Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling
De Staten die Partij zijn bij dit Statuut,
Overeenkomstig het Handvest der Verenigde Naties,
Overwegende de ruime doelstellingen, vervat in de resoluties, aanvaard tijdens de zesde bijzondere zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties betreffende de vestiging van een Nieuwe Internationale Economische Orde, in de Verklaring en het Actieplan van Lima inzake Industriële Ontwikkeling en Samenwerking, aanvaard door de Tweede Algemene Conferentie van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling alsmede in de resolutie van de zevende bijzondere zitting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties inzake Ontwikkelingen Internationale Economische Samenwerking,
Verklarende dat:
Het noodzakelijk is een rechtvaardige economische en sociale orde te vestigen, die dient te worden bereikt door het wegnemen van economische ongelijkheid, door het tot stand brengen van rationele en rechtvaardige internationale economische betrekkingen, door het bewerkstelligen van dynamische sociale en economische veranderingen en door de bevordering van de noodzakelijke structurele wijzigingen in de ontwikkeling van de wereldeconomie,
Industrialisatie een dynamisch werktuig is ter bevordering van de groei en van wezenlijk belang is voor een snelle economische en sociale ontwikkeling, met name van de ontwikkelingslanden, voor de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan van de volkeren in alle landen en voor de invoering van een rechtvaardige economische en sociale orde,
Het een soeverein recht van elk land is zijn eigen industrialisatie te verwezenlijken, en elk proces van die industrialisatie in overeenstemming dient te zijn met de ruimere doelstellingen van een zelfstandige en geïntegreerde sociaal-economische ontwikkeling en die veranderingen dient te omvatten die nodig zijn om een rechtvaardige en doeltreffende deelneming van elk volk aan de industrialisatie van zijn land te waarborgen,
Aangezien internationale samenwerking ten behoeve van ontwikkeling het gemeenschappelijk streven en de gemeenschappelijke verplichting van alle landen is, het van wezenlijk belang is de industrialisatie te bevorderen door middel van alle mogelijke gezamenlijk getroffen maatregelen, waaronder de ontwikkeling, overdracht en aanpassing van technologie zowel op mondiaal, regionaal en nationaal als op sectoraal niveau,
Alle landen, ongeacht hun sociaal en economisch stelsel, vastbesloten zijn het algemeen welzijn van hun bevolking te bevorderen door individuele en collectieve handelingen die erop zijn gericht om, op basis van soevereine gelijkheid, de internationale economische samenwerking uit te breiden, de economische onafhankelijkheid van de ontwikkelingslanden te versterken, aan deze landen een rechtvaardig aandeel in de totale industriële produktie in de wereld te waarborgen en bij te dragen tot de internationale vrede, veiligheid en welvaart van alle volken, overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties,
Indachtig deze richtlijnen,
Geleid door de wens binnen het kader van Hoofdstuk IX van het Handvest der Verenigde Naties een gespecialiseerde organisatie in het leven te roepen, die de naam zal dragen van Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO) (hierna te noemen de „Organisatie”) en die een centrale rol zal spelen in en verantwoordelijk zal zijn voor het begeleiden en bevorderen van de coördinatie van alle werkzaamheden binnen het stelsel der Verenigde Naties op het gebied van de industriële ontwikkeling, overeenkomstig de verantwoordelijkheden van de Economische en Sociale Raad krachtens het Handvest der Verenigde Naties en de van toepassing zijnde overeenkomsten inzake de onderlinge betrekkingen,
Hechten hierbij hun goedkeuring aan dit Statuut.
HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN FUNCTIES
Artikel 1. Doelstellingen
De belangrijkste doelstelling van de Organisatie is het bevorderen en versnellen van de industriële ontwikkeling in de ontwikkelingslanden ten einde de invoering van een nieuwe internationale economische orde te stimuleren. Ook dient de Organisatie industriële ontwikkeling en samenwerking zowel op mondiaal, regionaal en nationaal als op sectoraal niveau aan te moedigen.
