Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)

Type Verdrag
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1378
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

TITEL IV. VORDERINGEN VAN HULPPERSONEN

Artikel 22. Bemiddelingsprocedure

De partijen bij de overeenkomst kunnen bemiddelingsprocedures overeenkomen of een beroep doen op een in Titel V van het Verdrag voorgeschreven scheidsgerecht.

Artikel 23. Regres

De gegrondheid van de door de vervoerder op basis van de Uniforme Regelen CIV of Uniforme Regelen CIM gedane betaling kan niet worden betwist, wanneer de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en wanneer de beheerder, naar behoren gedagvaard, in staat is gesteld zich in de rechtszaak te voegen.

Artikel 24. Rechtsmacht

§ 1. De op deze Uniforme Regelen gegronde rechtsvorderingen kunnen worden ingesteld bij de rechterlijke instanties van de door de partijen bij de overeenkomst in onderlinge overeenstemming aangewezen Lidstaten.

§ 2. Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, is de rechterlijke instantie van de Lidstaat waar de beheerder zijn zetel heeft, bevoegd.

Artikel 25. Verjaring

§ 1. De op deze Uniforme Regelen gegronde rechtsvorderingen verjaren door verloop van drie jaar.

§ 2. De verjaring neemt een aanvang op de dag waarop de schade is ontstaan.

§ 3. In geval van dood van personen verjaren de rechtsvorderingen door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het overlijden, doch van ten hoogste vijf jaar te rekenen van de dag na de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt.

§ 4. Een regresvordering door een aansprakelijk gestelde persoon kan zelfs na verloop van de in § 1 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien zulks geschiedt binnen de termijn die hiervoor is bepaald in de wet van de Staat waar de procedure is aangevangen. Deze termijn kan echter niet korter zijn dan negentig dagen te rekenen van de dag waarop de persoon die de regresvordering instelt, de vordering buiten rechte heeft geregeld of zelf betekening van de dagvaarding heeft ontvangen.

§ 5. De verjaring wordt geschorst, wanneer de partijen bij het geschil een bemiddelingsprocedure overeenkomen of de zaak aanhangig maken bij een in Titel V van het Verdrag voorgeschreven scheidsgerecht.

§ 6. Overigens geldt voor de schorsing en de stuiting van de verjaring het nationale recht.

Artikel 1. Toepassingsgebied

Deze Uniforme Regelen leggen de procedure vast voor de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften voor het spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen en hun Bijlagen wordt verstaan onder:

  • b. „internationaal verkeer” het rijden van spoorwegvoertuigen over spoorweglijnen die gelegen zijn op het grondgebied van tenminste twee Verdragsstaten;
  • c. „spoorwegvervoeronderneming” elke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke onderneming aan wie de bevoegdheid is verleend personen of goederen te vervoeren en die voor de tractie zorgt;
  • d. „beheerder van de infrastructuur” elke onderneming of elke overheidsinstantie die een spoorweginfrastructuur beheert;
  • e. „spoorwegmaterieel” elk spoorwegmaterieel dat bestemd is voor gebruik in internationaal verkeer, met name de voertuigen en de spoorweginfrastructuur;
  • f. „spoorwegvoertuig” elk voertuig dat zich op eigen wielen kan voortbewegen langs spoorstaven met of zonder tractie;
  • g. „tractievoertuig” een spoorwegvoertuig dat voorzien is van tractiemiddelen;
  • h. „wagen” een spoorwegvoertuig dat niet voorzien is van tractiemiddelen en dat bestemd is voor het vervoer van goederen;
  • i. „rijtuig” een spoorwegvoertuig dat niet voorzien is van tractiemiddelen en dat bestemd is voor het vervoer van reizigers;
  • j. „spoorweginfrastructuur” alle spoorwegen en vaste installaties, voorzover deze nodig zijn voor het rijden van spoorwegvoertuigen en de veiligheid van het verkeer;
  • k. „technische norm” elke technische specificatie die is aangenomen door een erkend nationaal of internationaal normalisatie-instituut volgens de voor haar geldende procedures; elke technische specificatie die is uitgewerkt in het kader van de Europese Gemeenschappen wordt gelijkgesteld met een technische norm;
  • l. „technisch voorschrift” elke regel, die geen technische norm is, voor de bouw, het in bedrijf hebben, het onderhoud of voor een procedure met betrekking tot het spoorwegmaterieel;

Artikel 3. Doel

§ 1. De verbindendverklaring van technische normen betreffende het spoorwegmaterieel en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op het spoorwegmaterieel hebben tot doel:

  • a. het vergemakkelijken van het vrije verkeer van voertuigen en het vrije gebruik van ander spoorwegmaterieel in internationaal verkeer;
  • b. een bijdrage te leveren aan de veiligheid, de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid in internationaal verkeer;
  • c. rekening te houden met de bescherming van het milieu en de volksgezondheid.

§ 2. Bij de verbindendverklaring van technische normen of de aanneming van uniforme technische voorschriften wordt alleen rekening gehouden met hetgeen op internationaal niveau is uitgewerkt.

§ 3. Voorzover mogelijk:

  • a. moet de interoperabiliteit van de technische systemen en onderdelen, die nodig is in internationaal verkeer, worden zekergesteld;
  • b. zijn de technische normen en de uniforme technische voorschriften resultaatgericht; in voorkomend geval bevatten zij varianten.

Artikel 4. Ontwikkeling van technische normen en voorschriften

§ 1. De ontwikkeling van technische normen en uniforme technische voorschriften betreffende het spoorwegmaterieel is het werkterrein van de instellingen van wie de bevoegdheid terzake erkend is.

§ 2. De normalisatie van industriële producten en procedures is het werkterrein van de erkende nationale en internationale normalisatie-instituten.

Artikel 5. Verbindendverklaring van technische normen

§ 1. Een verzoek voor het verbindendverklaren van een technische norm kan ingediend worden door:

  • a. elke Verdragsstaat;
  • b. elke regionale organisatie voor economische integratie met eigen voor haar lidstaten bindende wetgevingsbevoegdheid op het terrein van technische normen betreffende spoorwegmaterieel;
  • c. elk nationaal of internationaal normalisatie-instituut belast met de normering op het terrein van de spoorwegen;
  • d. elke representatieve internationale vereniging, voor de leden waarvan het bestaan van technische normen betreffende spoorwegmaterieel om veiligheids- en bedrijfseconomische redenen onmisbaar is in de uitoefening van hun activiteit.

§ 2. De Commissie van technisch deskundigen beslist over de verbindendverklaring van een technische norm volgens de procedure voorgeschreven in de artikelen 16, 20 en 33, § 6 van het Verdrag. De beslissingen treden in werking volgens artikel 35, §§ 3 en 4 van het Verdrag.

Artikel 6. Aanneming van uniforme technische voorschriften

§ 1. Een verzoek voor het aannemen van een uniform technisch voorschrift kan ingediend worden door:

  • a. elke Verdragsstaat;
  • b. elke regionale organisatie voor economische integratie met eigen voor haar lidstaten bindende wetgevingsbevoegdheid op het terrein van technische voorschriften betreffende spoorwegmaterieel;
  • c. elke representatieve internationale vereniging, voor de leden waarvan het bestaan van uniforme technische voorschriften betreffende spoorwegmaterieel om veiligheids- en bedrijfseconomische redenen onmisbaar is in de uitoefening van hun activiteit.

§ 2. De Commissie van technisch deskundigen beslist over de aanneming van een uniform technisch voorschrift volgens de procedure voorgeschreven in de artikelen 16, 20 en 33, § 6 van het Verdrag. De beslissingen treden in werking volgens artikel 35, §§ 3 en 4 van het Verdrag.

Artikel 7. Vorm van de verzoeken

De in de artikelen 5 en 6 bedoelde verzoeken moeten volledig, begrijpelijk en met redenen omkleed zijn. Deze moeten aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie worden gericht in een van haar werktalen.

Artikel 8. Technische bijlagen

§ 1. De verbindendverklaarde technische normen en de aangenomen uniforme technische voorschriften zijn opgenomen in de navolgende Bijlagen van deze Uniforme Regelen:

§ 2. De Bijlagen vormen een integrerend deel van deze Uniforme Regelen. Hun structuur moet rekening houden met de bijzonderheden van de spoorbreedte, het omgrenzingsprofiel/profiel van de vrije ruimte, de stroomvoorzieningssystemen en de verkeersveiligheids- en regelingssystemen in de Verdragsstaten.

§ 3. De Bijlagen zullen de versie bevatten die, na de inwerkingtreding van het Protocol van 3 juni 1999 houdende wijziging van het Verdrag, aangenomen zal worden door de Commissie van technisch deskundigen volgens dezelfde procedure als voorgeschreven in de artikelen 16, 20 en 33, § 6 van het Verdrag voor het wijzigingen van de Bijlagen.

Artikel 9. Verklaringen

§ 1. Elke Verdragsstaat kan, binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking door de Secretaris-Generaal van het besluit van de Commissie van technisch deskundigen, ten overstaan van hem een met redenen omklede verklaring afleggen op grond waarvan hij de verbindendverklaarde technische norm of het uniform technisch voorschrift met betrekking tot de spoorweginfrastructuur op zijn grondgebied en het verkeer op deze infrastructuur niet of slechts gedeeltelijk zal toepassen.

§ 2. De Verdragsstaten die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig § 1 worden niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het aantal Staten die overeenkomstig artikel 35, § 4 van het Verdrag een bezwaar moeten aantekenen waardoor een beslissing van de Commissie van technisch deskundigen niet in werking treedt.

