Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten
De Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend te Washington op 4 April 1949;
Overwegende, dat krachtens speciale overeenkomsten strijdkrachten van een Partij naar het grondgebied van een andere Partij gezonden kunnen worden om aldaar dienst te doen;
Voor ogen houdende, dat de beslissing om deze te zenden en de voorwaarden, waarop zij gezonden zullen worden, voor zover zodanige voorwaarden niet in dit Verdrag zijn vastgelegd, het onderwerp zullen blijven van afzonderlijke regelingen lussen de betrokken Partijen;
Verlangende echter de rechtspositie van die strijdkrachten te bepalen, wanneer deze zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel I
In dit Verdrag wordt verstaan onder de uitdrukking:
- a. „krijgsmacht”: het personeel, behorende tot de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een Verdragsluitende Partij, wanneer het zich voor de uitoefening van de dienst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij in het werkingsgebied van het Noord Atlantisch Verdrag bevindt, met dien verstande, dat de beide betrokken Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen, dat bepaalde personen, eenheden of formaties voor de toepassing van dit Verdrag niet worden beschouwd een „krijgsmacht” te vormen of daaronder te zijn begrepen;
- b. „dienst”: het burgerpersoneel, hetwelk een krijgsmacht van een Verdragsluitende Partij vergezelt en dat in dienst is bij een der strijdkrachten van die Verdragsluitende Partij, met uitzondering van staatloze personen of onderdanen van een Staat, welke niet partij is bij het Noord Atlantisch Verdrag, of onderdanen van de Staat, waarin de krijgsmacht zich bevindt, of personen, die aldaar hun verblijfplaats plegen te hebben;
- c. „gezinslid”: de echtgeno(o)t(e) van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, of een kind van zodanig lid, dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud;
- d. „staat van herkomst”: de Verdragsluitende Partij waartoe de krijgsmacht behoort;
- e. „Staat van verblijf”: de Verdragsluitende Partij, op wier grondgebied de krijgsmacht of de civiele dienst zich bevindt, hetzij dat deze aldaar gelegerd is, hetzij dat deze zich op doortocht bevindt;
- f. „militaire autoriteiten van de Staat van herkomst”: die autoriteiten van een Staat van herkomst, welke krachtens de wetgeving van die Staat bevoegd zijn tot toepassing van de militaire wetten van die Staat met betrekking tot de leden van zijn krijgsmachten of civiele diensten;
- g. „Noord-Atlantische Raad”: de Raad ingesteld krachtens artikel 9 van het Noord Atlantisch Verdrag of één van zijn hulporganen, bevoegd om namens hem te handelen.
Dit Verdrag is op gelijke wijze van toepassing op de autoriteiten van staatkundige onderdelen van de Verdragsluitende Partijen, binnen derzelver grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is of waartoe dit in overeenstemming met Artikel XX wordt uitgebreid, als het van toepassing is op de centrale autoriteiten van die Verdragsluitende Partijen, met dien verstande evenwel, dat eigendommen van staatkundige onderdelen niet zullen worden beschouwd eigendom te zijn van een Verdragsluitende Partij in de zin van Artikel VIII.
Artikel II
Een krijgsmacht, haar civiele dienst, de leden daarvan, alsmede hun gezinsleden zijn gehouden de wetten van de Staat van verblijf te eerbiedigen en zich te onthouden van elk optreden in strijd met de geest van dit Verdrag en in het bijzonder van elke politieke activiteit in de Staat van verblijf. De Staat van herkomst is mede gehouden de hiertoe noodzakelijke maatregelen te nemen.
Artikel III
Leden van een krijgsmacht zijn, onverminderd de voorwaarden, neergelegd in lid 2 van dit Artikel en op voorwaarde van nakoming van de formaliteiten, welke door de Staat van verblijf met betrekking tot in- en uitreis van een krijgsmacht of de leden daarvan worden vastgesteld, niet onderworpen aan voorschriften met betrekking tot paspoorten en visa en aan inspectie door immigratiediensten bij het binnenkomen of verlaten van het grondgebied van de Staat van verblijf. Zij zijn evenmin onderworpen aan de voorschriften van de Staat van verblijf terzake van registratie en controle van vreemdelingen, doch worden niet geacht enig recht op voortdurend verblijf of op woonplaats te verwerven in de gebieden van de Staat van verblijf.
Voor leden van een krijgsmacht zijn uitsluitend de volgende documenten vereist. Zij moeten op verzoek worden getoond:
- a. een persoonlijk identiteitsbewijs, hetwelk is afgegeven door de Staat van herkomst, is voorzien van een foto, en namen en voornamen, geboortedatum, rang, dienstonderdeel en, indien aanwezig, leger- of stamboeknummer vermeldt;
- b. een collectieve of individuele reiswijzer, welke zowel in de taal van de Staat van herkomst als in het Engels en Frans is gesteld, is uitgegeven door een daartoe bevoegd orgaan van de Staat van herkomst of van de Organisatie van het Noord Atlantisch Verdrag en aangeeft, dat de personen of de groep lid of leden zijn van een krijgsmacht, alsmede welke reis is opgedragen. De Staat van verblijf kan verlangen, dat de reiswijzer wordt mede-ondertekend door zijn daartoe bevoegde vertegenwoordiger.
Leden van een civiele dienst en gezinsleden worden als zodanig in hun paspoort aangeduid.
Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst de dienst van de Staat van herkomst verlaat en niet naar zijn eigen land terugkeert, doen de autoriteiten van de Staat van herkomst hiervan onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf onder opgave van alle gewenste bijzonderheden.
De autoriteiten van de Staat van herkomst doen op gelijke wijze mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf van ieder geval van onwettige afwezigheid van meer dan 21 dagen.
