Verdrag inzake psychotrope stoffen
Preambule
De Partijen,
Bezorgd voor de gezondheid en het welzijn van de mensheid,
Kennisnemende, met bezorgdheid, van de problemen voor de volksgezondheid en de sociale problemen die voortvloeien uit het misbruik van bepaalde psychotrope stoffen,
Vast besloten het misbruik van deze stoffen en de sluikhandel die daarvan het gevolg is, te voorkomen en te bestrijden,
Overwegende dat strenge maatregelen noodzakelijk zijn om het gebruik van deze stoffen tot wettige doeleinden te beperken,
Erkennende dat het gebruik van psychotrope stoffen voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden onmisbaar is en dat de beschikbaarheid van die stoffen voor zulke doeleinden niet onredelijk mag worden beperkt,
Van oordeel zijnde dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van zulke stoffen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen,
Erkennende dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op psychotrope stoffen en verlangende dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die organisatie worden geplaatst,
Erkennende dat een internationaal verdrag noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken,
Komen overeen als volgt:
Artikel 1. Gebruik der termen
Behalve voor zover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, hebben onderstaande termen in dit Verdrag de volgende betekenis:
- a). „Raad” betekent de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
- b). „Commissie” betekent de Commissie voor Verdovende Middelen van de Raad.
- c). „Comité” betekent het Internationale Comité van Toezicht op Verdovende Middelen, bedoeld in het Enkelvoudig Verdrag inzake Verdovende Middelen, 1961.
- d). „Secretaris-Generaal” betekent de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
- e). „Psychotrope stof” betekent iedere stof, van natuurlijke of synthetische aard, of ieder natuurlijk produkt genoemd op de lijsten I, II, III of IV.
- f). „Preparaat” betekent:
- (i). iedere oplossing of mengsel, in wat voor fysische toestand dan ook, één of meer psychotrope stoffen bevattende, of
- (ii). één of meer psychotrope stoffen in gedoseerde vorm.
- g). „Lijst I”, „Lijst II”, „Lijst III” en „Lijst IV” betekenen de overeenkomstig genummerde lijsten van psychotrope stoffen, die aan dit Verdrag zijn gehecht en die worden gewijzigd overeenkomstig artikel 2.
- h). „Invoer” en „uitvoer” betekenen, in hun onderscheiden betekenis de daadwerkelijke overbrenging van een psychotrope stof van de ene naar de andere Staat.
- i). „Vervaardiging” betekent alle bewerkingen waardoor psychotrope stoffen kunnen worden verkregen, met inbegrip van zowel zuivering als omzetting van psychotrope stoffen in andere psychotrope stoffen. Hieronder valt ook het maken van andere preparaten dan die welke in apotheken op voorschrift worden gemaakt.
- j). „Sluikhandel” betekent de vervaardiging van of de handel in psychotrope stoffen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag.
- k). „Regio” betekent ieder deel van een Staat dat ingevolge het bepaalde in artikel 28 voor de toepassing van dit Verdrag wordt behandeld als afzonderlijke eenheid.
- l). „Percelen” betekent gebouwen of gedeelten van gebouwen met inbegrip van de daarbij behorende grond.
Artikel 2. Omvang van het toezicht op de stoffen
Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie beschikt over gegevens met betrekking tot een stof die nog niet onder internationaal toezicht staat, op grond van welke gegevens het naar haar mening noodzakelijk kan zijn dat die stof wordt opgenomen op één van de Lijsten bij dit Verdrag, doet zij daarvan mededeling aan de Secretaris-Generaal en verschaft hem alle gegevens ter ondersteuning van deze mededeling. Deze procedure dient ook te worden gevolgd, wanneer een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie over gegevens beschikt die rechtvaardigen dat een stof van de ene Lijst naar één van de andere Lijsten wordt overgebracht of dat een stof van de Lijsten wordt afgevoerd.
De Secretaris-Generaal geeft een dergelijke mededeling, alsmede andere gegevens die naar zijn mening ter zake dienende zijn, door aan Partijen, aan de Commissie en, indien de mededeling wordt gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie.
Indien de gegevens die met deze mededeling worden doorgegeven, erop wijzen dat de stof in aanmerking komt om te worden opgenomen op Lijst I of Lijst II overeenkomstig het vierde lid, onderzoeken de Partijen, in het licht van alle gegevens die hun ter beschikking staan, de mogelijkheid van een voorlopige toepassing op die stof van alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op de stoffen genoemd op Lijst I, onderscheidenlijk Lijst II.
Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is:
- a). dat de stof aanleiding kan geven tot
- (i).
- 1). verslaving, en
- 2). stimulerende of depressieve werking op het centrale zenuwstelsel, leidend tot hallucinaties of verstoring van de motorische functies, het denken, het gedrag, de waarneming of van de gemoedstoestand, of
- (ii). een soortgelijk misbruik en een soortgelijke schadelijke werking als een stof op Lijst I, II, III of IV, en
- b). dat er voldoende bewijs bestaat dat van de stof misbruik wordt gemaakt of naar alle waarschijnlijkheid zal worden gemaakt, zodat er een probleem voor de volksgezondheid en een sociaal probleem ontstaat waardoor het gerechtvaardigd is de stof onder internationaal toezicht te plaatsen, doet de Wereldgezondheidsorganisatie de Commissie omtrent de stof een beoordeling toekomen, waarin tevens wordt aangegeven de omvang of de graad van waarschijnlijkheid van het misbruik, de ernst van het probleem voor de volksgezondheid en van het sociale probleem en de mate waarin de stof van belang is voor de medische behandeling, eventueel met aanbevelingen voor maatregelen van toezicht, die gezien haar beoordeling wenselijk kunnen zijn.
De Commissie kan, rekening houdend met de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, wier beoordeling van doorslaggevende betekenis zal zijn in medische en wetenschappelijke aangelegenheden, alsmede met de economische, sociale, wettelijke, administratieve en andere factoren die zij ter zake dienende acht, de stof toevoegen aan Lijst I, II, III of IV. De Commissie kan trachten nadere gegevens te verkrijgen van de Wereldgezondheidsorganisatie of uit andere passende bronnen.
Indien een mededeling gedaan krachtens het eerste lid betrekking heeft op een stof die reeds is opgenomen op een van de Lijsten, doet de Wereldgezondheidsorganisatie de Commissie haar nieuwe bevindingen toekomen, eventueel vergezeld van een nieuwe beoordeling van de stof overeenkomstig het vierde lid en van nieuwe aanbevelingen inzake maatregelen van toezicht die zij gezien deze beoordeling wenselijk acht. De Commissie kan, rekening houdend met de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie krachtens het vijfde lid, alsmede met de in dat lid bedoelde factoren, besluiten de stof op een andere Lijst te plaatsen of de stof van de Lijsten af te voeren.
