Verdrag betreffende minimum-normen van sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2007-01-17
State In force
Source BWB
artikelen 86
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 Juni 1952 in haar vijf en dertigste zitting,

Besloten hebbende verschillende voorstellen aan te nemen betreffende minimum-normen van sociale zekerheid, welk onderwerp vervat is in het vijfde punt van de agenda der zitting,

Besloten hebbende, dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal Verdrag,

neemt heden, de 28ste Juni 1952, het volgende Verdrag aan, hetwelk kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende de sociale zekerheid (minimum-normen), 1952”:

DEEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a). „voorgeschreven”: voorgeschreven bij of krachtens de nationale wetgeving;
  • b). „verblijf”: het gewone verblijf op het grondgebied van het Lid; „inwoner”: degene, die gewoonlijk op het grondgebied van het Lid verblijf houdt;
  • c). „echtgenote”: een echtgenote, die ten laste van haar man is;
  • d). „weduwe”: een vrouw, die ten laste van haar echtgenoot was op het tijdstip van diens overlijden;
  • e). „kind”: een kind beneden de leeftijd, waarop de leerplicht een einde neemt, of jonger dan 15 jaar, naargelang zal worden voorgeschreven;
  • f). „wachttijd”: hetzij een tijdvak van premiebetaling, hetzij een tijdvak van arbeid, hetzij een tijdvak van verblijf, hetzij een combinatie van deze tijdvakken, naargelang zal worden voorgeschreven.
2.

Voor de toepassing van de artikelen 10, 34 en 49 wordt onder „verstrekkingen” verstaan hetzij rechtstreeks verleende verstrekkingen, hetzij indirect verleende verstrekkingen, bestaande in een vergoeding van de door de belanghebbende gedragen kosten.

Artikel 2

Ieder Lid, te wiens aanzien dit Verdrag van kracht is, moet:

  • a). toepassen:
  • i). Deel I;
  • ii). ten minste drie der Delen II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX en X, waartoe ten minste moet behoren één van de Delen IV, V, VI, IX en X;
  • iii). de desbetreffende bepalingen van de Delen XI, XII en XIII;
  • iv). Deel XIV;
  • b). in zijn bekrachtigingsoorkonde aangeven ten aanzien van welke der Delen II tot en met X het de verplichtingen, voortspruitende uit het Verdrag, aanvaardt.

Artikel 3

1.

Een Lid, dat op economisch en medisch gebied nog niet voldoende tot ontwikkeling is gekomen, kan, indien de bevoegde autoriteit zulks wenst en zolang deze zulks noodzakelijk acht, door een bij zijn bekrachtigingsoorkonde gevoegde verklaring zich het recht voorbehouden tot toepassing van de tijdelijke afwijkende bepalingen, voorkomende in de volgende artikelen: 9d); 12 (2); 15d); 18 (2); 21c); 27d); 33b); 34 (3); 41d); 48c); 55d) en 61d).

2.

Elk Lid, dat een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, moet in zijn jaarlijks rapport over de toepassing van dit Verdrag, dat het krachtens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie moet uitbrengen, omtrent elk der afwijkende bepalingen, die het toepast, vermelden:

  • a). dat de redenen voor de toepassing nog steeds bestaan; of
  • b). dat het met ingang van een bepaalde datum afstand doet van zijn recht tot toepassing van de betrokken afwijkende bepaling.

Artikel 4

1.

Elk Lid, dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan later aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau kennis geven, dat het de verplichtingen aanvaardt, voortvloeiende uit het Verdrag wat betreft een of meer der Delen II tot en met X, waarvan het in zijn bekrachtigingsoorkonde nog geen opgave heeft gedaan.

2.

De aanvaarding der verplichtingen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt geacht een integrerend deel uit te maken van de bekrachtiging en heeft gelijke kracht te rekenen van de datum der kennisgeving.

Artikel 5

Wanneer op grond van een der Delen II tot en met X, waarop de bekrachtiging van toepassing zal zijn, een Lid gehouden is tot het beschermen van voorgeschreven groepen van personen, welke in totaal ten minste een bepaald percentage uitmaken van de loontrekkenden of van de inwoners, moet dat Lid, alvorens zich te verbinden tot toepassing van dat Deel, zich ervan vergewissen, dat het bedoelde percentage is bereikt.

Artikel 6

Voor de toepassing van de Delen II, III, IV, V, VIII (wat betreft geneeskundige zorg), IX of X van dit Verdrag kan een Lid rekening houden met de bescherming, voortvloeiende uit verzekeringen, welke krachtens de nationale wetgeving niet verplicht zijn voor de betrokken personen, mits deze verzekeringen:

  • a). onder toezicht van de overheid staan of volgens voorgeschreven normen door werkgevers en werknemers in gemeenschappelijk beheer worden uitgevoerd;
  • b). zich uitstrekken tot een aanzienlijk deel der personen, wier inkomsten uit arbeid die van een geschoolde mannelijke arbeider niet te boven gaan;
  • c). tezamen met eventuele andere vormen van bescherming voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.

DEEL II. Geneeskundige zorg

Artikel 7

Elk Lid, te wiens aanzien dit Deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit Deel aan de beschermde personen de voorziening van verstrekkingen waarborgen, wanneer hun toestand geneeskundige zorg van preventieve of curatieve aard vereist.

