Alomvattend Kernstopverdrag

Type Verdrag
Publication 1996-09-10
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag (hierna te noemen „de Staten die Partij zijn")

Verwelkomend de verdragen en andere positieve maatregelen die de voorgaande jaren zijn getroffen op het gebied van nucleaire ontwapening, met inbegrip van reductie van kernwapenarsenalen, alsmede op het gebied van het voorkómen van nucleaire proliferatie in al haar aspecten,

Onderstrepend het belang van de volledige en spoedige uitvoering van genoemde verdragen en maatregelen,

Ervan overtuigd dat de huidige internationale situatie de gelegenheid biedt verdere effectieve maatregelen te treffen voor nucleaire ontwapening en ter bestrijding van de proliferatie van kernwapens in al haar aspecten, en verklarende hun intentie om dergelijke maatregelen te treffen,

Onderstrepend derhalve de noodzaak om systematische en progressieve inspanningen om wereldwijd het aantal kernwapens terug te dringen voort te zetten, met het uiteindelijke oogmerk deze wapens uit te bannen, en te komen tot een algemene en volledige ontwapening onder strikt en doeltreffend internationaal toezicht,

Erkennend dat het staken van alle proefexplosies van kernwapens en alle andere kernexplosies, door middel van beperking van de ontwikkeling en kwalitatieve verbetering van kernwapens en beëindiging van de ontwikkeling van geavanceerde nieuwe typen kernwapens, een effectieve maatregel vormt voor nucleaire ontwapening en non-proliferatie in al haar aspecten,

Voorts erkennend dat de beëindiging van al deze nucleaire explosies een betekenisvolle stap vormt op weg naar de verwezenlijking van een systematisch proces voor het bereiken van nucleaire ontwapening,

Ervan overtuigd dat de meest effectieve wijze om kernproeven te beëindigen het sluiten van een universeel verdrag inzake een alomvattend verbod op kernproeven is, dat internationaal en effectief verifieerbaar is, hetgeen reeds lange tijd een van de belangrijkste streefdoelen van de internationale gemeenschap is geweest op het gebied van ontwapening en non-proliferatie,

Gelet op het streven uitgedrukt door de Partijen bij het Verdrag van 1963 tot het verbieden van proefnemingen met kernwapens in de dampkring, in de kosmische ruimte en onder water, te geraken tot het voor altijd stopzetten van alle proefexplosies van kernwapens,

Tevens gelet op de geuite meningen dat dit Verdrag een bijdrage kan leveren aan de bescherming van het milieu,

Bevestigend het oogmerk alle Staten op te roepen toe te treden tot dit Verdrag en de daarin vervatte doelstelling om op effectieve wijze bij te dragen aan de voorkoming van de proliferatie van kernwapens in al haar aspecten, aan het proces van nucleaire ontwapening en daarmee aan de versterking van de internationale vrede en veiligheid,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I. Basisverplichtingen
1.

Elke Staat die Partij is neemt de verplichting op zich, geen enkele proefexplosie van een kernwapen of enige andere kernexplosie uit te voeren, en dergelijke kernexplosies te verbieden en te voorkomen op iedere plaats die onder zijn rechtsmacht valt of waarover hij feitelijk gezag uitoefent.

2.

Elke Staat die Partij is neemt bovendien de verplichting op zich, af te zien van het veroorzaken of bevorderen van, of het op enigerlei wijze deelnemen aan, het uitvoeren van proefexplosies van kernwapens of iedere andere kernexplosie.

Artikel II. De Organisatie
1.

De Staten die Partij zijn richten hierbij op de Verdragsorganisatie voor een alomvattend verbod op kernproeven (hierna te noemen: „de Organisatie”), die tot taak heeft voorwerp en doel van dit Verdrag te verwezenlijken, de toepassing van de hierin vervatte bepalingen te garanderen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de internationale verificatie op de naleving ervan, en een forum te bieden voor overleg en samenwerking tussen de Staten die Partij zijn.

2.

Alle Staten die Partij zijn, zijn lid van de Organisatie. Een Staat die Partij is mag het lidmaatschap van de Organisatie niet worden ontnomen.

3.

De Organisatie heeft haar zetel te Wenen, Republiek Oostenrijk.

4.

Hierbij worden ingesteld als organen van de Organisatie: de Conferentie van Staten die Partij zijn, de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat, waaronder het Internationaal Datacentrum valt.

5.

Elke Staat die Partij is werkt samen met de Organisatie bij de uitoefening van haar taken overeenkomstig dit Verdrag. Staten die Partij zijn plegen rechtstreeks onderling overleg, of via de Organisatie of andere geschikte internationale procedures, met inbegrip van procedures binnen het kader van de Verenigde Naties en overeenkomstig het VN-Handvest, ten aanzien van alle aangelegenheden die ter tafel worden gebracht met betrekking tot het voorwerp en doel, of de toepassing van de bepalingen, van dit Verdrag.

6.

De Organisatie verricht haar verificatie-activiteiten die in dit Verdrag zijn geregeld op de minst indringende wijze mogelijk die verenigbaar is met de tijdige en efficiënte verwezenlijking van de doelstellingen daarvan. De Organisatie verzoekt alleen om de informatie en gegevens die nodig zijn om zich te kunnen kwijten van de verantwoordelijkheden uit hoofde van dit Verdrag. De Organisatie neemt alle nodige voorzorgsmaatregelen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van de informatie inzake civiele en militaire activiteiten en inrichtingen die haar bij de toepassing van dit Verdrag ter kennis komen en houdt zich, met name, aan de in dit Verdrag vermelde bepalingen inzake de vertrouwelijkheid.

7.

Elke Staat die Partij is behandelt de informatie en gegevens die hij met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag in vertrouwen van de Organisatie ontvangt, vertrouwelijk en kent deze een bijzondere behandeling toe. Elke Staat die Partij is behandelt deze informatie en gegevens uitsluitend met betrekking tot zijn rechten en plichten uit hoofde van dit Verdrag.

8.

De Organisatie, in haar hoedanigheid van onafhankelijk lichaam, tracht, waar gepast, bestaande expertise en faciliteiten aan te wenden en de kosteneffectiviteit te maximaliseren, door samenwerkingsregelingen met andere internationale organisaties zoals de Internationale Organisatie voor Atoomenergie. Dergelijke regelingen, met uitzondering van die van ondergeschikte en normale commerciële en contractuele aard, worden vastgelegd in overeenkomsten die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Conferentie van de Staten die Partij zijn.

9.

De kosten van de werkzaamheden van de Organisatie worden jaarlijks door de Staten die Partij zijn betaald overeenkomstig de verdeelsleutel van de Verenigde Naties, aangepast om rekening te houden met het verschil in het aantal leden tussen de Verenigde Naties en de Organisatie.

10.

De financiële bijdragen van Staten die Partij zijn aan de Voorbereidende Commissie worden op gepaste wijze in mindering gebracht op hun bijdragen aan de gewone begroting.

11.

Een lid van de Organisatie dat een achterstand heeft in de betaling van zijn vastgestelde bijdrage aan de Organisatie, heeft geen stem in de Organisatie indien het achterstallige bedrag gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de bijdrage die het lid verschuldigd is over de voorgaande twee volle jaren. De Conferentie van de Staten die Partij zijn kan een dergelijk lid evenwel toestaan zijn stem uit te brengen indien zij ervan overtuigd is dat het niet betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het desbetreffende lid geen invloed heeft.

12.

De Conferentie van de Staten die Partij zijn (hierna te noemen: „de Conferentie”) bestaat uit alle Staten die Partij zijn. Elke Staat die Partij is heeft één vertegenwoordiger in de Conferentie, die kan worden vergezeld van plaatsvervangers en adviseurs.

13.

De Eerste Vergadering van de Conferentie wordt uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag door de Depositaris bijeengeroepen.

14.

De Conferentie komt bijeen in gewone, jaarlijks te houden vergaderingen, tenzij de Conferentie anders besluit.

15.

Een buitengewone vergadering van de Conferentie wordt bijeengeroepen:

  • a. Wanneer de Conferentie daartoe besluit;
  • b. Wanneer de Uitvoerende Raad daarom verzoekt; of
  • c. Wanneer daarom wordt verzocht door een Staat die Partij is en deze wordt gesteund door een meerderheid van de Staten die Partij zijn.

De buitengewone vergadering wordt bijeengeroepen uiterlijk 30 dagen na het besluit van de Conferentie, het verzoek van de Uitvoerende Raad, of de verkrijging van de nodige steun, tenzij in het besluit of het verzoek anders is aangegeven.

16.

De Conferentie kan eveneens bijeen worden geroepen als Wijzigingsconferentie, overeenkomstig artikel VII.

17.

De Conferentie kan eveneens bijeen worden geroepen als Toetsingsconferentie, overeenkomstig artikel VIII.

18.

De vergaderingen worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Organisatie, tenzij de Conferentie anders beslist.

19.

De Conferentie stelt haar eigen procedureregels vast. Bij aanvang van elke vergadering kiest de Conferentie haar Voorzitter en de eventueel noodzakelijke andere functionarissen. Deze bekleden hun ambt totdat tijdens de volgende vergadering een nieuwe Voorzitter en andere functionarissen worden gekozen.

20.

Een meerderheid van de Staten die Partij zijn vormt het quorum.

21.

Elke Staat die Partij is heeft één stem.

22.

De Conferentie neemt besluiten over aangelegenheden van procedurele aard bij meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen. Besluiten over aangelegenheden van inhoudelijke aard dienen zoveel mogelijk bij consensus te worden genomen. Indien geen consensus kan worden bereikt wanneer over een aangelegenheid moet worden beslist, stelt de Voorzitter elke stemming 24 uur uit en doet hij tijdens deze periode van uitstel alles wat in zijn vermogen ligt om het bereiken van consensus te vergemakkelijken, en brengt hij vóór het einde van genoemde periode aan de Conferentie verslag uit. Indien aan het einde van deze 24 uur geen consensus mogelijk is, neemt de Conferentie het besluit met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid al dan niet van inhoudelijke aard is, wordt die zaak behandeld als een aangelegenheid van inhoudelijke aard, tenzij anders wordt beslist met de meerderheid vereist voor besluiten inzake aangelegenheden van inhoudelijke aard.

23.

