Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten
Preambule
De Verdragsluitende Staten,
Overwegende de noodzaak tot internationale samenwerking op het gebied van de economische ontwikkeling en de rol, welke particuliere internationale investeringen daarbij spelen;
Rekening houdende met de mogelijkheid dat geschillen inzake dergelijke investeringen kunnen rijzen tussen Verdragsluitende Staten en onderdanen van andere Verdragsluitende Staten;
Erkennende dat het in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn dat dergelijke geschillen door internationale procedures worden geregeld, ook al zullen deze geschillen in het algemeen onderworpen zijn aan nationale rechtswegen;
Bijzonder belang hechtende aan het openstaan van mogelijkheden voor internationale bemiddeling of arbitrage, waaraan Verdragsluitende Staten en onderdanen van andere Verdragsluitende Staten dergelijke geschillen kunnen onderwerpen, indien zij dit wensen;
Verlangende, deze mogelijkheden te scheppen onder auspiciën van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling;
Erkennende dat wederzijdse instemming van de partijen om deze geschillen te onderwerpen aan bemiddeling of arbitrage langs deze weg, een bindende overeenkomst vormt, welke met name vereist dat aan de aanbevelingen van de bemiddelaars passende aandacht wordt geschonken en dat de arbitrale uitspraken ten uitvoer worden gelegd;
Verklarende dat geen Verdragsluitende Staat, alleen door het feit dat hij dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, geacht wordt zonder zijn instemming verplicht te zijn een bepaald geschil aan bemiddeling of arbitrage te onderwerpen,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. Het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen
Afdeling 1. Oprichting en Organisatie
Artikel 1
Hierbij wordt opgericht het Internationaal Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen (hierna te noemen het Centrum).
Het doel van het Centrum is, de gelegenheid te openen voor bemiddeling en arbitrage ter beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Verdragsluitende Staten en onderdanen van andere Verdragsluitende Staten in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 2
De zetel van het Centrum is gevestigd ten hoofdkantore van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (hierna te noemen de Bank). De zetel kan worden verplaatst naar een andere plaats bij besluit van de Raad van Bestuur, genomen door een meerderheid van twee derden van zijn leden.
Artikel 3
Het Centrum bestaat uit een Raad van Bestuur en een Secretariaat. Het houdt een Lijst aan van Bemiddelaars en een Lijst van Arbiters.
Afdeling 2. De Raad van Bestuur
Artikel 4
De Raad van Bestuur wordt gevormd door de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, en wel één van iedere Staat. Een plaatsvervanger kan als vertegenwoordiger optreden, wanneer de eigenlijke vertegenwoordiger afwezig of niet tot handelen in staat is.
Als geen ander daartoe is aangewezen, is elke door een Verdragsluitende Staat benoemde bestuurder en plaatsvervangende bestuurder van de Bank ex officio de vertegenwoordiger, onderscheidenlijk de plaatsvervangende vertegenwoordiger, van die Staat.
Artikel 5
De President van de Bank is ex officio Voorzitter van de Raad van Bestuur (hierna genoemd de Voorzitter), maar heeft geen stemrecht. Wanneer hij afwezig of niet tot handelen in staat is of indien de zetel van de President van de Bank vacant is, treedt de waarnemend President op als Voorzitter van de Raad van Bestuur.
Artikel 6
Onverminderd de bevoegdheden en taken, hem opgedragen in andere bepalingen van dit Verdrag, draagt de Raad van Bestuur zorg voor:
- a). vaststelling van de bestuurs- en financiële reglementen van het Centrum;
- b). vaststelling van procedureregels voor het aanhangig maken van een bemiddelings- of arbitragegeding;
- c). vaststelling van de procedureregels voor bemiddeling en arbitrage, hierna te noemen de Procedureregels voor Bemiddeling en de Procedureregels voor Arbitrage;
- d). goedkeuring van alle met de Bank te treffen regelingen betreffende het gebruik van haar lokaliteiten en diensten;
- e). vaststelling van de arbeidsvoorwaarden voor de Secretaris-Generaal en diens Plaatsvervanger(s);
- f). vaststelling van de jaarlijkse begroting van inkomsten en uitgaven van het Centrum;
- g). goedkeuring van het Jaarverslag over de werkzaamheden van het Centrum.
De hierboven onder a, b, c en f bedoelde besluiten worden door een meerderheid van twee derden der leden van de Raad van Bestuur genomen.
De Raad van Bestuur kan iedere commissie instellen, die hij nodig oordeelt.
De Raad van Bestuur oefent voorts alle andere bevoegdheden uit en verricht alle andere taken, die hij nodig oordeelt voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 7
De Raad van Bestuur houdt jaarlijks een zitting en voorts zoveel andere zittingen als de Raad besluit of worden bijeengeroepen door de Voorzitter of bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal op verzoek van tenminste vijf leden van de Raad.
Ieder lid van de Raad van Bestuur heeft één stem en behoudens de door dit Verdrag voorziene uitzonderingen, worden alle aan de Raad voorgelegde vraagstukken bij meerderheid der uitgebrachte stemmen beslist.
Bij alle zittingen van de Raad van Bestuur bestaat het quorum uit de helft der leden, vermeerderd met één lid.
De Raad van Bestuur kan bij een meerderheid van twee derden van zijn leden een procedure vaststellen, waarbij de Voorzitter een stemming door de Raad kan uitlokken zonder deze bijeen te roepen. Deze stemming wordt slechts als geldig beschouwd indien de meerderheid van de Raad zijn stem uitbrengt binnen de in genoemde procedure voorgeschreven termijnen.
Artikel 8
De werkzaamheden van de leden van de Raad van Bestuur alsmede van de President worden niet gehonoreerd door het Centrum.
Afdeling 3. Het Secretariaat
Artikel 9
Het Secretariaat bestaat uit een Secretaris-Generaal, een of meer Plaatsvervangende Secretarissen-Generaal en verder personeel.
