Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)
De Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien), de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat,
Besloten hebbende dit Verdrag te vervangen door een nieuw Verdrag en tot dit doel hun gevolmachtigden benoemd hebbende, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden,
Hebben de volgende bepalingen aangenomen:
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag:
- a). wordt onder „Verdragsluitende Partij” verstaan elke Staat, welke overeenkomstig artikel 90, tweede lid of artikel 93, tweede lid, een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding heeft neergelegd;
- b). worden de termen „grondgebied van een Verdragsluitende Partij” en „onderdaan van een Verdragsluitende Partij” omschreven in Bijlage I; door elke Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig het eerste lid van artikel 97, kennisgeving gedaan van iedere wijziging welke in Bijlage I dient te worden aangebracht;
- c). worden ten aanzien van elke Lid-Staat onder „wetgeving” verstaan de wetten, regelingen en statutaire bepalingen welke van kracht zijn op de datum van ondertekening van dit Verdrag of welke later van kracht zullen worden voor het gehele grondgebied van iedere Verdragsluitende Partij of voor enig deel daarvan en welke betrekking hebben op de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde takken en regelingen van sociale zekerheid;
- d). wordt onder „Verdrag inzake sociale zekerheid” verstaan elke bilaterale of multilaterale overeenkomst welke op het gebied van de sociale zekerheid voor alle in artikel 3, eerste en tweede lid bedoelde takken en regelingen, of een deel daarvan, uitsluitend verbindend is of zal zijn voor twee of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede elke zodanige multilaterale overeenkomst welke verbindend is of zal zijn voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, alsmede akkoorden van elke aard, welke in het kader van bovenbedoelde overeenkomsten zijn of worden gesloten;
- e). wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan de Minister of Ministers, dan wel de daarmede overeenkomstige autoriteit, onder wie op het gehele grondgebied van elke Verdragsluitende Partij of op een deel daarvan, de regelingen inzake sociale zekerheid, die op rijnvarenden van toepassing zijn, ressorteren;
- f). wordt onder „orgaan” verstaan het lichaam of de autoriteit, welke belast is met de uitvoering van de gehele wetgeving van elke Verdragsluitende Partij of een deel daarvan;
- g). wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan:
- i). indien het een regeling van sociale verzekering betreft, hetzij het orgaan waarbij de belanghebbende op het tijdstip, waarop hij om prestaties verzoekt, is aangesloten, hetzij het orgaan dat hem prestaties verschuldigd is of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarop dit orgaan gevestigd is, hetzij het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- ii). indien het een andere regeling dan een regeling van sociale verzekering betreft of een regeling betreffende kinderbijslagen, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- iii). indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen;
- h). wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd;
- i). wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;
- j). wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;
- k). wordt onder „orgaan van de woonplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene woont, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dat orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- l). wordt onder „orgaan van de verblijfplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene verblijft, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke door dit orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- m). wordt onder „rijnvarende” verstaan een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim, op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften;
- n). wordt onder „hulpkracht” verstaan een rijnvarende die in overstemming met de rijnvaartvoorschriften tijdelijk in dienst is genomen om de bemanning aan te vullen of te versterken, of om de manoeuvres de havens uit te voeren;
- o). worden onder „gezinsleden” verstaan de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend of als huisgenoten worden aangeduid in de wetgeving welke door het met het verlenen van prestaties belaste orgaan wordt toegepast of in de gevallen bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub a) en c) en artikel 21, zesde lid, in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze personen wonen; indien deze wetgevingen echter uitsluitend personen die bij de betrokkene inwonen als gezinsleden of huisgenoten beschouwen, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de betrokkene worden onderhouden; indien het krachtens deze wetgevingen niet mogelijk is de gezinsleden vast te stellen, verwijst het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats naar de wetgeving, welke door het bevoegde orgaan wordt toegepast;
- p). worden onder „nagelaten betrekkingen” verstaan de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden toegekend; indien deze wetgeving echter uitsluitend personen die bij de overledene inwoonden als nagelaten betrekkingen beschouwt, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de overledene werden onderhouden;
- q). worden onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van beroepsarbeid of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, eventueel met inbegrip van tijdvakken, welke niet in het beroep van rijnvarende zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als gelijkwaardig aan tijdvakken van verzekering door deze wetgeving zijn erkend;
- r). worden onder „tijdvakken van dienstbetrekking” en „tijdvakken van beroepsarbeid” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden even of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, zover zij als gelijkwaardig aan tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid door deze wetgeving zijn erkend;
- s). worden onder „tijdvakken van wonen” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld;
- t). onder „prestaties” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen, pensioenen of renten, die voor de desbetreffende verzekerde gebeurtenis voorzien zijn, met inbegrip van:
- i). indien het verstrekkingen betreft, de prestaties met het oog op preventie, revalidatie en beroepsherscholing;
- ii). indien het uitkeringen betreft, pensioenen of renten, alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, tenzij dit Verdrag anders bepaalt, alsmede prestaties, bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren, als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van pensioenen of renten, en eventuele terugstorting van premies of bijdragen;
- u).
- i). worden onder „gezinsbijslagen” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen, met inbegrip van kinderbijslagen, ter bestrijding van de gezinslasten, met uitzondering van de verhogingen of aanvullingen van pensioenen of renten ten behoeve van gezinsleden van de rechthebbende op deze pensioenen of renten;
- ii). worden onder „kinderbijslagen” verstaan de periodieke uitkeringen, welke op grond van het aantal en de leeftijd van de kinderen worden toegekend;
- v). wordt onder „uitkering bij overlijden” verstaan elk bedrag ineens dat in geval van overlijden wordt uitgekeerd, met uitzondering van de in sub t)ii) van dit artikel bedoelde bedragen welke als afkoopsom worden uitgekeerd;
- w). is de term „van contributieve aard” van toepassing op uitkeringen waarvan de toekenning afhankelijk is of van een rechtstreekse geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever of van het verrichten van beroepsarbeid gedurende een zeker tijdvak alsmede op wetgevingen of regelingen welke dergelijke uitkeringen verlenen; uitkeringen, waarvan de toekenning niet afhankelijk is van een rechtstreekse geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever, noch van het verrichten van beroepsarbeid gedurende een zeker tijdvak, worden „van niet-contributieve aard” genoemd, evenals de wetgevingen of regelingen welke uitsluitend dergelijke uitkeringen verlenen;
- x). worden onder „prestaties, verleend krachtens overgangsregelingen”, verstaan hetzij prestaties welke worden verleend aan personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de van toepassing zijnde wetgeving, een bepaalde leeftijd hebben overschreden, hetzij prestaties welke bij wijze van overgangsmaatregel worden verleend met het oog op gebeurtenissen, welke zich hebben voorgedaan of tijdvakken, welke zijn vervuld buiten de huidige grenzen van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij;
- y). wordt onder „Administratief Centrum” verstaan het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden bedoeld in artikel 71.
Artikel 2
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 9, tweede lid en artikel 54, is dit Verdrag op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen van toepassing op alle personen, die als rijnvarenden onderworpen zijn of geweest zijn aan de wetgeving van een of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.
Dit Verdrag is niet van toepassing op personen, die hun beroepsarbeid uitoefenen aan boord van:
- a). een zeeschip, dat als zodanig wordt aangemerkt door de wetgeving van het land onder welke vlag het vaart;
- b). een schip, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een rivier- of zeehaven.
