Europese Code inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2008-03-17
State In force
Source BWB
artikelen 84
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Regeringen die deze Code hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden, ten einde met name aldus hun sociale vooruitgang te bevorderen;

Overwegende dat een van de doelstellingen van het sociale programma van de Raad van Europa is, alle Leden ertoe aan te sporen hun regelingen inzake sociale zekerheid verder tot ontwikkeling te brengen;

De wenselijkheid erkennende de sociale lasten in de Lid-Staten te harmoniseren;

Ervan overtuigd zijnde dat het gewenst is een Europese Code inzake sociale zekerheid in te stellen, waarvan de normen op een hoger niveau liggen dan de minimumnormen neergelegd in het Internationale Arbeidsverdrag nr. 102 betreffende de minimumnormen van sociale zekerheid;

Zijn de volgende bepalingen, die zijn opgesteld met medewerking van het Internationale Arbeidsbureau, overeengekomen:

DEEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

Voor de toepassing van deze Code wordt verstaan onder:

  • (a). „het Comité van Ministers”: het Comité van Ministers van de Raad van Europa;
  • (b). „de Commissie”: de Commissie van deskundigen op het gebied der sociale zekerheid van de Raad van Europa of elke andere commissie die het Comité van Ministers kan belasten met de uitvoering van de taken omschreven in artikel 2, lid 3, artikel 74, lid 4 en artikel 78, lid 3;
  • (c). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa;
  • (d). „voorgeschreven”: voorgeschreven bij of krachtens de nationale wetgeving;
  • (e). „verblijf”: het gewone verblijf op het grondgebied van de Contracterende Partij; „inwoner”: degene die gewoonlijk op het grondgebied van de Contracterende Partij verblijf houdt;
  • (f). „echtgenote”: een echtgenote die ten laste van haar man is;
  • (g). „weduwe”: een vrouw die ten laste van haar echtgenoot was op het tijdstip van diens overlijden;
  • (h). „kind”:
  • (i). hetzij een kind beneden de leeftijd van 16 jaren;
  • (ii). hetzij een kind beneden de leeftijd, waarop de leerplicht een einde neemt, of jonger dan 15 jaren, naar gelang zal worden voorgeschreven. Wanneer het echter een kind betreft dat verder onderwijs geniet, onder het leerlingenstelsel valt of invalide is, wordt daaronder een kind verstaan beneden de leeftijd van 18 jaren;
  • (i). „wachttijd”: hetzij een tijdvak van premiebetaling, hetzij een tijdvak van arbeid, hetzij een tijdvak van verblijf, hetzij een combinatie van deze tijdvakken naar gelang zal worden voorgeschreven.
2.

Voor de toepassing van de artikelen 10, 34 en 49 wordt onder „verstrekkingen” verstaan hetzij rechtstreeks verleende verstrekkingen, hetzij indirect verleende verstrekkingen, bestaande in een vergoeding van de door de belanghebbende gedragen kosten.

Artikel 2

1.

Elke Contracterende Partij moet toepassen:

  • (a). deel I;
  • (b). ten minste acht van de delen II tot en met X ten aanzien waarvan de betrokken Lid-Staat krachtens artikel 3 de verplichtingen van de Code heeft aanvaard, met dien verstande dat deel II voor twee en deel V voor drie delen telt;
  • (c). de desbetreffende bepalingen van de delen XI en XII; en
  • (d). deel XIII.
2.

Aan de voorwaarde genoemd in het voorgaande lid sub (b ) wordt geacht te zijn voldaan, indien:

  • (a). er van de delen II tot en met X ten aanzien waarvan de betrokken Lid-Staat krachtens artikel 3 de verplichtingen van de Code hééft aanvaard ten minste zes, waaronder ten minste een van de delen IV, V, VI, IX of X, worden toegepast; en
  • (b). bovendien wordt aangetoond dat de van kracht zijnde wetgeving op het gebied der Sociale Zekerheid gelijkwaardig is aan een van de onder (b ) bedoelde combinaties, daarbij rekening houdende:
  • (i). met het feit dat bepaalde takken, bedoeld onder (a ) van dit Lid, uitgaan boven de normen van de Code wat het toepassingsgebied, of het niveau der uitkeringen, of beide betreft;
  • (ii). met het feit dat bepaalde takken, bedoeld onder (a ) van dit lid, uitgaan boven de normen van de Code doordat zij in addendum 2 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, opgenomen extra voordelen verlenen; en
  • (iii). met takken die beneden de normen van de Code blijven.
3.

Elke ondertekenende Staat die gebruik wil maken van het bepaalde in lid 2 onder (b) van dit artikel doet daartoe een verzoek in het overeenkomstig het bepaalde in artikel 78 aan de Secretaris-Generaal uit te brengen verslag. De Commissie, die daarbij uitgaat van het beginsel van de gelijkheid der kosten, stelt regels vast voor het coördineren en vaststellen van de voorwaarden waarop rekening moet worden gehouden met de in lid 2 onder (b) van dit artikel genoemde bepalingen. Met deze bepalingen kan in alle voorkomende gevallen slechts met goedkeuring van de Commissie rekening worden gehouden; de Commissie beslist met een meerderheid van twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 3

Elke Contracterende Partij geeft in haar akte van bekrachtiging aan, ten aanzien van welke van de delen II t/m X zij de uit deze Code voortvloeiende verplichtingen aanvaardt en vermeldt daarin tevens of en zo ja, in hoeverre, zij een beroep doet op de bepalingen van artikel 2, tweede lid.

Artikel 4

1.

Elke Contracterende Partij kan later de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij de verplichtingen aanvaardt, voortvloeiende uit de Code wat betreft een of meer van de delen II t/m X waarvan zij in haar akte van bekrachtiging nog geen opgave heeft gedaan.

2.

De aanvaarding der verplichtingen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt geacht een integrerend deel te vormen van de bekrachtiging en heeft gelijke kracht te rekenen van de datum van de kennisgeving.

Artikel 5

Wanneer op grond van een der delen II t/m X van deze Code, waarop de bekrachtiging van toepassing zal zijn, een Contracterende Partij gehouden is tot het beschermen van voorgeschreven groepen van personen die in totaal ten minste een bepaald percentage uitmaken van de loontrekkenden of van de inwoners, moet die Contracterende Partij, alvorens zich te binden tot het toepassen van dat deel zich ervan vergewissen, dat het bedoelde percentage is bereikt.

Artikel 6

Voor de toepassing van de delen II, III, IV, V, VIII (wat betreft geneeskundige zorg), IX of X van deze Code, kan een Contracterende Partij rekening houden met de bescherming, voortvloeiende uit verzekeringen welke krachtens de nationale wetgeving niet verplicht zijn voor de betrokken personen, mits deze verzekeringen:

  • (a). door de overheid worden gesubsidieerd of, wanneer deze verzekeringen slechts een aanvullend karakter hebben, onder toezicht van de overheid staan dan wel volgens voorgeschreven normen, door werkgevers en werknemers in gemeenschappelijk beheer worden uitgevoerd;
  • (b). zich uitstrekken tot een aanzienlijk deel der personen wier inkomsten uit arbeid die van een geschoolde mannelijke handarbeider, als vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 65, niet te boven gaan; en
  • (c). te zamen met eventuele andere vormen van bescherming, voldoen aan de desbetreffende bepalingen van deze Code.

DEEL II. Geneeskundige zorg

Artikel 7

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel aan de beschermde personen de voorziening van verstrekkingen waarborgen, wanneer hun toestand geneeskundige zorg van preventieve of curatieve aard vereist.

Artikel 8

Onder de verzekerde gevallen moeten begrepen zijn alle ziektegevallen, ongeacht de oorzaak, alsmede zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan.

Artikel 9

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende loontrekkenden, of
  • (b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende personen; of
  • (c). voorgeschreven groepen van inwoners, welke in totaal ten minste 65 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners.

