Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971

Type Verdrag
Publication 1986-01-30
State In force
Source BWB
artikelen 47
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De landen van de Unie, gelijkelijk bezield door de wens op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst te beschermen,

Het belang erkennend van de werkzaamheden van de herzieningsconferentie van Stockholm in 1967,

Hebben besloten de door de Conferentie van Stockholm aangenomen Akte te herzien met ongewijzigde handhaving van de artikelen 1 tot en met 20 en 22 tot en met 26 van die Akte.

Dientengevolge zijn de ondergetekende gevolmachtigden, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen:

Artikel 1

De landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Unie voor de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst.

Artikel 2

1). De term „werken van letterkunde en kunst” omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen.

2). Het is nochtans aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden te bepalen dat werken van letterkunde en kunst, of een of meer categorieën daarvan, niet beschermd zijn voorzover zij niet in een tastbare vorm zijn vastgelegd.

3). Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk: vertalingen, bewerkingen, muziekarrangementen en andere wijzigingen van een werk van letterkunde of kunst.

4). Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om de aan officiële teksten op het gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak, en aan officiële vertalingen van deze teksten te verlenen bescherming vast te stellen.

5). Verzamelingen van werken van letterkunde of kunst, zoals encyclopedieën en bloemlezingen, die door de keuze of de rangschikking van de stof een schepping van de geest vormen, worden als zodanig beschermd, onverminderd de rechten van de auteurs op elk werk, dat van deze verzamelingen deel uitmaakt.

6). De in dit artikel vermelde werken genieten bescherming in alle landen van de Unie. Deze bescherming bestaat ten gunste van de auteur en van zijn rechtsopvolgers.

7). Het is onverminderd de bepalingen van artikel 7, vierde lid, van de Conventie aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken, die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de Unie slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend; indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst.

8). De bescherming van deze Conventie is niet toepasselijk op nieuwstijdingen of gemengde berichten die louter het karakter van persberichten dragen.

Artikel 2bis

1). Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om van de bescherming bedoeld in het vorige artikel politieke redevoeringen en in rechtszaken uitgesproken redevoeringen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten.

2). Eveneens is het aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om voorwaarden vast te stellen, waaronder lezingen, toespraken en andere werken van dezelfde aard die in het openbaar worden uitgesproken, door de pers mogen worden weergegeven, door de radio mogen worden uitgezonden, per draadverbinding aan het publiek mogen worden overgebracht en tot voorwerp mogen worden gemaakt van de openbare mededelingen bedoeld in het eerste lid van artikel 11bis, onder (1), van deze Conventie, wanneer een zodanig gebruik is gerechtvaardigd uit een oogpunt van voorlichting.

3). Alleen de auteur zal evenwel het recht hebben zijn in de vorige leden genoemde werken in een verzameling bijeen te brengen.

Artikel 3

1). Krachtens deze Conventie genieten bescherming:

2). Auteurs die geen onderdaan zijn van een van de landen van de Unie doch die hun gewone verblijfplaats in een van deze landen hebben, worden voor de toepassing van deze Conventie gelijkgesteld met onderdanen van dat land.

3). Onder „gepubliceerde werken” moeten worden verstaan de werken die met toestemming van hun auteur zijn uitgegeven, welke ook de wijze van vervaardiging moge zijn van de exemplaren, mits deze zodanig ter beschikking zijn gesteld dat daarmede wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek, zulks met inachtneming van de aard van het werk. De opvoering van een toneelwerk of dramatisch-muzikaal werk, de vertoning van een cinematografisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de openbare voordracht van een werk van letterkunde, de overbrenging of radio-uitzending van werken van letterkunde of kunst, de tentoonstelling van een kunstwerk en het bouwen van een bouwwerk vormen geen publikatie.

4). Als gelijktijdig in verscheidene landen gepubliceerd wordt beschouwd elk werk, dat binnen dertig dagen na zijn eerste publikatie in twee of meer landen verschenen is.

Artikel 4

Krachtens deze Conventie genieten bescherming, zelfs indien de in artikel 3 bedoelde voorwaarden niet zijn vervuld:

Artikel 5

1). De auteurs genieten voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten, welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.

2). Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan der bescherming in het land van oorsprong van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van deze Conventie, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen, die de auteur worden gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.

3). De bescherming in het land van oorsprong wordt geregeld door de nationale wetgeving. Wanneer de auteur evenwel geen onderdaan is van het land van oorsprong van het werk waarvoor hij door deze Conventie wordt beschermd, heeft hij in dat land dezelfde rechten als de auteurs, die onderdaan van dat land zijn.

4). Als land van oorsprong wordt beschouwd:

Artikel 6

1). Wanneer een land dat geen lid van de Unie is de werken van auteurs die onderdaan zijn van een der landen van de Unie niet in voldoende mate beschermt, kan dat laatste land de bescherming beperken van werken, waarvan de auteurs, op het ogenblik der eerste publikatie van die werken, onderdaan zijn van dat andere land en niet hun gewone verblijfplaats hebben in een der landen van de Unie. Indien het land van eerste publikatie van deze bevoegdheid gebruik maakt, zijn de andere landen van de Unie niet gehouden aan de werken, die aldus aan een bijzondere behandeling zijn onderworpen, een ruimere bescherming toe te kennen dan die, welke hun in het land van eerste publikatie wordt toegekend.