Artikel 3
Dit Verdrag is van toepassing op alle wetgevingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
- a). prestaties bij ziekte en moederschap;
- b). prestaties bij invaliditeit;
- c). uitkeringen bij ouderdom;
- d). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;
- e). prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
- f). uitkeringen bij overlijden;
- g). werkloosheidsuitkeringen;
- h). gezinsbijslagen.
Dit Verdrag is van toepassing op de algemene en bijzondere regelingen van sociale zekerheid, van contributieve of niet-contributieve aard, alsmede op de regelingen inzake de verplichtingen van de werkgever betreffende in het vorige lid bedoelde prestaties. In tussen Verdragsluitende Partijen te sluiten bilaterale of multilaterale akkoorden zullen, voor zover mogelijk, de voorwaarden worden vastgesteld, waaronder dit Verdrag van toepassing zal zijn op regelingen, welke bij collectieve overeenkomsten ingesteld zijn en door een beslissing van de overheid verplicht gesteld zijn.
Dit Verdrag is noch op de sociale en medische bijstand, noch op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, van toepassing.
Artikel 4
In Bijlage II worden voor elke Verdragsluitende Partij de wetgevingen en regelingen, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, vermeld.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke ten gevolge van de invoering van een nieuwe wetgeving in Bijlage II dient te worden aangebracht. Deze kennisgeving moet binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wetgeving worden gedaan of, indien deze wetgeving bekend is gemaakt vóór de datum van bekrachtiging of aanvaarding van dit Verdrag, op de dag van bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 5
Dit Verdrag laat onverlet de verplichtingen welke voortvloeien uit enig verdrag dat door de Internationale Arbeidsconferentie is aanvaard.
Dit Verdrag treedt, voor wat betreft de personen op wie het van toepassing is, in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat verbindend is:
- a). hetzij uitsluitend voor twee of meer Verdragsluitende Partijen;
- b). hetzij voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, voor zover het gevallen betreft welke zonder tussenkomst van enig orgaan van één dezer Staten geregeld kunnen worden.
Ongeacht het bepaalde in het vorige lid, kunnen twee of meer Verdragsluitende Partijen in onderling overleg de bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid welke verbindend voor hen zijn, van kracht doen blijven, wat betreft de personen op wie dit Verdrag van toepassing is, door ze te vermelden in Bijlage III, voor zover het bepalingen betreft, welke ten minste even gunstig zijn voor de betrokkene als die van dit Verdrag. Dit Verdrag is echter wel van toepassing in alle gevallen welke geregeld dienen te worden door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij dan die, waarvoor de bepalingen, als bedoeld in de vorige zin, verbindend zijn.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen waarvoor in Bijlage III vermelde bepalingen verbindend zijn, kunnen in onderlinge overeenstemming in deze Bijlage wijzigingen aanbrengen door hiervan overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving te doen.
Artikel 6
Twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen onderling aanvullende overeenkomsten sluiten welke op de beginselen van dit Verdrag berusten.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke overeenkomst welke op grond van het vorige lid wordt gesloten, evenals van elke latere wijziging of opzegging van een dergelijke overeenkomst. Deze kennisgeving moet worden gedaan binnen drie maanden na het in werking treden van bedoelde overeenkomst of van wijziging daarvan, of na het van kracht worden van de opzegging.
Artikel 7
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, hebben personen, die zich aan boord van een schip, als bedoeld in artikel 1, sub m), bevinden of die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen en op wie het Verdrag van toepassing is, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van laatstbedoelde Partij.
Het genot van bijzondere uitkeringen van niet-contributieve aard, welke zijn toegekend aan personen, die niet voor de gebruikelijke uitkeringen in aanmerking kunnen komen, kan echter afhankelijk gesteld worden van de voorwaarde, dat de betrokkene of, indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft, de overledene op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij heeft gewoond gedurende een tijdvak dat al naar gelang de omstandigheden, kan worden vastgesteld op ten hoogste:
- a). vijf opeenvolgende jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag om uitkering, indien het uitkeringen bij invaliditeit betreft, of onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden indien het uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft;
- b). tien jaren, gelegen tussen de zestienjarige leeftijd en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, waarbij als eis mag worden gesteld dat daarvan vijf opeenvolgende jaren onmiddellijk aan de aanvraag om uitkering voorafgaan, indien het uitkeringen bij ouderdom betreft.
In Bijlage IV worden de in de wetgeving van iedere Verdragsluitende Partij voorziene uitkeringen, waarop het vorige lid van toepassing is, vermeld.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage IV dient te worden aangebracht. Indien deze wijziging het gevolg is van het tot stand komen van een nieuwe wetgeving, moet deze kennisgeving binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wetgeving worden gedaan of, indien deze wetgeving vóór de datum van bekrachtiging of aanvaarding van dit Verdrag bekend is gemaakt, op de dag van bekrachtiging of aanvaarding.
Het eerste lid van dit artikel doet geen afbreuk aan de bepalingen van de wetgeving van enige Verdragsluitende Partij met betrekking tot het deelnemen van betrokkenen aan de werkzaamheden van bestuursorganen of rechtsprekende instanties van de sociale zekerheid.
Artikel 8
De bepalingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij welke de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stellen van het wonen op het grondgebied van deze Partij, gelden niet voor personen op wie dit Verdrag van toepassing is en die wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, mits zij laatstelijk krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij als rijnvarende verzekerd zijn geweest.
Indien de rijnvarende verzoekt om toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, welke de toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, worden, voor zover nodig, de tijdvakken van verzekering welke hij krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij heeft vervuld, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij vervuld waren.
Artikel 9
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, mogen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van de wetgeving van één of meer Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit, dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die, op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkeringen verschuldigd is.
Het vorige lid doet noch afbreuk aan de bepalingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, noch aan die van enig verdrag inzake sociale zekerheid, dat een Verdragsluitende Partij met een andere Staat verbindt, welke voorzien in het verlenen van in dat lid bedoelde uitkeringen aan rechthebbenden die buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen van dit Verdrag wonen.
Het eerste lid van dit artikel is echter niet van toepassing op de volgende uitkeringen, voor zover zij in Bijlage V zijn vermeld:
- a). bijzondere uitkeringen van niet-contributieve aard, welke zijn toegekend aan personen die tengevolge van hun gezondheidstoestand niet in staat zijn in hun levensonderhoud te voorzien;
- b). bijzondere uitkeringen van niet-contributieve aard, welke zijn toegekend aan personen die niet voor de normale uitkeringen in aanmerking komen;
- c). uitkeringen welke krachtens overgangsregelingen zijn toegekend;
- d). bijzondere uitkeringen welke bij wijze van ondersteuning of wegens behoeftige toestand zijn toegekend.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage V dient te worden aangebracht. Indien deze wijziging het gevolg is van het tot stand komen van een nieuwe wetgeving, moet deze kennisgeving binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wetgeving worden gedaan of, indien deze wetgeving vóór de datum van bekrachtiging of aanvaarding van dit Verdrag bekend is gemaakt, op de dag van bekrachtiging of aanvaarding.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de terugbetaling van premies of bijdragen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene niet meer verplicht verzekerd is, wordt deze voorwaarde geacht niet te zijn vervuld zolang hij verplicht verzekerd is ingevolge de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij.
Artikel 10
De in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij opgenomen bepalingen inzake aanpassing van de uitkeringen aan het loon- of prijsniveau zijn eveneens van toepassing op de uitkeringen welke op grond van bedoelde wetgeving overeenkomstig dit Verdrag verschuldigd zijn.