Indien de Staat van verblijf verzocht heeft een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst van zijn grondgebied te verwijderen of een bevel tot uitwijzing heeft uitgevaardigd tegen een voormalig lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of tegen een gezinslid van een lid of voormalig lid, zijn de autoriteiten van de Staat van herkomst verplicht de betrokken persoon op hun eigen grondgebied toe te laten dan wel in ieder geval hem het grondgebied van de Staat van verblijf te doen verlaten. Dit lid is slechts van toepassing op personen, die geen onderdaan zijn van de Staat van verblijf en die deze Staat zijn binnengekomen als leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of met het doel dit te worden, alsmede op de gezinsleden van zodanige personen.
Artikel IV
De Staat van verblijf zal:
- a. hetzij, zonder onderzoek en kosteloos, als geldig aanvaarden het burgerlijk of militair rijbewijs, hetwelk door de Staat van herkomst of door één van zijn samenstellende delen aan een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst is afgegeven;
- b. hetzij, zonder onderzoek, het eigen rijbewijs afgeven aan elk lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, dat houder is van een burgerlijk of militair rijbewijs, afgegeven door de Staat van herkomst of een van zijn samenstellende delen.
Artikel V
Leden van een krijgsmacht dragen in de regel uniform. Behalve wanneer tussen de autoriteiten van de Staat van herkomst en de Staat van verblijf het tegendeel mocht zijn overeengekomen, wordt burgerkleding gedragen onder dezelfde voorwaarden, als gelden voor de leden van de strijdkrachten van de Staat van verblijf.
Geregelde eenheden of formaties van een krijgsmacht dragen uniform bij het overschrijden van de grens.
Dienstvoertuigen van een krijgsmacht of van een civiele dienst voeren naast hun registratienummer een kenteken ter aanduiding van hun nationaliteit.
Artikel VI
Leden van een krijgsmacht mogen wapens in hun bezit hebben en dragen, mits de op hen toepasselijke voorschriften zulks toestaan. De autoriteiten van de Staat van herkomst nemen verzoeken van de Staat van verblijf te dezer zake in welwillende overweging.
Artikel VII
Behoudens de bepalingen van dit artikel hebben
- a. de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst het recht op het grondgebied van de Staat van verblijf de bevoegdheden op strafrechtelijk en krijgstuchtelijk gebied uit te oefenen, welke de wetgeving van de Staat van herkomst hun toekent, over alle personen, die aan de militaire wetten van die Staat onderworpen zijn;
- b. de autoriteiten van de Staat van verblijf rechtsmacht over de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden met betrekking tot vergrijpen, welke zijn begaan op het grondgebied van de Staat van verblijf en strafbaar zijn volgens de wetten van die Staat.
- a. De Militaire autoriteiten van de Staat van herkomst hebben bij uitsluiting het recht rechtsmacht uit te oefenen over personen, die aan de militaire wetten van die Staat onderworpen zijn met betrekking tot vergrijpen – met inbegrip van vergrijpen tegen de veiligheid van die Staat – welke wel volgens de wetten van de Staat van herkomst, doch niet volgens de wetten van de Staat van verblijf strafbaar zijn.
- b. De autoriteiten van de Staat van verblijf hebben bij uitsluiting het recht rechtsmacht uit te oefenen over de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden met betrekking tot vergrijpen – met inbegrip van vergrijpen tegen de veiligheid van die Staat – welke wel volgens de eigen wetten, doch niet volgens de wetten van de Staat van herkomst strafbaar zijn.
- c. Voor de toepassing van dit lid en van lid 3 van dit Artikel wordt onder een vergrijp tegen de veiligheid van de Staat begrepen:
-
- landverraad;
-
- sabotage, spionnage of schending van de wetgeving met betrekking tot staatsgeheimen of geheimen betreffende de nationale defensie van die Staat.
In gevallen van samenloop van rechtsmacht zijn de volgende regels van toepassing:
- a. De militaire autoriteiten van de Staat van herkomst hebben voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht over een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst met betrekking tot:
-
- vergrijpen welke uitsluitend gericht zijn tegen de eigendommen of de veiligheid van die Staat, of vergrijpen welke uitsluitend gericht zijn tegen de persoon of eigendommen van een ander lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst van die Staat of van een gezinslid;
-
- vergrijpen, welke voortvloeien uit enige daad of nalatigheid, begaan in de uitoefening van de dienst.
- b. In geval van enig ander vergrijp hebben de autoriteiten van de Staat van verblijf voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht.
- c. Indien de Staat, welke voorrang heeft, besluit niet tot uitoefening van rechtsmacht over te gaan, stelt hij de autoriteiten van de andere Staat zo spoedig mogelijk daarvan in kennis. De autoriteiten van de Staat, welke voorrang heeft, nemen het verzoek van de autoriteiten van de andere Staat om van dit recht af te zien in gevallen, waarin die andere Staat zulks van bijzonder belang acht, in welwillende overweging.
De bepalingen van dit artikel verlenen aan de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst geen enkel recht tot uitoefening van rechtsmacht over personen, die onderdanen zijn van of hun voortdurend verblijf hebben in de Staat van verblijf, tenzij zij leden zijn van de krijgsmacht van de Staat van herkomst.
- a. De autoriteiten van de Staat van verblijf en van de Staat van herkomst verlenen elkander hulp bij het in arrest stellen van leden van de krijgsmacht of van de civiele dienst of van hun gezinsleden op het grondgebied van de Staat van verblijf en bij het overleveren van hen aan de autoriteit, die rechtsmacht zal uitoefenen in overeenstemming met bovenstaande bepalingen.
- b. De autoriteiten van de Staat van verblijf stellen de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst terstond in kennis van het in arrest stellen van enig lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of van een gezinslid.
- c. De bewaking van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, waarover de Staat van verblijf rechtsmacht zal uitoefenen, zal blijven berusten bij de autoriteiten van de Staat van herkomst, totdat tegen hem een vervolging wordt ingesteld door de Staat van verblijf.
- a. De autoriteiten van de Staat van verblijf en van de Staat van herkomst verlenen elkander hulp bij de uitvoering van alle noodzakelijke nasporingen ter zake van vergrijpen en bij het bijeenbrengen van bewijsmateriaal, met inbegrip van het inbeslagnemen en in daarvoor in aanmerking komende gevallen het overdragen van voorwerpen, welke in verband staan met het vergrijp. Het overdragen van deze voorwerpen kan evenwel afhankelijk worden gesteld van teruggave daarvan binnen de tijd hiervoor vastgesteld door de autoriteit, die de voorwerpen overdraagt.