Artikel 2. Functies
Ten einde bovengenoemde doelstellingen te verwerkelijken, doet de Organisatie in de regel alle noodzakelijke en passende stappen en dient in het bijzonder:
- a. Naar gelang zulks wenselijk is het verlenen van hulp aan de ontwikkelingslanden ter bevordering en versnelling van hun industrialisatie te stimuleren of deze zelf te verlenen, met name bij de ontwikkeling, uitbreiding en modernisering van hun industrieën;
- b. Overeenkomstig het Handvest der Verenigde Naties de werkzaamheden van de organisaties der Verenigde Naties op gang te brengen, te coördineren en op de voet te volgen ten einde haar centrale coördinerende taak op het gebied van de industriële ontwikkeling te kunnen vervullen;
- c. Nieuwe ideeën en benaderingswijzen ten aanzien van de industriële ontwikkeling zowel op mondiaal, regionaal en nationaal als op sectoraal niveau te scheppen en bestaande ideeën en benaderingswijzen nader uit te werken, alsmede onderzoekingen en studies te verrichten ten einde te komen tot het formuleren van nieuwe gedragslijnen gericht op een harmonieuze en evenwichtige industriële ontwikkeling, waarbij de nodige aandacht besteed behoort te worden aan de methoden die landen met verschillende sociaal-economische stelsels gebruiken om industrialisatievraagstukken op te lossen;
- d. De ontwikkeling en het gebruik van planningstechnieken te bevorderen en aan te moedigen en steun te verlenen bij het opstellen van ontwikkelingsprogramma's, wetenschappelijke en technologische programma's en industrialisatieplannen in de openbare, coöperatieve en particuliere sector;
- e. De ontwikkeling van een geïntegreerde en interdisciplinaire benadering van de versnelde industrialisatie in de ontwikkelingslanden aan te moedigen en daarbij steun te verlenen;
- f. Als forum en als instrument te fungeren om de ontwikkelingslanden en de geïndustrialiseerde landen behulpzaam te zijn bij hun contacten, hun overleg en - op verzoek van de betrokken landen - hun onderhandelingen, gericht op industrialisatie van de ontwikkelingslanden;
- g. De ontwikkelingslanden te steunen bij het oprichten en in bedrijf houden van industrieën, zowel basisindustrieën als industrieën die verband houden met de landbouw, om tot een volledig benutten van plaatselijk aanwezige natuurlijke en menselijke hulpbronnen en tot de produktie van goederen voor de binnenlandse markt en de exportmarkt te komen, alsook bij te dragen tot de ontwikkeling op eigen kracht van deze landen;
- h. Als uitwisselingscentrum te fungeren voor industriële informatie en uit hoofde daarvan informatie te verzamelen en steekproefsgewijs te controleren, deze te analyseren en uit te werken ten einde informatie te verspreiden over alle aspecten van de industriële ontwikkeling op zowel mondiaal, regionaal en nationaal als sectoraal niveau, waaronder ook de uitwisseling van ervaring en technologische verworvenheden tussen industrieel ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden met verschillende sociale en economische stelsels;
- i. In het bijzonder aandacht te besteden aan het nemen van speciale maatregelen ten behoeve van de hulpverlening aan de minst ontwikkelde landen, geen toegang tot zee bezittende of uit eilanden bestaande ontwikkelingslanden, alsook aan die ontwikkelingslanden die het zwaarst zijn getroffen door economische crises en natuurrampen, zonder daarbij de belangen van de andere ontwikkelingslanden uit het oog te verliezen;
- j. De ontwikkeling, selectie, aanpassing, overdracht en het gebruik van industriële technologie te bevorderen, aan te moedigen en te steunen, daarbij rekening houdend met de sociaal-economische omstandigheden en specifieke behoeften van de desbetreffende industrie, waarbij dan speciaal het accent moet komen te liggen op de overdracht van technologie van zowel de geïndustrialiseerde landen naar de ontwikkelingslanden als tussen de ontwikkelingslanden onderling;
- k. Industriële opleidingsprogramma's te organiseren en te steunen die erop zijn gericht de ontwikkelingslanden te helpen bij het opleiden van technisch en ander passend personeel, waaraan zij in de verschillende stadia van een versnelde industriële ontwikkeling behoefte hebben;
- l. In nauwe samenwerking met de desbetreffende organen van de Verenigde Naties, de gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, de ontwikkelingslanden te adviseren en te steunen met betrekking tot het exploiteren, conserveren en ter plaatse be- of verwerken van hun natuurlijke hulpbronnen ten einde de industrialisatie van de ontwikkelingslanden te bevorderen;
- m. Proef- en demonstratie-installaties te verschaffen om de industrialisatie in bepaalde sectoren te versnellen;
- n. Speciale maatregelen uit te werken die ten doel hebben de samenwerking op industrieel gebied tussen de ontwikkelingslanden onderling en tussen de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden te stimuleren;
- o. In samenwerking met andere bevoegde instanties steun te verlenen aan de regionale planning voor de industriële ontwikkeling van de ontwikkelingslanden binnen het kader van regionale en subregionale groeperingen van deze landen;
- p. De oprichting en versterking van industriële en commerciële organisaties en beroepsverenigingen en andere soortgelijke organisaties aan te moedigen en te stimuleren, die zouden kunnen bijdragen tot het volledig benutten van de eigen hulpbronnen der ontwikkelingslanden ten einde hun nationale industrieën te ontwikkelen;
- q. Steun te verlenen bij het creëren en doen functioneren van een institutionele infrastructuur die regulerende en adviserende diensten en diensten op ontwikkelingsgebied kan leveren aan de industrie;
- r. Op verzoek van de regeringen van de ontwikkelingslanden steun te verlenen bij het verkrijgen van externe financiering voor specifieke industriële projecten op billijke, rechtvaardige en wederzijds aanvaardbare voorwaarden.