Artikel 8

Onder de verzekerde gevallen moeten begrepen zijn alle ziektegevallen, ongeacht hun oorzaak, en zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan.

Artikel 9

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende loontrekkenden; of
  • b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke in totaal ten minste 20 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende personen; of
  • c). voorgeschreven groepen van inwoners, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
  • d). wanneer een verklaring is afgelegd op grond van artikel 3, voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden in industriële ondernemingen, waarin ten minste 20 personen werkzaam zijn, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende loontrekkenden.

Artikel 10

1.

De verstrekkingen moeten ten minste omvatten:

  • a). in geval van ziektetoestand:
  • i). de hulp van algemene artsen, met inbegrip van bezoeken aan huis;
  • ii). de hulp van specialisten, verleend in ziekenhuizen aan personen, die al dan niet in een ziekenhuis zijn opgenomen, alsmede de hulp van specialisten, welke buiten een ziekenhuis kan worden verleend;
  • iii). de verstrekking van noodzakelijke geneesmiddelen op voorschrift van een geneeskundige of van een andere daartoe bevoegde persoon;
  • iv). de opneming in een ziekenhuis, wanneer deze noodzakelijk is;
  • b). in geval van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan:
  • i). praenatale zorg, hulp bij de bevalling en postnatale zorg hetzij van een geneeskundige, hetzij van een gediplomeerde vroedvrouw;
  • ii). de opneming in een ziekenhuis, wanneer deze noodzakelijk is.
2.

De gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er toe gehouden worden een bijdrage te leveren in de kosten van de geneeskundige zorg, ontvangen in geval van ziektetoestand; de regelen betreffende deze deelneming in de kosten moeten zodanig worden vastgesteld, dat zij geen te zware last met zich brengen.

3.

De verstrekkingen, verleend overeenkomstig dit artikel, moeten strekken tot instandhouding, herstel of verbetering van de gezondheid van de beschermde persoon, alsmede van diens geschiktheid om te werken en om te voorzien in zijn persoonlijke behoeften.

4.

De Regeringsdepartementen of instellingen, welke de verstrekkingen verlenen, moeten de beschermde personen met alle daartoe geëigende middelen aanmoedigen om gebruik te maken van de algemene gezondheidsdiensten, welke door de overheid of door andere organen, door de overheid erkend, te hunner beschikking zijn gesteld.

Artikel 11

De in artikel 10 vermelde verstrekkingen moeten in een door verzekering gedekt geval ten minste worden gewaarborgd aan de beschermde persoon, die zelf of wiens kostwinner een wachttijd heeft vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruiken te voorkomen.

Artikel 12

1.

De in artikel 10 vermelde verstrekkingen moeten gedurende de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend, met dien verstande, dat in geval van ziektetoestand de duur der verstrekkingen beperkt kan worden tot 26 weken per geval; nochtans mogen de geneeskundige verstrekkingen niet worden beëindigd zolang een ziekengeld wordt betaald, terwijl maatregelen moeten worden getroffen om bovenbedoelde periode te verlengen ten aanzien van in de nationale wetgeving aangegeven ziekten, waarvan wordt erkend dat zij langere zorg vereisen.

2.

Wanneer een verklaring is afgelegd op grond van artikel 3 kan de duur der verstrekkingen worden beperkt tot 13 weken per geval.

DEEL III. Uitkering van ziekengeld

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

DEEL IV. Uitkering bij werkloosheid

Artikel 19

Elk Lid, te wiens aanzien dit Deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit Deel aan de beschermde personen uitkeringen bij werkloosheid waarborgen.

Artikel 20

Het door verzekering gedekte geval moet omvatten het derven van inkomsten uit arbeid - zoals nader geregeld bij de nationale wetgeving - veroorzaakt door de onmogelijkheid voor een beschermd persoon, die in staat is arbeid te verrichten en voor de arbeid beschikbaar is, om passend werk te verkrijgen.

Artikel 21

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • b). alle inwoners, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval grenzen, voorgeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, niet overschrijden; of
  • c). wanneer een verklaring is afgelegd op grond van artikel 3, voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden in industriële ondernemingen, waarin ten minste 20 personen werkzaam zijn.

Artikel 22

1.

Wanneer groepen van loontrekkenden beschermd worden zal de uitkering bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66.

2.

Wanneer alle inwoners, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, beschermd zijn, zal de uitkering bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 67.

Artikel 23

De in artikel 22 vermelde uitkering moet tijdens het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd aan de beschermde personen, die een wachttijd hebben vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruiken te voorkomen.

Artikel 24

1.

De in artikel 22 vermelde uitkering moet gedurende de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend, met dien verstande, dat de uitkeringsduur kan worden beperkt:

  • a). wanneer groepen van loontrekkenden beschermd worden, tot 13 weken in de loop van een periode van 12 maanden;
  • b). wanneer alle inwoners beschermd worden, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, tot 26 weken in de loop van een periode van 12 maanden.
2.

Wanneer krachtens de nationale wetgeving de duur van de uitkering verband houdt hetzij met de duur van de premiebetaling, hetzij met reeds eerder in de loop van een voorgeschreven periode ontvangen uitkeringen, wordt aan de bepalingen van het eerste lid, onder a), geacht te zijn voldaan indien de gemiddelde duur van de uitkering ten minste 13 weken in een periode van 12 maanden bedraagt.