Artikel 10
De Secretaris-Generaal en de Plaatsvervangende Secretarissen-Generaal worden op voordracht van de Voorzitter gekozen door de Raad van Bestuur met een meerderheid van twee derden van zijn leden voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar; zij zijn herkiesbaar. De Voorzitter stelt, na overleg met de leden van de Raad van Bestuur, voor elk ambt een of meer kandidaten voor.
Het ambt van Secretaris-Generaal en Plaatsvervangend Secretaris-Generaal is onverenigbaar met de uitoefening van een politieke functie. De Secretaris-Generaal en de Plaatsvervangende Secretarissen-Generaal kunnen uitsluitend met toestemming van de Raad van Bestuur andere ambten vervullen of andere beroepswerkzaamheden verrichten.
Wanneer de Secretaris-Generaal afwezig is of niet tot handelen in staat is, of wanneer het ambt vacant is, treedt de Plaatsvervangende Secretaris-Generaal op als Secretaris-Generaal.
Indien er meer dan een Plaatsvervangende Secretaris-Generaal zal zijn, stelt de Raad van Bestuur tevoren de volgorde vast, waarin zij zullen optreden als Secretaris-Generaal.
Artikel 11
De Secretaris-Generaal is de vertegenwoordiger in rechten en de hoogste ambtenaar van het Centrum. Hij is verantwoordelijk voor het beheer daarvan, waaronder de benoeming van de leden van het personeel overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en de door de Raad van Bestuur vastgestelde bepalingen. Hij treedt op als griffier en is bevoegd de scheidsrechterlijke uitspraken, gewezen ingevolge dit Verdrag, te legaliseren en afschriften daarvan te waarmerken.
Afdeling 4. De Lijsten
Artikel 12
De Lijst van Bemiddelaars en de Lijst van Arbiters bestaan ieder uit namen van personen die de voor deze functies vereiste bekwaamheden bezitten en aangewezen zijn op de hierna bepaalde wijze en die goedvinden, op deze Lijsten te worden vermeld.
Artikel 13
Iedere Verdragsluitende Staat kan voor elke Lijst vier personen aanwijzen, die onderdaan van die Staat kunnen doch niet behoeven te zijn.
De Voorzitter kan tien personen aanwijzen voor iedere Lijst. De aldus voor een Lijst aangewezen personen dienen ieder van verschillende nationaliteit te zijn.
Artikel 14
De voor de Lijsten aangewezen personen dienen van hoog zedelijk karakter en erkende deskundigen op het gebied van het recht, van de handel, de industrie of de financiën te zijn, op wier onafhankelijkheid van oordeel kan worden vertrouwd. Deskundigheid op juridisch gebied is van bijzonder belang voor de op de Lijst van Arbiters vermelde personen.
De Voorzitter houdt voorts bij zijn aanwijzing van personen voor de Lijsten rekening met het belang, dat op de Lijsten de voornaamste rechtsstelsels van de wereld en de belangrijkste vormen van economische bedrijvigheid zijn vertegenwoordigd.
Artikel 15
De aangewezen personen staan op de Lijst voor perioden van zes jaar, die kunnen worden verlengd.
Bij overlijden of aftreden van een der op de Lijsten vermelde personen heeft de autoriteit die deze persoon heeft aangewezen het recht, een opvolger aan te wijzen voor de resterende termijn.
De op de Lijsten vermelde personen blijven daarop vermeld tot hun opvolger is aangewezen.
Artikel 16
Eenzelfde persoon kan op beide Lijsten worden vermeld.
Indien een persoon door verschillende Verdragsluitende Staten, of door één of meer Verdragsluitende Staten en tevens door de Voorzitter, is aangewezen voor eenzelfde Lijst, wordt hij geacht te zijn aangewezen door de autoriteit die hem het eerst heeft aangewezen. Indien hij echter onderdaan is van één der Staten die hem hebben aangewezen, wordt hij geacht door die Staat te zijn aangewezen.
Alle aanwijzingen worden ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal en hebben rechtsgevolg vanaf het tijdstip waarop deze kennisgeving is ontvangen.
Afdeling 5. De Inkomsten van het Centrum
Artikel 17
Indien de uitgaven van het Centrum niet kunnen worden gedekt door de vergoedingen voor het gebruik van zijn diensten of door andere ontvangsten, worden de resterende kosten gedragen door de Verdragsluitende Partijen die lid zijn van de Bank, en door de Verdragsluitende Staten die geen lid van de Bank zijn, overeenkomstig de door de Raad van Bestuur vastgestelde regels.
Afdeling 6. Status, immuniteiten en voorrechten
Artikel 18
Het Centrum bezit volledige rechtspersoonlijkheid naar internationaal recht. De rechtsbevoegdheid van het Centrum omvat onder meer:
- a). het aangaan van overeenkomsten;
- b). het verwerven en vervreemden van roerend en onroerend goed;
- c). het optreden in rechte.
Artikel 19
Ten einde zijn werkzaamheden te kunnen verrichten geniet het Centrum op het grondgebied van elk der Verdragsluitende Staten de in deze Afdeling neergelegde immuniteiten en voorrechten.
Artikel 20
Het Centrum, alsmede zijn eigendommen en tegoeden, genieten immuniteit van rechtsmacht, tenzij het Centrum afstand doet van deze immuniteit.
Artikel 21
De Voorzitter, de leden van de Raad van Bestuur, zij die optreden als bemiddelaars, arbiters of als leden van een Comité ingesteld ingevolge artikel 52, lid 3, alsmede de ambtenaren en het overige personeel van het secretariaat:
- a). genieten immuniteit van rechtsmacht met betrekking tot handelingen die zij bij het vervullen van hun taak hebben verricht, tenzij het Centrum afstand doet van deze immuniteit;
- b). genieten, indien zij geen onderdaan zijn van de Staat waar zij hun werkzaamheden verrichten, dezelfde immuniteiten terzake van immigratiebeperkingen, voorschriften voor vreemdelingenregistratie en dienstplicht, alsmede dezelfde faciliteiten terzake van deviezenbeperkingen en dezelfde behandeling, voorzover het betreft het maken van reizen als die welke de Verdragsluitende Staten verlenen aan de vertegenwoordigers, ambtenaren en het overige personeel van overeenkomstige rang van andere Verdragsluitende Staten.