- b. De autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen stellen elkander in kennis van de afdoening van alle gevallen, waarin samenloop van rechtsmacht bestaat.
- a. Een doodvonnis wordt niet ten uitvoer gelegd in de Staat van verblijf door de autoriteiten van de Staat van herkomst, indien de wetgeving van de Staat van verblijf in een overeenkomstig geval zodanige straf niet kent.
- b. De autoriteiten van de Staat van verblijf nemen een verzoek van de autoriteiten van de Staat van herkomst om bijstand bij de ten uitvoerlegging van een gevangenisstraf, welke op het grondgebied van de Staat van verblijf is opgelegd door de autoriteiten van de Staat van herkomst, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, in welwillende overweging.
Wanneer een verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit Artikel door de autoriteiten van een Verdragsluitende Partij is berecht en is vrijgesproken, of is veroordeeld en zijn straf ondergaat of heeft ondergaan of gratie heeft verkregen mag hij niet nogmaals voor hetzelfde vergrijp binnen hetzelfde grondgebied worden berecht door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij. De bepalingen van dit lid beletten de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst echter geenszins om een lid van zijn krijgsmacht te berechten ter zake van een schending van de voor zijn militairen als zodanig geldende voorschriften, welke schending voortvloeide uit een handelen of een nalaten, hetwelk het vergrijp vormde, waarvoor hij door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij werd berecht.
Wanneer een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid, vallend onder de rechtsmacht van de Staat van verblijf, door deze wordt vervolgd, heeft hij het recht:
- a. snel te worden berecht;
- b. vóór de aanvang van de terechtzitting in kennis te worden gesteld van de tegen hem uitgebrachte beschuldiging of beschuldigingen;
- c. geconfronteerd te worden met de getuigen à charge;
- d. getuigen à décharge tot verschijning te doen dwingen, indien de bevoegdheid van de rechter van de Staat van verblijf zich daartoe uitstrekt;
- e. hetzij naar eigen keuze, hetzij overeenkomstig de op dat ogenblik in de Staat van verblijf geldende wettelijke bepalingen te zijner verdediging te worden bijgestaan;
- f. indien hij zulks noodzakelijk acht, op de dienst van een bevoegde tolk;
- g. zich in verbinding te stellen met een vertegenwoordiger van de Regering van de Staat van herkomst en, wanneer het procesrecht zulks toelaat, op de aanwezigheid van deze vertegenwoordiger ter terechtzitting.
- a. Geregelde militaire eenheden of formaties van een krijgsmacht hebben het recht in ieder kamp, inrichting of ander gebouw, hetwelk zij op grond van een overeenkomst met de Staat van verblijf in gebruik hebben, politietoezicht uit te oefenen. De militaire politie van de krijgsmacht is bevoegd alle vereiste maatregelen te nemen ter verzekering van de handhaving van orde en veiligheid in zodanige gebouwen.
- b. Buiten deze gebouwen doet deze militaire politie slechts dienst op grond van overeenkomsten met de autoriteiten van de Staat van verblijf en in samenwerking met deze autoriteiten en voor zover deze dienst noodzakelijk is ter handhaving van tucht en orde onder de leden van de krijgsmacht.
Iedere Verdragsluitende Partij zal er naar streven die wettelijke maatregelen tot stand te brengen, welke zij noodzakelijk acht teneinde een behoorlijke beveiliging en bescherming binnen haar grondgebied van de installaties, het materieel, de eigendommen, archieven en officiële documenten van andere Verdragsluitende Partijen, alsmede de bestraffing van inbreuken op deze wetgeving, te verzekeren.
Artikel VIII
Iedere Verdragsluitende Partij doet afstand van al haar vorderingen tegen een andere Verdragsluitende Partij terzake van schade aan haar eigendommen, in gebruik bij haar land-, zee- of luchtstrijdkrachten, indien deze schade
- a. veroorzaakt is door een lid of een werknemer van de strijdkrachten van de andere Verdragsluitende Partij in de uitoefening van zijn dienst voor zover deze geschiedt in het kader van het Noord-Atlantisch Verdrag, of
- b. ontstond door het gebruik van een voertuig, vaartuig of luchtvaartuig, eigendom van een andere Verdragsluitende Partij en in gebruik bij haar strijdkrachten, mits het voertuig, vaartuig of luchtvaartuig, hetwelk de schade veroorzaakte, gebruikt werd in het kader van het Noord-Atlantisch Verdrag, dan wel de schade werd toegebracht aan eigendom, hetwelk aldus in gebruik was.
Van vorderingen ter zake van berging, welke een Verdragsluitende Partij tegen een andere Verdragsluitende Partij heeft, wordt afstand gedaan, mits het geborgen vaartuig of de geborgen lading, eigendom was van een Verdragsluitende Partij en in gebruik was bij diens strijdkrachten in het kader van het Noord-Atlantisch Verdrag.
- a. Voor het geval schade wordt veroorzaakt of ontstaat overeenkomstig het bepaalde in lid 1 met betrekking tot andere eigendommen van een Verdragsluitende Partij, gelegen in haar grondgebied, wordt de aansprakelijkheid voor en het bedrag van de schade, tenzij de Verdragsluitende Partijen anders overeenkomen, vastgesteld door één arbiter, verkozen overeenkomstig het bepaalde onder b van dit lid. De arbiter neemt eveneens een beslissing omtrent eventuele tegen vorderingen, voortvloeiende uit hetzelfde voorval.
- b. De arbiter, bedoeld onder a, wordt in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen gekozen uit onderdanen van de Staat van verblijf, die een hoge rechterlijke functie bekleden of hebben bekleed. Indien de betrokken Verdragsluitende Partijen niet in staat zijn binnen twee maanden tot overeenstemming te komen over de benoeming van de arbiter, kan elk van beiden het verzoek richten tot de Voorzitter van de Raad van Plaatsvervangers van het Noord-Atlantisch Verdrag om een persoon te kiezen, die aan bovenvermelde vereisten voldoet.
