Verdrag inzake psychotrope stoffen

Type Verdrag
Publication 2025-12-06
Laatst bijgewerkt 2026-09-15
State In force
Source BWB
artikelen 33
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Partijen,

Bezorgd voor de gezondheid en het welzijn van de mensheid,

Kennisnemende, met bezorgdheid, van de problemen voor de volksgezondheid en de sociale problemen die voortvloeien uit het misbruik van bepaalde psychotrope stoffen,

Vast besloten het misbruik van deze stoffen en de sluikhandel die daarvan het gevolg is, te voorkomen en te bestrijden,

Overwegende dat strenge maatregelen noodzakelijk zijn om het gebruik van deze stoffen tot wettige doeleinden te beperken,

Erkennende dat het gebruik van psychotrope stoffen voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden onmisbaar is en dat de beschikbaarheid van die stoffen voor zulke doeleinden niet onredelijk mag worden beperkt,

Van oordeel zijnde dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van zulke stoffen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen,

Erkennende dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op psychotrope stoffen en verlangende dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die organisatie worden geplaatst,

Erkennende dat een internationaal verdrag noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken,

Komen overeen als volgt:

Artikel 1. Gebruik der termen

Behalve voor zover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, hebben onderstaande termen in dit Verdrag de volgende betekenis:

Artikel 2. Omvang van het toezicht op de stoffen

1.

Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie beschikt over gegevens met betrekking tot een stof die nog niet onder internationaal toezicht staat, op grond van welke gegevens het naar haar mening noodzakelijk kan zijn dat die stof wordt opgenomen op één van de Lijsten bij dit Verdrag, doet zij daarvan mededeling aan de Secretaris-Generaal en verschaft hem alle gegevens ter ondersteuning van deze mededeling. Deze procedure dient ook te worden gevolgd, wanneer een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie over gegevens beschikt die rechtvaardigen dat een stof van de ene Lijst naar één van de andere Lijsten wordt overgebracht of dat een stof van de Lijsten wordt afgevoerd.

2.

De Secretaris-Generaal geeft een dergelijke mededeling, alsmede andere gegevens die naar zijn mening ter zake dienende zijn, door aan Partijen, aan de Commissie en, indien de mededeling wordt gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie.

3.

Indien de gegevens die met deze mededeling worden doorgegeven, erop wijzen dat de stof in aanmerking komt om te worden opgenomen op Lijst I of Lijst II overeenkomstig het vierde lid, onderzoeken de Partijen, in het licht van alle gegevens die hun ter beschikking staan, de mogelijkheid van een voorlopige toepassing op die stof van alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op de stoffen genoemd op Lijst I, onderscheidenlijk Lijst II.

4.

Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is:

5.

De Commissie kan, rekening houdend met de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, wier beoordeling van doorslaggevende betekenis zal zijn in medische en wetenschappelijke aangelegenheden, alsmede met de economische, sociale, wettelijke, administratieve en andere factoren die zij ter zake dienende acht, de stof toevoegen aan Lijst I, II, III of IV. De Commissie kan trachten nadere gegevens te verkrijgen van de Wereldgezondheidsorganisatie of uit andere passende bronnen.

6.

Indien een mededeling gedaan krachtens het eerste lid betrekking heeft op een stof die reeds is opgenomen op een van de Lijsten, doet de Wereldgezondheidsorganisatie de Commissie haar nieuwe bevindingen toekomen, eventueel vergezeld van een nieuwe beoordeling van de stof overeenkomstig het vierde lid en van nieuwe aanbevelingen inzake maatregelen van toezicht die zij gezien deze beoordeling wenselijk acht. De Commissie kan, rekening houdend met de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie krachtens het vijfde lid, alsmede met de in dat lid bedoelde factoren, besluiten de stof op een andere Lijst te plaatsen of de stof van de Lijsten af te voeren.

7.