TITEL II. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE TOE TE PASSEN WETGEVING
Artikel 11
Op de rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing.
Op de rijnvarende is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Indien deze onderneming echter geen zetel heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, is op de rijnvarende van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het filiaal of de vaste vertegenwoordiging van die onderneming bevindt.
Op de rijnvarende, die zijn schip zelf exploiteert is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zijn onderneming haar zetel heeft. Indien zijn onderneming geen zetel heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij is op deze rijnvarende, alsmede op iedere andere rijnvarende, die zijn beroepsarbeid aan boord van dit schip verricht, van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zich de plaats van inschrijving of de thuishaven van dit schip bevindt.
Op de hulpkracht is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan hij woont.
Artikel 12
Artikel 11 is niet van toepassing op de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering, behalve indien er krachtens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij voor een van de takken van sociale zekerheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, slechts een regeling inzake vrijwillige verzekering bestaat.
Ingeval de toepassing van de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen zou kunnen leiden tot verplichte verzekering en tot het recht tot gelijktijdige toetreding tot één of meer regelingen van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, is op de betrokkene uitsluitend de verplichte verzekering van toepassing. De bepalingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, welke ter zake van invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen) gelijktijdige aansluiting bij de vrijwillige of de vrijwillig voortgezette verzekering krachtens deze wetgeving en de verplichte verzekering krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij toestaan, blijven echter onverlet.
Ingeval toepassing van de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen zou kunnen leiden tot het recht tot toetreding tot twee of meer regelingen van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering, kan de betrokkene slechts worden toegelaten tot de regeling van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont of waarvan hij onderdaan is.
Artikel 13
De bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de betrokken rijnvarenden, uitzonderingen op de artikelen 11 en 12 vaststellen.
Voor zover nodig is de toepassing van het vorige lid afhankelijk van een verzoek van de betrokken rijnvarenden en eventueel van hun werkgevers. Bovendien neemt de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing zou moeten zijn, een beslissing, waarin wordt vastgesteld dat op bedoelde rijnvarenden niet langer deze wetgeving maar wel de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij van toepassing is.
Artikel 14
Indien krachtens deze titel op een rijnvarende van toepassing is de wetgeving van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij geen beroepsarbeid verricht of niet woont, is deze wetgeving op hem van toepassing alsof hij op het grondgebied van deze Partij wel beroepsarbeid verrichtte of wel woonde.
TITEL III. BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VERSCHILLENDE SOORTEN PRESTATIES
Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap
Artikel 15
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samenstelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van verstrekkingen aan gezinsleden afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat zij persoonlijk verzekerd zijn, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, met het oog op de toepassing van het vorige lid op gezinsleden van een rijnvarende, rekening met de tijdvakken van verzekering welke door deze rijnvarende krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld en gedurende welke zij gezinsleden van bedoelde rijnvarende waren.
Artikel 16
De rijnvarende die aan de door de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 15, en
- a). wiens toestand het nodig maakt dat onmiddellijk verstrekkingen worden verleend gedurende een verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, of
- b). die, nadat hij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties is gesteld, van dit orgaan toestemming heeft ontvangen om zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat over te brengen, of
- c). die van het bevoegde orgaan toestemming heeft ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat te begeven, teneinde aldaar een voor zijn toestand passende behandeling te ondergaan, heeft recht op:
- (i). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij bij dit orgaan was aangesloten, doch gedurende ten hoogste het tijdvak dat eventueel in de wetgeving van de bevoegde Staat is vastgesteld;
- (ii). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij zich op het grondgebied van de bevoegde Staat bevond. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woon- of verblijfplaats kunnen evenwel de uitkering eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
- a). De sub b) van het vorige lid bedoelde toestemming mag slechts worden geweigerd indien verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een geneeskundige behandeling;
- b). De sub c) van het vorige lid bedoelde toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de betrokkene woont, niet aan hem kan worden gegeven.
De vorige leden van dit artikel zijn, voor wat betreft het recht op verstrekkingen, van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van een rijnvarende.
Artikel 17
De rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont en aan de in de wetgeving van laatstbedoelde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 15, op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar hij woont, recht op:
- a). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij bij dit orgaan was aangesloten;
- b). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij op het grondgebied van de bevoegde Staat woonde. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
Het vorige lid is, wat het recht op verstrekkingen betreft, van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van een rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen, voor zover zij krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zij wonen, geen recht op verstrekkingen hebben.
Indien een in de vorige leden van dit artikel bedoelde rijnvarende of zijn gezinsleden op het grondgebied van de bevoegde Staat verblijven, hebben zij recht op verstrekkingen volgens de wetgeving van deze Staat, alsof zij op het grondgebied ervan woonden, zelfs indien zij voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap reeds vóór de aanvang van hun verblijf verstrekkingen hebben genoten.
Indien een in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde rijnvarende of zijn gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de bevoegde Staat, hebben zij recht op verstrekkingen volgens de wetgeving van deze Staat, zelfs indien zij voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap reeds vóór de overbrenging van hun woonplaats verstrekkingen hebben genoten.
Artikel 18
Artikel 16, eerste en tweede lid of artikel 17, eerste lid is, naar gelang het geval, van toepassing op de werkloos geworden rijnvarende, die eventueel met inachtneming van artikel 15 voldoet aan de voorwaarden voor het recht op prestaties bij ziekte of moederschap van de wetgeving van de Staat ten laste waarvan de werkloosheidsuitkeringen komen.
Artikel 16, derde lid of artikel 17, tweede lid is, naar gelang het geval, van toepassing op de gezinsleden van de in het vorige lid bedoelde rijnvarende.
Artikel 17, derde en vierde lid, is van toepassing op de in de vorige leden van dit artikel bedoelde rijnvarende en zijn gezinsleden.
Artikel 19
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen gemiddelde verdiensten als grondslag worden genomen, stelt het bevoegde orgaan van deze Partij deze gemiddelde verdiensten uitsluitend vast op basis van de verdiensten gedurende de krachtens bedoelde wetgeving vervulde tijdvakken.
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van een bedoelde Partij woonden.
Artikel 20
De aanvrager van een pensioen of rente op wie dit Verdrag van toepassing is en die, eventueel met inachtneming van artikel 15, voldoet aan de voorwaarden voor het recht op verstrekkingen van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, of die recht op verstrekkingen zou hebben indien hij op het grondgebied van deze Partij woonde, heeft evenals zijn gezinsleden overeenkomstig artikel 16 of artikel 17, naar gelang het geval, recht op deze verstrekkingen, wanneer de betrokkenen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij verblijven of wonen.
De krachtens het vorige lid verleende verstrekkingen komen voor rekening van het orgaan dat de premies of bijdragen heeft ontvangen; ingeval de aanvrager van een pensioen of rente voor het recht op verstrekkingen geen premies of bijdragen hoeft te betalen, betaalt het orgaan voor rekening waarvan deze verstrekkingen krachtens artikel 21 na vaststelling van het pensioen of de rente komen, de kosten der verleende verstrekkingen terug aan het orgaan van de verblijf- of woonplaats.
De vorige leden van dit artikel zijn niet van toepassing op de aanvrager van een pensioen of rente noch op zijn gezinsleden, die op grond van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die op hen van toepassing blijft wegens het verrichten van beroepsarbeid of van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen, recht op verstrekkingen hebben.
