Verdrag betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen
De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,
Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 1 juni 1966 in haar vijftigste zitting;
Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende de accommodatie aan boord van vissersschepen, welk onderwerp een onderdeel is van het zesde punt van de agenda der zitting;
Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag zullen aannemen,
Neemt heden, de 21ste juni 1966, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de Accommodatie van Scheepsbemanningen (Vissers), 1966”:
DEEL I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Dit Verdrag is van toepassing op alle mechanisch voortgestuwde zeeschepen van welke aard ook, hetzij openbaar, hetzij particulier eigendom, die de zeevisserij beoefenen, en die geregistreerd zijn in een grondgebied ten aanzien waarvan dit Verdrag van kracht is.
De nationale wetgeving bepaalt wanneer schepen en vaartuigen dienen te worden beschouwd als zeeschepen in de zin van dit Verdrag.
Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en vaartuigen van minder dan 75 ton, zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen van 25 tot 75 ton, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is.
Voor de toepassing van dit Verdrag kan de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, de lengte in plaats van de tonnage als criterium nemen; in dit geval is het Verdrag niet van toepassing op schepen en vaartuigen met een lengte van minder dan 80 voet (24,4 meter), zij het dat het Verdrag wel wordt toegepast op schepen en vaartuigen met een lengte van 45 tot 80 voet (13,7 tot 24,4 meter), indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, oordeelt dat dit redelijk en mogelijk is.
Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- (a). schepen en vaartuigen die gewoonlijk voor de sportvisserij of voor ontspanning worden gebruikt;
- (b). schepen en vaartuigen die in hoofdzaak door middel van zeilen worden voortgestuwd, doch die zijn uitgerust met een hulpmotor;
- (c). schepen of vaartuigen die de walvisvaart of een soortgelijke visserij uitoefenen;
- (d). schepen voor visserijonderzoek of visserijbeschermingsvaartuigen.
De hiernavolgende bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op schepen die gewoonlijk minder dan 36 uur uit hun thuishavens wegblijven en waarop de bemanning niet ononderbroken aan boord verblijft als zij in de haven liggen:
- (a). Artikel 9, vierde lid;
- (b). Artikel 10;
- (c). Artikel 11;
- (d). Artikel 12;
- (e). Artikel 13, eerste lid;
- (f). Artikel 14;
- (g). Artikel 16,
mits de sanitaire voorzieningen op zulke schepen afdoende zijn en er eet- en kookgelegenheid, alsmede ruimte om te rusten is.
Van de bepalingen vervat in Deel III van dit Verdrag kan ten aanzien van elk schip worden afgeweken, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, ervan overtuigd is dat indien van bedoelde bepalingen wordt afgeweken, dit voordelen oplevert in die zin dat de omstandigheden in hun geheel daardoor niet minder gunstig worden dan die welke zich zouden voordoen, indien de bepalingen van dit Verdrag volledig zouden zijn toegepast; telkens wanneer aldus van de bedoelde bepalingen wordt afgeweken, dienen de bijzonderheden door het Lid ter kennis te worden gebracht van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, die er de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie van in kennis stelt.
Artikel 2
In dit Verdrag
- (a). wordt onder de term „vissersschip” of „schip” een schip of vaartuig verstaan waarop het Verdrag van toepassing is;
- (b). wordt onder de term „ton” bruto registerton verstaan;
- (c). wordt onder de term „lengte” verstaan de afstand gemeten tussen de voorzijde van de voorsteven ter hoogte van het bakdek en de achterzijde van de achtersteven of de voorkant van de roerkoning, indien er geen achtersteven is;
- (d). heeft de term „officier” betrekking op een persoon, niet zijnde de schipper, die volgens de nationale wetgeving of, zo daaromtrent geen nationale wetten bestaan, volgens onderlinge overeenkomst of gebruik de rang van officier heeft;
- (e). wordt onder de term „scheepsgezel” verstaan een lid van de bemanning niet zijnde een officier;
- (f). heeft de term „verblijven van de bemanning” mede betrekking op de slaapverblijven, de messrooms en de sanitaire voorzieningen, die de bemanning ter beschikking staan;
- (g). betekent de term „voorgeschreven”, voorgeschreven door de nationale wetgeving of door de bevoegde autoriteit;
- (h). betekent de term „goedgekeurd”, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit;
- (i). betekent de term „opnieuw ingeschreven”, opnieuw ingeschreven ter gelegenheid van een gelijktijdige verandering van vlag en van eigenaar van het vaartuig.