Elk door de Commissie krachtens dit artikel genomen besluit wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan de Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties, doch wel Partij zijn bij dit Verdrag, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Een dergelijk besluit wordt ten aanzien van elke Partij ten volle van kracht 180 dagen na de datum van die mededeling, behalve voor een Partij die, in bedoelde periode met betrekking tot een besluit tot toevoeging van een stof aan een Lijst, de Secretaris-Generaal schriftelijk heeft bericht dat zij, in verband met bijzondere omstandigheden, wat bedoelde stof betreft, niet in staat is uitvoering te geven aan alle bepalingen van het Verdrag, die van toepassing zijn op stoffen voorkomend op die Lijst. In een dergelijk bericht worden de redenen hiervan vermeld. Niettegenstaande zulk een bericht, past iedere Partij ten minste de hieronder vermelde maatregelen van toezicht toe:

9.

De Partijen stellen alles in het werk om op stoffen die niet onder het Verdrag vallen, doch die kunnen worden gebruikt bij de clandestiene vervaardiging van psychotrope stoffen, alle maatregelen van toezicht toe te passen die uitvoerbaar zijn.

Artikel 3. Bijzondere bepalingen betreffende het toezicht op preparaten

1.

Behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, is een preparaat onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de psychotrope stof die het bevat en, indien het meer dan een van die stoffen bevat, aan de maatregelen die van toepassing zijn op de stof die onder het strengste toezicht staat.

2.

Indien een preparaat dat een andere psychotrope stof bevat dan een stof die is vermeld op Lijst I, zodanig is samengesteld dat het geen of een te verwaarlozen risico van misbruik inhoudt en de stof niet met gemakkelijk toe te passen middelen kan worden teruggewonnen in een hoeveelheid die aanleiding kan geven tot misbruik, en dientengevolge het preparaat geen probleem voor de volksgezondheid of een sociaal probleem oplevert, kan ten aanzien van dit preparaat ontheffing worden verleend wat betreft bepaalde maatregelen van toezicht bedoeld in dit Verdrag in overeenstemming met het bepaalde in het derde lid.

3.

Indien een Partij van oordeel is dat een preparaat valt onder het bepaalde in het voorgaande lid, kan zij besluiten ten aanzien van dit preparaat, in haar land of in een van haar regio's, ontheffing te verlenen wat betreft één of alle maatregelen van toezicht bedoeld in dit Verdrag, met uitzondering van de vereisten van:

Een Partij stelt de Secretaris-Generaal in kennis van ieder zodanig besluit, van de naam en de samenstelling van het preparaat met ontheffing en van de maatregelen van toezicht waarvan ontheffing wordt verleend. De Secretaris-Generaal doet de kennisgeving toekomen aan de andere Partijen, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité.

4.

Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie beschikt over gegevens betreffende een preparaat ten aanzien waarvan krachtens het derde lid ontheffing is verleend, welke gegevens naar haar oordeel algehele of gedeeltelijke beëindiging van die ontheffing vorderen, stelt zij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis en verstrekt hem de gegevens ter ondersteuning van deze kennisgeving. De Secretaris-Generaal zendt deze kennisgeving, alsmede alle gegevens die hij van belang acht, aan de Partijen, aan de Commissie en, wanneer de kennisgeving is gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie. De Wereldgezondheidsorganisatie doet de Commissie een beoordeling van het preparaat toekomen, waarin rekening is gehouden met het gestelde in het tweede lid, eventueel vergezeld van een aanbeveling inzake de maatregelen van toezicht waarvan het preparaat niet langer dient te zijn ontheven. De Commissie kan, rekening houdend met de mededeling van de Wereldgezondheidsorganisatie, wier beoordeling steeds van doorslaggevende betekenis zal zijn in medische en wetenschappelijke aangelegenheden, alsmede met de economische, sociale, wettelijke, administratieve en andere factoren die zij ter zake dienende acht, besluiten ten aanzien van dit preparaat niet langer ontheffing te verlenen wat een of alle maatregelen van toezicht betreft. Ieder besluit van de Commissie dat wordt genomen krachtens het bepaalde in dit lid, wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan de Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties, doch wel Partij zijn bij dit Verdrag, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Alle Partijen nemen binnen 180 dagen na de datum van de mededeling van de Secretaris-Generaal maatregelen ter beëindiging van de ontheffing van het preparaat wat de ter zake dienende maatregel en maatregelen van toezicht betreft.

Artikel 4. Nadere bijzondere bepalingen betreffende de omvang van het toezicht

Ten aanzien van de psychotrope stoffen die niet op Lijst I zijn vermeld, kunnen de Partijen het volgende toestaan:

Artikel 5. Beperking van het gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden

1.