Artikel 10

1.

De verstrekkingen moeten tenminste omvatten:

  • (a). in geval van ziektetoestand
  • (i). de hulp van huisartsen, met inbegrip van huisbezoeken en de hulp van specialisten overeenkomstig voorgeschreven voorwaarden:
  • (ii). ziekenhuisverpleging, met inbegrip van verzorging in een ziekenhuis, de hulp van huisartsen, onderscheidenlijk specialisten, verpleging en alle vereiste bijkomende hulp;
  • (iii). de verstrekking van alle nodige geneesmiddelen op recept, en van alle als noodzakelijk beschouwde spécialités; en
  • (iv). onderhoud van het gebit voor de beschermde kinderen; en
  • (b). in geval van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan,
  • (i). prenatale zorg, hulp bij de bevalling, postnatale zorg, hetzij van een geneeskundige, hetzij van een gediplomeerde vroedvrouw;
  • (ii). opneming in een ziekenhuis, wanneer deze noodzakelijk is en
  • (iii). de verstrekking van geneesmiddelen.
2.

De gerechtigde of zijn kostwinner kunnen ertoe gehouden worden een bijdrage te leveren in de kosten van de geneeskundige zorg, ontvangen:

  • (a). in geval van ziektetoestand; de regels betreffende deze bijdrage in de kosten moeten echter zodanig worden vastgesteld dat zij geen te zware belasting met zich brengen en de bijdrage in de kosten door de gerechtigde of zijn kostwinner mag niet meer bedragen dan:
  • (i). 25 procent voor de hulp van huisartsen en specialisten verleend buiten de zalen van het ziekenhuis;
  • (ii). 25 procent voor verpleging in een ziekenhuis;
  • (iii). gemiddeld 25 procent voor de verstrekking van geneesmiddelen;
  • (iv). 33 1/3 procent voor het onderhoud van het gebit;
  • (b). in geval van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan uitsluitend voor de verstrekking van geneesmiddelen, waarbij de bijdrage in de kosten door de gerechtigde of haar kostwinner gemiddeld niet meer mag bedragen dan 25 procent; de regels betreffende deze bijdrage in de kosten moeten zodanig worden vastgesteld dat zij geen te zware last met zich brengen;
  • (c). wanneer deze bijdrage in de kosten wordt vastgesteld op een vast bedrag voor elke behandeling of voor elk geval waarin geneesmiddelen worden voorgeschreven, mag het totaal van de door alle beschermde personen verrichte betalingen met betrekking tot elk der onder (a ) en (b ) genoemde verstrekkingen het voorgeschreven percentage van de totale kosten van die verstrekkingen binnen een bepaald tijdvak niet te boven gaan.
3.

De verstrekkingen, verleend overeenkomstig dit artikel, moeten strekken tot instandhouding, herstel of verbetering van de gezondheid van de beschermde persoon, alsmede van diens geschiktheid om te werken en om te voorzien in zijn persoonlijke behoeften.

4.

De regeringsdepartementen of de instellingen welke de verstrekkingen verlenen, moeten de beschermde personen met alle daartoe geëigende middelen aanmoedigen om gebruik te maken van de algemene gezondheidsdiensten welke door de overheid of door andere organen, door de overheid erkend, te hunner beschikking zijn gesteld.

Artikel 11

De in artikel 10 vermelde verstrekkingen moeten in een door verzekering gedekt geval ten minste worden gewaarborgd aan een beschermde persoon die zelf of wiens kostwinner een wachttijd heeft vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruik te voorkomen.

Artikel 12

De in artikel 10 vermelde verstrekkingen moeten gedurende de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend, behoudens dat verpleging in een ziekenhuis kan worden beperkt tot 52 weken per geval of tot 78 weken binnen een tijdvak van drie opeenvolgende jaren.

DEEL III. Uitkering van ziekengeld

Artikel 13

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel aan de beschermde personen de uitkering van ziekengeld waarborgen.

Artikel 14

Het door verzekering gedekte geval moet omvatten ongeschiktheid tot werken, welke voortspruit uit een ziektetoestand en welke derving van inkomsten uit arbeid met zich brengt, zoals nader geregeld bij de nationale wetgeving.

Artikel 15

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden;
  • (b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
  • (c). alle inwoners wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, niet overschrijden.

Artikel 16

1.

Wanneer groepen van loontrekkenden of groepen van de werkende bevolking worden beschermd, zal de uitkering bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66.

2.

Wanneer alle inwoners, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, beschermd zijn, zal de uitkering bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 67. Een voorgeschreven uitkering moet echter gewaarborgd worden aan de overeenkomstig hetzij in alinea (a ), hetzij in alinea (b ) van artikel 15 voorgeschreven groepen zonder onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene.

Artikel 17

De in artikel 16 vermelde uitkering moet in het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd aan de beschermde personen die een wachttijd hebben vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruiken te voorkomen.

Artikel 18

De in artikel 16 vermelde uitkering moet gedurende de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend, met de mogelijkheid dat zij niet behoeft te worden verleend over de eerste drie dagen van inkomstenderving en behoudens dat de duur van de uitkering kan worden beperkt tot 52 weken voor elk ziektegeval of tot 78 weken binnen een tijdvak van drie opeenvolgende jaren.

DEEL IV. Uitkering bij werkloosheid

Artikel 19

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel aan de beschermde personen uitkeringen bij werkloosheid waarborgen.

Artikel 20

Het door verzekering gedekte geval moet omvatten het derven van inkomsten uit arbeid - zoals nader geregeld bij de nationale wetgeving - veroorzaakt door de onmogelijkheid voor een beschermde persoon die in staat is arbeid te verrichten en voor de arbeid beschikbaar is, om passend werk te verkrijgen.

Artikel 21

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 55 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • (b). alle inwoners wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, niet overschrijden.

Artikel 22

1.

Wanneer groepen van loontrekkenden worden beschermd, zal de uitkering bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen, hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66.

2.

Wanneer alle inwoners wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, beschermd zijn, zal de uitkering bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 67. Een voorgeschreven uitkering moet echter gewaarborgd worden aan de voorgeschreven groepen bepaald overeenkomstig artikel 21 (a ) zonder onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene.

Artikel 23

De in artikel 22 vermelde uitkering moet tijdens het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd aan de beschermde personen die een wachttijd hebben vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruiken te voorkomen.

Artikel 24

1.

Wanneer groepen van loontrekkenden beschermd worden kan de duur van de in artikel 22 vermelde uitkering worden beperkt tot 21 weken binnen een tijdvak van 12 maanden, of tot 21 weken per geval van inkomstenderving.

2.

Wanneer alle inwoners beschermd worden wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, moet de in artikel 22 vermelde uitkering tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval verleend worden. De duur van de voorgeschreven uitkering, die gewaarborgd moet worden zonder onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene, kan evenwel worden beperkt overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel.

3.

Wanneer krachtens de nationale wetgeving de duur van de uitkering verband houdt, hetzij met de duur van de premiebetaling, hetzij met reeds eerder in de loop van een voorgeschreven tijdvak ontvangen uitkeringen, wordt aan de bepalingen van lid 1 geacht te zijn voldaan, indien de gemiddelde duur van de uitkering ten minste 21 weken in een tijdvak van 12 maanden bedraagt.

4.

De uitkering behoeft niet te worden verstrekt:

  • (a). gedurende de eerste drie dagen van elk geval van inkomstenderving, met dien verstande dat dagen van werkloosheid welke vallen vóór en na een tijdelijke tewerkstelling en welke een bepaalde voorgeschreven duur niet overschrijden, geacht worden deel uit te maken van hetzelfde geval van inkomstenderving; of
  • (b). gedurende de eerste zes dagen binnen een tijdvak van 12 maanden.
5.

Ten aanzien van seizoenarbeiders kunnen de duur van de uitkeringen en de wachttijd worden aangepast aan de arbeidsvoorwaarden.