Artikel 3
Elk Lid waarvoor dit Verdrag van kracht is neemt de verplichting op zich wetten of voorschriften te handhaven die de toepassing van de bepalingen van Deel II, III en IV van dit Verdrag waarborgen.
Bedoelde wetten en voorschriften
- (a). verplichten de bevoegde autoriteit ze onder de aandacht te brengen van alle betrokkenen;
- (b). stellen vast wie voor de naleving ervan verantwoordelijk zijn;
- (c). voorzien in het instellen en onderhouden van een deugdelijk controleapparaat dat de naleving ervan waarborgt;
- (d). stellen passende straffen vast voor het overtreden daarvan;
- (e). verplichten de bevoegde autoriteit regelmatig overleg te plegen met de organisaties van de reders en de vissers, zo die er zijn, het formuleren van voorschriften en, voor zover mogelijk, met de betrokken partijen samen te werken bij het bindend maken daarvan.
DEEL II. Ontwerpen van en controle op de verblijven van de bemanning
Artikel 4
Alvorens een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een vissersschip, en alvorens de verblijven van de bemanning van een bestaand vaartuig ingrijpend worden gewijzigd of opnieuw worden gebouwd, dienen tot in bijzonderheden uitgewerkte ontwerpen van en gegevens omtrent deze verblijven ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit te worden voorgelegd.
Artikel 5
De bevoegde autoriteit inspecteert het vissersschip en overtuigt zich ervan dat de verblijven van de bemanning voldoen aan de wettelijke eisen en aan de voorschriften, telkens wanneer:
- (a). een vissersschip wordt ingeschreven of opnieuw wordt ingeschreven,
- (b). de verblijven van de bemanning ingrijpend zijn gewijzigd of opnieuw zijn gebouwd,
- (c). hetzij een erkende organisatie van vissers die de gehele bemanning of een deel ervan vertegenwoordigt, hetzij een voorgeschreven aantal of percentage van de bemanningsleden er zich, in een daartoe voorgeschreven vorm en op een zodanig tijdstip dat vertraging van het schip wordt voorkomen, bij de bevoegde autoriteit over beklaagt dat de verblijven van de bemanning niet voldoen aan de bepalingen van dit Verdrag.
Naar goeddunken van de bevoegde autoriteit kunnen periodieke controles worden uitgevoerd.
DEEL III. Eisen te stellen aan de bemanningsverblijven
Artikel 6
De ligging, de constructie en de indeling van, alsmede de toegang tot de bemanningsverblijven ten opzichte van andere ruimten, dienen zodanig te zijn dat veiligheid, bescherming tegen weersinvloeden en tegen zeewater, isolering tegen hitte en koude, alsmede bescherming tegen overmatig lawaai of uitwaseming van andere ruimten voldoende worden gewaarborgd.
Voor zover noodzakelijk dienen alle bemanningsverblijven van nooduitgangen te worden voorzien.
Indien enigszins mogelijk dienen rechtstreekse open verbindingen tussen de nachtverblijven en visruimen, opslagruimten voor vismeel, ruimten waar machines zijn opgesteld, kombuizen, opslagplaatsen voor lantaarns en verf, opslagplaatsen voor machines, opslagplaatsen aan dek en andere algemene bergplaatsen, droogruimten, gemeenschappelijke wasgelegenheden en W.C.'s te worden vermeden. Het schot dat deze ruimten scheidt van de nachtverblijven en verder naar buiten gelegen schotten dienen op degelijke wijze te zijn vervaardigd van staal of ander deugdelijk materiaal en dienen water- en gasdicht te zijn.
Buitenschorten van slaap- en eetruimten dienen een behoorlijk isolerend vermogen te hebben. De schotten van de machinekamer, alsmede alle buitenschorten van kombuizen en andere ruimten waarin zich warmte ontwikkelt, dienen een behoorlijk isolerend vermogen te hebben, indien de mogelijkheid bestaat dat deze warmte kan doordringen in de aangrenzende verblijven of gangen. Tevens dienen voorzieningen te worden getroffen die bescherming waarborgen tegen warmte die wordt uitgestraald door stoom- en/of warmwaterleidingen.
Binnenschotten dienen van goedgekeurd materiaal te zijn vervaardigd, dat onvatbaar is voor ongedierte.