Iedere Partij beperkt het gebruik van de stoffen vermeld op Lijst I zoals bedoeld in artikel 7.

2.

ledere Partij beperkt, behalve zoals bedoeld in artikel 4, door maatregelen die zij passend acht, de vervaardiging, de uitvoer, de invoer, de afgifte en de voorraden van, de handel in en het gebruik en het bezit van de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV, tot medische en wetenschappelijke doeleinden.

3.

Het is wenselijk dat de Partijen het bezit van de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV niet toelaten zonder wettige toestemming.

Artikel 6. Bijzondere dienst

Het is gewenst dat voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, iedere Partij een bijzondere dienst instelt en in stand houdt, die zeer goed dezelfde zou kunnen zijn als, of nauw zou kunnen samenwerken met, de bijzondere dienst ingesteld krachtens de bepalingen van de verdragen inzake toezicht op verdovende middelen.

Artikel 7. Bijzondere bepalingen betreffende de stoffen vermeld op Lijst I

Ten aanzien van de stoffen vermeld op Lijst I, dienen de Partijen:

Artikel 8. Vergunningen

1.

De Partijen eisen voor de vervaardiging van, handel (met inbegrip van uitvoer- en invoerhandel) in, en afgifte van de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV vergunningen of andere soortgelijke maatregelen van toezicht.

2.

De Partijen dienen:

3.

De bepalingen in het eerste en tweede lid van dit artikel met betrekking tot het vergunningenstelsel of andere soortgelijke maatregelen van toezicht behoeven niet te gelden voor personen bij het daadwerkelijk verrichten van therapeutische of wetenschappelijke werkzaamheden waartoe zij bevoegd zijn.

4.

De Partijen eisen dat alle personen die vergunningen verkrijgen overeenkomstig dit Verdrag of die anderszins bevoegd zijn overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel of letter b) van artikel 7, voldoende gekwalificeerd zijn om een doeltreffende en getrouwe uitvoering van de bepalingen van de wetten en voorschriften aangenomen ingevolge dit Verdrag te waarborgen.

Artikel 9. Medische Voorschriften

1.

De Partijen eisen dat de stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV alleen op medisch voorschrift worden verstrekt of afgeleverd voor gebruik door particulieren, behalve indien de particulieren deze stoffen rechtmatig kunnen verkrijgen, gebruiken, afleveren of toedienen bij het verrichten van de therapeutische of wetenschappelijke werkzaamheden waartoe zij bevoegd zijn.

2.

De Partijen nemen maatregelen om ervoor zorg te dragen dat de medische voorschriften voor stoffen vermeld op de Lijsten II, III en IV worden afgegeven in overeenstemming met een verantwoord medisch gebruik en met inachtneming van de voorschriften, in het bijzonder wat betreft het aantal malen dat zij mogen worden herhaald en de geldigheidsduur ervan, ter bescherming van de volksgezondheid en het openbaar welzijn.

3.

Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, kan een Partij, indien volgens haar de plaatselijke omstandigheden zulks vereisen en met inachtneming van de eventueel door haar gestelde voorwaarden, daarbij inbegrepen het door haar voorgeschreven bijhouden van registers, gevestigde apothekers of andere bevoegde detailhandelaren, aangewezen door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de volksgezondheid in haar land of in een gedeelte daarvan, toestemming verlenen om, naar eigen inzicht en zonder medisch voorschrift, in uitzonderingsgevallen voor gebruik voor medische doeleinden door particulieren, kleine hoeveelheden van de stoffen vermeld op de Lijsten III en IV te verstrekken binnen door de Partijen vast te stellen grenzen.

Artikel 10. Waarschuwingen op de verpakkingen en reclame

1.

Iedere Partij eist, met inachtneming van de ter zake dienende voorschriften of aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat zo mogelijk op de etiketten en in ieder geval op de bijsluiter van de detailverpakking van psychotrope stoffen de gebruiksaanwijzingen, met inbegrip van waarschuwingen en aanmaningen tot voorzichtigheid, worden vermeld, die volgens haar noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de gebruiker.

2.

Iedere Partij verbiedt, met inachtneming van haar grondwettelijke bepalingen, openlijke reclame voor deze stoffen.

Artikel 11. Registers

1.