HOOFDSTUK II. DEELNEMING
Artikel 3. Leden
Het lidmaatschap van de Organisatie staat open voor alle Staten die de doelstellingen en beginselen van de Organisatie onderschrijven:
- a. Staten die Lid zijn van de Verenigde Naties of van een gespecialiseerde organisatie of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie kunnen Lid worden van de Organisatie door Partij te worden bij dit Statuut overeenkomstig artikel 24 en artikel 25, tweede lid;
- b. Andere Staten dan de in letter a bedoelde kunnen Lid worden van de Organisatie door Partij te worden bij dit Statuut overeenkomstig artikel 24, derde lid, en artikel 25, tweede lid, letter c, nadat hun lidmaatschap door de Conferentie met een tweederde meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, op aanbeveling van de Raad, is goedgekeurd.
Artikel 4. Waarnemers
De status van waarnemer bij de Organisatie staat op verzoek open voor die Staten die deze status ook bij de Algemene Vergadering der Verenigde Naties genieten, tenzij de Conferentie anders besluit.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid heeft de Conferentie de bevoegdheid andere waarnemers uit te nodigen om deel te nemen aan het werk van de Organisatie.
Het is waarnemers toegestaan deel te nemen aan het werk van de Organisatie overeenkomstig de desbetreffende huishoudelijke reglementen en de bepalingen van dit Statuut.
Artikel 5. Schorsing
Elk Lid van de Organisatie dat wordt geschorst wat de uitoefening betreft van de rechten en voorrechten, verbonden aan het lidmaatschap van de Verenigde Naties wordt tevens automatisch geschorst wat de uitoefening betreft van de rechten en voorrechten, verbonden aan het lidmaatschap van de Organisatie.
Elk Lid dat achterstand heeft bij de betaling van zijn financiële bijdrage aan de Organisatie heeft geen stem in de Organisatie, indien het achterstallige bedrag gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van de bijdrage waarvoor het is aangeslagen voor de twee voorafgaande fiscale jaren. Elk orgaan kan niettemin een dergelijk Lid toestaan in dat orgaan zijn stem uit te brengen, indien het ervan overtuigd is dat uitblijven van de betaling te wijten is aan omstandigheden waarover het desbetreffende Lid geen macht heeft.
Artikel 6. Opzegging
Een Lid kan zijn lidmaatschap van de Organisatie opzeggen door bij de depositaris een akte van opzegging van dit Statuut neder te leggen.
De opzegging wordt van kracht op de laatste dag van het fiscale jaar, volgend op dat waarin een zodanige akte is nedergelegd.
De financiële bijdrage die het Lid dat zijn lidmaatschap opzegt, verschuldigd is voor het fiscale jaar, volgend op dat waarin een zodanige akte is nedergelegd, is gelijk aan de bijdrage waarvoor het is aangeslagen in het fiscale jaar waarin deze akte is nedergelegd.
Het Lid dat zijn lidmaatschap opzegt voldoet bovendien aan alle onvoorwaardelijke financiële toezeggingen die het vrijwillig heeft gedaan vóór de nederlegging van een zodanige akte.
HOOFDSTUK III. ORGANEN
Artikel 7. Hoofdorganen en suborganen
De hoofdorganen van de Organisatie zijn:
- a. De Algemene Vergadering (hierna te noemen de „Vergadering”);
- b. De Raad voor Industriële Ontwikkeling (hierna te noemen de „Raad”);
- c. Het Secretariaat.
Er wordt een Programma- en Begrotingscommissie ingesteld om de Raad te assisteren bij de voorbereiding en bestudering van het werkprogramma, de gewone begroting en de operationele begroting van de Organisatie alsmede andere financiële zaken die de Organisatie betreffen.
Andere suborganen, waaronder technische commissies, kunnen door de Vergadering of de Raad worden ingesteld, waarbij rekening dient te worden gehouden met het beginsel van rechtvaardige geografische spreiding.
Artikel 8. De Algemene Vergadering
De Vergadering bestaat uit vertegenwoordigers van alle Leden.
- a. De Vergadering houdt om de twee jaar een gewone zitting, tenzij zij anders besluit. Bijzondere zittingen worden op verzoek van de Raad of van een meerderheid van alle Leden door de Directeur-Generaal bijeengeroepen.
- b. Gewone zittingen worden gehouden in de plaats waar de Organisatie zetelt, tenzij de Vergadering anders heeft besloten. De Raad besluit waar een bijzondere zitting zal worden gehouden.