Bij de uitvoering van haar taken uit hoofde van het zesentwintigste lid, letter k, neemt de Conferentie het besluit om een Staat aan de lijst van Staten opgenomen in Bijlage 1 bij dit Verdrag toe te voegen, in overeenstemming met de in het tweeëntwintigste lid genoemde procedure voor besluiten over inhoudelijke zaken. Onverminderd het bepaalde in het tweeëntwintigste lid, neemt de Conferentie besluiten ten aanzien van andere aanpassingen van Bijlage 1 bij dit Verdrag bij consensus.

24.

De Conferentie is het belangrijkste orgaan van de Organisatie. De Conferentie bestudeert alle kwesties, aangelegenheden of onderwerpen binnen de werkingssfeer van dit Verdrag, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en taken van de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat, in overeenstemming met dit Verdrag. De Conferentie kan aanbevelingen doen en besluiten nemen ten aanzien van alle kwesties, aangelegenheden of onderwerpen binnen de werkingssfeer van dit Verdrag die naar voren worden gebracht door een Staat die Partij is of onder haar aandacht worden gebracht door De Uitvoerende Raad.

25.

De Conferentie ziet toe op de toepassing en inventariseert de naleving van dit Verdrag en bevordert de verwezenlijking van het voorwerp en het doel ervan. De Conferentie houdt eveneens toezicht op de werkzaamheden van de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat en kan richtlijnen uitvaardigen naar elk van hen voor de uitvoering van hun taken.

26.

De Conferentie:

  • a. Draagt zorg voor de bestudering en aanneming van het verslag van de Organisatie betreffende de uitvoering van dit Verdrag en van het jaarlijkse programma en de begroting van de Organisatie, ingediend door de Uitvoerende Raad, alsmede voor de bestudering van andere verslagen;
  • b. Besluit over de verdeelsleutel van de financiële bijdragen die de Staten die Partij zijn overeenkomstig het negende lid moeten betalen;
  • c. Kiest de leden van de Uitvoerende Raad;
  • d. Benoemt de Directeur-Generaal van het Technisch Secretariaat (hierna te noemen „de Directeur-Generaal”);
  • e. Draagt zorg voor de bestudering en goedkeuring van de procedureregels van de Uitvoerende Raad dat door deze Raad aan de Conferentie wordt voorgelegd;
  • f. Draagt zorg voor de bestudering en beoordeling van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen die de werking van dit Verdrag zouden kunnen beïnvloeden. In dit verband kan de Conferentie de Directeur-Generaal opdracht geven een Wetenschappelijke Adviesraad in te stellen om hem of haar, bij de uitoefening van zijn of haar taken, in staat te stellen gespecialiseerde adviezen uit te brengen op voor dit Verdrag relevante wetenschappelijke en technologische gebieden aan de Conferentie, de Uitvoerende Raad of aan de Staten die Partij zijn. Indien zulks geschiedt, wordt de Wetenschappelijke Adviesraad samengesteld uit onafhankelijke deskundigen die hun functie op persoonlijke titel vervullen en, overeenkomstig de door de Conferentie aangenomen regels, worden benoemd op basis van hun expertise en ervaring op specifieke wetenschappelijke gebieden die relevant zijn voor de toepassing van dit Verdrag;
  • g. Treft de nodige maatregelen om toe te zien op de naleving van dit Verdrag en om situaties die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag recht te zetten en te verhelpen overeenkomstig artikel V;
  • h. Draagt tijdens de Eerste Vergadering van de Conferentie zorg voor de bestudering en goedkeuring van ontwerp-overeenkomsten, regelingen, bepalingen, procedures, handleidingen, richtlijnen en andere door de Voorbereidende Commissie opgestelde en aanbevolen documenten;
  • i. Draagt zorg voor de bestudering en goedkeuring van overeenkomsten of regelingen die door het Technisch Secretariaat met de Staten die Partij zijn, andere staten en internationale organisaties zijn uitonderhandeld en die namens de Organisatie in overeenstemming met het achtendertigste lid, letter h, door de Uitvoerende Raad moeten worden gesloten c.q. getroffen;
  • j. Draagt zorg voor de oprichting van de subsidiaire organen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar taken overeenkomstig dit Verdrag; en
  • k. Werkt, waar nodig, Bijlage I bij dit Verdrag bij, overeenkomstig het drieëntwintigste lid.
27.

De Uitvoerende Raad bestaat uit 51 leden. Elke Staat die Partij is heeft het recht, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, zitting te hebben in de Uitvoerende Raad.

28.

Rekening houdend met de behoefte aan een billijke geografische verdeling, omvat de Uitvoerende Raad:

  • a. Tien Staten die Partij zijn uit Afrika;
  • b. Zeven Staten die Partij zijn uit Oost-Europa;
  • c. Negen Staten die Partij zijn uit Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied;
  • d. Zeven Staten die Partij zijn uit het Midden-Oosten en Zuid-Azië;
  • e. Tien Staten die Partij zijn uit Noord-Amerika en West-Europa; en
  • f. Acht Staten die Partij zijn uit Zuid-Oost-Azië, uit de regio Stille Oceaan en het Verre Oosten.

Alle Staten in elk van de bovengenoemde geografische regio’s zijn opgenomen in Bijlage 1 bij dit Verdrag. Bijlage 1 bij dit Verdrag wordt, zo nodig, bijgewerkt door de Conferentie overeenkomstig het drieëntwintigste en zesentwintigste lid, letter k. De Bijlage kan niet worden aangepast of gewijzigd uit hoofde van de procedures genoemd in artikel VII.

29.

De Leden van de Uitvoerende Raad worden gekozen door de Conferentie. In dit verband wijst elke geografische regio op de volgende wijze Staten die Partij zijn aan uit de desbetreffende regio, ter verkiezing als Leden van de Uitvoerende Raad:

  • a. Ten minste een derde van de aan elke geografische regio toegewezen zetels worden bezet, rekening houdend met politieke en veiligheidsbelangen, door Staten die Partij zijn in die regio aangewezen op basis van de nucleaire capaciteiten die voor het Verdrag van belang zijn, zoals wordt vastgesteld op grond van internationale gegevens alsmede de volgende criteria, in de volgorde van belangrijkheid die door elke regio wordt bepaald:
  • i. Aantal controle-inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem;
  • ii. Expertise en ervaring in controletechniek; en
  • iii. Bijdrage aan de jaarlijkse begroting van de Organisatie;
  • b. Eén van de aan elke geografische regio toegewezen zetels wordt bij toerbeurt bezet door de eerste Staat die Partij is in Engelse alfabetische volgorde van de Staten die Partij zijn in de desbetreffende regio die gedurende de langste tijdspanne geen leden zijn geweest van de Uitvoerende Raad sinds zij Staten die Partij zijn, zijn geworden of sinds hun laatste zittingstermijn, naar gelang van welke termijn korter is. Een Staat die Partij is die op deze basis is aangewezen kan besluiten afstand te doen van zijn zetel. Indien zulks het geval is, legt de desbetreffende Staat die Partij is de Directeur-Generaal een akte van afstand voor, en wordt de zetel bezet door de eerstvolgende Staat die Partij is in de in deze letter genoemde volgorde; en
  • c. De resterende zetels die aan elke geografische regio worden toegekend, worden bezet door Staten die Partij zijn die door middel van toerbeurt of verkiezingen in de desbetreffende regio worden aangewezen onder alle Staten die Partij zijn.
30.

Elk lid van de Uitvoerende Raad heeft één vertegenwoordiger in de Uitvoerende Raad, die kan worden vergezeld van plaatsvervangers en adviseurs.

31.

Elk lid van de Uitvoerende Raad blijft in functie vanaf het einde van de vergadering van de Conferentie gedurende welke het genoemde lid is gekozen tot aan het einde van de tweede gewone jaarlijkse vergadering van de Conferentie daarop volgend, behalve dat bij de eerste verkiezing van de Uitvoerende Raad, 26 leden worden gekozen die in functie blijven tot het einde van de derde gewone vergadering van de Conferentie, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de vastgestelde getalsverhoudingen zoals omschreven in het achtentwintigste lid.

32.

De Uitvoerende Raad stelt zijn procedureregels vast en legt deze ter goedkeuring voor aan de Conferentie.

33.

De Uitvoerende Raad kiest zijn Voorzitter uit zijn leden.

34.

De Uitvoerende Raad komt in gewone vergaderingen bijeen. Tussen de gewone vergaderingen in komt de Raad zo vaak bijeen als nodig is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden en taken.

35.

Elk lid van de Uitvoerende Raad heeft één stem.

36.

Inzake aangelegenheden van procedurele aard neemt de Uitvoerende Raad besluiten bij meerderheid van al zijn leden. Inzake aangelegenheden van inhoudelijke aard neemt de Raad besluiten met een meerderheid van twee derde van al zijn leden, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid al dan niet van inhoudelijke aard is, wordt die zaak behandeld als een aangelegenheid van inhoudelijke aard, tenzij anders wordt beslist met de meerderheid vereist voor besluiten inzake aangelegenheden van inhoudelijke aard.

37.

De Uitvoerende Raad is het uitvoerend orgaan van de Organisatie. De Raad is verantwoording verschuldigd aan de Conferentie. De Raad oefent de bevoegdheden en taken uit die hem uit hoofde van dit Verdrag zijn opgedragen. Hierbij handelt de Raad in overeenstemming met de aanbevelingen, besluiten en richtlijnen van de Conferentie en ziet hij erop toe dat de goede en voortdurende toepassing daarvan plaatsvindt.

38.