De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op Lijst I, de fabrikanten en alle andere personen die krachtens het bepaalde in artikel 7 bevoegd zijn tot het handelen in en het afgeven van deze stoffen, op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin bijzonderheden worden vermeld betreffende de vervaardigde hoeveelheden en de in voorraad gehouden hoeveelheden en waarin, telkens wanneer zij een hoeveelheid van deze stoffen verkrijgen of vervreemden, bijzonderheden worden vermeld betreffende de hoeveelheid en de datum, alsmede van wie deze hoeveelheid is ontvangen of aan wie zij is afgeleverd.

2.

De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op de Lijsten II en III, de fabrikanten, de groothandelaren, de exporteurs en importeurs op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin bijzonderheden worden vermeld betreffende de vervaardigde hoeveelheden en waarin, telkens wanneer zij een hoeveelheid van deze stoffen verkrijgen of vervreemden, bijzonderheden worden vermeld betreffende de hoeveelheid en de datum, alsmede van wie deze hoeveelheid is ontvangen of aan wie zij is afgeleverd.

3.

De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op Lijst II, kleinhandelaren, ziekenhuisinstellingen, verzorgingsinstellingen en wetenschappelijke instellingen op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin, telkens wanneer zij een hoeveelheid van deze stoffen verkrijgen of vervreemden, bijzonderheden worden vermeld betreffende de hoeveelheid en de datum, alsmede van wie deze hoeveelheid is ontvangen of aan wie zij is afgeleverd.

4.

De Partijen dragen er zorg voor dat, door middel van passende methoden en rekening houdend met de beroeps- en handelsgebruiken in hun land, de gegevens met betrekking tot het verkrijgen en het vervreemden van stoffen vermeld op Lijst III door kleinhandelaren, ziekenhuisinstellingen, verzorgingsinstellingen en wetenschappelijke instellingen gemakkelijk te raadplegen zijn.

5.

De Partijen eisen dat, met betrekking tot de stoffen vermeld op Lijst IV, de fabrikanten, de exporteurs en importeurs op door iedere Partij te bepalen wijze, registers bijhouden, waarin de vervaardigde, uitgevoerde en ingevoerde hoeveelheden worden vermeld.

6.

De Partijen eisen dat de fabrikanten van preparaten ten aanzien waarvan ontheffing is verleend krachtens het bepaalde in het derde lid van artikel 3, registers bijhouden betreffende de hoeveelheid van iedere psychotrope stof die wordt gebruikt bij de vervaardiging van een preparaat ten aanzien waarvan ontheffing is verleend, alsmede betreffende de aard, de totale hoeveelheid en het voor de eerste maal vervreemden van een zodanig daarvan vervaardigd preparaat.

7.

De Partijen dragen er zorg voor dat de registers en de gegevens bedoeld in dit artikel, vereist voor de verslagen bedoeld in artikel 16, gedurende ten minste twee jaren worden bewaard.

Artikel 12. Bepalingen met betrekking tot de internationale handel

3.

Met betrekking tot de stoffen vermeld op de Lijsten I en II, zijn de volgende aanvullende bepalingen van toepassing.

Artikel 13. Verbod van en beperkingen op invoer en uitvoer

1.

Een Partij kan alle andere Partijen via de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij de invoer in haar land of in één van haar regio's van één of meer in haar kennisgeving vermelde stoffen van Lijst II, III of IV verbiedt. In deze kennisgeving wordt de naam vermeld van de stof zoals aangegeven op Lijst II, III of IV.

2.

Indien een Partij in kennis is gesteld van een verbod ingevolge het bepaalde in het eerste lid, neemt zij maatregelen om ervoor te zorgen dat geen van de in de kennisgeving vermelde stoffen wordt uitgevoerd naar het land of één van de regio's van de Partij die de kennisgeving heeft gedaan.

3.

Niettegenstaande het bepaalde in de vorige leden, kan een Partij die een kennisgeving heeft verzonden ingevolge het bepaalde in het eerste lid, door middel van een speciale invoervergunning voor ieder afzonderlijk geval de invoer toestaan van aangegeven hoeveelheden van de desbetreffende stoffen of preparaten die zulke stoffen bevatten. De autoriteit van het invoerende land dat de speciale invoervergunning afgeeft, zendt hiervan twee afschriften, waarop vermeld de naam en het adres van de importeur en de exporteur, aan de bevoegde autoriteit van het uitvoerende land of de uitvoerende regio,die dan de exporteur toestemming tot verzending kan geven. Een afschrift van de speciale invoervergunning, naar behoren afgetekend door de bevoegde autoriteit van het uitvoerende land of de uitvoerende regio, wordt bij de zending gevoegd.