- c. Elke uitspraak van de arbiter is beslissend en bindend voor de Verdragsluitende Partijen.
- d. Het bedrag van elke schadeloosstelling, toegekend door de arbiter, wordt verdeeld overeenkomstig de bepalingen van lid 5, sub e, onder 1, 2 en 3, van dit Artikel.
- e. De beloning van de arbiter wordt in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen vastgesteld en te zamen met de noodzakelijke uitgaven, verbonden aan de uitoefening van zijn functie, voor gelijke delen door hen gedragen.
- f. Iedere Verdragsluitende Partij doet echter afstand van zijn vordering in alle gevallen, waarin de schade minder bedraagt dan: Iedere andere Verdragsluitende Partij, wier eigendom bij hetzelfde voorval beschadigd is, doet eveneens afstand van haar vordering tot bovengenoemd bedrag. Indien aanzienlijke verschillen optreden in de betrokken wisselkoersen, zullen de Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming de bovengenoemde bedragen daaraan aanpassen.
- België: B.fr. 70.000
- Canada: $ 1.460
- Denemarken: Kr. 9.670
- Frankrijk: F.fr. 490.000
- IJsland: Kr. 22.800
- Italië: Li. 850.000
- Luxemburg: L.fr. 70.000
- Nederland: f 5.320
- Noorwegen: Kr. 10.000
- Portugal: Es 40.250
- Verenigd Koninkrijk: £ 500
- Verenigde Staten: $ 1.400
Voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit Artikel omvat de uitdrukking „eigendom van een Verdragsluitende Partij”, voor het geval het een vaartuig betreft, een vaartuig „on bare boat charter” bij die Verdragsluitende Partij of onder „bare boat” voorwaarden door deze gevorderd of door deze prijs gemaakt (behoudens voor zover het risico voor verlies of aansprakelijkheid wordt gedragen door een ander dan die Verdragsluitende Partij).
Iedere Verdragsluitende Partij doet afstand van al haar vorderingen tegen een andere Verdragsluitende Partij voor het geval, dat een lid van haar strijdkrachten in de uitoefening van zijn dienst letsel oploopt of overlijdt.
Vorderingen (behoudens vorderingen uit overeenkomst en behoudens die vorderingen, waarop de leden 6 en 7 van dit artikel van toepassing zijn), voortvloeiende uit een handelen of nalaten van leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst in de uitoefening van de dienst, of uit enig ander handelen, nalaten of gebeuren waarvoor een krijgsmacht of een civiele dienst wettelijk aansprakelijk is, en welke schade toebrengt op het grondgebied van de Staat van verblijf aan derden, niet zijnde één van de Verdragsluitende Partijen, worden door de Staat van verblijf behandeld overeenkomstig de volgende bepalingen:
- a. de vorderingen worden ingediend, behandeld en afgedaan overeenkomstig de wetten en regelingen van de Staat van verblijf met betrekking tot vorderingen voortvloeiende uit de daden van zijn eigen strijdkrachten;
- b. de Staat van verblijf is bevoegd deze vorderingen af te wikkelen; het bedrag, waarover men overeenstemming heeft bereikt of hetwelk toegekend is door de rechter, wordt door de Staat van verblijf in zijn eigen geldsoort uitbetaald;
- c. deze betaling, hetzij op grond van een minnelijke schikking, hetzij op grond van een uitspraak van de bevoegde rechter van de Staat van verblijf, dan wel de uitspraak van zulk een rechter, waarbij de eis wordt ontzegd, is beslissend en bindend voor de Verdragsluitende Partijen;
- d. van iedere vordering, betaald door de Staat van verblijf, wordt kennis gegeven aan de betrokken Staat van herkomst, onder mededeling van alle bijzonderheden en van een voorstel tot verdeling overeenkomstig het hierna onder e, 1, 2 en 3 bepaalde. Bij gebreke van een antwoord binnen 2 maanden wordt het voorstel tot verdeling geacht te zijn aanvaard;
- e. de kosten, gemaakt ter voldoening van vorderingen ingevolge hetgeen is bepaald in het voorgaande van dit lid en in lid 2 van dit artikel, worden als volgt over de Verdragsluitende Partijen verdeeld:
-
- wanneer uitsluitend één Staat van herkomst aansprakelijk is wordt het bedrag van de schadevergoeding in dier voege verdeeld, dat 25% ten laste komt van de Staat van verblijf en 75% ten laste van de Staat van herkomst;
-
- wanneer meer dan één Staat aansprakelijk is voor de schade, wordt het bedrag gelijkelijk over hen verdeeld; wanneer echter de Staat van verblijf niet één der aansprakelijke Staten is, is het aandeel van deze Staat gelijk aan de helft van dat van elk der Staten van herkomst;
-
- wanneer de schade veroorzaakt is door de strijdkrachten van de Verdragsluitende Partijen, doch onmogelijk nauwkeurig aan een of meer van deze strijdkrachten kan worden toegeschreven, wordt het bedrag van de schadeloosstelling gelijkelijk over de betrokken Verdragsluitende Partijen verdeeld; indien evenwel de Staat van verblijf niet is één van de Staten, wier strijdkrachten de schade hebben veroorzaakt, is het aandeel van deze Staat de helft van dat van elk der Staten van herkomst;
-
- elk half jaar zendt de Staat van verblijf bij de betrokken Staten van herkomst een lijst in van de bedragen, welke in de loop van de voorafgaande halfjaarlijkse periode zijn betaald met betrekking tot alle gevallen, waarvoor een percentsgewijze verdeling is aanvaard, vergezeld van een verzoek om terugbetaling. De terugbetaling geschiedt binnen de kortst mogelijke tijd in de geldsoort van de Staat van verblijf;
- f. wanneer de toepassing van het bepaalde onder b en e van dit lid een Verdragsluitende Partij in ernstige moeilijkheden zou brengen, kan deze de Noord-Atlantische Raad verzoeken een regeling van andere aard te treffen;
- g. een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst kan niet worden onderworpen aan een executie-maatregel ter uitvoering van een vonnis, hetwelk in de Staat van verblijf tegen hem gewezen is in een zaak, die voortvloeit uit de vervulling van zijn dienst;
- h. behoudens voor zover het bepaalde onder e van dit lid van toepassing is op vorderingen, vallende onder lid 2 van dit artikel, zijn de bepalingen van dit lid niet van toepassing op een vordering, welke voortvloeit uit of in verband staat met de navigatie of exploitatie van een schip of het laden, vervoeren of lossen van een lading, voor zover deze vorderingen niet zijn vorderingen terzake van dood of persoonlijk letsel, waarop lid 4 van dit artikel niet van toepassing is.