Artikel 22
De bepalingen van artikel 21 zijn van toepassing op hen die als partij, vertegenwoordiger, raadsman, advocaat, getuige of deskundige aan een geding volgens dit Verdrag deelnemen, met dien verstande echter dat het bepaalde sub b) slechts van toepassing is ten aanzien van hun reis naar en van, en hun verblijf in de plaats waar het geding wordt gehouden.
Artikel 23
De archieven van het Centrum zijn onschendbaar, onverschillig waar zij zich bevinden.
Elke Verdragsluitende Staat verleent het Centrum met betrekking tot zijn officiële verbindingen, een behandeling die tenminste even gunstig is als die welke hij aan andere internationale organisaties verleent.
Artikel 24
Het Centrum, alsmede zijn tegoeden, eigendommen en inkomsten en de op grond van dit Verdrag door hen verrichte handelingen en transacties zijn vrijgesteld van alle belastingen en douanerechten. Het Centrum is eveneens vrijgesteld van elke aansprakelijkheid voor de invordering of betaling van belastingen of douanerechten.
Geen belasting wordt geheven op of in verband met de door het Centrum aan de Voorzitter of de leden van de Raad van Bestuur betaalde onkostenvergoedingen, of op of in verband met de salarissen, onkostenvergoedingen of andere emolumenten welke door het Centrum aan de ambtenaren of het overige personeel van het Secretariaat worden betaald, behalve voor zover het betreft hen, die onderdaan zijn van het land waar zij hun werkzaamheden verrichten.
Geen belasting wordt geheven op of in verband met de honoraria of onkostenvergoedingen, ontvangen door personen die optreden als bemiddelaars, arbiters of leden van een ingevolge artikel 52, lid 3, ingesteld Comité, in de gedingen die krachtens dit Verdrag plaatsvinden, indien het enige aanknopingspunt voor het opleggen van die belasting is de plaats waar het Centrum is gelegen of de plaats waar het geding plaatsvindt, of de plaats waar deze honoraria of vergoedingen worden betaald.
HOOFDSTUK II. Het werkterrein van het Centrum
Artikel 25
Het werkterrein van het Centrum omvat de beslechting van alle rechtsgeschillen tussen een Verdragsluitende Staat (of een samenstellend deel of een orgaan van die Staat, hetwelk als zodanig door die Verdragsluitende Staat aan het Centrum is aangewezen) en een onderdaan van een andere Verdragsluitende Staat, welke rechtstreeks voortvloeien uit een investering, en ten aanzien waarvan de partijen er schriftelijk in hebben toegestemd, deze aan het Centrum voor te leggen. Wanneer de partijen hun toestemming hebben gegeven, kan geen hunner deze eenzijdig intrekken.
Onder „onderdaan van een andere Verdragsluitende Staat” wordt verstaan:
- a). iedere natuurlijke persoon welke de nationaliteit van een andere Verdragsluitende Staat bezit dan van de Staat die partij is bij het geschil, op het tijdstip waarop partijen erin hebben toegestemd, zodanig geschil te onderwerpen aan bemiddeling of arbitrage, alsmede op het tijdstip waarop het verzoek bedoeld in artikel 28, lid 3, of artikel 36, lid 3, werd ingeschreven, doch met uitsluiting van ieder die op een van deze beide tijdstippen eveneens de nationaliteit bezit van de Verdragsluitende Staat die partij is in het geschil;
- b). iedere rechtspersoon die de nationaliteit bezat van een andere Verdragsluitende Staat dan van de Staat die partij is in het geschil, op het tijdstip waarop de partijen erin hebben toegestemd, zodanig geschil te onderwerpen aan bemiddeling of arbitrage, alsmede iedere rechtspersoon welke de nationaliteit van de Verdragsluitende Staat, partij bij het geschil, bezat op dat tijdstip en welke rechtspersoon partijen zijn overeengekomen, ter fine van dit Verdrag te beschouwen als onderdaan van een andere Verdragsluitende Staat wegens de overwegend buitenlandse belangen bij deze rechtspersoon.
Toestemming door een samenstellend deel of orgaan van een Verdragsluitende Staat behoeft de goedkeuring van die Staat, tenzij die Staat het Centrum mededeelt dat een dergelijke goedkeuring niet vereist is.
Elke Verdragsluitende Staat kan bij bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag of op ieder later tijdstip het Centrum in kennis stellen van de categorie of categorieën van geschillen welke naar het oordeel van die Staat al dan niet in aanmerking komen om aan het Centrum voorgelegd te worden. De Secretaris-Generaal deelt alle Verdragsluitende Staten deze kennisgeving terstond mede. Een dergelijke kennisgeving vormt niet de in lid 1 bedoelde toestemming.
Artikel 26
Toestemming van partijen tot arbitrage volgens dit Verdrag wordt, tenzij anders wordt verklaard, beschouwd als toestemming tot zodanige arbitrage met uitsluiting van ieder ander beslechtingsmiddel. Een Verdragsluitende Staat kan, als voorwaarde voor zijn toestemming tot arbitrage volgens dit Verdrag, eisen dat de nationale administratieve of gerechtelijke middelen tot beslechting zijn uitgeput.