De uitvoerende Raad:

  • a. Bevordert de effectieve toepassing en naleving van dit Verdrag;
  • b. Houdt toezicht op de werkzaamheden van het Technisch Secretariaat;
  • c. Doet de nodige aanbevelingen aan de Conferentie ter bestudering van verdere voorstellen ter bevordering van het voorwerp en doel van dit Verdrag;
  • d. Werkt samen met de Nationale Autoriteit van elke Staat die Partij is;
  • e. Bestudeert en legt aan de Conferentie voor het ontwerp van het jaarlijkse programma en de begroting van de Organisatie, het ontwerp-rapport van de Organisatie inzake de uitvoering van dit Verdrag, het rapport inzake de resultaten van zijn eigen activiteiten alsmede van alle overige rapporten die de Uitvoerende Raad nodig acht of waartoe de Conferentie verzoekt;
  • f. Treft regelingen voor de vergaderingen van de Conferentie, met inbegrip van de opstelling van de ontwerp-agenda;
  • g. Bestudeert voorstellen tot wijziging betreffende administratieve of technische aangelegenheden, van het Protocol of van de Bijlagen daarbij, overeenkomstig artikel VII, en doet aanbevelingen voor de Staten die Partij zijn met betrekking tot de aanneming hiervan;
  • h. Sluit overeenkomsten of treft regelingen, na voorafgaande goedkeuring door de Conferentie, met de Staten die Partij zijn, andere staten en internationale organisaties namens de Organisatie, en houdt toezicht op de toepassing daarvan, met uitzondering van overeenkomsten of regelingen genoemd in letter i;
  • i. Draagt zorg voor de goedkeuring van en het toezicht op de werking van overeenkomsten of regelingen met de Staten die Partij zijn en andere staten met betrekking tot de uitvoering van verificatie-activiteiten; en
  • j. Draagt zorg voor de goedkeuring van nieuwe handleidingen en wijzigingen van bestaande handleidingen die eventueel worden voorgesteld door het Technisch Secretariaat.
39.

De Uitvoerende Raad kan om een buitengewone vergadering van de Conferentie verzoeken.

40.

De Uitvoerende Raad:

  • a. Vergemakkelijkt de samenwerking tussen de Staten die Partij zijn onderling en tussen de Staten die Partij zijn en het Technisch Secretariaat, met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag, door middel van uitwisselingen van informatie;
  • b. Bevordert overleg en opheldering tussen de Staten die Partij zijn onderling overeenkomstig artikel IV; en
  • c. Ontvangt, bestudeert en onderneemt actie op verzoeken inzake en rapporten over inspecties ter plaatse, overeenkomstig artikel IV.
41.

De Uitvoerende Raad bestudeert elke uiting van bezorgdheid van een Staat die Partij is omtrent een mogelijke niet-naleving van dit Verdrag en misbruik van de door dit Verdrag in het leven geroepen rechten. Hierbij pleegt de Uitvoerende Raad overleg met de betrokken Staten die Partij zijn en, waar nodig, verzoekt hij een Staat die Partij is maatregelen te treffen om de situatie binnen een aangegeven tijd te herstellen. Voor zover de Uitvoerende Raad verdere maatregelen nodig acht, neemt hij, onder andere, een of meer van de volgende maatregelen:

  • a. hij brengt het onderwerp of de aangelegenheid ter kennis van alle Staten die Partij zijn;
  • b. hij brengt het onderwerp of de aangelegenheid onder de aandacht van de Conferentie;
  • c. hij doet de Conferentie aanbevelingen of, onderneemt waar nodig, actie, betreffende maatregelen om de situatie te herstellen en naleving te waarborgen in overeenstemming met artikel V.
42.

Het Technisch Secretariaat staat de Staten die Partij zijn bij in de toepassing van dit Verdrag. Het Technisch Secretariaat staat de Conferentie en de Uitvoerende Raad bij in de uitoefening van hun taken. Het Technisch Secretariaat draagt zorg voor de hem ingevolge dit Verdrag opgedragen verificaties en andere taken, alsook de taken die door de Conferentie of de Uitvoerende Raad in overeenstemming met dit Verdrag aan hem zijn overgedragen. Het Technisch Secretariaat omvat, als een integrerend deel, het Internationaal Datacentrum.

43.

De taken van het Technisch Secretariaat met betrekking tot de controle op de naleving van dit Verdrag, omvatten, ingevolge artikel IV en het Protocol, onder andere:

  • a. Het verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en de coördinatie van de werking van het Internationaal Toezichtsysteem;
  • b. Het exploiteren van het Internationaal Datacentrum;
  • c. Het routinematig ontvangen, verwerken, analyseren en rapporteren van gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem;
  • d. Het bieden van technische bijstand aan, en ondersteuning van, de installatie en exploitatie van controlestations;
  • e. Het bijstaan van de Uitvoerende Raad bij het vergemakkelijken van overleg en opheldering tussen Staten die Partij zijn onderling;
  • f. Het ontvangen van verzoeken voor inspecties ter plaatse en deze verwerken, het vergemakkelijken van de bestudering van deze verzoeken door de Uitvoerende Raad, het treffen van voorbereidingen voor en het leveren van technische ondersteuning tijdens de uitvoering van inspecties ter plaatse, en het uitbrengen van verslagen aan de Uitvoerende Raad;
  • g. Het voeren van onderhandelingen over overeenkomsten of regelingen met de Staten die Partij zijn, overige staten en internationale organisaties en het sluiten c.q. treffen, na voorafgaande goedkeuring door de Uitvoerende Raad, van dergelijke overeenkomsten of regelingen die betrekking hebben op verificatie-activiteiten met de Staten die Partij zijn of andere staten; en
  • h. Het bijstaan van de Staten die Partij zijn, via hun nationale autoriteiten, bij andere verificatiekwesties uit hoofde van dit Verdrag.
44.

Behoudens goedkeuring door de Uitvoerende Raad, ontwikkelt en onderhoudt het Technisch Secretariaat exploitatiehandleidingen om richting te geven aan de uitvoering van de diverse onderdelen van het verificatiestelsel, in overeenstemming met artikel IV en met het Protocol. Deze handleidingen vormen geen integrerend deel van dit Verdrag of het Protocol en kunnen, behoudens goedkeuring door de Uitvoerende Raad, door het Technisch Secretariaat worden gewijzigd. Het Technisch Secretariaat stelt onverwijld de Staten die Partij zijn in kennis van veranderingen in de exploitatiehandleidingen.

45.

De taken van het Technisch Secretariaat betreffende administratieve aangelegenheden omvatten:

  • a. Het opstellen en aan de Uitvoerende Raad voorleggen van het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting van de Organisatie;
  • b. Het opstellen en aan de Uitvoerende Raad voorleggen van het ontwerp-rapport van de Organisatie betreffende de uitvoering van dit Verdrag en de andere rapporten waar de Conferentie of de Uitvoerende raad om verzoekt;
  • c. Het bieden van administratieve en technische ondersteuning aan de Conferentie, de Uitvoerende Raad en aan andere subsidiaire organen;
  • d. Het verzenden en ontvangen van mededelingen namens de Organisatie betreffende de toepassing van dit Verdrag; en
  • e. Het uitvoeren van de administratieve taken betreffende overeenkomsten tussen de Organisatie en andere internationale organisaties.
46.

Alle verzoeken en kennisgevingen door Staten die Partij zijn aan de Organisatie worden via hun nationale autoriteiten doorgezonden naar de Directeur-Generaal. Verzoeken en kennisgevingen worden gesteld in één van de officiële talen van dit Verdrag. In het antwoord gebruikt de Directeur-Generaal de taal waarin het verzoek of de kennisgeving is gesteld.

47.

Ten aanzien van de taken van het Technisch Secretariaat inzake het opstellen en voorleggen aan de Uitvoerende Raad van het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting van de Organisatie, stelt het Technisch Secretariaat een duidelijke boekhouding vast en houdt deze bij, voor alle kosten betreffende elke inrichting die als onderdeel van het Internationaal Toezichtsysteem wordt gecreëerd. Aan alle andere werkzaamheden van de Organisatie wordt een gelijksoortige behandeling toegekend als die welke geldt ten aanzien van het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting.

48.

Het Technisch Secretariaat stelt de Uitvoerende Raad onverwijld in kennis van eventuele problemen die zich voordoen bij de vervulling van zijn taken en die hem ter kennis zijn gekomen tijdens de uitvoering van zijn activiteiten, en die het niet heeft kunnen oplossen door middel van overleg met de desbetreffende Staat die Partij is.

49.

Het Technisch Secretariaat bestaat uit een Directeur-Generaal, die het hoofd en de hoogste bestuursfunctionaris is, en het vereiste wetenschappelijke, technische en overige personeel. De Directeur-Generaal wordt op aanbeveling van de Uitvoerende Raad door de Conferentie benoemd voor een termijn van vier jaar; deze termijn kan slechts eenmaal worden verlengd. De eerste Directeur-Generaal wordt op aanbeveling van de Voorbereidende Commissie benoemd door de Conferentie tijdens de Eerste Vergadering.

50.

De Directeur-Generaal is verantwoording verschuldigd tegenover de Conferentie en de Uitvoerende Raad voor de aanstelling van het personeel en voor de organisatie en het functioneren van het Technisch Secretariaat. De belangrijkste overweging bij de werving van personeel en bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden is de noodzaak te waarborgen dat aan de hoogste normen voor professionele expertise, ervaring, efficiëntie, bekwaamheid en integriteit wordt voldaan.

Alleen onderdanen van Staten die Partij zijn kunnen een functie bekleden als Directeur-Generaal, inspecteur of lid van het technische/wetenschappelijke en administratieve personeel. Er dient naar behoren aandacht te worden besteed aan het belang van een zo ruim mogelijke geografische spreiding bij de werving van personeel. Het leidende beginsel bij de werving van personeel is het principe dat het personeelsbestand dient te worden beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de taken van het Technisch Secretariaat.

51.

De Directeur-Generaal kan, waar nodig, na overleg met de Uitvoerende Raad, tijdelijke werkgroepen instellen bestaande uit wetenschappelijke deskundigen die aanbevelingen over specifieke kwesties kunnen uitbrengen.

52.

Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden instructies van een Regering of van andere instanties buiten de Organisatie. Zij onthouden zich van elk optreden dat afbreuk zou kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen verantwoording verschuldigd zijn aan de Organisatie. De Directeur-Generaal is verantwoordelijk voor de activiteiten van een inspectieteam.

53.

Elke Staat die Partij is eerbiedigt de uitsluitend internationale aard van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden en zal niet trachten hen te beïnvloeden bij de uitoefening van hun taken.

54.

De Organisatie geniet op het grondgebied en op alle andere plaatsen die onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is vallen de rechtsbevoegdheid en de voorrechten en immuniteiten die vereist zijn voor de uitoefening van haar taken.

55.

De afgevaardigden van Staten die Partij zijn, alsmede hun plaatsvervangers en adviseurs, de vertegenwoordigers van leden van de Uitvoerende Raad, alsmede hun plaatsvervangers en hun adviseurs, de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden van de Organisatie genieten de voorrechten en immuniteiten die vereist zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun taken in verband met de Organisatie.

56.