3.

De uitkering behoeft niet te worden verstrekt gedurende een wachttijd, welke kan worden gesteld op de eerste 7 dagen van elk geval van inkomstenderving, met dien verstande, dat dagen van werkloosheid, welke vallen vóór en na een tijdelijke tewerkstelling en welke een bepaalde voorgeschreven duur niet overschrijden, geacht worden deel uit te maken van het zelfde geval van inkomstenderving.

4.

Ten aanzien van seizoenarbeiders kunnen de duur van de uitkering en de wachttijd worden aangepast aan de arbeidsvoorwaarden.

DEEL V. Ouderdomsuitkeringen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

DEEL VI. Verstrekkingen hij arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

DEEL VII. Gezinsbijslagen

Artikel 39

Elk Lid, te wiens aanzien dit Deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit Deel aan de beschermde personen gezinsbijslagen waarborgen.

Artikel 40

Het door verzekering gedekte geval omvat het ten laste hebben van kinderen overeenkomstig hetgeen dienaangaande zal worden voorgeschreven.

Artikel 41

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • a). voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
  • b). voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke in totaal ten minste 20 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
  • c). alle inwoners, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden; of
  • d). wanneer een verklaring is afgelegd op grond van artikel 3, voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden in industriële ondernemingen, waarin ten minste 20 personen werkzaam zijn.

Artikel 42

De verstrekkingen moeten omvatten:

  • a). een periodieke betaling, toegekend aan ieder beschermd persoon, die de voorgeschreven wachttijd heeft vervuld; of
  • b). de verstrekking aan of ten behoeve van de kinderen van voedsel, kleding, huisvesting, vacantie of huishoudelijke hulp; of
  • c). een combinatie van de verstrekkingen, bedoeld onder a) en b).

Artikel 43

De in artikel 42 vermelde verstrekkingen moeten ten minste worden gewaarborgd aan een beschermd persoon, die in de loop van een voorgeschreven periode een wachttijd heeft vervuld, welke kan bestaan hetzij in drie maanden van premiebetaling of van arbeid, hetzij in een verblijf van een jaar, naargelang zal worden voorgeschreven.

Artikel 44

De totale waarde, van de overeenkomstig artikel 42 aan de beschermde personen verleende verstrekkingen moet zodanig zijn, dat zij gelijk is aan:

  • a). hetzij 3 procent van het loon van een volwassen mannelijke ongeschoolde arbeider, vastgesteld overeenkomstig de in artikel 66 neergelegde regelen, vermenigvuldigd met het totale aantal kinderen van alle beschermde personen;
  • b). hetzij 1,5 procent van bovenbedoeld loon, vermenigvuldigd met het totale aantal kinderen van alle inwoners.

Artikel 45

Wanneer de verstrekkingen bestaan in een periodieke betaling moeten zij tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend.

DEEL VIII. Verstrekkingen bij moederschap

Artikel 46

Elk Lid, te wiens aanzien dit Deel van het Verdrag van kracht is, moet overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit Deel aan de beschermde personen verstrekkingen bij moederschap waarborgen.

Artikel 47

Het door verzekering gedekte geval omvat zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan, alsmede daaruit voortvloeiende derving van inkomsten uit arbeid, zoals deze nader is geregeld bij de nationale wetgeving.

Artikel 48

Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:

  • a). alle vrouwen, behorende tot voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke groepen in totaal ten minste 50 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden, en voor wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen, die tot deze zelfde groepen behoren; of
  • b). alle vrouwen, behorende tot voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke groepen in totaal ten minste 20 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners, en voor wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen, die tot deze zelfde groepen behoren; of
  • c). wanneer een verklaring is afgelegd op grond van artikel 3, alle vrouwen, behorende tot voorgeschreven groepen van loontrekkenden in industriële ondernemingen, waarin ten minste 20 personen werkzaam zijn, en voor wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen, die tot deze zelfde groepen behoren.

Artikel 49

1.

Wat betreft zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan moeten de geneeskundige verstrekkingen de in de leden 2 en 3 van dit artikel aangegeven geneeskundige zorg omvatten.

2.

De geneeskundige zorg moet ten minste omvatten:

  • a). praenatale zorg, hulp bij de bevalling en postnatale zorg hetzij van een geneeskundige, hetzij van een gediplomeerde vroedvrouw;
  • b). opneming in een ziekenhuis, wanneer deze noodzakelijk is.
3.

De in het tweede lid van dit artikel bedoelde geneeskundige zorg moet strekken tot instandhouding, herstel of verbetering van de gezondheid van de beschermde vrouw, alsmede van haar geschiktheid om te werken en om te voorzien in haar persoonlijke behoeften.

4.

De regeringsdepartementen of instellingen, welke de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap verlenen, moeten de beschermde vrouwen met alle daartoe geëigende middelen aanmoedigen gebruik te maken van de algemene gezondheidsdiensten, welke door de overheid of door andere door de overheid erkende organen te harer beschikking zijn gesteld.

Artikel 50

De uitkering terzake van het derven van inkomsten uit arbeid als gevolg van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan, zal bestaan in een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66. Het bedrag van de periodieke betaling kan tijdens het door verzekering gedekte geval wijziging ondergaan, mits het gemiddelde bedrag in overeenstemming is met de bovengenoemde bepalingen.