Artikel 27
Geen der Verdragsluitende Staten verleent diplomatieke bescherming of stelt een volkenrechtelijke eis met betrekking tot een geschil, dat een van zijn onderdanen en een andere Verdragsluitende Staat zijn overeengekomen aan arbitrage volgens dit Verdrag te onderwerpen of reeds onderworpen hebben, tenzij de andere Verdragsluitende Staat zich niet heeft gedragen overeenkomstig de inzake dat geschil gewezen uitspraak en deze niet heeft nagekomen.
Onder diplomatieke bescherming, bedoeld in lid 1, zijn niet begrepen de informele diplomatieke stappen, uitsluitend dienende om een beslechting van het geschil te vergemakkelijken.
HOOFDSTUK III. Bemiddeling
Afdeling 1. Het verzoek tot bemiddeling
Artikel 28
Een Verdragsluitende Staat of een onderdaan van een Verdragsluitende Staat die een bemiddelingsprocedure wenst aanhangig te maken, wendt zich met een daartoe strekkend schriftelijk request tot de Secretaris-Generaal, die een afschrift van het request aan de andere partij zendt.
Het request bevat inlichtingen omtrent de punten van geschil, de hoedanigheid der partijen en hun toestemming tot bemiddeling in overeenstemming met de procedureregels voor het aanhangig maken van een bemiddelings- of arbitragegeding.
De Secretaris-Generaal schrijft het request in, tenzij hij, op grond van de in het request vervatte gegevens, van oordeel is dat het geschil duidelijk buiten het werkterrein van het Centrum valt. Hij stelt de partijen terstond in kennis van de inschrijving of de weigering van de inschrijving.
Afdeling 2. De samenstelling van de Bemiddelingscommissie
Artikel 29
De Bemiddelingscommissie (hierna te noemen de Commissie) wordt zo spoedig mogelijk na de inschrijving van het request bedoeld in artikel 28, samengesteld.
- a). De Commissie bestaat uit één bemiddelaar of een oneven aantal bemiddelaars, benoemd op door de partijen overeen te komen wijze.
- b). Indien partijen geen overeenstemming bereiken over het aantal bemiddelaars en de wijze van benoeming, bestaat de Commissie uit drie bemiddelaars; iedere partij benoemt een bemiddelaar en de derde, die optreedt als voorzitter van de Commissie, wordt bij overeenstemming tussen de partijen benoemd.
Artikel 30
Indien de Commissie niet is samengesteld binnen 90 dagen nadat de kennisgeving van inschrijving van het request door de Secretaris-Generaal overeenkomstig artikel 28, lid 3, is verzonden of binnen een andere tussen partijen overeengekomen termijn, benoemt de Voorzitter op verzoek van een van beide partijen, en voor zover mogelijk na raadpleging van beide partijen, de nog niet benoemde bemiddelaar of bemiddelaars.
Artikel 31
Als bemiddelaars kunnen worden benoemd personen die niet op de Lijst van Bemiddelaars voorkomen, tenzij het een benoeming door de Voorzitter ingevolge artikel 30 betreft.
Op deze wijze benoemde bemiddelaars dienen te voldoen aan de in artikel 14, lid 1, gestelde eisen.
Afdeling 3. Het geding voor de Bemiddelingscommissie
Artikel 32
De Commissie beslist over haar bevoegdheid.
Elke exceptie, door een der partijen opgeworpen, inhoudende dat het geschil niet binnen het werkterrein van het Centrum, of om andere redenen niet binnen de bevoegdheid van de Commissie valt, wordt door de Commissie in overweging genomen, die bepaalt of zij behandeld zal worden als een preliminaire vraag dan wel gelijktijdig met de hoofdzaak zal dienen.
Artikel 33
De bemiddelingsprocedure wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling en, tenzij partijen anders overeenkomen, overeenkomstig de Procedureregels voor Bemiddeling, van kracht op het tijdstip waarop partijen in bemiddeling hebben toegestemd. Indien een vraag rijst inzake de procedure waarin niet door deze Afdeling of door de genoemde Procedureregels of enige andere door partijen aanvaarde regel wordt voorzien, beslist de Commissie.
Artikel 34
Het is de taak van de Commissie om de geschilpunten tussen de partijen op te helderen en te trachten een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Daartoe kan de Commissie in iedere fase van het geding, en van tijd tot tijd, aan partijen aanbevelingen doen voor een regeling van het geschil. De partijen dienen te goeder trouw samen te werken met de Commissie ten einde haar in staat te stellen, haar werkzaamheden te verrichten, en dienen haar aanbevelingen in zeer ernstige overweging te nemen.
Indien de partijen overeenstemming bereiken, stelt de Commissie een rapport op, inhoudende de punten van geschil en vermeldende dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Indien in enige fase van het geding de Commissie meent dat overeenstemming tussen partijen niet mogelijk is, sluit zij het geding en stelt een rapport op, vermeldende dat het geschil is onderworpen aan bemiddeling en dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt. Indien een der partijen niet verschijnt of niet deelneemt aan het geding, sluit de Commissie het geding en stelt een rapport op, vermeldende dat die partij niet verschenen is of niet heeft deelgenomen aan het geding.
Artikel 35
Tenzij partijen bij het geschil anders overeenkomen, is geen der partijen bij een bemiddelingsgeding gerechtigd in enig ander geding, hetzij voor arbiters, hetzij voor een rechtbank of op andere wijze, een beroep te doen of te stemmen op door de andere partij in het bemiddelingsgeding geuite meningen, verklaringen, erkenningen of voorstellen tot regeling, dan wel op het rapport of de aanbevelingen, opgesteld door de Commissie.
HOOFDSTUK IV. Arbitrage
Afdeling 1. Het verzoek tot arbitrage
Artikel 36
Een Verdragsluitende Staat of een onderdaan van een Verdragsluitende Staat die een arbitragegeding wenst aanhangig te maken, wendt zich met een daartoe strekkend schriftelijk request tot de Secretaris-Generaal, die een afschrift van het request aan de andere partij zendt.