2). Geen krachtens het vorige lid opgelegde beperking zal de rechten mogen aantasten die een auteur mocht hebben verkregen op een werk dat is gepubliceerd in een land van de Unie voordat die beperking van kracht werd.

3). De landen van de Unie die krachtens dit artikel de bescherming van de rechten der auteurs beperken, moeten daarvan aan de Directeur-Generaal van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (hierna te noemen de „Directeur-Generaal”) kennis geven door een schriftelijke verklaring, waarin moeten worden aangegeven de landen tegenover welke de bescherming wordt beperkt, evenals beperkingen waaraan de rechten van de tot die landen behorende auteurs zijn onderworpen. De Directeur-Generaal zal die verklaring dadelijk ter kennis van alle landen van de Unie brengen.

Artikel 6bis

1). Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten, en zelfs na overdracht van die rechten, behoudt de auteur het recht om het auteurschap van het werk op te eisen, en om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, of tegen elke andere aantasting daarvan, die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of zijn goede naam.

2). De krachtens het eerste lid hierboven aan de auteur toegekende rechten worden na zijn dood gehandhaafd ten minste tot het vervallen van de vermogensrechten, en uitgeoefend door de daartoe door de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen bevoegd verklaarde personen of instellingen. De landen, wier wetgeving op het tijdstip van de bekrachtiging van deze Akte of van de toetreding daartoe, geen bepalingen bevat die na de dood van de auteur de bescherming verzekeren van alle krachtens het eerste lid hierboven toegekende rechten, zijn evenwel bevoegd te bepalen dat enige van deze rechten niet gehandhaafd blijven na de dood van de auteur.

3). De rechtsmiddelen ter handhaving van de in dit artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

Artikel 7

1). De duur der bescherming die door deze Conventie wordt toegekend, omvat het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood.

2). Voor cinematografische werken hebben de landen van de Unie evenwel de bevoegdheid te bepalen dat de duur der bescherming verstrijkt vijftig jaar nadat het werk met toestemming van de auteur voor het publiek toegankelijk is gemaakt of dat, bij gebreke van een zodanige gebeurtenis binnen vijftig jaar, te rekenen van de vervaardiging van dat werk, de duur der bescherming vijftig jaar na de vervaardiging verstrijkt.

3). Voor anonieme of pseudonieme werken verstrijkt de duur der door deze Conventie toegekende bescherming vijftig jaar nadat het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Wanneer evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat, is de beschermingsduur die welke is voorzien in het eerste lid. Indien de auteur van een anoniem of pseudoniem werk zijn identiteit tijdens het hierboven aangegeven tijdvak openbaart is de toe te passen beschermingstermijn die welke is voorzien in het eerste lid. De landen van de Unie zijn niet gehouden de anonieme of pseudonieme werken te beschermen waarvan de auteur - naar men redelijkerwijs mag veronderstellen - sedert vijftig jaar dood is.

4). Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de duur der bescherming van de fotografische werken en werken van toegepaste kunst die als werken van kunst worden beschermd, te regelen; deze beschermingsduur mag echter niet korter zijn dan een periode van vijfentwintig jaar te rekenen van de vervaardiging van dat werk.

5). De beschermingstermijn na de dood van de auteur en de in het tweede, derde en vierde lid hierboven voorziene termijnen nemen een aanvang op de datum van de dood of van de in deze leden bedoelde gebeurtenis, maar de duur van deze termijnen wordt slechts berekend met ingang van de eerste januari van het jaar volgende op de dood of die gebeurtenis.

6). De landen van de Unie hebben de bevoegdheid een langere beschermingsduur toe te kennen dan die bedoeld in de voorgaande leden.

7). De landen van de Unie die zijn gebonden door de Akte van Rome van deze Conventie en die in hun nationale wetgeving die van kracht is op het tijdstip van de ondertekening van deze Akte, kortere termijnen toekennen dan die welke bedoeld zijn in de voorgaande leden, hebben de bevoegdheid, deze bij toetreding tot of bekrachtiging van deze Akte te handhaven.

8). In alle gevallen wordt de duur geregeld door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen; tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt overschrijdt hij evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur.

Artikel 7bis

De bepalingen van het voorgaande artikel zijn eveneens van toepassing wanneer het auteursrecht gemeenschappelijk toebehoort aan de medewerkers aan een werk, met dien verstande dat de termijnen volgend op de dood van de auteur worden berekend vanaf de datum van overlijden van de auteur, die het langst in leven gebleven is.

Artikel 8

De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijk werk het uitsluitend recht om vertalingen van hun werken te maken of daartoe toestemming te verlenen.

Artikel 9

1). De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitende recht om toestemming te verlenen tot het verveelvoudigen van deze werken, ongeacht op welke wijze en in welke vorm.

2). Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden in bijzondere gevallen het verveelvoudigen van genoemde werken toe te staan, mits die verveelvoudiging geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk en de wettige belangen van de auteur niet op ongerechtvaardigde wijze schaadt.

3). Geluids- of beeldopnamen worden beschouwd als een verveelvoudiging in de zin van deze Conventie.

Artikel 10

1). Geoorloofd zijn aanhalingen uit een werk dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, mits zij verenigbaar zijn met de goede gebruiken en voor zover door het doel gerechtvaardigd, zulks met inbegrip van aanhalingen uit artikelen in nieuwsbladen en tijdschriften in de vorm van persoverzichten.

