Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten

Type Verdrag
Publication 1953-12-18
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend te Washington op 4 April 1949;

Overwegende, dat krachtens speciale overeenkomsten strijdkrachten van een Partij naar het grondgebied van een andere Partij gezonden kunnen worden om aldaar dienst te doen;

Voor ogen houdende, dat de beslissing om deze te zenden en de voorwaarden, waarop zij gezonden zullen worden, voor zover zodanige voorwaarden niet in dit Verdrag zijn vastgelegd, het onderwerp zullen blijven van afzonderlijke regelingen lussen de betrokken Partijen;

Verlangende echter de rechtspositie van die strijdkrachten te bepalen, wanneer deze zich op het grondgebied van een andere Partij bevinden;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I

1.

In dit Verdrag wordt verstaan onder de uitdrukking:

2.

Dit Verdrag is op gelijke wijze van toepassing op de autoriteiten van staatkundige onderdelen van de Verdragsluitende Partijen, binnen derzelver grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is of waartoe dit in overeenstemming met Artikel XX wordt uitgebreid, als het van toepassing is op de centrale autoriteiten van die Verdragsluitende Partijen, met dien verstande evenwel, dat eigendommen van staatkundige onderdelen niet zullen worden beschouwd eigendom te zijn van een Verdragsluitende Partij in de zin van Artikel VIII.

Artikel II

Een krijgsmacht, haar civiele dienst, de leden daarvan, alsmede hun gezinsleden zijn gehouden de wetten van de Staat van verblijf te eerbiedigen en zich te onthouden van elk optreden in strijd met de geest van dit Verdrag en in het bijzonder van elke politieke activiteit in de Staat van verblijf. De Staat van herkomst is mede gehouden de hiertoe noodzakelijke maatregelen te nemen.

Artikel III

1.

Leden van een krijgsmacht zijn, onverminderd de voorwaarden, neergelegd in lid 2 van dit Artikel en op voorwaarde van nakoming van de formaliteiten, welke door de Staat van verblijf met betrekking tot in- en uitreis van een krijgsmacht of de leden daarvan worden vastgesteld, niet onderworpen aan voorschriften met betrekking tot paspoorten en visa en aan inspectie door immigratiediensten bij het binnenkomen of verlaten van het grondgebied van de Staat van verblijf. Zij zijn evenmin onderworpen aan de voorschriften van de Staat van verblijf terzake van registratie en controle van vreemdelingen, doch worden niet geacht enig recht op voortdurend verblijf of op woonplaats te verwerven in de gebieden van de Staat van verblijf.

2.

Voor leden van een krijgsmacht zijn uitsluitend de volgende documenten vereist. Zij moeten op verzoek worden getoond:

3.

Leden van een civiele dienst en gezinsleden worden als zodanig in hun paspoort aangeduid.

4.

Indien een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst de dienst van de Staat van herkomst verlaat en niet naar zijn eigen land terugkeert, doen de autoriteiten van de Staat van herkomst hiervan onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf onder opgave van alle gewenste bijzonderheden.

De autoriteiten van de Staat van herkomst doen op gelijke wijze mededeling aan de autoriteiten van de Staat van verblijf van ieder geval van onwettige afwezigheid van meer dan 21 dagen.

5.

Indien de Staat van verblijf verzocht heeft een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst van zijn grondgebied te verwijderen of een bevel tot uitwijzing heeft uitgevaardigd tegen een voormalig lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of tegen een gezinslid van een lid of voormalig lid, zijn de autoriteiten van de Staat van herkomst verplicht de betrokken persoon op hun eigen grondgebied toe te laten dan wel in ieder geval hem het grondgebied van de Staat van verblijf te doen verlaten. Dit lid is slechts van toepassing op personen, die geen onderdaan zijn van de Staat van verblijf en die deze Staat zijn binnengekomen als leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of met het doel dit te worden, alsmede op de gezinsleden van zodanige personen.

Artikel IV

De Staat van verblijf zal:

Artikel V

1.

Leden van een krijgsmacht dragen in de regel uniform. Behalve wanneer tussen de autoriteiten van de Staat van herkomst en de Staat van verblijf het tegendeel mocht zijn overeengekomen, wordt burgerkleding gedragen onder dezelfde voorwaarden, als gelden voor de leden van de strijdkrachten van de Staat van verblijf.