Het request bevat inlichtingen omtrent de punten van geschil, de hoedanigheid der partijen en hun toestemming tot arbitrage in overeenstemming met de procedureregels voor het aanhangig maken van een bemiddelings- of arbitrageprocedure.
De Secretaris-Generaal schrijft het request in, tenzij hij op grond van de in het request vervatte gegevens van oordeel is, dat het geschil duidelijk buiten het werkterrein van het Centrum valt. Hij stelt de partijen terstond in kennis van de inschrijving of de weigering van de inschrijving.
Afdeling 2. De samenstelling van het Scheidsgerecht
Artikel 37
Het Scheidsgerecht wordt zo spoedig mogelijk na de inschrijving van een request bedoeld in artikel 36 samengesteld.
- a). Het Scheidsgerecht bestaat uit één arbiter of een oneven aantal arbiters, benoemd op door de partijen overeen te komen wijze.
- b). Indien partijen geen overeenstemming bereiken over het aantal arbiters en de wijze van benoeming, bestaat het Scheidsgerecht uit drie arbiters; iedere partij benoemt een arbiter, en de derde, die optreedt als Voorzitter van het Scheidsgerecht, wordt bij overovereenstemming tussen partijen benoemd.
Artikel 38
Indien het Scheidsgerecht niet is samengesteld binnen 90 dagen nadat de kennisgeving van inschrijving van het request door de Secretaris-Generaal overeenkomstig artikel 36, lid 3, is verzonden, of binnen een andere tussen partijen overeengekomen termijn, benoemt de Voorzitter op verzoek van een van beide partijen en voor zover mogelijk na raadpleging van beide partijen, de nog niet benoemde arbiter of arbiters. De door de Voorzitter ingevolge de bepalingen van dit artikel benoemde arbiters mogen geen onderdaan zijn van de Verdragsluitende Staat welke partij is bij het geschil of van de Verdragsluitende Staat wiens onderdaan partij is bij het geschil.
Artikel 39
De meerderheid der arbiters dient onderdaan te zijn van andere Staten dan de Verdragsluitende Staat die partij is bij het geschil en dan de Verdragsluitende Staat wiens onderdaan partij is bij het geschil, met dien verstande evenwel dat bovenstaande bepalingen van dit artikel niet van toepassing zijn, indien de partijen in onderlinge overeenstemming de enige arbiter of elk der leden van het Scheidsgerecht hebben benoemd.
Artikel 40
Als arbiters kunnen worden benoemd personen die niet op de Lijst van Arbiters voorkomen, tenzij het een benoeming door de Voorzitter ingevolge artikel 38 betreft.
Op deze wijze benoemde arbiters dienen te voldoen aan de in artikel 14, eerste lid, gestelde eisen.
Afdeling 3. De bevoegdheden en functies van het Scheidsgerecht
Artikel 41
Het Scheidsgerecht beslist over zijn bevoegdheid.
Elke exceptie door een der partijen opgeworpen inhoudende dat het geschil niet binnen het werkterrein van het Centrum, of om andere redenen niet binnen de bevoegdheid van het Scheidsgerecht valt, wordt door het Scheidsgerecht in overweging genomen, dat bepaalt of zij behandeld dient te worden als een preliminaire vraag dan wel gelijktijdig met de hoofdzaak zal dienen.
Artikel 42
Het Scheidsgerecht beslist over een geschil in overeenstemming met zodanige rechtsregels als door partijen zal zijn overeengekomen. Bij gebreke aan zulk een overeenstemming past het Scheidsgerecht het recht toe van de Verdragsluitende Staat, die partij is bij het geschil, waaronder mede dienen te worden verstaan diens regels betreffende het conflictenrecht, alsmede die volkenrechtelijke regels, welke van toepassing kunnen zijn op de zaak.
Het Scheidsgerecht mag niet weigeren, recht te spreken onder het motief van het stilzwijgen of de duisterheid van het recht.
De bepalingen der vorige leden doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht om een uitspraak ex aequo et bono te doen, indien de partijen zulks overeenkomen.
Artikel 43
Tenzij partijen anders overeenkomen kan het Scheidsgerecht, indien het zulks nodig oordeelt, in elke fase van het geding:
- a). de partijen opdragen, stukken of ander bewijs over te leggen, alsmede
- b). zich naar de plaats van het geschil begeven en daar die onderzoekingen verrichten die het nodig oordeelt.
Artikel 44
Het arbitragegeding wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van deze Afdeling, en tenzij partijen anders overeenkomen, overeenkomstig de Procedureregels voor Arbitrage, van kracht op het tijdstip waarop zij hebben ingestemd met de arbitrage. Indien een vraag rijst over de procedure, waarin niet is voorzien door deze Afdeling, of door de Procedureregels voor Arbitrage, of door enige door partijen overeengekomen regels, wordt deze vraag beslist door het Scheidsgerecht.
Artikel 45
Indien een der partijen niet verschijnt of haar zaak niet uiteenzet, wordt dit niet beschouwd als een erkenning van de juistheid van de beweringen van de wederpartij.
Indien een der partijen niet verschijnt of haar zaak niet uiteenzet in enige fase van het geding, kan de wederpartij het Scheidsgerecht verzoeken de voorgelegde vragen toch te behandelen en een uitspraak te geven. Alvorens een uitspraak te geven, doet het Scheidsgerecht de partij die niet verschijnt of haar zaak niet uiteenzet, hiervan aanzegging, en verleent die partij uitstel, tenzij het ervan overtuigd is dat genoemde partij niet voornemens is te verschijnen of haar zaak uiteen te zetten.
Artikel 46
Tenzij partijen anders overeenkomen beslist het Scheidsgerecht, op verzoek van een der partijen, over bijkomende of verderstrekkende eisen dan wel eisen in reconventie, welke rechtstreeks verband houden met het voorwerp van geschil, mits deze eisen binnen het kader van de door partijen gegeven toestemming en overigens binnen het werkterrein van het Centrum vallen.
