Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken
De lidstaten van de Raad van Europa en de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegend dat de ontwikkeling van het internationale verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten - hoewel deze op zich zeer gunstig is - de mogelijkheden van ontgaan van belasting en belastingontduiking heeft vergroot, en derhalve toenemende samenwerking tussen de belastingautoriteiten vereist;
Verheugd over de verschillende inspanningen die de laatste jaren zijn verricht, bilateraal dan wel multilateraal, om ontgaan van belasting en belastingontduiking op internationaal niveau tegen te gaan;
Overwegend dat een gezamenlijke inspanning van de Staten nodig is ter bevordering van alle vormen van administratieve bijstand in aangelegenheden betreffende belastingen van iedere soort, terwijl tegelijkertijd passende bescherming van de rechten van belastingplichtigen wordt verzekerd;
Erkennend dat internationale samenwerking een belangrijke rol kan spelen bij het vergemakkelijken van de juiste vaststelling van de belastingverplichtingen en bij het helpen van de belastingplichtige opdat diens rechten worden geëerbiedigd;
Overwegend dat de fundamentele beginselen die iedere persoon het recht geven op vaststelling van zijn rechten en verplichtingen in overeenstemming met een behoorlijke wettelijke procedure, dienen te worden erkend als van toepassing op fiscale aangelegenheden in alle Staten, en dat de Staten ernaar dienen te streven de legitieme belangen van belastingplichtigen te beschermen, en met name passende bescherming te bieden tegen discriminatie en dubbele belasting;
Er derhalve van overtuigd dat Staten maatregelen dienen uit te voeren of inlichtingen dienen te verstrekken, rekening houdend met de noodzaak van het beschermen van de vertrouwelijkheid van de inlichtingen en met internationale instrumenten ter bescherming van de privacy en de stromen van persoonsgegevens;
Overwegend dat er een nieuw kader van samenwerking is ontstaan en dat het wenselijk is een multilateraal instrument beschikbaar te stellen om zoveel mogelijk Staten in de gelegenheid te stellen te profiteren van het nieuwe kader van samenwerking en tevens de hoogste internationale normen voor samenwerking op belastinggebied te implementeren;
Geleid door de wens een verdrag te sluiten inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. WERKINGSSFEER VAN HET VERDRAG
Artikel 1. Doel van het Verdrag en personen op wie het van toepassing is
De Partijen verlenen elkaar, behoudens de bepalingen van Hoofdstuk IV, administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden. Deze bijstand kan, indien van toepassing, door rechterlijke instanties genomen maatregelen omvatten.
Deze administratieve bijstand omvat:
- a. uitwisseling van inlichtingen, met inbegrip van gelijktijdig boekenonderzoek en deelname aan boekonderzoeken in het buitenland;
- b. bijstand bij invordering met inbegrip van conservatoire maatregelen; en
- c. uitreiking van documenten.
Een Partij verleent administratieve bijstand ongeacht of de betrokkene een inwoner of onderdaan van een Partij of van een andere Staat is.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op:
- a. de volgende belastingen:
- i. belastingen naar inkomen of winst,
- ii. belastingen naar vermogenswinst die afzonderlijk van de belasting naar inkomen of winst worden geheven,
- iii. belastingen naar nettovermogen, die worden geheven ten behoeve van een Partij; en
- b. de volgende belastingen:
- i. belastingen naar inkomen, winst, vermogenswinst of nettovermogen die worden geheven ten behoeve van staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen van een Partij,
- ii. verplichte premies of bijdragen voor de sociale zekerheid, te betalen aan de centrale overheid of aan publiekrechtelijke instellingen voor sociale zekerheid, en
- iii. belastingen in andere categorieën, behalve douanerechten, die worden geheven ten behoeve van een Partij, te weten:
- A. successie- en schenkingsrechten,
- B. belastingen op onroerend goed,
- C. algemene verbruiksbelastingen, zoals omzetbelasting,
- D. specifieke belastingen op goederen en diensten, zoals accijnzen,
- E. belastingen op het gebruik of het bezit van motorrijtuigen,
- F. belastingen op het gebruik of het bezit van roerende goederen andere dan motorrijtuigen,
- G. alle andere belastingen.
- iv. belastingen in de hierboven onder (iii) genoemde categorieën die worden geheven ten behoeve van staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen van een Partij.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn in Bijlage A opgesomd in de in het eerste lid genoemde categorieën.