De in dit artikel bedoelde rechtsbevoegdheid, de voorrechten en de immuniteiten worden omschreven in overeenkomsten tussen de Organisatie en de Staten die Partij zijn alsmede in een overeenkomst tussen de Organisatie en de Staat waar de Organisatie haar zetel heeft. Genoemde overeenkomsten worden overeenkomstig lid 26, letters h en i, bestudeerd en goedgekeurd.

57.

Onverminderd het bepaalde in het vierenvijftigste en vijfenvijftigste lid, genieten de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden van het Technisch Secretariaat bij het verrichten van verificatie-activiteiten de voorrechten en immuniteiten die zijn vervat in het Protocol.

Artikel III. Nationale uitvoeringsmaatregelen
1.

Elke Staat die Partij is neemt, overeenkomstig zijn constitutionele procedures, de nodige maatregelen ter nakoming van de ingevolge dit Verdrag door hem aangegane verplichtingen. In het bijzonder neemt elke Staat de nodige maatregelen teneinde:

  • a. Natuurlijke personen en rechtspersonen waar ook op zijn grondgebied of op een andere plaats die ingevolge het internationale recht onder zijn rechtsmacht valt, te verbieden activiteiten te ondernemen die uit hoofde van dit Verdrag voor een Staat die Partij is verboden zijn;
  • b. Natuurlijke personen en rechtspersonen te verbieden dergelijke activiteiten te ondernemen op plaatsen onder zijn toezicht; en
  • c. Natuurlijke personen die zijn nationaliteit bezitten, overeenkomstig het internationale recht, te verbieden waar ook dergelijke activiteiten te ondernemen.
2.

Elke Staat die Partij is werkt samen met andere Staten die Partij zijn en biedt de passende vorm van rechtshulp ter vergemakkelijking van de nakoming van de in het eerste lid genoemde verplichtingen.

3.

Elke Staat die Partij is brengt de Organisatie op de hoogte van de ingevolge dit artikel getroffen maatregelen.

4.

Teneinde zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na te komen, wijst elke Staat die Partij is een Nationale Autoriteit aan, of stelt deze in, en doet hiervan bij de inwerkingtreding van het Verdrag voor hem, mededeling aan de Organisatie. De Nationale Autoriteit fungeert als het nationale centrum voor het contact met de Organisatie en met de andere Staten die Partij zijn.

Artikel IV. Verificatie
1.

Teneinde de naleving van dit Verdrag te controleren, wordt een verificatiestelsel in het leven geroepen, dat is opgebouwd uit de volgende elementen:

  • a. Een Internationaal Toezichtsysteem;
  • b. Overleg en opheldering;
  • c. Inspecties ter plaatse; en
  • d. Vertrouwenbevorderende maatregelen.

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag is het verificatiestelsel in staat de ingevolge dit Verdrag vereiste verificatietaken uit te voeren.

2.

De verificatie-activiteiten moeten gebaseerd zijn op objectieve informatie, moeten beperkt blijven tot het onderwerp van dit Verdrag en moeten worden uitgevoerd op basis van de volledige eerbiediging van de soevereiniteit van de Staten die Partij zijn en op de minst indringende wijze mogelijk die verenigbaar is met de doeltreffende en tijdige verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Elke Staat die Partij is onthoudt zich van misbruik van het recht op verificatie.

3.

Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe, overeenkomstig dit Verdrag, via de ingevolge artikel III, vierde lid, opgerichte Nationale Autoriteit, samen te werken met de Organisatie en met de andere Staten die Partij zijn ter vergemakkelijking van de verificatie van de naleving van dit Verdrag, onder andere door:

  • a. Het creëren van de nodige inrichtingen om te kunnen deelnemen aan genoemde verificatie-activiteiten en het tot stand brengen van de nodige communicatie;
  • b. Het aanleveren van gegevens afkomstig van nationale stations die deel uitmaken van het Internationaal Toezichtsysteem;
  • c. Het participeren, waar nodig, in de overleg- en ophelderingsprocedures;
  • d. Het toestaan van inspecties ter plaatse; en
  • e. Het participeren, waar nodig, in de vertrouwenbevorderende maatregelen.
4.

Alle Staten die Partij zijn, ongeacht hun technische en financiële capaciteiten, hebben evenveel recht verificaties te verrichten en zijn in dezelfde mate verplicht verificaties toe te staan.

5.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt geen enkele Staat die Partij is belet informatie die via nationale technische verificatiemiddelen is verkregen, te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met de algemeen erkende beginselen van internationaal recht, met inbegrip van het beginsel van de eerbiediging van de soevereiniteit van Staten.

6.

Niettegenstaande het recht van de Staten die Partij zijn gevoelige installaties, activiteiten of locaties die geen verband houden met dit Verdrag, te beschermen, mogen Staten die Partij zijn de elementen van het verificatiestelsel van dit Verdrag of de nationale technische verificatiemiddelen die overeenkomstig het vijfde lid worden aangewend, niet hinderen.

7.

Elke Staat die Partij is heeft het recht maatregelen te nemen om de gevoelige installaties te beschermen en de bekendmaking van vertrouwelijke informatie en gegevens die geen betrekking hebben op dit Verdrag, te voorkomen.

8.

Voorts worden alle nodige maatregelen genomen om de vertrouwelijkheid van informatie te beschermen die betrekking heeft op civiele en militaire activiteiten en inrichtingen en die is verkregen gedurende de verificatie-activiteiten.

9.

Onverminderd het bepaalde in het achtste lid, wordt informatie die door de Organisatie wordt verkregen ingevolge het bij dit Verdrag gecreëerde verificatiestelsel beschikbaar gesteld aan alle Staten die Partij zijn overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en het Protocol.

10.

De bepalingen van dit Verdrag worden niet zodanig uitgelegd dat daardoor de internationale uitwisseling van gegevens voor wetenschappelijke doeleinden wordt beperkt.

11.

Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe samen te werken met de Organisatie en met de andere Staten die Partij zijn bij de verbetering van het verificatiestelsel, alsmede bij het bestuderen van de verificatiemogelijkheden van aanvullende controletechnieken zoals de detectie van elektromagnetische pulsen of toezicht via satellieten, met het oog op de ontwikkeling van, waar nodig, specifieke maatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid en de kosteneffectiviteit van de verificatie ingevolge dit Verdrag. Deze maatregelen worden, wanneer daarover overeenstemming wordt bereikt, opgenomen in de bepalingen van dit Verdrag, het Protocol of als aanvullende afdelingen van het Protocol, in overeenstemming met artikel VII, of worden, indien van toepassing, weergegeven in de handleidingen, overeenkomstig artikel II, vierenveertigste lid.

12.

De Staten die Partij zijn verbinden zich ertoe de onderlinge samenwerking te bevorderen voor de vergemakkelijking van en de deelname aan een zo volledig mogelijke uitwisseling betreffende technologieën die worden gebruikt bij de controle van de naleving van dit Verdrag om alle Staten die Partij zijn in staat te stellen hun nationale uitvoering van verificatiemaatregelen kracht bij te zetten en van de toepassing van deze technologieën gebruik te kunnen maken voor vreedzame doeleinden.

13.

De bepalingen van dit Verdrag worden zodanig toegepast dat hierdoor de economische en technologische ontwikkeling van de Staten die Partij zijn ten behoeve van de verdere ontwikkeling van de toepassing van kernenergie voor vreedzame doeleinden niet wordt gehinderd.

14.

Bij de uitvoering van de in dit Verdrag en het Protocol genoemde verificatietaken draagt het Technisch Secretariaat, in samenwerking met de Staten die Partij zijn, ten behoeve van dit Verdrag, zorg voor:

  • a. Het maken van afspraken voor het ontvangen en verspreiden van gegevens en verslagen betreffende de controle van de toepassing van dit Verdrag, in overeenstemming met de bepalingen hiervan, en voor het onderhouden van een op deze taak toegesneden internationale communicatie-infrastructuur;
  • b. Als onderdeel van de reguliere werkzaamheden, via het Internationaal Datacentrum, dat in beginsel het centrum binnen het Technisch Secretariaat is voor de opslag en verwerking van gegevens:
  • i. Het ontvangen en voorleggen van aanvragen voor gegevens uit het Internationaal Toezichtsysteem;
  • ii. Het ontvangen, waar gepast, van gegevens voortkomende uit het overleg- en ophelderingsproces, uit inspecties ter plaatse alsmede uit de vertrouwenbevorderende maatregelen; en
  • iii. Het ontvangen van andere relevante gegevens van Staten die Partij zijn en internationale organisaties overeenkomstig dit Verdrag en het Protocol;
  • c. Het superviseren, coördineren en zorg dragen voor de werking van het Internationaal Toezichtsysteem en de samenstellende delen daarvan, en van het Internationaal Datacentrum, in overeenstemming met de desbetreffende handleidingen;
  • d. Het routinematig verwerken en analyseren van en verslag uitbrengen over gegevens uit het Internationaal Toezichtsysteem volgens overeengekomen procedures om effectieve internationale controle van de toepassing van dit Verdrag mogelijk te maken en bij te dragen aan het tijdig wegnemen van de zorgen over de naleving van dit Verdrag;
  • e. Het beschikbaar stellen van alle gegevens, zowel verwerkt als onverwerkt, en verslagen aan alle Staten die Partij zijn, waarbij elke Staat die Partij is de verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem, in overeenstemming met artikel II, zevende lid, en met het achtste en dertiende lid van dit artikel;
  • f. Het geven, op voet van gelijkheid, van een vrije, eenvoudige en tijdige toegang tot alle opgeslagen gegevens;
  • g. Het opslaan van alle gegevens, zowel verwerkt als onverwerkt, en verslagen;
  • h. Het coördineren en vergemakkelijken van verzoeken tot aanvullende gegevens uit het Internationaal Toezichtsysteem;
  • i. Het coördineren van verzoeken tot aanvullende gegevens van de ene Staat die Partij is aan de andere;
  • j. Het geven van technische bijstand en ondersteuning bij de installatie en werking van controle-inrichtingen en de overeenkomstige communicatiemiddelen, indien om deze bijstand en ondersteuning wordt verzocht door de desbetreffende Staat;
  • k. Het op verzoek beschikbaar stellen aan elke Staat die Partij is van technieken die door het Technisch Secretariaat en het Internationaal Datacentrum worden gebruikt bij het verzamelen, opslaan, verwerken, analyseren en rapporteren van gegevens uit het verificatiestelsel; en
  • l. Het controleren, beoordelen en rapporteren van de globale prestaties van het Internationaal Toezichtsysteem en het Internationaal Datacentrum.
15.