6.

Er dienen maatregelen te worden genomen voor de handhaving van een behoorlijke en stabiele werkgelegenheid in het land en mogelijkheden te worden geschapen om werklozen te helpen bij het verkrijgen van nieuwe passende arbeid, met name door arbeidsbemiddeling, vakopleiding, hulp bij verhuizing naar een andere streek indien dit nodig is om passende arbeid te vinden, alsmede door middel van andere soortgelijke diensten.

DEEL V. Ouderdomsuitkeringen

Artikel 25

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel de betaling van ouderdomsuitkeringen aan de beschermde personen waarborgen.

Artikel 26

1.

Het door verzekering gedekte geval bestaat in het overschreden hebben van een voorgeschreven leeftijd.

2.

De voorgeschreven leeftijd mag niet hoger worden gesteld dan 65 jaar. Nochtans mag een hogere leeftijd worden voorgeschreven, mits het aantal inwoners dat die hogere leeftijd heeft bereikt niet minder bedraagt dan 10 procent van het totale aantal inwoners dat die hogere leeftijd nog niet heeft bereikt, doch ouder is dan 15 jaar. Wanneer slechts voorgeschreven groepen van loontrekkenden beschermd worden, mag de voorgeschreven leeftijd niet hoger zijn dan 65 jaar.

3.

De nationale wetgeving kan bepalen dat de uitkeringen worden geschorst indien degene die daarop recht zou hebben gehad bepaalde voorgeschreven werkzaamheden verricht; de uitkeringen, waarvoor premie is betaald, kunnen krachtens de nationale wetgeving worden verminderd, wanneer de inkomsten uit arbeid van de gerechtigde een voorgeschreven bedrag overschrijden.

Artikel 27

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • (b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal tenminste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
  • (c). alle inwoners wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, niet overschrijden.

Artikel 28

De uitkering zal bestaan in een periodieke betaling, als volgt:

  • (a). wanneer groepen van loontrekkenden of groepen van de werkende bevolking beschermd worden, overeenkomstig de bepalingen, hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66;
  • (b). wanneer alle inwoners beschermd worden, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 67. Een voorgeschreven uitkering moet echter worden gewaarborgd, zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen, aan de voorgeschreven groepen personen vastgesteld overeenkomstig de alinea's (a ) en (b ) van artikel 27, behoudens een wachttijd, waarvan de voorwaarden niet strenger mogen zijn dan die genoemd in lid 1 van artikel 29.

Artikel 29

1.

De in artikel 28 vermelde uitkering moet tijdens het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd:

  • (a). aan een beschermd persoon die vóór het intreden van het door verzekering gedekte geval, overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd heeft vervuld, welke kan bestaan hetzij in 30 jaren van premiebetaling of arbeid, hetzij in 20 jaren van verblijf;
  • (b). wanneer in beginsel alle werkende personen beschermd worden, aan een beschermd persoon die een voorgeschreven wachttijd van premiebetaling heeft vervuld en te wiens name, in de actieve periode van zijn leven, premiën zijn betaald, waarvan het gemiddelde aantal per jaar een voorgeschreven aantal bereikt.
2.

Wanneer de toekenning van de in het eerste lid van dit artikel vermelde uitkering afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling of van arbeid, moet ten minste een verminderde uitkering worden gewaarborgd:

  • (a). aan een beschermd persoon, die vóór het intreden van het door verzekering gedekte geval overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van 15 jaren van premiebetaling of arbeid heeft vervuld;
  • (b). wanneer in beginsel alle werkende personen beschermd worden, aan een beschermd persoon die een voorgeschreven wachttijd van premiebetaling heeft vervuld en te wiens name in de loop van de actieve periode van zijn leven de helft van het voorgeschreven gemiddelde aantal premiën per jaar is betaald, bedoeld onder (b ) van het eerste lid van dit artikel.
3.

Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel XI, doch naar een percentage, dat 10 eenheden minder bedraagt dan dat hetwelk in de bij dat deel gevoegde tabel voor de model-gerechtigde is aangegeven, ten minste gewaarborgd wordt aan ieder beschermd persoon, die overeenkomstig voorgeschreven regelen, hetzij tien jaren van premiebetaling of van arbeid, hetzij vijf jaren van verblijf heeft vervuld.

4.

Een evenredige vermindering van het percentage aangegeven in de bij deel XI gevoegde tabel, kan worden toegepast, wanneer de wachttijd voor de met het verminderde percentage overeenkomende uitkering meer bedraagt dan tien jaren van premiebetaling of van arbeid, doch minder dan 30 jaren van premiebetaling of van arbeid. Wanneer bedoelde wachttijd meer bedraagt dan 15 jaren, moet overeenkomstig lid 2 van dit artikel een verminderde uitkering worden toegekend.

5.

Wanneer de toekenning van de uitkering bedoeld in de leden 1, 3 of 4 van dit artikel afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling of van arbeid, moet overeenkomstig voorgeschreven regelen een verminderde uitkering worden gewaarborgd aan een beschermd persoon die enkel ten gevolge van het feit dat hij op het tijdstip waarop de regeling welke het mogelijk maakte dit deel van de Code toe te passen, van kracht is geworden, een gevorderde leeftijd had bereikt, de voorgeschreven voorwaarden van lid 2 van dit artikel niet heeft kunnen vervullen; het bepaalde in de vorige zinsneden vindt geen toepassing indien een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de leden 1, 3 of 4 van dit artikel wordt toegekend aan een zodanig persoon op een hogere dan de normale leeftijd.

Artikel 30

De in de artikelen 28 en 29 vermelde uitkeringen moeten worden toegekend tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval.

DEEL VI. Uitkeringen en verstrekkingen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

DEEL VII. Gezinsbijslagen

Artikel 39

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, dient overeenkomstig de volgende artikelen van dit deel aan de beschermde personen gezinsbijslagen te waarborgen.

Artikel 40

Het door verzekering gedekte geval omvat het ten laste hebben van kinderen, overeenkomstig hetgeen dienaangaande zal worden voorgeschreven.

Artikel 41

Voor zover de uitkering bestaat in een periodieke betaling, moeten tot de beschermde personen worden gerekend:

  • (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • (b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners.

Artikel 42

De uitkeringen en/of verstrekkingen moeten omvatten:

  • (a). een periodieke betaling, toegekend aan ieder beschermd persoon die de voorgeschreven wachttijd heeft vervuld; of
  • (b). de verstrekking aan of ten behoeve van de kinderen van voedsel, kleding, huisvesting, vakantie of huishoudelijke hulp; of
  • (c). combinatie van de uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld onder (a ) en (b ) van dit artikel.

Artikel 43

De in artikel 42 vermelde uitkeringen en verstrekkingen moeten ten minste worden gewaarborgd aan een beschermd persoon die in de loop van een voorgeschreven tijdvak een wachttijd heeft vervuld, die kan bestaan hetzij in één maand van premiebetaling of van arbeid, hetzij in een verblijf van zes maanden, naar gelang zal worden voorgeschreven.

Artikel 44

De totale waarde van de overeenkomstig artikel 42 verleende uitkeringen en/of verstrekkingen moet zodanig zijn, dat zij gelijk is aan 2 procent van het loon van een volwassen mannelijke ongeschoolde arbeider, vastgesteld overeenkomstig de in artikel 66 neergelegde regelen, vermenigvuldigd met het totale aantal kinderen van alle inwoners.

Artikel 45

Wanneer de uitkeringen bestaan in een periodieke betaling, moeten zij tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend.

DEEL VIII. Uitkeringen en verstrekkingen bij moederschap

Artikel 46

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel aan de beschermde personen uitkeringen en verstrekkingen bij moederschap waarborgen.

Artikel 47

Het door verzekering gedekte geval omvat zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan, alsmede daaruit voortvloeiende derving van inkomsten uit arbeid, zoals deze nader is geregeld bij de nationale wetgeving.