Om te voorkomen dat zich condenswater vormt en ter voorkoming van oververhitting, moeten nacht- en dagverblijven, ontspanningsruimten en gangen binnen de ruimte die door de bemanningsverblijven wordt ingenomen, behoorlijk geïsoleerd zijn.
De stoomtoe- en afvoerleidingen van lieren en dergelijke werktuigen mogen, wanneer dit technisch mogelijk is, niet door de verblijven van de bemanning lopen, of door de daarmede in verbinding staande gangen. Moeten deze leidingen echter toch door deze verblijven of gangen worden gelegd, dan dienen zij behoorlijk geïsoleerd te zijn en door kokers te lopen.
Panelen in en de bekleding van het interieur dienen te bestaan uit materiaal waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden schoongemaakt. Beschot met groef en messing of iedere andere constructievorm, waarin ongedierte kan binnendringen, mag niet worden gebruikt.
De bevoegde autoriteit beslist in hoeverre er bij de bouw van de verblijven brandwerende of brandvertragende voorzieningen dienen te worden getroffen.
De schotten en het onderdeks van de nacht- en dagverblijven dienen gemakkelijk te kunnen worden schoongehouden en, indien zij zijn geverfd, licht van kleur te zijn; er mag geen witkalk voor worden gebruikt.
De bekleding van schotten wordt, indien nodig, vernieuwd of hersteld.
Het dek van alle bemanningsverblijven dient van daarvoor goedgekeurd materiaal te zijn vervaardigd, waarvan het oppervlak vochtbestendig en gemakkelijk te reinigen is; de constructie van de dekken dient eveneens te worden goedgekeurd.
Open dekken boven bemanningsverblijven dienen te worden bekleed met hout of ander even sterk isolerend materiaal.
Bij gebruik van compositievloeren dienen de verbindingen met de schotten te worden afgerond om spleten te vermijden.
Er dient voor voldoende afvoer te worden gezorgd.
Alles dient in het werk te worden gesteld om te voorkomen dat vliegen en andere insecten binnendringen in de verblijven van de bemanning.
Artikel 7
De slaap- en dagverblijven dienen behoorlijk te worden geventileerd.
De luchtverversing dient zodanig geregeld te kunnen worden dat de lucht steeds aan daaraan te stellen eisen voldoet en er onder alle weersomstandigheden en in elk klimaat een voldoende luchtcirculatie wordt gewaarborgd.
Vissersschepen waarmede geregeld in de tropen en in andere gebieden met een soortgelijk klimaat de visvangst wordt uitgeoefend dienen, wanneer het klimaat dit noodzakelijk maakt, te zijn uitgerust zowel met mechanische luchtverversingsmiddelen als met elektrisch aangedreven ventilatoren, met dien verstande dat met slechts een van deze beide kan worden volstaan in ruimten waar op deze wijze de lucht reeds afdoende wordt ververst.
Vissersschepen waarmede elders de visvangst wordt uitgeoefend dienen te zijn uitgerust hetzij met mechanische luchtverversingsmiddelen, hetzij met elektrisch aangedreven ventilatoren. De bevoegde autoriteit kan vissersschepen die gewoonlijk in de koude zeeën van het noordelijk of zuidelijk halfrond voor de visvangst worden gebruikt, van deze eis uitzonderen.
De drijfkracht die nodig is voor de aandrijving van de luchtverversingstoestellen bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel, dient zo mogelijk, zolang de bemanning aan boord verblijft of werkt, en de omstandigheden dit nodig maken, beschikbaar te zijn.
Artikel 8
Er dient voor een doelmatige installatie voor verwarming van de bemanningsverblijven te worden gezorgd, die is aangepast aan de klimatologische omstandigheden.
Zo mogelijk, dient deze verwarmingsinstallatie, zolang de bemanning aan boord verblijft of daar arbeid verricht, en indien de omstandigheden dit gebieden, in werking te zijn.
Verwarming door middel van open vuren is verboden.
De verwarmingsinstallatie dient, wat weer en klimaat betreft, onder normale praktijkomstandigheden de temperatuur in de bemanningsverblijven op een redelijk niveau te kunnen houden; de bevoegde autoriteit schrijft hiervoor de normen voor.
Radiatoren en andere verwarmingsapparaten dienen zodanig te worden opgesteld en, zo nodig, afgeschermd en van beveiligingsmiddelen voorzien, dat er voor de opvarenden geen brandgevaar of ander gevaar of ongerief ontstaat.