§ 3. De Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig § 1 kan deze op elk moment intrekken door de Secretaris-Generaal hiervan op de hoogte te brengen. Deze intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de mededeling.

Artikel 10. Opheffing van de Technische Eenheid

De inwerkingtreding in alle Staten, die partij zijn bij het internationale Verdrag van de Technische Eenheid der Spoorwegen, ondertekend te Bern op 21 oktober 1882 in de versie van 1938, van de Bijlagen, die overeenkomstig artikel 8, § 3 zijn aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen, heeft de opheffing van vorengenoemd Verdrag tot gevolg.

Artikel 11. Voorrang van de Bijlagen

§ 1. Na de inwerkingtreding van de Bijlagen, die overeenkomstig artikel 8, § 3 zijn aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen, hebben de technische normen en de uniforme technische voorschriften, die in deze Bijlagen zijn opgenomen, in de relaties tussen de Verdragsstaten voorrang op de bepalingen van het internationale Verdrag van de Technische Eenheid der Spoorwegen, ondertekend te Bern op 21 oktober 1882 in de versie van 1938.

§ 2. Na de inwerkingtreding van de Bijlagen, die overeenkomstig artikel 8, § 3 zijn aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen, hebben deze Uniforme Regelen alsook de technische normen en de uniforme technische voorschriften, die in deze Bijlagen zijn opgenomen, in de Verdragsstaten voorrang op de technische bepalingen:

  • a. van het Reglement voor het wederzijds gebruik van rijtuigen en bagagewagens in internationaal verkeer (RIC);
  • b. van het Reglement voor het wederzijds gebruik van wagens in internationaal verkeer (RIV).

Artikel 1. Toepassingsgebied

Deze Uniforme Regelen leggen de procedure vast volgens welke spoorwegvoertuigen en ander spoorwegmaterieel tot het rijden of tot het gebruik in internationaal verkeer toegelaten worden.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen en hun Bijlage wordt verstaan onder:

  • b. „internationaal verkeer” het rijden van spoorwegvoertuigen over spoorweglijnen die gelegen zijn op het grondgebied van tenminste twee Verdragsstaten;
  • c. „spoorwegvervoeronderneming” elke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke onderneming aan wie de bevoegdheid is verleend personen of goederen te vervoeren en die voor de tractie zorgt;
  • d. „beheerder van de infrastructuur” elke onderneming of elke overheidsinstantie die een spoorweginfrastructuur beheert;
  • e. „houder” degene die een spoorvoertuig duurzaam economisch exploiteert als vervoermiddel, ongeacht of hij er de eigenaar van is of het recht heeft erover te beschikken;
  • f. „technische toelating” de procedure die door de bevoegde overheid wordt gevolgd om een spoorwegvoertuig en ander spoorwegmaterieel tot het rijden of tot het gebruik in internationaal verkeer toe te laten;
  • g. „typetoelating” de procedure betreffende een prototype van een spoorwegvoertuig die door de bevoegde overheid wordt gevolgd en op grond waarvan deze het recht verleent om door een vereenvoudigde procedure het gebruik toe te staan voor voertuigen die met dit prototype overeenkomen;
  • h. „gebruikstoelating” het recht dat door de bevoegde overheid wordt verleend aan ieder afzonderlijk spoorwegvoertuig om in internationaal verkeer te rijden;
  • i. „spoorwegvoertuig” elk voertuig dat zich op eigen wielen kan voortbewegen langs spoorstaven met of zonder tractie;
  • j. „ander spoorwegmaterieel” elk spoorwegmaterieel dat bestemd is voor gebruik in internationaal verkeer en dat geen spoorwegvoertuig is;

Artikel 3. Toelating tot het internationaal verkeer

§ 1. Om in internationaal verkeer te rijden, moet ieder spoorwegvoertuig overeenkomstig deze Uniforme Regelen zijn toegelaten.

§ 2. De technische toelating heeft tot doel vast te stellen of de spoorwegvoertuigen beantwoorden aan:

  • a. de bouwvoorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU,
  • b. de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID,
  • c. de bijzondere toelatingsvoorwaarden met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3.

§ 3. De §§ 1 en 2 alsook de volgende artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op de technische toelating van ander spoorwegmaterieel en op de afzonderlijke bouwonderdelen van zowel spoorwegvoertuigen als van ander spoorwegmaterieel.

Artikel 4. Procedure

§ 1. De technische toelating geschiedt:

  • a. hetzij in een enkele fase door het verlenen van de gebruikstoelating aan een afzonderlijk bepaald spoorwegvoertuig,
  • b. hetzij in twee opeenvolgende fasen: door het verlenen van
    1. de typetoelating voor een bepaald prototype van spoorwegvoertuigen,
    1. en vervolgens van de gebruikstoelating voor afzonderlijke voertuigen die overeenkomen met dit prototype, door een vereenvoudigde procedure die bevestigt dat zij tot dit prototype behoren.

§ 2. Deze bepaling laat de toepassing van artikel 10 onverlet.

Artikel 5. Bevoegde overheid

§ 1. De technische toelating van spoorwegvoertuigen tot het rijden in internationaal verkeer behoort tot de taak van de nationale of internationale overheden die overeenkomstig de geldende wetten en voorschriften in iedere Verdragsstaat terzake bevoegd zijn.

§ 2. De in § 1 genoemde overheden kunnen de bevoegdheid voor het verlenen van de technische toelating overdragen aan als bekwaam erkende instellingen, op voorwaarde dat zij voor het toezicht zorgen. De overdracht van de bevoegdheid om de technische toelating te verlenen aan een spoorwegvervoeronderneming waarbij andere van deze bevoegdheid worden uitgesloten, is niet toegelaten. Bovendien is de overdracht aan een beheerder van de infrastructuur die direct of indirect betrokken is bij de bouw van spoorwegmaterieel uitgesloten.

Artikel 6. Erkenning van de technische toelating

De overeenkomstig deze Uniforme Regelen door de bevoegde overheid van een Verdragsstaat verleende typetoelating en de gebruikstoelating, alsook de overeenkomstige certificaten worden door de overheden, de spoorwegvervoerondernemingen en de beheerders van de infrastructuur in de andere Verdragsstaten erkend zonder dat er een nieuw onderzoek en een nieuwe technische toelating nodig is met het oog op het rijden en het gebruik op het grondgebied van deze andere Staten.

Artikel 7. Bouwvoorschriften die van toepassing zijn op de voertuigen

§ 1. Om toegelaten te worden tot het rijden in internationaal verkeer moeten de spoorwegvoertuigen beantwoorden aan:

  • a. de bouwvoorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU;
  • b. de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID.

§ 2. Bij het ontbreken van bepalingen in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU zijn de algemeen erkende technische regels van toepassing op de technische toelating. Zelfs indien een technische norm niet verbindend verklaard is overeenkomstig de in de Uniforme Regelen APTU voorziene procedure, vormt zij toch het bewijs dat de vakkennis die deze norm bevat, een algemeen erkende technische regel is.

§ 3. Teneinde technische ontwikkelingen mogelijk te maken, kan van de algemeen erkende technische regels en van de bouwvoorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU worden afgeweken, op voorwaarde dat bewezen is:

  • a. dat minstens een gelijke mate van veiligheid als die voortkomend uit de naleving van deze regels en deze voorschriften
  • b. alsook de interoperabiliteit

blijvend gewaarborgd zijn.

§ 4. Wanneer een Verdragsstaat de bedoeling heeft overeenkomstig § 2 of § 3 een spoorwegvoertuig toe te laten, brengt deze de Secretaris-Generaal van de Organisatie daarvan onverwijld op de hoogte. Die deelt deze informatie mee aan de andere Verdragsstaten. Binnen een termijn van een maand na ontvangst van de mededeling van de Secretaris-Generaal kan een Verdragsstaat verzoeken de Commissie van technisch deskundigen bijeen te roepen om te onderzoeken of de voorwaarden voor de toepassing van § 2 of § 3 vervuld zijn. De Commissie beslist hierover binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de ontvangst door de Secretaris-Generaal van het verzoek tot bijeenroeping.

Artikel 8. Bouwvoorschriften die van toepassing zijn op ander materieel

§ 1. Om toegelaten te worden tot het gebruik in internationaal verkeer moet het ander spoorwegmaterieel beantwoorden aan de bouwvoorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU.

§ 2. Artikel 7, §§ 2 tot en met 4 is van overeenkomstige toepassing.

§ 3. De verplichtingen van de Verdragsstaten die voor hen voortvloeien uit de Europese Overeenkomst over de grote internationale spoorweglijnen (AGC) van 31 mei 1985 en de Europese Overeenkomst over de hoofdlijnen van internationaal gecombineerd vervoer en de daarmee samenhangende installaties (AGTC) van 1 februari 1991, waarbij zij eveneens partij zijn, blijven van toepassing.

Artikel 9. Bedrijfsvoorschriften

§ 1. De spoorwegvervoerondernemingen die een spoorwegvoertuig in bedrijf hebben dat toegelaten is tot het rijden in internationaal verkeer zijn verplicht de voorschriften betreffende het in bedrijf hebben van een voertuig in internationaal verkeer, die in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU zijn opgenomen, in acht te nemen.

§ 2. De ondernemingen of de administraties die in de Verdragsstaten een infrastructuur met inbegrip van de verkeersveiligheids- en de regelingssystemen, bestemd en geschikt om gebruikt te worden in internationaal verkeer, beheren, zijn verplicht de technische voorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU in acht te nemen en deze voortdurend na te leven bij de bouw of het beheer van deze infrastructuur.

Artikel 10. Technische toelating

§ 1. De technische toelating (typetoelating, gebruikstoelating) heeft betrekking op het prototype van een spoorwegvoertuig of op het spoorwegvoertuig.