Artikel 48

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). alle vrouwen behorende tot voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke groepen in totaal ten minste 80 procent uitmaken n de gezamenlijke loontrekkenden, en, wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen, die tot deze groep behoren; of
  • (b). alle vrouwen behorende tot voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke groepen in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners en, wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen die tot deze zelfde groepen behoren.

Artikel 49

1.

Wat betreft zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan, moeten de geneeskundige verstrekkingen de in de leden 2 en 3 van dit artikel aangegeven geneeskundige zorg omvatten.

2.

De geneeskundige zorg moet ten minste omvatten:

  • (a). prenetale zorg, hulp bij de bevalling en postnatale zorg, hetzij n een geneeskundige, hetzij van een gediplomeerde vroedvrouw;
  • (b). opneming in een ziekenhuis wanneer deze noodzakelijk is;
  • (c). de verstrekking van geneesmiddelen, behoudens dat de gerechtigde of haar kostwinner ertoe gehouden kan worden een bijdrage te leveren in de kosten van de ontvangen geneeskundige zorg. De regels betreffende deze bijdrage in de kosten moeten zodanig worden vastgesteld dat zij geen te zware last met zich brengen, terwijl de bijdrage in de kosten door de gerechtigde of haar kostwinner gemiddeld niet meer dan 25 procent mag bedragen. Wanneer deze bijdrage in de kosten wordt vastgesteld op een vast bedrag voor elk geval waarin geneesmiddelen worden voorgeschreven, mag het totaal van de door alle beschermde personen verrichte betalingen niet meer bedragen dan 25 procent van de totale kosten binnen een bepaald tijdvak.
3.

De in lid 2 van dit artikel bedoelde geneeskundige zorg moet strekken tot instandhouding, herstel of verbetering van de gezondheid van de beschermde vrouw, alsmede van haar geschiktheid om te werken en om te voorzien in haar persoonlijke behoeften.

4.

De regeringsdepartementen of de instellingen welke de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap verlenen, moeten de beschermde vrouwen met alle daartoe geëigende middelen aanmoedigen gebruik te maken van de algemene gezondheidsdiensten welke door de overheid of door andere door de overheid erkende organen te hunner beschikking zijn gesteld.

Artikel 50

De uitkering ter zake van het derven van inkomsten uit arbeid als gevolg van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan, zal bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66. Het bedrag van de periodieke betaling kan tijdens het door verzekering gedekte geval wijziging ondergaan mits het gemiddelde bedrag in overeenstemming is met bovengenoemde bepalingen.

Artikel 51

De in de artikelen 49 en 50 bedoelde verstrekkingen moeten tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd aan een vrouw die tot een der verzekerde groepen behoort en die een wachttijd heeft vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruiken te voorkomen; de in artikel 49 bedoelde verstrekkingen moeten eveneens worden gewaarborgd aan de echtgenoten van tot een der verzekerde groepen behorende mannen, wanneer dezen de voorgeschreven wachttijd hebben vervuld.

Artikel 52

De in de artikelen 49 en 50 bedoelde verstrekkingen moeten worden verleend tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval; nochtans kunnen de periodieke betalingen beperkt worden tot 12 weken, tenzij bij de nationale wetgeving een langere periode van onderbreking van de arbeid is voorgeschreven of toegestaan, in welk geval de betalingen niet tot een periode van kortere duur kunnen worden beperkt.

DEEL IX. Uitkeringen bij invaliditeit

Artikel 53

Elke Contracterende Partij ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel aan de beschermde personen uitkeringen bij invaliditeit waarborgen.

Artikel 54

Het door verzekering gedekte geval omvat de ongeschiktheid om beroepsmatige arbeid in bepaalde mate te verrichten, wanneer die ongeschiktheid waarschijnlijk blijvend zal zijn, dan wel, wanneer zij voortbestaat na de beëindiging van de uitkering van ziekengeld. De voorgeschreven mate van die ongeschiktheid mag echter niet meer dan twee derde bedragen.

Artikel 55

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • (b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
  • (c). alle inwoners wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, niet overschrijden.

Artikel 56

1.

De uitkering zal bestaan in een periodieke betaling berekend als volgt:

  • (a). overeenkomstig de bepalingen, hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66, wanneer groepen van loontrekkenden of groepen van de werkende bevolking worden beschermd;
  • (b). overeenkomstig de bepalingen van artikel 67 wanneer de beschermde personen alle inwoners omvatten, wier inkomsten tijdens de door verzekering gedekte gevallen voorgeschreven grenzen niet overschrijden. Een voorgeschreven uitkering moet echter worden gewaarborgd, zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen, aan de voorgeschreven groepen personen vastgesteld overeenkomstig de alinea's (a ) en (b ) van artikel 55, behoudens een wachttijd waarvan de voorwaarden niet strenger mogen zijn dan die genoemd in lid 1 van artikel 57.
2.

Er dienen maatregelen te worden genomen om het verlenen van functionele en op het beroep gerichte revalidatie te verzekeren en om mogelijkheden te scheppen ten einde minder validen te helpen bij het vinden van passende arbeid, met name door arbeidsbemiddeling, hulp bij verhuizing naar een andere streek indien dit nodig is om passende arbeid te vinden, alsmede door middel van andere soortgelijke diensten.

Artikel 57

1.

De in artikel 56 bedoelde uitkering moet tijdens het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd:

  • (a). aan een beschermd persoon, die vóór het intreden van het door verzekering gedekte geval, overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd heeft vervuld, welke kan bestaan hetzij in 15 jaren van premiebetaling of van arbeid, hetzij in 10 jaren van verblijf;
  • (b). wanneer in beginsel alle werkende personen onder de regeling vallen, aan een beschermd persoon die een wachttijd van 3 jaren van premiebetaling heeft vervuld en te wiens name, in de loop van de actieve periode van zijn leven, premies zijn betaald, waarvan het gemiddelde aantal per jaar een voorgeschreven aantal bereikt.
2.

Wanneer de toekenning van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde uitkering afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling of van arbeid, moet ten minste een verminderde uitkering worden gewaarborgd:

  • (a). aan een beschermd persoon die vóór het intreden van het door verzekering gedekte geval, overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd van 5 jaren van premiebetaling of van arbeid heeft vervuld;
  • (b). wanneer in beginsel alle werkende personen onder de regeling vallen, aan een beschermd persoon die een wachttijd van 3 jaren van premiebetaling heeft vervuld en te wiens name, in de loop van de actieve periode van zijn leven, de helft van het voorgeschreven gemiddelde aantal premies per jaar, bedoeld onder (b ) van het eerste lid van dit artikel, is betaald.
3.

Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel XI, doch naar een percentage dat 10 eenheden minder bedraagt dan dat hetwelk in de bij dat deel gevoegde tabel is aangegeven voor de modelgerechtigde, ten minste wordt gewaarborgd aan ieder beschermd persoon, die overeenkomstig de voorgeschreven regelen 5 jaren van premiebetaling, van arbeid of van verblijf heeft vervuld.

4.

Een evenredige vermindering van het percentage, aangegeven in de bij deel XI gevoegde tabel, kan worden toegepast, wanneer de wachttijd voor de met het verminderde percentage overeenkomende uitkering meer bedraagt dan 5 jaren van premiebetaling of van arbeid, doch minder dan 15 jaren van premiebetaling of van arbeid. De verminderde uitkering zal worden toegekend overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

Artikel 58

De in de artikelen 56 en 57 bedoelde uitkeringen moeten worden verleend tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval, dan wel tot het tijdstip waarop zij worden vervangen door een ouderdomsuitkering.

DEEL X. Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen

Artikel 59

Elke Contracterende Partij, ten aanzien waarvan dit deel van de Code van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit deel aan de beschermde personen de uitbetaling van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen waarborgen.