Elk door de Commissie krachtens dit artikel genomen besluit wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan de Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties, doch wel Partij zijn bij dit Verdrag, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Een dergelijk besluit wordt ten aanzien van elke Partij ten volle van kracht 180 dagen na de datum van die mededeling, behalve voor een Partij die, in bedoelde periode met betrekking tot een besluit tot toevoeging van een stof aan een Lijst, de Secretaris-Generaal schriftelijk heeft bericht dat zij, in verband met bijzondere omstandigheden, wat bedoelde stof betreft, niet in staat is uitvoering te geven aan alle bepalingen van het Verdrag, die van toepassing zijn op stoffen voorkomend op die Lijst. In een dergelijk bericht worden de redenen hiervan vermeld. Niettegenstaande zulk een bericht, past iedere Partij ten minste de hieronder vermelde maatregelen van toezicht toe:
- a). Een partij die een zodanig bericht heeft verzonden met betrekking tot een stof die tot dusver nog niet onder toezicht stond en die wordt toegevoegd aan Lijst I, houdt, voor zover mogelijk, rekening met de bijzondere maatregelen van toezicht genoemd in artikel 7 en dient, met betrekking tot die stof:
- (i). vergunningen te eisen voor de vervaardiging, handel en afgifte als bedoeld in artikel 8 voor stoffen op Lijst II;
- (ii). een medisch voorschrift te eisen voor verstrekking of aflevering als bedoeld in artikel 9 voor stoffen op Lijst II;
- (iii). te voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot uitvoer en invoer bedoeld in artikel 12, behalve met betrekking tot een andere Partij die een zodanig bericht voor de bedoelde stof heeft verzonden;
- (iv). te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13 voor stoffen op Lijst II betreffende het verbod van en de beperkingen op uitvoer en invoer;
- (v). statistieken te verstrekken aan het Comité overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid, letter (a), van artikel 16; en
- (vi). maatregelen te treffen overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 ter beteugeling van daden die in strijd zijn met de wetten en voorschriften aangenomen in verband met bovenstaande verplichtingen.
- b). Een Partij die een zodanig bericht heeft verzonden met betrekking tot een stof die tot dusver nog niet onder toezicht stond en die wordt toegevoegd aan Lijst II, dient, met betrekking tot die stof:
- (i). vergunningen te eisen voor de vervaardiging, handel en afgifte overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;
- (ii). een medisch voorschrift te eisen voor verstrekking of aflevering overeenkomstig het bepaalde in artikel 9;
- (iii). te voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot uitvoer en invoer bedoeld in artikel 12, behalve met betrekking tot een andere Partij die een zodanig bericht voor bedoelde stof heeft verzonden;
- (iv). te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13 betreffende het verbod van en de beperkingen op uitvoer en invoer;
- (v). statistieken te verstrekken aan het Comité overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid, de letters a), c) en d), van artikel 16; en
- (vi). maatregelen te treffen overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 ter beteugeling van daden die in strijd zijn met de wetten en voorschriften aangenomen in verband met bovenstaande verplichtingen.
- c). Een Partij die een zodanig bericht heeft verzonden met betrekking tot een stof die tot dusver nog niet onder toezicht stond en die wordt toegevoegd aan Lijst III, dient, met betrekking tot die stof:
- (i). vergunningen te eisen voor de vervaardiging, handel en afgifte overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;
- (ii). een medisch voorschrift te eisen voor verstrekking of aflevering overeenkomstig het bepaalde in artikel 9;
- (iii). te voldoen aan de verplichtingen betreffende uitvoer bedoeld in artikel 12, behalve met betrekking tot een andere Partij die een zodanig bericht voor de bedoelde stof heeft verzonden;
- (iv). te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13 betreffende het verbod van en de beperkingen op uitvoer en invoer;
- (v). maatregelen te treffen overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 voor het beteugelen van daden die in strijd zijn met de wetten en voorschriften aangenomen in verband met bovenstaande verplichtingen.
- d). Een Partij die een zodanig bericht heeft verzonden met betrekking tot een stof die tot dusver niet onder toezicht stond en die wordt toegevoegd aan Lijst IV, dient, met betrekking tot die stof:
- (i). vergunningen te eisen voor de vervaardiging, handel en afgifte overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;
- (ii). te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13 betreffende het verbod van en de beperkingen op uitvoer en invoer; en
- (iii). maatregelen te treffen overeenkomstig het bepaalde in artikel 22 voor het beteugelen van daden die in strijd zijn met de wetten en voorschriften aangenomen in verband met bovenstaande verplichtingen.
- e). Een Partij die een zodanig bericht heeft verzonden met betrekking tot een stof die wordt overgebracht naar een Lijst waarvoor strenger toezicht en strengere verplichtingen gelden, dient ten minste bepalingen van dit Verdrag toe te passen die van toepassing zijn op de Lijst waarvan die stof werd overgebracht.
- a). De besluiten van de Commissie die worden genomen krachtens dit artikel worden op verzoek van een Partij door de Raad aan een hernieuwd onderzoek onderworpen, welk verzoek binnen 180 dagen na ontvangst van de kennisgeving van het besluit moet worden ingediend. Het verzoek om een hernieuwd onderzoek wordt aan de Secretaris-Generaal gezonden, vergezeld van alle ter zake dienende gegevens waarop het verzoek om een hernieuwd onderzoek is gebaseerd.
- b). De Secretaris-Generaal zendt afschriften van het verzoek om een hernieuwd onderzoek en van alle terzake dienende gegevens aan de Commissie, de Wereldgezondheidsorganisatie alsmede aan alle Partijen, met het verzoek binnen 90 dagen commentaar te leveren. Alle ontvangen commentaren worden aan de Raad ter bestudering voorgelegd.
- c). De Raad kan het besluit van de Commissie bevestigen, wijzigen of afwijzen. Kennisgeving van het besluit van de Raad wordt verzonden aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan de Staten die geen lid van de Verenigde Naties, doch wel Partij zijn bij dit Verdrag, aan de Commissie, de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité.
- d). Zolang het hernieuwd onderzoek plaatsvindt, blijft het oorspronkelijke besluit van de Commissie, met inachtneming van het bepaalde in het zevende lid, van kracht.
De Partijen stellen alles in het werk om op stoffen die niet onder het Verdrag vallen, doch die kunnen worden gebruikt bij de clandestiene vervaardiging van psychotrope stoffen, alle maatregelen van toezicht toe te passen die uitvoerbaar zijn.
Artikel 3. Bijzondere bepalingen betreffende het toezicht op preparaten
Behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, is een preparaat onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de psychotrope stof die het bevat en, indien het meer dan een van die stoffen bevat, aan de maatregelen die van toepassing zijn op de stof die onder het strengste toezicht staat.
Indien een preparaat dat een andere psychotrope stof bevat dan een stof die is vermeld op Lijst I, zodanig is samengesteld dat het geen of een te verwaarlozen risico van misbruik inhoudt en de stof niet met gemakkelijk toe te passen middelen kan worden teruggewonnen in een hoeveelheid die aanleiding kan geven tot misbruik, en dientengevolge het preparaat geen probleem voor de volksgezondheid of een sociaal probleem oplevert, kan ten aanzien van dit preparaat ontheffing worden verleend wat betreft bepaalde maatregelen van toezicht bedoeld in dit Verdrag in overeenstemming met het bepaalde in het derde lid.
Indien een Partij van oordeel is dat een preparaat valt onder het bepaalde in het voorgaande lid, kan zij besluiten ten aanzien van dit preparaat, in haar land of in een van haar regio's, ontheffing te verlenen wat betreft één of alle maatregelen van toezicht bedoeld in dit Verdrag, met uitzondering van de vereisten van:
- a). artikel 8 (vergunningen), voor zover het de vervaardiging betreft;
- b). artikel 11 (registers), voor zover het preparaten met ontheffing betreft;
- c). artikel 13 (verbod van en beperkingen op uitvoer en invoer);
- d). artikel 15 (inspectie), voor zover het de vervaardiging betreft;
- e). artikel 16 (door de Partijen te verstrekken verslagen), voor zover het preparaten met ontheffing betreft; en
- f). artikel 22 (strafbepalingen), voor zover nodig voor het beteugelen van daden die in strijd zijn met de wetten en voorschriften aangenomen in verband met bovenstaande verplichtingen.