Artikel 14. Bijzondere bepalingen betreffende het vervoer van psychotrope stoffen in verbandkisten voor eerste hulp aan boord van schepen, luchtvaartuigen of andere middelen van openbaar vervoer gebruikt voor het internationale verkeer

1.

Het internationale vervoer door schepen, luchtvaartuigen en andere middelen van internationaal openbaar vervoer, zoals internationale treinen en autobussen, van beperkte hoeveelheden stoffen vermeld op Lijst II, III of IV die tijdens een reis nodig mochten zijn voor eerste hulp of noodgevallen, wordt niet beschouwd als invoer, uitvoer of doorvoer in de zin van dit Verdrag.

2.

Passende voorzorgsmaatregelen worden genomen door het land van registratie om oneigenlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen of de aanwending daarvan voor onrechtmatige doeleinden te voorkomen. De Commissie doet, in overleg met de bevoegde internationale organisaties, aanbevelingen inzake deze voorzorgsmaatregelen.

3.

Stoffen die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid worden vervoerd door schepen, luchtvaartuigen of andere middelen van internationaal openbaar vervoer, zoals internationale treinen en autobussen, zijn overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid onderworpen aan de wetten, voorschriften, machtigingen en vergunningen van het land van registratie, onverminderd het recht van de bevoegde plaatselijke autoriteiten om controle, inspectie en andere maatregelen van toezicht aan boord van deze vervoermiddelen uit te voeren. De toediening van deze stoffen in geval van nood wordt niet beschouwd als in strijd met het bepaalde in het eerste lid van artikel 9.

Artikel 15. Inspectie

De Partijen stellen een systeem in ter inspectie van de fabrikanten, exporteurs en importeurs van en de groothandelaren en kleinhandelaren in psychotrope stoffen en van de medische en wetenschappelijke instellingen die deze stoffen gebruiken. Zo vaak zij dit nodig achten, zorgen zij voor inspecties van de percelen, de voorraden en de registers.

Artikel 16. Door de Partijen te verstrekken verslagen

1.

De Partijen doen de Secretaris-Generaal de gegevens toekomen waarom de Commissie verzoekt en die zij nodig heeft voor de vervulling van haar taken, en wel in het bijzonder een jaarverslag betreffende de werking van het Verdrag op hun grondgebied, met inbegrip van gegevens omtrent:

2.

De Partijen stellen de Secretaris-Generaal eveneens in kennis van de namen en adressen van de regeringsautoriteiten bedoeld onder letter f) van artikel 7, in artikel 12 en in het derde lid van artikel 13. Deze gegevens worden door de Secretaris-Generaal aan alle Partijen medegedeeld.

3.

De Partijen doen zo spoedig mogelijk aan de Secretaris-Generaal een verslag toekomen omtrent ieder geval van sluikhandel in psychotrope stoffen of van inbeslagneming hiervan, dat zij van belang achten wegens:

Afschriften van dit verslag worden verstrekt overeenkomstig het bepaalde onder letter b) van artikel 21.

4.

De Partijen verstrekken het Comité jaarlijks statistische gegevens op de door het Comité opgestelde formulieren:

Onder de vervaardigde hoeveelheden bedoeld onder de letters a) en b) van dit lid, vallen niet de hoeveelheden vervaardigde preparaten.

5.

Een Partij verstrekt het Comité op verzoek aanvullende statistische gegevens omtrent de hoeveelheden van elke op Lijst III of IV vermelde stof die in de komende perioden zullen worden uitgevoerd naar en ingevoerd uit ieder land of iedere regio. Bedoelde Partij kan het Comité verzoeken dit verzoek om gegevens alsmede de krachtens dit lid verstrekte gegevens als vertrouwelijk te behandelen.

6.

De Partijen verstrekken de gegevens bedoeld in het eerste en het vierde lid op de door de Commissie of het Comité gevraagde wijze en data.