Geregelde eenheden of formaties van een krijgsmacht dragen uniform bij het overschrijden van de grens.

2.

Dienstvoertuigen van een krijgsmacht of van een civiele dienst voeren naast hun registratienummer een kenteken ter aanduiding van hun nationaliteit.

Artikel VI

Leden van een krijgsmacht mogen wapens in hun bezit hebben en dragen, mits de op hen toepasselijke voorschriften zulks toestaan. De autoriteiten van de Staat van herkomst nemen verzoeken van de Staat van verblijf te dezer zake in welwillende overweging.

Artikel VII

1.

Behoudens de bepalingen van dit artikel hebben

3.

In gevallen van samenloop van rechtsmacht zijn de volgende regels van toepassing:

4.

De bepalingen van dit artikel verlenen aan de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst geen enkel recht tot uitoefening van rechtsmacht over personen, die onderdanen zijn van of hun voortdurend verblijf hebben in de Staat van verblijf, tenzij zij leden zijn van de krijgsmacht van de Staat van herkomst.

8.

Wanneer een verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit Artikel door de autoriteiten van een Verdragsluitende Partij is berecht en is vrijgesproken, of is veroordeeld en zijn straf ondergaat of heeft ondergaan of gratie heeft verkregen mag hij niet nogmaals voor hetzelfde vergrijp binnen hetzelfde grondgebied worden berecht door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij. De bepalingen van dit lid beletten de militaire autoriteiten van de Staat van herkomst echter geenszins om een lid van zijn krijgsmacht te berechten ter zake van een schending van de voor zijn militairen als zodanig geldende voorschriften, welke schending voortvloeide uit een handelen of een nalaten, hetwelk het vergrijp vormde, waarvoor hij door de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Partij werd berecht.

9.

Wanneer een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst of een gezinslid, vallend onder de rechtsmacht van de Staat van verblijf, door deze wordt vervolgd, heeft hij het recht:

11.

Iedere Verdragsluitende Partij zal er naar streven die wettelijke maatregelen tot stand te brengen, welke zij noodzakelijk acht teneinde een behoorlijke beveiliging en bescherming binnen haar grondgebied van de installaties, het materieel, de eigendommen, archieven en officiële documenten van andere Verdragsluitende Partijen, alsmede de bestraffing van inbreuken op deze wetgeving, te verzekeren.

Artikel VIII

1.

Iedere Verdragsluitende Partij doet afstand van al haar vorderingen tegen een andere Verdragsluitende Partij terzake van schade aan haar eigendommen, in gebruik bij haar land-, zee- of luchtstrijdkrachten, indien deze schade

Van vorderingen ter zake van berging, welke een Verdragsluitende Partij tegen een andere Verdragsluitende Partij heeft, wordt afstand gedaan, mits het geborgen vaartuig of de geborgen lading, eigendom was van een Verdragsluitende Partij en in gebruik was bij diens strijdkrachten in het kader van het Noord-Atlantisch Verdrag.

3.

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit Artikel omvat de uitdrukking „eigendom van een Verdragsluitende Partij”, voor het geval het een vaartuig betreft, een vaartuig „on bare boat charter” bij die Verdragsluitende Partij of onder „bare boat” voorwaarden door deze gevorderd of door deze prijs gemaakt (behoudens voor zover het risico voor verlies of aansprakelijkheid wordt gedragen door een ander dan die Verdragsluitende Partij).

4.

Iedere Verdragsluitende Partij doet afstand van al haar vorderingen tegen een andere Verdragsluitende Partij voor het geval, dat een lid van haar strijdkrachten in de uitoefening van zijn dienst letsel oploopt of overlijdt.

5.

Vorderingen (behoudens vorderingen uit overeenkomst en behoudens die vorderingen, waarop de leden 6 en 7 van dit artikel van toepassing zijn), voortvloeiende uit een handelen of nalaten van leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst in de uitoefening van de dienst, of uit enig ander handelen, nalaten of gebeuren waarvoor een krijgsmacht of een civiele dienst wettelijk aansprakelijk is, en welke schade toebrengt op het grondgebied van de Staat van verblijf aan derden, niet zijnde één van de Verdragsluitende Partijen, worden door de Staat van verblijf behandeld overeenkomstig de volgende bepalingen:

6.