Een Partij stelt de Secretaris-Generaal in kennis van ieder zodanig besluit, van de naam en de samenstelling van het preparaat met ontheffing en van de maatregelen van toezicht waarvan ontheffing wordt verleend. De Secretaris-Generaal doet de kennisgeving toekomen aan de andere Partijen, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité.
Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie beschikt over gegevens betreffende een preparaat ten aanzien waarvan krachtens het derde lid ontheffing is verleend, welke gegevens naar haar oordeel algehele of gedeeltelijke beëindiging van die ontheffing vorderen, stelt zij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis en verstrekt hem de gegevens ter ondersteuning van deze kennisgeving. De Secretaris-Generaal zendt deze kennisgeving, alsmede alle gegevens die hij van belang acht, aan de Partijen, aan de Commissie en, wanneer de kennisgeving is gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie. De Wereldgezondheidsorganisatie doet de Commissie een beoordeling van het preparaat toekomen, waarin rekening is gehouden met het gestelde in het tweede lid, eventueel vergezeld van een aanbeveling inzake de maatregelen van toezicht waarvan het preparaat niet langer dient te zijn ontheven. De Commissie kan, rekening houdend met de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, wier beoordeling steeds van doorslaggevende betekenis zal zijn in medische en wetenschappelijke aangelegenheden, alsmede met de economische, sociale, wettelijke, administratieve en andere factoren die zij ter zake dienende acht, besluiten ten aanzien van dit preparaat niet langer ontheffing te verlenen wat een of alle maatregelen van toezicht betreft. Ieder besluit van de Commissie dat wordt genomen krachtens het bepaalde in dit lid, wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan de Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties, doch wel Partij zijn bij dit Verdrag, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Alle Partijen nemen binnen 180 dagen na de datum van de mededeling van de Secretaris-Generaal maatregelen ter beëindiging van de ontheffing van het preparaat wat de ter zake dienende maatregel en maatregelen van toezicht betreft.
Artikel 4. Nadere bijzondere bepalingen betreffende de omvang van het toezicht
Ten aanzien van de psychotrope stoffen die niet op Lijst I zijn vermeld, kunnen de Partijen het volgende toestaan:
- a). het vervoer door reizigers in het internationale verkeer, van kleine hoeveelheden preparaten voor persoonlijk gebruik; iedere Partij is evenwel gerechtigd na te gaan of deze preparaten op wettige wijze zijn verkregen;
- b). de toepassing van deze stoffen in de industrie voor de vervaardiging van niet-psychotrope stoffen of produkten, behoudens toepassing van de maatregelen van toezicht vereist door dit Verdrag, totdat de psychotrope stoffen in een zodanige toestand verkeren, dat er geen misbruik meer van kan worden gemaakt of deze niet meer kunnen worden teruggewonnen;
- c). het gebruik van die stoffen, behoudens de toepassing van de maatregelen van toezicht vereist door dit Verdrag, voor het vangen van dieren door personen die van de bevoegde autoriteiten speciaal toestemming hebben gekregen om deze stoffen daarvoor te gebruiken.
Artikel 5. Beperking van het gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden
Iedere Partij beperkt het gebruik van de stoffen vermeld op Lijst I zoals bedoeld in artikel 7.
ledere Partij beperkt, behalve zoals bedoeld in artikel 4, door maatregelen die zij passend acht, de vervaardiging, de uitvoer, de invoer, de afgifte en de voorraden van, de handel in en het gebruik en het bezit van de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV, tot medische en wetenschappelijke doeleinden.
Het is wenselijk dat de Partijen het bezit van de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV niet toelaten zonder wettige toestemming.
Artikel 6. Bijzondere dienst
Het is gewenst dat voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, iedere Partij een bijzondere dienst instelt en in stand houdt, die zeer goed dezelfde zou kunnen zijn als, of nauw zou kunnen samenwerken met, de bijzondere dienst ingesteld krachtens de bepalingen van de verdragen inzake toezicht op verdovende middelen.
Artikel 7. Bijzondere bepalingen betreffende de stoffen vermeld op Lijst I
Ten aanzien van de stoffen vermeld op Lijst I, dienen de Partijen:
- a). ieder gebruik te verbieden, behalve het gebruik voor wetenschappelijke en zeer beperkte medische doeleinden door behoorlijk gemachtigde personen in medische of wetenschappelijke instellingen die rechtstreeks onder toezicht van hun regeringen staan of in het bijzonder door hen daartoe zijn goedgekeurd;
- b). voor vervaardiging, handel, afgifte en bezit een speciale vergunning of toestemming vooraf te eisen;
- c). te zorgen voor nauw toezicht op de werkzaamheden en handelingen vermeld onder de letters a) en b);
- d). de hoeveelheid die wordt verstrekt aan een behoorlijk gemachtigde persoon te beperken tot de hoeveelheid die hij nodig heeft voor het doel waarvoor toestemming is verleend;
- e). te eisen dat personen die medische of wetenschappelijke werkzaamheden verrichten, registers bijhouden betreffende het verkrijgen van de stoffen en de bijzonderheden van het gebruik daarvan; deze registers dienen te worden bewaard gedurende ten minste 2 jaar nadat het laatste gebruik daarin is aangetekend; en
- f). de uitvoer en invoer te verbieden, behalve wanneer zowel de exporteur als de importeur de bevoegde autoriteiten of instellingen zijn van het uitvoerende en invoerende land of de uitvoerende en invoerende regio's, dan wel andere personen of ondernemingen die daartoe speciaal zijn gemachtigd door de bevoegde autoriteiten van hun land of regio. De vereisten in het eerste lid van artikel 12 voor uitvoer- en invoermachtigingen voor stoffen vermeld op Lijst II zijn eveneens van toepassing op stoffen vermeld op Lijst I.
Artikel 8. Vergunningen
De Partijen eisen voor de vervaardiging van, handel (met inbegrip van uitvoer- en invoerhandel) in, en afgifte van de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV vergunningen of andere soortgelijke maatregelen van toezicht.
De Partijen dienen:
- a). toezicht te houden op alle behoorlijk gemachtigde personen en ondernemingen die zich bezighouden met of deelnemen aan de vervaardiging van, handel (met inbegrip van uitvoer- en invoerhandel) in, of afgifte van stoffen bedoeld in het eerste lid;
- b). de inrichtingen en percelen waar deze vervaardiging, handel of afgifte mag plaatsvinden te onderwerpen aan een vergunningenstelsel of andere soortgelijke maatregelen van toezicht; en
- c). ervoor te zorgen dat veiligheidsmaatregelen worden genomen met betrekking tot deze inrichtingen en percelen ter voorkoming van diefstal of ander oneigenlijk gebruik van de voorraden.
De bepalingen in het eerste en tweede lid van dit artikel met betrekking tot het vergunningenstelsel of andere soortgelijke maatregelen van toezicht behoeven niet te gelden voor personen bij het daadwerkelijk verrichten van therapeutische of wetenschappelijke werkzaamheden waartoe zij bevoegd zijn.
De Partijen eisen dat alle personen die vergunningen verkrijgen overeenkomstig dit Verdrag of die anderszins bevoegd zijn overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel of letter b) van artikel 7, voldoende gekwalificeerd zijn om een doeltreffende en getrouwe uitvoering van de bepalingen van de wetten en voorschriften aangenomen ingevolge dit Verdrag te waarborgen.