§ 2. De technische toelating kan worden aangevraagd door:

  • a. de fabrikant,
  • b. de spoorwegvervoeronderneming,
  • c. de houder van het voertuig,
  • d. de eigenaar van het voertuig.

De aanvraag kan worden ingediend bij elke bevoegde overheid van een van de Verdragsstaten, bedoeld in artikel 5.

§ 3. Degene die een gebruikstoelating aanvraagt voor spoorwegvoertuigen volgens de vereenvoudigde procedure van de technische toelating (artikel 4, § 1, onder b), moet bij zijn aanvraag het certificaat van de typetoelating van het prototype voegen dat is opgesteld overeenkomstig artikel 11, § 2 en op een geëigende manier bewijzen dat de voertuigen, waarvoor hij de gebruikstoelating aanvraagt, met dit prototype overeenkomen.

§ 4. De technische toelating moet worden verleend zonder aanzien van de persoon van de aanvrager.

§ 5. De technische toelating wordt verleend voor een in beginsel onbeperkte duur; zij kan algemeen of beperkt zijn.

§ 6. Een typetoelating kan worden ingetrokken wanneer de veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu niet meer gewaarborgd zijn door het rijden met spoorwegvoertuigen die zijn of zullen worden gebouwd volgens het betreffende prototype.

§ 7. De gebruikstoelating kan worden ingetrokken:

  • a. wanneer het spoorwegvoertuig niet meer beantwoordt aan de bouwvoorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU, aan de bijzondere voorwaarden van zijn toelating met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3 of aan de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID en wanneer de houder geen gevolg geeft aan de eis van de bevoegde overheid om de gebreken binnen de voorgeschreven termijn te verhelpen;
  • b. wanneer de verplichtingen of de voorwaarden die voortvloeien uit een beperkte toelating volgens § 5 niet worden vervuld of in acht genomen.

§ 8. Alleen de overheid die de typetoelating of de gebruikstoelating heeft verleend, kan deze intrekken.

§ 9. De gebruikstoelating is geschorst:

  • a. wanneer het technisch onderzoek, de controles, het onderhoud en de revisies van het spoorwegvoertuig, voorgeschreven in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU, in de bijzondere toelatingsvoorwaarden met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3 of in de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID, niet worden uitgevoerd;
  • b. wanneer in geval van ernstige schade aan een spoorwegvoertuig de aanmaning van de bevoegde overheid om het voertuig te tonen niet in acht wordt genomen;
  • c. in geval deze Uniforme Regelen en de voorschriften van de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU niet in acht worden genomen;
  • d. wanneer de bevoegde overheid aldus beslist.

§ 10. De gebruikstoelating vervalt in geval van buitendienststelling van het spoorwegvoertuig. De buitendienststelling moet worden meegedeeld aan de bevoegde overheid, die de gebruikstoelating heeft verleend.

§ 11. Bij het ontbreken van bepalingen in deze Uniforme Regelen wordt de procedure van de technische toelating geregeld door het nationale recht van de Verdragsstaat waarin een aanvraag tot technische toelating wordt ingediend.

Artikel 11. Certificaten

§ 1. De typetoelating en de gebruikstoelating worden vastgelegd in afzonderlijke documenten, genaamd: „Certificaat van de typetoelating” en „Certificaat van de gebruikstoelating”.

§ 2. In het certificaat van de typetoelating moet worden vermeld:

  • a. de fabrikant van het prototype van een spoorwegvoertuig;
  • b. alle technische kenmerken die nodig zijn voor de identificatie van het prototype van een spoorwegvoertuig;
  • c. in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden voor het rijden van het prototype van een spoorwegvoertuig en de spoorwegvoertuigen die met dit prototype overeenkomen.

§ 3. Het certificaat van de gebruikstoelating moet vermelden:

  • a. de houder van het spoorwegvoertuig,
  • b. alle technische kenmerken die nodig zijn voor de identificatie van het spoorwegvoertuig hetgeen ook kan door een verwijzing naar het certificaat van de typetoelating;
  • c. in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden voor het rijden van het spoorwegvoertuig;
  • d. in voorkomend geval, de geldigheidsduur;
  • e. de revisies van het spoorwegvoertuig voorgeschreven in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU, in de bijzondere voorwaarden van de toelating met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3 of in de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID, alsook de andere technische onderzoeken betreffende bouwonderdelen en bepaalde uitrustingsstukken van het voertuig.

§ 4. De certificaten moeten in tenminste twee talen worden afgedrukt waarvan minstens één een werktaal van de Organisatie moet zijn.

Artikel 12. Standaardmodellen

§ 1. De Organisatie schrijft uniforme modellen voor van het „Certificaat van de typetoelating” en van het „Certificaat van de gebruikstoelating”. Deze worden uitgewerkt en aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen.

§ 2. Artikel 35, §§ 1 en 3 tot en met 5 van het Verdrag is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13. Databank

§ 1. Een databank betreffende de spoorwegvoertuigen die toegelaten zijn tot het rijden in internationaal verkeer, wordt opgericht en bijgehouden onder de verantwoordelijkheid van de Organisatie.

§ 2. De bevoegde overheden of in voorkomend geval de instellingen die door hen gemachtigd zijn een spoorwegvoertuig tot het gebruik toe te laten, sturen onverwijld naar de Organisatie de noodzakelijke gegevens voor de doeleinden van deze Uniforme Regelen betreffende voertuigen die toegelaten zijn tot het rijden in internationaal verkeer. De Commissie van technisch deskundigen stelt vast welke gegevens nodig zijn. Uitsluitend deze gegevens worden in de databank geregistreerd. In elk geval dienen de buitendienststellingen, het officiële stilzetten, de intrekkingen van de gebruikstoelating en de wijzigingen van een voertuig waardoor het afwijkt van het toegelaten prototype, aan de Organisatie te worden meegedeeld.

§ 3. De in de databank geregistreerde gegevens leveren slechts een weerlegbaar bewijs van de technische toelating van een spoorwegvoertuig.

§ 4. De geregistreerde gegevens kunnen geraadpleegd worden door:

  • a. de Verdragsstaten;
  • b. de aan het internationaal verkeer deelnemende spoorwegvervoerondernemingen die hun zetel hebben in een Verdragsstaat;
  • c. de beheerders van de infrastructuur die hun zetel hebben in een Verdragsstaat waarvan de infrastructuur voor internationaal verkeer wordt gebruikt;
  • d. de fabrikanten van spoorwegvoertuigen voor wat hun voertuigen betreft;
  • e. de houders van spoorwegvoertuigen voor wat hun voertuigen betreft.

§ 5. De gegevens, waartoe de in § 4 bedoelde rechthebbenden toegang hebben alsook de toegangsvoorwaarden worden vastgelegd in een Bijlage bij deze Uniforme Regelen. Deze Bijlage vormt een integrerend deel van deze Uniforme Regelen. Deze krijgt de inhoud die de Herzieningscommissie beslist volgens de procedure die voorgeschreven is in de artikelen 16, 17 en 33, § 4 van het Verdrag.

Artikel 14. Opschriften en tekens

§ 1. De spoorwegvoertuigen die toegelaten zijn tot het rijden in internationaal verkeer, moeten voorzien zijn van:

  • a. een teken, dat duidelijk aangeeft dat zij toegelaten zijn tot het rijden in internationaal verkeer overeenkomstig deze Uniforme Regelen, en
  • b. de andere opschriften en tekens die voorgeschreven zijn in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU.

§ 2. De Commissie van technisch deskundigen stelt het in § 1, onder a bedoelde teken vast, alsook de overgangstermijnen gedurende welke de spoorwegvoertuigen die toegelaten zijn tot het rijden in internationaal verkeer, opschriften en tekens mogen dragen die afwijken van die opschriften en tekens die volgens § 1 zijn voorgeschreven.

§ 3. Artikel 35, §§ 1 en 3 tot en met 5 van het Verdrag is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15. Onderhoud

De spoorwegvoertuigen en het ander spoorwegmaterieel moeten in een zodanig goede staat gehouden worden dat de veiligheid van de bedrijfsvoering op geen enkele wijze in het gedrang komt en dat het milieu en de volksgezondheid geen schade ondervinden bij het rijden of hun gebruik in internationaal verkeer. Daartoe moeten de spoorwegvoertuigen worden onderworpen aan de revisies en de onderhoudswerkzaamheden die zijn voorgeschreven in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU, in de bijzondere toelatingsvoorwaarden met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3 of in bouw- en uitrustingsvoorwaarden in de Bijlage van het RID.

Artikel 16. Ongevallen en ernstige beschadigingen

§ 1. In geval van een ongeval of een ernstige beschadiging van spoorwegvoertuigen zijn de beheerders van de infrastructuur, in voorkomend geval gezamenlijk met de houders en de betrokken spoorwegvervoerondernemingen, verplicht om:

  • a. onverwijld alle nodige maatregelen te treffen om de veiligheid van het spoorwegverkeer te waarborgen en het milieu en de volksgezondheid te beschermen, en
  • b. de oorzaken van het ongeval of de ernstige beschadiging vast te stellen.

§ 2. Als ernstig beschadigd wordt beschouwd een voertuig dat niet meer op een eenvoudige wijze kan worden hersteld waardoor het in een trein kan worden opgenomen en op eigen wielen kan rijden zonder de bedrijfsuitvoering in gevaar te brengen.