Artikel 51

De in de artikelen 49 en 50 bedoelde verstrekkingen moeten tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval ten minste worden gewaarborgd aan een vrouw, die tot een der verzekerde groepen behoort en die een wachttijd heeft vervuld, welke noodzakelijk kan worden geacht om misbruiken te voorkomen; de in artikel 49 bedoelde verstrekkingen moeten eveneens worden gewaarborgd aan de echtgenoten van tot een der verzekerde groepen behorende mannen, wanneer dezen de voorgeschreven wachttijd hebben vervuld.

Artikel 52

De in de artikelen 49 en 50 bedoelde verstrekkingen moeten worden verleend tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval; nochtans kunnen de periodieke betalingen beperkt worden tot 12 weken, tenzij bij de nationale wetgeving een langere periode van onderbreking van de arbeid is voorgeschreven of toegestaan, in welk geval de betalingen niet tot een periode van kortere duur kunnen worden beperkt.

DEEL IX. Uitkeringen bij invaliditeit

Artikel 53

Vervallen

Artikel 54

Vervallen

Artikel 55

Vervallen

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

DEEL X. Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

DEEL XI. Berekening van periodieke uitkeringen

Artikel 65

1.

Ten aanzien van elke periodieke uitkering, waarop dit artikel van toepassing is, moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens het door verzekering gedekte geval verstrekte kinderbijslag, zodanig zijn, dat het voor de model-gerechtigde, bedoeld in de bij dit Deel gevoegde tabel, ten minste gelijk is aan het in die tabel voor het onderhavige geval aangegeven percentage van het totaal van de vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner en van het bedrag van de kinderbijslag, verstrekt aan een beschermd persoon, die dezelfde gezinslasten heeft als de model-gerechtigde.

2.

De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner moeten overeenkomstig voorgeschreven regelen worden berekend; wanneer de beschermde personen of hun kostwinners zijn ingedeeld in klassen naar hun inkomsten uit arbeid kunnen de vroegere inkomsten worden berekend naar het basisinkomen van de klasse, waartoe de betrokkenen hebben behoord.

3.

Het bedrag van de uitkering of het arbeidsinkomen, dat als basis voor de berekening van de uitkering wordt genomen, kan aan een maximum worden gebonden, mits dit maximum zodanig wordt vastgesteld, dat voldaan wordt aan de bepalingen van het eerste lid van dit artikel wanneer het vroegere arbeidsinkomen van de gerechtigde of van zijn kostwinner minder bedraagt dan of gelijk is aan dat van een geschoolde mannelijke arbeider.

4.

De vroegere inkomsten uit arbeid van de gerechtigde of van zijn kostwinner, het loon van de geschoolde mannelijke arbeider, de uitkering en elke kinderbijslag zullen worden berekend naar dezelfde tijd-basis.

5.

Voor de andere gerechtigden zullen de uitkeringen zodanig worden vastgesteld, dat zij in een redelijke verhouding staan tot die van een model-gerechtigde.

6.

Voor de toepassing van dit artikel zal als geschoolde mannelijke arbeider worden aangemerkt:

  • a). een bankwerker of een draaier in de mechanische industrie, met uitzondering van de vervaardiging van electrische apparaten; of
  • b). een geschoolde arbeider, zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid; of
  • c). een persoon, wiens arbeidsinkomen gelijk is aan of meer bedraagt dan het arbeidsinkomen van 75 procent van alle beschermde personen, waarbij dat arbeidsinkomen wordt bepaald over een tijdvak van een jaar of over een korter tijdvak naargelang zal worden voorgeschreven; of
  • d). een persoon, wiens arbeidsinkomen gelijk is aan 125 procent van het gemiddelde arbeidsinkomen van alle beschermde personen.
7.

De geschoolde arbeider, zoals bedoeld in alinea b) van het vorige lid, zal worden gekozen uit de klasse, die het grootste aantal tegen het door verzekering gedekte geval beschermde mannelijke personen of kostwinners van beschermde personen omvat, in de bedrijfstak, die het grootste aantal van deze beschermde personen of van die kostwinners telt; daarbij moet gebruik worden gemaakt van de internationale industriële standaard-classificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 Augustus 1948 en die als bijlage aan dit Verdrag is toegevoegd, zulks met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin later eventueel worden aangebracht.

8.

Wanneer de uitkeringen van streek tot streek verschillen kan voor elke streek een geschoolde mannelijke arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van de leden 6 en 7 van dit artikel.

9.

Het loon van een geschoolde mannelijke arbeider, met inbegrip van de eventuele duurtetoeslagen, zal worden bepaald naar de grondslag van het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij eventueel bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het achtste lid van dit artikel niet wordt toegepast, zal men het gemiddelde loon als grondslag nemen.

10.

De bedragen van lopende periodieke betalingen terzake van ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten (met uitzondering van die terzake van ongeschiktheid tot werken), invaliditeit of overlijden van de kostwinner, worden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemeen loonpeil, welke het gevolg zijn van aanmerkelijke veranderingen in de kosten van levensonderhoud.

Artikel 66

1.