Artikel 9. Medische Voorschriften
De Partijen eisen dat de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV alleen op medisch voorschrift worden verstrekt of afgeleverd voor gebruik door particulieren, behalve indien de particulieren deze stoffen rechtmatig kunnen verkrijgen, gebruiken, afleveren of toedienen bij het verrichten van de therapeutische of wetenschappelijke werkzaamheden waartoe zij bevoegd zijn.
De Partijen nemen maatregelen om ervoor zorg te dragen dat de medische voorschriften voor stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV worden afgegeven in overeenstemming met een verantwoord medisch gebruik en met inachtneming van de voorschriften, in het bijzonder wat betreft het aantal malen dat zij mogen worden herhaald en de geldigheidsduur ervan, ter bescherming van de volksgezondheid en het openbaar welzijn.
Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, kan een Partij, indien volgens haar de plaatselijke omstandigheden zulks vereisen en met inachtneming van de eventueel door haar gestelde voorwaarden, daarbij inbegrepen het door haar voorgeschreven bijhouden van registers, gevestigde apothekers of andere bevoegde detailhandelaren, aangewezen door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de volksgezondheid in haar land of in een gedeelte daarvan, toestemming verlenen om, naar eigen inzicht en zonder medisch voorschrift, in uitzonderingsgevallen voor gebruik voor medische doeleinden door particulieren, kleine hoeveelheden van de stoffen vermeld op de Lijsten III en IV te verstrekken binnen door de Partijen vast te stellen grenzen.
Artikel 10. Waarschuwingen op de verpakkingen en reclame
Iedere Partij eist, met inachtneming van de ter zake dienende voorschriften of aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat zo mogelijk op de etiketten en in ieder geval op de bijsluiter van de detailverpakking van psychotrope stoffen de gebruiksaanwijzingen, met inbegrip van waarschuwingen en aanmaningen tot voorzichtigheid, worden vermeld, die volgens haar noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de gebruiker.
Iedere Partij verbiedt, met inachtneming van haar grondwettelijke bepalingen, openlijke reclame voor deze stoffen.
Artikel 11. Registers
De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op Lijst I, de fabrikanten en alle andere personen die krachtens het bepaalde in artikel 7 bevoegd zijn tot het handelen in en het afgeven van deze stoffen, op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin bijzonderheden worden vermeld betreffende de vervaardigde hoeveelheden en de in voorraad gehouden hoeveelheden en waarin, telkens wanneer zij een hoeveelheid van deze stoffen verkrijgen of vervreemden, bijzonderheden worden vermeld betreffende de hoeveelheid en de datum, alsmede van wie deze hoeveelheid is ontvangen of aan wie zij is afgeleverd.
De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op de Lijsten II en III, de fabrikanten, de groothandelaren, de exporteurs en importeurs op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin bijzonderheden worden vermeld betreffende de vervaardigde hoeveelheden en waarin, telkens wanneer zij een hoeveelheid van deze stoffen verkrijgen of vervreemden, bijzonderheden worden vermeld betreffende de hoeveelheid en de datum, alsmede van wie deze hoeveelheid is ontvangen of aan wie zij is afgeleverd.
De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op Lijst II, kleinhandelaren, ziekenhuisinstellingen, verzorgingsinstellingen en wetenschappelijke instellingen op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin, telkens wanneer zij een hoeveelheid van deze stoffen verkrijgen of vervreemden, bijzonderheden worden vermeld betreffende de hoeveelheid en de datum, alsmede van wie deze hoeveelheid is ontvangen of aan wie zij is afgeleverd.
De Partijen dragen er zorg voor dat, door middel van passende methoden en rekening houdend met de beroeps- en handelsgebruiken in hun land, de gegevens met betrekking tot het verkrijgen en het vervreemden van stoffen vermeld op Lijst III door kleinhandelaren, ziekenhuisinstellingen, verzorgingsinstellingen en wetenschappelijke instellingen gemakkelijk te raadplegen zijn.
De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op Lijst IV, de fabrikanten, de exporteurs en importeurs op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin de vervaardigde, uitgevoerde en ingevoerde hoeveelheden worden vermeld.
De Partijen eisen dat de fabrikanten van preparaten ten aanzien waarvan ontheffing is verleend krachtens het bepaalde in het derde lid van artikel 3, registers bijhouden betreffende de hoeveelheid van iedere psychotrope stof die wordt gebruikt bij de vervaardiging van een preparaat ten aanzien waarvan ontheffing is verleend, alsmede betreffende de aard, de totale hoeveelheid en het voor de eerste maal vervreemden van een zodanig daarvan vervaardigd preparaat.
De Partijen dragen er zorg voor dat de registers en de gegevens bedoeld in dit artikel, vereist voor de verslagen bedoeld in artikel 16, gedurende ten minste twee jaren worden bewaard.
Artikel 12. Bepalingen met betrekking tot de internationale handel
- a). Iedere Partij die de invoer of uitvoer van stoffen vermeld op Lijst I of II toestaat, eist, dat voor elke invoer of uitvoer, ongeacht of deze betrekking heeft op één of meer stoffen, een afzonderlijke invoer- of uitvoermachtiging wordt verkregen, en wel door middel van een door de Commissie vast te stellen formulier.
- b). Op deze machtiging worden vermeld de niet beschermde internationale benaming of, wanneer de benaming ontbreekt, de aanduiding van de stof op de Lijst, de in te voeren of uit te voeren hoeveelheid, de farmaceutische vorm, de naam en het adres van de exporteur en importeur, en het tijdvak waarbinnen de invoer of uitvoer moet zijn geschied. Indien de stof wordt ingevoerd of uitgevoerd in de vorm van een preparaat, moet de eventuele naam van het preparaat eveneens worden vermeld. Op de uitvoermachtiging worden eveneens vermeld het nummer en de datum van de invoermachtiging en de autoriteit door wie deze is afgegeven.
- c). Alvorens een uitvoermachtiging af te geven, eisen de Partijen dat een invoermachtiging wordt overgelegd die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het invoerende land of de invoerende regio en waaruit blijkt dat de invoer van de daarin genoemde stof of stoffen is goedgekeurd; deze machtiging moet worden overgelegd door de persoon of inrichting die de uitvoermachtiging aanvraagt.
- d). Met iedere zending wordt een afschrift van de uitvoermachtiging meegezonden en de regering die deze afgeeft, zendt hiervan een afschrift aan de regering van het invoerende land of de invoerende regio.
- e). Wanneer de invoer heeft plaatsgevonden, zendt de regering van het invoerende land of de invoerende regio aan de regering van het uitvoerende land of de uitvoerende regio de uitvoermachtiging terug met daarop een verklaring waaruit blijkt welke hoeveelheid stof daadwerkelijk is ingevoerd.
- a). De Partijen eisen dat voor iedere uitvoer van stoffen vermeld op Lijst III, de exporteurs een verklaring in drievoud opstellen op een door de Commissie vast te stellen formulier, waarop de volgende gegevens worden vermeld:
- (i). de naam en het adres van de exporteur en importeur;
- (ii). de niet beschermde internationale benaming of, wanneer deze ontbreekt, de aanduiding van de stof op de Lijst;
- (iii). de hoeveelheid van en de farmaceutische vorm waarin de stof wordt uitgevoerd en, indien de stof wordt uitgevoerd in de vorm van een preparaat, de eventuele naam van het preparaat;
- (iv). de datum van verzending.