De overeengekomen procedures die door het Technisch Secretariaat moeten worden gevolgd bij de uitvoering van zijn verificatietaken zoals genoemd in het veertiende lid en nauwkeurig omschreven in het Protocol, worden uitgewerkt in de desbetreffende handleidingen.

16.

Het Internationaal Toezichtsysteem omvat inrichtingen voor seismologische metingen, voor metingen van radionucliden, met inbegrip van gecertificeerde laboratoria, hydro-akoestische metingen, infra-geluidmetingen en overeenkomstige communicatiemiddelen, en wordt ondersteund door het Internationaal Datacentrum van het Technisch Secretariaat.

17.

Het Internationaal Toezichtsysteem wordt geplaatst onder het gezag van het Technisch Secretariaat. Alle controle-inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem zijn eigendom van en worden geëxploiteerd door de Staten die als gastheer optreden of, overeenkomstig het Protocol, anderszins verantwoordelijk zijn voor deze inrichtingen.

18.

Elke Staat die Partij is heeft het recht deel te nemen aan de internationale uitwisseling van gegevens en toegang te verkrijgen tot alle aan het Internationaal Datacentrum beschikbaar gestelde gegevens. Elke Staat die Partij is werkt met het Internationaal Datacentrum samen via zijn Nationale Autoriteit.

19.

Ten behoeve van de inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem die zijn aangegeven in de tabellen 1-A, 2-A, 3 en 4 van Bijlage 1 bij het Protocol, en voor de werking hiervan, voor zover deze inrichtingen zijn overeengekomen door de desbetreffende Staat en de Organisatie voor het verstrekken van gegevens aan het Internationaal Datacentrum in overeenstemming met de technische vereisten van het Protocol en de desbetreffende handleidingen, draagt de Organisatie, zoals bepaald in overeenkomsten of regelingen ingevolge het vierde lid van Deel I van het Protocol, de kosten van de volgende activiteiten:

  • a. Het creëren van nieuwe inrichtingen en het verbeteren van de bestaande inrichtingen, tenzij de Staat die verantwoordelijk is voor die inrichtingen, deze kosten zelf draagt;
  • b. Het exploiteren en onderhouden van inrichtingen ten behoeve van het Internationaal Toezichtsysteem, met inbegrip van de eventuele fysieke beveiliging van inrichtingen, en het toepassen van overeengekomen procedures voor het waarmerken van gegevens;
  • c. Het verzenden van gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem (verwerkt of onverwerkt) aan het Internationaal Datacentrum door middel van de meest directe en kosteneffectieve middelen die beschikbaar zijn, met inbegrip van, indien nodig via geschikte communicatieknooppunten, van gegevens van meetstations, laboratoria, analyse-inrichtingen of van nationale gegevenscentra; of het verzenden van deze gegevens (eventueel met inbegrip van monsters) van meetstations naar laboratoria en analyse-inrichtingen; en
  • d. Het analyseren van monsters namens de Organisatie.
20.

Ten behoeve van de seismische stations van het aanvullende netwerk zoals aangegeven in tabel 1-B van Bijlage 1 bij het Protocol, draagt de Organisatie, zoals bepaald in overeenkomsten of regelingen ingevolge het vierde lid van Deel I van het Protocol, slechts de kosten van de volgende activiteiten:

  • a. Het verzenden van gegevens aan het Internationaal Datacentrum;
  • b. Het waarmerken van de gegevens afkomstig van genoemde stations;
  • c. Het moderniseren van de stations zodat deze voldoen aan de vereiste technische normen, tenzij de Staat die verantwoordelijk is voor deze inrichtingen, deze kosten zelf draagt;
  • d. Indien nodig het opzetten van nieuwe stations ten behoeve van dit Verdrag daar waar nog geen geschikte inrichtingen zijn, tenzij de Staat die voor deze inrichtingen verantwoordelijk is, deze kosten zelf draagt; en
  • e. Alle andere kosten die betrekking hebben op het verstrekken van door de Organisatie gevraagde gegevens zoals weergegeven in de desbetreffende handleidingen.
21.

De Organisatie draagt eveneens de kosten voor de levering aan elke Staat die Partij is van de door hem verzochte verslagen en diensten uit het standaardpakket van het Internationaal Datacentrum, overeenkomstig Afdeling F van het Deel I van het Protocol. De voorbereidings- en verzendkosten van aanvullende gegevens of resultaten worden gedragen door de verzoekende Staat die Partij is.

22.

De overeenkomsten c.q. regelingen tussen Staten die Partij zijn of Staten die gastheer zijn of die anderszins verantwoordelijk zijn voor inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem, bevatten bepalingen omtrent het dragen van deze kosten. Dergelijke bepalingen kunnen regelingen bevatten waarbij een Staat die Partij is ongeacht welk deel van de kosten bedoeld in het negentiende lid, letter a, en het twintigste lid, letters c en d, draagt ten aanzien van de inrichtingen waarvan hij gastheer is of waarvoor hij verantwoordelijk is, in ruil voor een passende reductie van zijn verschuldigde financiële bijdrage aan de Organisatie. Een dergelijke reductie kan niet hoger zijn dan de helft van de jaarlijks verschuldigde bijdrage van een Staat die Partij is, maar mag over meerdere opeenvolgende jaren worden gespreid. Een Staat die Partij is kan een dergelijke reductie delen met een andere Staat die Partij is door middel van een onderlinge overeenkomst of regeling en met de instemming van de Uitvoerende Raad. De in dit lid genoemde overeenkomsten of regelingen worden goedgekeurd in overeenstemming met artikel II, zesentwintigste lid, letter h, en achtendertigste lid, letter i.

23.

Maatregelen bedoeld in het elfde lid die gevolgen hebben voor het Internationaal Toezichtsysteem in de vorm van een toevoeging of weglating van een controletechniek, worden, wanneer deze maatregelen zijn overeengekomen, in dit Verdrag en het Protocol opgenomen, overeenkomstig artikel VII, eerste tot en met zesde lid.

24.

Behoudens de goedkeuring van de rechtstreeks betrokken Staten, worden de volgende wijzigingen van het Internationaal Toezichtsysteem beschouwd als aangelegenheden van administratieve of technische aard ingevolge artikel VII, zevende en achtste lid:

  • a. Wijziging van het aantal inrichtingen voor een bepaalde controletechniek, zoals aangegeven in het Protocol; en
  • b. Wijziging van andere details voor specifieke inrichtingen zoals weergegeven in de tabellen in Bijlage 1 bij het Protocol (met inbegrip van, onder andere, de Staat die verantwoordelijk is voor de inrichting, de locatie, de naam of de soort inrichting en de toewijzing van een inrichting aan het seismische hoofdnetwerk of het aanvullende netwerk).

Indien de Uitvoerende Raad ingevolge artikel VII, achtste lid, letter d, aanbeveelt dat dergelijke wijzigingen worden aangenomen, beveelt hij, ingevolge artikel VII, achtste lid, letter g, in beginsel tevens aan dat genoemde wijzigingen in werking treden nadat de Directeur-Generaal kennisgeving van de goedkeuring daarvan heeft gedaan.

25.

Ten aanzien van voorstellen gedaan ingevolge het vierentwintigste lid, doet de Directeur-Generaal aan de Uitvoerende Raad en de Staten die Partij zijn naast de informatie en evaluatie bedoeld in artikel VII, achtste lid, letter b, toekomen:

  • a. Een technische evaluatie van het voorstel;
  • b. Een verklaring betreffende de administratieve en financiële gevolgen van het voorstel; en
  • c. Een verslag betreffende het overleg met de rechtstreeks bij het voorstel betrokken Staten, waarin wordt aangegeven of zij hun instemming geven.
26.

In geval van een ernstige of onherstelbare beschadiging van een controle-inrichting genoemd in de tabellen van Bijlage 1 bij het Protocol, of teneinde andere tijdelijke reducties van het gebied dat door controle-inrichtingen wordt bestreken op te vangen, treft de Directeur-Generaal, in overleg en in overeenstemming met de rechtstreeks betrokken Staten, en met de goedkeuring van de Uitvoerende Raad, tijdelijke regelingen van maximaal één jaar, die, indien nodig, met instemming van de Uitvoerende Raad en de direct betrokken Staten eenmaal met een jaar kunnen worden verlengd. Dergelijke regelingen mogen niet leiden tot een situatie waarin het aantal operationele inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem het aantal inrichtingen overtreft dat is aangegeven voor het desbetreffende netwerk, moeten voor zover mogelijk voldoen aan de technische en operationele vereisten genoemd in de handleiding voor het desbetreffende netwerk en moeten worden uitgevoerd binnen de begroting van de Organisatie. De Directeur-Generaal neemt voorts de nodige stappen om de situatie te corrigeren en doet voorstellen om tot een permanente oplossing te komen. De Directeur-Generaal stelt alle Staten die Partij zijn in kennis van iedere ingevolge dit lid genomen beslissing.

27.

Staten die Partij zijn mogen eveneens apart samenwerkingsregelingen treffen met de Organisatie om het Internationaal Datacentrum aanvullende gegevens beschikbaar te stellen van nationale meetstations die formeel geen onderdeel uitmaken van het Internationaal Toezichtsysteem.

28.

Genoemde samenwerkingsregelingen kunnen als volgt worden opgesteld:

  • a. Op verzoek van een Staat die Partij is, en op kosten van die Staat, neemt het Technisch Secretariaat de nodige stappen om te garanderen dat een bepaalde controle-inrichting voldoet aan de technische en operationele eisen aangegeven in de desbetreffende handleidingen voor inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem, en treft het regelingen voor de waarmerking van de hieruit voortkomende gegevens. Behoudens de toestemming van de Uitvoerende Raad, wijst het Technisch Secretariaat deze inrichting officieel aan als een samenwerkende nationale inrichting. Het Technisch Secretariaat neemt de vereiste maatregelen om, indien nodig, de certificering van de inrichting te herbevestigen;
  • b. Het Technisch Secretariaat houdt een actuele lijst bij van samenwerkende nationale inrichtingen en doet deze toekomen aan alle Staten die Partij zijn; en
  • c. Indien een Staat die Partij is hierom verzoekt, doet het Internationaal Datacentrum een beroep op gegevens afkomstig van samenwerkende nationale inrichtingen, ten behoeve van de vergemakkelijking van overleg- en ophelderingsactiviteiten en ter bestudering van verzoeken om inspecties ter plaatse; de kosten van het verzenden van gegevens worden gedragen door de desbetreffende Staat die Partij is.