De Partijen stellen de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa of de Secretaris-Generaal van de OESO (hierna te noemen de „Depositarissen”) in kennis van iedere wijziging die dient te worden aangebracht in Bijlage A als gevolg van een aanpassing van de in het tweede lid bedoelde lijst. Een zodanige wijziging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van een desbetreffende kennisgeving door de Depositaris.
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen, vanaf de datum waarop zij zijn ingevoerd, die in een verzoekende Staat na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van die Partij worden geheven naast of in plaats van de in Bijlage A opgesomde bestaande belastingen; in dat geval stelt de betrokken Partij één van de Depositarissen ervan in kennis dat de belasting in kwestie is ingevoerd.
HOOFDSTUK II. ALGEMENE BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 3. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt, tenzij het zinsverband anders vereist, verstaan onder:
- a. de begrippen „verzoekende Staat” en „aangezochte Staat”: respectievelijk een Partij die verzoekt om administratieve bijstand in fiscale aangelegenheden en een Partij die een verzoek om verlening van zodanige bijstand ontvangt;
- b. het begrip „belasting”: iedere belasting premie of bijdrage voor de sociale zekerheid waarop het Verdrag van toepassing is ingevolge artikel 2;
- c. het begrip „verschuldigde belasting”: een bedrag aan belasting, alsmede rente daarover, administratieve boetes daarmee verband houdende en kosten verbonden aan de invordering, dat is verschuldigd en nog niet is betaald;
- d. het begrip „bevoegde autoriteit”: de in Bijlage B opgesomde personen en autoriteiten;
- e. het begrip „onderdanen”, met betrekking tot een Partij:
- i. alle personen die de nationaliteit van die Partij bezitten, en
- ii. alle rechtspersonen, vennootschappen, verenigingen en andere eenheden die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in die Partij van kracht is.
Voor iedere Partij die een daartoe strekkende verklaring heeft afgelegd, worden de hierboven gehanteerde begrippen opgave zoals omschreven in Bijlage C.
Voor de toepassing van het Verdrag door een Partij heeft ieder daarin niet omschreven begrip, tenzij het zinsverband anders vereist, de betekenis die het heeft krachtens de wetgeving van die Partij met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.
De Partijen stellen één van de Depositarissen in kennis van iedere wijziging die dient te worden aangebracht in de Bijlagen B en C. Een zodanige wijziging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van een zodanige kennisgeving door de desbetreffende Depositaris.
HOOFDSTUK III. VORMEN VAN BIJSTAND
Deel I. Uitwisseling van inlichtingen
Artikel 4. Algemene bepaling
De Partijen wisselen alle inlichtingen uit, met name zoals voorzien in dit deel, die naar verwachting van belang zijn voor de toepassing of handhaving van hun nationale wetten ter zake van de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is.
Geschrapt.
Iedere Partij kan, door middel van een aan een van de Depositarissen gerichte verklaring, te kennen geven dat haar autoriteiten volgens haar nationale wetgeving haar inwoner of onderdaan in kennis kunnen stellen alvorens hem betreffende inlichtingen te verstrekken, in overeenstemming met de artikelen 5 en 7.
Artikel 5. Uitwisseling van inlichtingen op verzoek
Op verzoek van de verzoekende Staat verstrekt de aangezochte Staat aan de verzoekende Staat alle in artikel 4 bedoelde inlichtingen die betrekking hebben op bepaalde personen of transacties.
Indien de inlichtingen die voorhanden zijn in de belastingdossiers van de aangezochte Staat niet voldoende zijn om deze in staat te stellen aan het verzoek om inlichtingen te voldoen, neemt die Staat alle passende maatregelen om de verzoekende Staat de gevraagde inlichtingen te verstrekken.
Artikel 6. Automatische uitwisseling van inlichtingen
Ten aanzien van categorieën van gevallen en in overeenstemming met procedures die zij in onderlinge overeenstemming vaststellen, wisselen twee of meer Partijen automatisch de in artikel 4 bedoelde inlichtingen uit.