Artikel 17. Taken van de Commissie

1.

De Commissie kan alle vraagstukken die betrekking hebben op de doelstellingen van dit Verdrag en op de toepassing van de bepalingen ervan onderzoeken en hieromtrent aanbevelingen doen.

2.

De besluiten van de Commissie bedoeld in de artikelen 2 en 3 worden genomen met een twee derde meerderheid van de leden van de Commissie.

Artikel 18. Verslagen van het Comité

1.

Het Comité stelt over zijn werkzaamheden jaarverslagen op, die een analyse bevatten van de tot zijn beschikking staande statistische gegevens en in voorkomende gevallen een uiteenzetting van de eventuele door de regeringen verstrekte of van hen gevraagde toelichtingen, alsmede alle opmerkingen en aanbevelingen die het Comité wenselijk acht. Het Comité kan, indien het zulks noodzakelijk acht, aanvullende verslagen opstellen. De verslagen worden voorgelegd aan de Raad door tussenkomst van de Commissie, die door haar dienstig geachte opmerkingen kan maken.

2.

De verslagen van het Comité worden aan de Partijen toegezonden en vervolgens door de Secretaris-Generaal gepubliceerd. De Partijen geven toestemming voor een onbeperkte verspreiding hiervan.

Artikel 19. Door het Comité te nemen maatregelen ter verzekering van de uitvoering van de Verdragsbepalingen

2.

Wanneer het Comité overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, letter c), de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie op een aangelegenheid vestigt, kan het, indien het zulks noodzakelijk acht, de Partijen aanbevelen de invoer en/of uitvoer van bepaalde psychotrope stoffen naar of uit het betrokken land of de betrokken regio te staken, hetzij voor een bepaalde periode, hetzij totdat het Comité de situatie in dat land of in die regio bevredigend acht. De betrokken Staat kan de aangelegenheid aan de Raad voorleggen.

3.

Het Comité heeft het recht om over iedere in de bepalingen van dit artikel bedoelde aangelegenheden een verslag te publiceren en dit over te leggen aan de Raad, die het aan alle Partijen doet toekomen. Indien het Comité in dit verslag een krachtens dit artikel genomen besluit of enigerlei hierop betrekking hebbende gegevens publiceert, publiceert het daarin tevens de opvattingen van de betrokken Regering, indien deze zulks verzoekt.

4.

Ingeval een krachtens dit artikel gepubliceerd besluit van het Comité niet met algemene stemmen is genomen, worden ook de opvattingen van de minderheid vermeld.

5.

Iedere Staat wordt uitgenodigd zich te doen vertegenwoordigen op een bijeenkomst van het Comité waarbij overeenkomstig dit artikel een aangelegenheid wordt behandeld waarbij die Staat rechtstreeks betrokken is.

6.

De besluiten van het Comité overeenkomstig het bepaalde in dit artikel worden genomen met een tweederde meerderheid van het totale aantal leden van het Comité.

7.

Het bepaalde in bovenstaande leden is ook van toepassing indien het Comité reden heeft aan te nemen dat de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht door een besluit dat door een Partij is genomen krachtens het bepaalde in het zevende lid van artikel 2.

Artikel 20. Maatregelen tegen het misbruik van psychotrope stoffen

1.

De Partijen nemen alle doenlijke maatregelen voor het voorkomen van het misbruik van psychotrope stoffen en voor de tijdige onderkenning, behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij van de betrokkenen, en coördineren daartoe hun inspanningen.

2.

De Partijen bevorderen zoveel mogelijk de opleiding van personeel ten behoeve van de behandeling, de nazorg, de wederaanpassing aan en de wederopneming in de maatschappij van degenen die misbruik maken van psychotrope stoffen.

3.

De Partijen helpen degenen wier werk zulks vereist, inzicht te verwerven in de vraagstukken van het misbruik van psychotrope stoffen en van het voorkomen daarvan, en bevorderen dit inzicht eveneens bij het publiek, indien er gevaar bestaat dat het misbruik van deze stoffen zich sterk zal uitbreiden.

Artikel 21. Strijd tegen de sluikhandel

Met inachtneming van hun grondwettelijk stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel dienen de Partijen:

Artikel 22. Strafbepalingen

2.