De voorwaarden die gelden voor de beschikbaarstelling van aanvullende gegevens van genoemde inrichtingen, en voor verzoeken om verdere of versnelde toezending van gegevens of opheldering van het Internationaal Datacentrum, worden uiteengezet in de handleiding voor het desbetreffende controlenetwerk

29.

Onverminderd het recht van elke Staat die Partij is verzoeken te doen om inspecties ter plaatse, zouden de Staten die Partij zijn, indien mogelijk, eerst al het mogelijke in het werk moeten stellen om onderling ofwel met of via de Organisatie alle kwesties op te helderen en op te lossen die reden geven tot zorg omtrent de mogelijke niet-nakoming van de basisverplichtingen ingevolge dit Verdrag.

30.

Een Staat die Partij is die een verzoek ingevolge het negenentwintigste lid rechtstreeks van een andere Staat die Partij is ontvangt, doet de verzoekende Staat die Partij is de gevraagde opheldering zo spoedig mogelijk toekomen, maar in elk geval niet later dan 48 uur na het verzoek. De verzoekende en de aangezochte Staten die Partij zijn kunnen de Uitvoerende Raad en de Directeur-Generaal op de hoogte houden van het verzoek en het gevolg dat daaraan is gegeven.

31.

Een Staat die Partij is heeft het recht de Directeur-Generaal te verzoeken hem bij te staan bij de opheldering van zaken die reden kunnen geven tot zorg omtrent de mogelijke niet-nakoming van de basisverplichtingen ingevolge dit Verdrag. De Directeur-Generaal verstrekt de relevante informatie die het Technisch Secretariaat ter zake bezit. Op verzoek van de verzoekende Staat die Partij is brengt de Directeur-Generaal de Uitvoerende Raad op de hoogte van het verzoek en van de informatie die ingevolge dat verzoek is verstrekt.

32.

Een Staat die Partij is heeft het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken om opheldering te verkrijgen van een andere Staat die Partij is ten aanzien van zaken die reden geven tot zorg omtrent de mogelijke niet-nakoming van de basisverplichtingen ingevolge dit Verdrag. In een dergelijk geval zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a. De Uitvoerende Raad verzendt het verzoek om opheldering uiterlijk 24 uur na ontvangst naar de aangezochte Staat die Partij is via de Directeur-Generaal;
  • b. De aangezochte Staat die Partij is geeft de Uitvoerende Raad zo spoedig mogelijk opheldering, in elk geval uiterlijk 48 uur na ontvangst van het verzoek;
  • c. De Uitvoerende Raad neemt kennis van de opheldering en verzendt deze uiterlijk 24 uur na ontvangst naar de verzoekende Staat die Partij is;
  • d. Indien de verzoekende Staat die Partij is de opheldering onvoldoende acht, is hij bevoegd de Uitvoerende Raad te verzoeken om nadere opheldering door de aangezochte Staat die Partij is.

De Uitvoerende Raad stelt onverwijld alle andere Staten die Partij zijn op de hoogte van alle verzoeken om opheldering ingevolge dit lid, alsmede van het gevolg dat hieraan door de aangezochte Staat die Partij is is gegeven.

33.

Indien de verzoekende Staat die Partij is oordeelt dat de ingevolge het tweeëndertigste lid, letter d, verkregen opheldering ontoereikend is, heeft hij het recht om een vergadering van de Uitvoerende Raad te verzoeken waaraan de betrokken Staten die Partij zijn die geen lid zijn van de Uitvoerende Raad deel mogen nemen. Bij een dergelijke vergadering bestudeert de Uitvoerende Raad de kwestie en kan hij elke maatregel overeenkomstig artikel V aanbevelen.

34.

Elke Staat die Partij is heeft overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en Deel II van het Protocol, het recht een verzoek in te dienen om inspectie ter plaatse op het grondgebied van een andere Staat die Partij is of op elke andere plaats onder diens rechtsmacht of toezicht, of in enig ander gebied dat onder de rechtsmacht of het toezicht van geen enkele Staat valt.

35.

Het enige doel van een inspectie ter plaatse is opheldering te verschaffen ten aanzien van de vraag of er al dan niet een proefexplosie van een kernwapen of een andere kernexplosie is uitgevoerd in strijd met artikel I en, voor zover mogelijk, feiten te verzamelen die kunnen bijdragen tot de vaststelling van de identiteit van een mogelijke overtreder.

36.

De verzoekende Staat die Partij is is verplicht het verzoek om inspectie ter plaatse binnen de reikwijdte van dit Verdrag te houden en bij het verzoek de in het zevenendertigste lid bedoelde informatie te verschaffen. De verzoekende Staat die Partij is onthoudt zich van het doen van ongegronde of oneigenlijke verzoeken om inspectie.

37.

Het verzoek om inspectie ter plaatse is gebaseerd op de door het Internationaal Toezichtsysteem verzamelde informatie, op relevante technische informatie afkomstig van nationale technische verificatiemiddelen overeenkomstig de algemeen erkende beginselen van internationaal recht, of op een combinatie daarvan. Het verzoek bevat de informatie bedoeld in het eenenveertigste lid van Deel II van het Protocol.

38.

De verzoekende Staat die Partij is legt het verzoek om inspectie ter plaatse voor aan de Uitvoerende Raad en tegelijkertijd aan de Directeur-Generaal zodat deze laatste er onmiddellijk gevolg aan kan gaan geven.

39.

De Uitvoerende Raad vangt onmiddellijk na ontvangst van het verzoek om inspectie ter plaatse aan met de bestudering daarvan.

40.

Na ontvangst van het verzoek om inspectie ter plaatse, bevestigt de Directeur-Generaal binnen twee uur de ontvangst van het verzoek aan de verzoekende Staat die Partij is en zendt dit verzoek binnen zes uur door naar de ter inspectie aangezochte Staat die Partij is. De Directeur-Generaal vergewist zichzelf ervan dat het verzoek voldoet aan de vereisten van het eenenveertigste lid van Deel II van het Protocol, en, indien nodig, helpt hij de verzoekende Staat die Partij is bij het naar behoren indienen van het verzoek, en zendt het verzoek binnen 24 uur door naar de Uitvoerende Raad en alle andere Staten die Partij zijn.

41.

Wanneer het verzoek om inspectie ter plaatse voldoet aan de vereisten, vangt het Technisch Secretariaat zonder oponthoud aan met de voorbereidingen voor de inspectie ter plaatse.

42.

Wanneer de Directeur-Generaal een verzoek om een inspectie ter plaatse ontvangt waarin wordt verwezen naar een inspectiegebied dat onder de rechtsmacht of het toezicht valt van een Staat die Partij is, vraagt hij de ter inspectie aangezochte Staat die Partij is onmiddellijk om opheldering teneinde de feiten op te helderen en de in het verzoek geuite zorg weg te nemen.

43.

Een Staat die Partij is die een verzoek om opheldering ontvangt ingevolge het tweeënveertigste lid, doet de Directeur-Generaal zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 72 uur na ontvangst van het verzoek om opheldering, uitleg en andere beschikbare relevante informatie toekomen.

44.

Voordat de Uitvoerende Raad een besluit neemt ten aanzien van een verzoek om inspectie ter plaatse, zendt de Directeur-Generaal onmiddellijk alle beschikbare aanvullende informatie van het Internationaal Toezichtsysteem of informatie verstrekt door een Staat die Partij is betreffende de in het verzoek vermelde gebeurtenis, met inbegrip van ophelderingen gegeven ingevolge het tweeënveertigste en drieënveertigste lid, alsmede enige andere informatie afkomstig van het Technisch Secretariaat die de Directeur-Generaal relevant acht of waar door de Uitvoerende Raad om wordt verzocht.

45.

Tenzij de verzoekende Staat die Partij is van mening is dat de in het verzoek om inspectie ter plaatse geuite zorg weggenomen is en het verzoek intrekt, neemt de Uitvoerende Raad een besluit inzake het verzoek in overeenstemming met het zesenveertigste lid.

46.

De Uitvoerende Raad neemt binnen 96 uur na ontvangst van het verzoek om inspectie ter plaatse van de verzoekende Staat die Partij is een besluit. Het besluit tot goedkeuring van de inspectie ter plaatse wordt genomen met ten minste 30 bevestigende stemmen van leden van de Uitvoerende Raad. Indien de Uitvoerende Raad de inspectie niet goedkeurt, worden de voorbereidingen gestaakt en geen verdere stappen genomen met betrekking tot het verzoek.

47.

Uiterlijk 25 dagen na goedkeuring van de inspectie ter plaatse overeenkomstig het zesenveertigste lid, zendt het inspectieteam, via de Directeur-Generaal, een verslag inzake de voortgang van de inspectie naar de Uitvoerende Raad. De voortzetting van de inspectie wordt geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Uitvoerende Raad, uiterlijk 72 uur na ontvangst van het rapport inzake de voortgang van de inspectie, bij meerderheid van al zijn leden besluit de inspectie niet voort te zetten. Indien de Uitvoerende Raad besluit de inspectie niet voort te zetten, wordt deze beëindigd, en verlaat het inspectieteam het inspectiegebied en het grondgebied van de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is zo spoedig mogelijk, in overeenstemming met paragrafen 109 en 110 van Deel II van het Protocol.

48.

Tijdens de inspectie ter plaatse kan het inspectieteam, via de Directeur-Generaal, de Uitvoerende Raad een voorstel doen tot het uitvoeren van boringen. De Uitvoerende Raad neemt ten aanzien van een dergelijk verzoek uiterlijk 72 uur na ontvangst van het voorstel een besluit. Het besluit tot goedkeuring van boringen wordt genomen bij meerderheid van alle leden van de Uitvoerende Raad.

49.