De aanvrager van een pensioen of rente wiens recht op verstrekkingen voortvloeit uit de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, waarin is bepaald dat de betrokkene zelf de premies of bijdragen voor de ziekteverzekering moet betalen gedurende de behandeling van zijn aanvraag om pensioen of rente, heeft, voor zichzelf en voor zijn gezinsleden, na afloop van de tweede maand waarover hij de verschuldigde premies of bijdragen niet heeft betaald, niet langer recht op verstrekkingen.
Artikel 21
Wanneer de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen op wie dit Verdrag van toepassing is, eventueel met inachtneming van artikel 15 recht heeft op verstrekkingen op grond van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, worden aan deze rechthebbende en zijn gezinsleden door het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan verstrekkingen verleend, alsof hij uitsluitend recht had op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van laatstbedoelde Partij.
Wanneer de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen op wie dit Verdrag van toepassing is, geen recht heeft op verstrekkingen op grond van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, heeft hij, evenals zijn gezinsleden, niettemin recht op verstrekkingen, voor zover hij, eventueel met inachtneming van artikel 15 en van Bijlage VIII, recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij of van één der eerstbedoelde Partijen, of daarop recht zou hebben indien hij op het grondgebied van één van deze Partijen zou wonen. De verstrekkingen worden door het orgaan van de woonplaats verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof de betrokkene krachtens deze wetgeving recht op verstrekkingen had; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het overeenkomstig de in het volgende lid vermelde regels vast te stellen orgaan.
In de in het vorige lid bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vast te stellen orgaan:
- a). indien de rechthebbende krachtens de wetgeving van één Verdragsluitende Partij recht op verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Partij;
- b). indien de rechthebbende krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen recht heeft op verstrekkingen, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij krachtens de wetgeving waarvan de rechthebbende het langste tijdvak van verzekering heeft vervuld; ingeval toepassing van deze regel ertoe zou leiden dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan één orgaan komen, komen deze voor rekening van het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de rechthebbende laatstelijk onderworpen is geweest.
Wanneer de gezinsleden van de rechthebbende op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan deze rechthebbenden hebben zij recht op verstrekkingen alsof de rechthebbende op hetzelfde grondgebied als zij woonde, voor zover hij krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij recht op bedoelde verstrekkingen heeft. Deze verstrekkingen worden door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof zij krachtens deze wetgeving recht op verstrekkingen hadden; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende.
Indien de in het vorige lid bedoelde gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de rechthebbende woont, hebben zij recht op verstrekkingen volgens de wetgeving van deze Partij, zelfs indien zij vóór de overbrenging van hun woonplaats reeds verstrekkingen genoten hebben voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap.
De rechthebbende op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, die recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van één van deze Partijen, heeft evenals zijn gezinsleden, recht op verstrekkingen:
- a). gedurende een verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, wanneer hun gezondheidstoestand het nodig maakt dat onmiddellijk verstrekkingen worden verleend, of
- b). wanneer zij van het orgaan van de woonplaats toestemming hebben ontvangen om zich naar het grondgebied te begeven van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, ten einde aldaar een voor hun gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan; bedoelde toestemming mag niet worden geweigerd wanneer deze behandeling op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de betrokkene woont niet aan hem kan worden gegeven.
In de in het vorige lid bedoelde gevallen worden de verstrekkingen, verleend door het orgaan van de verblijfplaats volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof de betrokkene krachtens deze wetgeving recht op verstrekkingen had; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden voor het recht op verstrekkingen, is het orgaan van deze Partij dat een pensioen of rente verschuldigd is, gemachtigd deze bijdragen of premies in te houden, wanneer krachtens dit artikel de verstrekkingen voor rekening van een orgaan van bedoelde Partij komen.
De vorige leden van dit artikel, met uitzondering van het zesde en zevende lid, zijn niet van toepassing op de pensioen- of rentetrekker noch op zijn gezinsleden die krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke op hen van toepassing blijft wegens het verrichten van beroepsarbeid of van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen, recht op verstrekkingen hebben.
Artikel 22
Indien de door het orgaan van de verblijf- of woonplaats toegepaste wetgeving meer dan een verzekeringsregeling voor ziekte of moederschap kent, worden in de gevallen, bedoeld in artikel 16, eerste en derde lid, artikel 17, eerste en tweede lid, artikel 18, eerste en tweede lid, artikel 20, eerste lid en artikel 21, tweede, vierde en zesde lid, de voor het verlenen van verstrekkingen van toepassing zijnde bepalingen van de regeling die voor de in loondienst zijnde rijnvarenden geldt, gevolgd.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van prestaties afhankelijk stelt van een voorwaarde met betrekking tot de oorsprong van de aandoening, mag deze voorwaarde niet gesteld worden aan de personen op wie dit Verdrag van toepassing is, ongeacht de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen.
Indien het recht van een rijnvarende of een pensioen- of rentetrekker op een prothese, op hulpmiddelen van grote omvang of op andere belangrijke verstrekkingen ten behoeve van hemzelf of van een van zijn gezinsleden door het orgaan van een Verdragsluitende Partij is erkend vóór zijn aansluiting bij het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij, krijgt hij deze verstrekkingen voor rekening van eerstbedoeld orgaan, zelfs indien zij eerst worden toegekend wanneer betrokkene reeds bij het tweede orgaan is aangesloten.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verlenen van verstrekkingen aan de gezinsleden van een rijnvarende, aan een werkloze, aan een aanvrager van en een rechthebbende op een pensioen of rente, alsmede aan hun gezinsleden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zij persoonlijk verzekerd zijn, zijn de artikelen 16, 17, 18, 20 en 21 slechts op hen van toepassing, indien zij persoonlijk aangesloten zijn bij een orgaan van deze Partij, dat verstrekkingen verleent.
Artikel 23
Het bevoegde orgaan moet de kosten van de krachtens dit hoofdstuk door het orgaan van de verblijf- of woonplaats voor zijn rekening verleende verstrekkingen volledig vergoeden.
Met het oog op de in het vorige lid bedoelde vergoedingen mogen geen hogere tarieven in rekening worden gebracht dan die, welke zijn voorzien in de wetgeving die het orgaan dat de vordering heeft toepast voor het verlenen van verstrekkingen aan onderdanen van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan dit orgaan gevestigd is.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats op de wijze welke is geregeld in de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking, hetzij door het aantonen van de werkelijke uitgaven, hetzij op grond van vaste bedragen.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten kunnen andere wijzen van vergoeding overeenkomen of in onderlinge overeenstemming afzien van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen.
De Verdragsluitende Partijen stellen binnen drie maanden het Administratief Centrum in kennis van elke overeenkomst welke tussen hen op grond van het vorige lid is gesloten.
Hoofdstuk 2. Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)
Afdeling 1. : Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 24
Wanneer een persoon achtereenvolgens of af wisselend als rijnvarende aan de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, hebben hij of zijn nagelaten betrekkingen recht op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zelfs ingeval de betrokkenen, zonder dat deze bepalingen worden toegepast, aanspraak zouden kunnen maken op uitkeringen krachtens de wetgeving van één of meer Verdragsluitende Partijen.