Artikel 9
Alle bemanningsverblijven dienen behoorlijk te zijn verlicht. De minimumnorm voor de hoeveelheid in dagverblijven doordringend daglicht is een zodanige dat iemand met een normaal gezichtsvermogen bij helder weer overal in het desbetreffende verblijf waar men zich vrij kan bewegen een gewone krant kan lezen. Indien het niet mogelijk is voldoende daglicht toe te laten, dient er voor kunstlicht te worden gezorgd dat aan de hierboven bedoelde minimumeis voldoet.
Op alle schepen dient, zo mogelijk, in de bemanningsverblijven elektrisch licht te worden aangelegd. Indien er geen twee van elkaar onafhankelijke elektriciteitsbronnen zijn voor de verlichting, dan dient voor noodgevallen over extra lampen of verlichtingsapparatuur van deugdelijke makelij te kunnen worden beschikt.
De elektrische lampen dienen zodanig te worden aangebracht, dat zij degenen die in het verblijf aanwezig zijn het maximum aan rendement geven.
Behalve de normale verlichting van de hut, dient er voor elke kooi een leeslamp van voldoende sterkte te worden gemonteerd.
Bovendien dient gedurende de gehele nacht in het nachtverblijf een blauwe lamp te branden.
Artikel 10
De slaapverblijven dienen midscheeps of in het achterschip te worden ondergebracht. In bijzondere gevallen, indien in verband met de afmetingen of het type van het schip of met het doel waarvoor het is gebouwd, de ligging elders onredelijk of onmogelijk zou zijn, kan de bevoegde autoriteit toestaan dat de nachtverblijven in het voorschip worden ondergebracht, doch onder geen beding vóór het aanvaringsschot.
Het vloeroppervlak per persoon in de slaapverblijven, waaronder niet begrepen de ruimte die door kooien en kasten wordt ingenomen, mag niet minder bedragen dan:
| (a) | 5,4 vierkante voet (0,5 m2) voor schepen van | 25 tot en met 49 ton |
|---|---|---|
| (b) | 8,1 vierkante voet (0,75 m2) voor schepen van | 50 tot en met 99 ton |
| (c) | 9,7 vierkante voet (0,9 m2) voor schepen van | 100 tot en met 249 ton |
| (d) | 10,8 vierkante voet (1 m2) voor schepen van | 250 ton of meer. |
Indien de bevoegde autoriteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, vierde lid, van dit Verdrag, beslist dat de lengte het criterium is voor de toepassing van dit Verdrag, mag het vloeroppervlak per persoon in de slaapverblijven, waaronder niet begrepen de ruimte die door kooien en kasten wordt ingenomen, niet minder bedragen dan:
| (a) | 5,4 vierkante voet (0,5 m2) voor schepen met een lengte vanaf | 45 voet (13,7 m), doch minder dan 65 voet (19,8 m) |
|---|---|---|
| (b) | 8,1 vierkante voet (0,75 m2) voor schepen met een lengte vanaf | 65 voet (19,8 m), doch minder dan 88 voet (26,8 m) |
| (c) | 9,7 vierkante voet (0,9 m2) voor schepen met een lengte vanaf | 88 voet (26,8 m), doch minder dan 115 voet (35,1 m) |
| (d) | 10,8 vierkante voet (1 m2) voor schepen met een lengte van | 115 voet (35,1 m) of meer. |
De vrije hoogte in het slaapverblijf van de bemanning mag, zo mogelijk, niet minder zijn dan 6 voet 3 duim (1,90 m).
Er dient een zo groot aantal slaapverblijven te zijn dat elke afdeling haar eigen verblijf of verblijven heeft, met dien verstande dat de bevoegde autoriteit deze eis, wat kleine schepen betreft, kan verzachten.
Het aantal personen per slaapverblijf mag de hierna volgende maxima niet overschrijden:
- (a). officieren: zo mogelijk, één persoon per hut, doch onder geen beding meer dan twee;
- (b). scheepsgezellen: zo mogelijk, twee of drie personen per hut, doch onder geen beding meer dan de volgende aantallen:
- (i). op schepen van 250 ton en meer, vier personen;
- (ii). op schepen van minder dan 250 ton, zes personen.