Artikel 60

1.

Het door verzekering gedekte geval moet omvatten het verlies van bestaansmiddelen door de weduwe of door de kinderen ten gevolge van het overlijden van hun kostwinner; wat betreft de weduwe kan in overeenstemming met de nationale wetgeving het recht op uitkering afhankelijk worden gesteld van het vermoeden dat zij niet in staat is in haar eigen behoeften te voorzien.

2.

De nationale wetgeving kan bepalen, dat de uitkering wordt geschorst indien degene die daarop recht zou hebben gehad, zekere voorgeschreven betaalde werkzaamheden verricht; de uitkeringen waarvoor premie is betaald, kunnen worden verminderd, wanneer de inkomsten uit arbeid een voorgeschreven bedrag overschrijden; de uitkeringen die niet op premiebetaling zijn gebaseerd, kunnen eveneens worden verminderd, wanneer de inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of zijn overige inkomsten, dan wel beide te zamen een voorgeschreven bedrag overschrijden.

Artikel 61

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • (a). de echtgenoten en kinderen van kostwinners behorende tot voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke groepen in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • (b). de echtgenoten en kinderen van kostwinners behorende tot voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke groepen ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • (c). wanneer zij de hoedanigheid van inwoner bezitten, alle weduwen en alle kinderen die hun kostwinner hebben verloren en wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, niet overschrijden.

Artikel 62

De uitkering zal bestaan in een periodieke betaling, berekend als volgt:

  • (a). overeenkomstig de bepalingen hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66, wanneer de echtgenoten en de kinderen van kostwinners behorende tot groepen van loontrekkenden of groepen van de werkende bevolking beschermd worden;
  • (b). overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, wanneer alle weduwen en alle kinderen, inwoners zijnde, beschermd worden, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden. Een voorgeschreven uitkering moet echter worden gewaarborgd, zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen, aan de echtgenoten en kinderen van kostwinners behorende tot de voorgeschreven groepen personen vastgesteld overeenkomstig de alinea's (a ) en (b ) van artikel 61, behoudens een wachttijd, waarvan de voorwaarden niet strenger mogen zijn dan die genoemd in het eerste lid van artikel 63.

Artikel 63

1.

De in artikel 62 bedoelde uitkering moet tijdens het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd:

  • (a). aan een beschermd persoon wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen een wachttijd heeft vervuld, welke kan bestaan in 15 jaren van premiebetaling of van arbeid, hetzij in 10 jaren van verblijf;
  • (b). wanneer in beginsel de vrouwen en de kinderen van alle werkende personen onder de regeling vallen, aan een beschermd persoon wiens kostwinner een wachttijd heeft vervuld van 3 jaren van premiebetaling en te wiens name, in de loop van de actieve periode van zijn leven, premiën zijn betaald, waarvan het gemiddelde aantal per jaar een voorgeschreven aantal bereikt.
2.

Wanneer de toekenning van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde uitkering afhankelijk is gesteld van de vervulling van een minimumtijdvak van premiebetaling of van arbeid, moet ten minste een verminderde uitkering worden gewaarborgd:

  • (a). aan een beschermd persoon, wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regeling een wachttijd heeft vervuld van 5 jaren van premiebetaling of van arbeid;
  • (b). wanneer in beginsel de vrouwen en de kinderen van alle werkende personen onder de regeling vallen, aan een beschermd persoon wiens kostwinner een wachttijd heeft vervuld van 3 jaren van premiebetaling en te wiens name, in de loop van de actieve periode van zijn leven, de helft van het voorgeschreven gemiddelde aantal premiën per jaar is betaald, bedoeld in alinea (b ) van het eerste lid van dit artikel.
3.

Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer een uitkering, berekend overeenkomstig deel XI, doch naar een percentage hetwelk 10 eenheden minder bedraagt dan dat hetwelk in de bij dat deel gevoegde tabel is aangegeven voor de model-gerechtigde, ten minste gewaarborgd wordt aan ieder beschermd persoon wiens kostwinner overeenkomstig voorgeschreven regelen 5 jaren van premiebetaling, van arbeid of van verblijf heeft vervuld.

4.

Een evenredige vermindering van het percentage, aangegeven in de bij deel XI gevoegde tabel, kan worden toegepast, wanneer de wachttijd voor de met het verminderde percentage overeenkomende uitkering meer bedraagt dan 5 jaren van premiebetaling of van arbeid, doch minder dan 15 jaren van premiebetaling of van arbeid. Een verminderde uitkering zal worden toegekend overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

5.

Opdat een weduwe zonder kinderen die niet in staat wordt geacht te voorzien in haar eigen behoeften, aanspraak kan doen gelden op een uitkering aan nagelaten betrekkingen, kan een minimumduur van het huwelijk voorgeschreven worden.

Artikel 64

De in de artikelen 62 en 63 bedoelde uitkeringen moeten worden toegekend tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval.

DEEL XI. Berekening van periodieke uitkeringen

Artikel 65

1.

Ten aanzien van elke periodieke uitkering waarop dit artikel van toepassing is, moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens het door verzekering gedekte geval verstrekte kinderbijslag, zodanig zijn, dat het voor de model-gerechtigde, bedoeld in de bij dit deel gevoegde tabel, ten minste gelijk is aan het in die tabel voor het onderhavige geval aangegeven percentage van het totaal van de vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner en van het bedrag van de kinderbijslag, verstrekt aan een beschermd persoon die dezelfde gezinslasten heeft als de modelgerechtigde.

2.

De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner moeten overeenkomstig voorgeschreven regelen worden berekend; wanneer de beschermde personen of hun kostwinners zijn ingedeeld in klassen naar hun inkomsten uit arbeid kunnen de vroegere inkomsten worden berekend naar het basisinkomen van de klasse, waartoe de betrokkenen hebben behoord.

3.

Het bedrag van de uitkering of het arbeidsinkomen dat als basis voor de berekening van de uitkering wordt genomen, kan aan een maximum worden gebonden, mits dit maximum zodanig wordt vastgesteld, dat voldaan wordt aan de bepalingen van het eerste lid van dit artikel wanneer het vroegere arbeidsinkomen van de gerechtigde of van zijn kostwinner minder bedraagt dan of gelijk is aan dat van een geschoolde mannelijke arbeider.

4.

De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner, het loon van de geschoolde mannelijke arbeider, de uitkering en elke kinderbijslag zullen worden berekend naar dezelfde tijdbasis.

5.

Voor de andere gerechtigden zullen de uitkeringen zodanig worden vastgesteld, dat zij in een redelijke verhouding staan tot die van een model-gerechtigde.

6.

Voor de toepassing van dit artikel zal als geschoolde mannelijke arbeider worden aangemerkt:

  • (a). een bankwerker of een draaier in de mechanische industrie, met uitzondering van de vervaardiging van elektrische apparaten; of
  • (b). een geschoolde arbeider, zoals omschreven in de bepalingen van lid 7 van dit artikel; of
  • (c). een persoon wiens arbeidsinkomen gelijk is aan 125 procent van het gemiddelde arbeidsinkomen van alle beschermde personen.
7.

De geschoolde arbeider, zoals bedoeld in alinea (b ) van lid 6 van dit artikel, zal worden gekozen uit de klasse die het grootste aantal tegen het door verzekering gedekte geval beschermde mannelijke personen of kostwinners van beschermde personen omvat, in de bedrijfstak die het grootste aantal van deze beschermde personen of van die kostwinners telt; daarbij moet gebruik worden gemaakt van de internationale industriële standaard-classificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 augustus 1948 en die als addendum 1 aan deze Code is toegevoegd, zulks met inachtneming van de wijzigingen welke daarin later eventueel worden aangebracht.

8.

Wanneer de uitkeringen van streek tot streek verschillen kan voor elke streek een geschoolde mannelijke arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van de leden 6 en 7 van dit artikel.

