Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen
(zoals gewijzigd bij Bijlage 11 bij het Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954)
De Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland komen het volgende overeen:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL EEN. – ALGEMEEN
Artikel 1. Definities
In dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen worden aan de volgende uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht:
-
- Het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland: het gebied waarover de Bondsrepubliek rechtsmacht uitoefent, met inbegrip van zijn wateren en het luchtruim boven dat gebied en die wateren.
-
- De Drie Mogendheden: de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek.
-
- Andere staat van herkomst: iedere Mogendheid, met uitzondering van de Drie Mogendheden, welke krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden of een van haar, op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag krijgsmachten gestationeerd heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; en iedere andere Mogendheid welke in de toekomst eventueel krijgsmachten gestationeerd zal hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland,
- (a). vóór het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden, of een van hen, voor zover die andere Mogendheid niet, met toestemming van de Drie Mogendheden, een afzonderlijke overeenkomst met de Bondsrepubliek Duitsland sluit inzake de rechtspositie van haar krijgsmachten, en
- (b). na het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Bondsrepubliek.
-
- De betrokken Mogendheid: die Mogendheid, welker rechten en verplichtingen bij een bepaald geval zijn betrokken, namelijk:
- (a). in het geval van een van de Drie Mogendheden: die Mogendheid;
- (b). in het geval van een andere staat van herkomst:
- (i). diegene van de Drie Mogendheden, welke genoemd is als de betrokken Mogendheid op basis van een overeenkomst, waarvan mededeling moet worden gedaan aan de Bondsregering, tussen de staat van herkomst en de Drie Mogendheden of een van hen; of
- (ii). de staat van herkomst zelf, voor zover deze, na zich vergewist te hebben van de inzichten van de Bondsregering, bij een met de Drie Mogendheden of een van hen gesloten overeenkomst tegenover de Bondsrepubliek alle of bepaalde rechten en verplichtingen, welke uit dit Verdrag voortvloeien, op zich neemt en de Bondsregering daarvan officieel mededeling doet; ten aanzien van de overige rechten en verplichtingen, een van de Drie Mogendheden, welke ingevolge punt (i) van (b) van dit lid aan de Bondsrepubliek moet worden genoemd.
-
- De krijgsmachten: de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere staten van herkomst, welke zijn gelegerd op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
-
- De autoriteiten van de krijgsmachten: de autoriteiten van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid.
-
- Leden van de krijgsmachten: De volgende personen worden beschouwd als „leden van de krijgsmachten”: gezinsleden die gehuwd zijn met of kinderen zijn van de onder (a) en (b) van dit lid omschreven personen, of naaste bloedverwanten die door zodanige personen worden ondersteund en voor wie deze personen recht hebben op materiële hulp van de krijgsmachten. De definitie „leden van de krijgsmachten” omvat slechts die Duitsers, die dienst hebben genomen bij, of zijn aangeworven door, of in dienstbetrekking stonden tot de gewapende krijgsmachten van de betrokken Mogendheid op het grondgebied van die Mogendheid en die op dat ogenblik òf aldaar hun vaste verblijfplaats hadden òf aldaar ten minste een jaar hadden gewoond.
- (a). personen die, uit hoofde van hun militair verband, dienen bij de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden of van een andere staat van herkomst, en zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden (militair personeel);
- (b). andere personen die in dienst van zodanige gewapende krijgsmachten zijn of daaraan zijn toegevoegd, met uitzondering van personen die noch onderdanen zijn van een van de Drie Mogendheden noch van een andere staat van herkomst en werkzaam zijn op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; met dien verstande dat zodanige andere personen die buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek of Berlijn zijn gevestigd, slechts dan als leden van de krijgsmachten worden beschouwd wanneer zij zich uit hoofde van hun functie op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland bevinden („Gefolge”).
-
- Duitsers: Duitsers in de zin van de Duitse wet.
-
- Onroerende goederen: gronden, met inbegrip van alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, en alle gebruiksrechten met betrekking tot gronden, met inbegrip van die eigendommen welke gebruikt worden of zullen worden door de krijgsmachten binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
-
- Installaties: gronden, gebouwen, of delen daarvan en alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, welke ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden bestemd voor het uitsluitende gebruik of bezit („im ausschliesslichen Besitz”) van de krijgsmachten. Deze definitie geldt niet voor artikel 20 van dit Verdrag.
Artikel 2. Naleving van de Duitse wetten - Politieke activiteit
De leden van de krijgsmachten nemen de Duitse wetten in acht, en de autoriteiten van de krijgsmachten verplichten zich tot, en nemen de verantwoordelijkheid op zich voor de toepassing van de Duitse wetten op die leden, tenzij in dit opzicht anders wordt bepaald in dit Verdrag of in andere toepasselijke verdragen of overeenkomsten.
De leden van de krijgsmachten onthouden zich van alle activiteiten welke onverenigbaar zijn met de geest van dit Verdrag, en in het bijzonder van alle politieke activiteit.
Artikel 3. Algemene verplichtingen
Bij het gebruik maken van de hun krachtens de bepalingen van dit Verdrag toegekende rechten en immuniteiten, nemen de krijgsmachten de Duitse belangen, openbare zowel als particuliere, naar behoren in acht, in het bijzonder door rekening te houden met het vermogen van de Duitse economie en de noodzakelijke binnenlandse en export-behoeften van de Bondsrepubliek en West-Berlijn.
De Duitse autoriteiten oefenen de bevoegdheden welke zij op het gebied van de wetgeving, het bestuur en de rechtspraak krachtens de “Basic Law” bezitten, op zodanige wijze uit, dat de bescherming en de veiligheid van de krijgsmachten en hun leden en van de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden, alsmede de bevrediging van de behoeften van de krijgsmachten en de nakoming van de verplichtingen van de Bondsrepubliek als bepaald in dit Verdrag worden verzekerd.
De bepalingen van Bijlage A bij dit Verdrag treden tezelfder tijd als dit Verdrag in werking. Zij zijn eveneens van toepassing op overtredingen, op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland begaan tegen de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden, welke zijn gelegerd in Berlijn. De Bondsrepubliek zal de wettelijke bescherming welke krachtens de bepalingen van deze Bijlage wordt toegekend niet verminderen.
De Duitse autoriteiten onderwerpen de krijgsmachten en hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden niet aan een nadelige of minder gunstige behandeling dan die welke, in overeenstemming met het internationaal recht en de internationale practijk, met betrekking tot vreemdelingen die hun gebruikelijke verblijfplaats op het grondgebied van de Bondsrepubliek hebben, bij de wet is vastgesteld, noch zullen zij binnen het kader van hun bevoegdheden toestaan, dat de krijgsmachten en hun leden aan een dergelijke behandeling worden onderworpen.
Artikel 4. Wederzijdse bijstand en veiligheid
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten werken volledig samen en verlenen elkaar volledige bijstand om de veiligheid van iedere betrokken Mogendheid en van de Bondsrepubliek alsook van de op het grondgebied van de Bondsrepubliek gelegerde krijgsmachten en hun leden, en van de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden te bevorderen en te waarborgen.
Deze samenwerking en bijstand zal zich uitstrekken tot het verzamelen, uitwisselen en beveiligen van alle ter zake dienende gegevens, op een wijze welke zal worden geregeld tussen de bevoegde autoriteiten.
Artikel 5. Liaison
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten nemen maatregelen welke er toe strekken een nauwe en wederzijdse liaison te verzekeren.
DEEL TWEE. — RECHTSPRAAK
AFDELING I. — Strafrechtelijke procedures
Artikel 6. Strafbare feiten: rechtspraak en toepasselijke wet
Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, oefenen de autoriteiten van de krijgsmachten bij uitsluiting rechtsmacht op strafrechtelijk gebied uit over de leden van de krijgsmachten. Op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland wordt geen doodvonnis ten uitvoer gelegd, zolang de Duitse wet een dergelijke straf niet kent.
Indien, volgens de wet van de betrokken Mogendheid, de militaire rechtbanken niet bevoegd zijn tot het uitoefenen van rechtsmacht op strafrechtelijk gebied over een lid van de krijgsmachten, kunnen de Duitse rechtbanken en autoriteiten rechtsmacht over hem uitoefenen met betrekking tot een feit dat strafbaar is volgens de Duitse wet en gepleegd is tegen Duitse belangen in overeenstemming met de hiernavolgende bepalingen:
- (a). Geen strafprocedure, met uitzondering van die bedoeld in artikel 7 van dit Verdrag of van een dringend, zo mogelijk na overleg met de autoriteiten van de krijgsmachten uit te voeren vooronderzoek, wordt door de Duitse rechtbanken of autoriteiten ingesteld dan nadat de bevoegde Duitse autoriteiten overleg hebben gepleegd met de autoriteiten van de krijgsmachten en laatstgenoemden in de gelegenheid zijn gesteld binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling inzake de betreffende feiten, protest aan te tekenen of aanbevelingen te doen ten aanzien van de invloed van een dergelijke strafprocedure op de veiligheid van de krijgsmachten; de Duitse rechtbanken of autoriteiten zullen deze protesten en aanbevelingen naar behoren in aanmerking nemen. Een dergelijk overleg is echter niet vereist indien volgens de Duitse wet de straf voor het ten laste gelegde strafbare feit slechts hechtenis van ten hoogste zes weken of een boete van ten hoogste DM 150 bedraagt („Übertretung”), tenzij de Duitse autoriteiten van mening zijn dat in het betreffende geval de veiligheid van de krijgsmachten in het geding komt of zou kunnen komen.