Indien de bevoegde autoriteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, vierde lid, van dit Verdrag, beslist dat de lengte het criterium is voor de toepassing van dit Verdrag, mag het aantal scheepsgezellen dat in een slaapverblijf mag worden ondergebracht niet meer bedragen dan:
- (a). op schepen met een lengte van 115 voet (35,1 m) of meer, vier personen;
- (b). op schepen met een lengte van minder dan 115 voet (35,1 m), zes personen.
In bijzondere gevallen, indien in verband met de afmetingen of het type van het schip of met het doel waarvoor het is gebouwd, deze eisen onredelijk of onuitvoerbaar zouden zijn, kan de bevoegde autoriteit uitzonderingen toestaan op de eisen genoemd in het zesde en zevende lid van dit artikel.
Het maximumaantal personen dat in één nachtverblijf mag worden ondergebracht dient op een plaats in dat verblijf waar het gemakkelijk kan worden gezien, in leesbaar en onuitwisbaar schrift te worden aangegeven.
Elk lid van de bemanning dient zijn eigen kooi te hebben.
Kooien mogen niet zodanig naast elkaar worden geplaatst dat een ervan slechts via een andere kan worden bereikt.
Kooien mogen niet meer dan twee hoog worden aangebracht; indien het kooien betreft die in de zijde van het schip zijn opgesteld, mag, waar zich een patrijspoort boven een kooi bevindt, geen tweede kooi boven een andere worden aangebracht.
Indien de kooien twee hoog staan opgesteld, dan dient de onderste zich op ten minste 12 duim (0,30 m) boven de grond te bevinden; de bovenste kooi dient ongeveer halverwege de onderzijde van de onderste kooi en de onderkant van de dekbalken te worden aangebracht.
Zo mogelijk, dient de binnenwerkse maat van een kooi ten minste 6 voet 3 duim bij 2 voet 3 duim (1,90 m bij 0,68 m) te zijn.
Het geraamte van een kooi en, zo die aanwezig is, de kooiplank, dienen te zijn vervaardigd van daarvoor goedgekeurd materiaal, dat hard en glad is en bestand tegen roestvorming en ongedierte.
Indien voor het vervaardigen van kooien een uit buis samengesteld geraamte wordt gebruikt, dan dient deze buis een gesloten geheel te vormen zonder openingen waardoorheen ongedierte naar binnen kan komen.
Elke kooi moet zijn voorzien van een springverenmatras van goedgekeurd materiaal of van een springbak en een matras van goedgekeurd materiaal. Als vulling mag geen stro of ander voor ongedierte vatbaar materiaal worden gebruikt.
Indien een kooi boven een andere wordt aangebracht, dient de bovenste te zijn voorzien van een stofvrije bodem van hout, zeildoek of ander geschikt materiaal.
De slaapverblijven dienen zodanig te zijn ingedeeld en ingericht dat zij voor de opvarenden redelijk gerieflijk zijn en het zindelijk houden ervan vergemakkelijken.
Het meubilair dient mede een kleerkast voor iedere opvarende te omvatten, die is voorzien van een beugel voor het aanbrengen van een hangslot en een roe waaraan door middel van klerenhangers kledingstukken kunnen worden opgehangen. De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de kastruimte zo groot mogelijk is.
In elk slaapverblijf dient zich een tafel of lessenaar te bevinden, hetzij van het vaste, neerklapbare of uitschuifbare type, waaraan men gemakkelijk moet kunnen zitten.
Het meubilair dient te zijn vervaardigd van glad afgewerkt, hard materiaal dat niet kan krom trekken of roesten en onvatbaar is voor ongedierte.
Het meubilair dient per opvarende mede een lade of daarmede vergelijkbare bergruimte te omvatten die, zo mogelijk, ten minste 2 kubieke voet (0,056 m3) inhoud heeft.
De patrijspoorten in de slaapverblijven dienen van gordijnen te zijn voorzien.
De slaapverblijven dienen te zijn voorzien van een spiegel, kastjes voor toiletartikelen, een boekenrek en een voldoende aantal kleerhaken.
Indien mogelijk, dient de indeling van de kooien zodanig te zijn dat de wachten gescheiden worden gehouden en dat zij die overdag werken geen verblijf delen met hen die wachtdienst hebben.