Naast het vervullen van andere functies die in dit Statuut zijn omschreven, dient de Vergadering:
- a. de leidende beginselen en de beleidslijnen van de Organisatie te bepalen;
- b. verslagen van de Raad, de Directeur-Generaal en de suborganen van de Vergadering te behandelen;
- c. haar goedkeuring te hechten aan het werkprogramma, de gewone en operationele begroting van de Organisatie overeenkomstig artikel 14, een verdeelsleutel voor de bijdragen vast te stellen overeenkomstig artikel 15, haar goedkeuring te hechten aan het financiële reglement van de Organisatie en toezicht te houden op het doelmatig gebruik van de financiële middelen van de Organisatie;
- d. de bevoegdheid te hebben om met een tweederde meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, verdragen of overeenkomsten aan te gaan betreffende zaken die binnen de bevoegdheid van de Organisatie vallen en aanbevelingen te doen aan de Leden inzake dergelijke verdragen of overeenkomsten;
- e. aanbevelingen te doen aan de Leden en aan internationale organisaties betreffende zaken die binnen de bevoegdheid van de Organisatie vallen;
- f. andere passende maatregelen te nemen om de Organisatie in staat te stellen haar doelstellingen na te streven en haar functies te vervullen.
De Vergadering kan aan de Raad die bevoegdheden en functies delegeren waarvan zij delegatie wenselijk acht met uitzondering van die welke zijn neergelegd in artikel 3, letter b; artikel 4; artikel 8, derde lid, de letters a, b, c en d; artikel 9, eerste lid; artikel 10, eerste lid; artikel 11, tweede lid; artikel 14, vierde en zesde lid; artikel 15; artikel 18; artikel 23, tweede lid, letter b en derde lid, letter b en Aanhangsel I.
De Vergadering stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
Elk Lid heeft één stem in de Vergadering. Besluiten worden genomen door een meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, tenzij in dit Statuut of in het huishoudelijk reglement anders is bepaald.
Artikel 9. De Raad voor industriële ontwikkeling
De Raad bestaat uit 53 Leden van de Organisatie die door de Vergadering zijn gekozen, waarbij het beginsel van rechtvaardige geografische spreiding in acht dient te worden genomen. Bij de verkiezing van de leden van de Raad dient de Vergadering zich te houden aan de volgende zetelverdeling: 33 leden van de Raad dienen te worden gekozen uit de Staten, genoemd in de Delen A en C, 15 uit de Staten, genoemd in Deel B, en 5 uit de Staten, genoemd in Deel D van Aanhangsel I van dit Statuut.
De leden van de Raad vervullen hun ambt vanaf de sluiting van de gewone zitting van de Vergadering waarbij zij gekozen zijn tot aan de sluiting van de gewone zitting van de Vergadering vier jaar later, met dien verstande dat van de leden die bij de eerste zitting worden gekozen en hun ambt vervullen vanaf die verkiezing, de helft dat ambt slechts vervult tot aan de sluiting van de gewone zitting twee jaar later. De leden van de Raad zijn herkiesbaar.
- a. De Raad houdt ten minste éénmaal per jaar op een zelf te bepalen tijdstip een gewone zitting. Bijzondere zittingen worden op verzoek van een meerderheid van alle leden van de Raad door de Directeur-Generaal bijeengeroepen.
- b. De zittingen worden gehouden in de plaats waar de Organisatie zetelt, tenzij de Raad anders bepaalt.
Naast andere functies die in dit Statuut zijn omschreven of door de Vergadering zijn gedelegeerd, dient de Raad:
- a. handelend op gezag van de Vergadering, de uitvoering van het goedgekeurde werkprogramma en van de desbetreffende gewone en operationele begrotingen alsmede van andere besluiten van de Vergadering op de voet te volgen;
- b. de Vergadering aanbevelingen te doen omtrent een verdeelsleutel voor de bijdragen voor uitgaven ingevolge de gewone begroting;
- c. bij elke gewone zitting van de Vergadering verslag uit te brengen over de werkzaamheden van de Raad;
- d. de Leden te verzoeken informatie te verstrekken omtrent hun werkzaamheden die verband houden met het werk van de Organisatie;
- e. overeenkomstig de besluiten van de Vergadering en rekening houdend met omstandigheden die zich tussen zittingen van de Raad of van de Vergadering kunnen voordoen, de Directeur-Generaal te machtigen die maatregelen te nemen die de Raad nodig acht om het hoofd te bieden aan onvoorziene gebeurtenissen, met inachtneming van de functies en financiële middelen van de Organisatie;
- f. indien het ambt van Directeur-Generaal tussen zittingen van de Vergadering vacant wordt een plaatsvervangend Directeur-Generaal te benoemen, die tot de volgende gewone of bijzondere zitting van de Vergadering in functie blijft;
- g. de voorlopige agenda voor de Vergadering op te stellen;
- h. die andere functies op zich te nemen die nodig kunnen zijn om de doelstellingen van de Organisatie te verwezenlijken, met inachtneming van de in dit Statuut neergelegde beperkingen.
De Raad stelt zijn eigen huishoudelijke reglement vast.
Elk lid van de Raad heeft één stem. Besluiten worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, tenzij in het Statuut of het huishoudelijk reglement van de Raad anders is bepaald.
De Raad nodigt elk Lid dat niet in de Raad is vertegenwoordigd uit zonder stemrecht deel te nemen aan zijn besprekingen betreffende zaken die voor dat Lid van bijzonder belang zijn.