- (b). de Duitse rechtbanken en autoriteiten zullen binnen de hun door de Duitse wet toegekende vrijheid van handelen afzien van een vervolging in ieder geval waarin
- (i). dit volgens de Duitse wet geoorloofd is; of
- (ii). de dader voldoende is gestraft door middel van disciplinaire maatregelen vanwege de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (c). de Duitse rechtbanken en autoriteiten nemen beslissingen ten aanzien van kwesties betreffende arrestatie, hechtenis en uitvoering van straffen overeenkomstig de bepalingen van de Duitse wet. De autoriteiten van de krijgsmachten zullen alle bevelen tot arrestatie en inhechtenisneming uitvoeren. Een beschuldigde die op deze wijze in hechtenis is genomen door de autoriteiten van de krijgsmachten, blijft onder hun bewaking tot hij op grond van een rechterlijke eindbeslissing („rechtskraftige richterliche Entscheidung”) wordt vrijgelaten of veroordeeld. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen maatregelen welke er toe strekken om te voorkomen, dat het rechtsverloop op enigerlei wijze nadelig wordt beïnvloed („Verdunkelungsgefahr”). Zij houden een op deze wijze in hechtenis genomen beschuldigde ter beschikking van de Duitse rechtbanken en autoriteiten, verlenen de Duitse rechtbanken en autoriteiten te allen tijde toegang tot hem en geleiden hem op verzoek voor de Duitse rechter en autoriteiten in verband met het onderzoek, het proces en het ondergaan van het vonnis dat hem eventueel wordt opgelegd. Indien een beschuldigde niet in hechtenis wordt genomen, nemen de autoriteiten van de krijgsmachten maatregelen om te verzekeren, dat hij voor de bovengenoemde doeleinden ter beschikking staat van de Duitse rechtbanken of autoriteiten.
- (d). iedere opgelegde vrijheidsstraf wordt in een Duitse strafinrichting ondergaan.
In dit lid wordt onder de uitdrukking „een feit, strafbaar volgens de Duitse wet en gepleegd tegen Duitse belangen” verstaan ieder volgens de Duitse wet strafbaar feit dat niet is een strafbaar feit gericht tegen de krijgsmachten, hun leden of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden.
De bevoegdheid van de Duitse autoriteiten om bij uitsluiting rechtsmacht uit te oefenen over personen die onderworpen zijn aan de Duitse strafrechtspraak, omvat mede die gevallen waarin het strafbare feit is gericht tegen de krijgsmachten, hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden.
Met toestemming van de Duitse autoriteiten kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten bepaalde groepen van gevallen, of speciale gevallen, ten aanzien waarvan zij krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel bij uitsluiting bevoegd zijn aan de Duitse rechtbanken of autoriteiten voor onderzoek, behandeling en beslissing overdragen.
Met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten kunnen de Duitse autoriteiten aan de autoriteiten van de krijgsmachten voor onderzoek, behandeling en beslissing bepaalde gevallen overdragen van de in lid 3 van dit artikel omschreven aard, waarin de verdachte geen Duitser is.
In de gevallen, bedoeld in de leden 1 en 5 van dit artikel, passen de autoriteiten van de krijgsmachten hun eigen wet toe. Indien het bij dergelijke gevallen gaat om daden welke strafbaar zijn volgens de Duitse wet doch niet volgens de wet van de betrokken Mogendheid, is de Duitse wet van toepassing.
In de gevallen, bedoeld in de leden 3 en 4 van dit artikel, is de Duitse wet van toepassing.
Artikel 7. Arrestatie, fouillering, huiszoeking en inbeslagneming
Leden van de krijgsmachten, die zich behoorlijk legitimeren door middel van een hun krachtens artikel 24 van dit Verdrag uitgereikt identiteitspapier, kunnen niet door de Duitse autoriteiten in arrest worden gesteld.
De Duitse autoriteiten kunnen echter een lid van de krijgsmachten in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen onmiddellijk aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten over te geven
- (a). indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (b). in de volgende gevallen, waarin de autoriteiten van de krijgsmachten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
- (i). bij betrapping op heterdaad
- (1). bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat ernstige schade voor personen of eigendommen, of een ernstige inbreuk op andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) tot gevolg heeft of zou kunnen hebben; of
- (2). voor zover dit noodzakelijk blijkt om een einde te maken aan een reeds bestaande ernstige verstoring van de openbare orde;
- (ii). indien er gevaar van ontvluchting bestaat, bij het plegen of bij poging tot het plegen van spionage ten nadele van de Bondsrepubliek.
- (a). De Duitse autoriteiten kunnen een lid van de krijgsmachten fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
- (i). indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (ii). indien hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring is gesteld, in beslag te nemen.
- (b). De bepalingen van de vierde zin van lid 5 van artikel 35 van dit Verdrag worden niet aangetast.
- (c). Het kwartier van een lid van de krijgsmachten of, bij gebreke daarvan, de woonruimte welke hij met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten in gebruik heeft, mogen niet door de Duitse autoriteiten worden doorzocht, behalve op verzoek van de autoriteiten van de krijgsmachten. Indien een dergelijke woonruimte van het lid van de krijgsmachten geen installatie is, is ofwel zijn toestemming, ofwel die van de autoriteiten van de krijgsmachten tot het doorzoeken voldoende.
De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten op de hoogte van de arrestatie van iedere persoon, die in dienst is bij de krijgsmachten.
De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen
- (a). leden van de krijgsmachten in arrest stellen;
- (b). een persoon die onderworpen is aan de Duitse strafrechtspraak in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen aan de dichtstbijzijnde bevoegde Duitse autoriteiten over te geven:
- (i). indien zulks wordt verzocht door de Duitse autoriteiten;
- (ii). in de volgende gevallen, waarin de Duitse autoriteiten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
- (1). bij betrapping op heterdaad bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat gericht is tegen de krijgsmachten, hun leden, of de veiligheid, eigendommen of andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) van de krijgsmachten of van hun leden; of
- (2). indien er gevaar bestaat voor ontvluchting bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van de Afdelingen 1 tot en met 9 van Bijlage A bij dit Verdrag;
- (iii). binnen een installatie, wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen („dringender Verdacht”) dat hij zich daar onbevoegd ophoudt of dat hij binnen die installatie een strafbaar feit heeft gepleegd.
Wanneer de autoriteiten van de krijgsmachten van mening zijn, dat een aan de Duitse rechtspraak onderworpen persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit in de zin van de Afdelingen 1 tot en met 11 van Bijlage A van dit Verdrag, zijn de volgende speciale bepalingen van toepassing:
- (a). indien de verdachte door de Duitse autoriteiten moet worden gearresteerd, zal daarvan, indien zulks uitvoerbaar is, tijdig mededeling worden gedaan aan de autoriteiten van de krijgsmachten, en dezen mogen met het onderzoek personen belasten om bij de arrestatie aanwezig te zijn. Deze personen mogen ook aanwezig zijn bij fouilleringen, huiszoekingen of inbeslagnemingen welke in verband met het onderzoek plaats vinden. De autoriteiten van de krijgsmachten hebben bij uitsluiting gedurende een periode van ten hoogste een en twintig dagen, volgend op de arrestatie, het recht de verdachte te ondervragen over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht en daarmee in verband staande aangelegenheden. Te dien einde hebben de door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen te allen tijde toegang tot de verdachte. Een door de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit aangewezen ambtenaar mag bij die ondervraging aanwezig zijn en aan bedoelde Duitse autoriteit zal tijdig mededeling worden gedaan van de voorgenomen ondervraging. De met het onderzoek belaste Duitse autoriteit neemt passende maatregelen om te voorkomen, dat het rechtsverloop op enigerlei wijze nadelig wordt beïnvloed („Verdunkelungsgefahr”) en onthoudt zich van ieder eigen onderzoek, tenzij de door de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen om een dergelijk onderzoek verzoeken. Tijdens de ondervraging vanwege de door de autoriteiten van de krijgsmachten voor het onderzoek aangewezen personen zal de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit op hun verzoek de in het Duitse Wetboek van Strafvordering bedoelde formaliteiten vervullen, maatregelen nemen en er op toezien, dat gerechtelijke beslissingen, welke er toe kunnen bijdragen het onderzoek te vergemakkelijken, worden uitgevaardigd en dat de bij die beslissingen genomen maatregelen ten uitvoer worden gelegd. Na de beëindiging van het onderzoek der door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen, in ieder geval niet later dan een en twintig dagen na de arrestatie, worden de ondervragingen en het overige onderzoek voortgezet door de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit. De door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen geven aan de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit al het in de loop van het onderzoek verzamelde bewijsmateriaal over, tenzij veiligheidsoverwegingen zich daartegen verzetten.
- (b). indien de verdachte geen Duitser is, gelden de bepalingen van lid 6 (a) van dit artikel met inachtneming van het volgende voorbehoud: De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen de verdachte zelf in verzekerde bewaring stellen en houden gedurende een periode van ten hoogste een en twintig dagen en kunnen zelf alle ondervragingen en andere onderzoekingen verrichten. Voor de gerechtelijke maatregelen welke gedurende deze periode noodzakelijk zijn, wordt een lid van de krijgsmachten, bevoegd tot het uitoefenen van gerechtelijke functies toegevoegd aan de bevoegde Duitse rechtbank als assessor die geen stemrecht heeft.
De autoriteiten van de krijgsmachten kunnen een aan de Duitse rechtspraak onderworpen persoon fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
- (a). indien zulks wordt verzocht door de Duitse autoriteiten;
- (b). indien hij overeenkomstig lid 5 (b) van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring wordt gesteld, in beslag te nemen.
De grondwettelijke immuniteiten van de Bondspresident en van de leden der wetgevende lichamen van de Duitse Bond en van de „Länder” worden door de bepalingen van dit artikel niet aangetast.
Artikel 8. Werkwijze en samenwerking in strafprocedures
De autoriteiten van de krijgsmachten nemen tegen leden van de krijgsmachten, die strafbare feiten hebben gepleegd tegen Duitse belangen die maatregelen, welke zij zouden hebben genomen indien zodanige feiten waren gepleegd tegen de betrokken Mogendheid, de krijgsmachten of hun leden, of hun eigendommen.