- b). De exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteiten van hun land of regio twee afschriften van de verklaring. Het derde afschrift voegen zij bij hun zending.
- c). Een Partij van het grondgebied waarvan een stof vermeld op Lijst III is uitgevoerd, zendt, zo spoedig mogelijk, doch niet later dan 90 dagen na de datum van verzending, aan de bevoegde autoriteiten van het invoerende land of de invoerende regio, per aangetekende brief en met verzoek om bevestiging van ontvangst, een afschrift van de verklaring ontvangen van de exporteur.
- d). De Partijen kunnen eisen dat de importeur, bij ontvangst van de zending, het zich bij de zending bevindende afschrift doet toekomen aan de bevoegde autoriteiten van zijn land of regio, na hierop behoorlijk te hebben aangegeven de ontvangen hoeveelheden alsmede de datum van ontvangst.
Met betrekking tot de stoffen vermeld op de Lijsten I en II, zijn de volgende aanvullende bepalingen van toepassing.
- a). De Partijen oefenen in vrijhavens en vrije zones hetzelfde toezicht en dezelfde controle uit als in andere delen van hun grondgebied, met dien verstande echter dat zij ingrijpender maatregelen mogen toepassen.
- b). De uitvoer van zendingen gericht aan een postbusadres of aan een bank voor rekening van een andere persoon dan de personen genoemd in de uitvoermachtiging is verboden.
- c). De uitvoer van zendingen van stoffen vermeld op Lijst I naar entrepots, is verboden. De uitvoer van zendingen van stoffen vermeld op Lijst II naar een entrepot is verboden, tenzij de regering van het invoerende land op de invoermachtiging die wordt overgelegd door de persoon of de inrichting die om de uitvoermachtiging verzoekt, verklaart dat zij de invoer voor opslag van de stoffen in een entrepot heeft goedgekeurd. In dat geval dient uit de uitvoermachtiging te blijken dat de zending voor dat doel wordt uitgevoerd. Voor iedere uitslag uit het entrepot is een goedkeuring vereist van de autoriteiten waaronder het entrepot ressorteert en, indien de stoffen voor het buitenland zijn bestemd, worden zij behandeld alsof het een nieuw geval van uitvoer betrof in de zin van dit Verdrag.
- d). Zendingen die het grondgebied van een Partij binnenkomen of dit verlaten zonder begeleidende uitvoermachtiging, worden door de bevoegde autoriteiten vastgehouden.
- e). Een Partij staat niet toe dat stoffen bestemd voor een ander land over haar grondgebied worden vervoerd, ongeacht of de zending uit het desbetreffende vervoermiddel wordt verwijderd, tenzij een afschrift van de uitvoermachtiging voor de zending aan de bevoegde autoriteiten van die Partij wordt overgelegd.
- f). De bevoegde autoriteiten van een land of regio, waardoor een zending stoffen mag worden vervoerd, nemen alle noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat een zending een andere bestemming krijgt dan die welke is aangegeven op het begeleidende afschrift van de uitvoermachtiging, tenzij de regering van het land of de regio, waardoor de zending wordt vervoerd, hiervoor toestemming verleent. De regering van het land of de regio, waardoor doorvoer plaatsvindt, behandelt ieder verzoek om wijziging van bestemming, alsof deze gewijzigde bestemming een uitvoer betrof van het land of de regio van doorvoer naar het land of de regio van de nieuwe bestemming. Indien voor de wijziging van bestemming toestemming is verleend, is het bepaalde in het eerste lid, letter e) eveneens van toepassing tussen het land of de regio van doorvoer en het land of de regio van oorspronkelijke uitvoer.
- g). Een zending stoffen mag gedurende doorvoer of opslag in een entrepot, niet worden onderworpen aan enige bewerking die verandering zou kunnen brengen in de aard van de desbetreffende stof. De verpakking mag niet worden veranderd zonder toestemming van de de autoriteiten.
- h). Het bepaalde onder de letters e) tot en met g) betreffende het vervoer van stoffen over het grondgebied van een Partij, is niet van toepassing indien de desbetreffende zending wordt vervoerd door een luchtvaartuig dat niet landt in het land of in de regio van doorvoer. Indien het luchtvaartuig in dit land of in deze regio landt, wordt het bepaalde onder de letters e) tot en met g) toegepast voor zover de omstandigheden dit noodzakelijk maken.
- i). Het bepaalde in dit lid laat onverlet de bepalingen van alle internationale overeenkomsten die een beperking inhouden van het recht dat door elk der Partijen op deze stoffen in doorvoer kan worden uitgeoefend.
Artikel 13. Verbod van en beperkingen op invoer en uitvoer
Een Partij kan alle andere Partijen via de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij de invoer in haar land of in één van haar regio's van één of meer in haar kennisgeving vermelde stoffen van Lijst II, III of IV verbiedt. In deze kennisgeving wordt de naam vermeld van de stof zoals aangegeven op Lijst II, III of IV.
Indien een Partij in kennis is gesteld van een verbod ingevolge het bepaalde in het eerste lid, neemt zij maatregelen om ervoor te zorgen dat geen van de in de kennisgeving vermelde stoffen wordt uitgevoerd naar het land of één van de regio's van de Partij die de kennisgeving heeft gedaan.
Niettegenstaande het bepaalde in de vorige leden, kan een Partij die een kennisgeving heeft verzonden ingevolge het bepaalde in het eerste lid, door middel van een speciale invoervergunning voor ieder afzonderlijk geval de invoer toestaan van aangegeven hoeveelheden van de desbetreffende stoffen of preparaten die zulke stoffen bevatten. De autoriteit van het invoerende land dat de speciale invoervergunning afgeeft, zendt hiervan twee afschriften, waarop vermeld de naam en het adres van de importeur en de exporteur, aan de bevoegde autoriteit van het uitvoerende land of de uitvoerende regio,die dan de exporteur toestemming tot verzending kan geven. Een afschrift van de speciale invoervergunning, naar behoren afgetekend door de bevoegde autoriteit van het uitvoerende land of de uitvoerende regio, wordt bij de zending gevoegd.
Artikel 14. Bijzondere bepalingen betreffende het vervoer van psychotrope stoffen in verbandkisten voor eerste hulp aan boord van schepen, luchtvaartuigen of andere middelen van openbaar vervoer gebruikt voor het internationale verkeer
Het internationale vervoer door schepen, luchtvaartuigen en andere middelen van internationaal openbaar vervoer, zoals internationale treinen en autobussen, van beperkte hoeveelheden stoffen vermeld op Lijst II, III of IV die tijdens een reis nodig mochten zijn voor eerste hulp of noodgevallen, wordt niet beschouwd als invoer, uitvoer of doorvoer in de zin van dit Verdrag.
Passende voorzorgsmaatregelen worden genomen door het land van registratie om oneigenlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen of de aanwending daarvan voor onrechtmatige doeleinden te voorkomen. De Commissie doet, in overleg met de bevoegde internationale organisaties, aanbevelingen inzake deze voorzorgsmaatregelen.
Stoffen die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid worden vervoerd door schepen, luchtvaartuigen of andere middelen van internationaal openbaar vervoer, zoals internationale treinen en autobussen, zijn overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid onderworpen aan de wetten, voorschriften, machtigingen en vergunningen van het land van registratie, onverminderd het recht van de bevoegde plaatselijke autoriteiten om controle, inspectie en andere maatregelen van toezicht aan boord van deze vervoermiddelen uit te voeren. De toediening van deze stoffen in geval van nood wordt niet beschouwd als in strijd met het bepaalde in het eerste lid van artikel 9.