Vorderingen tegen leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst, voortvloeiend uit onrechtmatig handelen of nalaten binnen de Staat van verblijf niet in de uitoefening van de dienst, worden op de volgende wijze behandeld:

7.

Vorderingen, voortvloeiend uit het ongeoorloofd gebruik van een voertuig van de strijdkrachten van een Staat van herkomst, worden behandeld in overeenstemming met lid 6 van dit artikel, behalve voor zover de krijgsmacht of civiele dienst wettelijk aansprakelijk is.

8.

Indien een geschil ontstaat met betrekking tot de vraag of een onrechtmatig handelen of nalaten van een lid van een krijgsmacht of een civiele dienst plaats heeft gevonden in de uitoefening van de dienst of met betrekking tot de vraag of het gebruik van een voertuig van de strijdkrachten van een Staat van herkomst ongeoorloofd was, wordt de zaak voorgelegd aan een arbiter benoemd in overeenstemming met § 2, onder b, van dit artikel, wiens uitspraak op dit punt als einduitspraak wordt aangemerkt.

9.

De Staat van herkomst zal geen beroep doen op immuniteit ten opzichte van de rechtsmacht van de rechter van de Staat van verblijf voor leden van een krijgsmacht of een civiele dienst met betrekking tot de civiele rechtsmacht van de rechter van de Staat van verblijf, behoudens voor zover deze is beperkt door het bepaalde in lid 5, onder g, van dit artikel.

10.

De autoriteiten van de Staat van herkomst en van de Staat van verblijf zullen samenwerken bij het verzamelen van bewijsmateriaal voor een behoorlijk onderzoek van en beschikken op vorderingen waarbij de Verdragsluitende Partijen zijn betrokken.

Artikel IX

1.

Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden mogen op dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de Staat van verblijf ter plaatse goederen kopen, nodig voor eigen gebruik, en aldaar gebruik maken van diensten, waaraan zij behoefte hebben.

2.

Goederen, welke ter plaatse worden betrokken voor de ravitaillering van een krijgsmacht of van een civiele dienst, moeten in de regel worden gekocht door tussenkomst van de autoriteiten, die dergelijke goederen kopen voor de strijdkrachten van de Staat van verblijf.

Teneinde te verhinderen, dat deze aankopen een schadelijke invloed hebben op het economisch leven in de Staat van verblijf, zullen de bevoegde autoriteiten van deze Staat, indien zulks nodig is, artikelen aanwijzen, welker aankoop dient te worden beperkt of verboden zal zijn.

3.

Behoudens het bepaalde in overeenkomsten, welke reeds van kracht zijn of in de toekomst mochten worden gesloten tussen de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst en van de Staat van verblijf, zijn de autoriteiten van de Staat van verblijf uitsluitend verantwoordelijk voor het nemen van gepaste maatregelen voor het ter beschikking stellen aan een krijgsmacht of civiele dienst van de benodigde gebouwen en terreinen en de verlening van faciliteiten en diensten, welke daarmede verband houden. Deze overeenkomsten en maatregelen zullen zoveel mogelijk overeenstemmen met de voorschriften betreffende huisvesting en inkwartiering van overeenkomstig personeel van de Staat van verblijf. Bij gebreke van een overeenkomst, welke het tegendeel bepaalt, worden de rechten en verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik maken van gebouwen, terreinen, faciliteiten en diensten, beheerst door de wetten van de Staat van verblijf.

4.

In de plaatselijke behoeften van een krijgsmacht of van een civiele dienst aan burgerarbeidskrachten wordt op gelijke wijze voorzien als in de overeenkomstige behoeften van de Staat van verblijf, met medewerking van de autoriteiten van de Staat van verblijf door tussenkomst van de arbeidsbureaux. De arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de lonen en toeslagen, alsmede de maatregelen ter bescherming van arbeiders, worden vastgesteld in overeenstemming met de wetgeving van de Staat van verblijf. Zodanige burgerarbeidskrachten in dienst van een krijgsmacht of van een civiele dienst worden in geen enkel opzicht beschouwd als leden van deze krijgsmacht of van deze civiele dienst.

