Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)
TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van deze Administratieve Schikking
- a). wordt onder „Verdrag” verstaan het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden;
- b). wordt onder „Schikking” verstaan de Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden;
- c). hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis.
Artikel 2. Modelformulieren - inlichtingen over de wetgevingen - handleidingen
Het model van de formulieren en alle andere documenten welke voor de toepassing van het Verdrag en van deze Schikking nodig zijn worden door het Administratief Centrum vastgesteld in het Duits, het Frans en het Nederlands.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde documenten kunnen door andere documenten, die door het Administratief Centrum als gelijkwaardig zijn erkend, worden vervangen.
Op verzoek van de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij kan het Administratief Centrum inlichtingen verzamelen betreffende de bepalingen van de wetgevingen waarop het Verdrag van toepassing is.
Het Administratief Centrum kan handleidingen samenstellen met het doel de belanghebbenden voor te lichten over hun rechten en de administratieve formaliteiten welke zij dienen te vervullen.
Artikel 3. Bijlagen
Bijlage 1 vermeldt de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij.
Bijlage 2 vermeldt de bevoegde organen van elke Verdragsluitende Partij.
Bijlage 3 vermeldt de organen van de woonplaats en de organen van de verblijfplaats van elke Verdragsluitende Partij.
Bijlage 4 vermeldt de door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen aangewezen verbindingsorganen.
Bijlage 5 vermeldt de in artikel 4, eerste lid, sub b) en tweede lid en in artikel 42, tweede lid van deze Schikking bedoelde bepalingen.
Bijlage 6 vermeldt de organen of instellingen welke door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen zijn aangewezen krachtens artikel 18, eerste lid, artikel 25, artikel 56, artikel 63, tweede lid, artikel 65, artikel 66, artikel 67, artikel 68, tweede lid, artikel 70, tweede lid, artikel 71, tweede lid, artikel 74, tweede lid, artikel 76, tweede lid, artikel 79, eerste en tweede lid, alsmede artikel 83 van deze Schikking.
Bijlage 7 vermeldt de betalingstijdvakken voor de gezins- en kinderbijslagen.
Artikel 4. Internationale bepalingen waarvoor deze schikking in de plaats treedt en internationale overeenkomsten die van kracht blijven
Deze Schikking treedt in de plaats van:
- a). de akkoorden betreffende de toepassing van de verdragen inzake sociale zekerheid waarvoor het Verdrag in de plaats treedt;
- b). de bepalingen betreffende de toepassing van de in artikel 5, derde lid van het Verdrag bedoelde bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid, tenzij deze bepalingen in bijlage 5 worden vermeld.
Bijlage 5 vermeldt tevens de bepalingen die gehandhaafd blijven in de betrekkingen tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap.
TITEL II. TOEPASSING VAN TITEL I VAN HET VERDRAG (ALGEMENE BEPALINGEN)
Toepassing van artikel 8, tweede lid van het Verdrag
Artikel 5. Toelating tot de vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 8, tweede lid van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de betrokken Verdragsluitende Partij een bewijsstuk over inzake de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld. Dit bewijsstuk wordt op verzoek van de rijnvarende of van bedoeld orgaan verstrekt door het orgaan of de organen, waarbij hij de betreffende tijdvakken heeft vervuld.
Wanneer samentelling van tijdvakken van verzekering moet plaatsvinden om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 8, tweede lid van het Verdrag is artikel 6 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
TITEL III. SAMENTELLING VAN TIJDVAKKEN VAN VERZEKERING
Toepassing van de artikelen 15, 26, 32, 50 en 55 van het Verdrag
Artikel 6. Algemene regels betreffende de samentelling van tijdvakken
In de gevallen, bedoeld in artikel 15, artikel 26, eerste en tweede lid, artikel 32, eerste en tweede lid, artikel 50 en artikel 55, eerste en tweede lid van het Verdrag, geschiedt de samenstelling van de tijdvakken van verzekering overeenkomstig de volgende regels:
- a). bij de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, worden gevoegd de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij, voorzover het noodzakelijk is hierop een beroep te doen om de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij, aan te vullen met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties, mits deze tijdvakken elkaar niet overlappen; indien het uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft welke door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 27 of artikel 33 van het Verdrag, verricht elk der betrokken organen afzonderlijk deze samentelling, rekening houdende met het totaal der door de rijnvarende krachtens de wetgevingen van alle Verdragsluitende Partijen waaraan hij onderworpen is geweest, vervulde tijdvakken van verzekering;
- b). wanneer een tijdvak van verzekering, vervuld op grond van een verplichte verzekering krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, samenvalt met een op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij vervuld tijdvak van verzekering, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 12, tweede lid, tweede volzin van het Verdrag;
- c). wanneer een effectief tijdvak van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, samenvalt met een tijdvak dat krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij met een effectief tijdvak van verzekering is gelijkgesteld, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen;
- d). elk tijdvak dat krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen met een effectief tijdvak van verzekering is gelijkgesteld, wordt slechts in aanmerking genomen door het orgaan van die van deze Partijen krachtens de wetgeving waarvan de rijnvarende laatstelijk voor dit tijdvak verplicht verzekerd is geweest; indien de rijnvarende voor genoemd tijdvak niet verplicht verzekerd is geweest krachtens de wetgeving van een van deze Partijen, wordt dit tijdvak in aanmerking genomen door het orgaan van die van genoemde Partijen krachtens de wetgeving waarvan hij na dit tijdvak voor de eerste maal verplicht verzekerd is geweest;
- e). ingeval de periode waarin bepaalde tijdvakken van verzekering krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vervuld zijn, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt ervan uitgegaan dat deze tijdvakken niet overlapt worden door krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken en wordt, voor zover nodig, hiermede rekening gehouden;
- f). ingeval volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalde tijdvakken van verzekering slechts in aanmerking worden genomen indien zij binnen een bepaalde termijn zijn vervuld, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast slechts rekening met krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken indien deze binnen dezelfde termijn zijn vervuld.
De tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens een stelsel van een Verdragsluitende Partij waarop het Verdrag niet van toepassing is, maar die in aanmerking worden genomen door een stelsel van dezelfde Partij waarop het Verdrag wel van toepassing is, worden beschouwd als tijdvakken van verzekering welke voor de samentelling in aanmerking dienen te worden genomen.