Artikel 15. Inspectie
De Partijen stellen een systeem in ter inspectie van de fabrikanten, exporteurs en importeurs van en de groothandelaren en kleinhandelaren in psychotrope stoffen en van de medische en wetenschappelijke instellingen die deze stoffen gebruiken. Zo vaak zij dit nodig achten, zorgen zij voor inspecties van de percelen, de voorraden en de registers.
Artikel 16. Door de Partijen te verstrekken verslagen
De Partijen doen de Secretaris-Generaal de gegevens toekomen waarom de Commissie verzoekt en die zij nodig heeft voor de vervulling van haar taken, en wel in het bijzonder een jaarverslag betreffende de werking van het Verdrag op hun grondgebied, met inbegrip van gegevens omtrent:
- a). belangrijke wijzigingen in hun wetten en voorschriften inzake psychotrope stoffen; en
- b). opmerkelijke ontwikkelingen in het misbruik van en de sluikhandel in psychotrope stoffen op hun grondgebied.
De Partijen stellen de Secretaris-Generaal eveneens in kennis van de namen en adressen van de regeringsautoriteiten bedoeld onder letter f) van artikel 7, in artikel 12 en in het derde lid van artikel 13. Deze gegevens worden door de Secretaris-Generaal aan alle Partijen medegedeeld.
De Partijen doen zo spoedig mogelijk aan de Secretaris-Generaal een verslag toekomen omtrent ieder geval van sluikhandel in psychotrope stoffen of van inbeslagneming hiervan, dat zij van belang achten wegens:
- a). nieuwe aan het licht getreden ontwikkelingen;
- b). de daarbij betrokken hoeveelheden;
- c). het licht dat wordt geworpen op de bronnen waaruit de stoffen zijn verkregen; of
- d). de methoden gebruikt door de sluikhandelaren.
Afschriften van dit verslag worden verstrekt overeenkomstig het bepaalde onder letter b) van artikel 21.
De Partijen verstrekken het Comité jaarlijks statistische gegevens op de door het Comité opgestelde formulieren:
- a). met betrekking tot iedere stof vermeld op de Lijsten I en II, zowel omtrent de hoeveelheden die zijn vervaardigd, uitgevoerd naar en ingevoerd uit ieder land of iedere regio, als omtrent de bij de fabrikanten aanwezige voorraden;
- b). met betrekking tot iedere stof vermeld op de Lijsten III en IV, zowel omtrent de hoeveelheden die zijn vervaardigd, als omtrent de totale hoeveelheden die zijn uitgevoerd en ingevoerd;
- c). met betrekking tot iedere stof vermeld op de Lijsten II en III, omtrent de hoeveelheden die zijn gebruikt bij de vervaardiging van preparaten ten aanzien waarvan ontheffing is verleend; en
- d). met betrekking tot iedere andere stof dan een stof vermeld op Lijst I, omtrent de hoeveelheden die zijn gebruikt voor industriële doeleinden overeenkomstig het bepaalde onder letter b) van artikel 4.
Onder de vervaardigde hoeveelheden bedoeld onder de letters a) en b) van dit lid, vallen niet de hoeveelheden vervaardigde preparaten.
Een Partij verstrekt het Comité op verzoek aanvullende statistische gegevens omtrent de hoeveelheden van elke op Lijst III of IV vermelde stof die in de komende perioden zullen worden uitgevoerd naar en ingevoerd uit ieder land of iedere regio. Bedoelde Partij kan het Comité verzoeken dit verzoek om gegevens alsmede de krachtens dit lid verstrekte gegevens als vertrouwelijk te behandelen.
De Partijen verstrekken de gegevens bedoeld in het eerste en het vierde lid op de door de Commissie of het Comité gevraagde wijze en data.
Artikel 17. Taken van de Commissie
De Commissie kan alle vraagstukken die betrekking hebben op de doelstellingen van dit Verdrag en op de toepassing van de bepalingen ervan onderzoeken en hieromtrent aanbevelingen doen.
De besluiten van de Commissie bedoeld in de artikelen 2 en 3 worden genomen met een twee derde meerderheid van de leden van de Commissie.
Artikel 18. Verslagen van het Comité
Het Comité stelt over zijn werkzaamheden jaarverslagen op, die een analyse bevatten van de tot zijn beschikking staande statistische gegevens en in voorkomende gevallen een uiteenzetting van de eventuele door de regeringen verstrekte of van hen gevraagde toelichtingen, alsmede alle opmerkingen en aanbevelingen die het Comité wenselijk acht. Het Comité kan, indien het zulks noodzakelijk acht, aanvullende verslagen opstellen. De verslagen worden voorgelegd aan de Raad door tussenkomst van de Commissie, die door haar dienstig geachte opmerkingen kan maken.
De verslagen van het Comité worden aan de Partijen toegezonden en vervolgens door de Secretaris-Generaal gepubliceerd. De Partijen geven toestemming voor een onbeperkte verspreiding hiervan.
Artikel 19. Door het Comité te nemen maatregelen ter verzekering van de uitvoering van de Verdragsbepalingen
- a). Indien het Comité, na bestudering van de gegevens die door de regeringen aan het Comité zijn voorgelegd of van de gegevens die zijn verstrekt door organen van de Verenigde Naties, reden heeft te veronderstellen dat de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht doordat een land of regio in gebreke blijft de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren, heeft het Comité het recht de Regering van het desbetreffende land of de desbetreffende regio om een verklaring te verzoeken. Onverminderd het recht dat het Comité heeft de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie te vestigen op de onder letter c) hieronder bedoelde aangelegenheid, behandelt het Comité een verzoek om gegevens of een door een regering overeenkomstig het bepaalde onder letter a) gegeven verklaring als vertrouwelijk.
- b). Nadat het Comité heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde onder letter a), kan het, indien het zulks noodzakelijk acht, de desbetreffende Regering verzoeken ter verbetering van de situatie die maatregelen ten nemen die onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk kunnen zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag.
- c). Indien het Comité van oordeel is dat de daartoe krachtens het bepaalde onder letter a) uitgenodigde regering in gebreke is gebleven een bevredigende verklaring te geven, of in gebreke is gebleven ter verbetering van de situatie die maatregelen te nemen die van haar werden verlangd krachtens het bepaalde onder letter b), kan het Comité de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie op deze aangelegenheid vestigen.
Wanneer het Comité overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, letter c), de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie op een aangelegenheid vestigt, kan het, indien het zulks noodzakelijk acht, de Partijen aanbevelen de invoer en/of uitvoer van bepaalde psychotrope stoffen naar of uit het betrokken land of de betrokken regio te staken, hetzij voor een bepaalde periode, hetzij totdat het Comité de situatie in dat land of in die regio bevredigend acht. De betrokken Staat kan de aangelegenheid aan de Raad voorleggen.
Het Comité heeft het recht om over iedere in de bepalingen van dit artikel bedoelde aangelegenheden een verslag te publiceren en dit over te leggen aan de Raad, die het aan alle Partijen doet toekomen. Indien het Comité in dit verslag een krachtens dit artikel genomen besluit of enigerlei hierop betrekking hebbende gegevens publiceert, publiceert het daarin tevens de opvattingen van de betrokken Regering, indien deze zulks verzoekt.