Artikel 10. Programma- en Begrotingscommissie
De Programma- en Begrotingscommissie bestaat uit 27 Leden van de Organisatie die worden gekozen door de Vergadering, waarbij het beginsel van rechtvaardige geografische spreiding in acht wordt genomen. Bij de verkiezing van de commissieleden dient de Vergadering zich te houden aan de volgende zetelverdeling: 15 commissieleden worden gekozen uit de Staten, genoemd in de Delen A en C, 9 uit de Staten, genoemd in Deel B en 3 uit de Staten, genoemd in Deel D van Aanhangsel I van dit Statuut. De Staten dienen bij het aanwijzen van vertegenwoordigers voor de Commissie rekening te houden met hun persoonlijke kwalificaties en ervaring.
De commissieleden vervullen hun ambt vanaf de sluiting van de gewone zitting van de Vergadering waarbij zij zijn gekozen tot aan de sluiting van de gewone zitting van de Vergadering twee jaar later. Commissieleden zijn herkiesbaar.
- a. De Commissie houdt ten minste één jaarlijkse zitting. Extra zittingen worden op verzoek van de Raad of de Commissie door de Directeur-Generaal bijeengeroepen.
- b. De zittingen worden gehouden in de plaats waar de Organisatie zetelt, tenzij de Raad anders besluit.
De Commissie dient:
- a. de functies te vervullen die aan haar in artikel 14 worden opgedragen;
- b. een voorlopige verdeelsleutel voor de contributie op te stellen voor uitgaven ingevolge de gewone begroting en deze aan de Raad voor te leggen;
- c. alle andere functies op financieel gebied uit te voeren die de Vergadering of de Raad haar opdragen;
- d. bij elke gewone zitting aan de Raad verslag uit te brengen over de werkzaamheden van de Commissie en op eigen initiatief adviezen of voorstellen betreffende financiële zaken aan de Raad voor te leggen.
De Commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
Elk lid van de Commissie heeft één stem. Besluiten worden genomen met een tweederde meerderheid der aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
Artikel 11. Het Secretariaat
Het Secretariaat bestaat uit een Directeur-Generaal en die plaatsvervangende Directeuren-Generaal die, en ander personeel dat de Organisatie nodig heeft.
De Directeur-Generaal wordt op voordracht van de Raad door de Vergadering voor een periode van vier jaar benoemd. Hij kan voor een tweede ambtstermijn van vier jaar worden benoemd, waarna hij niet voor herbenoeming in aanmerking komt.
De Directeur-Generaal is de hoogste functionaris van de Organisatie. De Directeur-Generaal heeft, met inachtneming van de algemene of specifieke beleidsopdrachten van de Vergadering of de Raad, de algemene verantwoordelijkheid en bevoegdheid het werk van de Organisatie te leiden. Onder gezag en onder toezicht van de Raad is de Directeur-Generaal verantwoordelijk voor de benoeming, organisatie en leiding van het personeel.
Bij de vervulling van hun werkzaamheden vragen of ontvangen de Directeur-Generaal en het personeel geen instructies van enige regering of van enige andere autoriteit buiten de Organisatie. Zij dienen zich te onthouden van handelingen die schade zouden kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen aan de Organisatie verantwoording verschuldigd zijn. Elk lid verbindt zich het uitsluitend internationale karakter van de taken van de Directeur-Generaal en het personeel te eerbiedigen en niet te trachten hen te beïnvloeden bij de vervulling van hun taak.
Het personeel wordt door de Directeur-Generaal aangesteld krachtens regels die op aanbeveling van de Raad door de Vergadering worden vastgesteld. Benoemingen op het niveau van plaatsvervangend Directeur-Generaal dienen te worden goedgekeurd door de Raad. De arbeidsvoorwaarden van het personeel komen zoveel mogelijk overeen met die van het personeel waarvoor het gemeenschappelijk stelsel der Verenigde Naties geldt. Het belangrijkste criterium bij het aanstellen van het personeel en het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden dient te zijn de noodzaak dat wordt voldaan aan de hoogste eisen van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit. Er dient rekening te worden gehouden met het belang van een personeelswerving op zo breed mogelijke geografische basis.
De Directeur-Generaal treedt in deze hoedanigheid op bij alle zittingen van de Vergadering, de Raad en de Programma- en Begrotingscommissie en vervult alle andere functies die hem door deze organen worden toevertrouwd. Hij stelt een jaarlijks verslag op van de werkzaamheden van de Organisatie. Bovendien legt hij, naar gelang van het geval, aan de Vergadering of aan de Raad de eventueel noodzakelijk geachte andere verslagen over.
HOOFDSTUK IV. WERKPROGRAMMA EN FINANCIËLE AANGELEGENHEDEN
Artikel 12. Kosten van delegaties
Elk Lid en elke waarnemer dragen de kosten van afvaardiging naar de Vergadering, de Raad of elk ander orgaan waarin dat Lid of die waarnemer zitting heeft.