Wanneer de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, worden uitgedrukt in andere eenheden dan in de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij worden gebezigd, geschiedt de omrekening welke voor de samentelling nodig is volgens onderstaande regels:
- a). indien het een rijnvarende betreft, die in loondienst is en voor wie de zesdaagse werkweek gold of indien het een rijnvarende betreft die zelfstandige is,
- i). geldt een dag als acht uren en omgekeerd;
- ii). gelden zes dagen als een week en omgekeerd;
- iii). gelden zesentwintig dagen als een maand en omgekeerd;
- iv). gelden drie maanden of dertien weken of achtenzeventig dagen als een kwartaal en omgekeerd;
- v). worden voor de omrekening van weken tot maanden en omgekeerd, de weken en maanden in dagen omgerekend;
- vi). mag toepassing van bovenstaande regels er niet toe leiden dat voor alle in de loop van een kalenderjaar vervulde tijdvakken een totaal van meer dan driehonderd en twaalf dagen of tweeënvijftig weken of twaalf maanden of vier kwartalen wordt verkregen;
- b). indien het een rijnvarende betreft, die in loondienst is en voor wie de vijfdaagse werkweek gold,
- i). geldt een dag als negen uur en omgekeerd;
- ii). gelden vijf dagen als een week en omgekeerd;
- iii). gelden tweeëntwintig dagen als een maand en omgekeerd;
- iv). gelden drie maanden of dertien weken of zesenzestig dagen als een kwartaal en omgekeerd;
- v). worden voor de omrekening van weken tot maanden en omgekeerd, de weken en maanden in dagen omgerekend;
- vi). mag toepassing van bovenstaande regels er niet toe leiden dat voor alle in de loop van een kalenderjaar vervulde tijdvakken een totaal van meer dan tweehonderdvierenzestig dagen of tweeënvijftig weken of twaalf maanden of vierkwartalen wordt verkregen.
Artikel 7. Het in aanmerking nemen van premies of bijdragen over tijdvakken van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering
Wanneer krachtens artikel 6, eerste lid, sub b) van deze Schikking ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) voor de samentelling niet in aanmerking worden genomen, worden de op deze tijdvakken betrekking hebbende premies of bijdragen geacht bestemd te zijn tot verhoging van de krachtens deze wetgeving verschuldigde uitkeringen.
TITEL IV. TOEPASSING VAN TITEL III VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK 1. – ZIEKTE EN MOEDERSCHAP
Toepassing van artikel 15 van het Verdrag
Artikel 8. Bewijs betreffende tijdvakken van verzekering
Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 15 van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de rijnvarende verstrekt door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Wanneer de rijnvarende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan dit orgaan daarom.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing indien het nodig is met de vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om te kunnen voldoen aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden.
Toepassing van artikel 16 van het Verdrag
Artikel 9. Verstrekkingen in geval van verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat - verklaring van de werkgever -
Om voor zichzelf of voor zijn gezinsleden, die zich met hem aan boord van een in artikel 1, sub m) van het Verdrag bedoeld vaartuig bevinden, verstrekkingen te verkrijgen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, legt de in loondienst zijnde rijnvarende, die zich voor het vervullen van zijn dienstbetrekking op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger is afgegeven in de loop van de kalendermaand van voorlegging of in de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de belanghebbende voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan; indien de werkgever evenwel volgens de wetgeving van de bevoegde Staat niet wordt geacht het bevoegde orgaan te kennen, geeft bedoelde rijnvarende de naam en de plaats van vestiging van dit orgaan schriftelijk op wanneer de aanvraag bij het orgaan van de verblijfplaats wordt ingediend. Wanneer hij deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich voor de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij niettemin deze behandeling op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.
Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de belanghebbende of zijn gezinsleden, naar gelang van het geval, aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoen. Het is verplicht deze verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.
Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, deelt het bevoegde orgaan in voorkomend geval de maximumduur mede waarover overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen mogen worden toegekend en zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van verstrekkingen voort.
In plaats van de verklaring, bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 10, eerste lid van deze Schikking bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.
Bij opneming in een ziekenhuis bericht het orgaan van de verblijfplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan de datum van opneming in het ziekenhuis, de vermoedelijke verblijfsduur en de datum van ontslag. Deze mededeling behoeft evenwel niet te worden gedaan wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
Het orgaan van de verblijfplaats stelt het bevoegde orgaan vooraf in kennis van iedere beslissing die betrekking heeft op het verlenen van belangrijke verstrekkingen. Het bevoegde orgaan kan in voorkomend geval hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van deze mededeling, verzet aantekenen. Het orgaan van de verblijfplaats verleent de verstrekkingen als na het verstrijken van deze termijn geen verzet is aangetekend. In onmiskenbare spoedgevallen verleent het orgaan van de verblijfplaats de verstrekkingen onverwijld en stelt het het bevoegde orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte. Dit verzet onder opgave van redenen behoeft evenwel niet te worden aangetekend wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
Het Administratief Centrum stelt de lijst op van de in het vorige lid bedoelde verstrekkingen.
Artikel 10. Verstrekkingen in geval van verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat - bewijs van het bevoegde orgaan -
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in het geval waarin van de in artikel 9, eerste lid van deze Schikking bedoelde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan wordt afgegeven, voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11. Verstrekkingen in geval van overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat of van het zich met toestemming begeven naar zodanig grondgebied om er een behandeling te ondergaan
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 16, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan voor zijn vertrek wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wetgeving van de bevoegde Staat verstrekkingen mogen worden verleend. Het bewijs kan op verzoek van de belanghebbende na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag.
Artikel 12. Verstrekkingen aan gezinsleden
De artikelen 10 en 11 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de in artikel 16, derde lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.
Artikel 13. Uitkeringen in geval van verblijf op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij dan de bevoegde staat
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 16, eerste lid, sub a)ii) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na riet begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats en legt, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid over. Bovendien deelt hij zijn adres in het land waar hij verblijft mede, alsmede de naam en het adres van het bevoegde orgaan.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven wendt de rijnvarende zich rechtstreeks tot het orgaan van de verblijfplaats, binnen de termijn welke is gesteld in de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.
Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de verblijfplaats de medische en administratieve controle op de rijnvarende uit en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt de belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren, omdat de rijnvarende de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
Onverwijld wordt de rijnvarende van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de verblijfplaats, dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de rijnvarende weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de verblijfplaats en door het bevoegde orgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.
Wanneer de rijnvarende het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving hierin voorziet.
Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, met name per internationale postwissel, en stelt het orgaan van de verblijfplaats hiervan in kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de rijnvarende van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en geeft gelijktijdig het orgaan aan dat de uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wetgeving van de bevoegde Staat worden toegekend.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of de bevoegde autoriteiten van deze Verdragsluitende Partijen kunnen, voor zover het hun aangaat, na advies van het Administratief Centrum, een andere wijze van toepassing overeenkomen dan die welke is voorzien in de voorgaande leden van dit artikel.
Toepassing van artikel 17 van het Verdrag
Artikel 14. Verstrekkingen in geval van wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 17, eerste lid, sub a) van het Verdrag, laat de rijnvarende zich inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, eventueel na kennisneming van de door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien dit bewijs door de rijnvarende niet wordt overgelegd, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen. Wanneer genoemde verklaring evenwel door een Frans orgaan wordt afgegeven, is zij slechts geldig gedurende een jaar na de datum van afgifte en moet zij jaarlijks worden vernieuwd.
Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel heeft verricht.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over welke krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor het verlenen van verstrekkingen vereist worden.
Artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
De rijnvarende is verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats. Het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats stellen elkaar in kennis van iedere verandering die het recht op verstrekkingen van de rijnvarende kan wijzigen.
Artikel 15. Verstrekkingen aan gezinsleden
Artikel 14 van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de in artikel 17, tweede lid van het Verdrag bedoelde gezinsleden.
Artikel 16. Uitkeringen in geval van wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens artikel 17, eerste lid, sub b) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast, hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wetgeving van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 13, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
Het orgaan van de woonplaats zendt de in de vorige leden bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
Artikel 13, vierde tot en met negende lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Toepassing van artikel 18 van het Verdrag
Artikel 17. Verstrekkingen en uitkeringen aan de werkloos geworden rijnvarende en aan zijn gezinsleden die verblijven of wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
De artikelen 10, 11, 12, 14 en 15 van deze Schikkikng zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de werkloos geworden rijnvarende en zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen.
De artikelen 13 en 16 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van uitkeringen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
Toepassing van artikel 19, tweede lid, van het Verdrag
Artikel 18. Uitkeringen - bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 19, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs is geldig gedurende twaalf maanden na de datum van afgifte. Het kan worden verlengd; in dit geval loopt de geldigheidsduur te rekenen van de datum van vernieuwing. De belanghebbende is verplicht het bevoegde orgaan onmiddellijk in kennis te stellen van iedere wijziging welke in dit bewijs moet worden aangebracht. Een zodanige wijziging wordt van kracht op de dag waarop de omstandigheid welke oorzaak is van de wijziging, zich voordoet.
Toepassing van artikel 20 van het Verdrag
Artikel 19. Verstrekkingen aan de aanvrager van een pensioen of rente en aan zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen
De artikelen 10, 11, 12, 14 en 15 van de Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de aanvrager van een pensioen of een rente en zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijven of wonen.
Toepassing van artikel 21 van het Verdrag
Artikel 20. Verstrekkingen aan rechthebbenden op pensioen of rente en aan hun gezinsleden die hun woonplaats niet hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij krachtens de wetgeving waarvan zij een pensioen of rente genieten en recht op prestaties hebben
Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, tweede lid van het Verdrag laat de rechthebbende op een pensioen of rente zich en zijn gezinsleden inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een bewijs waarin wordt verklaard dat hij krachtens de wetgeving of krachtens een der wetgevingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft.
Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs wordt op verzoek van de rechthebbende op een pensioen of rente door het orgaan of een der organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de rechthebbende op een pensioen of rente voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien de rechthebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen welke pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, ieder ander orgaan dat bevoegd is bedoeld bewijs af te geven, daarom. In afwachting van de ontvangst van dit bewijs, kan het orgaan van de woonplaats de rechthebbende en zijn gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, indien laatstbedoeld orgaan genoemd bewijs heeft afgegeven.
Het orgaan van de woonplaats stelt het orgaan dat het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bewijs heeft afgegeven in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig dat lid heeft verricht.
Bij elke aanvraag om verstrekkingen kan het orgaan van de woonplaats verlangen dat de rechthebbende op een pensioen of rente, aan de hand van het ontvangstbewijs of het strookje van de postwissel van de laatste betaling, aantoont dat hij nog altijd recht op pensioen of rente heeft.
De rechthebbende op een pensioen of rente of zijn gezinsleden zijn verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of beëindiging van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De betrokken organen stellen het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente eveneens op de hoogte van elke wijziging waarvan zij kennis dragen.
Artikel 21. Verstrekkingen aan gezinsleden die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar de rechthebbende op pensioen of rente woont
Om op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop zij wonen in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, vierde lid van het Verdrag laten de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van verstrekkingen aan de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente, alsmede van een soortgelijk bewijs als bedoeld in artikel 20, eerste lid van deze Schikking. Bedoeld orgaan stelt het orgaan in de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente in kennis van iedere inschrijving welke het overeenkomstig het bepaalde in dit lid verricht.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen leggen de gezinsleden aan het orgaan van hun woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat de rechthebbende op een pensioen of rente voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft; dit bewijs, dat wordt afgegeven door het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende, blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.
Het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden in kennis van de schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en van iedere overbrenging van de woonplaats van de rechthebbende. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende op een pensioen of rente verzoeken alle inlichtingen te verschaffen omtrent diens recht op verstrekkingen.
De gezinsleden zijn verplicht het orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere overbrenging van hun woonplaats.
Artikel 22. Verstrekkingen aan de rechthebbende op pensioenen of renten en aan zijn gezinsleden wanneer zij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij verblijven dan dat waarop zij wonen
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 21, zesde lid van het Verdrag, legt de rechthebbende op een pensioen of rente aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op deze verstrekkingen heeft. In dit bewijs, dat het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende uitreikt voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover overeenkomstig de wetgeving van deze Partij verstrekkingen mogen worden verleend. Wanneer de rechthebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het orgaan van de woonplaats daarom. Wanneer echter, gelet op artikel 78, derde lid van deze Schikking, deze verstrekkingen ten laste komen van het bevoegde orgaan, wordt de in artikel 21, zesde lid, sub b) van het Verdrag bedoelde toestemming door het bevoegde orgaan gegeven.
In het in artikel 21, zesde lid, sub a) van het Verdrag bedoelde geval is artikel 9, vijfde en zesde lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing. Met inachtneming van artikel 78, derde lid van deze Schikking, wordt in dit geval het orgaan van de woonplaats van de rechthebbende als bevoegd orgaan beschouwd.