De Duitse autoriteiten nemen tegen aan hun rechtsmacht onderworpen personen wegens strafbare feiten welke zijn begaan ten aanzien van de krijgsmachten, hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden die maatregelen welke zij zouden hebben genomen indien zodanige feiten waren gepleegd tegen de Bondsrepubliek, haar „Länder” of haar onderdanen, of hun eigendommen.
- (a). De autoriteiten van de krijgsmachten doen op verzoek aan de Duitse autoriteiten mededeling van de arrestatie van ieder persoon wegens een strafbaar feit in de zin van lid 1 van dit artikel.
- (b). De Duitse autoriteiten doen op verzoek aan de autoriteiten van de krijgsmachten mededeling van de arrestatie van ieder persoon wegens een strafbaar feit in de zin van lid 2 van dit artikel.
De berechting van een lid van de krijgsmachten wegens een strafbaar feit in de zin van lid 1 van dit artikel, begaan op het grondgebied van de Bondsrepubliek, vindt plaats op dat grondgebied, behalve wanneer de militaire noodzaak zich daartegen verzet. Indien militaire noodzaak gebiedt dat de berechting van zodanig strafbaar feit zal plaats vinden buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek, doen de autoriteiten van de krijgsmachten daarvan mededeling aan de Duitse autoriteiten onder opgave van bijzonderheden ten aanzien van tijd en plaats van de terechtzitting. De Duitse autoriteiten hebben het recht, zich door waarnemers te doen vertegenwoordigen tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten, en zij worden van het resultaat van de berechting op de hoogte gesteld.
De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten werken wederzijds samen bij de vervolging van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten. Tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten, staan zij vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten toe, bij de terechtzitting aanwezig te zijn en stellen hen, binnen het kader van de toepasselijke voorschriften, in de gelegenheid hun zienswijze ten aanzien van kwesties van feitelijke en juridische aard kenbaar te maken. Behalve de gevallen waarin daarin wordt voorzien door het Duitse strafprocesrecht, hebben de krijgsmachten of hun leden eveneens het recht als mede-aanklagers („Nebenkläger”) op te treden voor Duitse gerechten voor zover het strafbare feit gericht is tegen de veiligheid of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden of voorkomt in de opsomming van strafbare feiten in Bijlage A bij dit Verdrag. De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten doen elkaar op verzoek mededeling van hun voornemen een straf- of tuchtrechtelijke vervolging in te stellen, daarvan af te zien dan wel deze te onderbreken, alsmede van de beslissing.
AFDELING II. — Niet-strafrechtelijke procedures
Artikel 9. Rechtsmacht en rechtspleging in niet-strafrechtelijke procedures
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van iedere andere toepasselijke overeenkomst, oefenen de Duitse rechter en autoriteiten rechtsmacht uit over de leden van de krijgsmachten in niet-strafrechtelijke procedures.
Tenzij een niet-strafrechtelijke procedure is ingesteld op verzoek van een lid van de krijgsmachten, betekenen de Duitse rechter en autoriteiten aan het betrokken lid de schriftelijke stukken of de gerechtelijke beschikking waarbij de procedure aanhangig wordt gemaakt, ook indien een dergelijke betekening niet vereist is krachtens de Duitse wet en voorschriften.
De Duitse rechter en autoriteiten geven de leden van de krijgsmachten voldoende gelegenheid hun rechten te waarborgen. Indien een lid van de krijgsmachten ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst of geoorloofde afwezigheid, niet in staat is zijn belangen te behartigen in een niet-strafrechtelijke procedure waarbij hij partij is, schort de Duitse rechter of autoriteit op zijn verzoek de behandeling op tot het ogenblik waarop de verhindering een einde heeft genomen, echter voor niet langer dan 6 maanden. Het bestaan van de verhindering dient aannemelijk te worden gemaakt („glaubhaft machen”) door het lid van de krijgsmachten. Een door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid afgegeven schriftelijke verklaring van de reden en duur van de verhindering zal door de rechter of autoriteit naar behoren in aanmerking worden genomen. De behandeling behoeft niet te worden opgeschort indien de belangen van het lid van de krijgsmachten op voldoende wijze kunnen worden behartigd door een persoon die gemachtigd is, hem in rechten te vertegenwoordigen, of door een andere vertegenwoordiger, die bevoegd is zijn rechten te beschermen.
Wat betreft kosteloze rechtskundige bijstand („Armenrecht”) genieten de leden van de krijgsmachten dezelfde rechten als de Duitsers. Zij zijn niet verplicht zekerheid te stellen voor kosten, van welke aard ook, in gevallen waarin Duitsers niet aan een dergelijke verplichting zijn onderworpen. De voor het vaststellen van het recht op kosteloze rechtskundige bijstand vereiste schriftelijke verklaringen worden afgegeven door de bevoegde consulaire autoriteiten nadat deze de nodige onderzoekingen hebben verricht.
Artikel 10. Tenuitvoerlegging van vonnissen, gerechtelijke beschikkingen en bevelen
De autoriteiten van de krijgsmachten nemen, voor zover de dienstvoorschriften zulks toelaten, alle passende maatregelen om behulpzaam te zijn bij de tenuitvoerlegging van vonnissen, gerechtelijke beschikkingen en bevelen („vollstreckbare Titel”) van Duitse rechters en autoriteiten in niet-strafrechtelijke procedures.
Indien de tenuitvoerlegging van zulk een vonnis, beschikking of bevel dient te geschieden binnen een installatie van de krijgsmachten, verzoekt de Duitse rechter of autoriteit aan de autoriteit van de krijgsmachten die verantwoordelijk is voor het beheer van de installatie, om het vonnis, de beschikking of het bevel ten uitvoer te leggen of toestemming te geven tot de tenuitvoerlegging. Indien mogelijk voldoen de autoriteiten van de krijgsmachten aan het verzoek. De autoriteiten van de krijgsmachten dragen aan de bevoegde Duitse autoriteit de eigendommen over welke zij in bezit hebben genomen voor de tenuitvoerlegging van het vonnis, de beschikking of het bevel.
Eigendommen van een lid van de krijgsmachten waarvan door de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten is verklaard dat hij deze nodig heeft voor de uitvoering van zijn dienst, zijn vrijgesteld van inbeslagneming voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, beslissing of beschikking, evenals andere eigendommen, stoffelijke zowel als onstoffelijke, welke volgens de Duitse wet niet daaraan zijn onderworpen.
De persoonlijke vrijheid van een lid van de krijgsmachten wordt door een Duitse rechter of autoriteit in een niet-strafrechtelijke procedure niet aangetast, noch voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, beschikking of bevel, voor het verplichten tot een onthulling onder ede, noch om enige andere reden.
Betalingen welke door zijn Regering verschuldigd zijn aan een lid van de krijgsmachten zijn, behalve voor zover zulks toegestaan is volgens de wet en voorschriften van de betrokken Mogendheid, niet onderworpen aan enige vorm van door een Duitse rechter of autoriteit bevolen beslag of andere vorm van tenuitvoerlegging.
AFDELING III. — Bepalingen welke zowel voor strafrechtelijke als voor niet-strafrechtelijke procedures gelden
Artikel 11. Het verschijnen voor de rechter. Getuigen. Betekening der dagvaarding
Tenzij de militaire noodzaak zich daartegen verzet, dragen de autoriteiten van de krijgsmachten ervoor zorg, dat de leden van de krijgsmachten wier tegenwoordigheid door een Duitse rechter of autoriteit nodig wordt geoordeeld, aanwezig zijn indien een dergelijke aanwezigheid volgens de Duitse wet verplicht is. Indien de militaire noodzaak zich tegen een dergelijke aanwezigheid verzet, geven de autoriteiten van de krijgsmachten een schriftelijke verklaring af, waarin de reden en de duur van de verhindering worden aangegeven.
De Duitse rechter en autoriteiten dragen, in overeenstemming met de bepalingen der Duitse wet, ervoor zorg dat personen wier tegenwoordigheid als getuigen of deskundigen door een militair rechtscollege of een andere autoriteit van de krijgsmachten nodig wordt geoordeeld, aanwezig zijn.
De bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op alle procedures waarin bewijsmiddelen moeten worden overgelegd.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag of enige andere toepasselijke overeenkomst zijn de voorrechten en immuniteiten van getuigen en deskundigen voor Duitse rechtbanken of autoriteiten, en militaire rechtscolleges of autoriteiten van de krijgsmachten, dezelfde als die welke worden toegekend door de wet van de betrokken rechtbanken, rechtscolleges of autoriteiten. Daarbij wordt ook op voldoende wijze rekening gehouden met de voorrechten en immuniteiten, welke getuigen en deskundigen, als zij geen lid van de krijgsmachten zijn, voor een Duitse rechtbank, en als zij wel lid van de krijgsmachten zijn, voor een militair rechtscollege van de betrokken Mogendheid, zouden hebben.
De autoriteiten van de krijgsmachten verlenen toestemming tot het betekenen der dagvaarding aan ieder persoon binnen een installatie en van leden van de krijgsmachten, of verrichten deze betekening zelf. In alle andere gevallen wordt de betekening verricht of toegestaan door de bevoegde Duitse rechter of autoriteiten.
De betekening van de dagvaarding aan leden van de krijgsmachten door de Duitse rechtbanken en autoriteiten geschiedt niet door middel van openbare kennisgevingen.
Artikel 12. Belemmering van de rechtspraak
Meineed, pogingen de rechtspraak te belemmeren en alle andere strafbare feiten en beledigingen begaan in tegenwoordigheid van of tegen een Duitse rechtbank of autoriteit of een militair rechtscollege of autoriteit van de krijgsmachten, en het niet voldoen aan de in overeenstemming met artikel 11 van dit Verdrag behoorlijk betekende dagvaarding, worden door de rechtbank, het rechtscollege of autoriteit welke strafrechtelijke of krijgstuchtelijke bevoegdheid over de betrokken persoon bezit, berecht in overeenstemming met de eigen wetten van de rechtbank of de autoriteit alsof de daad was gepleegd voor of tegen de eigen rechtbanken, rechtscolleges of autoriteiten.