Het inspectieteam kan de Uitvoerende Raad, via de Directeur-Generaal, verzoeken de duur van de inspectie te verlengen met maximaal 70 dagen na de in paragraaf 4 van Deel II van het Protocol genoemde 60-dagentermijn, indien het inspectieteam zulks noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taak. Het inspectieteam geeft in zijn verzoek aan welke van de in paragraaf 69 van Deel II van het Protocol genoemde activiteiten en technieken het van plan is uit te voeren en toe te passen in de verlengingstermijn. De Uitvoerende Raad neemt uiterlijk 72 uur na ontvangst van het verzoek een besluit ten aanzien van het verzoek tot verlenging. Het besluit een verlenging van de inspectietermijn goed te keuren wordt genomen bij meerderheid van alle leden van de Uitvoerende Raad.

50.

Op elk tijdstip na de goedkeuring van het vervolg van de inspectie ter plaatse in overeenstemming met het zevenenveertigste lid, kan het inspectieteam, via de Directeur-Generaal, de Uitvoerende Raad aanbevelen de inspectie te beëindigen. Een dergelijke aanbeveling wordt geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Uitvoerende Raad, uiterlijk 72 uur na ontvangst van de aanbeveling, bij tweederde meerderheid van al zijn leden besluit de beëindiging van de inspectie niet goed te keuren. In geval van beëindiging van de inspectie, verlaat het inspectieteam het inspectiegebied en het grondgebied van de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is zo spoedig mogelijk, in overeenstemming met paragrafen 109 en 110 van Deel II van het Protocol.

51.

De verzoekende Staat die Partij is en de ter inspectie aangezochte Staat die Partij is kunnen – zonder stemrecht – deelnemen aan de beraadslagingen van de Uitvoerende Raad inzake het verzoek om inspectie ter plaatse. De verzoekende Staat die Partij is en de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is kunnen eveneens zonder stemrecht deelnemen aan vervolgberaadslagingen van de Uitvoerende Raad met betrekking tot de inspectie.

52.

De Directeur-Generaal stelt de Staten die Partij zijn binnen 24 uur in kennis van alle besluiten van de Uitvoerende Raad en van alle verslagen, voorstellen, verzoeken en aanbevelingen die aan de Uitvoerende Raad zijn gericht ingevolge het zesenveertigste tot en met het vijftigste lid.

53.

Een door de Uitvoerende Raad goedgekeurde inspectie ter plaatse wordt onverwijld uitgevoerd door een inspectieteam aangewezen door de Directeur-Generaal overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en het Protocol. Het inspectieteam arriveert op het punt van binnenkomst niet later dan zes dagen na ontvangst door de Uitvoerende Raad van het verzoek om inspectie ter plaatse van de verzoekende Staat die Partij is.

54.

De Directeur-Generaal verleent een inspectiemandaat voor de uitvoering van de inspectie ter plaatse. Het inspectiemandaat bevat de informatie genoemd in paragraaf 42 van Deel II van het Protocol.

55.

De Directeur-Generaal stelt de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is uiterlijk 24 uur voor de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst in kennis van de inspectie, overeenkomstig paragraaf 43 van Deel II van het Protocol.

56.

Elke Staat die Partij is staat de Organisatie toe een inspectie ter plaatse uit te voeren op zijn grondgebied of op plaatsen die onder zijn rechtsmacht of toezicht vallen, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en het Protocol. Geen enkele Staat die Partij is hoeft evenwel gelijktijdige inspecties toe te laten op zijn grondgebied of op plaatsen die onder zijn rechtsmacht of toezicht vallen.

57.

Overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en het Protocol heeft de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is de volgende rechten en verplichtingen:

  • a. Het recht en de verplichting om al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om aan te tonen dat hij dit Verdrag naleeft en hiertoe het inspectieteam in staat te stellen zijn taak uit te voeren;
  • b. Het recht op het treffen van de maatregelen die hij nodig acht om de nationale-veiligheidsbelangen te beschermen en de verspreiding te voorkomen van vertrouwelijke informatie die geen betrekking heeft op het doel van de inspectie;
  • c. De verplichting om toegang te geven tot het inspectiegebied uitsluitend met het doel feiten vast te stellen die betrekking hebben op het doel van de inspectie, rekening houdend met letter b, en eventuele constitutionele verplichtingen die hij zou kunnen hebben ten aanzien van eigendomsrechten of huiszoekingen en inbeslagnemingen;
  • d. De verplichting tot inachtneming van het verbod zich te beroepen op dit lid of op paragraaf 88 van Deel II van het Protocol met het oogmerk niet-nakoming van zijn verplichtingen ingevolge artikel I te verhullen; en
  • e. De verplichting om het inspectieteam niet te verhinderen zich binnen het inspectiegebied te verplaatsen en inspectie-activiteiten overeenkomstig dit Verdrag en het Protocol te verrichten.

Toegang, in de context van een inspectie ter plaatse, houdt in zowel fysieke toegang van het inspectieteam en het inspectiematerieel tot het inspectiegebied als de uitvoering van inspectie-activiteiten binnen het inspectiegebied.

58.

De inspectie ter plaatse geschiedt op de minst indringende wijze mogelijk die verenigbaar is met de efficiënte en tijdige uitvoering van het inspectiemandaat, en in overeenstemming met de in het Protocol genoemde procedures. Telkens wanneer dat mogelijk is, vangt het inspectieteam aan met de minst indringende procedures en gaat pas over op meer indringende procedures wanneer dit nodig wordt geacht voor de verzameling van voldoende informatie om helderheid te verschaffen ten aanzien van de zorg omtrent een mogelijke niet-naleving van dit Verdrag. De inspecteurs zoeken alleen naar die informatie en gegevens welke nodig zijn voor het doel van de inspectie en trachten de normale werkzaamheden van de geïnspecteerde Staat die Partij is zo min mogelijk te storen.

59.

De geïnspecteerde Staat die Partij is assisteert het inspectieteam gedurende de inspectie ter plaatse en vergemakkelijkt diens taak.

60.

Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is, handelend in overeenstemming met paragraaf 86 tot en met 96 van Deel II van het Protocol, de toegang binnen het inspectiegebied beperkt, doet hij, in overleg met het inspectieteam, alles wat redelijkerwijs mogelijk is om door andere middelen aan te tonen dat hij dit Verdrag naleeft.

61.

Ten aanzien van de aanwezigheid van een waarnemer gelden de volgende bepalingen:

  • a. Behoudens de instemming van de geïnspecteerde Staat die Partij is, kan de verzoekende Staat die Partij is een vertegenwoordiger sturen, die een ingezetene is van de verzoekende Staat die Partij is of van een derde Staat die Partij is, om de uitvoering van de inspectie ter plaatse waar te nemen;
  • b. De geïnspecteerde Staat die Partij is stelt de Directeur-Generaal binnen 12 uur na goedkeuring van de inspectie ter plaatse door de Uitvoerende Raad in kennis van de aanvaarding of de afwijzing van de voorgestelde waarnemer;
  • c. In geval van aanvaarding, verleent de geïnspecteerde Staat die Partij is de waarnemer toegang overeenkomstig het Protocol;
  • d. In beginsel aanvaardt de geïnspecteerde Staat die Partij is de voorgestelde waarnemer, maar indien de geïnspecteerde Staat die Partij is dit weigert, dan wordt dit aangetekend in het inspectieverslag. Wordt door meerdere Staten die Partij zijn om een inspectie verzocht, dan kunnen er maximaal drie waarnemers deelnemen.
62.

Inspectieverslagen dienen de volgende gegevens te bevatten:

  • a. Een omschrijving van de door het inspectieteam uitgevoerde activiteiten;
  • b. De feitelijke bevindingen van het inspectieteam die betrekking hebben op het doel van de inspectie;
  • c. Een verslag van de verleende medewerking gedurende de inspectie ter plaatse;
  • d. Een feitelijke omschrijving van de mate waarin toegang is verstrekt, met name van de andere middelen die aan het team zijn verstrekt tijdens de inspectie ter plaatse; en
  • e. Alle overige details die betrekking hebben op het doel van de inspectie. Indien er verschil is in de bevindingen van de inspecteurs, kan dit worden aangegeven in een bijlage bij het verslag.
63.

De Directeur-Generaal stelt aan de geïnspecteerde Staat die Partij is ontwerp-inspectieverslagen ter beschikking. De geïnspecteerde Staat die Partij is heeft het recht de Directeur-Generaal binnen 48 uur commentaar en uitleg te doen toekomen, en eventueel aan te geven welke informatie en gegevens, naar zijn mening, geen betrekking hebben op het doel van de inspectie en niet mogen worden verspreid buiten het Technisch Secretariaat. De Directeur-Generaal bestudeert de door de geïnspecteerde Staat die Partij is gedane voorstellen tot wijziging van het ontwerp-inspectieverslag en neemt deze zo veel mogelijk daarin op. De Directeur-Generaal voegt eveneens het commentaar en de uitleg die door de geïnspecteerde Staat die Partij is zijn gegeven, bij het inspectieverslag.

64.

De Directeur-Generaal verzendt het inspectieverslag onverwijld naar de verzoekende Staat die Partij is, de geïnspecteerde Staat die Partij is, de Uitvoerende Raad en naar alle andere Staten die Partij zijn. De Directeur-Generaal verzendt voorts onverwijld naar de Uitvoerende Raad en naar alle andere Staten die Partij zijn eventuele resultaten van monsteranalyse in aangewezen laboratoria overeenkomstig paragraaf 104 van Deel II van het Protocol, relevante gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem, de beoordelingen van de verzoekende en de geïnspecteerde Staten die Partij zijn, alsmede eventuele andere door de Directeur-Generaal relevant geachte informatie. In geval van een verslag inzake de voortgang van de inspectie bedoeld in het zevenenveertigste lid, verzendt de Directeur-Generaal dit verslag binnen de in dat lid aangegeven termijn naar de Uitvoerende Raad.

65.

Overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken beoordeelt de Uitvoerende Raad het inspectieverslag en alle ingevolge het vierenzestigste lid geleverde documenten, en gaat alle punten van zorg na om te bepalen of:

  • a. dit Verdrag niet is nageleefd; en
  • b. misbruik is gemaakt van het recht te verzoeken om inspectie ter plaatse.
66.

Indien de Uitvoerende Raad, handelend overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken, tot de conclusie komt dat met betrekking tot het gestelde in het vijfenzestigste lid verdere actie nodig kan zijn, neemt hij de nodige maatregelen overeenkomstig artikel V.

67.