§ 3. De ongevallen en de ernstige beschadigingen worden onverwijld meegedeeld aan de overheid die het voertuig toegelaten heeft tot het rijden. Deze overheid kan verzoeken het beschadigde, eventueel reeds herstelde voertuig te tonen om de geldigheid van de verleende gebruikstoelating te onderzoeken. In voorkomend geval, moet de procedure betreffende de verlening van de gebruikstoelating opnieuw worden toegepast.

§ 4. De bevoegde overheden van de Verdragsstaten brengen de Organisatie op de hoogte van de oorzaken van de ongevallen en van de ernstige beschadigingen in internationaal verkeer. De Commissie van technisch deskundigen kan op verzoek van een Verdragsstaat de oorzaken van ernstige ongevallen in internationaal verkeer onderzoeken met het oog op de eventueel verdere ontwikkeling van de bouw- en bedrijfsvoorschriften voor de voertuigen en ander spoorwegmaterieel in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU.

Artikel 17. Stilzetten en weigering van voertuigen

De in artikel 5 bedoelde overheid, een andere spoorwegonderneming of een beheerder van de infrastructuur kunnen spoorwegvoertuigen niet weigeren of stilzetten wanneer deze Uniforme Regelen, de voorschriften van de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU, de bijzondere voorwaarden van een toelating met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3 alsook de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID in acht zijn genomen.

Artikel 18. Niet inachtneming van voorschriften

§ 1. Behoudens § 2 en artikel 10, § 9, onder c, worden de rechtsgevolgen van het niet in acht nemen van deze Uniforme Regelen en van de voorschriften van de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU geregeld door het nationale recht van de Verdragsstaat waarvan de bevoegde overheid de gebruikstoelating heeft verleend, de conflictregels daaronder begrepen.

§ 2. De burgerrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen die voortvloeien uit het niet in acht nemen van deze Uniforme Regelen en van de voorschriften van de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU worden, wat de infrastructuur betreft, geregeld door het nationale recht van de Verdragsstaat waar de beheerder van de infrastructuur zijn zetel heeft, de conflictregels daaronder begrepen.

Artikel 19. Meningsverschillen

Twee of meer Verdragsstaten die een meningsverschil hebben over de technische toelating van voertuigen en ander spoorwegmaterieel dat bestemd is om te worden gebruikt in internationaal verkeer, kunnen dit voorleggen aan de Commissie van technisch deskundigen indien zij er niet in geslaagd zijn dit te regelen door rechtstreekse onderhandelingen. Dergelijke meningsverschillen kunnen ook aan een scheidsgerecht worden onderworpen overeenkomstig de in Titel V van het Verdrag bedoelde procedure.

EN FOI DE QUOI, les plénipotentiaires soussignés dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs ont signé le présent Protocole.

FAIT à Vilnius, le 3 juin 1999, en un seul exemplaire original dans chacune des langues française, allemande et anglaise; ces exemplaires restent déposés dans les archives de l'OTIF. Des copies certifiées conformes en seront remises à chacun des Etats membres.

Artikel 1bis. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Reglement en de Bijlage daarbij wordt onder „ RID-Verdragsstaat” elke Lidstaat van de Organisatie verstaan die geen verklaring ten aanzien van dit Reglement heeft afgelegd, in overeenstemming met artikel 42, §1, eerste volzin, van het Verdrag.

Artikel 2. Vrijstellingen

Dit Reglement is geheel of gedeeltelijk niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen, waarvan in de Bijlage de vrijstelling is voorzien. Vrijstellingen zijn slechts toegelaten, wanneer de hoeveelheid, de aard van het vrijgestelde vervoer of de verpakking de veiligheid van het vervoer waarborgen.

Artikel 3. Beperkingen

Iedere RID-Verdragsstaat behoudt het recht om het internationale vervoer van gevaarlijke goederen op zijn grondgebied op andere gronden dan die van de veiligheid gedurende het vervoer te regelen of te verbieden.

Artikel 4. Andere voorschriften

Het vervoer, waarop dit Reglement van toepassing is, blijft onderworpen aan de algemene nationale of internationale voorschriften, die in hun algemeenheid van toepassing zijn op het spoorwegvervoer van goederen.

Artikel 5. Toegelaten treinsoorten. Vervoer als handbagage, aangegeven bagage of in voertuigen

§ 1. De gevaarlijke goederen mogen alleen in goederentreinen vervoerd worden, met uitzondering van:

  • a. de gevaarlijke goederen, die tot het vervoer zijn toegelaten overeenkomstig de Bijlage met inachtneming van de toepasselijke maximale hoeveelheden en de bijzondere voorwaarden voor het vervoer in andere treinen dan goederentreinen;
  • b. de gevaarlijke goederen, die onder de bijzondere voorwaarden van de Bijlage als handbagage, aangegeven bagage of in of op voertuigen in de zin van artikel 12 van de Uniforme Regelen CIV vervoerd worden.

§ 2. Gevaarlijke goederen mogen uitsluitend als handbagage worden meegenomen of worden verzonden of vervoerd als aangegeven bagage of aan boord van voertuigen indien zij voldoen aan de bijzondere voorwaarden van de Bijlage.

Artikel 6. Bijlage

De Bijlage vormt een integrerend deel van dit Reglement.

Artikel 1. Toepassingsgebied

Deze Uniforme Regelen zijn van toepassing op bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake het gebruik van spoorvoertuigen als vervoermiddel voor het verrichten van vervoer volgens de Uniforme Regelen CIV en de Uniforme Regelen CIM.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen wordt verstaan onder:

  • a. „spoorwegvervoeronderneming”: elke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke onderneming aan wie de bevoegdheid is verleend personen of goederen te vervoeren en die voor de tractie zorgt;
  • b. „voertuig”: elk voertuig dat zich op eigen wielen kan voortbewegen langs spoorstaven en dat niet is voorzien van tractiemiddelen;
  • c. „houder”: de persoon of entiteit die eigenaar van een voertuig is of het recht heeft erover te beschikken en dit voertuig als vervoermiddel exploiteert;
  • d. „depotstation”: de plaats die op het voertuig is vermeld en waarnaar dit voertuig, overeenkomstig de voorwaarden in de gebruiksovereenkomst, kan of moet worden teruggezonden.

Artikel 3. Tekens en opschriften op de voertuigen

§ 1. Onverminderd de voorschriften inzake de technische toelating van voertuigen tot het internationale verkeer, moet degene die krachtens een in artikel 1 bedoelde overeenkomst een voertuig ter beschikking stelt, ervoor zorgdragen dat de volgende gegevens op het voertuig worden vermeld:

  • a. de aanduiding van de houder;
  • b. in voorkomend geval de aanduiding van de spoorwegvervoeronderneming in wier voertuigenpark het voertuig is opgenomen;
  • c. in voorkomend geval de aanduiding van het depotstation;
  • d. andere in de gebruiksovereenkomst overeengekomen tekens en opschriften.

§ 2. De in § 1 bedoelde tekens en opschriften kunnen worden aangevuld met elektronische identificatiemiddelen.

Artikel 4. Aansprakelijkheid in geval van verlies of beschadiging van een voertuig

§ 1. Tenzij de spoorwegvervoeronderneming aan wie het voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking is gesteld, bewijst dat de schade niet het gevolg is van haar schuld, is zij aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het verlies of de beschadiging van het voertuig of zijn losse bestanddelen.

§ 2. De spoorwegvervoeronderneming is niet aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het verlies van losse bestanddelen waarvan geen melding wordt gemaakt op beide zijden van het voertuig of die niet opgenomen zijn in de inventaris die het voertuig begeleidt.

§ 3. In geval van verlies van het voertuig of van zijn losse bestanddelen is de schadevergoeding, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, beperkt tot de gebruikelijke waarde van het voertuig of zijn losse bestanddelen op de plaats en het tijdstip van het verlies. Indien het niet mogelijk is de dag of de plaats van het verlies vast te stellen, is de schadevergoeding beperkt tot de gebruikelijke waarde op de dag waarop en de plaats waar het voertuig voor gebruik ter beschikking is gesteld.

§ 4. In geval van beschadiging van het voertuig of van zijn losse bestanddelen is de schadevergoeding, met uitsluiting van elke andere schadevergoeding, beperkt tot de herstelkosten. De schadevergoeding bedraagt niet meer dan het in geval van verlies te betalen bedrag.

§ 5. De partijen bij de overeenkomst kunnen bedingen overeenkomen die afwijken van de §§ 1 tot en met 4.

Artikel 5. Verlies van het recht om beperkingen van aansprakelijkheid in te roepen

De in artikel 4, §§ 3 en 4 bedoelde beperkingen van aansprakelijkheid zijn niet van toepassing, indien is bewezen dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

Artikel 6. Vermoeden van verlies van een voertuig

§ 1. De rechthebbende kan, zonder nader bewijs, een voertuig als verloren beschouwen, wanneer hij de spoorwegvervoeronderneming waaraan hij het voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking heeft gesteld, heeft verzocht dit voertuig op te sporen en indien dit voertuig niet binnen drie maanden na ontvangst van zijn verzoek te zijner beschikking is gesteld, of wanneer hij geen enkele aanwijzing heeft gekregen omtrent de plaats waar het voertuig zich bevindt. Deze termijn wordt verlengd met de duur van de stilstand van het voertuig ontstaan door een niet aan de spoorwegvervoeronderneming te wijten oorzaak welke dan ook of door schade.

§ 2. Indien het als verloren beschouwde voertuig na betaling van de schadevergoeding wordt teruggevonden, kan de rechthebbende, binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving hiervan, van de spoorwegvervoeronderneming waaraan hij het voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking heeft gesteld, verlangen dat het voertuig hem kosteloos en tegen terugbetaling van de schadevergoeding wordt teruggeven op het depotstation of op een andere overeengekomen plaats.