De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden in de in artikel 21, zesde lid, sub a) van het Verdrag bedoelde gevallen.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan gezinsleden in de in artikel 21, zesde lid, sub b) van het Verdrag bedoelde gevallen.
Toepassing van de artikelen 16 en 21 van het Verdrag
Artikel 23. Vergoeding door het bevoegde orgaan van de gemaakte kosten tijdens een verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij
Indien de in artikel 9, eerste lid, artikel 10, eerste lid, artikel 11, eerste lid en artikel 22, eerste lid van deze Schikking voorgeschreven formaliteiten niet gedurende het verblijf van de belanghebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat konden worden vervuld, worden de gemaakte kosten op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan vergoed tegen de tarieven, welke door het orgaan van de verblijfplaats worden toegepast. Het orgaan van de verblijfplaats verstrekt het bevoegde orgaan op verzoek de nodige inlichtingen over deze tarieven.
HOOFDSTUK 2. INVALIDITEIT, OUDERDOM EN OVERLIJDEN (PENSIOENEN)
Toepassing van de artikelen 24 tot en met 39 van het Verdrag Indiening en behandeling van de aanvragen om uitkeringen
Afdeling 1. : Invaliditeit
Artikel 24. Aanvraag om invaliditeitsuitkeringen ingeval de aanvrager uitsluitend aan de in bijlage VI van het Verdrag vermelde wetgevingen onderworpen is geweest
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 25 en 27 van het Verdrag, daaronder begrepen in de gevallen bedoeld in artikel 28, tweede lid, artikel 29, eerste lid en artikel 30, tweede lid van het Verdrag, richt de aanvrager een verzoek hetzij tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij onderworpen was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit of de toeneming van deze invaliditeit is ontstaan, hetzij tot het orgaan van de woonplaats, dat de aanvraag dan aan eerstgenoemd orgaan doorzendt onder vermelding van de datum waarop deze werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij eerstbedoeld orgaan werd ingediend. Indien evenwel ziekengeld werd toegekend, moet de dag waarop het tijdvak van de toekenning van deze uitkering eindigt, in voorkomend geval worden beschouwd als de datum waarop de aanvraag om uitkeringen werd ingediend.
In het in artikel 29, eerste lid, sub b) van het Verdrag bedoelde geval stelt het orgaan waarbij de aanvrager laatstelijk was aangesloten, het orgaan dat deze uitkeringen oorspronkelijk verschuldigd was, in kennis van het bedrag en de datum van ingang van de krachtens de door eerstbedoelde orgaan toegepaste wetgeving verschuldigde uitkeringen.
Artikel 25. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 27, vijfde lid van het Verdrag legt de aanvrager een bewijs over betreffende zijn gezinsleden, die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan dat waar zich het orgaan bevindt dat de uitkeringen moet vaststellen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen. Artikel 18, tweede lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26. Behandeling van aanvragen om invaliditeitsuitkeringen wanneer de aanvrager uitsluitend aan de in bijlage VI van het Verdrag vermelde wetgevingen onderworpen is geweest
Indien het orgaan waarbij een aanvraag om invaliditeitsuitkering is ingediend vaststelt dat artikel 25, eerste lid van het Verdrag van toepassing is, wendt het zich, zo nodig, tot het orgaan waarbij de aanvrager laatstelijk aangesloten is geweest, ter verkrijging van een verklaring waarin de door hem krachtens de door dit laatste orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering zijn vermeld.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, indien het nodig is met de vroeger onder de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen.
In het in artikel 27, derde lid van het Verdrag bedoelde geval zendt het orgaan dat het dossier van de aanvrager behandelt dit toe aan het orgaan waarbij de aanvrager laatstelijk aangesloten is geweest.
In het in artikel 27, vierde lid van het Verdrag bedoelde geval wordt de aanvraag eventueel doorgezonden aan het terzake van invaliditeit bevoegde orgaan, waarbij de aanvrager laatstelijk voor het risico van invaliditeit aangesloten is geweest. Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.
Er moet onder dezelfde voorwaarden, eventueel worden teruggegaan tot het voor invaliditeit bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de aanvrager het eerst onderworpen was.
Artikel 27. Bepaling van de mate van invaliditeit
Het orgaan van een Verdragsluitende Partij houdt voor het bepalen van de mate van invaliditeit rekening met alle inlichtingen van medische en administratieve aard welke door het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij zijn ingewonnen. Elk orgaan behoudt echter de bevoegdheid de aanvrager voor eigen rekening door een arts van eigen keuze te laten onderzoeken.
Artikel 28. Geval waarin de aanvrager achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan wettelijke regelingen waarvan ten minste een niet wordt vermeld in bijlage VI van het Verdrag
Voor de toepassing van artikel 28, eerste lid van het Verdrag zijn de artikelen 29 tot en met 38 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. : Ouderdom en overlijden (pensioenen)
Artikel 29. Indiening van de aanvraag
Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 32 tot en met 39 van het Verdrag, richt de aanvrager zijn aanvraag tot het orgaan van de woonplaats, volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wetgeving. Indien de aanvrager of de overledene niet aan deze wetgeving onderworpen is geweest, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de aanvrager of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, zulks onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij laatstgenoemd orgaan werd ingediend.
Wanneer de aanvrager niet woont op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij of de overledene onderworpen is geweest, kan hij zijn aanvraag richten tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hijzelf of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest.
Artikel 30. Bij de aanvraag te voegen stukken en aanwijzingen
Voor de indiening van de in artikel 29 van deze Schikking bedoelde aanvragen gelden de volgende regels.
- a). de aanvraag dient vergezeld te gaan van de vereiste bewijsstukken en te zijn opgesteld volgens de formaliteiten voorzien
- i). hetzij in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de aanvrager woont, in het geval bedoeld in artikel 29, eerste lid van deze Schikking;
- ii). hetzij in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de aanvrager of de overledene laatstelijk onderworpen is geweest, in het geval bedoeld in artikel 29, tweede lid van deze Schikking;
- b). de juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moeten worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont;
- c). voor zover mogelijk moet de aanvrager vermelden, ofwel het orgaan of de organen van de invaliditeits- of ouderdomsverzekering of van de verzekering bij overlijden (pensioenen) van elke Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hijzelf of de overledene onderworpen is geweest, ofwel de werkgever of werkgevers bij wie hijzelf of de overledene werkzaam is geweest, zulks onder overlegging van de bewijzen van verrichte arbeid waarover hij mocht beschikken.