Artikel 47
Tenzij partijen anders overeenkomen kan het Scheidsgerecht, indien het zulks op grond van de omstandigheden noodzakelijk acht, voorlopige maatregelen aanbevelen ter bescherming van de rechten van partijen.
Afdeling 4. De Uitspraak
Artikel 48
Het Scheidsgerecht beslist over alle vragen met meerderheid van stemmen van al zijn leden.
De uitspraak wordt schriftelijk gegeven en wordt getekend door de leden van het Scheidsgerecht die daarvoor hebben gestemd.
De uitspraak behandelt alle aan het Scheidsgerecht voorgelegde vragen en bevat de redenen waarop zij is gegrond.
Ieder lid van het Scheidsgerecht kan aan de uitspraak hetzij zijn persoonlijke mening, onafhankelijk van het feit of hij het oordeel van de meerderheid al dan niet deelt, hetzij een verklaring van zijn afwijkend oordeel toevoegen.
Het Centrum publiceert de uitspraak niet dan met instemming van de partijen.
Artikel 49
De Secretaris-Generaal doet onverwijld aan partijen gewaarmerkte afschriften van de uitspraak toekomen. De uitspraak wordt geacht te zijn gedaan op de dag waarop genoemde afschriften zijn verzonden.
Op verzoek van een der partijen binnen 45 dagen na de uitspraak, kan het Scheidsgerecht, na kennisgeving daarvan aan de wederpartij, beslissen inzake ieder vraagpunt waarover het heeft nagelaten in de uitspraak te beslissen, alsmede iedere verschrijving, verrekening of soortgelijke vergissing in de uitspraak herstellen. Deze beslissing vormt een deel van de uitspraak en wordt op dezelfde wijze als die uitspraak ter kennis gebracht van partijen. De in artikel 51, lid 2, en in artikel 52, lid 2, bedoelde termijnen beginnen te lopen vanaf het tijdstip van de desbetreffende beslissing.
Afdeling 5. Interpretatie, revisie en vernietiging van de uitspraak
Artikel 50
Indien een geschil tussen de partijen rijst inzake de bedoeling of de betekenis van een uitspraak, kan een der partijen schriftelijk een request tot interpretatie van de uitspraak tot de Secretaris-Generaal richten.
Het request wordt zo mogelijk voorgelegd aan het Scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gewezen. Indien zulks niet mogelijk is, wordt een nieuw Scheidsgerecht gevormd overeenkomstig Afdeling 2 van dit Hoofdstuk. Het Scheidsgerecht kan, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, de tenuitvoerlegging van de uitspraak schorsen, totdat het zich heeft uitgesproken.
Artikel 51
Elk der partijen kan schriftelijk aan de Secretaris-Generaal een request tot revisie van de uitspraak richten, wegens het aan het licht treden van een feit van dien aard dat het de uitspraak beslissend kan beïnvloeden, mits dit feit aan het Scheidsgerecht en aan de verzoekende partij niet bekend was toen de uitspraak werd gewezen, en mits de laatste dit feit niet had behoren te kennen.
Het verzoekschrift wordt ingediend binnen 90 dagen na het aan het licht treden van dit nieuwe feit en in elk geval binnen 3 jaar na de datum van de uitspraak.
Het verzoekschrift wordt zo mogelijk voorgelegd aan het Scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gewezen. Indien zulks niét mogelijk is, wordt een nieuw Scheidsgerecht gevormd overeenkomstig Afdeling 2 van dit Hoofdstuk.
Het Scheidsgerecht kan, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, de tenuitvoerlegging van de uitspraak schorsen, totdat het zich heeft uitgesproken. Indien de verzoekende partij in zijn request vraagt om schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak, wordt de tenuitvoerlegging voorlopig opgeschort, totdat het Scheidsgerecht over dit verzoek heeft beslist.
Artikel 52
Elk der partijen kan schriftelijk de Secretaris-Generaal verzoeken om vernietiging van de uitspraak om een der volgende redenen:
- a). onjuiste samenstelling van het Scheidsgerecht,
- b). klaarblijkelijke overschrijding van zijn bevoegdheden door het Scheidsgerecht,
- c). corruptie van een der leden van het Scheidsgerecht,
- d). ernstige afwijking van een grondregel van procedure, of
- e). het ontbreken in de uitspraak van de gronden waarop deze is gewezen.
Het verzoekschrift wordt ingediend binnen 120 dagen na de datum van de uitspraak tenzij de nietigverklaring wordt gevraagd wegens corruptie; in dat geval dient het verzoekschrift te worden ingediend binnen 120 dagen na ontdekking van de corruptie en in elk geval binnen 3 jaar na de datum van de uitspraak.
Na ontvangst van het verzoekschrift benoemt de Voorzitter terstond uit de Lijst van Arbiters een Comité ad hoc, bestaande uit drie leden. De leden van dit Comité mogen geen deel hebben uitgemaakt van het Scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gewezen, noch dezelfde nationaliteit bezitten als een der leden van dit Scheidsgerecht, noch ook die van de Staat die partij is bij het geschil of van de Staat waarvan een onderdaan partij is bij het geschil, noch zijn aangewezen voor de Lijst van Arbiters door een van deze beide Staten, noch als bemiddelaar in hetzelfde geding zijn opgetreden. Het Comité is bevoegd, de uitspraak geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren wegens een der in lid 1 van dit artikel genoemde redenen.
De bepalingen van de artikelen 41—45, 48, 49, 53 en 54 van hoofdstuk VI en VII zijn mutatis mutandis van toepassing op het geding voor het Comité.
Het Comité kan, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, besluiten de tenuitvoerlegging van de uitspraak te schorsen totdat het uitspraak heeft gedaan. Indien de verzoekende partij in zijn verzoekschrift om schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitspraak vraagt, wordt de tenuitvoerlegging voorlopig geschorst totdat het Comité over dit verzoek heeft beslist.