Dit hoofdstuk is echter slechts onder de volgende voorwaarden van toepassing:
- a). wat betreft de uitkeringen bij invaliditeit of overlijden, dienen de rijnvarenden bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, gevolgd door invaliditeit of op het tijdstip van overlijden, onderworpen te zijn aan de wetgeving van een Verdragsluitende Partij; als dit niet het geval is, dienen de betrokken personen, voor het recht op uitkeringen bij invaliditeit of overlijden krachtens de wetgeving van elke Verdragsluitende Partij volgens welke het recht op deze uitkeringen afhankelijk wordt gesteld van het vervullen van een tijdvak van verzekering, gedurende een totale periode van tenminste 5 jaar als rijnvarenden tijdvakken van verzekering te hebben vervuld krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen;
- b). wat betreft de uitkeringen bij ouderdom moeten de betrokkenen gedurende een totale periode van ten minste 5 jaar als rijnvarenden tijdvakken van verzekering hebben vervuld krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen.
De in sub b) van het vorige lid bedoelde verzekeringsduur is niet vereist ingeval de invaliditeitsuitkering overeenkomstig artikel 31 wordt omgezet in ouderdomsuitkering.
Afdeling 2. : Invaliditeit
Artikel 25
Wanneer een persoon achtereenvolgens of afwisselend als rijnvarende aan de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest en uitsluitend tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens de wetgevingen volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, heeft deze persoon recht op uitkeringen overeenkomstig artikel 27.
Bijlage VI vermeld voor elke betrokken Verdragsluitende Partij de in het vorige lid bedoelde wetgevingen.
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke ten gevolge van de invoering van een nieuwe wetgeving in Bijlage VI dient te worden aangebracht. Deze kennisgeving moet binnen drie maanden na bekendmaking van bedoelde wetgeving worden gedaan, of, indien deze wetgeving bekend is gemaakt vóór de datum van bekrachtiging of aanvaarding van dit Verdrag, op de dag van deze bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 26
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering in een aan een bijzondere regeling onderworpen beroep, of eventueel in een bepaald beroep of in een bepaalde dienstbetrekking zijn vervuld, wordt voor de toekenning van deze uitkeringen slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wetgevingen van andere Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, indien deze tijdvakken krachtens een overeenkomstige regeling, of bij afwezigheid daarvan, in hetzelfde beroep of eventueel in dezelfde dienstbetrekking zijn vervuld. Indien de betrokkene, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voor het recht op bedoelde uitkeringen gestelde voorwaarden, wordt met deze tijdvakken rekening gehouden voor de toekenning van uitkeringen volgens de regeling die op rijnvarenden van toepassing is.
Indien volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het tijdvak waarover een pensioen of rente wordt verleend in aanmerking mag worden genomen voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, houdt het bevoegde orgaan van deze partij daartoe rekening met het tijdvak waarover krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij een pensioen of rente werd verleend.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van uitkeringen voor scholingen beroepsonderwijs en beroepsherscholing aan gezinsleden van een rijnvarende, aan een werkloze, aan een aanvrager van of een rechthebbende op pensioen of rente, alsmede aan hun gezinsleden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zij persoonlijk verzekerd zijn, ontvangen deze personen deze uitkeringen slechts indien zij persoonlijk bij een orgaan van deze partij, dat overeenkomstige uitkeringen toekent, zijn aangesloten. In dat geval zijn artikel 16, eerste lid, sub a), b) of c) ii) en artikel 17, eerste lid, sub b) van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
Het orgaan van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, stelt overeenkomstig deze wetgeving vast, of de betrokkene voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen, eventueel met inachtneming van artikel 26, eerste, tweede en derde lid.
De betrokkene die aan deze voorwaarden voldoet, ontvangt de uitkeringen uitsluitend van bedoeld orgaan, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
De betrokkene die niet aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorwaarden voldoet, wordt in het genot gesteld van de uitkeringen waarop hij krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij nog recht heeft, eventueel met inachtneming van artikel 26, eerste, tweede en derde lid.
Indien de wetgeving die op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, van toepassing is, niet voorziet in de toekenning van invaliditeitsuitkeringen, wordt de betrokkene in het genot gesteld van de uitkeringen waarop hij krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij nog recht heeft, eventueel met inachtneming van artikel 26, eerste, tweede en derde lid.
Indien de wetgeving krachtens welke, overeenkomstig het tweede, derde of vierde lid van dit artikel, de uitkeringen verschuldigd zijn, bepaalt dat de hoogte van de uitkeringen varieert al naar gelang het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan eveneens rekening met gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van de bevoegde Staat woonden.
Artikel 28
Wanneer een persoon achtereenvolgens of afwisselend als rijnvarende onderworpen is geweest aan de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, waarvan er ten minste één niet tot het in artikel 25, eerste lid bedoelde type behoort, heeft deze persoon recht op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van Afdeling 3 van dit hoofdstuk, welke van overeenkomstige toepassing zijn.
De betrokkene die door arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit wordt getroffen, terwijl op hem een in Bijlage VI vermelde wetgeving van toepassing is, heeft echter recht op uitkeringen overeenkomstig artikel 27, onder de beide volgende voorwaarden:
- -. hij moet voldoen aan de door deze wetgeving of andere wetgeving van hetzelfde type gestelde voorwaarden, eventueel met inachtneming van artikel 26, eerste, tweede en derde lid, zonder dat echter een beroep moet worden gedaan op tijdvakken van verzekering welke krachtens een niet in Bijlage VI vermelde wetgeving zijn vervuld;
- -. hij mag niet voldoen aan de voorwaarden welke door een niet in Bijlage VI vermelde wetgeving voor het recht op uitkeringen zijn gesteld.
- a). Om het recht op uitkeringen krachtens een in Bijlage VI vermelde wetgeving van een Verdragsluitende Partij, die de toekenning van invaliditeitsuitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene gedurende een bepaald tijdvak ziekengeld heeft ontvangen of arbeidsongeschikt is geweest, vast te stellen, wordt, wanneer de rijnvarende, die aan deze wetgeving onderworpen is geweest, door arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit wordt getroffen, terwijl hij aan de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij onderworpen is, onverminderd het bepaalde in artikel 25, eerste lid, rekening gehouden met:
- i). elk tijdvak waarover hij voor deze arbeidsongeschiktheid ziekengeld, of in plaats daarvan, zijn loon heeft genoten;
- ii). elk tijdvak waarover hij invaliditeitsuitkeringen heeft ontvangen voor de invaliditeit die op bedoelde arbeidsongeschiktheid volgde, krachtens de wetgeving van de tweede Partij, alsof het een tijdvak betrof waarover hem ziekengeld was verleend krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij of tijdens hetwelk hij arbeidsongeschikt was geweest in de zin van deze wetgeving;
- b). Het recht op invaliditeitsuitkeringen gaat, ten aanzien van de wetgeving van de eerste Verdragsluitende Partij, in te rekenen van het tijdstip waarop de uitkeringstermijn van het ziekengeld of het tijdvak van aanvankelijke arbeidsongeschiktheid, voorgeschreven door deze wetgeving is beëindigd, doch niet eerder dan op het tijdstip waarop het recht op invaliditeitsuitkeringen wordt geopend of het recht op ziekengeld ophoudt, krachtens de wetgeving van de tweede Verdragsluitende Partij.
Artikel 29
Ingeval de invaliditeit, die aanleiding heeft gegeven tot uitkeringen op grond van de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij, toeneemt, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- a). indien de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, niet aan de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij onderworpen is geweest, is het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij verplicht uitkeringen toe te kennen, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;
- b). indien de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, aan de wetgeving van één of meer andere Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden hem uitkeringen toegekend overeenkomstig artikel 25, eerste lid of artikel 28, eerste of tweede lid, naar gelang het geval, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;
- c). in het sub b) bedoelde geval wordt het tijdstip waarop de toeneming van de invaliditeit is vastgesteld, beschouwd als het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan;
- d). indien de betrokkene, in het sub b) van dit lid bedoelde geval, geen recht op uitkeringen van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij heeft, is het bevoegde orgaan van de eerstbedoelde Partij verplicht uitkeringen toe te kennen volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit en eventueel met het bepaalde in artikel 26, eerste, tweede en derde lid.