Ten aanzien van elke periodieke betaling, waarop dit artikel van toepassing is, moet het bedrag van de uitkering, vermeerderd met het bedrag van de tijdens het door verzekering gedekte geval verstrekte kinderbijslag, zodanig zijn, dat het voor de model-gerechtigde, bedoeld in de bij dit Deel gevoegde tabel, ten minste gelijk is aan het in die tabel voor het desbetreffende geval aangegeven percentage van het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, vermeerderd met het bedrag van de kinderbijslag, verleend aan een beschermd persoon, die dezelfde gezinslasten heeft als de model-gerechtigde.

2.

Het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, de uitkeringen en de kinderbijslag worden berekend naar dezelfde basis-tijdvakken.

3.

Voor de andere gerechtigden zullen de uitkeringen zodanig worden vastgesteld, dat zij in een redelijke verhouding staan tot die van de model-gerechtigde.

4.

Voor de toepassing van dit artikel zal als ongeschoolde mannelijke arbeider worden aangemerkt:

  • a). een ongeschoolde arbeider in de mechanische industrie, met uitzondering van de vervaardiging van electrische apparaten; of
  • b). een ongeschoolde arbeider, zoals omschreven in de bepalingen van het volgende lid.
5.

De ongeschoolde arbeider, bedoeld in alinea b) van het vorige lid, zal worden gekozen uit de klasse, die het grootste aantal tegen het door verzekering gedekte geval beschermde mannelijke personen of kostwinners van beschermde personen omvat, in de bedrijfstak, die het grootste aantal van deze beschermde personen of van die kostwinners telt; daarbij moet gebruik worden gemaakt van de internationale industriële standaard-classificatie van alle takken van economische bedrijvigheid, aangenomen door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties in zijn zevende zitting op 27 Augustus 1948 en die als bijlage aan dit Verdrag is toegevoegd, zulks met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin later eventueel worden aangebracht.

6.

Wanneer de uitkeringen van streek tot streek verschillen kan voor elke streek een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider worden gekozen overeenkomstig de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit artikel.

7.

Het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, met inbegrip van de eventuele duurtetoeslagen, zal worden bepaald naar de grondslag van het loon voor een normaal aantal arbeidsuren, vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij eventueel bij of krachtens de nationale wetgeving, hetzij krachtens gewoonte; wanneer de aldus vastgestelde lonen van streek tot streek verschillen en wanneer het zesde lid van dit artikel geen toepassing heeft gevonden, zal men het gemiddelde loon als grondslag nemen.

8.

De bedragen van lopende periodieke betalingen terzake van ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten (met uitzondering van die terzake van ongeschiktheid tot werken), invaliditeit of overlijden van de kostwinner, worden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het algemeen loonpeil, welke het gevolg zijn van aanmerkelijke veranderingen in de kosten van levensonderhoud.

Artikel 67

Ten aanzien van elke periodieke betaling, waarop dit artikel van toepassing is, gelden de volgende regelen:

  • a). het bedrag van de uitkering moet worden vastgesteld naar een voorgeschreven tarief of naar een tarief, vastgesteld door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig voorgeschreven regelen;
  • b). het bedrag van de uitkering kan slechts worden verminderd in de mate waarmede de overige inkomsten van het gezin van de gerechtigde een aanzienlijk voorgeschreven of door het bevoegde overheidsorgaan overeenkomstig voorgeschreven regelen vastgesteld bedrag overtreffen;
  • c). na aftrek van het aanzienlijk bedrag, bedoeld in alinea b), moet het totaal van de uitkering en van de overige inkomsten voldoende zijn om aan het gezin van de gerechtigde gezonde en passende levensvoorwaarden te verzekeren en mag het niet minder bedragen dan het bedrag van de uitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 66;
  • d). aan het bepaalde in alinea c) wordt geacht te zijn voldaan indien het totaal bedrag van de krachtens het desbetreffende Deel betaalde uitkering ten minste 30 procent meer bedraagt dan het totaal bedrag der uitkeringen, dat men zou verkrijgen bij toepassing van de bepalingen van artikel 66 en van de bepalingen van:
  • i). artikel 15, alinea b), wat betreft Deel III;
  • ii). artikel 27, alinea b), wat betreft Deel V;
  • iii). artikel 55, alinea b), wat betreft Deel IX;
  • iv). artikel 61, alinea b), wat betreft Deel X.
Deel (Verzekerd) geval Model-gerechtigde Percentage
III Ziekte . . . . Man met vrouw en twee kinderen . . . . 45
IV Werkloosheid . . . . Man met vrouw en twee kinderen . . . . 45
V Ouderdom . . . . Pensioengerechtigde man met echtgenote . . . . 40
VI Arbeidsongevallen en beroepsziekten:
ongeschiktheid tot werken . . . . Man met vrouw en twee kinderen . . . . 50
invaliditeit . . . . Man met vrouw en twee kinderen . . . . 50
nagelaten betrekkingen . . . . Weduwe met twee kinderen . . . . 40
VIII Moederschap . . . . Vrouw . . . . 45
IX Invaliditeit . . . . Man met vrouw en twee kinderen . . . . 40
X Nagelaten betrekkingen . . . . Weduwe met twee kinderen . . . . 40

DEEL XII. Gelijkheid van behandeling van inwoners, die niet de nationaliteit van het Lid bezitten

Artikel 68

1.

