelnemer overeengekomen voorwaarden.

(4). Er wordt geen belasting geheven op of ter zake van salarissen en vergoedingen door het Fonds betaald aan de President en het personeel, met inbegrip van deskundigen die voor het Fonds een opdracht vervullen.

Artikel 50. Afstand van immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten door het Fonds

(1). De immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten bedoeld in dit Hoofdstuk worden verleend in het belang van het Fonds. Het College van Bewindvoerders kan, in een door dit College te bepalen mate en op door dit College te bepalen voorwaarden, afstand doen van de in dit Hoofdstuk bedoelde immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten indien het van oordeel is dat de belangen van het Fonds hiermede zijn gediend.

(2). Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, heeft de President het recht en de plicht de immuniteit van een personeelslid, daarbij inbegrepen deskundigen die voor het Fonds een opdracht vervullen, op te heffen in gevallen waarin die immuniteit naar zijn mening een goede rechtsgang zou belemmeren en zij kan worden opgeheven zonder de belangen van het Fonds te schaden.

HOOFDSTUK IX. Wijzigingen

Artikel 51

(1). Ieder voorstel tot wijziging van deze Overeenkomst wordt, ongeacht of het afkomstig is van een deelnemer, een bestuurder of het College van Bewindvoerders, ingediend bij de voorzitter van de Raad van Bestuur, die het voorstel aan de Raad voorlegt. Indien de voorgestelde wijziging door de Raad wordt goedgekeurd, vraagt het Fonds, bij rondschrijven of per telegram, aan de deelnemers of zij de voorgestelde wijziging aannemen. Wanneer drie vierde van de deelnemers die 85% van het totale aantal stemmen bezitten de voorgestelde wijziging hebben aangenomen, bericht het Fonds dit door een officiële mededeling aan de deelnemers. De wijzigingen worden voor alle leden van kracht drie maanden na de datum van de officiële mededeling bedoeld in dit lid, tenzij de Raad van Bestuur een andere termijn of datum heeft bepaald.

(2). In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de eenstemmige goedkeuring van de Raad van Bestuur vereist wanneer het een voorstel betreft tot wijziging van:

  • (i). de beperking van aansprakelijkheid bedoeld in artikel 10;
  • (ii). het bepaalde in artikel 7, tweede en derde lid, betreffende aanvullende bijdragen;
  • (iii). het recht uit het Fonds te treden; en
  • (iv). de in deze Overeenkomst vervatte eisen ten aanzien van de stemmenmeerderheid.

HOOFDSTUK X. Uitlegging en arbitrage

Artikel 52. Uitlegging

(1). Meningsverschillen omtrent de uitlegging of toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst, die rijzen tussen een deelnemer en het Fonds of tussen deelnemers onderling, worden ter beslissing voorgelegd aan het College van Bewindvoerders. Indien een deelnemende Staat die niet in het College is vertegenwoordigd door een bewindvoerder van zijn eigen nationaliteit in bijzondere mate bij het desbetreffende meningsverschil is betrokken, is hij gerechtigd zich in zulke gevallen rechtstreeks te doen vertegenwoordigen. Zodanige rechten van vertegenwoordiging worden geregeld door de Raad van Bestuur.

(2). In elk geval waarin het College van Bewindvoerders ingevolge het eerste lid een beslissing heeft genomen, kan een deelnemer verzoeken de zaak naar de Raad van Bestuur te verwijzen, tegen wiens oordeel geen beroep mogelijk is. Hangende de beslissing van de Raad van Bestuur kan het Fonds, voor zover het dit nodig acht, handelen op grond van de beslissing van het College van Bewindvoerders.

Artikel 53. Arbitrage

In geval van een geschil tussen het Fonds en een Staat die opgehouden heeft deelnemer te zijn, of tussen het Fonds en een deelnemer bij de beëindiging van de werkzaamheden van het Fonds, wordt een zodanig geschil onderworpen aan arbitrage door een scheidsgerecht van drie scheidsmannen. Een van de scheidsmannen wordt benoemd door het Fonds, een andere door de betrokken deelnemer of voormalige deelnemer en beide partijen benoemen de derde scheidsman, die optreedt als Voorzitter. Indien binnen 45 dagen na de ontvangst van het verzoek om arbitrage een der partijen geen scheidsman heeft benoemd of indien binnen 30 dagen na de benoeming van twee scheidsmannen de derde scheidsman niet is benoemd, kan een der partijen de President van het Internationale Gerechtshof, of een andere autoriteit die daarvoor bij een door de Raad van Bestuur aangenomen regeling aangewezen is, verzoeken een scheidsman te benoemen. De scheidsrechterlijke procedure wordt vastgesteld door de scheidsmannen, doch de derde scheidsman heeft de volledige bevoegdheid alle vraagstukken de procedure betreffende te regelen indien ter zake daarvan onenigheid tussen partijen mocht bestaan. Een gewone meerderheid van stemmen van de scheidsmannen is voldoende om een beslissing te nemen, die voor partijen definitief en bindend is.