Ingeval de invaliditeit, die aanleiding heeft gegeven tot uitkeringen op grond van de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, toeneemt, worden de uitkeringen toegekend overeenkomstig artikel 28, eerste lid, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit. Het bepaalde sub c) van het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
Indien de betaling van uitkeringen na schorsing moet worden hervat, geschiedt dit door het orgaan of door de organen welke de uitkeringen verschuldigd was of waren op het tijdstip waarop zij werden geschorst, onverminderd het bepaalde in artikel 31.
Indien na intrekking van de uitkeringen de toestand van de betrokkene hernieuwde toekenning van uitkeringen rechtvaardigt, worden deze overeenkomstig artikel 25, eerste lid of artikel 28, eerste of tweede lid, naargelang het geval, toegekend.
Artikel 31
De invaliditeitsuitkeringen worden eventueel in ouderdomsuitkeringen omgezet op de voorwaarden gesteld door de wetgeving of de wetgevingen krachtens welke zij zijn toegekend, en overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 3 van dit hoofdstuk.
Wanneer degene die in het genot is van invaliditeitsuitkeringen, verkregen krachtens de wetgeving van één of meer Verdragsluitende Partijen, aanspraak kan maken op ouderdomsuitkeringen, blijft, in het in artikel 36 bedoelde geval, elk orgaan dat invaliditeitsuitkeringen, die nog niet in ouderdomsuitkeringen kunnen worden omgezet, verschuldigd is, aan deze rechthebbende ook verder de invaliditeitsuitkeringen verlenen waarop hij krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving recht heeft, en wel tot het tijdstip waarop het vorige lid door dit orgaan wordt toegepast.
Indien echter in het, in het vorige lid, bedoelde geval de invaliditeitsuitkeringen overeenkomstig artikel 27 zijn toegekend, kan het orgaan dat deze uitkeringen verschuldigd blijft, artikel 36, eerste lid, sub a), toepassen, alsof degene die bedoelde uitkeringen geniet, voldeed aan de door de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij gestelde voorwaarden voor het recht op ouderdomsuitkeringen; daarbij wordt het in artikel 33, tweede lid bedoelde theoretische bedrag vervangen door het bedrag van de door genoemd orgaan verschuldigde invaliditeitsuitkeringen.
Afdeling 3. : Ouderdom en overlijden (pensioenen)
Artikel 32
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering in een aan een bijzondere regeling onderworpen beroep, of eventueel in een bepaald beroep of in een bepaalde dienstbetrekking zijn vervuld, wordt voor de toekenning van deze uitkeringen slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wetgevingen van andere Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, indien deze tijdvakken krachtens een overeenkomstige regeling, of bij afwezigheid daarvan, in hetzelfde beroep of eventueel in dezelfde dienstbetrekking zijn vervuld. Indien de betrokkene, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voor het recht op bedoelde uitkeringen gestelde voorwaarden, wordt met deze tijdvakken rekening gehouden voor de toekenning van uitkeringen volgens de regeling die op rijnvarenden van toepassing is.
Indien in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van uitkeringen afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene, of indien er sprake is van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de overledene, op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan aan deze wetgeving onderworpen was, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de betrokkene, respectievelijk de overledene, op dat tijdstip aan de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij onderworpen was, of, als dit niet het geval is, indien de betrokkene of de nagelaten betrekking ingevolge de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij recht op overeenkomstige uitkeringen kan doen gelden. Laatstgenoemde voorwaarde wordt echter geacht te zijn vervuld in het in artikel 35, eerste lid bedoelde geval.
Indien volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het tijdvak waarover een pensioen of rente wordt verleend, in aanmerking mag worden genomen voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij daartoe rekening met het tijdvak waarover krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij een pensioen of rente werd verleend.
Artikel 33
Het orgaan van iedere Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving op de rijnvarende van toepassing is geweest, stelt overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving vast of de betrokkene aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 28, derde lid en artikel 32.
Ingeval de betrokkene aan deze voorwaarden voldoet, berekent bedoeld orgaan het theoretische bedrag van de uitkeringen waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering, welke zijn vervuld krachtens de wetgevingen van de betrokken Verdragsluitende Partijen en in aanmerking zijn genomen overeenkomstig artikel 32, uitsluitend zouden zijn vervuld krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Indien er echter sprake is van uitkeringen waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag als het in dit lid bedoelde theoretische bedrag beschouwd.
Op basis van het overeenkomstig het vorige lid berekende theoretische bedrag stelt bedoeld orgaan vervolgens het werkelijke bedrag van de uitkeringen, welke het aan de betrokkene verschuldigd is, vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken Verdragsluitende Partijen zijn vervuld.
Indien de totale duur van de tijdvakken van verzekering welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, langer is dan de maximumduur, welke de wetgeving van één der Partijen voor het recht op volledige uitkering vereist, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij voor de toepassing van het tweede en derde lid van dit artikel rekening met deze maximumduur in plaats van met de totale duur van de genoemde tijdvakken, zonder dat deze wijze van berekening tot gevolg mag hebben dat dit orgaan een uitkering verschuldigd is welke hoger is dan de uitkering volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
Ingeval volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen of van bepaalde bestanddelen van uitkeringen evenredig is aan de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering, mag het bevoegde orgaan van deze Partij deze uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen rechtstreeks berekenen en daarbij alleen rekening houden met de tijdvakken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, zonder dat het tweede en derde lid van dit artikel worden toegepast.
Artikel 34
De berekening van het in artikel 33, tweede lid, bedoelde theoretische bedrag vindt als volgt plaats:
- a). indien volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van gemiddelde verdiensten, van een gemiddelde premie of bijdrage, van een gemiddelde verhoging of van de verhouding welke gedurende de tijdvakken van verzekering tussen de bruto-verdiensten van de betrokkene en de gemiddelde bruto-verdiensten en alle verzekerden met uitzondering van de leerlingen heeft bestaan, worden deze gemiddelden of verhoudingsgetallen door het bevoegde orgaan van deze Partij uitsluitend vastgesteld op grond van de krachtens de wetgeving van bedoelde Partij vervulde tijdvakken van verzekering of van de door de betrokkene gedurende deze tijdvakken genoten brutoverdiensten;
- b). indien volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag van de verdiensten, premies of bijdragen of eventuele verhogingen, worden de door het bevoegde orgaan van die Partij in aanmerking te nemen verdiensten, premies of bijdragen, of verhogingen, ten aanzien van de krachtens de wetgeving van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering vastgesteld op grond van het gemiddelde van de verdiensten, premies of bijdragen, of verhogingen welke betrekking hebben op krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij vervulde tijdvakken van verzekering;
- c). indien volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van forfaitaire verdiensten of een vast bedrag, zijn de door het bevoegde orgaan van die Partij in aanmerking te nemen verdiensten of is het door dit orgaan in aanmerking te nemen bedrag, ten aanzien van de krachtens de wetgevingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering, gelijk aan de forfaitaire verdiensten of het vaste bedrag of eventueel aan het gemiddelde van de forfaitaire verdiensten of van de vaste bedragen welke betrekking hebben op de krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij vervulde tijdvakken van verzekering;
- d). indien volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bij de berekening van de uitkeringen voor bepaalde tijdvakken wordt uitgegaan van het bedrag van de verdiensten en voor andere tijdvakken van forfaitaire verdiensten of van een vast bedrag, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij ten aanzien van de krachtens de wetgevingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering rekening met de overeenkomstig dit lid sub b), onderscheidenlijk sub c) vastgestelde verdiensten of bedragen; indien bij de berekening van de uitkeringen voor alle krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij vervulde tijdvakken wordt uitgegaan van forfaitaire verdiensten of een vast bedrag, zijn de door het bevoegde orgaan van deze Partij in aanmerking te nemen verdiensten, ten aanzien van de krachtens de wetgevingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering, gelijk aan de fictieve verdiensten welke met deze forfaitaire verdiensten of dit vaste bedrag overeenkomen.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorschriften bevat inzake de aanpassing van de voor de berekening der uitkeringen in aanmerking genomen bestanddelen aan het loon- of prijsniveau, zijn deze voorschriften van toepassing op de bestanddelen waarmede het bevoegde orgaan van deze Partij, ten aanzien van de krachtens de wetgevingen van andere Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering, overeenkomstig het vorige lid rekening heeft gehouden.