9.

Het loon van een geschoolde mannelijke arbeider, gekozen overeenkomstig de alinea's (a ) en (b ) van lid 6 van dit artikel, met inbegrip van de eventuele duurtetoeslagen, zal worden bepaald naar de grondslag van het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij eventueel bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het achtste lid van dit artikel niet wordt toegepast, zal men het gemiddelde loon als grondslag nemen.

10.

De bedragen van lopende periodieke betalingen terzake van ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten (met uitzondering van die terzake van ongeschiktheid tot werken), invaliditeit of overlijden van de kostwinner, worden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemeen loonpeil welke het gevolg zijn van aanmerkelijke veranderingen in de kosten van levensonderhoud.

Artikel 66

1.

Ten aanzien van elke periodieke betaling, waarop dit artikel van toepassing is, moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens het door verzekering gedekte geval verstrekte kinderbijslag, zodanig zijn, dat het voor de model-gerechtigde, bedoeld in de bij dit deel gevoegde tabel, ten minste gelijk is aan het in die tabel voor het desbetreffende geval aangegeven percentage van het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, vermeerderd met het bedrag van de kinderbijslag, verleend aan een beschermd persoon die dezelfde gezinslasten heeft als de modelgerechtigde.

2.

Het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, de uitkeringen en de kinderbijslag worden berekend naar dezelfde basis-tijdvakken.

3.

Voor de andere gerechtigden zullen de uitkeringen zodanig worden vastgesteld, dat zij in een redelijke verhouding staan tot die van de model-gerechtigde.

4.

Voor de toepassing van dit artikel zal als ongeschoolde mannelijke arbeider worden aangemerkt:

  • (a). een ongeschoolde arbeider in de mechanische industrie, met uitzondering van de vervaardiging van elektrische apparaten; of
  • (b). een ongeschoolde arbeider, zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid.
5.

De ongeschoolde arbeider, bedoeld in alinea (b ) van lid 4 van dit artikel, zal worden gekozen uit de klasse die het grootste aantal tegen het door verzekering gedekte geval beschermde mannelijke personen of kostwinners van beschermde personen omvat, in de bedrijfstak die het grootste aantal van deze beschermde personen of van die kostwinners telt; daarbij moet gebruik worden gemaakt van de internationale industriële standaardclassificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 augustus 1948 en die als addendum 1 aan deze Code is toegevoegd, zulks met inachtneming van de wijzigingen welke daarin later eventueel worden aangebracht.

6.

Wanneer de uitkeringen van streek tot streek verschillen kan voor elke streek een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit artikel.

7.

Het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, met inbegrip van de eventuele duurtetoeslagen, zal worden bepaald naar de grondslag van het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij eventueel bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het zesde lid van dit artikel geen toepassing heeft gevonden, zal men het gemiddelde loon als grondslag nemen.

8.

De bedragen van lopende periodieke betalingen terzake van ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten (met uitzondering van die terzake van ongeschiktheid tot werken), invaliditeit of overlijden van de kostwinner, worden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemeen loonpeil, welke het gevolg zijn van aanmerkelijke veranderingen in de kosten van levensonderhoud.

Artikel 67

Ten aanzien van elke periodieke betaling, waarop dit artikel van toepassing is, gelden de volgende regelen:

  • (a). het bedrag van de uitkering moet worden vastgesteld naar een voorgeschreven tarief of naar een tarief, vastgesteld door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig voorgeschreven regelen;
  • (b). het bedrag van de uitkering kan slechts worden verminderd in de mate waarmede de overige inkomsten van het gezin van de gerechtigde een aanzienlijk voorgeschreven of door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig voorgeschreven regelen vastgesteld bedrag overtreffen;
  • (c). na aftrek van het aanzienlijk bedrag, bedoeld in alinea (b ) van dit artikel, moet het totaal van de uitkering en van de overige inkomsten voldoende zijn om aan het gezin van de gerechtigde gezonde en passende levensvoorwaarden te verzekeren en mag het niet minder bedragen dan het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 66;
  • (d). aan het bepaalde in alinea (c ) van dit artikel wordt geacht te zijn voldaan indien het totaal bedrag van de krachtens het desbetreffende deel betaalde uitkering ten minste 30 procent meer bedraagt dan het totaal bedrag der uitkeringen, dat men zou verkrijgen bij toepassing van de bepalingen van artikel 66 en de bepalingen van:
  • i). artikel 15, alinea (b ), wat betreft deel III;
  • ii). artikel 27, alinea (b ), wat betreft deel V;
  • iii). artikel 55, alinea (b ), wat betreft deel IX;
  • iv). artikel 61, alinea (b ), wat betreft deel X.
Periodieke betalingen aan de model-gerechtigden Periodieke betalingen aan de model-gerechtigden Periodieke betalingen aan de model-gerechtigden Periodieke betalingen aan de model-gerechtigden
Deel VERZEKERD GEVAL MODEL-GERECHTIGDE Percentage
III Ziekte Man met vrouw en twee kinderen 50
IV Werkloosheid Man met vrouw en twee kinderen 50
V Ouderdom Pensioengerechtigde man met echtgenote 45
VI Arbeidsongevallen en beroepsziekten: Ongeschiktheid tot werken Man met vrouw en twee kinderen 50
Algeheel verlies van de geschiktheid om inkomsten uit arbeid te verwerven Man met vrouw en twee kinderen
(a ) algemeen (a ) 50
(b ) wanneer blijvende hulp nodig is (b ) 66f
Nagelaten betrekkingen Weduwe met twee kinderen 45
VIII Moederschap Vrouw 50
IX Invaliditeit Man met vrouw en twee kinderen .. 50
X Nagelaten betrekkingen Weduwe met twee kinderen (of 2 kinderen wanneer het weduwenpensioen slechts wordt uitgekeerd wanneer de weduwe niet in staat is in haar eigen onderhoud te voorzien.) 45

DEEL XII. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 68

Een uitkering, waarop een beschermd persoon recht zou hebben gehad op grond van een van de delen II tot en met X van deze Code, kan worden geschorst in een eventueel voor te schrijven mate:

  • (a). zolang de belanghebbende zich niet op het grondgebied van de Contracterende Partij bevindt;
  • (b). zolang het onderhoud van de belanghebbende ten laste van de overheid of van een instelling of dienst van sociale zekerheid komt; nochtans moet een gedeelte van de uitkering worden verstrekt aan de personen die ten laste van de gerechtigde zijn;
  • (c). zolang de belanghebbende een andere sociale zekerheidsuitkering in geld ontvangt, met uitzondering van kinderbijslag, en gedurende enige periode, tijdens welke hij voor hetzelfde geval schadeloosstelling ontvangt van derden, met dien verstande, dat het deel van de uitkering dat wordt geschorst, de andere uitkering of de door derden betaalde schadeloosstelling niet overtreft;
  • (d). wanneer de belanghebbende getracht heeft op bedrieglijke wijze een uitkering te verkrijgen;
  • (e). wanneer het geval veroorzaakt is door een door de belanghebbende gepleegd misdrijf;
  • (f). wanneer het geval veroorzaakt is door opzet van de belanghebbende;
  • (g). in daarvoor in aanmerking komende gevallen, wanneer de belanghebbende nalaat gebruik te maken van de geneeskundige of revalidatiediensten welke te zijner beschikking staan, alsook wanneer hij de regelen niet nakomt, welke zijn voorgeschreven voor het vaststellen van het bestaan van het geval of voor de gedragingen van de gerechtigde;
  • (h). voor wat betreft de uitkering bij werkloosheid, wanneer de belanghebbende nalaat gebruik te maken van de diensten voor arbeidsbemiddeling welke te zijner beschikking staan;
  • (i). voor wat de uitkering bij werkloosheid betreft, wanneer de belanghebbende werkloos is geworden als rechtstreeks gevolg van een stilstand in de arbeid tengevolge van een arbeidsconflict, dan wel wanneer hij vrijwillig zonder rechtmatige reden zijn werk heeft neergelegd;
  • (j). voor wat betreft de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, zolang de weduwe in concubinaat leeft.