Artikel 11
Op schepen met een bemanning van meer dan tien personen dient de messroom gescheiden te zijn van de slaapverblijven. Zo mogelijk, dient dit eveneens het geval te zijn op schepen met een kleinere bemanning. Indien dit evenwel niet mogelijk is, kan de messroom met het nachtverblijf in één ruimte worden ondergebracht.
Op schepen die de visvangst in volle zee uitoefenen en die een bemanning hebben van meer dan 20 personen, kan een afzonderlijke messroom voor de schipper en de officieren worden ingericht.
De afmetingen en de inrichting van elke messroom dienen zodanig te zijn dat deze in overeenstemming zijn met het aantal personen dat doorgaans tegelijk van een messroom gebruik maakt.
Messrooms dienen te zijn uitgerust met tafels en goedgekeurde zitplaatsen, waarvan het aantal in overeenstemming dient te zijn met het aantal personen dat doorgaans tegelijk van een messroom gebruik maakt.
De messrooms dienen zo dicht mogelijk bij de kombuis te zijn gelegen.
Indien de pantries niet rechtstreeks met de messrooms in verbinding staan, dan dient er voldoende kastruimte voor het opbergen van het eetgerei en een behoorlijke gelegenheid voor het afwassen daarvan te worden geschapen.
De tafelbladen en de bovenzijde van de zittingen dienen van vochtwerend materiaal te zijn vervaardigd, geen scheuren te vertonen en gemakkelijk schoon te houden te zijn.
Indien mogelijk, dienen de messrooms zodanig te zijn ingedeeld, gemeubileerd en ingericht dat zij als ontspanningsruimten kunnen worden gebruikt.
Artikel 12
Op alle schepen dient voldoende sanitair, met inbegrip van wastafels en badkuipen en/of douches aanwezig te zijn.
Overeenkomstig de onderstaande specificatie dient er voor elke afdeling van de bemanning voor alle leden daarvan die niet over een hut beschikken waaraan eigen sanitair is verbonden, zo mogelijk, sanitair beschikbaar te zijn:
- (a). één badkuip en/of douche per acht personen of minder;
- (b). één toilet per acht personen of minder;
- (c). één wastafel per zes personen of minder,
met dien verstande dat indien het aantal personen in een afdeling een even veelvoud van het opgegeven aantal met minder dan de helft van het opgegeven aantal overschrijdt, dit overschot voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing kan blijven.
Op alle gemeenschappelijke wasplaatsen dient koud zoet water en warm zoet water of verwarmingstoestellen voor water beschikbaar te zijn. De bevoegde autoriteit kan, in overleg met de organisaties van visserijreders en vissers, zo die er zijn, de minimumhoeveelheid zoet water vaststellen die dagelijks per man dient te worden verstrekt.
De wasbakken en badkuipen dienen van behoorlijke afmetingen te zijn en te zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal met een glad oppervlak dat niet scheurt, schilfert of kan roesten.
Alle toiletten dienen buiten alle andere delen van de verblijven een eigen luchtafvoer naar de open lucht te hebben.
Het sanitair op de toiletten dient van een goedgekeurd model te zijn en te zijn voorzien van een grote stortbak, die onder alle omstandigheden functioneert en een afzonderlijke eenheid vormt.
De afvoerpijpen dienen een behoorlijke doorsnede te hebben en dienen zodanig te zijn geconstrueerd dat het gevaar van verstopping uiterst gering is en ze gemakkelijk kunnen worden gereinigd. Zij mogen niet door tanks lopen waarin zich zoet water of drinkwater bevindt, noch mogen zij, zo dit niet strikt nodig is, in messrooms of slaapverblijven onderdeks worden gelegd.
Toiletruimten bestemd voor gebruik door meer dan één persoon dienen aan de volgende eisen te voldoen:
- (a). de vloeren dienen uit goedgekeurd, duurzaam materiaal te bestaan dat gemakkelijk kan worden gereinigd en vochtbestendig is; zij dienen een goed functionerende afvoer te hebben;
- (b). schotten dienen te zijn vervaardigd van staal of ander goedgekeurd materiaal en dienen tot een hoogte van ten minste 9 duim (0,23 m) boven het niveau van het dek waterdicht te zijn;
- (c). de ruimte dient naar behoren te worden verlicht, verwarmd en geventileerd;
- (d). de toiletten dienen dicht bij de slaapverblijven en de wasruimten te liggen, doch daarvan gescheiden te zijn; zij mogen niet uitkomen op de slaapverblijven of op een gang tussen de slaapverblijven en de toiletten die niet langs andere weg kan worden bereikt, met dien verstande dat deze eis niet geldt voor een toilet dat tussen twee slaapverblijven ligt waarin ten hoogste vier personen zijn ondergebracht;
- (e). indien er zich meer dan één toilet in een afdeling bevindt, dienen ze zodanig te zijn afgeschermd dat men er zich volkomen afgezonderd voelt.