Artikel 7. Spontane uitwisseling van inlichtingen
Een Partij verstrekt een andere Partij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen waarover zij beschikt in de volgende situaties:
- a. de eerstbedoelde Partij heeft redenen te veronderstellen dat door de andere Partij ten onrechte te weinig belasting zal worden geheven of een heffing ten onrechte achterwege is gebleven;
- b. een belastingplichtige verkrijgt een belastingvermindering of een vrijstelling van belasting in de eerstbedoelde Partij waardoor een belastingverhoging of belastingplicht zou ontstaan in de andere Partij;
- c. tussen een belastingplichtige in de ene Partij en een belastingplichtige in de andere Partij worden zaken gedaan via één of meer landen op zodanige wijze dat hieruit een belastingbesparing kan voortvloeien in de ene of de andere Partij of in beide Partijen;
- d. een Partij heeft redenen aan te nemen dat een belastingbesparing kan voortvloeien uit kunstmatige winstverschuivingen binnen groepen ondernemingen;
- e. inlichtingen, verstrekt aan de eerstbedoelde Partij door de andere Partij, hebben het mogelijk gemaakt dat inlichtingen worden verkregen die van belang kunnen zijn bij het vaststellen van de belastingplicht in de laatstbedoelde Partij.
Elke Partij neemt de maatregelen en legt de procedures ten uitvoer die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat de in het eerste lid beschreven inlichtingen beschikbaar worden gesteld om aan een andere Partij te worden toegezonden.
Artikel 8. Gelijktijdige boekenonderzoeken
Op verzoek van één van hen plegen twee of meer Partijen onderling overleg ten einde te bepalen welke gevallen worden onderworpen aan en procedures vast te stellen voor gelijktijdige boekenonderzoeken. Elke betrokken Partij beslist per geval of zij al dan niet deelneemt aan een gelijktijdig boekenonderzoek.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een gelijktijdig boekenonderzoek verstaan een regeling tussen twee of meer Partijen om gelijktijdig, elke Partij op haar eigen grondgebied, de fiscale aangelegenheden van een persoon of personen te onderzoeken waarbij zij een gemeenschappelijk belang of verwante belangen hebben, ten einde alle van belang zijnde inlichtingen die zij aldus verkrijgen, uit te wisselen.
Artikel 9. Boekenonderzoeken in het buitenland
Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat kan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat toestaan aanwezig te zijn bij het voor die Staat van belang zijnde gedeelte van een boekenonderzoek in de aangezochte Staat.
Indien het verzoek wordt ingewilligd, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk in kennis van het tijdstip en de plaats van het onderzoek, de autoriteit of de functionaris die is aangewezen om het onderzoek te verrichten, de te volgen procedures en de voorwaarden gesteld door de aangezochte Staat voor het verrichten van het onderzoek. Alle beslissingen met betrekking tot het verrichten van het boekenonderzoek worden genomen door de aangezochte Staat.
Een Partij kan de Depositarissen haar voornemen mededelen verzoeken zoals bedoeld in het eerste lid in de regel niet te aanvaarden. Een zodanige verklaring kan te allen tijde worden afgelegd of ingetrokken.
Artikel 10. Tegenstrijdige inlichtingen
Indien een Partij van een andere Partij inlichtingen over de belastingzaken van een persoon ontvangt die klaarblijkelijk in strijd zijn met inlichtingen waarover zij beschikt, deelt zij dit mede aan de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt.
Deel II. Bijstand bij invordering
Artikel 11. De invordering van verschuldigde belasting
Op verzoek van de verzoekende Staat onderneemt de aangezochte Staat, behoudens de bepalingen van de artikelen 14 en 15, de nodige stappen om verschuldigde belasting van de eerstbedoelde Staat in te vorderen alsof het aan hemzelf verschuldigde belasting betrof.
De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing op verschuldigde belasting die onderwerp is van een executoriale titel in de verzoekende Staat en, tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken Partijen, die niet wordt bestreden.
Indien de vordering echter een persoon betreft die geen inwoner van de verzoekende Staat is, is het eerste lid slechts van toepassing indien de vordering niet langer kan worden bestreden, tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken Partijen.
De verplichting om bijstand te verlenen bij het invorderen van verschuldigde belasting betreffende een overledene of zijn nalatenschap is beperkt tot de waarde van de nalatenschap of van de goederen verkregen door iedere begunstigde van de nalatenschap, afhankelijk van de vraag of de verschuldigde belasting dient te worden ingevorderd uit de nalatenschap of bij de erfgenamen.