2). Het is aan de wetgeving der landen van de Unie, alsmede aan de bijzondere overeenkomsten die tussen hen bestaan of gesloten zullen worden, voorbehouden het gebruik toe te staan, voor zover door het doel gerechtvaardigd, van werken van letterkunde of kunst als illustraties bij het onderricht dat wordt gegeven door middel van publikaties, in radio-uitzendingen of geluids- of beeldopnamen, mits een zodanig gebruik verenigbaar is met de goede gebruiken.

3). Bij de aanhalingen en het gebruik bedoeld in de voorgaande leden moeten de bron en de naam van de auteur vermeld worden, indien deze naam in de bron voorkomt.

Artikel 10bis

1). Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de verveelvoudiging door de pers, de uitzending door de radio of de overbrenging per draad aan het publiek van artikelen waarin actuele vragen van economie, politiek of godsdienst worden behandeld, en die zijn gepubliceerd in nieuwsbladen, of tijdschriften, of van door de radio uitgezonden werken van dezelfde aard, toe te staan in de gevallen waarin de verveelvoudiging, de radio-uitzending of de genoemde overbrenging niet uitdrukkelijk zijn voorbehouden. De bron moet echter altijd duidelijk zijn aangegeven; de sanctie op overtreding van deze verplichting wordt bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.

2). Het is eveneens aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden te regelen waaronder, ter gelegenheid van verslagen van actuele gebeurtenissen, door middel van fotografie, cinematografie of langs de weg van radio-uitzending of overbrenging per draad aan het publiek, de werken van letterkunde of kunst gezien of gehoord tijdens de gebeurtenis, voor zover uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd, kunnen worden weergegeven en voor het publiek toegankelijk gemaakt.

Artikel 11

1). Auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale werken en muziekwerken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

2). Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken gedurende de gehele duur van hun rechten op hun oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van hun werken.

Artikel 11bis

1). Auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

2). Het is aan de wetgeving der landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van de in het eerste lid bedoelde rechten, maar die voorwaarden hebben slechts een werking die uitsluitend beperkt blijft tot de landen, die ze hebben vastgesteld. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen aan het zedelijk recht van de auteur, noch aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld.

3). Tenzij anders is overeengekomen, is in een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verleende toestemming niet begrepen de toestemming om het door de radio uitgezonden werk op te nemen door middel van instrumenten die geluiden of beelden vastleggen. Nochtans is het aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden een regeling vast te stellen voor kortstondige opnamen, die door een radiozendorganisatie met haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen tot stand worden gebracht. Die wetgeving kan toestaan dat zulke opnamen uit hoofde van hun uitzonderlijk documentair karakter in officiële archieven worden bewaard.

Artikel 11ter

1). Auteurs van letterkundige werken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

2). Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van letterkundige werken gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van hun werken.

Artikel 12

Auteurs van werken van letterkunde of kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot bewerkingen, arrangementen en andere veranderingen van hun werken.

Artikel 13

1). Ieder land van de Unie kan, voor zover het dit land zelf aangaat, voorbehouden en voorwaarden vaststellen met betrekking tot het uitsluitend recht van de auteur van een muziekwerk en van de auteur van de woorden, - wanneer laatstgenoemde auteur reeds toestemming heeft verleend tot de opname van die woorden te zamen met het muziekwerk -, om tot de geluidsopname van genoemd muziekwerk, eventueel met de woorden, toestemming te verlenen; de werking van alle voorbehouden en voorwaarden van dien aard zal evenwel strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft en zal in geen geval afbreuk kunnen doen aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld.

2). De opnamen van muziekwerken die in een land van de Unie zijn gemaakt overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de Conventies ondertekend te Rome op 2 juni 1928 en te Brussel op 26 juni 1948 zullen in dat land verveelvoudigd kunnen worden zonder de goedkeuring van de auteur van het muziekwerk tot het verstrijken van een periode van twee jaar te rekenen van de datum waarop genoemd land door deze Akte wordt gebonden.

3). De opnamen, die krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel gemaakt, en zonder toestemming der belanghebbenden zijn ingevoerd in een land waar zij niet geoorloofd zijn, kunnen daar in beslag worden genomen.

Artikel 14

1). Auteurs van werken van letterkunde of kunst hebben het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:

2). De bewerking in iedere andere kunstvorm van films afgeleid van werken van letterkunde of kunst blijft, onverminderd de toestemming van de auteurs van die films, onderworpen aan de toestemming van de auteurs van de oorspronkelijke werken.

3). De bepalingen van het eerste lid van artikel 13 zijn niet van toepassing.

Artikel 14bis

1). Onverminderd de rechten van de auteur van elk werk dat is bewerkt of verveelvuldigd, wordt het cinematografische werk beschermd als een oorspronkelijk werk. De rechthebbende op het auteursrecht op het cinematografische werk geniet dezelfde rechten als de auteur van een oorspronkelijk werk waaronder de in het voorgaande artikel bedoelde rechten zijn begrepen.

3). Tenzij de nationale wetgeving anders bepaalt, zijn de bepalingen van het tweede lid, onder b, niet van toepassing op auteurs van scenario's, dialogen en muziekwerken die zijn gemaakt voor het tot stand brengen van het cinematografische werk noch op degene die bij het tot stand brengen daarvan de leiding heeft. De landen van de Unie wier wetgeving evenwel geen bepalingen bevat, waarbij wordt voorzien in de toepassing van het tweede lid, onder b, op degene die bij het tot stand brengen van de film de leiding heeft, moeten daarvan kennis geven aan de Directeur-Generaal door een schriftelijke verklaring die door de laatste onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie wordt gebracht.