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden.
Artikel 35
Indien de totale duur van de tijdvakken van verzekering, welke krachtens één enkele wetgeving van een Verdragsluitende Partij in aanmerking moet worden genomen, minder dan een jaar bedraagt en indien, uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen enkel recht op uitkeringen krachtens die wetgeving bestaat, is het orgaan van die Partij, ongeacht het bepaalde in artikel 33 niet verplicht op grond van bedoelde tijdvakken uitkeringen toe te kennen.
Voor de toepassing van artikel 33, met uitzondering van het derde en vijfde lid, wordt met de in het vorige lid bedoelde tijdvakken wel rekening gehouden door het orgaan van elk der andere betrokken Verdragsluitende Partijen.
Ingeval toepassing van het eerste lid van dit artikel echter tot gevolg zou hebben dat alle betrokken organen van de Verdragsluitende Partijen van hun verplichting tot het toekennen van uitkeringen worden ontheven, ontvangt de betrokkene de uitkeringen uitsluitend op grond van de wetgeving van de laatste Verdragsluitende Partij aan de voorwaarden waarvan hij, met inachtneming van artikel 32 voldoet, alsof alle in het eerste lid van dit artikel bedoelde tijdvakken krachtens de wetgeving van deze Partij waren vervuld.
Artikel 36
Indien de betrokkene, met inachtneming van artikel 32, op een bepaald tijdstip niet ten volle voldoet aan de voorwaarden welke door de wetgevingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen worden gesteld, doch uitsluitend voldoet aan de voorwaarden van één of meer van deze wetgevingen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- a). het bedrag van de verschuldigde uitkeringen wordt door elk van de bevoegde organen, welke een wetgeving toepassen aan de voorwaarden waarvan is voldaan, berekend overeenkomstig artikel 33, tweede en derde lid, onderscheidenlijk, vijfde lid;
- b). indien evenwel:
- i). de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van ten minste twee wetgevingen zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering welke vervuld zijn krachtens de wetgevingen aan de voorwaarden waarvan niet is voldaan, wordt voor de toepassing van artikel 33, tweede en derde lid, met deze tijdvakken geen rekening gehouden;
- ii). de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van één enkele wetgeving, zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op het bepaalde in artikel 32, wordt het bedrag van de verschuldigde uitkering uitsluitend berekend overeenkomstig de wetgeving aan de voorwaarden waarvan is voldaan en uitsluitend rekeninghoudend met de krachtens deze wetgeving vervulde tijdvakken.
In het in het voorgaande lid bedoelde geval worden de krachtens één of meer van de betrokken wetgevingen toegekende uitkeringen ambtshalve opnieuw berekend overeenkomstig artikel 33, naarmate aan de door één of meer van de andere betrokken wetgevingen gestelde voorwaarden wordt voldaan, eventueel met inachtneming van artikel 32.
De krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen toegekende uitkeringen worden overeenkomstig het eerste lid van dit artikel hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de betrokkenen opnieuw berekend, wanneer niet meer aan de door één of meer van deze wetgevingen gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 37
Indien het bedrag van de uitkeringen waarop de betrokkene zonder toepassing van de artikelen 32 tot en met 36 krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij aanspraak zou kunnen maken, hoger is dan het totale bedrag van de overeenkomstig deze artikelen verschuldigde uitkeringen, is het bevoegde orgaan van deze Partij verplicht hem een aanvulling te verlenen, welke gelijk is aan het verschil tussen die beide bedragen. Deze aanvulling komt geheel voor rekening van dit orgaan.
Ingeval door toepassing van het vorige lid aan de betrokkene aanvullingen zouden moeten worden toegekend door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, heeft hij uitsluitend recht op de hoogste aanvulling.
De in de vorige leden van dit artikel bedoelde aanvulling wordt voor eens en altijd vastgesteld, behoudens het geval dat er, met toepassing van het bepaalde in dit hoofdstuk, een herberekening van de uitkeringen moet plaatsvinden. Deze aanvulling wordt voor de toepassing van artikel 38, eerste lid, beschouwd als een onderdeel van de uitkeringen welke zijn verleend door het orgaan dat de uitkering verschuldigd is.
Artikel 38
Indien de krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij verschuldigde uitkeringen, door stijging van de kosten van levensonderhoud, schommelingen van het peil der verdiensten of andere oorzaken van aanpassing, met een bepaald percentage of bedrag worden gewijzigd, moeten de met toepassing van dit Verdrag krachtens deze wetgeving verschuldigde uitkeringen rechtstreeks met hetzelfde percentage of bedrag worden gewijzigd, zonder dat er een herberekening overeenkomstig de artikelen 32 en met 37 behoeft plaats te vinden.
Indien echter de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de uitkeringen wijzigingen ondergaan, vindt wel een herberekening plaats overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 37.
Artikel 39
Ingeval de uitkeringen aan de overlevende echtgeno(o)t(e) worden omgezet in ouderdomsuitkeringen, is artikel 31, eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Arbeidsongevallen en beroepsziekten
Artikel 40
De rijnvarende die door een arbeidsongeval of een beroepsziekte is getroffen en
- a). op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft, of
- b). nadat hij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties is gesteld, van dit orgaan toestemming heeft ontvangen om zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat over te brengen, of
- c). van het bevoegde orgaan toestemming heeft ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat te begeven teneinde aldaar een voor zijn toestand passende behandeling te ondergaan, heeft recht op:
- (i). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij bij dit orgaan was aangesloten, doch gedurende ten hoogste het tijdvak dat eventueel in de wetgeving van de bevoegde Staat is vastgesteld;
- (ii). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij zich op het grondgebied van de bevoegde Staat bevond. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woon- en verblijfplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
- a). De sub b) van het vorige lid bedoelde toestemming mag slechts worden geweigerd indien verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een geneeskundige behandeling;
- b). De sub c) van het vorige lid bedoelde toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de betrokkene woont, niet aan hem kan worden gegeven.