Indien de uitspraak wordt vernietigd, wordt het geschil op verzoek van een van beide partijen aan een nieuw Scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Afdeling 2 van dit Hoofdstuk, voorgelegd.
Afdeling 6. Erkenning en Tenuitvoerlegging van de Uitspraak
Artikel 53
De uitspraak is bindend voor partijen en niet onderworpen aan beroep of enig ander rechtsmiddel met uitzondering van die voorzien in dit Verdrag.
Iedere partij dient zich overeenkomstig de bepalingen van de uitspraak te gedragen en deze na te komen, behalve voor zover de tenuitvoerlegging is geschorst ingevolge de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
Voor de toepassing van deze Afdeling, omvat „de uitspraak” mede iedere beslissing tot interpretatie, revisie of nietigverklaring van de uitspraak, genomen overeenkomstig artikel 50, 51 of 52.
Artikel 54
Iedere Verdragsluitende Staat erkent een ingevolge dit Verdrag gewezen uitspraak als bindend en draagt zorg voor de tenuitvoerlegging op zijn grondgebied van de financiële verplichtingen die deze uitspraak oplegt als ware zij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een gerecht van die Staat. Een Verdragsluitende Staat die het karakter draagt van een bondsstaat, kan zulk een uitspraak ten uitvoer leggen door tussenkomst van zijn federale gerechten en bepalen dat deze een dergelijke uitspraak moeten behandelen als ware zij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de gerechten van een der samenstellende delen van die Staat.
Ten einde erkenning en tenuitvoerlegging van een uitspraak op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat te verkrijgen, dient de betrokken partij een door de Secretaris-Generaal gewaarmerkt afschrift van de beslissing over te leggen aan een bevoegd nationaal gerecht of aan een andere autoriteit, door genoemde Staat voor dat doel aangewezen. Iedere Verdragsluitende Staat doet de Secretaris-Generaal mededeling van de aanwijzing voor dat doel van het bevoegde gerecht of de andere autoriteit, en van eventuele veranderingen in deze aanwijzing.
De tenuitvoerlegging van de uitspraak wordt beheerst door de wetgeving betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen, van kracht in de Staat op wiens grondgebied de tenuitvoerlegging wordt verlangd.
Artikel 55
Geen der bepalingen van artikel 54 kan worden uitgelegd als afbreuk te doen aan het recht, van kracht in een Verdragsluitende Staat, betreffende de immuniteit van deze Staat of van een vreemde Staat ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vonnissen.
HOOFDSTUK V. Vervanging en Uitsluiting van Bemiddelaars en Arbiters
Artikel 56
Nadat een Commissie of een Scheidsgerecht is samengesteld en het geding is begonnen, blijft de samenstelling daarvan ongewijzigd. Ingeval echter van overlijden, onvermogen of aftreden van een bemiddelaar of een arbiter, wordt in de vacature voorzien overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III, Afdeling 2, of van Hoofdstuk IV, Afdeling 2.
Een lid van een Commissie of van een Scheidsgerecht blijft zijn werkzaamheden als zodanig vervullen, ook al is zijn naam afgevoerd van de Lijst.
Indien een bemiddelaar of een arbiter, benoemd door een der partijen, ontslag neemt zonder toestemming van de Commissie of het Scheidsgerecht waarvan hij lid was, voorziet de Voorzitter in de vacature door een der op de desbetreffende Lijst vermelde personen aan te wijzen.
Artikel 57
Een partij kan de Commissie of het Scheidsgerecht voorstellen, een der leden te disqualificeren wegens enig feit dat wijst op een klaarblijkelijk ontbreken van de in artikel 14, eerste lid, vereiste hoedanigheden. Een partij bij een arbitragegeding kan bovendien disqualificatie van een arbiter voorstellen met het motief dat deze niet voldeed aan de in Afdeling 2 van Hoofdstuk IV gestelde voorwaarden voor benoeming in het Scheidsgerecht.
Artikel 58
De overige leden van de Commissie, onderscheidenlijk het Scheidsgerecht beslissen over elk voorstel tot disqualificatie van een bemiddelaar of een arbiter. Bij staking van stemmen, of indien het verzoek tot disqualificatie betrekking heeft op één bemiddelaar of arbiter of op een meerderheid van de leden van de Commissie of van het Scheidsgerecht, wordt deze beslissing genomen door de Voorzitter. Indien de beslissing luidt dat het voorstel gegrond is, wordt de betrokken bemiddelaar of arbiter vervangen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III, Afdeling 2, of van Hoofdstuk IV, Afdeling 2.
HOOFDSTUK VI. De kosten van het geding
Artikel 59
De door partijen wegens gebruikmaking van de diensten van het Centrum verschuldigde bedragen worden door de Secretaris-Generaal vastgesteld in overeenstemming met de door de Raad van Bestuur terzake vastgestelde reglementen.
Artikel 60
Iedere Commissie en ieder Scheidsgerecht stelt de honoraria en onkostenvergoedingen van zijn leden vast, binnen door de Raad van Bestuur van tijd tot tijd opgestelde grenzen, en na overleg met de Secretaris-Generaal.
Het bepaalde in het vorige lid sluit niet uit, dat partijen bij voorbaat, met de Commissie of het Scheidsgerecht, de honoraria en onkostenvergoedingen van zijn leden overeenkomen.
Artikel 61
Bij een bemiddelingsgeding worden de honoraria en onkostenvergoedingen van de leden van de Commissie, alsmede de wegens gebruikmaking van de diensten van het Centrum verschuldigde bedragen, voor gelijke delen door partijen gedragen. Iedere partij draagt alle andere kosten die zij in verband met het geding maakt.