Artikel 14ter

1). Wat betreft oorspronkelijke kunstwerken en oorspronkelijke handschriften van schrijvers en componisten, geniet de auteur - of, na zijn dood, de door de nationale wetgeving aangewezen personen of instellingen - het onvervreemdbaar recht op een geldelijk voordeel bij elke verkooptransactie van het werk na de eerste overdracht door de auteur.

2). De in het voorgaande lid voorziene bescherming kan in ieder land van de Unie slechts worden ingeroepen, indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het land, waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toelaat.

3). De wijze van inning en de hoogte der bedragen worden door elke nationale wetgeving bepaald.

Artikel 15

1). Opdat de auteurs van de door deze Conventie beschermde werken van letterkunde en kunst, behoudens bewijs van het tegendeel, als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de landen van de Unie worden toegelaten om vervolgingen wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat. Dit lid is van toepassing, zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de door de auteur aangenomen schuilnaam geen twijfel laat ten aanzien van zijn identiteit.

2). Als vervaardiger van een cinematografisch werk wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, beschouwd de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens naam op de gebruikelijke wijze op het genoemde werk vermeld staat.

3). Voor anonieme werken en voor andere dan hierboven in het eerste lid bedoelde pseudonieme werken wordt de uitgever wiens naam op het werk is aangegeven, zonder verder bewijs geacht de auteur te vertegenwoordigen; in deze hoedanigheid is hij gerechtigd diens rechten te beschermen en te doen gelden. De bepaling van dit lid houdt op van toepassing te zijn, wanneer de auteur zijn identiteit heeft geopenbaard en zijn hoedanigheid heeft aangetoond.

Artikel 16

1). Elk afschrift van een werk, waardoor inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht kan in de landen van de Unie waar het oorspronkelijke werk wettelijke bescherming geniet in beslag worden genomen.

2). De bepalingen van het voorgaande lid zijn eveneens van toepassing op exemplaren die afkomstig zijn uit een land waar het werk niet of niet meer beschermd wordt.

3). Het beslag wordt gelegd overeenkomstig de wetgeving van elk land.

Artikel 17

De bepalingen van deze Conventie kunnen in geen enkel opzicht afbreuk doen aan het recht van de Regering van elk land van de Unie om door maatregelen van wetgeving of bestuur de verspreiding, opvoering of tentoonstelling van elk werk of voortbrengsel ten aanzien waarvan het bevoegde gezag dat recht meent te moeten uitoefenen, toe te staan, onder toezicht te stellen of te verbieden.

Artikel 18

1). Deze Conventie is van toepassing op alle werken, die op het ogenblik van haar inwerkingtreding nog niet gemeengoed zijn geworden in het land van oorsprong ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur.

2). Indien echter een werk, ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur, die daaraan vroeger was toegekend, gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal het daar niet opnieuw worden beschermd.

3). De toepassing van dit beginsel geschiedt overeenkomstig de bepalingen vervat in reeds bestaande of te dien einde tussen landen van de Unie te sluiten bijzondere verdragen. Bij gebreke van dergelijke bepalingen regelen de onderscheidene landen, ieder voor zover het hem aangaat, de wijze van toepassing van dit beginsel.

4). De voorgaande bepalingen zijn eveneens van toepassing in geval van nieuwe toetredingen tot de Unie en in gevallen, waarin de bescherming wordt uitgebreid door toepassing van artikel 7 of door het prijsgeven van voorbehouden.

Artikel 19

De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming, die door de wetgeving van een der landen van de Unie mocht zijn voorgeschreven.

Artikel 20

De Regeringen van de landen van de Unie behouden zich het recht voor onderling bijzondere schikkingen te treffen, voor zover deze aan de auteurs ruimere rechten toekennen dan die door de Conventie worden toegekend, of andere bepalingen bevatten die niet in strijd zijn met deze Conventie. De bepalingen der bestaande schikkingen, die aan de bovenomschreven voorwaarden voldoen, blijven van toepassing.

Artikel 21

1). De bijzondere bepalingen betreffende de ontwikkelingslanden zijn vervat in het Aanhangsel.

2). Behoudens hetgeen bepaald is in artikel 28, eerste lid, letter b, vormt het Aanhangsel een integrerend deel van deze Akte.

Artikel 22

5). De Algemene Vergadering stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 23

1). De Algemene Vergadering heeft een Uitvoerende Commissie.

3). Het aantal landen dat lid is van de Uitvoerende Commissie is gelijk aan een/vierde van het aantal landen dat lid is van de Algemene Vergadering. Bij de berekening van het aantal zetels wordt het overschot na deling van het aantal door vier buiten beschouwing gelaten.

4). Bij de verkiezing van de leden van de Uitvoerende Commissie houdt de Algemene Vergadering rekening met een billijke geografische verdeling en met het vereiste dat landen, die partij zijn bij de bijzondere overeenkomsten, aangegaan in verband met de Unie, voorkomen onder de landen die de Uitvoerende Commissie vormen.

9). De landen van de Unie die geen lid zijn van de Uitvoerende Commissie kunnen haar vergaderingen bijwonen als waarnemers.