§ 3. Indien het in § 2 bedoelde verzoek niet wordt gedaan of indien het voertuig meer dan een jaar na de betaling van de schadevergoeding wordt teruggevonden, beschikt de spoorwegvervoeronderneming waaraan de rechthebbende het voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking heeft gesteld, hierover overeenkomstig de wetten en voorschriften die gelden op de plaats waar het voertuig zich bevindt.

§ 4. De partijen bij de overeenkomst kunnen bedingen overeenkomen die afwijken van de §§ 1 tot en met 3.

Artikel 7. Aansprakelijkheid voor door een voertuig veroorzaakte schade

§ 1. Degene die krachtens een in artikel 1 bedoelde overeenkomst een voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking heeft gesteld, is aansprakelijk voor de door dat voertuig veroorzaakte schade, wanneer deze schade aan zijn schuld te wijten is.

§ 2. De partijen bij de overeenkomst kunnen bedingen overeenkomen die afwijken van § 1.

Artikel 8. Subrogatie

Wanneer in de overeenkomst inzake het gebruik van voertuigen wordt bepaald dat de spoorwegvervoeronderneming het voertuig aan andere spoorwegvervoerondernemingen ter beschikking kan stellen voor gebruik als vervoermiddel, kan de spoorwegvervoeronderneming, met instemming van de houder, met de andere spoorwegvervoerondernemingen overeenkomen:

  • a. dat zij, onverminderd haar recht van regres, in geval van verlies of beschadiging van het voertuig of zijn losse bestanddelen, in hun plaats treedt met betrekking tot hun aansprakelijkheid jegens de houder;
  • b. dat alleen de houder jegens de andere spoorwegvervoerondernemingen aansprakelijk is voor door het voertuig veroorzaakte schade, maar dat alleen de spoorwegvervoeronderneming die de contractuele wederpartij van de houder is, bevoegd is de rechten van de andere spoorwegvervoerondernemingen te doen gelden.

Artikel 9. Aansprakelijkheid voor ondergeschikten en andere personen

§ 1. De partijen bij de overeenkomst zijn aansprakelijk voor hun ondergeschikten en voor andere personen, van wier diensten zij gebruik maken bij de uitvoering van de overeenkomst, wanneer deze ondergeschikten of andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden.

§ 2. Tenzij tussen de partijen bij de overeenkomst anders is overeengekomen, worden de beheerders van de infrastructuur waarop de spoorwegvervoeronderneming het voertuig als vervoermiddel gebruikt, beschouwd als personen van wier diensten de spoorwegvervoeronderneming gebruik maakt.

§ 3. De §§ 1 en 2 zijn eveneens van toepassing in geval van subrogatie overeenkomstig artikel 8.

Artikel 10. Andere vorderingen

§ 1. In alle gevallen waar deze Uniforme Regelen van toepassing zijn, kan tegen de spoorwegvervoeronderneming waaraan het voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking is gesteld slechts een vordering wegens aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van het voertuig of zijn losse bestanddelen, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen en die van de gebruiksovereenkomst.

§ 2. Paragraaf 1 is eveneens van toepassing in geval van subrogatie overeenkomstig artikel 8.

§ 3. Hetzelfde geldt voor een vordering ingesteld tegen de ondergeschikten en de andere personen voor wie de spoorwegvervoeronderneming, waaraan het voertuig voor gebruik als vervoermiddel ter beschikking is gesteld, aansprakelijk is.

Artikel 11. Rechtsmacht

§ 1. De rechtsvorderingen voortvloeiend uit een op grond van deze Uniforme Regelen gesloten overeenkomst, kunnen worden ingesteld bij de in onderlinge overeenstemming door de partijen bij de overeenkomst aangewezen rechterlijke instantie.

§ 2. Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, is de rechterlijke instantie van de Lidstaat waar de verweerder zijn zetel heeft, bevoegd. Indien de verweerder geen zetel heeft in een Lidstaat, is de rechterlijke instantie van de Lidstaat waar de schade is ontstaan, bevoegd.

Artikel 12. Verjaring

§ 1. De rechtsvorderingen gegrond op de artikelen 4 en 7 verjaren door verloop van drie jaar.

§ 2. De verjaring neemt een aanvang:

  • a. bij rechtsvorderingen gegrond op artikel 4, op de dag waarop het verlies of de beschadiging van het voertuig is vastgesteld of op de dag waarop de rechthebbende het voertuig overeenkomstig artikel 6, § 1 of § 4 als verloren kon beschouwen;
  • b. bij rechtsvorderingen gegrond op artikel 7, op de dag waarop de schade is ontstaan.

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Toepassingsgebied

§ 1. Deze Uniforme Regelen zijn van toepassing op elke overeenkomst inzake het gebruik van een spoorweginfrastructuur ten behoeve van internationaal vervoer in de zin van de Uniforme Regelen CIV en Uniforme Regelen CIM. Dit geldt ongeacht de zetel en de nationaliteit van de partijen bij de overeenkomst. Deze Uniforme Regelen zijn eveneens van toepassing, wanneer de spoorweginfrastructuur wordt beheerd of gebruikt door Staten of overheidsinstellingen of -organisaties.

§ 2. Behoudens artikel 21 zijn deze Uniforme Regelen niet van toepassing op andere rechtsverhoudingen, zoals met name:

  • a. de aansprakelijkheid van de vervoerder of de beheerder jegens hun ondergeschikten of jegens andere personen, van wier diensten zij gebruik maken bij de uitvoering van hun taken;
  • b. de aansprakelijkheid tussen de vervoerder of de beheerder enerzijds en derden anderzijds.

Artikel 2. Verklaring betreffende de aansprakelijkheid in geval van personenschade

§ 1. Iedere Staat kan op elk tijdstip verklaren dat hij alle bepalingen betreffende de aansprakelijkheid in geval van personenschade niet zal toepassen op slachtoffers van een ongeval op zijn grondgebied, die zijn onderdanen zijn of hun gewone verblijfplaats hebben in deze Staat.

§ 2. De Staat die een verklaring overeenkomstig § 1 heeft afgelegd, kan deze op elk tijdstip herroepen door hiervan mededeling te doen aan de depositaris. Deze herroeping wordt van kracht een maand na de dag waarop de depositaris de Lidstaten hiervan kennis heeft gegeven.

Artikel 3. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen wordt verstaan onder:

  • a. „spoorweginfrastructuur”, alle spoorwegen en vaste installaties, voorzover deze nodig zijn voor het rijden van spoorvoertuigen en de veiligheid van het verkeer;
  • b. ”beheerder”, degene die een spoorweginfrastructuur beschikbaar stelt en verantwoordelijkheden draagt overeenkomstig de wetten en voorschriften die van kracht zijn in de Staat waarin de infrastructuur zich bevindt;
  • c. „vervoerder”, degene die per spoor personen of goederen vervoert in het internationale verkeer volgens de Uniforme Regelen CIV of de Uniforme Regelen CIM en die een vergunning heeft overeenkomstig de wetten en voorschriften ter zake van de afgifte en erkenning van vergunningen die van kracht zijn in de Staat waar deze persoon deze activiteiten verricht;
  • d. „hulppersoon”, ondergeschikten of andere personen, van wier diensten de vervoerder of de beheerder gebruik maakt bij de uitvoering van de overeenkomst, wanneer deze ondergeschikten of andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden;
  • e. „derde”, elke andere persoon dan de beheerder, de vervoerder en hun hulppersonen;
  • f. „vergunning”, de goedkeuring die door een Staat is verleend aan een spoorwegonderneming overeenkomstig de wetten en voorschriften die van kracht zijn in de Staat die haar hoedanigheid als vervoerder erkent;
  • g. „veiligheidscertificaat”, het document waaruit, overeenkomstig de wetten en voorschriften die van kracht zijn in de Staat waarin de infrastructuur zich bevindt, ten aanzien van de vervoerder blijkt dat, voldoen aan de gestelde veiligheidseisen teneinde op deze infrastructuur een dienst zonder gevaar te waarborgen.
  • –. de interne organisatie van de onderneming alsook
  • –. het in te zetten personeel en de te gebruiken voertuigen op de infrastructuur,

Artikel 4. Dwingend recht

Voorzover deze Uniforme Regelen het niet uitdrukkelijk toelaten, is elk beding dat middellijk of onmiddellijk afwijkt van deze Uniforme Regelen nietig en zonder rechtsgevolgen. De nietigheid van dergelijke bedingen heeft niet de nietigheid van de overige bepalingen van de overeenkomst tot gevolg. Niettemin kunnen de partijen bij de overeenkomst een zwaardere aansprakelijkheid en zwaardere verplichtingen op zich nemen dan die welke in deze Uniforme Regelen zijn bepaald of een maximumbedrag voor de vergoeding van zaakschade vaststellen.

TITEL II. GEBRUIKSOVEREENKOMST

Artikel 5. Inhoud en vorm

§ 1. De betrekkingen tussen de beheerder en de vervoerder of elke andere persoon die, overeenkomstig de wetten en voorschriften die van kracht zijn in de Staat waarin de infrastructuur zich bevindt, gemachtigd is een dergelijke overeenkomst aan te gaan, worden geregeld in een gebruiksovereenkomst.

§ 2. De overeenkomst regelt de nodige details voor het vaststellen van de administratieve, technische en financiële voorwaarden voor het gebruik.

§ 3. De overeenkomst moet schriftelijk of in een gelijkwaardige vorm worden vastgelegd. Het ontbreken of de onregelmatigheid van een schriftelijke of in een andere vorm gedane vastlegging of het ontbreken van een van de in § 2 bedoelde gegevens tast noch het bestaan, noch de geldigheid van de overeenkomst aan, die onderworpen blijft aan deze Uniforme Regelen.