Ingeval een krachtens dit artikel gepubliceerd besluit van het Comité niet met algemene stemmen is genomen, worden ook de opvattingen van de minderheid vermeld.
Iedere Staat wordt uitgenodigd zich te doen vertegenwoordigen op een bijeenkomst van het Comité waarbij overeenkomstig dit artikel een aangelegenheid wordt behandeld waarbij die Staat rechtstreeks betrokken is.
De besluiten van het Comité overeenkomstig het bepaalde in dit artikel worden genomen met een tweederde meerderheid van het totale aantal leden van het Comité.
Het bepaalde in bovenstaande leden is ook van toepassing indien het Comité reden heeft aan te nemen dat de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht door een besluit dat door een Partij is genomen krachtens het bepaalde in het zevende lid van artikel 2.
Artikel 20. Maatregelen tegen het misbruik van psychotrope stoffen
De Partijen nemen alle doenlijke maatregelen voor het voorkomen van het misbruik van psychotrope stoffen en voor de tijdige onderkenning, behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij van de betrokkenen, en coördineren daartoe hun inspanningen.
De Partijen bevorderen zoveel mogelijk de opleiding van personeel ten behoeve van de behandeling, de nazorg, de wederaanpassing aan en de wederopneming in de maatschappij van degenen die misbruik maken van psychotrope stoffen.
De Partijen helpen degenen wier werk zulks vereist, inzicht te verwerven in de vraagstukken van het misbruik van psychotrope stoffen en van het voorkomen daarvan, en bevorderen dit inzicht eveneens bij het publiek, indien er gevaar bestaat dat het misbruik van deze stoffen zich sterk zal uitbreiden.
Artikel 21. Strijd tegen de sluikhandel
Met inachtneming van hun grondwettelijk stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel dienen de Partijen:
- a). regelingen te treffen op nationaal niveau voor de coördinatie van preventieve en repressieve maatregelen tegen de sluikhandel; daartoe kunnen zij een daarvoor in aanmerking komende instantie aanwijzen, die zich met deze coördinatie zal belasten;
- b). elkaar bij te staan bij de bestrijding van de sluikhandel in psychotrope stoffen en in het bijzonder aan de andere rechtstreeks betrokken Partijen onmiddellijk, langs diplomatieke weg of via de door de Partijen daartoe aangewezen bevoegde autoriteiten, een afschrift te doen toekomen van elk aan de Secretaris-Generaal overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 gericht verslag in verband met de ontdekking van een geval van sluikhandel of in verband met inbeslagneming;
- c). nauw met elkaar en met de bevoegde internationale organisaties waarvan zij lid zijn, samen te werken ten einde een gecoördineerde strijd tegen de sluikhandel te voeren;
- d). ervoor zorg te dragen dat de samenwerking tussen de desbetreffende instanties op vlotte wijze verloopt; en
- e). ervoor zorg te dragen dat, indien rechtsbescheiden naar het buitenland worden gezonden ten behoeve van een gerechtelijke procedure, de stukken op een vlotte wijze worden gezonden naar de door de Partijen aangewezen instanties; door deze bepaling wordt niet het recht aangetast dat een Partij heeft om te eisen dat de rechtsbescheiden haar langs diplomatieke weg worden toegezonden.
Artikel 22. Strafbepalingen
- a). Met inachtneming van de beperkingen door haar grondwet opgelegd, beschouwt elke Partij elke handeling in strijd met een wet of voorschrift aangenomen krachtens haar uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen als een strafbaar feit, indien het opzettelijk wordt begaan, en draagt zij er zorg voor dat ernstige strafbare feiten op passende wijze worden gestraft, in het bijzonder met gevangenisstraf of andere vrijheidsstraffen.
- b). Niettegenstaande het bepaalde onder letter a), kunnen de Partijen bepalen dat, wanneer personen die misbruik maken van psychotrope stoffen, deze strafbare feiten hebben begaan, zij, in plaats van te worden veroordeeld of bestraft dan wel naast hun bestraffing, moeten worden onderworpen aan maatregelen voor behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij overeenkomstig het eerste lid van artikel 20.
Met inachtneming van de beperkingen een Partij door haar grondwet, haar rechtsstelsel en nationale wetgeving opgelegd,
- a).
- (i). wordt, indien een reeks samenhangende handelingen die krachtens het eerste lid strafbare feiten zijn, is gepleegd in verschillende landen, elk van deze handelingen als een afzonderlijk strafbaar feit beschouwd;
- (ii). worden de opzettelijke deelneming aan, samenspanning tot het plegen van en pogingen tot het plegen van elk van deze strafbare feiten, alsmede opzettelijk gepleegde voorbereidende handelingen en financiële verrichtingen in verband met de in dit artikel bedoelde feiten, als strafbare feiten krachtens het eerste lid beschouwd;
- (iii). worden buitenlandse veroordelingen ter zake van zulke strafbare feiten mede in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van recidive; en
- (iv). worden ernstige door eigen onderdanen of door vreemdelingen begane strafbare feiten als hierboven bedoeld, vervolgd door de Partij op wier grondgebied het strafbare feit werd begaan of door de Partij op wier grondgebied de dader wordt aangetroffen, indien uitlevering niet toelaatbaar is overeenkomstig de wet van de Partij waaraan een desbetreffend verzoek is gericht en indien de dader niet reeds is vervolgd en onherroepelijk berecht.
- b). is het gewenst dat de in het eerste lid en het tweede lid, letter a) (ii) bedoelde strafbare feiten als uitleveringsdelicten worden opgenomen in uitleveringsverdragen die tussen de Partijen zijn of worden gesloten, en dat bedoelde strafbare feiten als uitleveringsdelicten worden aangemerkt door die Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag of van het wederkerigheidsbeginsel, met dien verstande dat uitlevering wordt toegestaan overeenkomstig de wetgeving van de aangezochte Partij en dat die Partij het recht heeft aanhouding of uitlevering te weigeren in gevallen waarin de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn, dat het strafbare feit niet voldoende ernstig is.
Alle psychotrope stoffen of andere stoffen, alsmede alle benodigdheden die worden gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt voor het plegen van de in het eerste en tweede lid bedoelde strafbare feiten, kunnen worden in beslag genomen en verbeurd verklaard.
Het bepaalde in dit artikel laat de bepalingen van de nationale wetgeving van de betrokken Partij met betrekking tot kwesties van rechtsmacht onverlet.
Niets in dit artikel vormt een aantasting van het beginsel volgens hetwelk de daarin bedoelde strafbare feiten worden omschreven, vervolgd en bestraft overeenkomstig de nationale wetgeving van een Partij.
Artikel 23. Toepassing van strengere maatregelen van toezicht dan die vereist bij dit Verdrag
Een Partij kan stringentere of strengere maatregelen van toezicht nemen dan die waarin dit Verdrag voorziet, indien zij zulke maatregelen wenselijk of noodzakelijk acht voor de bescherming van de volksgezondheid en het algemeen welzijn.
Artikel 24. Kosten gemaakt door internationale organen ten behoeve van de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag
De kosten van de Commissie en het Comité voor de uitoefening van hun onderscheiden taken krachtens dit Verdrag worden door de Verenigde Naties gedragen op een door de Algemene Vergadering vast te stellen wijze.
De Partijen die geen lid zijn van de Verenigde Naties dragen in deze kosten bij; deze bijdragen worden door de Algemene Vergadering van tijd tot tijd naar billijkheid vastgesteld na overleg met de regeringen van die Partijen.