Artikel 13. Advocaten
Onderdanen van iedere betrokken Mogendheid en Duitse advocaten worden niet verhinderd als verdediger op te treden voor militaire rechtscolleges in overeenstemming met de regels en bepalingen, welke voor dergelijke colleges gelden.
Een persoon, die is toegelaten om als advocaat op te treden in het land van een der betrokken Mogendheden kan, in procedures waarbij een lid van de krijgsmachten is betrokken, in samenwerking met een Duits advocaat die gemachtigd is het lid van de krijgsmachten in dergelijke procedures te vertegenwoordigen, voor de Duitse rechter verschijnen om verklaringen af te leggen („Ausführungen”).
Onder voorbehoud van de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel mogen buitenlandse onderdanen slechts in overeenstemming met de bepalingen van de Duitse wet op het grondgebied van de Bondsrepubliek als rechtskundige adviseurs optreden en voor Duitse rechters verschijnen.
Artikel 14. Gesloten deuren. Verwijzing
De bepalingen van artikel 172 van de Duitse Wet op de Rechterlijke Organisatie betreffende verhoren met gesloten deuren bij strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke procedures, en van artikel 15 van het Duitse Wetboek van Strafrecht betreffende de verwijzing van een strafrechtelijke procedure naar een rechter van een ander district, worden mutatis mutandis toegepast in rechtszaken voor Duitse rechtbanken of autoriteiten wanneer er gevaar bestaat voor de veiligheid van de krijgsmachten en hun leden.
Artikel 15. Het openbaar maken van inlichtingen
Behoudens de bepalingen van lid 3 van dit artikel
- (a). mag een Duitse rechtbank of autoriteit in een hangende procedure niet van een persoon eisen, noch hem toestaan, inlichtingen openbaar te maken, welke de veiligheid van de krijgsmachten of de betrokken Mogendheid in gevaar zouden of zouden kunnen brengen, behalve met toestemming van de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten of van de betrokken Mogendheid;
- (b). mag een rechtbank of autoriteit van de krijgsmachten in een hangende procedure niet van een persoon eisen, noch hem toestaan, Duitse staats- of ambtsgeheimen openbaar te maken, behalve met toestemming van de bevoegde Duitse autoriteit.
Indien het in de loop van een procedure blijkt, dat het openbaar maken van dergelijke inlichtingen of geheimen zich zou kunnen voordoen, dient de rechtbank of autoriteit, tenzij besloten wordt van de openbaarmaking af te zien, alvorens de inlichtingen of geheimen aan te horen of te behandelen, een schriftelijke beslissing te vragen aan de bevoegde autoriteit ten aanzien van de vraag of de krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel vereiste toestemming zal worden gegeven. De toestemming zal niet worden geweigerd, indien, krachtens de voorwaarden van dit Verdrag of enige andere tussen de partijen bestaande overeenkomst, het verstrekken van inlichtingen aan de bevoegde rechters of autoriteiten verplicht is.
De bepalingen van dit artikel worden niet op zodanige wijze toegepast, dat de grondwettelijke rechten van een partij bij een procedure om getuigenverklaringen af te leggen of uit eigen naam verklaringen af te leggen ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden worden beperkt.
Artikel 16. Diensthandelingen
Indien in de loop van een strafrechtelijke of een niet-strafrechtelijke procedure voor een Duitse rechtbank of autoriteit een beslissing dient te worden genomen ten aanzien van de vraag of een handeling of nalaten welke het onderwerp is van de procedure heeft plaats gevonden in de uitoefening door de betrokken persoon van de dienst ten behoeve van de krijgsmachten, schorst de Duitse rechter of autoriteit de behandeling en doet onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de krijgsmachten onder opgave van de betreffende feiten. De bevoegde autoriteit van de krijgsmachten onderzoekt de zaak en doet, binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling, de Duitse rechtbank of autoriteit een verklaring toekomen, waarin de omvang van de dienst van de betrokken persoon op bedoeld tijdstip en op de bedoelde plaats wordt omschreven. De verklaring wordt ondertekend door de hoogste vertegenwoordiger van de krijgsmachten, die persoonlijk kennis draagt van de zaak. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen, teneinde te verzekeren dat de verklaring op zorgvuldige wijze wordt opgesteld zowel wat vorm als inhoud betreft daartoe passende maatregelen. Na ontvangst van de verklaring, doch niet later dan een en twintig dagen nadat de mededeling is ontvangen door de autoriteiten van de krijgsmachten, wordt de procedure voortgezet.
De autoriteiten van de krijgsmachten kunnen een dergelijke verklaring eveneens overleggen aan een Duitse rechtbank of autoriteit zonder dat zij van die rechtbank of autoriteit een mededeling hebben ontvangen.
Een dergelijke verklaring geldt slechts als bewijs voor de omvang van de dienst van de betrokken persoon en is in dat opzicht beslissend. De persoon, die een dergelijke verklaring heeft afgegeven, kan echter als getuige worden opgeroepen om de inhoud van de verklaring te verduidelijken of aan te vullen; verder geldt, dat de bepalingen van dit lid niet op zodanige wijze worden toegepast dat de grondwettelijke rechten van een partij bij een procedure om getuigenverklaringen af te leggen of uit eigen naam verklaringen af te leggen ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden, worden beperkt. Het Duitse rechtscollege of de autoriteit kent aan het feit dat de handeling of het nalaten uit de uitoefening van de dienst voortvloeide, een zodanig wettelijk gewicht en uitwerking toe als volgens de bepalingen van het Duitse recht mogelijk is.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 8 van het Financieel Verdrag.
DEEL DRIE. — ADMINISTRATIE EN VERZORGING
AFDELING I. — Rechten en verplichtingen
Artikel 17. Verkeer
De krijgsmachten en hun leden hebben zonder beperking behalve voor zover zulks in dit Verdrag is overeengekomen het recht het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland binnen te komen, zich daarbinnen te verplaatsen, er boven te vliegen, en eruit te vertrekken met voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen welke haar eigendom zijn of door hen of ten behoeve van hen worden gebruikt. De Bondsrepubliek garandeert aan de krijgsmachten en hun leden het gebruik van alle Duitse openbare wegen en waterwegen alsmede het recht te vliegen in het luchtruim boven het gebied van de Bondsrepubliek en van de aan de krijgsmachten ter beschikking staande vliegvelden te vertrekken, er te landen en er gebruik van te maken. De krijgsmachten hebben het recht een zodanig gebruik van het luchtruim en van de vliegvelden op het grondgebied van de Bondsrepubliek te maken als nodig is in het belang van de veiligheid van de krijgsmachten of voor oefening van die krijgsmachten, mits voor het gebruik van burgervliegvelden voor oefeningsdoeleinden een verzoek tot de Duitse autoriteiten wordt gericht, welk verzoek moet zijn goedgekeurd door het hoogste hoofdkwartier van de Luchtmacht van de betrokken krijgsmachten.
De exploitatierechten van de Duitse Spoorwegen blijven onaangetast. Rollend materieel dat het eigendom is van, gehuurd is door, of in uitsluitend gebruik is bij de krijgsmachten kan het grondgebied van de Bondsrepubliek worden binnengebracht of daaruit worden weggevoerd. Het wordt tot het verkeer op de Duitse Spoorwegen toegelaten, indien, het in het algemeen gebruikt kan worden overeenkomstig de bedrijfsmethoden van de Duitse Spoorwegen.
Tenzij in dit Verdrag of in enige andere toepasselijke overeenkomst anders is bepaald, zijn de Duitse verkeerswetten, -verordeningen en -voorschriften van toepassing op de krijgsmachten en hun leden. Het is de krijgsmachten toegestaan in gevallen van militaire noodzaak af te wijken van de Duitse verkeersvoorschriften; daarbij dient voldoende rekening te worden gehouden met de openbare veiligheid en orde. Voor het spoorwegverkeer zijn dergelijke afwijkingen alleen toegestaan indien daaromtrent overeenstemming bestaat tussen de krijgsmachten en de bevoegde spoorwegdirectie.
Voor de voertuigen, zeeschepen en luchtvaartuigen van de krijgsmachten of hun leden kunnen door de autoriteiten van de krijgsmachten vergunningen worden verleend of ze kunnen worden geregistreerd en worden door die autoriteiten voorzien van een nummerplaat of een ander daarvoor in aanmerking komend herkenningsteken. Behoudens de in elk afzonderlijk geval toepasselijke internationale voorschriften, gelden dezelfde bepalingen ten aanzien van de binnenschepen van de krijgsmachten of hun leden met uitzondering van binnenschepen welke het eigendom zijn van leden van de krijgsmachten en welke een laadvermogen hebben van 15 ton of meer. In geval de vergunning wordt verleend door de Duitse autoriteiten kunnen deze autoriteiten de normale leges heffen, waarin geen enkele vorm van belastingheffing begrepen mag zijn. De autoriteiten van de betrokken Mogendheid treffen passende veiligheidsmaatregelen ten aanzien van, en verzekeren het technische toezicht op, de voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen, voor welke zij een vergunning hebben verleend en zij verstrekken, in de gevallen waarin zulks nodig is, op verzoek van de Duitse autoriteit, de naam en het adres van de eigenaar van een voertuig, vaartuig of vliegtuig, waarvoor zij een vergunning hebben verleend.
Voor wat hun voertuigen betreft, zijn de krijgsmachten vrijgesteld van alle Duitse voorschriften welke een beperking inhouden ten aanzien van de asbelasting of het totale gewicht van de voertuigen. Voertuigen welke het eigendom zijn van of gebruikt worden door de krijgsmachten of door hun leden, zijn vrijgesteld van de bepalingen van de Duitse wetten, voorschriften of politiemaatregelen volgens welke veranderingen van of toevoegingen aan de constructie, het ontwerp of de uitrusting van de voertuigen noodzakelijk zouden zijn, zoals herkenningstekens, waarschuwingssignalen, remmen, verlichting en richtingaanwijzers.