Indien de Uitvoerende Raad het verzoek om inspectie ter plaatse niet goedkeurt op grond van het feit dat het verzoek oneigenlijk of ondoordacht is, of indien de inspectie om dezelfde reden wordt beëindigd, overweegt en beslist de Uitvoerende Raad of er passende maatregelen moeten worden getroffen om de situatie te herstellen en met name:

  • a. Van de verzoekende Staat die Partij is te verlangen dat deze de kosten draagt van alle voorbereidende werkzaamheden van het Technisch Secretariaat;
  • b. Het recht van de verzoekende Staat die Partij is een verzoek om een inspectie ter plaatse in te dienen, te schorsen voor een door de Uitvoerende Raad vast te stellen periode; en
  • c. Het recht van de verzoekende Staat die Partij is zitting te nemen in de Uitvoerende Raad voor een bepaalde periode te schorsen.
68.

Teneinde:

  • a. een bijdrage te leveren aan de tijdige wegneming van zorgen omtrent de naleving die zouden kunnen rijzen uit mogelijke verkeerde interpretatie van verificatiegegevens betreffende chemische explosies; en
  • b. een bijdrage te leveren aan de ijking van de stations die deel uitmaken van de netwerken waaruit het Internationaal Toezichtsysteem is opgebouwd, verbindt elke Staat die Partij is zich ertoe samen te werken met de Organisatie en met andere Staten die Partij zijn bij de uitvoering van de maatregelen bedoeld in Deel III van het Protocol.
Artikel V. Maatregelen tot rechtzetting van een situatie en ter waarborging van de naleving van dit verdrag, met inbegrip van sancties
1.

De Conferentie, onder meer rekening houdend met de aanbevelingen van de Uitvoerende Raad, treft de nodige maatregelen, zoals wordt uiteengezet in het tweede en derde lid, om de naleving van dit Verdrag te waarborgen en situaties die strijdig zijn met de bepalingen van dit Verdrag te herstellen en te corrigeren.

2.

In de gevallen waarin een Staat die Partij is door de Conferentie of de Uitvoerende Raad wordt verzocht een situatie te herstellen die problemen oplevert met betrekking tot de naleving van dit Verdrag en deze Staat die Partij is niet binnen de aangegeven termijn gevolg geeft aan dit verzoek, kan de Conferentie, onder andere, besluiten de uitoefening van de rechten en privileges die deze Staat die Partij is ingevolge dit Verdrag geniet, te beperken of te schorsen, totdat de Conferentie anderszins besluit.

3.

In geval van aantasting van het voorwerp en doel van dit Verdrag als gevolg van de niet-naleving van de basisverplichtingen van dit Verdrag, kan de Conferentie de Staten die Partij zijn collectieve maatregelen aanbevelen die in overeenstemming zijn met het internationaal recht.

4.

De Conferentie of, indien de zaak spoedeisend is, de Uitvoerende Raad kan de kwestie, alsmede de relevante informatie en conclusies, onder de aandacht van de Verenigde Naties brengen.

Artikel VI. Beslechting van geschillen
1.

Geschillen die ontstaan ten aanzien van de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag worden beslecht overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en in overeenstemming met de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties.

2.

Indien met betrekking tot de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag een geschil ontstaat tussen twee of meer Staten die Partij zijn, of tussen een of meer Staten die Partij zijn en de Organisatie, plegen de betrokken partijen gezamenlijk overleg teneinde tot een spoedige beslechting van het geschil te komen door onderhandelingen of met andere vreedzame middelen naar keuze van de partijen, met inbegrip van een beroep op de daarvoor in aanmerking komende organen van dit Verdrag en, in onderlinge overeenstemming, voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof, overeenkomstig het Statuut van het Hof. De betrokken partijen houden de Uitvoerende Raad op de hoogte van de genomen maatregelen.

3.

De Uitvoerende Raad kan een bijdrage leveren aan de beslechting van een geschil betreffende de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag met alle door hem geschikt geachte middelen, waaronder het aanbieden van goede diensten, het doen van een beroep op de Staten die Partij zijn bij een geschil om via de door hen gekozen procedure het geschil te beslechten, het geschil onder de aandacht brengen van de Conferentie en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.

4.

De Conferentie bestudeert vraagstukken met betrekking tot geschillen die door de Staten die Partij zijn aan haar worden voorgelegd of door de Uitvoerende Raad onder haar aandacht zijn gebracht. Wanneer de Conferentie dit nodig acht, stelt zij organen in of belast zij organen met taken betrekking hebbend op de beslechting van deze geschillen overeenkomstig artikel II, zesentwintigste lid, letter j.

5.

De Conferentie en de Uitvoerende Raad zijn afzonderlijk bevoegd, behoudens goedkeuring door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof te verzoeken advies uit te brengen ten aanzien van juridische kwesties die zich voordoen binnen de werkingssfeer van de activiteiten van de Organisatie. Hiertoe wordt tussen de Organisatie en de Verenigde Naties een overeenkomst gesloten, overeenkomstig artikel II, achtendertigste lid, letter h.

6.

Dit artikel laat de artikelen IV en V onverlet.

Artikel VII. Wijzigingen
1.

Op elk tijdstip na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan elke Staat die Partij is voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag, het Protocol of de Bijlagen bij het Protocol. Iedere Staat die Partij is kan eveneens, overeenkomstig het zevende lid, voorstellen doen tot veranderingen van het Protocol of de Bijlagen daarvan. Voorstellen tot wijziging zijn onderworpen aan de procedures bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid. Voorstellen voor veranderingen overeenkomstig het zevende lid, zijn onderworpen aan de procedures genoemd in het achtste lid.

2.

De voorgestelde wijziging wordt alleen bestudeerd en aangenomen door een Wijzigingsconferentie.

3.

Ieder wijzigingsvoorstel wordt gezonden naar de Directeur-Generaal, die het voorstel zendt aan alle Staten die Partij zijn en aan de Depositaris en hun vraagt of zij het opportuun achten een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen ter bestudering van het voorstel. Indien een meerderheid van de Staten die Partij zijn de Directeur-Generaal uiterlijk 30 dagen na de verzending van het voorstel ervan in kennis stellen dat zij verdere bestudering van het voorstel steunen, roept de Directeur-Generaal een Wijzigingsconferentie bijeen waarvoor alle Staten die Partij zijn worden uitgenodigd.

4.

De Wijzigingsconferentie wordt onmiddellijk na een gewone vergadering van de Conferentie gehouden, tenzij alle Staten die Partij zijn die het bijeenroepen van een Wijzigingsconferentie steunen, verzoeken een eerdere bijeenkomst te houden. In geen geval wordt de Wijzigingsconferentie gehouden binnen 60 dagen na de toezending van de voorgestelde wijziging.

5.

Wijzigingen worden door de Wijzigingsconferentie aangenomen met de stemmen vóór van een meerderheid van de Staten die Partij zijn, terwijl geen enkele Staat die Partij is een stem tegen uitbrengt.

6.

Wijzigingen worden van kracht voor alle Staten die Partij zijn 30 dagen na de nederlegging van de akten van bekrachtiging of aanvaarding door alle Staten die Partij zijn die een stem vóór hebben uitgebracht op de Wijzigingsconferentie.

7.

Ter waarborging van de uitvoerbaarheid en de doeltreffendheid van dit Verdrag, zijn de Delen I en III van het Protocol en de Bijlagen 1 en 2 bij het Protocol onderworpen aan de manier van wijzigen overeenkomstig het achtste lid, indien de voorgestelde veranderingen slechts betrekking hebben op aangelegenheden van administratieve of technische aard. Alle andere bepalingen van het Protocol en de Bijlagen daarbij kunnen niet worden veranderd overeenkomstig het achtste lid.

8.

De in het zevende lid bedoelde voorgestelde veranderingen worden behandeld overeenkomstig de volgende procedure:

  • a. De tekst van de voorgestelde veranderingen wordt samen met de vereiste informatie toegezonden aan de Directeur-Generaal. Elke Staat die Partij is en de Directeur-Generaal kunnen met het oog op de beoordeling van het voorstel deze aanvullende informatie verstrekken. De Directeur-Generaal deelt deze voorstellen en informatie onverwijld mede aan alle Staten die Partij zijn, de Uitvoerende Raad en de Depositaris;
  • b. Uiterlijk 60 dagen na ontvangst van het voorstel, onderwerpt de Directeur-Generaal dit voorstel aan een beoordeling om vast te stellen wat de mogelijke gevolgen ervan zijn voor de bepalingen van dit Verdrag en de toepassing daarvan en deelt hij alle informatie mede aan alle Staten die Partij zijn en de Uitvoerende Raad;
  • c. De Uitvoerende Raad bestudeert het voorstel aan de hand van alle informatie waarover hij beschikt, met inbegrip van de vraag of het voorstel voldoet aan de vereisten van het zevende lid. Uiterlijk 90 dagen na ontvangst van het voorstel legt de Uitvoerende Raad zijn aanbevelingen, met passende toelichtingen, ter bestudering voor aan alle Staten. De Staten die Partij zijn bevestigen de ontvangst binnen 10 dagen;
  • d. Indien de Uitvoerende Raad alle Staten die Partij zijn aanbeveelt het voorstel aan te nemen, wordt het geacht te zijn goedgekeurd indien geen enkele Staat die Partij is hiertegen bezwaar maakt binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling. Indien de Uitvoerende Raad aanbeveelt het voorstel te verwerpen, wordt het geacht te zijn verworpen indien geen enkele Staat die Partij is binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling tegen de verwerping bezwaar maakt;
  • e. Indien een aanbeveling van de Uitvoerende Raad niet wordt aanvaard zoals vereist ingevolge letter d, wordt door de Conferentie op haar volgende vergadering een besluit genomen inzake het voorstel als aangelegenheid van inhoudelijke aard, met inbegrip van de vraag of het voldoet aan de vereisten van het zevende lid;
  • f. De Directeur-Generaal stelt alle Staten die Partij zijn alsmede de Depositaris in kennis van alle besluiten die ingevolge dit lid worden genomen.
  • g. Ingevolge deze procedure goedgekeurde veranderingen worden voor alle Staten die Partij zijn van kracht 180 dagen na de datum van kennisgeving door de Directeur-Generaal dat zij zijn goedgekeurd tenzij een andere termijn wordt aanbevolen door de Uitvoerende Raad of bepaald door de Conferentie.
Artikel VIII. Toetsing van het Verdrag

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)