Artikel 25. Procedure voor toelating, ondertekening, bekrachtiging en toetreding
De leden van de Verenigde Naties, de Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties, doch wel lid zijn van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede iedere andere Staat die door de Raad wordt uitgenodigd, kunnen Partij worden bij dit Verdrag:
- a). door het te ondertekenen, of
- b). door het te bekrachtigen na het te hebben ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging; of
- c). door ertoe toe te treden.
Dit Verdrag staat tot en met 1 januari 1972 open voor ondertekening. Daarna staat het open voor toetreding.
De akten van bekrachtiging of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag nadat veertig van de in het eerste lid van artikel 25 bedoelde Staten het hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd.
Ten aanzien van iedere andere Staat die het Verdrag ondertekent zonder voorbehoud van bekrachtiging, of een akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt na de laatste ondertekening of nederlegging bedoeld in het vorige lid, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag nadat die Staat het heeft ondertekend of zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.
Artikel 27. Territoriale toepassing
Dit Verdrag is van toepassing op alle buiten het moederland gelegen grondgebieden voor de buitenlandse betrekkingen waarvan een Partij verantwoordelijk is, tenzij de voorafgaande toestemming van zulk een grondgebied door de grondwet van de Partij of van het betrokken grondgebied of krachtens het gewoonterecht wordt vereist. In dat geval dient de Partij alles in het werk te stellen om de vereiste toestemming van het grondgebied zo spoedig mogelijk te verkrijgen en wanneer deze toestemming is verkregen, stelt de Partij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis. Dit Verdrag is op het grondgebied of de grondgebieden, vermeld in deze kennisgeving, van kracht vanaf het tijdstip waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving ontvangt. In die gevallen waarin de voorafgaande toestemming van het buiten het moederland gelegen grondgebied niet wordt vereist, verklaart de betrokken Partij bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding, op welk buiten het moederland gelegen gebied of op welke buiten het moederland gelegen gebieden dit Verdrag van toepassing is.
Artikel 28. Regio's in de zin van dit Verdrag
Iedere Partij kan de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, voor de toepassing van dit Verdrag, haar grondgebied is verdeeld in twee of meer regio's of dat twee of meer van haar regio's tot één enkele regio zijn samengevoegd.
Twee of meer Partijen kunnen de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, als gevolg van een tussen hen opgerichte douaneunie, deze Partijen voor de toepassing van dit Verdrag één enkele regio vormen.
Iedere kennisgeving overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt van kracht op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving werd gedaan.
Artikel 29. Opzegging
Na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, kan iedere Partij, ten aanzien van zichzelf of ten aanzien van een grondgebied waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt, en dat haar overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 gegeven toestemming heeft ingetrokken, dit Verdrag opzeggen door middel van een bij de Secretaris-Generaal neder te leggen akte.
Indien deze akte van opzegging op of vóór 1 juli van enig jaar door de Secretaris-Generaal wordt ontvangen, wordt de opzegging van kracht op 1 januari van het daarop volgende jaar en indien bedoelde akte wordt ontvangen na 1 juli, wordt de opzegging van kracht alsof zij was ontvangen op of vóór 1 juli van het daarop volgende jaar.
Het Verdrag wordt beëindigd indien, als gevolg van overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid gedane opzeggingen, de voorwaarden voor de inwerkingtreding ervan als vervat in het eerste lid van artikel 26, hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 30. Wijzigingen
Iedere Partij kan een wijziging van dit Verdrag voorstellen. De tekst van een dergelijke wijziging alsmede de redenen voor de wijziging worden medegedeeld aan de Secretaris-Generaal, die hiervan mededeling doet aan de Partijen en aan de Raad. De Raad kan besluiten:
- a). dat een Conferentie wordt bijeengeroepen overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 62 van het Handvest van de Verenigde Naties om de voorgestelde wijziging te bestuderen; of
- b). dat de Partijen wordt gevraagd of zij de voorgestelde wijziging aanvaarden, terwijl hun tevens wordt verzocht hun opmerkingen over het voorstel aan de Raad voor te leggen.
Indien een voorgestelde wijziging die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, letter b) is rondgestuurd, niet binnen achttien maanden nadat zij is rondgestuurd door een Partij is verworpen, treedt zij onmiddellijk daarna in werking. Indien echter een voorgestelde wijziging door een Partij wordt verworpen, kan de Raad naar aanleiding van de van de Partijen ontvangen opmerkingen beslissen of er een Conferentie dient te worden bijeengeroepen om deze wijziging te bestuderen.
Artikel 31. Geschillen
Indien er tussen twee of meer Partijen een geschil mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken Partijen met elkaar overleg ten einde het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, verzoening, arbitrage, beroep op regionale instanties, een gerechtelijke procedure of andere door hen te kiezen vreedzame middelen.
Ieder geschil dat niet op de hierboven omschreven wijze kan worden beslecht, wordt op verzoek van een van de bij het geschil betrokken Partijen, ter beslissing voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof.
Artikel 32. Voorbehouden
Andere voorbehouden dan die gemaakt overeenkomstig het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel zijn niet toegestaan.
Iedere Staat kan bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding voorbehouden maken met betrekking tot de volgende bepalingen van dit Verdrag:
- a). artikel 19, eerste en tweede lid;
- b). artikel 27; en
- c). artikel 31.
Een Staat die Partij wenst te worden, doch die het recht wenst te verkrijgen andere voorbehouden te maken dan die overeenkomstig het bepaalde in het tweede en het vierde lid, kan de Secretaris-Generaal van dit voornemen in kennis stellen. Tenzij binnen twaalf maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van het voorbehoud mededeling heeft gedaan, een derde van de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, dit Verdrag hebben bekrachtigd of tot dit Verdrag zijn toegetreden, tegen het desbetreffende voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, wordt het voorbehoud geacht te zijn toegestaan, met dien verstande echter dat de Staten die tegen het voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, zich jegens de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt, niet gebonden behoeven te achten door enige uit dit Verdrag voortvloeiende rechtsverplichting waarop het desbetreffende voorbehoud betrekking heeft.
Een Staat op het grondgebied waarvan in het wild planten groeien die psychotrope stoffen bevatten die voorkomen op Lijst I en die vanouds worden gebruikt door bepaalde kleine en duidelijk afgebakende groepen bij magische of religieuze riten, kan bij ondertekening, bekrachtiging of toetreding, aangaande deze planten voorbehouden maken ten aanzien van de bepalingen van artikel 7, met uitzondering van de bepalingen betreffende de internationale handel.
Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt, kan deze voorbehouden te allen tijde, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal, geheel of gedeeltelijk intrekken.
Artikel 33. Kennisgevingen
De Secretaris-Generaal geeft aan alle in het eerste lid van artikel 25 bedoelde Staten kennis van:
- a). ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 25;
- b). de datum waarop dit Verdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 in werking treedt;
- c). opzeggingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 29; en
- d). verklaringen en kennisgevingen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 27, 28, 30 en 32.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, duly authorized, have signed this Convention on behalf of their respective Governments.
DONE AT VIENNA, this twenty-first day of February one thousand nine hundred and seventy-one, in a single copy in the Chinese, English, French, Russian and Spanish languages, each being equally authentic. The Convention shall be deposited with the Secretary-General of the United Nations, who shall transmit certified true copies thereof to all the Members of the United Nations and to the other States referred to in paragraph 1 of article 25.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)