Door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid aan een lid van de krijgsmachten uitgereikte documenten, welke laatstgenoemde machtigen tot het besturen van voertuigen, zeeschepen of luchtvaartuigen, zijn geldig op het grondgebied van de Bondsrepubliek. De machtiging tot het besturen van binnenvaartuigen, waarvoor door de krijgsmachten een vergunning is verleend, is onderworpen aan de voorschriften van de krijgsmachten welke op voldoende wijze rekening moeten houden met de Duitse en, waar zulks van toepassing is, internationale binnenscheepvaartvoorschriften.
De leden van de krijgsmachten zullen aan hen behorende particuliere voertuigen en luchtvaartuigen alleen op het grondgebied van de Bondsrepubliek gebruiken, of toestemming geven tot gebruik, indien die voertuigen of luchtvaartuigen verzekerd zijn tegen de aansprakelijkheid welke uit dit gebruik voortvloeit. De vereiste dekking, zowel wat de soort verzekering als wat het verzekerd bedrag betreft wordt vastgesteld in overeenstemming met de Duitse wet. Deze verzekering kan echter worden afgesloten bij elke verzekeringsmaatschappij die het recht heeft dergelijke werkzaamheden uit te oefenen op het grondgebied van de betrokken Mogendheid en die blijkens een verklaring van de betrokken Mogendheid volgens de centrale deviezenvoorschriften in staat is, schadevergoedingen uit te keren op het grondgebied van de Bondsrepubliek en in de valuta van de Bondsrepubliek.
Er wordt een permanente commissie ingesteld, welke zal bestaan uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de autoriteiten van de Bondsrepubliek. Het is de taak van deze commissie een doeltreffende coördinatie tussen de burgerlijke en militaire luchtvaart te verzekeren.
Alle luchtverkeerscontrôlesystemen en daarmede in verband staande verbindingssystemen, welke worden ontwikkeld en gebruikt door de autoriteiten van de Bondsrepubliek en door de krijgsmachten worden zowel technisch als administratief gecoördineerd voor zover dat noodzakelijk is voor de verzekering van de veiligheid van het luchtverkeer en de gemeenschappelijke verdediging.
Onverminderd een veiligheidscontrôle, te effectueren door de autoriteiten van de krijgsmachten, geven de Duitse autoriteiten toestemming tot het nemen van luchtfoto's door particulieren of burgerlijke instanties en tot de vervaardiging en verspreiding van afdrukken en negatieven van zodanige foto's. De wijze waarop deze contrôle wordt geëffectueerd wordt vastgesteld door de Permanente Commissie.
Artikel 18. Verbindingen
De krijgsmachten hebben het recht, militaire postkantoren in te stellen en te doen functioneren voor de behandeling van post- en telegraafzaken van de krijgsmachten en hun leden onderling, met militaire postkantoren in andere landen en met het moederland. Er kunnen uitwisselingskantoren worden ingesteld tussen de militaire postkantoren en de postkantoren van de Bondsrepubliek. De plaats van deze kantoren wordt vastgesteld in overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van de Bondsrepubliek en van de krijgsmachten.
Bovendien hebben de krijgsmachten het recht hun eigen verbindingen (met inbegrip van verreberichtgevings- en radiofaciliteiten), en radiozenders voor de leden van de krijgsmachten binnen hun installaties en in hun militaire voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen aan te brengen, te doen functionneren en te onderhouden voor zover dit voor militaire doeleinden noodzakelijk is.
Buiten hun installaties maken de krijgsmachten als regel gebruik van de Duitse openbare verreberichtgevingsfaciliteiten. De krijgsmachten kunnen echter buiten hun installaties hun eigen verbindingsfaciliteiten oprichten, doen functionneren en onderhouden:
- (a). voor zover dit absoluut noodzakelijk is uit hoofde van militaire veiligheid;
- (b). voor zover en voor zolang de Duitse autoriteiten niet in staat zijn de nodige faciliteiten op te richten of in overleg met de krijgsmachten van de oprichting afzien;
- (c). tijdelijk voor militaire oefeningen.
De autoriteiten van de krijgsmachten maken van de hun krachtens de tweede zin van dit lid verleende rechten slechts gebruik, in de gevallen bedoeld onder (a) na behoorlijk overleg, en in de gevallen bedoeld onder (b) in overeenstemming met de Duitse autoriteiten.
De door de krijgsmachten zelf opgerichte en gebruikte faciliteiten kunnen worden aangesloten op het openbare net van de Bondsrepubliek indien zulks technisch en bedrijfsmatig mogelijk is. De plaatsen waar deze aansluiting tot stand wordt gebracht, worden in wederzijds overleg vastgesteld.
De in Bijlage B bij dit Verdrag vervatte bepalingen zijn van toepassing op de frequenties gebruikt door de radiostations welke in bedrijf zijn bij en gebruikt worden door de krijgsmachten. Deze bepalingen worden van kracht terzelfder tijd als dit Verdrag.
De leden van de krijgsmachten kunnen zonder betaling van rechten en zonder persoonlijke machtiging een radio-ontvangtoestel installeren en gebruiken.
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid oefenen volledig toezicht uit over de met FK-12 en FK-41 aangeduide kabels welke binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland liggen, met inbegrip van de daaraan verbonden installaties.
Artikel 19. Manoeuvres en oefeningen
De krijgsmachten hebben het recht in het gehele gebied van de Bondsrepubliek manoeuvres en andere oefeningen te houden. Indien dergelijke manoeuvres of andere oefeningen gehouden worden buiten hun installaties, doen de krijgsmachten de bevoegde Duitse autoriteiten hiervan tijdig voor het begin van die manoeuvres en oefeningen mededeling. Alle administratieve maatregelen welke noodzakelijk zijn voor een bevredigende uitvoering van dergelijke manoeuvres of oefeningen worden, op verzoek van de krijgsmachten, door de Duitse autoriteiten genomen na behoorlijk voorafgaand overleg, mits de krijgsmachten kunnen medewerken aan de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen.
De door de Duitse autoriteiten genomen administratieve maatregelen dienen er voldoende ruimte voor te laten, dat de krijgsmachten zelf in staat zijn al die bijzondere maatregelen te nemen welke nodig zijn voor het bereiken van de militaire doelstellingen van de manoeuvres of oefeningen.
Artikel 20. Verdedigingswerken en verdedigingsmaatregelen
Installaties en werken welke direct gericht zijn op verdedigingsdoeleinden, alsmede veiligheidsinrichtingen, worden door de Bondsrepubliek in die hoeveelheden, gebieden en soorten opgericht of aangepast als nodig is voor de gemeenschappelijke verdediging. Indien speciale behoefte bestaat aan geheimhouding of veiligheid, kunnen de krijgsmachten dergelijke installaties of werken zelf oprichten of aanpassen onder voorwaarde, dat hieraan overleg met de Bondsregering voorafgaat.
De Bondsregering werkt met de krijgsmachten samen teneinde te verzekeren dat de militaire en burgerlijke beschermingsmaatregelen welke noodzakelijk zijn om aan bepaalde veiligheidsbehoeften te voldoen, op doeltreffende wijze en zonder vertraging door de krijgsmachten en door de Duitse autoriteiten ten uitvoer kunnen worden gelegd. Zij draagt er zorg voor dat de voor de tenuitvoerlegging van dergelijke beschermingsmaatregelen noodzakelijke voorbereidingen tijdig en op voldoende schaal worden getroffen.
De krachtens dit artikel genomen maatregelen zijn onderworpen aan de rechtsmacht van het in artikel 9 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland bedoelde Scheidsrechterlijk Tribunaal indien openbare of particuliere eigendommen daardoor ernstig zijn of zullen worden beschadigd. Artikel 12 van het Statuut van het Scheidsrechterlijk Tribunaal is op dergelijke maatregelen van toepassing indien daardoor aan goederen van grote waarde onherstelbare schade kan worden toegebracht.
Artikel 21. Rechten van de krijgsmachten met betrekking tot installaties
Binnen en boven hun installaties kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten alle maatregelen nemen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun opdracht onder voorwaarde dat zij de Duitse voorschriften op het gebied van de openbare gezondheid en veiligheid in acht nemen tenzij hun eigen voorschriften op die gebieden gelijke of hogere normen voorschrijven. Voor zover hun eigen voorschriften op het gebied van de openbare gezondheid en veiligheid alsmede op andere gebieden niet zodanige normen voorschrijven, kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten, behalve indien anders is bepaald in dit Verdrag of in enige andere toepasselijke overeenkomst, hun eigen voorschriften toepassen, mits zij daardoor de openbare gezondheid, veiligheid en orde buiten de installaties niet in gevaar brengen. Zij stellen de Duitse autoriteiten tijdig op de hoogte van de mate waarin zij van de Duitse voorschriften op het gebied van de openbare gezondheid en veiligheid afwijken.
Voor zover de autoriteiten van de krijgsmachten niet zelf van plan zijn, binnen hun installaties toepasselijke Duitse voorschriften ten uitvoer te leggen, dienen zij overeenkomsten aan te gaan met de bevoegde Duitse autoriteiten, die zowel rekening houden met de militaire behoeften als met de behoeften van het Duitse bestuur.
Indien gebouwen gedeeltelijk bezet zijn („im Besitz”) door de krijgsmachten, worden de op deze wijze bezette delen voor de toepassing van dit artikel niet beschouwd als installaties indien zij gebruikt worden voor de huisvesting van leden van de krijgsmachten.