10). De Uitvoerende Commissie stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 24

2). Het Internationale Bureau verzamelt en publiceert de gegevens betreffende de bescherming van de auteursrechten. Elk land van de Unie stelt het Internationale Bureau zo spoedig mogelijk in kennis van de tekst van alle nieuwe wetten alsmede van alle officiële teksten betreffende de bescherming van het auteursrecht.

3). Het Internationale Bureau geeft een maandelijks verschijnend blad uit.

4). Op verzoek verstrekt het Internationale Bureau aan elk land van de Unie inlichtingen inzake vraagstukken betreffende de bescherming van de auteursrechten.

5). Het Internationale Bureau verricht studies en verleent diensten ter bevordering van de bescherming van het auteursrecht.

6). De Directeur-Generaal en ieder door hem aangewezen lid van het personeel nemen zonder stemrecht deel aan alle bijeenkomsten van de Algemene Vergadering, van de Uitvoerende Commissie en van alle andere commissies van deskundigen of werkgroepen. De Directeur-Generaal of een door hem aangewezen lid van het personeel is ambtshalve secretaris van die organen.

8). Het Internationale Bureau voert alle overige aan hem opgedragen taken uit.

Artikel 25

2). De begroting van de Unie wordt vastgesteld met inachtneming van de vereisten tot coördinatie met de begrotingen van de andere door de Organisatie beheerde Unies.

3). De begroting van de Unie wordt gefinancierd uit de volgende bronnen van inkomsten:

Klasse 1 25
Klasse II 20
Klasse III 15
Klasse IV 10
Klasse V 5
Klasse VI 3
Klasse VII 1

5). Het bedrag der taksen en der gelden verschuldigd voor door het Internationale Bureau met betrekking tot de Unie verleende diensten wordt vastgesteld door de Directeur-Generaal, die daarover verslag uitbrengt aan de Algemene Vergadering en de Uitvoerende Commissie.

8). Het nazien der rekeningen wordt verricht, op de wijze voorzien in het financiële reglement, door een of meer landen van de Unie of door onafhankelijke controleurs, die, met hun instemming, zijn aangewezen door de Algemene Vergadering.

Artikel 26

1). Voorstellen tot wijziging van de artikelen 22, 23, 24 en 25 en van dit artikel kunnen worden ingediend door ieder land dat lid is van de Algemene Vergadering, door de Uitvoerende Commissie of door de Directeur-Generaal. Deze voorstellen worden door laatstgenoemde ten minste zes maanden voor zij aan het onderzoek der Algemene Vergadering worden onderworpen, medegedeeld aan de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering.

2). De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden door de Algemene Vergadering aangenomen. Voor deze aanneming is drie/vierde van de uitgebrachte stemmen vereist; voor de wijziging van artikel 22 en van dit lid is evenwel vier/vijfde van de uitgebrachte stemmen vereist.

3). De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden van kracht één maand na ontvangst door de Directeur-Generaal van de schriftelijke verklaringen van aanvaarding, verricht overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures, door drie/vierde van de landen, die lid waren van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging werd aanvaard. Een aldus aanvaarde wijziging van de genoemde artikelen bindt alle landen die lid zijn van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging van kracht wordt of die op een latere datum lid worden; wijzigingen die de financiële verplichtingen van de landen verzwaren binden evenwel slechts die landen die te kennen hebben gegeven deze wijzigingen te aanvaarden.

Artikel 27

1). Deze Conventie wordt onderworpen aan herzieningen ten einde daarin wijzigingen aan te brengen die kunnen strekken tot verbetering van het stelsel der Unie.

2). Te dien einde zullen achtereenvolgens in een van de landen van de Unie conferenties van afgevaardigden van die landen plaatshebben.

3). Behoudens de bepalingen van artikel 26 die van toepassing zijn op de wijziging van de artikelen 22 tot en met 26, is voor elke herziening van deze Conventie, met inbegrip van het Aanhangsel, eenparigheid van stemmen vereist.

Artikel 28

3). Voor elk land van de Unie dat deze Akte bekrachtigt of daartoe toetreedt met of zonder verklaring ingevolge het eerste lid, letter b, treden de artikelen 22 tot en met 38 in werking drie maanden na de datum waarop de Directeur-Generaal kennis heeft gegeven van de nederlegging van de betrokken akte van bekrachtging of toetreding, tenzij in de nedergelegde akte een latere datum is aangegeven. In dat geval treden de artikelen 22 tot en met 38 voor dat land in werking op de aldus aangegeven datum.

Artikel 29

1). Elk land dat geen lid is van de Unie kan tot deze Akte toetreden en daardoor partij bij deze Conventie en lid van de Unie worden. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal.

Artikel 29bis

De bekrachtiging van of de toetreding tot deze Akte door een land dat niet is gebonden door de artikelen 22 tot en met 38 van de Akte van Stockholm van deze Conventie, staat, uitsluitend ten behoeve van de toepassing van artikel 14, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Organisatie, gelijk met bekrachtiging van de Akte van Stockholm of toetreding tot deze Akte met de beperking voorzien in artikel 28, eerste lid, letter b onder i), van genoemde Akte.

Artikel 30

1). Behoudens de uitzonderingen toegestaan in het tweede lid van dit artikel, in artikel 28, eerste lid, letter b, in artikel 33, tweede lid, alsmede in het Aanhangsel, houdt bekrachtiging of toetreding van rechtswege in aanvaarding van alle bepalingen en toelating tot alle voordelen in deze Akte vastgelegd.