Artikel 12. Conservatoire maatregelen
Op verzoek van de verzoekende Staat neemt de aangezochte Staat, met het oog op de invordering van een belastingbedrag, conservatoire maatregelen zelfs indien de vordering wordt bestreden en nog niet invorderbaar is.
Artikel 13. Documenten waarvan het verzoek vergezeld gaat
Het verzoek om administratieve bijstand krachtens dit Deel gaat vergezeld van:
- a. een verklaring dat de verschuldigde belasting van een soort is waarop het Verdrag van toepassing is en, in het geval van een verzoek om invordering, dat, behoudens artikel 11, tweede lid, de vordering niet wordt of niet kan worden bestreden;
- b. een officieel afschrift van de akte die het nemen van dwangmaatregelen toestaat in de verzoekende Staat, en
- c. ieder ander document dat vereist is voor invordering of conservatoire maatregelen.
De akte die het nemen van dwangmaatregelen toestaat in de verzoekende Staat wordt, indien passend en in overeenstemming met de in de aangezochte Staat van kracht zijnde bepalingen, zo spoedig mogelijk na de datum van ontvangst van het verzoek om bijstand aanvaard, erkend of aangevuld, dan wel vervangen door een akte die het nemen van dwangmaatregelen toestaat in de aangezochte Staat.
Artikel 14. Termijnen
Vragen betreffende het tijdvak waarbuiten niet langer kan worden ingevorderd vallen onder de wetgeving van de verzoekende Staat. Het verzoek om bijstand geeft bijzonderheden aangaande dat tijdvak.
Handelingen betreffende invordering, verricht door de aangezochte Staat ingevolge een verzoek om bijstand, die, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, een schorsende werking of een onderbreking van het in het eerste lid bedoelde tijdvak tot gevolg zouden hebben, worden geacht hetzelfde gevolg te hebben voor de toepassing van de wetgeving van de verzoekende Staat. De aangezochte Staat doet de verzoekende Staat mededeling van zodanige handelingen.
De aangezochte Staat is in geen enkel geval verplicht te voldoen aan een verzoek om bijstand dat wordt ingediend na het verstrijken van een tijdvak van 15 jaar vanaf de datum van de oorspronkelijke akte die het nemen van dwangmaatregelen toestaat.
Artikel 15. Prioriteit
De verschuldigde belasting bij de invordering waarvan bijstand wordt verleend, heeft in de aangezochte Staat niet de prioriteit die in het bijzonder wordt toegekend aan invordering van verschuldigde belasting van die Staat, ook al wordt dezelfde invorderingsprocedure toegepast als die welke op aan hemzelf verschuldigde belasting van toepassing is.
Artikel 16. Uitstel van betaling
De aangezochte Staat kan uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan indien zijn wetgeving of zijn administratieve praktijk dit toestaat in soortgelijke omstandigheden, echter niet zonder de verzoekende Staat hiervan eerst mededeling te doen.
Deel III. Bezorging van documenten
Artikel 17. Uitreiking van documenten
Op verzoek van de verzoekende Staat reikt de aangezochte Staat documenten uit aan de geadresseerde, met inbegrip van documenten betreffende rechterlijke beslissingen, die afkomstig zijn van de verzoekende Staat en verband houden met een belasting waarop dit Verdrag van toepassing is.
De aangezochte Staat reikt documenten uit:
- a. volgens een door zijn nationale wetgeving voorgeschreven methode voor uitreiking van documenten van in wezen soortgelijke aard;
- b. voor zover mogelijk, volgens een bepaalde door de verzoekende Staat verzochte methode of volgens een krachtens zijn eigen wetgeving bestaande methode die de verzochte methode het dichtst benadert.
Een Partij kan documenten rechtstreeks per post uitreiken aan een persoon die zich op het grondgebied van een andere Partij bevindt.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat deze de uitreiking van documenten door een Partij in overeenstemming met haar wetgeving ongeldig maakt.
Wanneer een document wordt uitgereikt in overeenstemming met dit artikel, behoeft het niet vergezeld te gaan van een vertaling. Indien echter met zekerheid is vastgesteld dat de geadresseerde de taal van het document niet begrijpt, treft de aangezochte Staat regelingen om het te doen vertalen of samenvatten in zijn officiële taal of één van zijn officiële talen. Een andere mogelijkheid is dat de aangezochte Staat de verzoekende Staat vraagt het document te doen vertalen in of vergezeld te doen gaan van een samenvatting in één van de officiële talen van de aangezochte Staat, de Raad van Europa of de OESO.