Op verzoek van de krijgsmachten houden de Duitse autoriteiten toezicht op, of beperken bouwwerkzaamheden en het verkeer van personen, dieren, alle soorten voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen en ballons in de nabijheid van installaties voor zover dit, in het belang van de gemeenschappelijke verdediging, noodzakelijk is voor een doeltreffende werking van die installaties en hun veiligheid.
Artikel 22. Installaties, archieven, documenten, eigendommen en postzendingen
Installaties, archieven, documenten en, onder voorbehoud van de bepalingen van de leden 2 en 3 van artikel 7 van dit Verdrag, eigendommen van de krijgsmachten, alsmede postzendingen van de krijgsmachten welke als zodanig herkenbaar zijn, en postzendingen van de leden van de krijgsmachten welke door middel van de postdienst van de krijgsmachten worden verzonden, zijn niet onderworpen aan het recht van toegang, onderzoek, inbeslagname en censuur door de Duitse autoriteiten tenzij in een bepaald geval of groep van gevallen de autoriteiten van de krijgsmachten van deze immuniteit afstand hebben gedaan.
Artikel 23. Politie der krijgsmachten
De bevoegde organen van de krijgsmachten hebben het recht op openbare wegen, in openbare gelegenheden en in openbare verkeersmiddelen binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek te patrouilleren, en ten aanzien van de leden van de krijgsmachten op te treden teneinde orde en tucht te handhaven.
Hun bevoegdheden ten aanzien van personen welke onderworpen zijn aan de Duitse rechtsmacht worden bepaald in overeenstemming met de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag.
Artikel 24. Vaststelling der identiteit van leden der krijgsmachten
De leden van de krijgsmachten worden door de daartoe bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid voorzien van identiteitspapieren welke de naam, de geboortedatum en de rang van de houder aangeven en een volgnummer dragen en, tenzij de houder een uniform draagt, een foto.
Gezinsleden worden als zodanig in hun identiteitspapieren aangegeven.
Leden der krijgsmachten moeten op verzoek van de bevoegde Duitse autoriteiten hun identiteit bewijzen.
Behoudens de bepalingen van artikel 25 van dit Verdrag, vormen overeenkomstig lid 1 van dit artikel verstrekte identiteitspapieren afdoend bewijs van identiteit.
Wanneer leden der krijgsmachten in groepsverband reizen onder orders en militair bevel, zijn hun uniformen afdoend bewijs van hun identiteit.
Waar noodzakelijk, vormt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid dat een persoon lid is van de krijgsmachten in de zin van de definitie van artikel 1 van dit Verdrag, hiervan afdoend bewijs.
Artikel 25. Grenscontrôle en toezicht op vreemdelingen
Leden der krijgsmachten, met uitzondering van gezinsleden, die zich overeenkomstig artikel 24 van dit Verdrag behoorlijk legitimeren, hebben onbeperkt recht op toegang tot, en vertrek uit, het grondgebied van de Bondsrepubliek. Gezinsleden hebben recht op een zodanige toegang en een zodanig vertrek indien zij een geldig paspoort tonen waarop zij als zodanig zijn aangegeven.
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid kunnen op door hun aangewezen plaatsen langs de grens deelnemen aan de contrôle van reispapieren van leden der krijgsmachten.
Leden van de krijgsmachten zijn niet onderworpen aan de Duitse wetgeving betreffende de registratie van en het toezicht op vreemdelingen.
Leden van de krijgsmachten verwerven niet het recht op duurzaam verblijf of op woonplaats op het grondgebied der Bondsrepubliek. Indien een persoon ophoudt lid te zijn van de krijgsmachten doch op het grondgebied der Bondsrepubliek blijft vertoeven, delen de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten dit zo spoedig mogelijk aan de Duitse autoriteiten mede. De algemene politieverordeningen betreffende vreemdelingen zijn van toepassing op zulke personen.
Artikel 26. Binnenkomst en vertrek
De Duitse autoriteiten werken, binnen het kader van de „Basic Law” en de internationale overeenkomsten inzake het reizen, met de autoriteiten van de Drie Mogendheden samen, om de binnenkomst van, of het vertrek uit, het grondgebied van de Bondsrepubliek van personen wier binnenkomst of vertrek door de autoriteiten van één of meer der Drie Mogendheden nadelig voor de veiligheid van de krijgsmachten wordt geacht te verhinderen. Ten aanzien van de Duitse wetten en regelingen betreffende binnenkomst in, en vertrek uit, het grondgebied van de Bondsrepubliek, wordt de veiligheid van de Bondsrepubliek geacht mede te omvatten de veiligheid der krijgsmachten.
Artikel 27. Uitlevering
De betrokken Mogendheid beslist over verzoeken om uitlevering van leden der krijgsmachten.
De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten der Drie Mogendheden schriftelijk in kennis van een ontvangen verzoek om uitlevering wanneer dit afkomstig is van een Regering van een andere dan één der Drie Mogendheden, tenzij zulk een uitlevering bij de Duitse wet is verboden.
Binnen een en twintig dagen na ontvangst van een kennisgeving krachtens lid 2 van dit artikel, kunnen de autoriteiten van één of meer der Drie Mogendheden de Duitse autoriteiten mededelen dat zij op grond van veiligheidsoverwegingen bezwaar tegen de uitlevering hebben.
Indien de Duitse autoriteiten niettemin van plan zijn een dergelijke uitlevering uit te voeren, wordt de zaak voor een beslissing ten aanzien van de gegrondheid van de krachtens lid 3 van dit artikel gemaakte bezwaren aan een arbiter voorgelegd, die niet de nationaliteit bezit van een der partijen bij het geschil of van de Staat welke het verzoek om uitlevering deed en die benoemd wordt door de President of de Vice-President van het in artikel 9 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland bedoelde Scheidsrechterlijk Tribunaal. Zijn beslissing is voor alle partijen bindend en is niet onderworpen aan herziening.
Totdat het in lid 3 van dit artikel bedoelde tijdvak van een en twintig dagen is verstreken en totdat de arbiter ten aanzien van het geschil een uitspraak heeft gedaan, voeren de Duitse autoriteiten de uitlevering niet uit zonder toestemming van de autoriteiten der bezwaarmakende Mogendheid of Mogendheden.
Artikel 28. Recht van aanwezigheid op het grondgebied der Bondsrepubliek
De betrokken Mogendheid heeft bij uitsluiting het recht leden der krijgsmachten van het grondgebied der Bondsrepubliek te verwijderen.
Indien de autoriteiten der Drie Mogendheden van mening zijn, dat de aanwezigheid van een persoon op het grondgebied der Bondsrepubliek hun veiligheid in gevaar brengt, kunnen zij de Duitse autoriteiten aanbevelen met betrekking tot zijn aanwezigheid die maatregelen te nemen, welke door de „Basic Law” zijn toegestaan.
Artikel 29. Het dragen van wapenen
De autoriteiten van de krijgsmachten hebben het recht, de voorwaarden vast te stellen, waarop personen die in dienst zijn van de krijgsmachten wapens mogen dragen en gebruiken binnen een installatie of voor zover hun werkzaamheden het dragen van wapens noodzakelijk maken. De bepalingen betreffende het gebruik van wapens worden aangepast aan de Duitse wetgeving inzake zelfverdediging („Notwehr”).
De in lid 1 van dit artikel bedoelde personen moeten in het bezit zijn van een door de autoriteiten van de krijgsmachten afgegeven vergunning tot het dragen van vuurwapenen. Vergunningen tot het dragen van vuurwapenen mogen slechts worden afgegeven aan personen ten aanzien van wier betrouwbaarheid geen ernstige twijfel bestaat. Een desbetreffend identiteitsbewijs, waarop een aantekening is gesteld, wordt eveneens als een vergunning tot het dragen van vuurwapenen beschouwd.
Artikel 30. Gezondheid en hygiëne
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten verlenen elkaar de grootst mogelijke medewerking op het gebied van de gezondheid en de hygiëne, vooral waar het betreft het toezicht op besmettelijke ziekten; deze samenwerking strekt zich ook uit tot de uitwisseling van gegevens en statistieken.
In de nabijheid van installaties der krijgsmachten nemen de Duitse autoriteiten, op verzoek van de autoriteiten der krijgsmachten, die maatregelen ten aanzien van de gezondheid en de hygiëne welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van de gezondheid der krijgsmachten. Wanneer de Duitse autoriteiten niet in staat zijn voldoende maatregelen te treffen om te voldoen aan de militaire behoeften ten aanzien van afvoer van afval, bestrijding van insecten en ander ongedierte, dan wel de zuivering van water in gebieden welke buiten de steden zijn gelegen, kunnen de krijgsmachten zelf die maatregelen nemen. In steden waar krijgsmachten gelegerd zijn, stellen de autoriteiten der krijgsmachten en de stedelijke autoriteiten in overleg de maatstaven vast welke moeten worden aangelegd met betrekking tot de zuivering van water, om aan de krijgsmachten een watervoorziening te garanderen welke vrij is van verontreiniging.
Artikel 31. Overlijden en begrafenissen
Behoudens de bepalingen van enigerlei bijzondere overeenkomst, hebben de krijgsmachten het recht begraafplaatsen aan te leggen en te onderhouden en maatregelen te treffen voor het begraven, opgraven en vervoer van de stoffelijke overschotten van leden van de krijgsmachten overeenkomstig door de krijgsmachten zelf vast te stellen passende hygiënische voorschriften.
De autoriteiten der betrokken Mogendheid mogen het stoffelijk overschot van een lid van de krijgsmachten dat op het grondgebied der Bondsrepubliek overleden is in beslag nemen en er over beschikken en mogen over zijn persoonlijke eigendommen beschikken nadat de door de overledene op het grondgebied der Bondsrepubliek gemaakte schulden aan personen die geen leden zijn van de krijgsmachten zijn voldaan. Deze bepaling is niet van toepassing indien de overledene zijn hoofdverblijf op het grondgebied der Bondsrepubliek had.