Artikel 31

1). Elk land kan in zijn akte van bekrachtiging of toetreding verklaren of op ieder tijdstip de Directeur-Generaal schriftelijk mededelen dat deze Conventie van toepassing is op alle of een gedeelte van de gebieden, aangegeven in de verklaring of kennisgeving, voor de buitenlandse betrekkingen waarvan dat land verantwoordelijk is.

2). Elk land dat een zodanige verklaring heeft afgelegd of een zodanige mededeling heeft gedaan kan te allen tijde de Directeur-Generaal ervan in kennis stellen dat deze Conventie niet langer van toepassing is op alle of een gedeelte van deze gebieden.

4). Dit artikel mag evenwel in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het de erkenning of stilzwijgende aanvaarding door een der landen van de Unie zou inhouden van de feitelijke situatie van elk gebied waarop een ander land van de Unie deze Conventie toepasselijk doet zijn ingevolge een verklaring als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 32

1). Deze Akte vervangt in de betrekkingen tussen de landen van de Unie en voor zover zij van toepassing is, de Berner Conventie van 9 september 1886 en de daarop gevolgde Akten van herziening. De Akten die tevoren van kracht waren, blijven in hun geheel of voor zover deze Akte daarvoor niet in de plaats treedt krachtens de voorgaande zin, van toepassing in de betrekkingen met de landen van de Unie die deze Akte niet bekrachtigen of daartoe niet toetreden.

2). Landen die geen lid van de Unie zijn en partij worden bij deze Akte, passen haar, onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid, toe ten aanzien van elk land van de Unie dat niet is gebonden door deze Akte of dat, daardoor gebonden zijnde, de verklaring bedoeld in artikel 28, eerste lid, letter b, heeft afgelegd. Deze landen stemmen ermede in dat het bedoelde land van de Unie in zijn betrekkingen met hen:

3). Een land dat gebruik heeft gemaakt van een van de mogelijkheden voorzien in het Aanhangsel, kan de bepalingen van het Aanhangsel die betrekking hebben op die mogelijkheid of mogelijkheden waarvan het gebruik heeft gemaakt inroepen in zijn betrekkingen met elk ander land van de Unie dat niet gebonden is door deze Akte, mits laatstgenoemd land de toepassing van deze bepalingen heeft aanvaard.

Artikel 33

1). Elk geschil tussen twee of meer landen van de Unie betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Conventie dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, kan door een der betrokken landen worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof, tenzij de betrokken landen een andere wijze van beslechting van het geschil overeenkomen. Het land, dat het geschil aan het Hof heeft voorgelegd, stelt het Internationale Bureau hiervan in kennis; het Bureau brengt de zaak onder de aandacht van de andere landen van de Unie.

2). Elk land kan op het tijdstip waarop het deze Akte ondertekent of zijn akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt, verklaren dat het zich niet gebonden acht door het bepaalde in het eerste lid. Met betrekking tot geschillen tussen een zodanig land en een ander land van de Unie zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing.

3). Elk land dat een verklaring overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid aflegt, kan deze te allen tijde intrekken door een aan de Directeur-Generaal gerichte kennisgeving.

Artikel 34

1). Behoudens het bepaalde in artikel 29bis kan een land na de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en van het Aanhangsel niet meer toetreden tot voorgaande Akten van deze Conventie of deze bekrachtigen.

2). Na de inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 21 en van het Aanhangsel kan een land niet meer een een verklaring afleggen krachtens artikel 5 van het Protocol betreffende de ontwikkelingslanden gehecht aan de Akte van Stockholm.

Artikel 35

1). Deze Conventie blijft voor onbepaalde tijd van kracht.

2). Elk land kan deze Akte opzeggen door een aan de Directeur-Generaal te richten schriftelijke kennisgeving. Deze opzegging houdt tevens opzegging van alle vroegere Akten in en betreft slechts het land dat heeft opgezegd; de Conventie blijft van kracht en van toepassing ten aanzien van de andere landen van de Unie.

3). De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de Directeur-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.

4). De bevoegdheid tot opzegging, bedoeld in dit artikel, kan door een land slechts worden uitgeoefend na afloop van een termijn van vijf jaren te rekenen van de datum waarop dat land lid van de Unie is geworden.

Artikel 36

1). Elk land, partij bij deze Conventie, verbindt zich overeenkomstig zijn grondwet de nodige maatregelen te treffen om de toepassing van deze Conventie te verzekeren.

2). Het is wel verstaan dat op het ogenblik waarop een land wordt gebonden door deze Conventie, het overeenkomstig zijn binnenlandse wetgeving in staat is aan de bepalingen van deze Conventie uitvoering te geven.

Artikel 37

2). Deze Akte staat open voor ondertekening tot 31 januari 1972. Tot die datum is het exemplaar bedoeld in het eerste lid, letter a, nedergelegd bij de Regering van de Franse Republiek.

3). De Directeur-Generaal verstrekt twee door hem voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de ondertekende tekst van deze Akte aan de Regeringen van alle landen van de Unie en, op verzoek, aan de Regeringen van andere landen.

4). De Directeur-Generaal doet deze Akte registreren bij het Secretariaat van de Organisatie der Verenigde Naties.