Gelegenheid voor het wassen en drogen van kledingstukken dient te worden geboden en te zijn afgestemd op het aantal bemanningsleden en de normale duur van de reis.
Gelegenheid voor het wassen van kledingstukken dient mede van een afvoerbuis voorziene gootstenen te omvatten, die in de wasruimte dienen te worden aangebracht, indien een afzonderlijke gelegenheid voor het doen van de was in redelijkheid niet kan worden geschapen. Bij de gootstenen dient een ruime toevoer te zijn van koud zoet water en warm zoet water, of een toestel aanwezig te zijn voor het verwarmen van water.
Gelegenheid voor het drogen van kledingstukken dient te worden geboden in een afdeling die niet grenst aan slaapruimten, messrooms en toiletten, daarnaast behoorlijk geventileerd en verwarmd kan worden en die is uitgerust met lijnen of andere middelen om kledingstukken aan op te hangen.
Artikel 13
Indien mogelijk, dient er een afzonderlijke, uit de buurt van de andere, gelegen hut beschikbaar te zijn voor een bemanningslid dat ziek of gewond is. Op schepen van 500 ton of meer dient er een ziekenboeg te zijn. Ingeval de bevoegde autoriteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, vierde lid, van dit Verdrag, beslist dat de lengte het criterium is voor de toepassing van dit Verdrag, dient er een ziekenboeg te zijn op schepen met een lengte van 150 voet (45,7 m) of meer.
Op elk schip dat geen arts aan boord heeft dient een goedgekeurde medicijnkist met gemakkelijk te begrijpen instructies aanwezig te zijn. In dit verband laat de bevoegde autoriteit zich leiden door de „Aanbeveling betreffende de inhoud van de scheepsapotheek”, 1958 en de „Aanbeveling betreffende medisch advies per radio aan schepen op zee” 1958.
Artikel 14
Buiten de slaapverblijven, doch van daaruit gemakkelijk bereikbaar, dient er voldoende, behoorlijk geventileerde ruimte te zijn voor het ophangen van oliegoed.
Artikel 15
De bemanningsverblijven dienen schoon en in een goed bewoonbare staat te worden gehouden; er mogen geen goederen en scheepsbenodigdheden in worden opgeslagen, die niet tot de persoonlijke bezittingen van de opvarenden behoren.
Artikel 16
Er dienen zich aan boord voldoende kooktoestellen te bevinden; zo mogelijk, dienen deze in een afzonderlijke kombuis te worden opgesteld.
Derhalve dient de kombuis van behoorlijke afmetingen te zijn, goed verlicht en goed geventileerd.
De kombuis dient te zijn uitgerust met keukengerei, het nodige aantal kasten en planken, gootstenen en bordenrekken van roestvrij materiaal en voldoende afvoermogelijkheden. Drinkwater dient via leidingen naar de kombuis te worden gevoerd. Indien dit onder druk geschiedt, dan dienen voorzieningen tegen terugstroming te worden getroffen. Indien er geen warm water naar de kombuis wordt gevoerd, dan dient er een toestel te zijn waarmede water kan worden verwarmd.
De kombuis dient zodanig te zijn ingericht, dat op elk ogenblik voor de bemanning warme dranken kunnen worden gemaakt.
Er dient een behoorlijk ruim magazijn voor de opslag van levensmiddelen te zijn; dit dient droog en koel gehouden te kunnen worden en goed geventileerd te zijn, ter voorkoming van bederf van de voorraden. Zo mogelijk, dienen er koelkasten of andere opbergruimte waarin de lucht kan worden gekoeld, aanwezig te zijn.
Ingeval voor het koken in de kombuis gebruik wordt gemaakt van butaan- of propaangas, dienen de gasflessen bovendeks te worden gehouden.
DEEL IV. Toepassing op bestaande schepen
Artikel 17
Met inachtneming van de bepalingen vervat in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, is dit Verdrag van toepassing op schepen waarvan de kiel na de inwerkingtreding van het Verdrag voor het gebied van registratie wordt gelegd.