Inwoners, die niet de nationaliteit van het Lid bezitten, moeten dezelfde rechten hebben als inwoners, die deze nationaliteit wel bezitten. Nochtans kunnen ten aanzien van uitkeringen of gedeelten van uitkeringen, welke uitsluitend of in hoofdzaak uit de openbare middelen worden bekostigd, alsmede ten aanzien van overgangsstelsels bijzondere bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot vreemdelingen en tot eigen onderdanen, die buiten het grondgebied van het Lid zijn geboren.

2.

Ten aanzien van stelsels van sociale zekerheid, welke op premiebetaling berusten en welke gelden voor loontrekkenden, moeten beschermde personen, die de nationaliteit bezitten van een Lid, dat de uit het desbetreffende Deel van het Verdrag voortvloeiende verplichtingen heeft aanvaard, ten opzichte van dat Deel dezelfde rechten hebben als de eigen onderdanen van het betrokken Lid. Nochtans kan de toepassing van deze bepaling afhankelijk worden gesteld van het bestaan van een bilaterale of multilaterale wederkerigheidsovereenkomst.

DEEL XIII. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 69

Een uitkering, waarop een beschermd persoon recht zou hebben gehad op grond van een van de Delen II tot en met X van dit Verdrag, kan worden geschorst in een eventueel voor te schrijven mate:

  • a). zolang de belanghebbende zich niet op het grondgebied van het Lid bevindt;
  • b). zolang het onderhoud van de belanghebbende ten laste van de overheid of van een instelling of dienst van sociale zekerheid komt; nochtans moet, wanneer de uitkering de kosten van dat onderhoud te boven gaat, het verschil worden verstrekt aan de personen, die ten laste van de gerechtigde zijn;
  • c). zolang de belanghebbende een andere sociale zekerheidsuitkering in geld ontvangt, met uitzondering van kinderbijslag, en gedurende enige periode, tijdens welke hij voor hetzelfde geval schadeloosstelling ontvangt van derden, met dien verstande, dat het deel van de uitkering, dat wordt geschorst, de andere uitkering of de door derden betaalde schadeloosstelling niet overtreft;
  • d). wanneer de belanghebbende getracht heeft op bedrieglijke wijze een uitkering te verkrijgen;
  • e). wanneer het geval veroorzaakt is door een door de belanghebbende gepleegd misdrijf;
  • f). wanneer het geval veroorzaakt is door opzet van de belanghebbende;
  • g). in daarvoor in aanmerking komende gevallen, wanneer de belanghebbende nalaat gebruik te maken van de geneeskundige of revalidatiediensten, welke te zijner beschikking staan, alsook wanneer hij de regelen niet nakomt, welke zijn voorgeschreven voor het vaststellen van het bestaan van het geval of voor de gedragingen van de gerechtigde;
  • h). voor wat betreft de uitkering bij werkloosheid, wanneer de belanghebbende nalaat gebruik te maken van de diensten voor arbeidsbemiddeling, welke te zijner beschikking staan;
  • i). voor wat de uitkering bij werkloosheid betreft, wanneer de belanghebbende werkloos is geworden als rechtstreeks gevolg van een stilstand in de arbeid tengevolge van een arbeidsconflict, dan wel wanneer hij vrijwillig zonder rechtmatige reden zijn werk heeft neergelegd;
  • j). voor wat betreft de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, zolang de weduwe in concubinaat leeft.

Artikel 70

1.

Een ieder, die aanspraak maakt op een uitkering, moet het recht hebben om beroep in te stellen, wanneer hem een uitkering wordt geweigerd of wanneer hij zich niet kan verenigen met de hoedanigheid of de omvang daarvan.

2.

Wanneer bij de toepassing van dit Verdrag de verstrekking van de geneeskundige zorg is toevertrouwd aan een regeringsdepartement, dat verantwoording schuldig is aan een parlement, kan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht van beroep worden vervangen door het recht om elk bezwaar tegen weigering van geneeskundige zorg of tegen de hoedanigheid der ontvangen geneeskundige zorg te doen onderzoeken door de bevoegde autoriteit.

3.

Wanneer verzoeken om uitkering worden behandeld door rechtscolleges, welke speciaal zijn ingesteld voor de behandeling van zaken aangaande sociale zekerheid en waarin de beschermde personen vertegenwoordigd zijn, behoeft het recht van beroep niet te worden toegekend.

Artikel 71

1.

De kosten van de op grond van dit Verdrag verleende uitkeringen en de aan die uitkeringen verbonden administratiekosten moeten collectief worden gedragen door middel van premiën of belastingen of door een combinatie van beide, op een zodanige wijze, dat personen van geringe draagkracht niet te zwaar belast worden en dat rekening wordt gehouden met de economische toestand van het Lid en van de groepen der beschermde personen.

2.

Het totaal van de verzekeringspremiën ten laste van de beschermde loontrekkenden mag 50 procent van het totaal der inkomsten, nodig voor de bescherming van deze loontrekkenden, hun echtgenoten en kinderen, niet te boven gaan. Teneinde vast te stellen of aan deze voorwaarde is voldaan, mogen alle uitkeringen, welke door het Lid op grond van dit Verdrag worden verleend, in hun geheel in aanmerking worden genomen, met uitzondering van de kinderbijslagen en de uitkeringen terzake van arbeidsongevallen en beroepsziekten, indien deze laatste het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke tak der verzekering.