HOOFDSTUK IV. BEPALINGEN BETREFFENDE ALLE VORMEN VAN BIJSTAND
Artikel 18. Inlichtingen die dienen te worden verstrekt door de verzoekende Staat
Een verzoek om bijstand geeft aan voor zover van toepassing, inlichtingen betreffende:
- a. de autoriteit of instantie waarvan het door de bevoegde autoriteit ingediende verzoek afkomstig is;
- b. de naam, het adres of overige bijzonderheden die bijdragen aan de identificatie van de persoon op wie het verzoek betrekking heeft;
- c. in geval van een verzoek om inlichtingen, de vorm waarin de verzoekende Staat de inlichtingen bij voorkeur wenst te ontvangen;
- d. in geval van een verzoek om bijstand bij invordering of bij conservatoire maatregelen, de aard van de verschuldigde belasting, de bestanddelen van de verschuldigde belasting en de activa waarop de verschuldigde belasting kan worden verhaald;
- e. in geval van een verzoek om uitreiking van documenten, de aard en het onderwerp van het uit te reiken document;
- f. de vraag of het verzoek in overeenstemming is met de wetgeving en de administratieve praktijk van de verzoekende Staat en of het verzoek gerechtvaardigd is gezien de vereisten van artikel 21, tweede lid, onderdeel g.
Zodra de verzoekende Staat andere inlichtingen verkrijgt die verband houden met het verzoek om bijstand, zendt de verzoekende Staat deze aan de aangezochte Staat.
Artikel 19. De mogelijkheid een verzoek af te wijzen
Vervallen
Artikel 20. Antwoord op het verzoek om bijstand
Indien het verzoek om bijstand wordt ingewilligd, doet de aangezochte Staat de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk mededeling van de genomen maatregelen en van het resultaat van de bijstand.
Indien het verzoek wordt afgewezen, doet de aangezochte Staat de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk mededeling van deze beslissing en de reden daarvan.
Indien de verzoekende Staat ten aanzien van een verzoek om inlichtingen heeft aangegeven in welke vorm hij de inlichtingen wenst te ontvangen, en indien de aangezochte Staat in staat is hieraan te voldoen, verstrekt de aangezochte Staat de inlichtingen in de gevraagde vorm.
Artikel 21. Bescherming van personen en grenzen aan de verplichting tot het verlenen van bijstand
Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast de rechten en waarborgen aan die personen hebben volgens de wetgeving of de administratieve praktijk van de aangezochte Staat.
Behalve in het geval van artikel 14 worden de bepalingen van dit Verdrag niet zodanig uitgelegd dat zij de aangezochte Staat de verplichting opleggen:
- a. maatregelen te nemen die in strijd zijn met zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk of met de wetgeving of de administratieve praktijk van de verzoekende Staat;
- b. maatregelen te nemen die in strijd zouden zijn met de openbare orde (ordre public);
- c. inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens zijn eigen wetgeving of administratieve praktijk of de wetgeving of administratieve praktijk van de verzoekende Staat;
- d. inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde (ordre public);
- e. administratieve bijstand te verlenen indien en voor zover hij de belasting in de verzoekende Staat in strijd acht met algemeen aanvaarde beginselen van belastingheffing of met de bepalingen van een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting of met enig ander verdrag dat de aangezochte Staat heeft gesloten met de verzoekende Staat;
- f. administratieve bijstand te verlenen ten behoeve van de toepassing of handhaving van een bepaling van de belastingwetgeving van de verzoekende Staat die, of elk daarmee verband houdend vereiste dat, discriminatie inhoudt van een onderdaan van de aangezochte Staat ten opzichte van een onderdaan van de verzoekende Staat die zich in dezelfde omstandigheden bevindt;
- g. administratieve bijstand te verlenen indien de verzoekende Staat niet alle redelijke maatregelen heeft aangewend die hem uit hoofde van zijn wetgeving of administratieve praktijk ter beschikking staan, tenzij aanwending van die middelen zou leiden tot onevenredige moeilijkheden;
- h. bijstand bij de invordering te verlenen in gevallen waarin de administratieve last voor die Staat kennelijk niet in verhouding staat tot het voordeel te behalen door de verzoekende Staat.