5.

Indien een krijgsmacht of civiele dienst, ter plaatse waar deze is gelegerd, onvoldoende mogelijkheden voor geneeskundige of tandheelkundige verzorging heeft, kunnen hun leden en de gezinsleden daarvan geneeskundige en tandheelkundige verzorging, met inbegrip van verpleging in hospitalen, ontvangen op dezelfde voorwaarden als overeenkomstig personeel van de Staat van verblijf.

6.

De Staat van verblijf zal verzoeken om aan leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst faciliteiten op het gebied van reizen en reducties op vervoerkosten te verlenen in zeer welwillende overweging nemen.

Deze faciliteiten en reducties zullen het onderwerp uitmaken van door de betrokken Regeringen te treffen bijzondere regelingen.

7.

Behoudens een algemene of bijzondere financiële regeling tussen de Verdragsluitende Partijen, worden betalingen in plaatselijke geldsoort voor goederen, huisvesting en diensten, bedoeld in de leden 2, 3, 4 en zo nodig 5 en 6, van dit Artikel, onverwijld gedaan door de autoriteiten van de krijgsmacht.

8.

Een krijgsmacht, een civiele dienst, leden daarvan of hun gezinsleden ontlenen aan dit artikel geen aanspraak op enige vrijstelling van belastingen of andere heffingen, welke krachtens de belastingvoorschriften van de Staat van verblijf terzake van koop en verkoop van goederen en het verrichten van diensten worden geheven.

Artikel X

1.

Indien het onderworpen zijn aan enige vorm van belasting in de Staat van verblijf afhankelijk is van verblijf, van woonplaats of van ingezetenschap, worden voor de heffing van zodanige belasting de tijdvakken, gedurende welke een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst aanwezig is op het grondgebied van deze Staat uitsluitend uit hoofde van zijn hoedanigheid van lid van een zodanige krijgsmacht of civiele dienst, niet beschouwd als tijdvakken van verblijf of van woonplaats aldaar, noch beschouwd verandering van verblijf, van woonplaats of van ingezetenschap te weeg te brengen.

Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst zijn in de Staat van verblijf vrijgesteld van belastingen op het salaris en de emolumenten, welke aan hen in die hoedanigheid worden uitbetaald door de Staat van herkomst, alsmede van belastingen op roerende lichamelijke zaken, waarvan de aanwezigheid in de Staat van verblijf uitsluitend voortvloeit uit de tijdelijke aanwezigheid aldaar van deze leden.

2.

Dit artikel stelt een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst in geen enkel opzicht vrij van belastingheffing terzake van op voordeel gerichte handelingen – andere dan de dienst, welke het lid als zodanig uitoefent – welke hij verricht in de Staat van verblijf, en de bepalingen van dit artikel – behalve voor zoveel zijn salaris, zijn emolumenten en de roerende lichamelijke zaken, vermeld in het eerste lid, betreft – verzetten zich in geen enkel opzicht tegen de heffing van belastingen, waaraan zodanig lid krachtens de wet van de Staat van verblijf is onderworpen, ook al wordt hij geacht zijn verblijf of zijn woonplaats buiten het grondgebied van die Staat te hebben, dan wel geen ingezetene van die Staat te zijn.

3.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op „rechten” in de zin van lid 12 van artikel XI.

4.

Voor de toepassing van dit artikel is onder de uitdrukking „lid van een krijgsmacht” niet begrepen een persoon, die de nationaliteit bezit van de Staat van verblijf.

Artikel XI

1.

Behoudens voor zover in dit Verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn leden van een krijgsmacht en van een civiele dienst evenals hun gezinsleden onderworpen aan de wetten en voorschriften, welke worden toegepast door de douane-administratie van de Staat van verblijf. De douane-ambtenaren van de Staat van verblijf hebben in het bijzonder het recht, met inachtneming van de algemene voorwaarden door de wetten en voorschriften van de Staat van verblijf vastgesteld, leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en hun gezinsleden aan den lijve te onderzoeken en hun bagage en voertuigen te visiteren. Zij hebben eveneens het recht overeenkomstig vorenbedoelde wetten en voorschriften goederen in beslag te nemen.