Artikel 69

1.

Een ieder die aanspraak maakt op een uitkering, moet het recht hebben om beroep in te stellen, wanneer hem een uitkering wordt geweigerd of wanneer hij zich niet kan verenigen met de hoedanigheid of de omvang daarvan.

2.

Wanneer bij de toepassing van deze Code de verstrekking van de geneeskundige zorg is toevertrouwd aan een regeringsdepartement dat verantwoording schuldig is aan een parlement, kan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht van beroep worden vervangen door het recht om elk bezwaar tegen weigering van geneeskundige zorg of tegen de hoedanigheid der ontvangen geneeskundige zorg te doen onderzoeken door de bevoegde autoriteit.

3.

Wanneer verzoeken om uitkering worden behandeld door rechtscolleges welke speciaal zijn ingesteld voor de behandeling van zaken aangaande sociale zekerheid en waarin de beschermde personen vertegenwoordigd zijn, behoeft het recht van beroep niet te worden toegekend.

Artikel 70

1.

De kosten van de op grond van deze Code verleende uitkeringen en de aan die uitkeringen verbonden administratiekosten moeten collectief worden gedragen door middel van premiën of belastingen of door een combinatie van beide, op een zodanige wijze, dat personen van geringe draagkracht niet te zwaar belast worden en dat rekening wordt gehouden met de economische toestand van de Contracterende Partij en van de groepen der beschermde personen.

2.

Het totaal van de verzekeringspremiën ten laste van de beschermde loontrekkenden mag 50 procent van het totaal der inkomsten, nodig voor de bescherming van deze loontrekkenden, hun echtgenoten en kinderen, niet te boven gaan. Teneinde vast te stellen of aan deze voorwaarde is voldaan, mogen alle uitkeringen welke door de Contracterende Partij op grond van deze Code worden verleend, in hun geheel in aanmerking worden genomen, met uitzondering van de kinderbijslagen en de uitkeringen terzake van arbeidsongevallen en beroepsziekten, indien deze laatste het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tak der verzekering.

3.

De Contracterende Partij moet een algemene aansprakelijkheid op zich nemen voor de verstrekking van de uitkeringen, verleend op grond van deze Code en alle nodige maatregelen treffen om dit doel te bereiken; indien daartoe aanleiding bestaat moet zij zich ervan vergewissen, dat de noodzakelijke actuariële studies en berekeningen betreffende het financiële evenwicht periodiek worden gemaakt, doch in elk geval vóór elke wijziging van de uitkeringen, van het tarief der verzekeringspremiën of der belastingen, bestemd voor de dekking van de desbetreffende gevallen.

Artikel 71

1.

Wanneer de administratie niet wordt gevoerd door een regeringsdepartement dat verantwoording schuldig is aan een parlement, moeten vertegenwoordigers van de beschermde personen deel nemen aan de administratie of met raadgevende stem daarbij betrokken worden onder daartoe gestelde voorwaarden; de nationale wetgeving kan eveneens bepalingen bevatten inzake de deelneming van vertegenwoordigers van de werkgevers en van de overheid.

2.

De Contracterende Partij moet een algemene verantwoordelijkheid aanvaarden voor een goede administratie van de instellingen en diensten die betrokken zijn bij de toepassing van deze Code.

DEEL XIII. Verscheidene bepalingen

Artikel 72

Deze Code zal niet van toepassing zijn:

  • (a). op gevallen die zich hebben voorgedaan voordat het desbetreffende deel van de Code in werking is getreden voor de betrokken Contracterende Partij;
  • (b). op uitkeringen, toegekend voor gevallen welke zich hebben voorgedaan nadat het desbetreffende deel van de Code in werking is getreden voor de betrokken Contracterende Partij, voorzover het recht op deze uitkeringen voortvloeit uit tijdvakken, voorafgaande aan de inwerkingtreding.

Artikel 73

De Contracterende Partijen streven ernaar in een afzonderlijk document de vraagstukken te regelen die betrekking hebben op de sociale zekerheid van buitenlanders en migranten, in het bijzonder met betrekking tot de gelijkstelling met de eigen onderdanen en het behoud van verworven rechten en rechten die nog verworven worden.

Artikel 74

1.

Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd, legt aan de Secretaris-Generaal een jaarlijks rapport over met betrekking tot de toepassing van beide documenten. Dit rapport moet:

  • (a). volledige inlichtingen verstrekken omtrent de wetgeving ter uitvoering van de bepalingen van de Code en dit Protocol waarop zijn bekrachtiging betrekking heeft; en
  • (b). bewijsstukken verschaffen waaruit blijkt dat de betrokken Lid-Staat heeft voldaan aan de statistische vereisten omschreven in:
  • (i). de artikelen 9 (a ), (b ) of (c ); 15 (a ) of (b ); 21 (a ); 27 (a ) of (b ); 33; 41 (a ) of (b ); 48 (a ) of (b ); 55 (a ) of (b ); 61 (a ) of (b ) wat betreft het aantal beschermde personen;
  • (ii). de artikelen 44, 65, 66 of 67, wat betreft de bedragen der uitkeringen;
  • (iii). artikel 24, lid 2, wat betreft de duur van de uitkering bij werkloosheid; en
  • (iv). artikel 70, lid 2, wat betreft het aandeel in de inkomsten voortkomende uit de verzekeringspremies van de beschermde loontrekkenden.

Deze bewijsstukken moeten zoveel mogelijk worden verstrekt op de wijze en in de volgorde als door de commissie is aangegeven.

2.

Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd verstrekt de Secretaris-Generaal op diens verzoek verdere gegevens omtrent de wijze waarop hij de bepalingen van de Code en dit Protocol waarop zijn bekrachtiging betrekking heeft, uitvoert.

3.

Het Comité van Ministers kan de Secretaris-Generaal machtigen de Raadgevende Vergadering afschriften voor te leggen van het verslag en van de verdere gegevens ingediend overeenkomstig lid 1, onderscheidenlijk 2, van dit artikel.

4.

De Secretaris-Generaal zendt de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau het verslag en de verdere gegevens toe, ingediend overeenkomstig lid 1, onderscheidenlijk 2, van dit artikel en verzoekt hem over dit verslag en deze gegevens overleg te plegen met het bevoegde orgaan van de Internationale Arbeidsorganisatie, alsmede de Secretaris-Generaal in kennis te stellen van de conclusies waartoe dat orgaan is gekomen.

5.

Dit verslag en deze gegevens, alsmede de conclusies waartoe het in lid 4 van dit artikel genoemde orgaan van de Internationale Arbeidsorganisatie is gekomen, worden bestudeerd door de commissie, die daarna bij het Comité van Ministers een verslag dat haar conclusies bevat, indient.

Artikel 75

1.

Na overleg met de Raadgevende Vergadering, beslist het Comité van Ministers, indien het dit nodig oordeelt, met een meerderheid van twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen overeenkomstig artikel 20 alinea (d ) van het Statuut van de Raad van Europa of elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd, heeft voldaan aan de verplichtingen van de Code en dit Protocol welke hij heeft aanvaard.

2.

Indien het Comité van Ministers van oordeel is dat een Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd niet aan zijn uit de Code en dit Protocol voortvloeiende verplichtingen voldoet, verzoekt het deze Lid-Staat de maatregelen te nemen die het Comité van Ministers noodzakelijk oordeelt ter verzekering van de naleving van die verplichtingen.

Artikel 76

Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd moet om de twee jaar verslag uitbrengen aan de Secretaris-Generaal omtrent de stand van zijn wetgeving en de toepassing ervan met betrekking tot de bepalingen van elk der delen II tot en met X van de Code en het Protocol, welke overeenkomstig artikel 3 niet reeds zijn vermeld in zijn akte van bekrachtiging noch in een latere kennisgeving gedaan op grond van artikel 4.