Artikel 31. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen
Voor de toepassing van artikel 34, derde lid van het Verdrag, is artikel 25 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32. Vaststelling van het behandelend orgaan
De aanvragen om uitkering worden behandeld door het orgaan waaraan zij, overeenkomstig artikel 29 van deze Schikking zijn gericht, dan wel doorgezonden. Dit orgaan wordt het „behandelende orgaan” genoemd.
Het behandelende orgaan stelt alle betrokken organen onmiddellijk in kennis van de aanvragen om uitkeringen die bij haar zijn ingediend opdat deze aanvragen gelijktijdig en onverwijld door deze organen kunnen worden behandeld.
Artikel 33. Bij de behandeling van de aanvragen voor uitkeringen te gebruiken formulieren
Voor de behandeling van de aanvragen om uitkeringen maakt het behandelende orgaan gebruik van een formulier waarin met name een opsomming en een samenvatting voorkomen van de door de belanghebbende of de overledene krachtens de wetgevingen van alle betrokken Verdragsluitende Partijen vervulde tijdvakken van verzekering, onder vermelding van de tijdvakken die zijn vervuld in de hoedanigheid van rijnvarende.
Artikel 34. Door de betrokken organen te volgen procedure voor de behandeling van de aanvraag
Het behandelende orgaan vermeldt op het in artikel 33 van deze Schikking bedoelde formulier de tijdvakken van verzekering die krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, en zendt een exemplaar van dit formulier aan het orgaan van de invaliditeits- of ouderdomsverzekering of de verzekering bij overlijden (pensioenen) van iedere Verdragsluitende Partij waarbij de belanghebbende of de overledene aangesloten is geweest, in voorkomend geval onder bijvoeging van de bewijzen van verrichte arbeid die de aanvrager heeft overgelegd.
Indien er slechts een ander orgaan bij betrokken is, vult dit orgaan het hem overeenkomstig het vorige lid toegezonden formulier aan met de vermelding van de tijdvakken van verzekering welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld. Vervolgens stelt dit orgaan, rekening houdende met artikel 32 van het Verdrag, vast welke rechten op grond van deze wetgeving bestaan en vermeldt op dit formulier het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig artikel 33, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 32 tot en met 36 van het Verdrag worden toegepast. Genoemd formulier wordt aan het behandelende orgaan teruggezonden.
Indien er twee of meer andere organen bij betrokken zijn, vult elk van deze organen het hem overeenkomstig het eerste lid van dit artikel toegezonden formulier aan met de vermelding van de tijdvakken van verzekering welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld en zendt het aan het behandelende orgaan terug. Dit orgaan zendt het aldus aangevulde formulier aan alle betrokken organen; elke van deze organen stelt, rekening houdende met artikel 32 van het Verdrag, vast welke rechten op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving bestaan en vermeldt op dit formulier het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig artikel 33, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 32 tot en met 36 van het Verdrag worden toegepast. Bedoeld formulier wordt aan het behandelende orgaan teruggezonden.
Wanneer het behandelende orgaan vaststelt dat aan de in artikel 24, tweede lid van het Verdrag vermelde voorwaarden niet wordt voldaan stelt zij de overige betrokken organen hiervan in kennis.
Wanneer het behandelend orgaan in het bezit is van alle in het tweede of het derde lid van dit artikel bedoelde gegevens, stelt dit orgaan, rekening houdende met artikel 32 van het Verdrag, op zijn beurt vast welke rechten op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving bestaan en berekent, overeenkomstig artikel 33, tweede, derde, vierde of vijfde lid van het Verdrag, het bedrag van de uitkering dat dit orgaan verschuldigd is, alsmede eventueel het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken uitsluitend op grond van de krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving vervulde tijdvakken, zonder dat de artikelen 32 tot en met 36 van het Verdrag worden toegepast.
Zodra het behandelende orgaan bij ontvangst van de in het tweede of derde lid van dit artikel bedoelde gegevens vaststelt dat artikel 35, tweede of derde lid of artikel 37, eerste lid van het Verdrag moet worden toegepast, stelt het de overige betrokken organen hiervan in kennis.
Artikel 35. Voorlopige betaling van uitkeringen en voorschotten van uitkeringen
Indien het behandelende orgaan vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving recht heeft op uitkering zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partijen waaraan de belanghebbende of de overledene onderworpen is geweest, betaalt dit orgaan hem deze onmiddellijk als voorlopige uitkering, onverminderd het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.
Elk orgaan dat overeenkomstig artikel 33, vijfde lid van het Verdrag gerechtigd is de uitkeringen of bestanddelen van uitkeringen welke het de rechthebbende verschuldigd is, rechtstreeks te berekenen, betaalt hem deze uitkeringen onmiddellijk. Indien een ander orgaan dan het behandelende orgaan deze uitkeringen rechtstreeks aan de rechthebbende betaalt, stelt het het behandelende orgaan hiervan onmiddellijk in kennis en reserveert het, met het oog op de toepassing van het zevende lid van dit artikel, het bedrag van de eventuele achterstallige termijnen ten behoeve van elk orgaan dat teveel mocht hebben uitbetaald.
Ingeval het behandelende orgaan uitkeringen betaalt krachtens het eerste lid van dit artikel, vermindert het het bedrag van deze uitkeringen in voorkomend geval met het bedrag van de uitkeringen welke krachtens het vorige lid door ieder ander orgaan werden betaald, zodra het hiervan op de hoogte is.
Indien een van de betrokken organen, het behandelende orgaan uitgezonderd, tijdens de behandeling van de aanvraag vaststelt dat de aanvrager recht heeft op uitkeringen krachtens de door eerstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partijen waaraan de belanghebbende of de overledene onderworpen is geweest, doet dit orgaan hiervan onverwijld mededeling aan het behandelende orgaan, dat het bedrag van deze uitkeringen onmiddellijk voor rekening van eerstbedoeld orgaan als voorlopige uitkering aan de rechthebbende uitbetaalt, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.
Ingeval het behandelende orgaan uitkeringen zou moeten betalen krachtens het eerste en het vierde lid van dit artikel, betaalt het alleen de hoogste uitkering, in voorkomend geval onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.
Ingeval het behandelende orgaan geen uitkeringen krachtens het eerste, tweede of vierde lid van dit artikel betaalt en in gevallen waarin vertraging kan optreden, betaalt dit orgaan de belanghebbende een terugvorderbaar voorschot, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 33, eerste tot en met vierde lid van het Verdrag.