Artikel 13. Samenstelling van de begrotingen
De werkzaamheden van de Organisatie worden uitgevoerd overeenkomstig haar goedgekeurde werkprogramma en begrotingen.
De uitgaven van de Organisatie zijn in de volgende categorieën verdeeld:
- a. Uitgaven die worden bekostigd uit de bijdragen waarvoor de Leden worden aangeslagen (hierna te noemen de „gewone begroting”); en
- b. Uitgaven die worden bekostigd uit vrijwillige bijdragen aan de Organisatie en uit andere inkomsten waarin het financiële reglement voorziet (hierna te noemen de „operationele begroting”).
De gewone begroting voorziet in uitgaven ten behoeve van beheer, onderzoek en andere gewone kosten van de Organisatie alsmede ten behoeve van andere activiteiten, zoals bepaald in Aanhangsel II.
De operationele begroting voorziet in uitgaven ten behoeve van technische hulp en andere daarmee samenhangende activiteiten.
Artikel 14. Programma en begrotingen
Op een tijdstip, bepaald in het financiële reglement, stelt de Directeur-Generaal een voorlopig werkprogramma op voor het volgende fiscale jaar en maakt een overeenkomstige schatting van de kosten van die activiteiten die uit de gewone begroting dienen te worden bestreden en doet een en ander via de Programma- en Begrotingscommissie aan de Raad toekomen. De Directeur-Generaal doet tezelfdertijd voorstellen en financiële schattingen voor die activiteiten die uit vrijwillige bijdragen aan de Organisatie zullen worden bekostigd.
De Programma- en Begrotingscommissie bestudeert de voorstellen van de Directeur-Generaal en doet aanbevelingen aan de Raad inzake het voorgestelde werkprogramma en de overeenkomstige kostenschattingen voor de gewone begroting en de operationele begroting. Voor aanvaarding van de aanbevelingen van de Commissie is een tweederde meerderheid vereist van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
De Raad bestudeert de voorstellen van de Directeur-Generaal tegelijkertijd met eventuele aanbevelingen van de Programma- en Begrotingscommissie en keurt het werkprogramma, de gewone begroting en de operationele begroting goed, eventueel met de wijzigingen die hij daarin noodzakelijk acht, en legt deze ter bestudering en goedkeuring aan de Vergadering voor. Voor een zodanige goedkeuring is een tweederde meerderheid vereist van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
- a. De Vergadering bestudeert het haar door de Raad voorgelegde werkprogramma en de overeenkomstige gewone begroting en operationele begroting en keurt deze goed met een tweederde meerderheid der aanwezige Leden die hun stem uitbrengen.
- b. De Vergadering kan overeenkomstig het zesde lid het werkprogramma en de overeenkomstige gewone begroting en operationele begroting, wijzigen.
Indien nodig, worden aanvullende of herziene kostenschattingen voor de gewone begroting of de operationele begroting opgesteld en goedgekeurd overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid hierboven en het financiële reglement.
Besluiten, beslissingen of wijzigingen welke uitgaven met zich kunnen brengen, die niet tevoren overeenkomstig het tweede en derde lid zijn bestudeerd worden niet door de Vergadering goedgekeurd, tenzij zij vergezeld zijn van een door de Directeur-Generaal opgestelde kostenschatting. Besluiten, beslissingen of wijzigingen ten aanzien waarvan de Directeur-Generaal verwacht dat zij uitgaven met zich zullen brengen, worden niet door de Vergadering goedgekeurd tot de Programma- en Begrotingscommissie en vervolgens de Raad, tezelfdertijd bijeenkomend als de Vergadering, de gelegenheid hebben gehad te handelen overeenkomstig het tweede en derde lid. De Raad legt zijn besluiten voor aan de Vergadering. Voor goedkeuring door de Vergadering van zodanige besluiten, beslissingen en wijzigingen is een tweederde meerderheid vereist van alle Leden die hun stem uitbrengen.
Artikel 15. Bijdragen waarvoor de Leden zijn aangeslagen
Uitgaven die tot de gewone begroting behoren worden gedragen door de Leden volgens een verdeelsleutel inzake aanslagen, als vastgesteld door de Vergadering bij een tweederde meerderheid van de aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, op een aanbeveling van de Raad die is aangenomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, op grond van een door de Programma- en Begrotingscommissie opgesteld ontwerp.
De verdeelsleutel inzake aanslagen is zoveel mogelijk gebaseerd op die welke laatstelijk door de Verenigde Naties is gehanteerd. Geen Lid wordt aangeslagen voor meer dan vijfentwintig procent van de gewone begroting van de Organisatie.