3.

Het Lid moet een algemene aansprakelijkheid op zich nemen voor de verstrekking van de uitkeringen, verleend op grond van dit Verdrag, en alle nodige maatregelen treffen om dit doel te bereiken; indien daartoe aanleiding bestaat moet het zich ervan vergewissen, dat de noodzakelijke actuariële studies en berekeningen betreffende het financiële evenwicht periodiek worden gemaakt, doch in elk geval vóór elke wijziging van de uitkeringen, van het tarief der verzekeringspremiën of der belastingen, bestemd voor de dekking van de desbetreffende gevallen.

Artikel 72

1.

Wanneer de administratie niet wordt gevoerd door een op overheidsvoorschriften berustende instelling of door een regeringsdepartement, dat verantwoording schuldig is aan een parlement, moeten vertegenwoordigers van de beschermde personen deel nemen aan de administratie of met raadgevende stem daarbij betrokken worden onder daartoe gestelde voorwaarden; de nationale wetgeving kan eveneens bepalingen bevatten inzake de deelneming van vertegenwoordigers van de werkgevers en van de overheid.

2.

Het Lid moet een algemene verantwoordelijkheid aanvaarden voor een goede administratie van de instellingen en diensten, die betrokken zijn bij de toepassing van dit Verdrag.

DEEL XIV. Verscheidene bepalingen

Artikel 73

Dit Verdrag zal niet van toepassing zijn:

  • a). op gevallen, die zich hebben voorgedaan voordat het desbetreffende Deel van het Verdrag in werking is getreden voor het betrokken Lid;
  • b). op uitkeringen, toegekend voor gevallen, welke zich hebben voorgedaan nadat het desbetreffende Deel van het Verdrag in werking is getreden voor het betrokken Lid, voorzover het recht op deze uitkeringen voortvloeit uit tijdvakken, voorafgaande aan de inwerkingtreding.

Artikel 74

Dit Verdrag wordt geacht geen wijziging te brengen in enig bestaand Verdrag.

Artikel 75

Wanneer zulks zal worden bepaald in een later door de Conferentie aangenomen Verdrag, hetwelk betrekking heeft op een of meer der in dit Verdrag behandelde onderwerpen, zullen de bepalingen van dit Verdrag, welke in het nieuwe Verdrag zullen worden genoemd, ophouden van toepassing te zijn voor elk Lid, dat dit laatste Verdrag heeft bekrachtigd, zulks te rekenen van de datum waarop dit Verdrag ten opzichte van het betrokken Lid in werking is getreden.

  • a). volledige inlichtingen te verstrekken omtrent de wetgeving ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag;
  • b). de bewijsstukken te verschaffen, waaruit blijkt, dat het heeft voldaan aan de statistische vereisten, omschreven in: deze bewijsstukken moeten op zodanige wijze worden verstrekt, dat zij, voor wat betreft hun opstelling, zoveel mogelijk overeenkomen met de aanwijzingen, welke de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau heeft gegeven met het oog op een zo groot mogelijke eenvormigheid op dit punt.
  • i). de artikelen 9a), b), c) of d); 15a), b) of d); 21a) of c); 27a), b) of d); 33a) of b); 41a), b) of d); 48a), b) of c); 55a), b) of d); 61a), b) of d), wat betreft het aantal beschermde personen;
  • ii). de artikelen 44, 65, 66 of 67, wat betreft de bedragen der uitkeringen;
  • iii). alinea a) van lid 2 van artikel 18, wat betreft de duur van de uitkering bij ziekte;
  • iv). lid 2 van artikel 24, wat betreft de duur van de uitkering bij werkloosheid;
  • v). lid 2 van artikel 71, wat betreft het aandeel in de inkomsten, voortkomend uit de verzekeringspremiën van de beschermde loontrekkenden;
    1. Elk lid, dat dit Verdrag bekrachtigt, moet op zodanige tijdstippen, als de Raad van Beheer zal bepalen, aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verslag uitbrengen omtrent de stand van zijn wetgeving en de toepassing ervan met betrekking tot de bepalingen van elk der Delen II tot en met X van het Verdrag, welke dat lid niet reeds heeft vermeld in zijn bekrachtigingsoorkonde, noch in een latere kennisgeving, gedaan op grond van artikel 4.

Artikel 77

1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op zeelieden, noch op zeevissers; bepalingen ter bescherming van zeelieden en zeevissers zijn aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van zeelieden, 1946, en in het Verdrag betreffende de pensioenen van zeelieden, 1946.

2.

Een lid kan de zeelieden en de zeevissers buiten beschouwing laten bij de berekening van het aantal hetzij der loontrekkenden, hetzij der personen, behorende tot de werkende bevolking, hetzij der inwoners, dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het percentage der loontrekkenden of der inwoners, die beschermd zijn op grond van een der Delen II tot en met X, voor zover die onder de bekrachtiging vallen.

DEEL XV. Slotbepalingen

Artikel 78

De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag zullen ter kennis van de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden gebracht en door hem worden ingeschreven.

Artikel 79

1.