Artikel 6. Bijzondere verplichtingen van de vervoerder en de beheerder

§ 1. De vervoerder moet bevoegd zijn de activiteit van spoorwegvervoerder uit te oefenen. Het in te zetten personeel en de te gebruiken voertuigen moeten voldoen aan de veiligheidseisen. De beheerder kan verlangen dat de vervoerder, door middel van overlegging van een geldige vergunning en een geldig veiligheidscertificaat of van gewaarmerkte afschriften dan wel op andere wijze, bewijst dat aan deze voorwaarden is voldaan.

§ 2. De vervoerder moet de beheerder in kennis stellen van elke gebeurtenis die de geldigheid van zijn vergunning, van zijn veiligheidscertificaten of van andere bewijsstukken kan aantasten.

§ 3. De beheerder kan verlangen dat de vervoerder bewijst dat hij een toereikende aansprakelijkheidsverzekering heeft gesloten of gelijkwaardige maatregelen heeft getroffen ter dekking van alle vorderingen, ongeacht de rechtsgrond, zoals bedoeld in de artikelen 9 tot en met 21. De vervoerder moet jaarlijks door middel van een naar behoren opgestelde verklaring bewijzen dat de aansprakelijkheidsverzekering of de gelijkwaardige maatregelen nog steeds bestaan; hij moet de beheerder kennisgeven van elke wijziging hiervan, voordat deze van kracht wordt.

§ 4. De partijen bij de overeenkomst moeten elkaar in kennis stellen van elke gebeurtenis die de uitvoering van de door hen gesloten overeenkomst zou kunnen verhinderen.

Artikel 7. Duur van de overeenkomst

§ 1. De gebruiksovereenkomst kan worden gesloten voor bepaalde of onbepaalde tijd.

§ 2. De beheerder kan de gebruiksovereenkomst onmiddellijk opzeggen wanneer:

  • a. de vervoerder niet langer bevoegd is de activiteit van spoorwegvervoerder uit te oefenen;
  • b. het in te zetten personeel of de te gebruiken voertuigen niet langer aan de veiligheidseisen voldoen;
  • c. de vervoerder een betalingsachterstand heeft, te weten
    1. van twee opeenvolgende betalingstermijnen en voor een bedrag van meer dan de waarde voor een maand gebruik, of
    1. over een periode van meer dan twee opeenvolgende betalingstermijnen en voor een bedrag gelijk aan de waarde voor twee maanden gebruik;
  • d. de vervoerder een van de in artikel 6, §§ 2 en 3 bedoelde bijzondere verplichtingen duidelijk heeft geschonden.

§ 3. De vervoerder kan de gebruiksovereenkomst onmiddellijk opzeggen, wanneer de beheerder zijn recht de infrastructuur te beheren verliest.

§ 4. Iedere partij bij de gebruiksovereenkomst kan deze overeenkomst onmiddellijk opzeggen in geval van duidelijke schending van een van de wezenlijke verplichtingen door de andere partij bij de overeenkomst, wanneer deze verplichting betrekking heeft op de veiligheid van personen en goederen; de partijen bij de overeenkomst kunnen overeenkomen op welke wijze dit recht wordt uitgeoefend.

§ 5. De partij bij de overeenkomst die de opzegging veroorzaakt, is jegens de andere partij aansprakelijk voor de schade die hiervan het gevolg is, tenzij zij bewijst dat de schade niet door haar schuld is veroorzaakt.

§ 6. De partijen bij de overeenkomst kunnen bedingen overeenkomen die afwijken van de bepalingen van § 2, onder c en d en van § 5.

TITEL III. AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 8. Aansprakelijkheid van de beheerder

§ 1. De beheerder is aansprakelijk voor:

  • a. personenschade (dood, verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel),
  • b. zaakschade (vernieling of beschadiging van roerende en onroerende zaken),
  • c. vermogensschade voortvloeiend uit de door de vervoerder krachtens de Uniforme Regelen CIV en Uniforme Regelen CIM verschuldigde schadevergoeding,

toegebracht aan de vervoerder of aan zijn hulppersonen gedurende het gebruik van de infrastructuur en waarvan de oorzaak in de infrastructuur ligt.

§ 2. De beheerder is van deze aansprakelijkheid ontheven:

  • a. in geval van personenschade en vermogensschade voortvloeiend uit de door de vervoerder krachtens de Uniforme Regelen CIV verschuldigde schadevergoeding
    1. indien de schadeveroorzakende gebeurtenis is veroorzaakt door omstandigheden buiten de bedrijfsuitoefening, die de beheerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen,
    1. voorzover de schadeveroorzakende gebeurtenis te wijten is aan schuld van de persoon die de schade heeft geleden,
    1. indien de schadeveroorzakende gebeurtenis te wijten is aan het gedrag van een derde, dat de beheerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen;
  • b. in geval van zaakschade en vermogensschade voortvloeiend uit de door de vervoerder krachtens de Uniforme Regelen CIM verschuldigde schadevergoeding, wanneer de schade is veroorzaakt door schuld van de vervoerder of door een opdracht van de vervoerder die niet aan de beheerder kan worden toegerekend of door omstandigheden die de beheerder niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen.

§ 3. Indien de schadeveroorzakende gebeurtenis te wijten is aan het gedrag van een derde en indien desondanks de beheerder niet geheel van zijn aansprakelijkheid is ontheven overeenkomstig § 2, onder a, is hij voor het geheel aansprakelijk binnen de grenzen van deze Uniforme Regelen onverminderd zijn eventueel regres op de derde.

§ 4. De partijen bij de overeenkomst kunnen overeenkomen of, en in hoeverre, de beheerder aansprakelijk is voor aan de vervoerder toegebrachte schade als gevolg van een vertraging of een verstoring van de bedrijfsuitoefening.

Artikel 9. Aansprakelijkheid van de vervoerder

§ 1. De vervoerder is aansprakelijk voor:

  • a. personenschade (dood, verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel),
  • b. zaakschade (vernieling of beschadiging van roerende en onroerende zaken),

toegebracht aan de beheerder of aan zijn hulppersonen gedurende het gebruik van de infrastructuur door de gebruikte transportmiddelen of door de vervoerde personen of goederen.

§ 2. De vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven:

  • a. in geval van personenschade
    1. indien de schadeveroorzakende gebeurtenis is veroorzaakt door omstandigheden buiten de bedrijfsuitoefening, die de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen,
    1. voorzover de schadeveroorzakende gebeurtenis te wijten is aan schuld van de persoon die de schade heeft geleden,
    1. indien de schadeveroorzakende gebeurtenis te wijten is aan het gedrag van een derde, dat de vervoerder, ondanks de zorgvuldigheid vereist in de omstandigheden van het geval, niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen,
  • b. in geval van zaakschade, wanneer de schade is veroorzaakt door schuld van de beheerder of door een opdracht van de beheerder die niet aan de vervoerder kan worden toegerekend of door omstandigheden die de vervoerder niet kon vermijden en waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen.

§ 3. Indien de schadeveroorzakende gebeurtenis te wijten is aan het gedrag van een derde en indien desondanks de vervoerder niet geheel van zijn aansprakelijkheid is ontheven overeenkomstig § 2, onder a, is hij voor het geheel aansprakelijk binnen de grenzen van deze Uniforme Regelen, onverminderd zijn eventueel regres op de derde.

§ 4. De partijen bij de overeenkomst kunnen overeenkomen of, en in hoeverre, de vervoerder aansprakelijk is voor aan de beheerder toegebrachte schade als gevolg van een verstoring van de bedrijfsuitoefening.

Artikel 10. Medeschuld

§ 1. Wanneer oorzaken die aan de beheerder en oorzaken die aan de vervoerder toe te rekenen zijn, hebben bijgedragen aan de schade, is iedere partij bij de overeenkomst slechts aansprakelijk voorzover de oorzaken die krachtens de artikelen 8 en 9 aan haar toe te rekenen zijn, aan de schade hebben bijgedragen. Indien niet kan worden vastgesteld in welke mate de verschillende oorzaken aan de schade hebben bijgedragen, draagt iedere partij de door haar geleden schade.

§ 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing, wanneer aan de beheerder toe te rekenen oorzaken en aan meer vervoerders die dezelfde spoorweginfrastructuur hebben gebruikt, toe te rekenen oorzaken aan de schade hebben bijgedragen.

§ 3. In geval van schade zoals bedoeld in artikel 9, is § 1, eerste volzin van overeenkomstige toepassing, wanneer oorzaken die hebben bijgedragen aan de schade, toe te rekenen zijn aan meerdere vervoerders die dezelfde spoorweginfrastructuur hebben gebruikt. Indien niet kan worden vastgesteld in welke mate de verschillende oorzaken aan de schade hebben bijgedragen, zijn de vervoerders jegens de beheerder voor gelijke delen aansprakelijk.

Artikel 11. Schadevergoeding in geval van dood

§ 1. In geval van dood omvat de schadevergoeding:

  • a. de ten gevolge van het overlijden noodzakelijke kosten, met name die van het vervoer van het stoffelijk overschot en de lijkbezorging;
  • b. indien de dood niet onmiddellijk is ingetreden, de in artikel 12 bedoelde schadevergoeding.

§ 2. Indien door de dood personen, jegens wie de overledene een wettelijke onderhoudsplicht had of in de toekomst gehad zou hebben, hun onderhoud verliezen, moeten ook dezen voor dit verlies schadeloos gesteld worden. De vordering tot schadevergoeding van personen, van wie de overledene zonder wettelijke verplichting het onderhoud verzorgde, blijft onderworpen aan het nationale recht.