Artikel 41
De rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont en door een arbeidsongeval of een beroepsziekte wordt getroffen, heeft op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, recht op:
- a). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij bij dit orgaan was aangesloten;
- b). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij op het grondgebied van de bevoegde Staat woonde. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen evenwel de uitkeringen eveneens door bemiddeling van laatstbedoeld orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend.
Indien de in het vorige lid bedoelde rijnvarende, op het grondgebied van de bevoegde Staat verblijft, heeft hij recht op verstrekkingen volgens de wetgeving van deze Staat, alsof hij op grondgebied ervan woonde, zelfs indien hij vóór de aanvang van zijn verblijf reeds verstrekkingen heeft genoten.
Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde rijnvarende zijn woonplaats naar het grondgebied van de bevoegde Staat overbrengt, heeft hij recht op verstrekkingen volgens de wetgeving van deze Staat, zelfs indien hij vóór de overbrenging van zijn woonplaats reeds verstrekkingen heeft genoten.
Artikel 42
Op de werkloos geworden rijnvarende die door een ongeval wordt getroffen dat volgens de wetgeving van de bevoegde Staat, ten laste waarvan de werkloosheidsuitkeringen komen, aangemerkt kan worden als een arbeidsongeval, is artikel 40, onderscheidenlijk artikel 41 van toepassing.
Artikel 43
Het ongeval op weg van of naar het werk dat op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat heeft plaatsgevonden, wordt geacht op het grondgebied van de bevoegde Staat te hebben plaatsgevonden.
Artikel 44
Wanneer de rijnvarende die door een beroepsziekte getroffen is, onder de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen werkzaamheden heeft verricht, waardoor deze ziekte kan zijn ontstaan, worden de uitkeringen waarop deze getroffene of zijn nagelaten betrekkingen aanspraak kunnen maken, uitsluitend toegekend op grond van de wetgeving van de laatste van deze Partijen aan de voorwaarden waarvan zij voldoen, eventueel met inachtneming van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het recht op uitkeringen wegens beroepsziekte afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de desbetreffende ziekte het eerst op het grondgebied van die Partij medisch is vastgesteld, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld wanneer deze ziekte het eerst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij is vastgesteld.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het recht op uitkeringen wegens beroepsziekte uitdrukkelijk of stilzwijgend afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de desbetreffende ziekte is vastgesteld binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de laatste werkzaamheden waardoor een dergelijke ziekte kon ontstaan, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij, wanneer het nagaat op welk tijdstip die laatste werkzaamheden werden verricht, voor zover nodig rekening met gelijksoortige werkzaamheden welke onder de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn verricht, alsof zij onder de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren verricht.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het recht op uitkeringen wegens beroepsziekte uitdrukkelijk of stilzwijgend afhankelijk stelt van de voorwaarde dat gedurende een bepaalde tijd werkzaamheden waardoor de desbetreffende ziekte kon ontstaan, werden verricht, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij, voor zover nodig met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken waarin dergelijke werkzaamheden onder de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij werden verricht.
Artikel 45
Wanneer de rijnvarende die door een beroepsziekte getroffen is uitkeringen genoten heeft of geniet voor rekening van het orgaan van een Verdragsluitende Partij en hij, ingeval deze ziekte verergert, aanspraak maakt op uitkeringen bij het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- a). indien de getroffene, sedert de toekenning van deze uitkeringen onder de wetgeving van de tweede Partij geen werkzaamheden heeft uitgeoefend welke de desbetreffende beroepsziekte kunnen veroorzaken of verergeren, moet het bevoegde orgaan van de eerste Partij de uitkeringen voor zijn rekening nemen, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de verergering, zelfs indien de getroffene niet meer aan deze wetgeving onderworpen is of niet op het grondgebied van deze Partij woont;
- b). indien de getroffene sedert de toekenning van deze uitkeringen onder de wetgeving van de tweede Partij wel zodanige werkzaamheden heeft uitgeoefend, moet het bevoegde orgaan van de eerste Partij, de uitkeringen voor zijn rekening nemen volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, waarbij het geen rekening houdt met de verergering; het bevoegde orgaan van de tweede Partij kent de betrokkene een aanvulling toe, ter hoogte van het verschil tussen het bedrag van de uitkeringen welke na de verergering verschuldigd zijn en het bedrag van de uitkeringen welke vóór de verergering overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving verschuldigd zouden zijn geweest, indien de desbetreffende beroepsziekte zich onder de wetgeving van deze Partij had voorgedaan;
- c). indien de sub b) bedoelde getroffene geen recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgeving van de tweede Partij, moet het bevoegde orgaan van de eerste Partij de uitkeringen toekennen volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, waarbij het rekening houdt met de verergering, zelfs indien de getroffene niet meer onderworpen is aan deze wetgeving of niet op het grondgebied van deze Partij woont.
Artikel 46
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor de berekening van de uitkeringen gemiddelde verdiensten als grondslag worden genomen, stelt het bevoegde orgaan van deze Partij deze gemiddelde verdiensten uitsluitend vast op basis van de verdiensten welke gedurende de krachtens bedoelde wetgeving vervulde tijdvakken zijn vastgesteld.
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden.
Artikel 47
Indien de wetgeving van de bevoegde Staat voorziet in het dragen van de kosten van vervoer van de getroffene naar zijn woning of naar het ziekenhuis, worden de kosten van vervoer van de getroffene naar een overeenkomstige plaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, waarop de getroffene woont, door het bevoegde orgaan gedragen volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, mits het orgaan toestemming tot dit vervoer heeft verleend waarbij het naar behoren rekening houdt met de daarvoor geldende redenen.
Indien de wetgeving van de bevoegde Staat voorziet in het dragen van de kosten van vervoer van het stoffelijk overschot van de getroffene naar de begraafplaats, worden de kosten van vervoer van het stoffelijk overschot naar de begraafplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij waarop de getroffene woonde, door het bevoegde orgaan gedragen, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
Artikel 48
Indien op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de getroffene zich bevindt, geen verzekering tegen arbeidsongevallen of beroepsziekten bestaat, of indien een dergelijke verzekering wel bestaat doch niet voorziet in een orgaan dat verantwoordelijk is voor het verlenen van verstrekkingen, worden de verstrekkingen verleend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats dat voor het verlenen van verstrekkingen ingeval van ziekte verantwoordelijk is, ingevolge de regeling die voor de in loondienst zijnde rijnvarenden geldt.
Indien de wetgeving van de bevoegde Staat een regeling kent betreffende de verplichtingen van de werkgever inzake het verlenen van schadeloosstelling bij arbeidsongevallen, worden de verstrekkingen welke in de in artikel 40, eerste lid en artikel 41, eerste lid bedoelde gevallen worden verleend, geacht op verzoek van het bevoegde orgaan te zijn verleend.
Indien de door het orgaan van de woon- of verblijfplaats toegepaste wetgeving meer dan één regeling voor het verlenen van schadeloosstellingen kent, worden in de in artikel 40, eerste lid en artikel 41, eerste lid, bedoelde gevallen de voor het verlenen van verstrekkingen van toepassing zijnde bepalingen van de regeling die voor de in loondienst zijnde rijnvarenden geldt, gevolgd.
Indien de wetgeving van de bevoegde Staat het kosteloos verlenen van verstrekkingen afhankelijk stelt van gebruikmaking van de door de werkgever opgerichte medische dienst, worden de verstrekkingen welke in de in artikel 40, eerste lid en artikel 41, eerste lid bedoelde gevallen worden verleend, geacht door een zodanige medische dienst te zijn verleend.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)