Met inachtneming van de beperkingen een Partij door haar grondwet, haar rechtsstelsel en nationale wetgeving opgelegd,

3.

Alle psychotrope stoffen of andere stoffen, alsmede alle benodigdheden die worden gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt voor het plegen van de in het eerste en tweede lid bedoelde strafbare feiten, kunnen worden in beslag genomen en verbeurd verklaard.

4.

Het bepaalde in dit artikel laat de bepalingen van de nationale wetgeving van de betrokken Partij met betrekking tot kwesties van rechtsmacht onverlet.

5.

Niets in dit artikel vormt een aantasting van het beginsel volgens hetwelk de daarin bedoelde strafbare feiten worden omschreven, vervolgd en bestraft overeenkomstig de nationale wetgeving van een Partij.

Artikel 23. Toepassing van strengere maatregelen van toezicht dan die vereist bij dit Verdrag

Een Partij kan stringentere of strengere maatregelen van toezicht nemen dan die waarin dit Verdrag voorziet, indien zij zulke maatregelen wenselijk of noodzakelijk acht voor de bescherming van de volksgezondheid en het algemeen welzijn.

Artikel 24. Kosten gemaakt door internationale organen ten behoeve van de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag

De kosten van de Commissie en het Comité voor de uitoefening van hun onderscheiden taken krachtens dit Verdrag worden door de Verenigde Naties gedragen op een door de Algemene Vergadering vast te stellen wijze.

De Partijen die geen lid zijn van de Verenigde Naties dragen in deze kosten bij; deze bijdragen worden door de Algemene Vergadering van tijd tot tijd naar billijkheid vastgesteld na overleg met de regeringen van die Partijen.

Artikel 25. Procedure voor toelating, ondertekening, bekrachtiging en toetreding

1.

De leden van de Verenigde Naties, de Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties, doch wel lid zijn van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede iedere andere Staat die door de Raad wordt uitgenodigd, kunnen Partij worden bij dit Verdrag:

2.

Dit Verdrag staat tot en met 1 januari 1972 open voor ondertekening. Daarna staat het open voor toetreding.

3.

De akten van bekrachtiging of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 26. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag nadat veertig van de in het eerste lid van artikel 25 bedoelde Staten het hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging of hun akten van bekrachtiging of toetreding hebben nedergelegd.

2.

Ten aanzien van iedere andere Staat die het Verdrag ondertekent zonder voorbehoud van bekrachtiging, of een akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt na de laatste ondertekening of nederlegging bedoeld in het vorige lid, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag nadat die Staat het heeft ondertekend of zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.

Artikel 27. Territoriale toepassing

Dit Verdrag is van toepassing op alle buiten het moederland gelegen grondgebieden voor de buitenlandse betrekkingen waarvan een Partij verantwoordelijk is, tenzij de voorafgaande toestemming van zulk een grondgebied door de grondwet van de Partij of van het betrokken grondgebied of krachtens het gewoonterecht wordt vereist. In dat geval dient de Partij alles in het werk te stellen om de vereiste toestemming van het grondgebied zo spoedig mogelijk te verkrijgen en wanneer deze toestemming is verkregen, stelt de Partij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis. Dit Verdrag is op het grondgebied of de grondgebieden, vermeld in deze kennisgeving, van kracht vanaf het tijdstip waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving ontvangt. In die gevallen waarin de voorafgaande toestemming van het buiten het moederland gelegen grondgebied niet wordt vereist, verklaart de betrokken Partij bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding, op welk buiten het moederland gelegen gebied of op welke buiten het moederland gelegen gebieden dit Verdrag van toepassing is.

Artikel 28. Regio's in de zin van dit Verdrag

1.

Iedere Partij kan de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, voor de toepassing van dit Verdrag, haar grondgebied is verdeeld in twee of meer regio's of dat twee of meer van haar regio's tot één enkele regio zijn samengevoegd.

2.

Twee of meer Partijen kunnen de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, als gevolg van een tussen hen opgerichte douaneunie, deze Partijen voor de toepassing van dit Verdrag één enkele regio vormen.

3.

Iedere kennisgeving overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt van kracht op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving werd gedaan.

Artikel 29. Opzegging

1.