5). De Directeur-Generaal brengt de ondertekeningen, de nederleggingen van akten van bekrachtiging of toetreding en de verklaringen vervat in deze akten, dan wel afgelegd ingevolge de artikelen 28, eerste lid, letter c, 30, tweede lid, letters a en b, en 33, tweede lid, de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze Akte, de kennisgevingen van opzegging en de mededelingen gedaan ingevolge de artikelen 30, tweede lid, letter c, 31, eerste en tweede lid, 33, derde lid, en 38, eerste lid, alsmede de mededelingen bedoeld in het Aanhangsel ter kennis van de Regeringen van alle landen van de Unie.

Artikel 38

1). De landen van de Unie die deze Akte niet hebben bekrachtigd of daartoe niet zijn toegetreden en die niet zijn gebonden door de artikelen 22 tot en met 26 van de Akte van Stockholm kunnen, indien zij dit wensen, tot 26 april 1975 de rechten uitoefenen bedoeld in genoemde artikelen, alsof zij door deze artikelen waren gebonden. Elk land dat deze rechten wenst uit te oefenen richt tot dit doel een schriftelijke kennisgeving aan de Directeur-Generaal, waarvan de rechtsgevolgen ingaan op de datum van ontvangst. Zodanige landen worden geacht lid te zijn van de Algemene Vergadering tot genoemde datum.

2). Zolang niet alle landen van de Unie lid van de Organisatie zijn geworden treedt het Internationale Bureau van de Organisatie tevens op als Bureau van de Unie en de Directeur-Generaal als Directeur van dit Bureau.

3). Wanneer alle landen van de Unie lid van de Organisatie zijn geworden gaan de rechten, verplichtingen en goederen van het Bureau van de Unie over op het Internationale Bureau van de Organisatie.

Artikel I

1). Een land dat overeenkomstig de gevestigde gebruiken van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties als ontwikkelingsland wordt beschouwd en dat deze Akte, waarvan dit Aanhangsel een integrerend deel uitmaakt, bekrachtigt of daartoe toetreedt en dat zich, gezien zijn economische situatie en zijn sociale of culturele behoeften, niet in staat acht om terstond de nodige regelingen te treffen ten einde de bescherming te verzekeren van alle rechten zoals bepaald in deze Akte kan, door middel van een kennisgeving, nedergelegd bij de Directeur-Generaal op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding of, behoudens het bepaalde in artikel V, eerste lid, letter c, op elk later tijdstip, verklaren dat het zich beroept op de mogelijkheid voorzien in artikel II of op die, voorzien in artikel III, dan wel op beide. In plaats van een beroep te doen op de mogelijkheid voorzien in artikel II kan het een verklaring afleggen overeenkomstig artikel V, eerste lid, letter a.

3). Een land van de Unie dat niet langer wordt beschouwd als ontwikkelingsland zoals bedoeld in het eerste lid is niet langer bevoegd zijn verklaring te verlengen zoals bepaald in het tweede lid. Ongeacht of dit land zijn verklaring al dan niet officieel intrekt, kan het zich niet meer beroepen op de mogelijkheden, voorzien in het eerste lid, en wel hetzij bij het verstrijken van het lopende tijdvak van tien jaar, hetzij drie jaar nadat het niet langer als ontwikkelingsland wordt beschouwd, waarbij de termijn die het laatst verstrijkt moet worden aangehouden.

4). Wanneer er op het tijdstip waarop de verklaring, afgelegd ingevolge het eerste of het tweede lid, niet langer geldig is, een voorraad exemplaren is, vervaardigd uit hoofde van een vergunning verleend krachtens de bepalingen van dit Aanhangsel, kan worden voortgegaan met het in omloop brengen van die exemplaren tot het tijdstip waarop de voorraad is uitverkocht.

5). Een land dat is gebonden door de bepalingen van deze Akte en dat overeenkomstig artikel 31, eerste lid, een verklaring of een kennisgeving heeft nedergelegd betreffende de toepassing van deze Akte voor een bepaald gebied, waarvan de situatie kan worden beschouwd als overeenkomende met die van de landen bedoeld in het eerste lid, kan ten aanzien van dat gebied de in het eerste lid bedoelde verklaring afleggen en de in het tweede lid bedoelde kennisgeving van verlenging verrichten. Zolang deze verklaring of kennisgeving geldig blijft zijn de bepalingen van deze Akte van toepassing voor het gebied ten aanzien waarvan zij is gedaan.

Artikel II

1). Een land dat heeft verklaard de mogelijkheid, voorzien in dit artikel, in te roepen is bevoegd, wat de werken betreft die in gedrukte vorm of in enigerlei andere soortgelijke vorm van verveelvoudiging, zijn gepubliceerd, het uitsluitende recht tot vertaling, voorzien in artikel 8, te vervangen door een stelsel van vergunningen, die uitsluitend noch overdraagbaar zijn en die door de bevoegde autoriteit op de onderstaande voorwaarden en overeenkomstig artikel IV verleend worden.

5). Een in dit artikel bedoelde vergunning kan slechts worden verleend voor gebruik bij het onderwijs aan scholen en universiteiten of bij wetenschappelijk onderzoek.

6). Indien de vertaling van een werk door de rechthebbende op het vertaalrecht of met zijn toestemming wordt gepubliceerd tegen een prijs, vergelijkbaar met die welke in het betrokken land voor soortgelijke werken gebruikelijk is, neemt een krachtens dit artikel verleende vergunning een einde indien het een vertaling betreft in dezelfde taal als die van de krachtens de vergunning gepubliceerde vertaling en haar inhoud in hoofdzaak dezelfde is. Het in omloop brengen van alle reeds voor het verstrijken van die vergunning vervaardigde exemplaren kan worden voortgezet totdat zij zijn uitverkocht.