Artikel 32. Deviezen
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid hebben het recht, niet-Duitse valuta of in de munteenheid van een betrokken Mogendheid gestelde geldswaardige papieren of militaire betalingscoupons in te voeren, uit te voeren, in bezit te hebben en deze, met inachtneming van de bepalingen van lid 2 van dit artikel, aan de leden der krijgsmachten uit te reiken.
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid mogen hun leden betalen met in de munteenheid van de betrokken Mogendheid gestelde geldswaardige papieren of militaire betalingscertificaten, of met Duits geld, of met hun eigen munteenheid; zij voeren echter een betalingsstelsel in hun eigen munteenheid niet in dan na hierover met de Bondsregering overleg te hebben gepleegd.
Teneinde te voorkomen dat de Duitse deviezenbelangen worden geschaad, nemen de autoriteiten der betrokken Mogendheid, in samenwerking met de Bondsregering, passende maatregelen tegen elk misbruik van de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel.
De leden der krijgsmachten zijn niet onderworpen aan de Duitse deviezenwetgeving, mits de autoriteiten der krijgsmachten in samenwerking met de Duitse autoriteiten in voorkomend geval op grond van de op zeker ogenblik van kracht zijnde Duitse deviezenwetgeving passende maatregelen nemen teneinde de Duitse deviezenbelangen te waarborgen.
Artikel 33. Belastingen
- (a). Goederen welke onderworpen zijn aan accijnzen, zijn hiervan vrijgesteld indien zij door de krijgsmachten rechtstreeks van een Duitse fabrikant worden betrokken. Deze bepaling is niet van toepassing op accijnzen op tabak, koffie, thee, suiker, alcohol, mousserende wijnen en benzine, en evenmin op de op steenkool geheven belasting ter subsidiëring van huizenbouw ten behoeve van de mijnwerkers. De vrijstelling geldt alleen indien de goederen worden betrokken door de officiële inkoopbureaus van de krijgsmachten voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden.
- (b). Wanneer de krijgsmachten aan accijns onderworpen goederen aanschaffen ten aanzien waarvan zij overeenkomstig (a) van dit lid aanspraak maken op vrijstelling van belasting, geven de krijgsmachten een verklaring af dat de goederen, welke nauwkeurig naar soort en hoeveelheid dienen te worden omschreven, uitsluitend bestemd zijn voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden.
- (c). Vervallen.
- (a). Goederen geleverd aan en diensten verricht voor de krijgsmachten welke worden betrokken of verkregen door de officiële inkoopbureaux der krijgsmachten zijn vrijgesteld van omzetbelasting, mits zulke goederen of diensten bestemd zijn voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden. De leveranciers laten de omzetbelasting bij de berekening van de prijzen van die goederen of diensten buiten beschouwing.
- (b). Waar, in het geval van in (a) van dit lid bedoelde goederen en diensten, de betaling geschiedt in de valuta van de betrokken Mogendheid, heeft de leverancier, wanneer hij hiertoe een verzoek doet, recht op terugbetaling van de reeds op de goederen betaalde omzetbelasting ten bedrage van de export-terugbetalingen krachtens lid 16 (2) van de Wet op de Omzetbelasting naar de tekst van 1 september 1951, evenals op de vrijstelling toegestaan overeenkomstig (a). Deze terugbetaling wordt op de prijs van de goederen of diensten in mindering gebracht.
- (c). Waar op vrijstelling of terugbetaling van omzetbelasting krachtens (a) of (b) van dit lid aanspraak wordt gemaakt, verklaart het officiële inkoopbureau der krijgsmachten aan de verkoper dat de goederen of de diensten uitsluitend zijn bestemd voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden.
- (d). Leveringen aan de krijgsmachten worden geacht leveringen aan groothandelaren te zijn.
- (a). De belasting van de krijgsmachten en hun leden wordt, voor zover hiervoor geen voorziening is getroffen in dit Verdrag, geregeld door de op 26 mei 1952 te Bonn ondertekende Overeenkomst inzake de belastingregeling voor de krijgsmachten en hun leden, zoals gewijzigd bij het op 26 juli 1952 te Bonn ondertekende Protocol.
- (b). Vervallen.
Artikel 34. Douaneregelingen voor de krijgsmachten
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van enige andere overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden of één van hen, zijn de krijgsmachten in beginsel vrijgesteld van de bepalingen van de Duitse douanewetgeving en het douanetoezicht en de Duitse regelingen welke gelden voor het vervoer van goederen naar of van het gebied der Bondsrepubliek.
De krijgsmachten mogen hun goederen en de voor hun gebruik of voor gebruik van hun leden bestemde goederen naar het grondgebied van de Bondsrepubliek overbrengen en hieruit wegvoeren zonder betaling van enigerlei in- of uitvoerrechten of andere belastingen der Bondsrepubliek en zonder dat dit op enigerlei wijze beperkt of verboden kan worden. Door de krijgsmachten tegen betaling in hun eigen valuta op het grondgebied van de Bondsrepubliek aangekochte goederen worden, in de zin van dit artikel, behandeld als te zijn uitgevoerd uit het grondgebied der Bondsrepubliek en door de krijgsmachten ingevoerd. De krijgsmachten houden zich aan de Duitse voorschriften inzake de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.
De krijgsmachten geven officiële machtigingen af betreffende hun in- en uit te voeren goederen. De vorm van deze machtigingen wordt in overleg met de Bondsregering vastgesteld.
Zendingen der krijgsmachten welke door hun officiële vervoermiddelen worden vervoerd zijn onderworpen aan douane-onderzoek door de autoriteiten der krijgsmachten. Deze laatsten dragen er zorg voor, dat een dergelijk onderzoek plaats vindt en wel op doeltreffende wijze, alsmede dat deze zendingen behouden op de plaats van bestemming aankomen. De autoriteiten der krijgsmachten delen de Duitse douane-autoriteiten mede welke maatregelen zijn genomen om de bepalingen van dit lid ten uitvoer te leggen.
Zendingen der krijgsmachten welke in andere dan hun officiële vervoermiddelen worden vervoerd, zijn onderworpen aan het normale Duitse douane-onderzoek, doch mogen daardoor geen vertraging ondervinden. Door de autoriteiten der krijgsmachten of door een douane-instantie verzegelde zendingen zijn echter vrij van inwendig onderzoek; deze bepaling mag niet geacht worden de Duitse douane-beambten te verhinderen deze zegels aan een onderzoek te onderwerpen en er eventueel Duitse zegels aan toe te voegen. Als gevolg van deze contrôle aan het licht gekomen onregelmatigheden worden ter kennis gebracht van de autoriteiten der krijgsmachten.
Behalve de in artikel 35 vervatte vrijstellingen, zijn officiële koeriers van de krijgsmachten vrijgesteld van onderzoek door Duitse douane-autoriteiten waar het hun koeriersbagage betreft. Zij genieten een voorkeursbehandeling om te verzekeren dat zij geen vertraging ondervinden.
Militaire eenheden welke voor operationele doeleinden en onder orders de grenzen van het grondgebied der Bondsrepubliek overschrijden zijn vrijgesteld van onderzoek door Duitse douane-autoriteiten, mits de bevelvoerende officier schriftelijk verklaart dat alle uitvoerbare maatregelen zijn getroffen om te verzekeren dat noch de eenheid, noch de leden ervan goederen vervoeren in strijd met de bepalingen van dit artikel of van artikel 35 van dit Verdrag. Indien zulks uitvoerbaar is, worden de bevoegde Duitse douane-autoriteiten van te voren door de autoriteiten der krijgsmachten op de hoogte gebracht van troepenbewegingen. Deze bepalingen gelden niet voor grensoverschrijdingen welke plaats vinden tijdens militaire oefeningen of manoeuvres.
In- en uitvoer van goederen in vliegtuigen welke het eigendom zijn van de krijgsmachten of door hen of ten behoeve van hen worden gebruikt, welke landen op of opstijgen van een militair vliegveld zijn onderworpen aan douane-onderzoek door de autoriteiten der krijgsmachten. Indien zulke vliegtuigen op een burgerluchtvaartterrein landen, zijn zij onderworpen aan douane-onderzoek door de autoriteiten der krijgsmachten; de Duitse douane-autoriteiten verwittigen onverwijld de autoriteiten der krijgsmachten. Indien burgerluchtvaartuigen landen op een militair vliegveld, worden de Duitse douane-instanties door de autoriteiten der krijgsmachten verwittigd. De autoriteiten der krijgsmachten nemen alle maatregelen welke noodzakelijk zijn om te verzekeren dat alle zo vervoerde goederen niet in het Duitse economische proces worden opgenomen voordat de Duitse douane-autoriteiten de gelegenheid gehad hebben ze in te klaren.
Met uitzondering van de in lid 11 van artikel 39 van dit Verdrag bedoelde goederen, kunnen de autoriteiten der krijgsmachten beschikken over de roerende goederen van de krijgsmachten op het gebied der Bondsrepubliek. Voor export aan een niet op het grondgebied der Bondsrepubliek verblijvende koper verkochte goederen zijn niet onderworpen aan Duitse uitvoerbeperkingen of uitvoerrechten. De voorwaarden waaronder de in dit lid bedoelde goederen worden verkocht, worden in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse autoriteiten vastgesteld.
Artikel 35. Douaneregelingen voor de leden der krijgsmachten
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van elke andere van toepassing zijnde overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden of één van hen, zijn leden van de krijgsmachten in beginsel aan de Duitse douanewetgeving onderworpen.
Gerechtelijke vervolging van douane-overtredingen, met inbegrip van het recht tot verbeurdverklaring van goederen behoort uitsluitend tot de strafrechtelijke bevoegdheden van de autoriteiten der krijgsmachten. De Duitse rechtsregels betreffende het opleggen van boeten door de administratie met betrekking tot douane-overtredingen gelden niet voor leden der krijgsmachten. De Duitse douane-autoriteiten hebben recht op door de krijgsmachten, als gevolg van douane-overtredingen van hun leden, verbeurd verklaarde goederen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het verhalen van belastingschulden op zulke goederen, welke het gevolg zijn van een burgerlijke rechtsvordering.