3.

Officiële documenten in officieel verzegelde omslag zijn niet onderworpen aan visitatie door de douane. De koeriers, die deze documenten overbrengen, moeten, ongeacht hun status, zijn voorzien van een individuele reiswijzer, uitgereikt overeenkomstig het tweede lid, letter b, van artikel III. Deze reiswijzer moet het aantal omslagen vermelden en de verklaring bevatten, dat hun inhoud slechts uit officiële documenten bestaat.

4.

Een krijgsmacht kan haar uitrusting en redelijke hoeveelheden proviand, materiaal en andere goederen, uitsluitend bestemd voor gebruik door die krijgsmacht en – in gevallen, waarin dit door de Staat van verblijf wordt toegestaan – voor gebruik door haar civiele dienst en door de gezinsleden, vrij van rechten invoeren.

Voor de bedoelde vrije invoer geldt als voorwaarde, dat tezamen met de douanedocumenten waaromtrent overeenstemming is bereikt, op het douanekantoor een attest wordt overgelegd, in een tussen de Staat van verblijf en de Staat van herkomst overeengekomen vorm, ondertekend door een persoon, die daartoe door de Staat van herkomst is gemachtigd. De aanwijzing van de persoon, die is gemachtigd tot het tekenen van de attesten, alsmede specimina van zijn handtekening en van de stempels, welke worden gebruikt, worden toegezonden aan de douane-administratie van de Staat van verblijf.

5.

Een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst kan bij eerste aankomst in de Staat van verblijf om aldaar dienst te gaan doen, of bij eerste aankomst van een van zijn gezinsleden, die zich bij hem komt voegen, zijn persoonlijke goederen en huisraad invoeren met vrijstelling van rechten voor de duur van zijn dienstuitoefening.

6.

Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst kunnen particuliere motorvoertuigen, bestemd voor persoonlijk gebruik door henzelf en door hun gezinsleden met tijdelijke vrijstelling van rechten invoeren. Deze bepaling brengt niet de verplichting mede vrijstelling te verlenen van belastingen, welke verschuldigd mochten zijn terzake van het gebruik van wegen met particuliere voertuigen.

7.

Bij invoer door de autoriteiten van een krijgsmacht van goederen, welke niet uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door deze krijgsmacht en haar civiele dienst en bij invoer door de leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst van andere goederen dan zijn bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel, wordt op grond van dit artikel generlei vrijstelling van rechten of van formaliteiten verleend.

8.

Goederen, welke op grond van het tweede lid, onder b, het vierde, vijfde of zesde lid van dit artikel vrij van rechten zijn ingevoerd:

9.

De uitvoer van in de Staat van verblijf gekochte goederen is onderworpen aan de in deze Staat van kracht zijnde voorschriften.

10.

De douane-autoriteiten verlenen bijzondere faciliteiten met betrekking tot de grensoverschrijding van geregelde eenheden of formaties, onder voorwaarde, dat de desbetreffende douane-autoriteiten vooraf tijdig zijn ingelicht.

11.

Door de Staat van verblijf worden bijzondere regelingen getroffen, opdat brandstof en smeermiddelen bestemd voor gebruik in geregistreerde dienstvoertuigen, luchtvaartuigen en oorlogsschepen van een krijgsmacht of van een civiele dienst vrij van alle rechten en andere heffingen kunnen worden geleverd.

12.

Voor de toepassing van de eerste tien leden van dit artikel worden onder „rechten” verstaan invoerrechten en alle andere rechten en heffingen verschuldigd terzake van invoer of uitvoer, al naar het geval zich voordoet, met uitzondering van rechten en heffingen, welke een vergoeding zijn voor bewezen diensten; onder „invoer” is mede begrepen uitslag naar het vrije verkeer van goederen, welke in een entrepot of onder een soortgelijk douane-regime zijn opgeslagen, onder voorwaarde, dat de betrokken goederen niet zijn geoogst, voortgebracht of vervaardigd in de Staat van verblijf.

13.

De bepalingen van dit artikel zijn op de betrokken goederen niet alleen van toepassing, indien zij worden ingevoerd in de Staat van verblijf of uit die Staat worden uitgevoerd, maar ook, indien zij over het grondgebied van een Verdragsluitende Staat worden doorgevoerd.