Artikel 12. Schadevergoeding in geval van letsel

In geval van verwonding of elk ander lichamelijk of geestelijk letsel omvat de schadevergoeding:

  • a. de noodzakelijke kosten, met name die van behandeling en vervoer;
  • b. het vermogensnadeel dat de benadeelde persoon lijdt door een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of door een toename van zijn behoeften.

Artikel 13. Vergoeding van andere personenschade

Het nationale recht bepaalt of, en in welke mate, de beheerder of de vervoerder andere dan de in de artikelen 11 en 12 bedoelde personenschade moet vergoeden.

Artikel 14. Wijze en hoogte van de schadevergoeding in geval van dood of letsel

§ 1. De in de artikel 11, § 2 en artikel 12, onder b bedoelde schadevergoeding moet als gekapitaliseerde som worden uitgekeerd. Indien evenwel het nationale recht de toekenning van een periodieke uitkering toelaat, wordt de vergoeding op deze wijze uitgekeerd, wanneer de benadeelde persoon of de in artikel 11, § 2 bedoelde rechthebbenden zulks verlangen.

§ 2. De hoogte van de krachtens § 1 toe te kennen schadevergoeding wordt bepaald volgens het nationale recht. Bij de toepassing van deze Uniforme Regelen geldt evenwel per persoon een maximumbedrag van 175000 rekeneenheden in een gekapitaliseerde som of in een met deze som overeenstemmende jaarlijkse uitkering, voorzover in het nationale recht een lager maximumbedrag is bepaald.

Artikel 15. Verlies van het recht om beperkingen van aansprakelijkheid in te roepen

De in deze Uniforme Regelen bedoelde beperkingen van aansprakelijkheid alsook de bepalingen van het nationale recht die de vergoedingen tot een bepaald bedrag beperken, zijn niet van toepassing, indien is bewezen dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de veroorzaker van de schade geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.

Artikel 16. Omrekening en rente

§ 1. Wanneer voor de berekening van de schadevergoeding omrekening van bedragen uitgedrukt in buitenlandse munteenheden vereist is, vindt omrekening plaats volgens de koers geldend op de dag en de plaats van betaling van de schadevergoeding.

§ 2. De rechthebbende kan een rente ten bedrage van vijf procent per jaar over de schadevergoeding verlangen, vanaf de dag van aanvang van een bemiddelingsprocedure, van het beroep op het in Titel V van het Verdrag bedoelde scheidsgerecht of van het instellen van de rechtsvordering.

Artikel 17. Aansprakelijkheid in geval van een kernongeval

De beheerder en de vervoerder zijn ontheven van de krachtens deze Uniforme Regelen op hen rustende aansprakelijkheid, wanneer de schade is veroorzaakt door een kernongeval en wanneer de exploitant van een kerninstallatie of een voor hem in de plaats tredende persoon voor die schade aansprakelijk is krachtens de wetten en voorschriften van een Staat die de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie regelen.

Artikel 18. Aansprakelijkheid voor hulppersonen

De beheerder en de vervoerder zijn aansprakelijk voor hun hulppersonen.

Artikel 19. Andere vorderingen

§ 1. In alle gevallen waar deze Uniforme Regelen van toepassing zijn, kan tegen de beheerder of tegen de vervoerder slechts een vordering wegens aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen.

§ 2. Hetzelfde geldt voor een vordering ingesteld tegen de hulppersonen voor wie de beheerder of de vervoerder krachtens artikel 18 aansprakelijk is.

Artikel 20. Beding voor geschillenregeling

De partijen bij de overeenkomst kunnen bedingen overeenkomen waarin zij hun recht op schadevergoeding ten aanzien van de andere partij bij de overeenkomst kunnen doen gelden of hiervan kunnen afzien.

TITEL IV. VORDERINGEN VAN HULPPERSONEN

Artikel 21. Vorderingen tegen de beheerder of tegen de vervoerder

§ 1. Elke vordering van hulppersonen van de vervoerder wegens aansprakelijkheid tegen de beheerder met betrekking tot door deze laatste veroorzaakte schade, kan, ongeacht de rechtsgrond, slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen.

§ 2. Elke vordering van hulppersonen van de beheerder wegens aansprakelijkheid tegen de vervoerder met betrekking tot door deze laatste veroorzaakte schade, kan, ongeacht de rechtsgrond, slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van deze Uniforme Regelen.

TITEL V. UITOEFENING VAN RECHTEN

Artikel 22. Bemiddelingsprocedure

De partijen bij de overeenkomst kunnen bemiddelingsprocedures overeenkomen of een beroep doen op een in Titel V van het Verdrag voorgeschreven scheidsgerecht.

Artikel 23. Regres

De gegrondheid van de door de vervoerder op basis van de Uniforme Regelen CIV of Uniforme Regelen CIM gedane betaling kan niet worden betwist, wanneer de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en wanneer de beheerder, naar behoren gedagvaard, in staat is gesteld zich in de rechtszaak te voegen.

Artikel 24. Rechtsmacht

§ 1. De op deze Uniforme Regelen gegronde rechtsvorderingen kunnen worden ingesteld bij de rechterlijke instanties van de door de partijen bij de overeenkomst in onderlinge overeenstemming aangewezen Lidstaten.

§ 2. Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, is de rechterlijke instantie van de Lidstaat waar de beheerder zijn zetel heeft, bevoegd.

Artikel 25. Verjaring

§ 1. De op deze Uniforme Regelen gegronde rechtsvorderingen verjaren door verloop van drie jaar.

§ 2. De verjaring neemt een aanvang op de dag waarop de schade is ontstaan.

§ 3. In geval van dood van personen verjaren de rechtsvorderingen door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het overlijden, doch van ten hoogste vijf jaar te rekenen van de dag na de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt.

§ 4. Een regresvordering door een aansprakelijk gestelde persoon kan zelfs na verloop van de in § 1 bedoelde verjaringstermijn worden ingesteld, indien zulks geschiedt binnen de termijn die hiervoor is bepaald in de wet van de Staat waar de procedure is aangevangen. Deze termijn kan echter niet korter zijn dan negentig dagen te rekenen van de dag waarop de persoon die de regresvordering instelt, de vordering buiten rechte heeft geregeld of zelf betekening van de dagvaarding heeft ontvangen.

§ 5. De verjaring wordt geschorst, wanneer de partijen bij het geschil een bemiddelingsprocedure overeenkomen of de zaak aanhangig maken bij een in Titel V van het Verdrag voorgeschreven scheidsgerecht.

§ 6. Overigens geldt voor de schorsing en de stuiting van de verjaring het nationale recht.

Artikel 1. Toepassingsgebied

Deze Uniforme Regelen leggen de procedure vast voor de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften voor het spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen en hun Bijlagen wordt verstaan onder:

  • b. „internationaal verkeer” het rijden van spoorwegvoertuigen over spoorweglijnen die gelegen zijn op het grondgebied van tenminste twee Verdragsstaten;
  • c. „spoorwegvervoeronderneming” elke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke onderneming aan wie de bevoegdheid is verleend personen of goederen te vervoeren en die voor de tractie zorgt;
  • d. „beheerder van de infrastructuur” elke onderneming of elke overheidsinstantie die een spoorweginfrastructuur beheert;
  • e. „spoorwegmaterieel” elk spoorwegmaterieel dat bestemd is voor gebruik in internationaal verkeer, met name de voertuigen en de spoorweginfrastructuur;
  • f. „spoorwegvoertuig” elk voertuig dat zich op eigen wielen kan voortbewegen langs spoorstaven met of zonder tractie;
  • g. „tractievoertuig” een spoorwegvoertuig dat voorzien is van tractiemiddelen;
  • h. „wagen” een spoorwegvoertuig dat niet voorzien is van tractiemiddelen en dat bestemd is voor het vervoer van goederen;
  • i. „rijtuig” een spoorwegvoertuig dat niet voorzien is van tractiemiddelen en dat bestemd is voor het vervoer van reizigers;
  • j. „spoorweginfrastructuur” alle spoorwegen en vaste installaties, voorzover deze nodig zijn voor het rijden van spoorwegvoertuigen en de veiligheid van het verkeer;
  • k. „technische norm” elke technische specificatie die is aangenomen door een erkend nationaal of internationaal normalisatie-instituut volgens de voor haar geldende procedures; elke technische specificatie die is uitgewerkt in het kader van de Europese Gemeenschappen wordt gelijkgesteld met een technische norm;
  • l. „technisch voorschrift” elke regel, die geen technische norm is, voor de bouw, het in bedrijf hebben, het onderhoud of voor een procedure met betrekking tot het spoorwegmaterieel;

Artikel 3. Doel

§ 1. De verbindendverklaring van technische normen betreffende het spoorwegmaterieel en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op het spoorwegmaterieel hebben tot doel:

  • a. het vergemakkelijken van het vrije verkeer van voertuigen en het vrije gebruik van ander spoorwegmaterieel in internationaal verkeer;
  • b. een bijdrage te leveren aan de veiligheid, de betrouwbaarheid en de beschikbaarheid in internationaal verkeer;
  • c. rekening te houden met de bescherming van het milieu en de volksgezondheid.

§ 2. Bij de verbindendverklaring van technische normen of de aanneming van uniforme technische voorschriften wordt alleen rekening gehouden met hetgeen op internationaal niveau is uitgewerkt.