Bij de definitieve afhandeling van de aanvraag om uitkeringen vereffenen het behandelende orgaan en de andere betrokken organen hun rekeningen betreffende de voorlopige uitkeringen en voorschotten, verleend overeenkomstig het eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel. De door deze organen ter zake teveel betaalde bedragen kunnen worden ingehouden op de termijnbetalingen welke zij aan de belanghebbende moeten doen.
Artikel 36. Herberekening van uitkeringen hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de belanghebbenden
Voor de toepassing van artikel 36, tweede en derde lid, van het Verdrag is artikel 34 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37. Kennisgeving aan de aanvrager en aan het behandelend orgaan van definitieve beslissingen
Elk der betrokken organen geeft de aanvrager kennis van de genomen beslissing op zijn aanvraag om uitkeringen, zodra deze beslissing, na overleg met het behandelende orgaan, als definitief kan worden beschouwd en licht hierover tegelijkertijd laatstbedoeld orgaan in. Elke beslissing moet er melding van maken dat het gaat om een gedeeltelijke vaststelling van de uitkering en de in de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij voorziene rechtsmiddelen en beroepstermijnen aangeven. De beroepstermijnen gaan eerst in op de datum waarop de belanghebbende de beslissing heeft ontvangen.
Na de definitieve afhandeling van de aanvraag om uitkeringen zendt het behandelend orgaan de aanvrager alsook elk der andere betrokken organen, bij wijze van eindinformatie een samenvatting van alle naar aanleiding van deze aanvraag genomen beslissingen.
Artikel 38. Kennisgeving van beslissingen aan de belanghebbende en aan de organen die de uitkering verschuldigd zijn in geval van herberekening, schorsing of intrekking van de uitkering
Bij herberekening dan wel schorsing of intrekking van de uitkering geeft het betrokken orgaan van zijn beslissing onverwijld kennis aan de belanghebbende en aan elk der andere organen die uitkering verschuldigd zijn, eventueel door tussenkomst van het behandelende orgaan. De beslissing dient de rechtsmiddelen en beroepstermijnen, voorzien in de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij te vermelden. De beroepstermijnen gaan eerst in op de datum waarop de belanghebbende de beslissing heeft ontvangen.
Artikel 39. Maatregelen ter bespoediging van de vaststelling van de uitkeringen
Ter bespoediging van de vaststelling van de uitkeringen zijn de volgende voorschriften van toepassing:
- a). wanneer een persoon die voordien aan de wetgeving van een of meer Verdragsluitende Partijen onderworpen was, onderworpen is aan de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, verzoekt het bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij aan het verbindingsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij of Partijen om alle gegevens, betreffende de organen waarbij de belanghebbende is aangesloten geweest en, eventueel, de inschrijvingsnummers welke hem zijn toegekend;
- b). op verzoek van de belanghebbende of van het orgaan, waarbij hij is aangesloten, maken de betrokken organen, voor zover mogelijk, vanaf een jaar voorafgaande aan de datum waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, een overzicht van zijn verzekeringsloopbaan.
Administratieve en medische controle
Artikel 40. Controlevoorschriften
I. Wanneer een rechthebbende op
- a). invaliditeitsuitkeringen,
- b). ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van arbeidsongeschiktheid,
- c). ouderdomsuitkeringen toegekend aan bejaarde werklozen,
- d). ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van beëindiging van de beroepswerkzaamheden,
- e). uitkeringen aan nagelaten betrekkingen toegekend in geval van invaliditeit of van arbeidsongeschiktheid,
- f). uitkeringen die worden toegekend op voorwaarde dat de inkomsten van rechthebbende een bepaalde grens niet overschrijden, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont of verblijft, wordt de administratieve en medische controle op verzoek van het bevoegde orgaan uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, op de wijze als bepaald in de wettelijke regeling die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast. Het bevoegde orgaan blijft evenwel bevoegd de rechthebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze.
Indien uit de in het vorige lid bedoelde controle blijkt dat de rechthebbende werkzaamheden verricht of dat hij inkomsten geniet welke de voorgeschreven grens overschrijden, is het orgaan van de woon- of verblijfplaats verplicht het bevoegde orgaan dat om controle heeft verzocht een rapport toe te zenden. Dit rapport maakt melding van de door het bevoegde orgaan gevraagde inlichtingen.
Artikel 41. Uitwisseling van gegevens tussen organen in geval van herkrijging van het recht op uitkeringen
Wanneer de belanghebbende na schorsing van de uitkeringen welke hij genoot, opnieuw recht op uitkeringen verkrijgt, terwijl hij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont, verstrekken de betrokken organen elkaar alle nodige inlichtingen met het oog op de hervatting van bedoelde uitkeringen.
Betaling van de uitkeringen
Artikel 42. Wijze van betaling
Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij dat uitkeringen verschuldigd is, de verschuldigde uitkeringen niet rechtstreeks betaalt aan de rechthebbenden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, wordt de betaling van deze uitkeringen op verzoek van het orgaan dat deze verschuldigd is, verricht door het verbindingsorgaan van laatstbedoelde Partij of door het orgaan van de woonplaats, zulks op de tussen door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen overeengekomen wijze; indien het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, de uitkeringen rechtstreeks aan die rechthebbenden betaalt, stelt dit orgaan het orgaan van de woonplaats van de betaling van de uitkeringen in kennis.
De bepalingen van vroegere overeenkomsten, welke betrekking hebben op de betaling van uitkeringen en welke van toepassing zijn op de dag voor de inwerkingtreding van het Verdrag, blijven van toepassing voor zover zij in bijlage 5 zijn vermeld.
Artikel 43. Kennisgeving van overbrenging van de woonplaats van de rechthebbende
De rechthebbende op uitkeringen welke krachtens de wetgevingen van een of meer Verdragsluitende Partijen verschuldigd zijn, is verplicht het orgaan of de organen welke deze uitkeringen verschuldigd zijn en, eventueel, het uitbetalende orgaan in kennis te stellen van iedere overbrenging van de woonplaats.
HOOFDSTUK 3. ARBEIDSONGEVALLEN EN BEROEPSZIEKTEN
Toepassing van artikel 40 van het Verdrag
Artikel 44. Verstrekkingen in geval van verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat - verklaring van de werkgever -
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag legt de in loondienst zijnde rijnvarende die zich voor het vervullen van zijn dienstbetrekking op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt, aan het orgaan van de verblijfplaats zo spoedig mogelijk een verklaring over welke door de werkgever of diens vertegenwoordiger is afgegeven in de loop van de kalendermaand van voorlegging of in de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden. In deze verklaring wordt met name de datum vermeld sedert welke de betrokkene voor rekening van bedoelde werkgever werkt, alsmede de naam en de plaats van vestiging van het bevoegde orgaan. Wanneer bedoelde rijnvarende deze verklaring heeft overgelegd, wordt hij geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen. Indien hij niet in staat is zich voor de medische behandeling tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, ontvangt hij niettemin deze behandeling op vertoon van bedoelde verklaring, alsof hij bij dat orgaan verzekerd was.