In laatstbedoeld geval omvat de uitdrukking „Staat van verblijf” in dit artikel iedere Verdragsluitende Partij over welks grondgebied de goederen worden doorgevoerd.

Artikel XII

1.

Elke vrijstelling of faciliteit van douanetechnische of van fiscale aard op grond van dit Verdrag verleend, is afhankelijk van de naleving van de bepalingen, welke de douane- of belastingautoriteiten van de Staat van verblijf ter voorkoming van misbruik noodzakelijk mochten achten.

2.

Dezelfde autoriteiten kunnen beslissen, dat in dit Verdrag voorziene vrijstellingen niet worden genoten bij de invoer van producten, welke zijn geoogst, voortgebracht of vervaardigd in de Staat van verblijf en van te voren zijn uitgevoerd met vrijstelling of met terugbetaling van de rechten en andere heffingen, welke verschuldigd zouden zijn geweest, indien die producten niet zouden zijn uitgevoerd. Deze bepaling is mede van toepassing op goederen, welke zijn uitgeslagen uit een entrepot, indien de opslag in dat entrepot als uitvoer is beschouwd.

Artikel XIII

1.

Ter voorkoming van inbreuk op de wetten en voorschriften van douanetechnische of van fiscale aard, verlenen de autoriteiten van de Staat van verblijf en van de Staat van herkomst elkaar hun medewerking bij het instellen van onderzoeken en het verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

De autoriteiten van een krijgsmacht verlenen met alle hun ten dienste staande middelen medewerking, opdat de goederen, welke voor inbeslagneming door of ten behoeve van de douane- of belastingautoriteiten van de Staat van verblijf in aanmerking komen, aan deze autoriteiten worden overgedragen.

3.

De autoriteiten van een krijgsmacht verlenen met alle hun ten dienste staande middelen medewerking, opdat de rechten, heffingen en boeten, verschuldigd door leden van deze krijgsmacht of van de civiele dienst of door hun gezinsleden, worden betaald.

4.

Goederen en geregistreerde dienstvoertuigen, welke toebehoren aan een krijgsmacht of aan haar civiele dienst en niet aan een lid van zodanige krijgsmacht of civiele dienst, en welke door de autoriteiten van de Staat van verblijf terzake van een douane- of belastingovertreding in beslag zijn genomen, worden aan de bevoegde autoriteiten van die krijgsmacht overgedragen.

Artikel XIV

1.

Een krijgsmacht en een civiele dienst, de leden daarvan, alsmede hun gezinsleden, blijven onderworpen aan de deviezenbepalingen van de Staat van herkomst en zijn tevens onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van de Staat van verblijf.

2.

De met de controle op het deviezenverkeer belaste autoriteiten van de Staat van herkomst en van de Staat van verblijf kunnen ten aanzien van een krijgsmacht en van haar civiele dienst of van de leden daarvan, alsmede van hun gezinsleden, bijzondere bepalingen vaststellen.

Artikel XV

1.

Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel blijft dit Verdrag van kracht bij het uitbreken van vijandelijkheden waarop het Noord-Atlantisch Verdrag van toepassing is. In dat geval zijn de bepalingen inzake de regeling van vorderingen in de leden 2 en 5 van artikel VIII niet van toepassing op oorlogsschade en worden de bepalingen van dit Verdrag en in het bijzonder van de artikelen III en VII terstond opnieuw in beschouwing genomen door de betrokken Verdragsluitende Partijen, die zodanige wijziging kunnen overeenkomen als zij met betrekking tot de wederzijdse toepassing van het Verdrag wenselijk achten.

2.

Bij het uitbreken van bovenbedoelde vijandelijkheden heeft ieder van de Verdragsluitende Partijen het recht met inachtneming van een termijn van zestig dagen en onder kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partijen de toepassing van elke bepaling van dit Verdrag voor zover haar betreft te schorsen.

Indien dit recht wordt uitgeoefend zullen de Verdragsluitende Partijen elkander terstond raadplegen, teneinde overeenstemming te bereiken over passende bepalingen ter vervanging van de geschorste bepalingen.