7). Voor werken die voornamelijk bestaan uit illustraties kan slechts een vergunning om een vertaling van de tekst te maken en te publiceren en om de illustraties te reproduceren en te publiceren worden verleend, indien eveneens is voldaan aan de voorwaarden van artikel III.

8). Er kan geen vergunning krachtens dit artikel worden verleend wanneer de auteur alle exemplaren van zijn werk uit de circulatie heeft genomen,

Artikel III

1). Een land dat heeft verklaard de bij dit artikel voorziene mogelijkheid in te roepen is bevoegd het uitsluitend recht van verveelvoudiging, voorzien in artikel 9, te vervangen door een stelsel van vergunningen, die uitsluitend noch overdraagbaar zijn en die door de bevoegde autoriteit op de onderstaande voorwaarden en overeenkomstig artikel IV verleend worden.

3). Het tijdvak bedoeld in het tweede lid, letter a, onder i), is vijf jaar.

5). Een vergunning voor de verveelvoudiging en publikatie van een vertaling wordt niet krachtens dit artikel verleend in de onderstaande gevallen:

6). Indien door de rechthebbende op het recht van verveelvoudiging of met zijn toestemming tegen een prijs vergelijkbaar met die welke in genoemd land gebruikelijk is voor soortgelijke werken, exemplaren van een uitgave van een werk te koop worden aangeboden in het in het eerste lid bedoelde land om te voldoen aan de behoeften van het grote publiek of die van het onderwijs aan scholen en universiteiten wordt een krachtens dit artikel verleende vergunning beëindigd indien deze uitgave is gesteld in dezelfde taal als en haar inhoud in wezen gelijk is aan die van de krachtens de vergunning gepubliceerde uitgave. Het in omloop brengen van alle reeds voor het verstrijken van de vergunning vervaardigde exemplaren kan worden voortgezet totdat zij zijn uitverkocht.

Artikel IV

1). Een vergunning zoals bedoeld in artikel II of III kan slechts worden verleend indien de aanvrager, overeenkomstig de bepalingen die in het betrokken land van kracht zijn, bewijst dat hij, al naar het geval, de rechthebbende heeft verzocht om toestemming tot het vervaardigen en publiceren van een vertaling en tot het verveelvoudigen en publiceren van de uitgaven, en dat hij niet diens toestemming heeft kunnen verkrijgen of, na van zijn kant het nodige te hebben verricht, de rechthebbende niet heeft kunnen bereiken. Tegelijk met het verzoek aan de rechthebbende dient de aanvrager de nationale of internationale inlichtingencentra bedoeld in het tweede lid hiervan in kennis te stellen.

2). Indien de rechthebbende niet door de aanvrager kon worden bereikt, dient laatstgenoemde aangetekend per luchtpost afschriften van de door hem bij de autoriteit die bevoegd is de vergunning te verlenen ingediende aanvrage toe te zenden aan de uitgever wiens naam is vermeld op het werk en aan elk nationaal of internationaal inlichtingencentrum dat door de Regering van het land waar de uitgever wordt verondersteld zijn voornaamste zetel van werkzaamheden te hebben is aangegeven in een hiertoe bij de Directeur-Generaal nedergelegde kennisgeving.

3). De naam van de auteur dient te worden vermeld op alle exemplaren van de vertaling of de verveelvoudiging die is gepubliceerd uit hoofde van een krachtens artikel II of III verleende vergunning. De titel van het werk dient te worden vermeld op al deze exemplaren. Indien het een vertaling betreft dient de oorspronkelijke titel van het werk in elk geval op alle exemplaren te worden vermeld.

5). Elk exemplaar dat is gepubliceerd uit hoofde van een vergunning, die krachtens artikel II of III verleend is, dient in de passende taal een vermelding te bevatten waarin nader wordt aangegeven dat het exemplaar slechts in omloop wordt gebracht in het land of gebied waarvoor genoemde vergunning van toepassing is.

Artikel V

2). Behoudens het bepaalde in het derde lid kan een land dat zich heeft beroepen op de mogelijkheid voorzien in artikel II later niet een verklaring overeenkomstig het eerste lid afleggen.

3). Een land dat niet langer wordt beschouwd als ontwikkelingsland zoals bedoeld in artikel I, eerste lid, kan uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de termijn die overeenkomstig artikel I, derde lid, van toepassing is, een verklaring afleggen in de zin van artikel 30, tweede lid, letter b, eerste zin, zulks ongeacht het feit dat het niet een land betreft dat geen lid van de Unie is. Deze verklaring wordt van kracht op de datum waarop de termijn die overeenkomstig artikel I, derde lid, van toepassing is, verstrijkt.

Artikel VI

1). Een land van de Unie kan verklaren, met ingang van de dagtekening van deze Akte en op elk tijdstip voordat het wordt gebonden door de artikelen 1 tot en met 21 en door dit Aanhangsel:

2). Een verklaring ingevolge het eerste lid dient schriftelijk te worden gegeven en te worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal. Zij wordt van kracht op de datum van nederlegging.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Act.

DONE at Paris on July 24, 1971.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)