HOOFDSTUK XI. Slotbepalingen

Artikel 54. Ondertekening

Het origineel van deze Overeenkomst blijft tot 31 maart 1973 openstaan voor ondertekening door de Bank en door de Staten wier namen zijn opgenomen in bijlage A.

Artikel 55. Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring

(1). Deze Overeenkomst dient door de ondertekenaren te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd.

(2). De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden vóór 31 december 1973 door elke ondertekenaar bij de Bank op zijn hoofdkantoor nedergelegd, met dien verstande dat, indien deze Overeenkomst op die datum nog niet in werking is getreden overeenkomstig artikel 56, het College van Bewindvoerders van de Bank de termijn voor nederlegging van akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring kan verlengen met ten hoogste zes maanden.

Artikel 56. Inwerkingtreding

Deze Overeenkomst treedt in werking op de datum waarop de Bank en acht ondertekenende Staten wier aanvangsbijdragen, als opgenomen in bijlage A bij deze Overeenkomst, in totaal niet minder dan 55 miljoen rekeneenheden omvatten, hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd.

Artikel 57. Deelneming

(1). Een ondertekenaar wiens akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd op of vóór de datum waarop deze Overeenkomst in werking treedt, wordt op die datum deelnemer. Een ondertekenaar wiens akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring daarna wordt nedergelegd, doch vóór de datum voorgeschreven in of krachtens artikel 55, tweede lid, wordt deelnemer op de datum van een zodanige nederlegging.

(2). Een Staat die niet een oorspronkelijk deelnemer is, kan deelnemer worden krachtens artikel 3, derde lid, en ongeacht het bepaalde in de artikelen 54 en 55 komt een zodanige deelneming tot stand door ondertekening van deze Overeenkomst en door nederlegging bij de Bank van een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, en wordt op de datum van een zodanige nederlegging van kracht.

Artikel 58. Voorbehouden

Een Staat kan bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring verklaren:

  • (i). dat de immuniteit verleend krachtens artikel 43, eerste lid, en krachtens artikel 48, sub (i), niet van toepassing is met betrekking tot een burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een ongeval veroorzaakt door een motorrijtuig toebehorend aan of gebruikt ten behoeve van het Fonds of op een verkeersovertreding begaan door de bestuurder van zulk een voertuig;
  • (ii). dat hij voor zichzelf en zijn staatkundige onderdelen het recht voorbehoudt belasting te heffen op de salarissen en vergoedingen door het Fonds betaald aan staatsburgers, onderdanen of ingezetenen van die Staat;
  • (iii). dat is overeengekomen dat het Fonds normaliter geen aanspraak zal maken op vrijstelling van door die Staat op goederen van oorsprong uit zijn grondgebied geheven accijnzen en van belastingen op de verkoop van roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van de te betalen prijs, doch dat wanneer het Fonds voor officieel gebruik belangrijke aankopen verricht, die goederen betreffen waarop zodanige heffingen en belastingen zijn of worden geheven, indien mogelijk passende administratieve regelingen zullen worden getroffen door die Staat ter kwijtschelding of voor teruggave van het bedrag van de heffing of belasting;
  • (iv). dat het bepaalde in artikel 49, derde lid, van toepassing is op goederen ten aanzien waarvan kwijtschelding of teruggave van heffing of belasting door die Staat is verleend ingevolge de sub (iii) bedoelde regelingen.

Artikel 59. Kennisgeving

De Bank geeft alle ondertekenaars kennis van:

  • (a). elke ondertekening;
  • (b). elke nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;
  • (c). de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst;
  • (d). elke verklaring afgelegd of elk voorbehoud gemaakt op het tijdstip van de nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 60. Oprichtingsvergadering

(1). Zodra deze Overeenkomst in werking treedt benoemt elke deelnemende Staat een bestuurder en belegt de Voorzitter van de Raad van Bestuur de oprichtingsvergadering van de Raad van Bestuur.

(2). Op de oprichtingsvergadering worden:

  • (i). 12 bewindvoerders van het Fonds aangewezen en gekozen ingevolge artikel 27, tweede en derde lid;
  • (ii). regelingen getroffen ter vaststelling van de datum waarop het Fonds zijn werkzaamheden aanvangt.

(3). Het Fonds stelt alle deelnemers in kennis van de datum waarop het zijn werkzaamheden zal aanvangen.

(4). Redelijke en noodzakelijke door de Bank bij de oprichting van het Fonds gemaakte onkosten, met inbegrip van de reis- en verblijfkosten gemaakt door de bestuurders en hun plaatsvervangers voor het bijwonen van de oprichtingsvergadering, worden door het Fonds vergoed.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being thereunto duly authorized, have signed this Agreement.

DONE at Abidjan, this twenty-ninth day of November, one thousand nine hundred and seventy two, in the English and French languages, both texts being equally authentic, in a single copy, which shall remain deposited with the Bank.

The Bank shall transmit certified copies of this Agreement to each signatory.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)