Het orgaan van de verblijfplaats richt zich onverwijld tot het bevoegde orgaan, teneinde te vernemen of de belanghebbende aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op verstrekkingen voldoet. Het is verplicht deze verstrekkingen te verlenen totdat antwoord van het bevoegde orgaan is ontvangen en ten hoogste gedurende dertig dagen.
Het bevoegde orgaan zendt het orgaan van de verblijfplaats antwoord binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek van dit orgaan. Indien dit antwoord bevestigend luidt, zet het orgaan van de verblijfplaats het verlenen van bedoelde verstrekkingen voort.
In plaats van de verklaring, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats het in artikel 45, eerste lid van deze Schikking bedoelde bewijs overleggen. In dit geval zijn de voorgaande leden van dit artikel niet van toepassing.
Bij opneming in een ziekenhuis bericht het orgaan van de verblijfplaats, zodra het zulks heeft vernomen, aan het bevoegde orgaan de datum van opneming in het ziekenhuis, de vermoedelijke verblijfsduur en de datum van ontslag. Deze mededeling behoeft evenwel niet te worden gedaan wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
Het orgaan van de verblijfplaats stelt het bevoegde orgaan vooraf in kennis van iedere beslissing die betrekking heeft op het verlenen van belangrijke verstrekkingen. Het bevoegde orgaan kan hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van deze mededeling, verzet aantekenen. Het orgaan van de verblijfplaats verleent de verstrekkingen als na het verstrijken van deze termijn geen verzet is aangetekend. In onmiskenbare spoedgevallen verleent het orgaan van de verblijfplaats de verstrekkingen onverwijld en stelt het het bevoegde orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte. Dit verzet onder opgave van redenen behoeft evenwel niet te worden aangetekend wanneer de kosten van de verstrekkingen met een vast bedrag worden vergoed aan het orgaan van de verblijfplaats of wanneer van vergoeding wordt afgezien.
Het Administratief Centrum stelt de lijst op van de in het vorige lid bedoelde verstrekkingen.
Artikel 45. Verstrekkingen in geval van verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat - bewijs van het bevoegde orgaan -
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)i) van het Verdrag, behalve in het geval waarin van de in artikel 44, eerste lid van deze Schikking bedoelde veronderstelling wordt uitgegaan, legt de rijnvarende aan het orgaan van de verblijfplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan afgegeven voordat hij het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop hij woont, verlaat. Indien de belanghebbende dit bewijs niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan daarom.
Artikel 44, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 46. Verstrekkingen in geval van overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat of van het zich met toestemming begeven naar zodanig grondgebied om er een behandeling te ondergaan
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 40, eerste lid, sub b)i) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij het recht op deze verstrekkingen mag behouden. In dit bewijs, dat op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde orgaan voor zijn vertrek wordt afgegeven, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover volgens de wetgeving van de bevoegde staat verstrekkingen mogen worden verleend. Het bewijs kan op verzoek van de belanghebbende na diens vertrek worden afgegeven, wanneer het wegens overmacht niet voordien kon worden opgemaakt.
Artikel 44, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 40, eerste lid, sub c)i) van het Verdrag.
Artikel 47. Andere uitkeringen dan renten in geval van verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
Om krachtens artikel 40, eerste lid, sub a)ii) van het Verdrag in aanmerking te komen voor andere uitkeringen dan renten, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de verblijfplaats en legt, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de verblijfplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid over. Bovendien deelt hij zijn adres in het land waar hij verblijft mede, alsmede de naam en het adres van het bevoegde orgaan.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de verblijfplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, wendt de rijnvarende zich rechtstreeks tot het orgaan van de verblijfplaats binnen de termijn welke is gesteld in de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Dit orgaan laat onmiddellijk de arbeidsongeschiktheid medisch vaststellen en het in het vorige lid bedoelde bewijs uitschrijven.
Het orgaan van de verblijfplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
Zo spoedig mogelijk oefent het orgaan van de verblijfplaats de medische en administratieve controle op de rijnvarende uit en deelt het resultaat daarvan onverwijld mede aan het bevoegde orgaan, dat de bevoegdheid houdt de belanghebbende voor eigen rekening te doen onderzoeken door een arts van eigen keuze. Indien laatstbedoeld orgaan besluit de uitkeringen te weigeren, omdat de rijnvarende de controlevoorschriften niet heeft nageleefd, stelt dit orgaan hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
Onverwijld wordt de rijnvarende van het einde van de arbeidsongeschiktheid in kennis gesteld door het orgaan van de verblijfplaats dat daaromtrent het bevoegde orgaan onmiddellijk inlicht. Wanneer laatstbedoeld orgaan zelf beslist dat de rijnvarende weer arbeidsgeschikt is geworden, stelt het hem in kennis van deze beslissing en zendt het gelijktijdig een afschrift daarvan aan het orgaan van de verblijfplaats.
Indien, in hetzelfde geval, voor het einde van de arbeidsongeschiktheid twee verschillende data zijn vastgesteld onderscheidenlijk door het orgaan van de verblijfplaats en door het bevoegde orgaan, wordt de door het bevoegde orgaan vastgestelde datum aangehouden.
Wanneer de rijnvarende het werk hervat, geeft hij hiervan bericht aan het bevoegde orgaan, indien de door dit orgaan toegepaste wetgeving hierin voorziet.
Het bevoegde orgaan betaalt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen, met name per internationale postwissel, en stelt het orgaan van de verblijfplaats hiervan in kennis. Indien de uitkeringen door het orgaan van de verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, stelt het bevoegde orgaan de rijnvarende van zijn rechten in kennis op de wijze als voorzien in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en geeft gelijktijdig het orgaan aan dat de uitkeringen zal uitbetalen. Tegelijkertijd doet het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats mededeling van het bedrag van de uitkeringen, de data waarop zij moeten worden betaald en de maximumduur waarover zij ingevolge de wetgeving van de bevoegde Staat worden toegekend.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen, voor zover het hun aangaat, na advies van het Administratief Centrum, een andere wijze van toepassing overeenkomen dan die welke is voorzien in de voorgaande leden van dit artikel.