Artikel 16. Vrijwillige bijdragen aan de Organisatie
Onverminderd het financiële reglement van de Organisatie kan de Directeur-Generaal ten behoeve van de Organisatie vrijwillige bijdragen, waaronder schenkingen, legaten en subsidies, aanvaarden, die aan de Organisatie worden gedaan door regeringen, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties of uit andere niet-gouvernementele bronnen, mits de voorwaarden, verbonden aan dergelijke vrijwillige bijdragen stroken met de doelstellingen en het beleid van de Organisatie.
Artikel 17. Het Fonds voor Industriële Ontwikkeling
Ten einde de middelen van de Organisatie alsmede haar mogelijkheden om onmiddellijk en met soepelheid te voorzien in de behoeften van de ontwikkelingslanden uit te breiden, beschikt de Organisatie over een Fonds voor Industriële Ontwikkeling, dat gefinancierd zal worden uit de in artikel 16 genoemde vrijwillige bijdragen en uit andere inkomsten waarin het financiële reglement van de Organisatie eventueel voorziet. De Directeur-Generaal beheert het Fonds voor Industriële Ontwikkeling volgens de algemene beleidslijnen voor de activiteiten van het Fonds, die zijn opgesteld door de Vergadering, of door de Raad uit naam van de Vergadering, en in overeenstemming zijn met het financiële reglement van de Organisatie.
HOOFDSTUK V. SAMENWERKING EN COÖRDINATIE
Artikel 18. Betrekkingen met de Verenigde Naties
De betrekking waarin de Organisatie tot de Verenigde Naties staat, is die van een van de in artikel 57 van het Handvest der Verenigde Naties bedoelde gespecialiseerde organisaties. Elke overeenkomst die overeenkomstig artikel 63 van het Handvest wordt gesloten, vereist de goedkeuring van de Vergadering met een tweederde meerderheid der aanwezige Leden die hun stem uitbrengen, na aanbeveling van de Raad.
Artikel 19. Betrekkingen met andere organisaties
De Directeur-Generaal kan met goedkeuring van de Raad en met inachtneming van de door de Vergadering opgestelde richtlijnen:
- a. overeenkomsten sluiten voor het aangaan van passende betrekkingen met andere organisaties binnen het stelsel der Verenigde Naties en met andere intergouvernementele en gouvernementele organisaties;
- b. passende betrekkingen aangaan met niet-gouvernementele en andere organisaties wier werkterrein verband houdt met dat van de Organisatie. Wanneer de Directeur-Generaal zodanige betrekkingen aangaat met nationale organisaties dient hij de betrokken regeringen te raadplegen.
De Directeur-Generaal kan, met inachtneming van zodanige overeenkomsten en betrekkingen, werkafspraken maken met deze organisaties.
HOOFDSTUK VI. JURIDISCHE AANGELEGENHEDEN
Artikel 20. Zetel
De zetel van de Organisatie is gevestigd te Wenen. De Vergadering kan de plaats waar de Organisatie zetelt, wijzigen met een tweederde meerderheid van alle Leden.
De Organisatie sluit een zetelovereenkomst met de regering van het gastland.
Artikel 21. Rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten
De Organisatie geniet op het grondgebied van elk van haar Leden die rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doelstellingen. Vertegenwoordigers van de Leden en functionarissen van de Organisatie genieten die voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun functie in verband met de Organisatie.
De in het eerste lid genoemde rechtsbevoegdheid, voorrechten en immuniteiten zullen:
- a. op het grondgebied van een Lid dat met betrekking tot de Organisatie is toegetreden tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties zijn als bepaald in de standaardclausules van dat Verdrag, als gewijzigd bij een aanhangsel daarbij, dat is goedgekeurd door de Raad;
- b. op het grondgebied van een Lid dat met betrekking tot de Organisatie niet is toegetreden tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties, maar wel is toegetreden tot het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties, zijn als bepaald in dit laatste Verdrag, tenzij bedoelde Staat de depositaris bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding ervan in kennis stelt dat hij dit Verdrag niet zal toepassen op de Organisatie; het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties houdt op van toepassing te zijn op de Organisatie dertig dagen nadat bedoelde Staat de depositaris van het bovenstaande in kennis heeft gesteld;
- c. zijn als bepaald in andere overeenkomsten die door de Organisatie zijn gesloten.
Artikel 22. Regeling van geschillen en verzoeken om advies
- a. Een geschil tussen twee of meer Leden inzake de interpretatie of toepassing van dit Statuut, de aanhangsels inbegrepen, dat niet door onderhandeling is geregeld, dient te worden verwezen naar de Raad, tenzij de betrokken partijen een andere wijze van regeling overeenkomen. Als het geschil van bijzonder belang is voor een Lid dat niet in de Raad is vertegenwoordigd, is dat Lid gerechtigd zich te doen vertegenwoordigen overeenkomstig door de Raad vast te stellen regels.
- b. Als het geschil niet overeenkomstig het eerste lid, letter a, tot tevredenheid van een partij bij het geschil is geregeld, kan deze partij de zaak verwijzen: hetzij (i) als de partijen dat overeenkomen: hetzij (ii) indien dat niet het geval is, naar een bemiddelingscommissie.