Vorderingen tegen leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst, voortvloeiend uit onrechtmatig handelen of nalaten binnen de Staat van verblijf niet in de uitoefening van de dienst, worden op de volgende wijze behandeld:
- a. de autoriteiten van de Staat van verblijf behandelen de vordering en stellen op rechtvaardige en billijke wijze de schadeloosstelling van de eiser vast, waarbij zij alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het gedrag van de persoon die schade heeft geleden, in aanmerking nemen en stellen terzake een rapport op;
- b. het rapport wordt gezonden aan de autoriteiten van de Staat van herkomst, die dan zonder verwijl beslissen of zij een onverplichte uitkering aanbieden, en in bevestigend geval, tot welk bedrag;
- c. indien een aanbieding tot een onverplichte uitkering is gedaan en door de eiser als volledige vergoeding van zijn vordering aanvaard, doen de autoriteiten van de Staat van herkomst zelf de betaling en stellen de autoriteiten van de Staat van verblijf in kennis van hun beslissing en van het bedrag dat zij hebben betaald;
- d. het bepaalde in dit lid laat onverlet de bevoegdheid van de rechter van de Staat van verblijf tot kennisneming van een vordering tegen een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst tenzij en totdat betaling heeft plaats gevonden tot volledige voldoening van de vordering.
Vorderingen, voortvloeiend uit het ongeoorloofd gebruik van een voertuig van de strijdkrachten van een Staat van herkomst, worden behandeld in overeenstemming met lid 6 van dit artikel, behalve voor zover de krijgsmacht of civiele dienst wettelijk aansprakelijk is.
Indien een geschil ontstaat met betrekking tot de vraag of een onrechtmatig handelen of nalaten van een lid van een krijgsmacht of een civiele dienst plaats heeft gevonden in de uitoefening van de dienst of met betrekking tot de vraag of het gebruik van een voertuig van de strijdkrachten van een Staat van herkomst ongeoorloofd was, wordt de zaak voorgelegd aan een arbiter benoemd in overeenstemming met § 2, onder b, van dit artikel, wiens uitspraak op dit punt als einduitspraak wordt aangemerkt.
De Staat van herkomst zal geen beroep doen op immuniteit ten opzichte van de rechtsmacht van de rechter van de Staat van verblijf voor leden van een krijgsmacht of een civiele dienst met betrekking tot de civiele rechtsmacht van de rechter van de Staat van verblijf, behoudens voor zover deze is beperkt door het bepaalde in lid 5, onder g, van dit artikel.
De autoriteiten van de Staat van herkomst en van de Staat van verblijf zullen samenwerken bij het verzamelen van bewijsmateriaal voor een behoorlijk onderzoek van en beschikken op vorderingen waarbij de Verdragsluitende Partijen zijn betrokken.
Artikel IX
Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden mogen op dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de Staat van verblijf ter plaatse goederen kopen, nodig voor eigen gebruik, en aldaar gebruik maken van diensten, waaraan zij behoefte hebben.
Goederen, welke ter plaatse worden betrokken voor de ravitaillering van een krijgsmacht of van een civiele dienst, moeten in de regel worden gekocht door tussenkomst van de autoriteiten, die dergelijke goederen kopen voor de strijdkrachten van de Staat van verblijf.
Teneinde te verhinderen, dat deze aankopen een schadelijke invloed hebben op het economisch leven in de Staat van verblijf, zullen de bevoegde autoriteiten van deze Staat, indien zulks nodig is, artikelen aanwijzen, welker aankoop dient te worden beperkt of verboden zal zijn.
Behoudens het bepaalde in overeenkomsten, welke reeds van kracht zijn of in de toekomst mochten worden gesloten tussen de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst en van de Staat van verblijf, zijn de autoriteiten van de Staat van verblijf uitsluitend verantwoordelijk voor het nemen van gepaste maatregelen voor het ter beschikking stellen aan een krijgsmacht of civiele dienst van de benodigde gebouwen en terreinen en de verlening van faciliteiten en diensten, welke daarmede verband houden. Deze overeenkomsten en maatregelen zullen zoveel mogelijk overeenstemmen met de voorschriften betreffende huisvesting en inkwartiering van overeenkomstig personeel van de Staat van verblijf. Bij gebreke van een overeenkomst, welke het tegendeel bepaalt, worden de rechten en verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik maken van gebouwen, terreinen, faciliteiten en diensten, beheerst door de wetten van de Staat van verblijf.
In de plaatselijke behoeften van een krijgsmacht of van een civiele dienst aan burgerarbeidskrachten wordt op gelijke wijze voorzien als in de overeenkomstige behoeften van de Staat van verblijf, met medewerking van de autoriteiten van de Staat van verblijf door tussenkomst van de arbeidsbureaux. De arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de lonen en toeslagen, alsmede de maatregelen ter bescherming van arbeiders, worden vastgesteld in overeenstemming met de wetgeving van de Staat van verblijf. Zodanige burgerarbeidskrachten in dienst van een krijgsmacht of van een civiele dienst worden in geen enkel opzicht beschouwd als leden van deze krijgsmacht of van deze civiele dienst.