Bij een arbitragegeding stelt het Scheidsgerecht, tenzij partijen anders overeenkomen, het bedrag der door hen in verband met het geding gemaakte kosten vast en beslist over de wijze van verdeling en betaling van genoemde kosten, van de honoraria en de onkostenvergoedingen van de leden van het Scheidsgerecht, alsmede van de bedragen verschuldigd wegens gebruikmaking van de diensten van het Centrum. Dit besluit vormt een deel van de uitspraak.
HOOFDSTUK VII. De plaats van het geding
Artikel 62
De bemiddelings- en arbitragegedingen bedoeld in dit Verdrag dienen ter plaatse waar het Centrum is gevestigd, behoudens het hierna bepaalde.
Artikel 63
Indien partijen aldus besluiten, kunnen de bemiddelings- en arbitragegedingen dienen:
- a). hetzij ter plaatse waar het Permanent Hof van Arbitrage of enige andere daarvoor in aanmerking komende instelling van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke aard, waarmee het Centrum de nodige regelingen ter zake kan treffen, is gevestigd;
- b). hetzij op een andere door de Commissie of het Scheidsgerecht na overleg met de Secretaris-Generaal goedgekeurde plaats.
HOOFDSTUK VIII. Geschillen tussen de Verdragsluitende Staten
Artikel 64
Geschillen die rijzen tussen de Verdragsluitende Staten met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag, die niet door onderhandelingen worden opgelost, worden op verzoek van een der partijen bij het geschil voor het Internationale Gerechtshof gebracht, tenzij de betrokken Staten een andere wijze van beslechting overeenkomen.
HOOFDSTUK IX. Wijzigingen
Artikel 65
Iedere Verdragsluitende Staat kan wijzigingen in dit Verdrag voorstellen. De tekst van een wijzigingsvoorstel wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal uiterlijk 90 dagen vóór de vergadering van de Raad van Bestuur waarop genoemde wijziging moet worden overwogen en wordt door de Secretaris-Generaal terstond ter kennis gebracht van alle leden van de Raad van Bestuur.
Artikel 66
Indien de Raad van Bestuur daartoe met een meerderheid van twee derden van zijn leden besluit, wordt de voorgestelde wijziging aan alle Verdragsluitende Staten toegezonden ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. Iedere wijziging treedt in werking 30 dagen nadat de depositaris van dit Verdrag aan de Verdragsluitende Staten kennisgeving heeft verzonden van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijziging door alle Verdragsluitende Staten.
Geen wijziging kan afbreuk doen aan de rechten en verplichtingen krachtens dit Verdrag van een Verdragsluitende Staat, een samenstellend deel of een orgaan van die Staat, of van een onderdaan van een Verdragsluitende Staat, die voortvloeien uit toestemming tot de bevoegdheid van het Centrum, gegeven vóór het tijdstip waarop zulk een wijziging in werking treedt.
HOOFDSTUK X. Slotbepalingen
Artikel 67
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door Staten die lid zijn van de Bank. Het staat tevens open voor ondertekening door alle andere Staten die partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, indien de Raad van Bestuur hen met een meerderheid van twee derden van zijn leden heeft uitgenodigd het Verdrag te ondertekenen.
Artikel 68
Dit Verdrag wordt door de ondertekenende Staten in overeenstemming met hun grondwettelijke procedures bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd.
Dit Verdrag treedt in werking 30 dagen na het tijdstip van nederlegging van de 20ste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. Ten aanzien van Staten die op een later tijdstip hun akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nederleggen, treedt het in werking 30 dagen na het tijdstip van die nederlegging.
Artikel 69
De Verdragsluitende Staten nemen de wettelijke en andere maatregelen, welke nodig zijn om de bepalingen van dit Verdrag van kracht te doen zijn op hun grondgebied.
Artikel 70
Dit Verdrag is van toepassing op alle gebieden waarvan de buitenlandse betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van een der Verdragsluitende Staten vallen, tenzij die Staat deze gebieden, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris van dit Verdrag, heeft uitgesloten, hetzij op het tijdstip van de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, hetzij op enig later tijdstip.
Artikel 71
De Verdragsluitende Staten kunnen dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris van dit Verdrag. De opzegging heeft rechtsgevolg vanaf zes maanden na ontvangst van een dergelijke kennisgeving.
Artikel 72
Een kennisgeving door een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de artikelen 70 of 71 doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen krachtens dit Verdrag van die Staat of van een van zijn samenstellende delen of organen of van een onderdaan van die Staat, die voortvloeien uit toestemming tot de bevoegdheid van het Centrum, gegeven vóór het tijdstip waarop genoemde kennisgeving door de depositaris is ontvangen.
Artikel 73
De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag en van daarin aangebrachte wijzigingen, worden nedergelegd bij de Bank, die zal optreden als depositaris van dit Verdrag. De depositaris zendt gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag aan de Staten die lid zijn van de Bank en aan iedere andere Staat die is uitgenodigd het Verdrag te ondertekenen.
Artikel 74
De depositaris laat dit Verdrag bij het Secretariaat van de Verenigde Naties registreren overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, en het krachtens dit artikel door de Algemene Vergadering aangenomen Reglement.
Artikel 75
De depositaris stelt alle ondertekenende Staten in kennis van:
- a). ondertekeningen overeenkomstig artikel 67;
- b). nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding en goedkeuring overeenkomstig artikel 73;
- c). het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig artikel 68;
- d). uitsluitingen van territoriale toepassing ingevolge artikel 70;
- e). het tijdstip van inwerkingtreding van wijzigingen van dit Verdrag overeenkomstig artikel 66;
- f). opzeggingen overeenkomstig artikel 71.
DONE at Washington in the English, French and Spanish languages, all three texts being equally authentic, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the International Bank for Reconstruction and Development, which has indicated by its signature below its agreement to fulfil the functions with which it is charged under this Convention.
For the International Bank for Reconstruction and Development:
(sd.) GEORGE D. WOODS
President
(sd.) H. BROCHES
General Counsel
18 March 1965
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)