- A. naar het Internationale Gerechtshof; of
- B. naar een scheidsgerecht;
De regels inzake de werkwijzen en het functioneren van het scheidsgerecht en de bemiddelingscommissie zijn vastgelegd in Aanhangsel III bij dit Statuut.
De Vergadering en de Raad zijn elk afzonderlijk gemachtigd om, behoudens goedkeuring door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties, het Internationale Gerechtshof te verzoeken advies uit te brengen over elke juridische kwestie die zich binnen het kader van de werkzaamheden van de Organisatie voordoet.
Artikel 23. Wijzigingen
Na de tweede gewone zitting van de Vergadering kan elk Lid te allen tijde wijzigingen van dit Statuut voorstellen. De tekst van de voorgestelde wijzigingen wordt onmiddellijk door de Directeur-Generaal aan alle Leden medegedeeld en wordt niet eerder dan negentig dagen na verzending van een zodanige mededeling door de Vergadering behandeld.
Behoudens het bepaalde in het derde lid wordt een wijziging van kracht en is deze bindend voor alle Leden, indien:
- a. deze door de Raad aan de Vergadering wordt aanbevolen;
- b. deze door de Vergadering met een tweederde meerderheid van alle Leden is goedgekeurd; en
- c. tweederde van de Leden akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijziging bij de depositaris heeft nedergelegd.
Een wijziging die betrekking heeft op artikel 6, 9, 10, 13, 14 of 23 of op Aanhangsel II wordt van kracht en is bindend voor alle Leden, indien:
- a. deze door de Raad aan de Vergadering wordt aanbevolen met een tweederde meerderheid van alle leden van de Raad;
- b. deze door de Vergadering met een tweederde meerderheid van alle Leden is goedgekeurd; en
- c. drievierde van de Leden akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijziging bij de depositaris heeft nedergelegd.
Artikel 24. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
Dit Statuut staat tot 7 oktober 1979 open voor ondertekening door alle Staten, bedoeld in letter a van artikel 3 op het Bondsministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Oostenrijk en vervolgens op het Hoofdkantoor van de Verenigde Naties te New York tot de datum waarop dit Statuut in werking treedt.
Dit Statuut dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Staten die het hebben ondertekend. Akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze Staten worden bij de depositaris nedergelegd.
Nadat dit Statuut overeenkomstig het eerste lid van artikel 25 in werking is getreden, kunnen de Staten, bedoeld in letter a van artikel 3, die dit Statuut niet hebben ondertekend en Staten wier lidmaatschap overeenkomstig letter b van dat artikel is goedgekeurd tot dit Statuut toetreden door een akte van toetreding neder te leggen.
Artikel 25. Inwerkingtreding
Dit Statuut treedt in werking wanneer ten minste tachtig Staten die akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd de depositaris ervan in kennis stellen dat zij na onderling overleg zijn overeengekomen dat dit Statuut in werking treedt.
Dit Statuut treedt in werking:
- a. Voor Staten die de in het eerste lid bedoelde kennisgeving hebben verricht, op de datum van inwerkingtreding van dit Statuut;
- b. Voor Staten die akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd vóór de inwerkingtreding van dit Statuut, doch de in het eerste lid bedoelde kennisgeving niet hebben verricht, op een latere datum waarop zij de depositaris ervan in kennis stellen dat dit Statuut voor hen in werking treedt;
- c. Voor Staten die akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederleggen na de inwerkingtreding van dit Statuut, op de datum van nederlegging daarvan.
Artikel 26. Overgangsbepalingen
De depositaris roept de eerste zitting van de Vergadering bijeen; deze dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Statuut te worden gehouden.
De regels en voorschriften betreffende de organisatie, in het leven geroepen ingevolge resolutie 2152 (XXI) van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties gelden voor de Organisatie en haar organen tot het tijdstip waarop deze zelf nieuwe bepalingen goedkeuren.
Artikel 27. Voorbehouden
Ten aanzien van dit Statuut kan geen voorbehoud worden gemaakt.
Artikel 28. Depositaris
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties treedt op als depositaris van dit Statuut.
Behalve de betrokken Staten stelt de depositaris ook de Directeur-Generaal in kennis van alle zaken die op dit Statuut betrekking hebben.
Artikel 29. Authentieke teksten
De teksten van dit Statuut in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Spaanse en de Russische taal zijn gelijkelijk authentiek.
Tenzij anders overeengekomen door alle Leden die partij zijn bij een geschil dat niet is geregeld overeenkomstig het eerste lid, letter a van artikel 22 en verwezen is naar een scheidsgerecht overeenkomstig het eerste lid, letter b (i) (B), van artikel 22 of naar een bemiddelingscommissie overeenkomstig het eerste lid, letter b (ii), gelden de volgende regels voor de procedure bij en het functioneren van zodanige scheidsgerechten of commissies:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)