Indien een krijgsmacht of civiele dienst, ter plaatse waar deze is gelegerd, onvoldoende mogelijkheden voor geneeskundige of tandheelkundige verzorging heeft, kunnen hun leden en de gezinsleden daarvan geneeskundige en tandheelkundige verzorging, met inbegrip van verpleging in hospitalen, ontvangen op dezelfde voorwaarden als overeenkomstig personeel van de Staat van verblijf.
De Staat van verblijf zal verzoeken om aan leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst faciliteiten op het gebied van reizen en reducties op vervoerkosten te verlenen in zeer welwillende overweging nemen.
Deze faciliteiten en reducties zullen het onderwerp uitmaken van door de betrokken Regeringen te treffen bijzondere regelingen.
Behoudens een algemene of bijzondere financiële regeling tussen de Verdragsluitende Partijen, worden betalingen in plaatselijke geldsoort voor goederen, huisvesting en diensten, bedoeld in de leden 2, 3, 4 en zo nodig 5 en 6, van dit Artikel, onverwijld gedaan door de autoriteiten van de krijgsmacht.
Een krijgsmacht, een civiele dienst, leden daarvan of hun gezinsleden ontlenen aan dit artikel geen aanspraak op enige vrijstelling van belastingen of andere heffingen, welke krachtens de belastingvoorschriften van de Staat van verblijf terzake van koop en verkoop van goederen en het verrichten van diensten worden geheven.
Artikel X
Indien het onderworpen zijn aan enige vorm van belasting in de Staat van verblijf afhankelijk is van verblijf, van woonplaats of van ingezetenschap, worden voor de heffing van zodanige belasting de tijdvakken, gedurende welke een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst aanwezig is op het grondgebied van deze Staat uitsluitend uit hoofde van zijn hoedanigheid van lid van een zodanige krijgsmacht of civiele dienst, niet beschouwd als tijdvakken van verblijf of van woonplaats aldaar, noch beschouwd verandering van verblijf, van woonplaats of van ingezetenschap te weeg te brengen.
Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst zijn in de Staat van verblijf vrijgesteld van belastingen op het salaris en de emolumenten, welke aan hen in die hoedanigheid worden uitbetaald door de Staat van herkomst, alsmede van belastingen op roerende lichamelijke zaken, waarvan de aanwezigheid in de Staat van verblijf uitsluitend voortvloeit uit de tijdelijke aanwezigheid aldaar van deze leden.
Dit artikel stelt een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst in geen enkel opzicht vrij van belastingheffing terzake van op voordeel gerichte handelingen – andere dan de dienst, welke het lid als zodanig uitoefent – welke hij verricht in de Staat van verblijf, en de bepalingen van dit artikel – behalve voor zoveel zijn salaris, zijn emolumenten en de roerende lichamelijke zaken, vermeld in het eerste lid, betreft – verzetten zich in geen enkel opzicht tegen de heffing van belastingen, waaraan zodanig lid krachtens de wet van de Staat van verblijf is onderworpen, ook al wordt hij geacht zijn verblijf of zijn woonplaats buiten het grondgebied van die Staat te hebben, dan wel geen ingezetene van die Staat te zijn.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op „rechten” in de zin van lid 12 van artikel XI.
Voor de toepassing van dit artikel is onder de uitdrukking „lid van een krijgsmacht” niet begrepen een persoon, die de nationaliteit bezit van de Staat van verblijf.
Artikel XI
Behoudens voor zover in dit Verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn leden van een krijgsmacht en van een civiele dienst evenals hun gezinsleden onderworpen aan de wetten en voorschriften, welke worden toegepast door de douane-administratie van de Staat van verblijf. De douane-ambtenaren van de Staat van verblijf hebben in het bijzonder het recht, met inachtneming van de algemene voorwaarden door de wetten en voorschriften van de Staat van verblijf vastgesteld, leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden aan den lijve te onderzoeken en hun bagage en voertuigen te visiteren. Zij hebben eveneens het recht overeenkomstig vorenbedoelde wetten en voorschriften goederen in beslag te nemen.
- a. Tijdelijke invoer en wederuitvoer van geregistreerde dienstvoertuigen, welke toebehoren aan een krijgsmacht of aan een civiele dienst en welke zich op eigen kracht voortbewegen, zijn toegestaan vrij van rechten op vertoon van een triptiek, waarvan het model is opgenomen in de Bijlage bij dit Verdrag.
- b. Tijdelijke invoer van geregistreerde dienstvoertuigen, welke zich niet op eigen kracht voortbewegen, vindt plaats overeenkomstig het vierde lid van dit artikel en wederuitvoer van die voertuigen overeenkomstig het achtste lid.
- c. Voor geregistreerde dienstvoertuigen, welke aan een krijgsmacht of aan een civiele dienst toebehoren, wordt eveneens vrijstelling genoten van iedere belasting, verschuldigd terzake van het berijden van wegen met voertuigen.
Officiële documenten in officieel verzegelde omslag zijn niet onderworpen aan visitatie door de douane. De koeriers, die deze documenten overbrengen, moeten, ongeacht hun status, zijn voorzien van een individuele reiswijzer, uitgereikt overeenkomstig het tweede lid, letter b, van artikel III. Deze reiswijzer moet het aantal omslagen vermelden en de verklaring bevatten, dat hun inhoud slechts uit officiële documenten bestaat.
Een krijgsmacht kan haar uitrusting en redelijke hoeveelheden proviand, materiaal en andere goederen, uitsluitend bestemd voor gebruik door die krijgsmacht en – in gevallen, waarin dit door de Staat van verblijf wordt toegestaan – voor gebruik door haar civiele dienst en door de gezinsleden, vrij van rechten invoeren.
Voor de bedoelde vrije invoer geldt als voorwaarde, dat tezamen met de douanedocumenten waaromtrent overeenstemming is bereikt, op het douanekantoor een attest wordt overgelegd, in een tussen de Staat van verblijf en de Staat van herkomst overeengekomen vorm, ondertekend door een persoon, die daartoe door de Staat van herkomst is gemachtigd. De aanwijzing van de persoon, die is gemachtigd tot het tekenen van de attesten, alsmede specimina van zijn handtekening en van de stempels, welke worden gebruikt, worden toegezonden aan de douane-administratie van de Staat van verblijf.