Na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, kan iedere Partij, ten aanzien van zichzelf of ten aanzien van een grondgebied waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt, en dat haar overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 gegeven toestemming heeft ingetrokken, dit Verdrag opzeggen door middel van een bij de Secretaris-Generaal neder te leggen akte.

2.

Indien deze akte van opzegging op of vóór 1 juli van enig jaar door de Secretaris-Generaal wordt ontvangen, wordt de opzegging van kracht op 1 januari van het daarop volgende jaar en indien bedoelde akte wordt ontvangen na 1 juli, wordt de opzegging van kracht alsof zij was ontvangen op of vóór 1 juli van het daarop volgende jaar.

3.

Het Verdrag wordt beëindigd indien, als gevolg van overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid gedane opzeggingen, de voorwaarden voor de inwerkingtreding ervan als vervat in het eerste lid van artikel 26, hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 30. Wijzigingen

1.

Iedere Partij kan een wijziging van dit Verdrag voorstellen. De tekst van een dergelijke wijziging alsmede de redenen voor de wijziging worden medegedeeld aan de Secretaris-Generaal, die hiervan mededeling doet aan de Partijen en aan de Raad. De Raad kan besluiten:

2.

Indien een voorgestelde wijziging die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, letter b) is rondgestuurd, niet binnen achttien maanden nadat zij is rondgestuurd door een Partij is verworpen, treedt zij onmiddellijk daarna in werking. Indien echter een voorgestelde wijziging door een Partij wordt verworpen, kan de Raad naar aanleiding van de van de Partijen ontvangen opmerkingen beslissen of er een Conferentie dient te worden bijeengeroepen om deze wijziging te bestuderen.

Artikel 31. Geschillen

1.

Indien er tussen twee of meer Partijen een geschil mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken Partijen met elkaar overleg ten einde het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, verzoening, arbitrage, beroep op regionale instanties, een gerechtelijke procedure of andere door hen te kiezen vreedzame middelen.

2.

Ieder geschil dat niet op de hierboven omschreven wijze kan worden beslecht, wordt op verzoek van een van de bij het geschil betrokken Partijen, ter beslissing voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof.

Artikel 32. Voorbehouden

1.

Andere voorbehouden dan die gemaakt overeenkomstig het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel zijn niet toegestaan.

2.

Iedere Staat kan bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding voorbehouden maken met betrekking tot de volgende bepalingen van dit Verdrag:

3.

Een Staat die Partij wenst te worden, doch die het recht wenst te verkrijgen andere voorbehouden te maken dan die overeenkomstig het bepaalde in het tweede en het vierde lid, kan de Secretaris-Generaal van dit voornemen in kennis stellen. Tenzij binnen twaalf maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van het voorbehoud mededeling heeft gedaan, een derde van de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, dit Verdrag hebben bekrachtigd of tot dit Verdrag zijn toegetreden, tegen het desbetreffende voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, wordt het voorbehoud geacht te zijn toegestaan, met dien verstande echter dat de Staten die tegen het voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, zich jegens de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt, niet gebonden behoeven te achten door enige uit dit Verdrag voortvloeiende rechtsverplichting waarop het desbetreffende voorbehoud betrekking heeft.

4.

Een Staat op het grondgebied waarvan in het wild planten groeien die psychotrope stoffen bevatten die voorkomen op Lijst I en die vanouds worden gebruikt door bepaalde kleine en duidelijk afgebakende groepen bij magische of religieuze riten, kan bij ondertekening, bekrachtiging of toetreding, aangaande deze planten voorbehouden maken ten aanzien van de bepalingen van artikel 7, met uitzondering van de bepalingen betreffende de internationale handel.

5.

Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt, kan deze voorbehouden te allen tijde, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal, geheel of gedeeltelijk intrekken.

Artikel 33. Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal geeft aan alle in het eerste lid van artikel 25 bedoelde Staten kennis van:

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, duly authorized, have signed this Convention on behalf of their respective Governments.

DONE AT VIENNA, this twenty-first day of February one thousand nine hundred and seventy-one, in a single copy in the Chinese, English, French, Russian and Spanish languages, each being equally authentic. The Convention shall be deposited with the Secretary-General of the United Nations, who shall transmit certified true copies thereof to all the Members of the United Nations and to the other States referred to in paragraph 1 of article 25.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)