Dit Verdrag zal slechts verbindend zijn voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie, wier bekrachtiging door de Directeur-Generaal is ingeschreven.

2.

Het zal van kracht worden twaalf maanden, nadat de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn ingeschreven.

3.

Vervolgens zal dit Verdrag voor ieder der Leden van kracht worden twaalf maanden na de datum, waarop zijn bekrachtiging is ingeschreven.

Artikel 80

1.

Verklaringen, gezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau overeenkomstig artikel 35, tweede lid, van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie, moeten aangeven:

  • a). de gebieden, ten aanzien waarvan het betrokken Lid zich verbindt de bepalingen van het Verdrag of van bepaalde Delen daarvan ongewijzigd toe te passen;
  • b). de gebieden, ten aanzien waarvan het zich verbindt de bepalingen van het Verdrag of van bepaalde Delen daarvan met wijzigingen toe te passen, en waarin die wijzigingen bestaan;
  • c). de gebieden, waarin het Verdrag niet kan worden toegepast, en in die gevallen de redenen waarom;
  • d). de gebieden, waarvoor het zich zijn beslissing voorbehoudt, hangende nader onderzoek van de omstandigheden.
2.

De verplichtingen, bedoeld onder a) en b) van het eerste lid van dit artikel, zullen worden geacht een integrerend deel van de bekrachtiging uit te maken en zullen dezelfde rechtskracht hebben.

3.

Elk Lid kan te allen tijde bij een nadere verklaring geheel of gedeeltelijk afstand doen van enig voorbehoud, krachtens het bepaalde onder b), c) of d) van het eerste lid van dit artikel vervat in zijn oorspronkelijke verklaring.

4.

Elk Lid kan op elk tijdstip, waarop dit Verdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 kan worden opgezegd, aan de Directeur-Generaal een verklaring doen toekomen, waarbij in enig ander opzicht de inhoud van een vorige verklaring gewijzigd wordt en de toestand ten aanzien van bepaalde aangegeven gebieden medegedeeld wordt.

Artikel 81

1.

Verklaringen, gezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau overeenkomstig artikel 35, vierde en vijfde lid, van het Statuut der Internationale Arbeidsorganisatie, moeten aangeven of de bepalingen van het Verdrag of van de Delen, waarop die verklaringen betrekking hebben, al of niet gewijzigd zullen worden toegepast in het betrokken gebied; indien de verklaring aangeeft, dat de bepalingen van het Verdrag of van bepaalde Delen daarvan met wijzigingen zullen worden toegepast, moet zij bijzonderheden van de genoemde wijzigingen geven.

2.

Het betrokken Lid, dan wel de betrokken Leden of internationale autoriteit kunnen te allen tijde bij een latere verklaring geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht zich te beroepen op een wijziging, in een vorige verklaring aangegeven.

3.

Het betrokken Lid, dan wel de betrokken Leden of internationale autoriteit kunnen op elk tijdstip, waarop dit Verdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 kan worden opgezegd, aan de Directeur-Generaal een verklaring doen toekomen, waarbij in enig ander opzicht de inhoud van een vorige verklaring wordt gewijzigd en de toestand ten aanzien van de toepassing van het Verdrag wordt medegedeeld.

Artikel 82

1.

Een Lid, dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan na verloop van een termijn van tien jaren na de datum, waarop dit Verdrag van kracht is geworden, dit Verdrag of een of meer der Delen II tot en met X opzeggen middels een verklaring, toegezonden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door deze ingeschreven. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar nadat zij is ingeschreven.

2.

Ieder Lid, dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en niet binnen een jaar na het verloop van de termijn van tien jaren, bedoeld in het vorige lid, gebruik maakt van het recht tot opzegging, voorzien in dit artikel, zal voor een nieuwe termijn van tien jaren gebonden zijn en zal daarna dit Verdrag of een of meer der Delen II tot en met X kunnen opzeggen na verloop van elke termijn van tien jaren onder de voorwaarden bedoeld in dit artikel.

Artikel 83

1.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau dient aan alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie kennis te geven van de inschrijving van alle bekrachtigingen, verklaringen en opzeggingen, welke hem door de Leden der Organisatie zijn medegedeeld.

2.

Bij de kennisgeving van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging aan de Leden der Organisatie dient de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden te vestigen op de datum, waarop het Verdrag van kracht zal worden.

Artikel 84

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen, verklaringen en opzeggingen, welke hij heeft ingeschreven overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen, doen toekomen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter inschrijving overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 85

De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau dient, wanneer hij zulks nodig moge oordelen, verslag uit te brengen aan de Algemene Conferentie over de toepassing van dit Verslag en te onderzoeken, of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda der Conferentie te plaatsen.

Artikel 86

1.

Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van het onderhavige Verdrag, zal, tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:

  • a). de bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van het onderhavige Verdrag ten gevolge hebben, niettegenstaande het bepaalde in artikel 82, indien en zodra het nieuwe Verdrag, houdende herziening, van kracht geworden zal zijn;
  • b). met ingang van de datum, waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, van kracht wordt, het onderhavige Verdrag niet langer door de Leden bekrachtigd kunnen worden.
2.

Het onderhavige Verdrag zal echter in elk geval naar huidige vorm en inhoud van kracht blijven voor die Leden, die het bekrachtigd hebben en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.

Artikel 87

De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)