Een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst kan bij eerste aankomst in de Staat van verblijf om aldaar dienst te gaan doen, of bij eerste aankomst van een van zijn gezinsleden, die zich bij hem komt voegen, zijn persoonlijke goederen en huisraad invoeren met vrijstelling van rechten voor de duur van zijn dienstuitoefening.
Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst kunnen particuliere motorvoertuigen, bestemd voor persoonlijk gebruik door henzelf en door hun gezinsleden met tijdelijke vrijstelling van rechten invoeren. Deze bepaling brengt niet de verplichting mede vrijstelling te verlenen van belastingen, welke verschuldigd mochten zijn terzake van het gebruik van wegen met particuliere voertuigen.
Bij invoer door de autoriteiten van een krijgsmacht van goederen, welke niet uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door deze krijgsmacht en haar civiele dienst en bij invoer door de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst van andere goederen dan zijn bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel, wordt op grond van dit artikel generlei vrijstelling van rechten of van formaliteiten verleend.
Goederen, welke op grond van het tweede lid, onder b, het vierde, vijfde of zesde lid van dit artikel vrij van rechten zijn ingevoerd:
- a. kunnen vrij weder worden uitgevoerd, op voorwaarde, dat ten aanzien van goederen, welke zijn ingevoerd op grond van het vierde lid, op het douanekantoor een overeenkomstig dat lid afgegeven attest wordt overgelegd. De douane-ambtenaren behouden echter het recht te controleren of de wederuitgevoerde goederen overeenkomen met de omschrijving in het attest, indien zodanig attest is vereist, en of zij werkelijk zijn ingevoerd met inachtneming van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, onder b, het vierde, vijfde of zesde lid, al naar het geval zich voordoet;
- b. mogen in het algemeen in de Staat van verblijf niet worden overgedragen hetzij onder bezwarende titel, hetzij om niet. In bijzondere gevallen kan evenwel machtiging worden verkend voor een dergelijke overdracht onder door de bevoegde autoriteiten van de Staat van verblijf gestelde voorwaarden (b.v. het betalen van rechten en andere heffingen en het voldoen aan de formaliteiten verbonden aan de controle op de buitenlandse handel en de deviezen).
De uitvoer van in de Staat van verblijf gekochte goederen is onderworpen aan de in deze Staat van kracht zijnde voorschriften.
De douane-autoriteiten verlenen bijzondere faciliteiten met betrekking tot de grensoverschrijding van geregelde eenheden of formaties, onder voorwaarde, dat de desbetreffende douane-autoriteiten vooraf tijdig zijn ingelicht.
Door de Staat van verblijf worden bijzondere regelingen getroffen, opdat brandstof en smeermiddelen bestemd voor gebruik in geregistreerde dienstvoertuigen, luchtvaartuigen en oorlogsschepen van een krijgsmacht of van een civiele dienst vrij van alle rechten en andere heffingen kunnen worden geleverd.
Voor de toepassing van de eerste tien leden van dit artikel worden onder „rechten” verstaan invoerrechten en alle andere rechten en heffingen verschuldigd terzake van invoer of uitvoer, al naar het geval zich voordoet, met uitzondering van rechten en heffingen, welke een vergoeding zijn voor bewezen diensten; onder „invoer” is mede begrepen uitslag naar het vrije verkeer van goederen, welke in een entrepot of onder een soortgelijk douane-regime zijn opgeslagen, onder voorwaarde, dat de betrokken goederen niet zijn geoogst, voortgebracht of vervaardigd in de Staat van verblijf.
De bepalingen van dit artikel zijn op de betrokken goederen niet alleen van toepassing, indien zij worden ingevoerd in de Staat van verblijf of uit die Staat worden uitgevoerd, maar ook, indien zij over het grondgebied van een Verdragsluitende Staat worden doorgevoerd.
In laatstbedoeld geval omvat de uitdrukking „Staat van verblijf” in dit artikel iedere Verdragsluitende Partij over welks grondgebied de goederen worden doorgevoerd.
Artikel XII
Elke vrijstelling of faciliteit van douanetechnische of van fiscale aard op grond van dit Verdrag verleend, is afhankelijk van de naleving van de bepalingen, welke de douane- of belastingautoriteiten van de Staat van verblijf ter voorkoming van misbruik noodzakelijk mochten achten.
Dezelfde autoriteiten kunnen beslissen, dat in dit Verdrag voorziene vrijstellingen niet worden genoten bij de invoer van producten, welke zijn geoogst, voortgebracht of vervaardigd in de Staat van verblijf en van te voren zijn uitgevoerd met vrijstelling of met terugbetaling van de rechten en andere heffingen, welke verschuldigd zouden zijn geweest, indien die producten niet zouden zijn uitgevoerd. Deze bepaling is mede van toepassing op goederen, welke zijn uitgeslagen uit een entrepot, indien de opslag in dat entrepot als uitvoer is beschouwd.
Artikel XIII
Ter voorkoming van inbreuk op de wetten en voorschriften van douanetechnische of van fiscale aard, verlenen de autoriteiten van de Staat van verblijf en van de Staat van herkomst elkaar hun medewerking bij het instellen van onderzoeken en het verzamelen van bewijsmateriaal.
De autoriteiten van een krijgsmacht verlenen met alle hun ten dienste staande middelen medewerking, opdat de goederen, welke voor inbeslagneming door of ten behoeve van de douane- of belastingautoriteiten van de Staat van verblijf in aanmerking komen, aan deze autoriteiten worden overgedragen.
De autoriteiten van een krijgsmacht verlenen met alle hun ten dienste staande middelen medewerking, opdat de rechten, heffingen en boeten, verschuldigd door leden van deze krijgsmacht of van de civiele dienst of door hun gezinsleden, worden betaald.