Betreft het een schip dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag voor het gebied van registratie in zijn geheel is voltooid, en dat niet voldoet aan de norm, beschreven in Deel III van dit Verdrag, dan kan de bevoegde autoriteit, in overleg met de organisaties van de visserijreders en de vissers, zo die er zijn, verlangen dat ten einde het schip te doen beantwoorden aan de voorwaarden van dit Verdrag, die veranderingen worden aangebracht die zij, gelet op de zich daarbij voordoende problemen van praktische aard, mogelijk oordeelt; deze veranderingen dienen te worden aangebracht wanneer:
- (a). het schip opnieuw wordt geregistreerd;
- (b). ter uitvoering van reeds lang daarvoor gemaakte plannen, en niet tengevolge van een ongeluk of een noodtoestand, het schip wordt verbouwd of er omvangrijke reparaties aan worden uitgevoerd.
Betreft het een schip dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag voor het gebied van registratie nog wordt gebouwd en/of omgebouwd, dan kan de bevoegde autoriteit in overleg met de organisaties van de visserijreders en de vissers, zo die er zijn, verlangen dat, ten einde het schip te doen beantwoorden aan de voorwaarden van dit Verdrag, die veranderingen worden aangebracht die zij, gelet op de zich daarbij voordoende problemen van praktische aard, mogelijk oordeelt; nadat die veranderingen zijn aangebracht, dient het schip te voldoen aan de eisen neergelegd in dit Verdrag, tenzij en totdat het schip opnieuw wordt geregistreerd.
Betreft het een schip, niet zijnde een schip zoals bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel of een schip waarop de bepalingen van dit Verdrag van toepassing waren toen het werd gebouwd, dat na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag voor een bepaald grondgebied, op dat grondgebied opnieuw wordt geregistreerd, dan kan de bevoegde autoriteit, in overleg met de organisaties van de visserijreders en de vissers, zo die er zijn, verlangen dat, ten einde het schip te doen beantwoorden aan de voorwaarden van dit Verdrag, die veranderingen worden aangebracht die zij, gelet op de zich daarbij voordoende problemen van praktische aard, mogelijk oordeelt; nadat die veranderingen zijn aangebracht, dient het schip te voldoen aan de eisen neergelegd in dit Verdrag, tenzij en totdat het schip andermaal opnieuw wordt geregistreerd.
DEEL V. Slotbepalingen
Artikel 18
Dit Verdrag laat onverlet elke wet, uitspraak, elk gebruik of elke overeenkomst waarbij reders van vissersschepen en vissers zijn betrokken, voor zover daaraan gunstiger voorwaarden zijn verbonden dan die welke in dit Verdrag zijn vervat.
Artikel 19
De formele bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem geregistreerd.
Artikel 20
Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.
Het treedt in werking twaalf maanden nadat de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn geregistreerd.
Vervolgens treedt dit Verdrag ten aanzien van ieder Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.
Artikel 21
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen na verloop van een termijn van tien jaar te rekenen van de datum waarop dit Verdrag in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte en door deze te registreren schriftelijke kennisgeving. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij is geregistreerd.
Elk Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en niet binnen een jaar na verloop van de termijn van tien jaar, bedoeld in het vorige lid, gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging voorzien in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaar gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaar onder de voorwaarden bedoeld in dit artikel.
Artikel 22
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau geeft aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen die hem door de Leden van de Organisatie worden medegedeeld.
Bij de kennisgeving aan de Leden van de Organisatie van de registratie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden der Organisatie op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.
Artikel 23
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties mededeling, ter registratie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden betreffende alle bekrachtigingen en opzeggingen, welke door hem overeenkomstig de voorgaande artikelen zijn geregistreerd.
Artikel 24
Telkens wanneer de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau zulks nodig oordeelt, brengt deze Raad aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de kwestie van de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda der Conferentie te plaatsen.
Artikel 25
Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van het onderhavige Verdrag, zal, tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:
- (a). de bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van het onderhavige Verdrag medebrengen, niettegenstaande het bepaalde in artikel 21, zodra het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;
- (b). met ingang van de datum waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking treedt, het onderhavige Verdrag niet langer door de Leden bekrachtigd kunnen worden.
Het onderhavige Verdrag blijft echter in elk geval naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het hebben bekrachtigd en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.
Artikel 26
De Franse en de Engelse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)