Toepassing van artikel 41 van het Verdrag
Artikel 48. Verstrekkingen in geval van wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 41, eerste lid, sub a) van het Verdrag, legt de rijnvarende aan het orgaan van de woonplaats een bewijs over waarin wordt verklaard dat hij recht op verstrekkingen heeft. Dit bewijs wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, eventueel na kennisneming van door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien de wetgeving van de bevoegde Staat daarin voorziet, legt de rijnvarende bovendien aan het orgaan van de woonplaats een bericht van ontvangst van de aangifte van het arbeidsongeval of de beroepsziekte over. Indien hij deze stukken niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom en verleent hem in afwachting daarvan verstrekkingen van de ziekteverzekering, voor zover hij recht heeft op dergelijke verstrekkingen.
Het in het vorige lid bedoelde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats terzake geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.
Bij iedere aanvraag om verstrekkingen legt de aanvrager de bewijsstukken over welke krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, gewoonlijk voor het verlenen van verstrekkingen vereist worden.
Artikel 44, vijfde en zesde lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
De rijnvarende is verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking of beroepswerkzaamheden of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats. Het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats stellen elkaar in kennis van iedere verandering die het recht op verstrekkingen van de rijnvarende kan wijzigen.
Artikel 49. Andere uitkeringen dan renten in geval van wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
Om in aanmerking te komen voor andere uitkeringen dan renten krachtens artikel 41, eerste lid, sub b) van het Verdrag, wendt de rijnvarende zich binnen drie dagen na het begin van de arbeidsongeschiktheid tot het orgaan van de woonplaats onder overlegging van een kennisgeving van arbeidsonderbreking of, indien de wetgeving die door het bevoegde orgaan of het orgaan van de woonplaats wordt toegepast hierin voorziet, een door de behandelende arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid. Bovendien is hij verplicht alle andere krachtens de wetgeving van de bevoegde Staat vereiste documenten over te leggen, naar gelang van de aard van de aangevraagde uitkeringen.
Wanneer de behandelende artsen van het land van de woonplaats geen bewijzen van arbeidsongeschiktheid afgeven, is artikel 47, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.
Het orgaan van de woonplaats zendt de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde documenten onverwijld door aan het bevoegde orgaan, onder vermelding van de vermoedelijke duur van de arbeidsongeschiktheid.
Artikel 47, vierde tot en met negende lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.
Toepassing van artikel 42 van het Verdrag
Artikel 50. Prestaties aan de werkloos geworden rijnvarende die verblijft of woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
De artikelen 45, 46 en 48 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
De artikelen 47 en 49 van deze Schikking zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van uitkeringen aan de werkloos geworden rijnvarende die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont.
Toepassing van de artikelen 40 tot en met 43 van het Verdrag
Artikel 51. Te vervullen formaliteiten wanneer gebeurtenissen zich voordoen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat
Wanneer het arbeidsongeval of de beroepsziekte zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, moet de desbetreffende aangifte worden gedaan overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde Staat, in voorkomend geval onverminderd alle wettelijke bepalingen welke gelden op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop het ongeval of de ziekte zich heeft voorgedaan en die in een dergelijk geval van toepassing moeten blijven. Deze aangifte wordt aan het bevoegde orgaan gericht en aan het orgaan van de woonplaats wordt eventueel een afschrift gezonden.
Het orgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het arbeidsongeval of de beroepsziekte heeft voorgedaan zendt het bevoegde orgaan de op dit grondgebied opgestelde medische verklaringen in tweevoud toe en verstrekt op verzoek van laatstbedoeld orgaan alle terzake dienende inlichtingen.
De verklaring welke aangeeft dat de getroffene genezen is of dat een blijvende toestand is ingetreden moet eventueel de toestand van de betrokkene nauwkeurig beschrijven en aanwijzingen bevatten omtrent de blijvende gevolgen van het arbeidsongeval of de beroepsziekte. De honoraria hiervoor worden naar gelang van het geval betaald door het orgaan van de woonplaats, dan wel het orgaan van de verblijfplaats, overeenkomstig het door dit orgaan toegepaste tarief en voor rekening van het bevoegde orgaan.
Het bevoegde orgaan stelt naar gelang van het geval het orgaan van de woonplaats, dan wel het orgaan van de verblijfplaats in kennis van de beslissing waarin de datum van genezing of consolidatie wordt vastgesteld, alsook eventueel van de beslissing betreffende de toekenning van een rente.
Artikel 52. Geschillen naar aanleiding van de vraag of het ongeval of de ziekte al dan niet het gevolg is van de uitoefening van een beroep
Wanneer het betrokken orgaan betwist dat in het in artikel 40, eerste lid of artikel 41, eerste lid van het Verdrag bedoelde geval, de wetgeving inzake arbeidsongevallen of beroepsziekten van toepassing is, stelt dit orgaan het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis; de verstrekkingen worden dan als verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd en worden verder uit dien hoofde verleend, voorzover de belanghebbende recht heeft op dergelijke verstrekkingen.
Wanneer naar aanleiding van dit geschil een definitieve beslissing is genomen, stelt het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats dat de verstrekkingen heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis. Indien het geen arbeidsongeval of beroepsziekte betreft, gaat dit orgaan voort met het verlenen van de verstrekkingen van de ziekteverzekering, voorzover de belanghebbende recht heeft op deze verstrekkingen. In het tegenovergestelde geval, indien het wel een arbeidsongeval of beroepsziekte betreft, worden de door de rijnvarende genoten verstrekkingen van de ziekteverzekering beschouwd als verstrekkingen wegens arbeidsongeval of beroepsziekte.
Toepassing van artikel 44 van het Verdrag
Artikel 53. Procedure bij blootstelling aan het risico van een beroepsziekte op het grondgebied van meer dan een Verdragsluitende Partij
In het in artikel 44, eerste lid van het Verdrag bedoelde geval wordt de aangifte van de beroepsziekte gezonden hetzij aan het voor beroepsziekten bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene laatstelijk werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, hetzij aan het orgaan van de woonplaats, dat de aangifte aan eerstbedoeld orgaan doorzendt.
Wanneer het orgaan waarbij de aangifte is ingediend vaststelt dat werkzaamheden waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, het laatst onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij zijn uitgeoefend, zendt het de aangifte en de daarbij gevoegde stukken door aan het overeenkomstige orgaan van deze Partij en licht het hierover tegelijkertijd de belanghebbende in.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)