Artikel XVI

Alle geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag worden door onderhandelingen tussen hen geregeld zonder beroep op enig rechterlijk orgaan buiten de organisatie van het Noord-Atlantisch Verdrag. Behoudens voor zover in dit Verdrag uitdrukkelijk het tegendeel wordt bepaald, worden geschillen, die niet door rechtstreekse onderhandelingen kunnen worden opgelost, verwezen naar de Noord-Atlantische Raad.

Artikel XVII

Elke Verdragsluitende Partij kan te allen tijde de herziening van enig artikel van dit Verdrag verlangen.

Een verzoek daartoe wordt gericht aan de Noord-Atlantische Raad.

Artikel XVIII

1.

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk worden nedergelegd bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke iedere ondertekenende Staat mededeling zal doen van de datum van nederlegging.

2.

Dertig dagen nadat vier ondertekenende Staten hun bekrachtigingsoorkonden hebben nedergelegd treedt dit Verdrag tussen hen in werking. Het treedt voor iedere andere ondertekenende Staat in werking dertig dagen na de nederlegging van zijn bekrachtigingsoorkonde.

3.

Afhankelijk van de goedkeuring van de Noord-Atlantische Raad en van de voorwaarden, die deze daartoe kan vaststellen, zal dit Verdrag, nadat het in werking is getreden, opengesteld zijn voor toetreding van iedere Staat, die tot het Noord-Atlantisch Verdrag toetreedt. Toetreding zal plaats vinden door het nederleggen van een akte van toetreding bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke elke ondertekenende en toetredende Staat mededeling zal doen van de datum van nederlegging.

Met betrekking tot elke Staat, namens welke een akte van toetreding is nedergelegd, treedt dit Verdrag in werking dertig dagen na de datum van nederlegging van deze akte.

Artikel XIX

1.

Dit Verdrag kan door iedere Verdragsluitende Partij worden opgezegd na verloop van een periode van vier jaren na de datum, waarop het Verdrag in werking treedt.

2.

De opzegging van het Verdrag door een Verdragsluitende Partij vindt plaats door een schriftelijke mededeling van die Verdragsluitende Partij gericht aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke alle andere Verdragsluitende Partijen in kennis zal stellen van deze mededeling en van de datum van ontvangst daarvan.

3.

De opzegging wordt van kracht één jaar na ontvangst van de mededeling door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika. Na verloop van deze periode van een jaar houdt het Verdrag op van kracht te zijn met betrekking tot de Verdragsluitende Partij, die het opzegt, maar het blijft van kracht voor de overige Verdragsluitende Partijen.

Artikel XX

1.

Behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel, is dit Verdrag slechts van toepassing op het grondgebied van het moederland van een Verdragsluitende Partij.

2.

Iedere Staat kan evenwel bij de nederlegging van zijn bekrachtigingsoorkonde of akte van toetreding of te eniger tijd daarna door middel van een mededeling gedaan aan de Regering van de Verenigde Staten van Amerika verklaren dat dit Verdrag (onder voorbehoud van het sluiten van een bijzondere overeenkomst tussen die Staat en elk van de betrokken Staten van herkomst, indien de Staat die de verklaring aflegt dit noodzakelijk acht) mede zal gelden voor alle of enige van de gebieden, gelegen binnen het werkingsgebied van het Noord-Atlantisch Verdrag en voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is. Dit Verdrag geldt dan mede voor het gebied of de gebieden, in de verklaring genoemd, dertig dagen na ontvangst der verklaring door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, of dertig dagen na het sluiten van een eventuele bijzondere overeenkomst, dan wel op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag, overeenkomstig het bepaalde in artikel XVIII, indien dit na bedoeld tijdsverloop plaats vindt.

3.

Een Staat, die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld onder lid 2 van dit artikel, waardoor dit Verdrag mede zal gelden voor enig gebied voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is, kan het Verdrag met betrekking tot dit gebied afzonderlijk opzeggen in overeenstemming met de bepalingen van artikel XIX.

In witness whereof the undersigned Plenipotentiaries have signed the present Agreement.

Done in Londen this nineteenth day of June, 1951, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single original which shall be deposited in the archives of the Government of the United States of America. The Government of the United States of America shall transmit certified copies thereof to all the signatory and acceding States.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)