Leden van de krijgsmachten zijn vrijgesteld van de bepalingen van de Duitse wetgeving betreffende het gebruik van vuurwapenen door Duitse douane-ambtenaren.
Behoudens de volgende bepalingen, zijn leden van de krijgsmachten vrijgesteld van Duitse in- en uitvoerbeperkingen en -verboden en van de betaling van douane-rechten en andere belastingen der Bondsrepubliek op door hen, voor persoonlijk of huiselijk gebruik of verbruik, naar of uit het grondgebied der Bondsrepubliek vervoerde goederen:
- (a). het recht goederen in te voeren door middel van verzending door leden van de krijgsmachten geldt niet voor die gerantsoeneerde goederen welke de krijgsmachten aan hun leden verkopen of uitreiken;
- (b). de autoriteiten der krijgsmachten beperken kwantitatief de invoer van die gerantsoeneerde goederen welke zij aan hun leden verkopen of uitreiken, voor zover zulke goederen door de leden van de krijgsmachten in hun bagage worden meegevoerd;
- (c). invoer van niet-gerantsoeneerde goederen, al dan niet vergezeld door het lid der krijgsmachten dat ze invoert, wordt door de autoriteiten der krijgsmachten kwantitatief beperkt wanneer deze vaststellen, nadat zij de aanbevelingen van de Duitse autoriteiten hebben bestudeerd, dat deze goederen in het bijzonder het onderwerp vormen van douane-overtredingen;
- (d). om aan de Duitse douane-autoriteiten aan te tonen dat door leden van de krijgsmachten langs commerciële weg, door middel van de Duitse posterijen of in door hen meegevoerde bagage ingevoerde niet-gerantsoeneerde goederen voor persoonlijk of huiselijk gebruik of verbruik bestemd zijn, kunnen de leden der krijgsmachten bij de autoriteiten der krijgsmachten verklaringen verkrijgen welke als machtiging om overeenkomstig het bepaalde in dit artikel goederen in te voeren, worden erkend;
- (e). de leden der krijgsmachten houden zich aan de Duitse voorschriften betreffende de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.
Voor de douane-contrôle op leden der krijgsmachten, kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten zorgen voor ambtenaren bij grensovergangen waar aanzienlijke aantallen leden van de krijgsmachten de grens overschrijden. De autoriteiten stellen deze plaatsen vast in overleg met de Bondsregering. Op deze plaatsen voeren de ambtenaren der krijgsmachten in samenwerking met de Duitse douane-autoriteiten douane-contrôle uit op leden der krijgsmachten en hun goederen. Op alle andere grensoverschrijdingsplaatsen zijn leden der krijgsmachten onderworpen aan de normale door de Duitse autoriteiten uitgevoerde douane-contrôle. De bepalingen van dit lid gelden ook voor bewegingen van leden der krijgsmachten tussen het gebied der Bondsrepubliek en Berlijn.
De douane-contrôle op aan of door de leden der krijgsmachten door middel van de post- of vrachtdiensten der krijgsmachten verzonden goederen, wordt door de autoriteiten der krijgsmachten uitgeoefend op door hen zelf vastgestelde plaatsen. Duitse douane-ambtenaren kunnen bij dit onderzoek aanwezig zijn.
Krachtens de bepalingen van dit Verdrag vrij van invoerrechten ingevoerde goederen mogen op het grondgebied der Bondsrepubliek door de leden der krijgsmachten aan een persoon die hiervan geen lid is slechts worden verkocht na voorafgaande kennisgeving aan en met de goedkeuring van de bevoegde Duitse autoriteiten; deze bepaling geldt echter niet voor gewone geschenken van persoonlijke of huiselijke aard in hoeveelheden, welke te gering zijn voor handelsdoeleinden.
De autoriteiten der krijgsmachten nemen binnen het kader van dit Verdrag maatregelen welke erop gericht zijn hun leden ervan te weerhouden overtredingen te begaan tegen de fiscale, douane- en in- en uitvoerbepalingen van de Bondsrepubliek. Zij nemen deze factoren in acht - daarbij de aanbevelingen der Bondsregering in aanmerking nemend - waar het betreft de rantsoenering van in het bijzonder aan dergelijke overtredingen onderhevige goederen. De door de autoriteiten der krijgsmachten vastgestelde rantsoenen overtreffen niet de redelijkerwijs voor persoonlijk verbruik benodigde hoeveelheden. De autoriteiten der krijgsmachten werken nauw samen met de Duitse douane-ambtenaren en opsporingsinstanties bij het bestrijden van douane-overtredingen.
De autoriteiten der krijgsmachten stellen de Duitse douane-autoriteiten van alle overtredingen op de hoogte om, indien noodzakelijk, het instellen van een civiele vordering tegen de overtreders mogelijk te maken. Van hun kant stellen de Duitse douane-autoriteiten de autoriteiten der krijgsmachten in kennis van alle douane-overtredingen waarbij hun leden zijn betrokken. De Duitse douane-autoriteiten stellen de autoriteiten van de krijgsmachten in kennis van van hun leden in beslag genomen goederen of valuta, en deze eigendommen of valuta worden aan de autoriteiten der krijgsmachten overgedragen. De Duitse douane-autoriteiten geven een ontvangstbewijs af aan de leden der krijgsmachten voor alle aangehaalde goederen of valuta.
Motorvoertuigen van leden der krijgsmachten welke bestemd zijn voor hun persoonlijk gebruik mogen het grondgebied der Bondsrepubliek binnengaan of verlaten zonder betaling van douane-rechten en zonder beperkingen, op vertoon van het registratiebewijs of een ander door de autoriteiten der krijgsmachten afgegeven bewijs waarin wordt verklaard dat het motorvoertuig het eigendom is van een lid der krijgsmachten en bestemd is voor zijn persoonlijk gebruik. Op verzoek van de Duitse douane-autoriteiten verstrekken de autoriteiten der krijgsmachten inlichtingen over zulke voertuigen. Voertuigen bestemd voor handelsdoeleinden vallen niet onder deze voorkeursbehandeling.
De invoer door leden der krijgsmachten van goederen welke voor liefdadige doeleinden op het grondgebied der Bondsrepubliek zullen worden gebruikt wordt geregeld in onderling overleg tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse autoriteiten.
Artikel 36. Organisaties en ondernemingen in dienst van de krijgsmachten
Behoudens de bepalingen van dit artikel
- (a). kunnen niet-Duitse organisaties van niet-commerciële aard welke door de krijgsmachten of de betrokken Mogendheid zijn georganiseerd ten behoeve van de leden der krijgsmachten of welke het welzijn van de krijgsmachten dienen, in hun geheel of ten dele met de krijgsmachten worden gelijkgesteld nadat de Duitse autoriteiten hiervan in kennis zijn gesteld, in welke kennisgeving wordt verklaard, dat zodanige organisaties in dienst zijn van de krijgsmachten;
- (b). kan zulk een organisatie, indien zij een vereniging of een club is, slechts worden gelijkgesteld voor zover zij een deel vormt van de verzorgings- of sportorganen van de krijgsmachten.
De krijgsmachten kunnen gebruik maken van niet-Duitse commerciële ondernemingen mits hun militaire behoeften niet door Duitse ondernemingen kunnen worden gedekt. Zulke ondernemingen kunnen met de krijgsmachten worden gelijkgesteld,
- (a). na kennisgeving aan de Duitse autoriteiten indien zij technische diensten aan de krijgsmachten leveren onder contract, en
- (b). in alle andere gevallen na overleg met de Duitse autoriteiten.
Werknemers van de in lid 1 van dit artikel bedoelde organisaties en van de onder (a) van lid 2 van dit artikel bedoelde ondernemingen (met uitzondering van Duitsers en personen die geen onderdaan zijn van één der Drie Mogendheden, noch van een andere staat van herkomst en op het grondgebied van de Bondsrepubliek in dienst zijn genomen) kunnen eveneens met leden der krijgsmachten worden gelijkgesteld.
Gelijkstelling met de krijgsmachten en hun leden is slechts toegestaan voor zover de organisaties, ondernemingen of werknemers uitsluitend in dienst zijn van de krijgsmachten en voor zover deze gelijkstelling noodzakelijk is voor hun bijdrage aan de vervulling van de verdedigingstaak van de krijgsmachten. De omvang van deze gelijkstelling wordt vastgesteld in de kennisgeving of tijdens het overleg. Zij kan door verdere afspraken tot de noodzakelijke omvang worden beperkt. De organisaties, ondernemingen en werknemers mogen geen particuliere commerciële handelingen verrichten. De autoriteiten der krijgsmachten werken met de Bondsregering samen bij het nemen van maatregelen welke zijn gericht tegen misbruik van deze rechten.
De gelijkstelling van de onder (b) van lid 2 van dit artikel bedoelde commerciële ondernemingen is tot het volgende beperkt:
- (a). het verlenen van vergunningen en het registreren van motorvoertuigen overeenkomstig artikel 17 van dit Verdrag;
- (b). huisvesting overeenkomstig artikel 38;
- (c). het recht om krachtens artikel 34 aan de krijgsmachten te verkopen of ter beschikking te stellen goederen vrij van invoerrechten en andere belastingen van de Bondsrepubliek het gebied van de Bondsrepubliek binnen te brengen;
- (d). vrijstelling van belastingen krachtens de leden 1 en 2 van artikel 33 van dit Verdrag voor zover het betreft leveringen aan en het verrichten van andere diensten door zulke ondernemingen voor de krijgsmachten; in elk ander opzicht wordt de belasting geregeld door de in artikel 33 bedoelde Overeenkomst;
- (e). het gebruik van transport- en verbindingsfaciliteiten der krijgsmachten overeenkomstig de artikelen 17 en 18;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)