DEEL XIV. Slotbepalingen

Artikel 77

1.

Deze Code staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa. Hij moet worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, mits het Comité van Ministers in daarvoor in aanmerking komende gevallen tevoren een bevestigende beslissing heeft genomen als bedoeld in lid 4 van artikel 78.

2.

Deze Code treedt in werking één jaar na het tijdstip van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging.

3.

Ten aanzien van elke ondertekenende Staat die de Code op een later tijdstip bekrachtigt, treedt deze in werking één jaar na het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.

Artikel 78

1.

Elke ondertekenende Staat die zich wenst te beroepen op de bepalingen van artikel 2, lid 2, legt, alvorens tot bekrachtiging over te gaan, aan de Secretaris-Generaal een verslag over, waaruit blijkt in hoeverre zijn stelsel van sociale zekerheid in overeenstemming is met de bepalingen van deze Code.

Dit verslag moet een verklaring bevatten aangaande:

  • (a). de ter zake bestaande wetgeving en
  • (b). gegevens waaruit blijkt dat is voldaan aan de statistische voorwaarden neergelegd in:
  • (i). de artikelen 9 (a), (b) of (c); 15 (a) of (b); 21 (a); 27 (a) of (b); 33; 41 (a ) of (b ); 48 (a) of (b); 55 (a) of (b); 61 (a) of (b), wat het aantal beschermde personen betreft;
  • (ii). de artikelen 44, 65, 66 of 67, wat de bedragen der uitkeringen betreft;
  • (iii). artikel 24, lid 2, wat de duur van de uitkering bij werkloosheid betreft; en
  • (iv). artikel 70, lid 2, wat betreft het aandeel in de inkomsten voortkomend uit de verzekeringspremies van de beschermde loontrekkenden; en
  • (c). alle elementen waarmede op verlangen van de ondertekenende Staat rekening moet worden gehouden, overeenkomstig de leden 2 en 3 van artikel 2.

Voor zover mogelijk dienen deze gegevens te worden verstrekt op de wijze en in de volgorde, aangegeven door de commissie.

2.

De betrokken ondertekenende Staat verstrekt de Secretaris-Generaal op diens verzoek verdere gegevens omtrent de punten waarop zijn stelsel van sociale zekerheid in overeenstemming is met de bepalingen van deze Code.

3.

Genoemd verslag en deze verdere gegevens worden bestudeerd door de commissie, die daarbij de bepalingen van artikel 2, lid 3, in acht neemt. De commissie legt aan het Comité van Ministers een verslag voor waarin haar conclusies zijn vervat.

4.

Met een meerderheid van twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen beslist het Comité van Ministers overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, sub (d ) van het Statuut van de Raad van Europa, of het stelsel van sociale zekerheid van de ondertekenende Staat in overeenstemming is met de bepalingen van deze Code.

5.

Indien het Comité van Ministers van oordeel is dat het bedoelde stelsel van sociale zekerheid niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Code, verwittigt zij de betrokken ondertekenende Staat hiervan en kan hem aanbevelingen doen omtrent de wijze waarop zijn stelsel alsnog met deze bepalingen in overeenstemming kan worden gebracht.

Artikel 79

1.

Na de inwerkingtreding van dit Protocol kan het Comité van Ministers elke Staat die geen lid is van de Raad van Europa uitnodigen tot dit Protocol toe te treden. De toetreding van zulk een Staat is onderworpen aan de voorwaarden en de procedure van bekrachtiging als voorzien in dit Protocol.

2.

Een Staat treedt tot dit Protocol toe door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal. Ten aanzien van een Staat die tot dit Protocol toetreedt wordt het van kracht één jaar na het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding.

3.

De plichten en rechten van een toetredende Staat zijn dezelfde als die welke in dit Protocol zijn voorzien voor de Lid-Staten die het Protocol hebben bekrachtigd.

Artikel 80

1.

De Code en/of dit Protocol is van toepassing op het moederland van elke Lid-Staat ten aanzien waarvan het van kracht is en van elke toetredende Staat. Elke Lid-Staat of elke toetredende Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding, door middel van een verklaring aan de Secretaris-Generaal, het grondgebied aangeven dat voor de toepassing van de Code en/of dit Protocol beschouwd moet worden als zijn moederland.

2.

Elke Lid-Staat die de Code en/of dit Protocol bekrachtigt of elke toetredende Staat kan, bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding, of op elk tijdstip daarna, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat de Code en/of dit Protocol geheel of gedeeltelijk, behoudens eventuele in de kennisgeving opgenomen wijzigingen, eveneens zal gelden voor enig niet overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangegeven deel van het moederland of voor een of meer van de andere gebieden voor wier internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is. In zulk een kennisgeving aangegeven wijzigingen kunnen door middel van een latere kennisgeving worden ingetrokken of gewijzigd.

3.

Elke Lid-Staat ten aanzien waarvan de Code of de Code en dit Protocol van kracht is of elke toetredende Staat kan gedurende de tijdvakken waarin hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 81 de Code en/of dit Protocol kan opzeggen, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat de Code en/of het Protocol ophoudt van toepassing te zijn op enig deel van het moederland of op een of meer van de andere gebieden waarop hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel de Code en/of het Protocol van toepassing heeft verklaard.

Artikel 81

Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd en elke Staat die daartoe is toegetreden mag eerst na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar, gerekend van het tijdstip waarop de Code en/of dit Protocol ten aanzien van zulk een Lid-Staat onderscheidenlijk toetredende Staat van kracht werd, of telkens na het verstrijken van elk volgend tijdvak van vijf jaar, de Code en het Protocol of alleen het Protocol of een of meer van de delen II tot en met X van deze documenten opzeggen, waarbij steeds tegenover de Secretaris-Generaal een opzeggingstermijn van één jaar in acht moet worden genomen. Zulk een opzegging tast de geldigheid van de Code en/of het Protocol ten aanzien van de andere Lid-Staten die deze hebben bekrachtigd of ten aanzien van de andere Staten die ertoe zijn toegetreden, niet aan, mits het aantal van die Lid-Staten of toegetreden Staten niet minder bedraagt dan drie voor de Code en drie voor het Protocol.

Artikel 82

De Secretaris-Generaal doet aan de Lid-Staten van de Raad, de Regeringen van alle toetredende Staten en de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau mededeling van:

  • (i). de datum van inwerkingtreding van dit Protocol en de namen van de Lid-Staten die het hebben bekrachtigd;
  • (ii). de nederlegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 79 van alle akten van toetreding en van alle tegelijk daarmede ontvangen kennisgevingen;
  • (iii). alle kennisgevingen die hij ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 4 en 80 heeft ontvangen; en
  • (iv). alle kennisgevingen van opzegging die hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 81 heeft ontvangen.

Artikel 83

De Bijlage bij deze Code vormt daarvan een integrerend deel.

Artikel 68 (i)

Er is overeengekomen dat artikel 68 (i) van deze Code moet worden uitgelegd overeenkomstig de nationale wetgeving van elke Contracterende Partij.

DEEL II. Geneeskundige zorg

DEEL III. Uitkering van ziekengeld

DEEL IV. Uitkering bij werkloosheid

DEEL V. Ouderdomsuitkeringen

DEEL VI. Uitkeringen en verstrekkingen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten

DEEL VIII. Uitkeringen en verstrekkingen bij moederschap

DEEL IX. Uitkeringen bij invaliditeit

DEEL X. Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen

DELEN II, III, VI of X

DELEN II OF III

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Code.

DONE at Strasbourg, this 16th day of April 1964 in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe, and of which the Secretary-General shall send certified copies to each of the signatory and acceding States and to the Director-General of the International Labour Office.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)