§ 3. Voorzover mogelijk:

  • a. moet de interoperabiliteit van de technische systemen en onderdelen, die nodig is in internationaal verkeer, worden zekergesteld;
  • b. zijn de technische normen en de uniforme technische voorschriften resultaatgericht; in voorkomend geval bevatten zij varianten.

Artikel 4. Ontwikkeling van technische normen en voorschriften

§ 1. De ontwikkeling van technische normen en uniforme technische voorschriften betreffende het spoorwegmaterieel is het werkterrein van de instellingen van wie de bevoegdheid terzake erkend is.

§ 2. De normalisatie van industriële producten en procedures is het werkterrein van de erkende nationale en internationale normalisatie-instituten.

Artikel 5. Verbindendverklaring van technische normen

§ 1. Een verzoek voor het verbindendverklaren van een technische norm kan ingediend worden door:

  • a. elke Verdragsstaat;
  • b. elke regionale organisatie voor economische integratie met eigen voor haar lidstaten bindende wetgevingsbevoegdheid op het terrein van technische normen betreffende spoorwegmaterieel;
  • c. elk nationaal of internationaal normalisatie-instituut belast met de normering op het terrein van de spoorwegen;
  • d. elke representatieve internationale vereniging, voor de leden waarvan het bestaan van technische normen betreffende spoorwegmaterieel om veiligheids- en bedrijfseconomische redenen onmisbaar is in de uitoefening van hun activiteit.

§ 2. De Commissie van technisch deskundigen beslist over de verbindendverklaring van een technische norm volgens de procedure voorgeschreven in de artikelen 16, 20 en 33, § 6 van het Verdrag. De beslissingen treden in werking volgens artikel 35, §§ 3 en 4 van het Verdrag.

Artikel 6. Aanneming van uniforme technische voorschriften

§ 1. Een verzoek voor het aannemen van een uniform technisch voorschrift kan ingediend worden door:

  • a. elke Verdragsstaat;
  • b. elke regionale organisatie voor economische integratie met eigen voor haar lidstaten bindende wetgevingsbevoegdheid op het terrein van technische voorschriften betreffende spoorwegmaterieel;
  • c. elke representatieve internationale vereniging, voor de leden waarvan het bestaan van uniforme technische voorschriften betreffende spoorwegmaterieel om veiligheids- en bedrijfseconomische redenen onmisbaar is in de uitoefening van hun activiteit.

§ 2. De Commissie van technisch deskundigen beslist over de aanneming van een uniform technisch voorschrift volgens de procedure voorgeschreven in de artikelen 16, 20 en 33, § 6 van het Verdrag. De beslissingen treden in werking volgens artikel 35, §§ 3 en 4 van het Verdrag.

Artikel 7. Vorm van de verzoeken

De in de artikelen 5 en 6 bedoelde verzoeken moeten volledig, begrijpelijk en met redenen omkleed zijn. Deze moeten aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie worden gericht in een van haar werktalen.

Artikel 8. Technische bijlagen

§ 1. De verbindendverklaarde technische normen en de aangenomen uniforme technische voorschriften zijn opgenomen in de navolgende Bijlagen van deze Uniforme Regelen:

§ 2. De Bijlagen vormen een integrerend deel van deze Uniforme Regelen. Hun structuur moet rekening houden met de bijzonderheden van de spoorbreedte, het omgrenzingsprofiel/profiel van de vrije ruimte, de stroomvoorzieningssystemen en de verkeersveiligheids- en regelingssystemen in de Verdragsstaten.

§ 3. De Bijlagen zullen de versie bevatten die, na de inwerkingtreding van het Protocol van 3 juni 1999 houdende wijziging van het Verdrag, aangenomen zal worden door de Commissie van technisch deskundigen volgens dezelfde procedure als voorgeschreven in de artikelen 16, 20 en 33, § 6 van het Verdrag voor het wijzigingen van de Bijlagen.

Artikel 9. Verklaringen

§ 1. Elke Verdragsstaat kan, binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking door de Secretaris-Generaal van het besluit van de Commissie van technisch deskundigen, ten overstaan van hem een met redenen omklede verklaring afleggen op grond waarvan hij de verbindendverklaarde technische norm of het uniform technisch voorschrift met betrekking tot de spoorweginfrastructuur op zijn grondgebied en het verkeer op deze infrastructuur niet of slechts gedeeltelijk zal toepassen.

§ 2. De Verdragsstaten die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig § 1 worden niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het aantal Staten die overeenkomstig artikel 35, § 4 van het Verdrag een bezwaar moeten aantekenen waardoor een beslissing van de Commissie van technisch deskundigen niet in werking treedt.

§ 3. De Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig § 1 kan deze op elk moment intrekken door de Secretaris-Generaal hiervan op de hoogte te brengen. Deze intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de mededeling.

Artikel 10. Opheffing van de Technische Eenheid

De inwerkingtreding in alle Staten, die partij zijn bij het internationale Verdrag van de Technische Eenheid der Spoorwegen, ondertekend te Bern op 21 oktober 1882 in de versie van 1938, van de Bijlagen, die overeenkomstig artikel 8, § 3 zijn aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen, heeft de opheffing van vorengenoemd Verdrag tot gevolg.

Artikel 11. Voorrang van de Bijlagen

§ 1. Na de inwerkingtreding van de Bijlagen, die overeenkomstig artikel 8, § 3 zijn aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen, hebben de technische normen en de uniforme technische voorschriften, die in deze Bijlagen zijn opgenomen, in de relaties tussen de Verdragsstaten voorrang op de bepalingen van het internationale Verdrag van de Technische Eenheid der Spoorwegen, ondertekend te Bern op 21 oktober 1882 in de versie van 1938.

§ 2. Na de inwerkingtreding van de Bijlagen, die overeenkomstig artikel 8, § 3 zijn aangenomen door de Commissie van technisch deskundigen, hebben deze Uniforme Regelen alsook de technische normen en de uniforme technische voorschriften, die in deze Bijlagen zijn opgenomen, in de Verdragsstaten voorrang op de technische bepalingen:

  • a. van het Reglement voor het wederzijds gebruik van rijtuigen en bagagewagens in internationaal verkeer (RIC);
  • b. van het Reglement voor het wederzijds gebruik van wagens in internationaal verkeer (RIV).

Artikel 1. Toepassingsgebied

Deze Uniforme Regelen leggen de procedure vast volgens welke spoorwegvoertuigen en ander spoorwegmaterieel tot het rijden of tot het gebruik in internationaal verkeer toegelaten worden.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Uniforme Regelen en hun Bijlage wordt verstaan onder:

  • b. „internationaal verkeer” het rijden van spoorwegvoertuigen over spoorweglijnen die gelegen zijn op het grondgebied van tenminste twee Verdragsstaten;
  • c. „spoorwegvervoeronderneming” elke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke onderneming aan wie de bevoegdheid is verleend personen of goederen te vervoeren en die voor de tractie zorgt;
  • d. „beheerder van de infrastructuur” elke onderneming of elke overheidsinstantie die een spoorweginfrastructuur beheert;
  • e. „houder” degene die een spoorvoertuig duurzaam economisch exploiteert als vervoermiddel, ongeacht of hij er de eigenaar van is of het recht heeft erover te beschikken;
  • f. „technische toelating” de procedure die door de bevoegde overheid wordt gevolgd om een spoorwegvoertuig en ander spoorwegmaterieel tot het rijden of tot het gebruik in internationaal verkeer toe te laten;
  • g. „typetoelating” de procedure betreffende een prototype van een spoorwegvoertuig die door de bevoegde overheid wordt gevolgd en op grond waarvan deze het recht verleent om door een vereenvoudigde procedure het gebruik toe te staan voor voertuigen die met dit prototype overeenkomen;
  • h. „gebruikstoelating” het recht dat door de bevoegde overheid wordt verleend aan ieder afzonderlijk spoorwegvoertuig om in internationaal verkeer te rijden;
  • i. „spoorwegvoertuig” elk voertuig dat zich op eigen wielen kan voortbewegen langs spoorstaven met of zonder tractie;
  • j. „ander spoorwegmaterieel” elk spoorwegmaterieel dat bestemd is voor gebruik in internationaal verkeer en dat geen spoorwegvoertuig is;

Artikel 3. Toelating tot het internationaal verkeer

§ 1. Om in internationaal verkeer te rijden, moet ieder spoorwegvoertuig overeenkomstig deze Uniforme Regelen zijn toegelaten.

§ 2. De technische toelating heeft tot doel vast te stellen of de spoorwegvoertuigen beantwoorden aan:

  • a. de bouwvoorschriften in de Bijlagen van de Uniforme Regelen APTU,
  • b. de bouw- en uitrustingsvoorschriften in de Bijlage van het RID,
  • c. de bijzondere toelatingsvoorwaarden met toepassing van artikel 7, § 2 of § 3.

§ 3. De §§ 1 en 2 alsook de volgende artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op de technische toelating van ander spoorwegmaterieel en op de afzonderlijke bouwonderdelen van zowel spoorwegvoertuigen als van ander spoorwegmaterieel.

Artikel 4. Procedure

§ 1. De technische toelating geschiedt:

  • a. hetzij in een enkele fase door het verlenen van de gebruikstoelating aan een afzonderlijk bepaald spoorwegvoertuig,
  • b. hetzij in twee opeenvolgende fasen: door het verlenen van
    1. de typetoelating voor een bepaald prototype van spoorwegvoertuigen,
    1. en vervolgens van de gebruikstoelating voor afzonderlijke voertuigen die overeenkomen met dit prototype, door een vereenvoudigde procedure die bevestigt dat zij tot dit prototype behoren.

§ 2. Deze bepaling laat de toepassing van artikel 10 onverlet.

Artikel 5. Bevoegde overheid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)