Goederen en geregistreerde dienstvoertuigen, welke toebehoren aan een krijgsmacht of aan haar civiele dienst en niet aan een lid van zodanige krijgsmacht of civiele dienst, en welke door de autoriteiten van de Staat van verblijf terzake van een douane- of belastingovertreding in beslag zijn genomen, worden aan de bevoegde autoriteiten van die krijgsmacht overgedragen.
Artikel XIV
Een krijgsmacht en een civiele dienst, de leden daarvan, alsmede hun gezinsleden, blijven onderworpen aan de deviezenbepalingen van de Staat van herkomst en zijn tevens onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van de Staat van verblijf.
De met de controle op het deviezenverkeer belaste autoriteiten van de Staat van herkomst en van de Staat van verblijf kunnen ten aanzien van een krijgsmacht en van haar civiele dienst of van de leden daarvan, alsmede van hun gezinsleden, bijzondere bepalingen vaststellen.
Artikel XV
Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel blijft dit Verdrag van kracht bij het uitbreken van vijandelijkheden waarop het Noord-Atlantisch Verdrag van toepassing is. In dat geval zijn de bepalingen inzake de regeling van vorderingen in de leden 2 en 5 van artikel VIII niet van toepassing op oorlogsschade en worden de bepalingen van dit Verdrag en in het bijzonder van de artikelen III en VII terstond opnieuw in beschouwing genomen door de betrokken Verdragsluitende Partijen, die zodanige wijziging kunnen overeenkomen als zij met betrekking tot de wederzijdse toepassing van het Verdrag wenselijk achten.
Bij het uitbreken van bovenbedoelde vijandelijkheden heeft ieder van de Verdragsluitende Partijen het recht met inachtneming van een termijn van zestig dagen en onder kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partijen de toepassing van elke bepaling van dit Verdrag voor zover haar betreft te schorsen.
Indien dit recht wordt uitgeoefend zullen de Verdragsluitende Partijen elkander terstond raadplegen, teneinde overeenstemming te bereiken over passende bepalingen ter vervanging van de geschorste bepalingen.
Artikel XVI
Alle geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag worden door onderhandelingen tussen hen geregeld zonder beroep op enig rechterlijk orgaan buiten de organisatie van het Noord-Atlantisch Verdrag. Behoudens voor zover in dit Verdrag uitdrukkelijk het tegendeel wordt bepaald, worden geschillen, die niet door rechtstreekse onderhandelingen kunnen worden opgelost, verwezen naar de Noord-Atlantische Raad.
Artikel XVII
Elke Verdragsluitende Partij kan te allen tijde de herziening van enig artikel van dit Verdrag verlangen.
Een verzoek daartoe wordt gericht aan de Noord-Atlantische Raad.
Artikel XVIII
Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk worden nedergelegd bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke iedere ondertekenende Staat mededeling zal doen van de datum van nederlegging.
Dertig dagen nadat vier ondertekenende Staten hun bekrachtigingsoorkonden hebben nedergelegd treedt dit Verdrag tussen hen in werking. Het treedt voor iedere andere ondertekenende Staat in werking dertig dagen na de nederlegging van zijn bekrachtigingsoorkonde.
Afhankelijk van de goedkeuring van de Noord-Atlantische Raad en van de voorwaarden, die deze daartoe kan vaststellen, zal dit Verdrag, nadat het in werking is getreden, opengesteld zijn voor toetreding van iedere Staat, die tot het Noord-Atlantisch Verdrag toetreedt. Toetreding zal plaats vinden door het nederleggen van een akte van toetreding bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke elke ondertekenende en toetredende Staat mededeling zal doen van de datum van nederlegging.
Met betrekking tot elke Staat, namens welke een akte van toetreding is nedergelegd, treedt dit Verdrag in werking dertig dagen na de datum van nederlegging van deze akte.
Artikel XIX
Dit Verdrag kan door iedere Verdragsluitende Partij worden opgezegd na verloop van een periode van vier jaren na de datum, waarop het Verdrag in werking treedt.
De opzegging van het Verdrag door een Verdragsluitende Partij vindt plaats door een schriftelijke mededeling van die Verdragsluitende Partij gericht aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke alle andere Verdragsluitende Partijen in kennis zal stellen van deze mededeling en van de datum van ontvangst daarvan.
De opzegging wordt van kracht één jaar na ontvangst van de mededeling door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Na verloop van deze periode van een jaar houdt het Verdrag op van kracht te zijn met betrekking tot de Verdragsluitende Partij, die het opzegt, maar het blijft van kracht voor de overige Verdragsluitende Partijen.
Artikel XX
Behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel, is dit Verdrag slechts van toepassing op het grondgebied van het moederland van een Verdragsluitende Partij.
Iedere Staat kan evenwel bij de nederlegging van zijn bekrachtigingsoorkonde of akte van toetreding of te eniger tijd daarna door middel van een mededeling gedaan aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika verklaren dat dit Verdrag (onder voorbehoud van het sluiten van een bijzondere overeenkomst tussen die Staat en elk van de betrokken Staten van herkomst, indien de Staat die de verklaring aflegt dit noodzakelijk acht) mede zal gelden voor alle of enige van de gebieden, gelegen binnen het werkingsgebied van het Noord-Atlantisch Verdrag en voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is. Dit Verdrag geldt dan mede voor het gebied of de gebieden, in de verklaring genoemd, dertig dagen na ontvangst der verklaring door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, of dertig dagen na het sluiten van een eventuele bijzondere overeenkomst, dan wel op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag, overeenkomstig het bepaalde in artikel XVIII, indien dit na bedoeld tijdsverloop plaats vindt.
Een Staat, die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld onder lid 2 van dit artikel, waardoor dit Verdrag mede zal gelden voor enig gebied voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is, kan het Verdrag met betrekking tot dit gebied afzonderlijk opzeggen in overeenstemming met de bepalingen van artikel XIX.
In witness whereof the undersigned Plenipotentiaries have signed the present Agreement.
Done in Londen this nineteenth day of June, 1951, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single original which shall be deposited in the archives of the Government of the United States of America. The Government of the United States of America shall transmit certified copies thereof to all the signatory and acceding States.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)