Indien in overeenstemming met dit Verdrag om inlichtingen wordt verzocht door de verzoekende Staat, wendt de aangezochte Staat zijn maatregelen inzake het verzamelen van inlichtingen aan om de verzochte inlichtingen te verkrijgen, ongeacht het feit dat de aangezochte Staat ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke inlichtingen behoeft te beschikken. Op de in de vorige zin vervatte verplichting zijn de in dit Verdrag vervatte beperkingen van toepassing, maar deze beperkingen, in het bijzonder die van het eerste en tweede lid, mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een aangezochte Staat toegestaan is uitsluitend op grond van het feit dat hij geen nationaal belang heeft bij dergelijke inlichtingen te weigeren inlichtingen te verstrekken.
De bepalingen van dit Verdrag, in het bijzonder die van het eerste en tweede lid, mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een aangezochte Staat toegestaan is het verstrekken van inlichtingen te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat de betreffende gegevens berusten bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde, of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.
Artikel 22. Geheimhouding
Alle door een Partij krachtens dit Verdrag verkregen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden en beschermd als inlichtingen die krachtens de nationale wetgeving van die Partij zijn verkregen, en, voor zover nodig teneinde het noodzakelijke beschermingsniveau voor persoonsgegevens veilig te stellen, in overeenstemming met de waarborgen die de Partij die de gegevens verstrekt kan voorschrijven indien deze worden vereist krachtens haar nationale wetgeving.
Dergelijke inlichtingen worden in elk geval uitsluitend ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (met inbegrip van rechterlijke instanties en bestuurlijke of toezichthoudende lichamen) die betrokken zijn bij de heffing of inning van belastingen van die Partij, of bij de invordering van belastingen, de tenuitvoerlegging, of de vervolging ter zake van of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot belastingen van die Partij of bij het toezicht op het bovenstaande. Uitsluitend de bovenbedoelde personen of autoriteiten mogen van die inlichtingen gebruikmaken en uitsluitend voor die doeleinden. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid mogen zij de inlichtingen bekendmaken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen aangaande die belastingen.
Indien een Partij een voorbehoud heeft gemaakt als bedoeld in artikel 30, eerste lid, letter a, maakt geen enkele andere Partij die inlichtingen van die Partij verkrijgt, gebruik van deze inlichtingen ten aanzien van een belasting in een categorie waarop het voorbehoud van toepassing is. Evenzo maakt de Partij die het voorbehoud maakt geen gebruik van krachtens dit Verdrag verkregen inlichtingen ten aanzien van een belasting in een categorie waarop het voorbehoud van toepassing is.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid kan van inlichtingen die een Partij heeft ontvangen gebruik worden gemaakt voor andere doeleinden, indien die inlichtingen voor die andere doeleinden kunnen worden gebruikt krachtens de wetgeving van de Partij die de inlichtingen heeft verstrekt en indien de bevoegde autoriteit van die Partij toestemming voor dat gebruik verleent. Door een Partij aan een andere Partij verstrekte inlichtingen kunnen door de laatstbedoelde worden doorgegeven aan een derde Partij, afhankelijk van voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van de eerstbedoelde Partij.
Artikel 23. Rechtsgedingen
Rechtsgedingen betreffende door de aangezochte Staat krachtens dit Verdrag genomen maatregelen worden slechts aanhangig gemaakt bij de daartoe bevoegde instantie van die Staat.
Rechtsgedingen betreffende door de verzoekende Staat krachtens dit Verdrag genomen maatregelen, met name die welke, op het gebied van invordering, het bestaan of het bedrag van de verschuldigde belasting betreffen, of de akte die het nemen van dwangmaatregelen toestaat, worden slechts aanhangig gemaakt bij de daartoe bevoegde instantie van die Staat. Indien zodanige rechtsgedingen aanhangig worden gemaakt, doet de verzoekende Staat de aangezochte Staat daarvan mededeling, en deze schorst de procedure hangende de beslissing van die instantie. De aangezochte Staat neemt echter, indien daarom wordt verzocht door de verzoekende Staat, conservatoire maatregelen om de invordering van de verschuldigde belasting te waarborgen. Ook betrokkenen kunnen de aangezochte Staat mededeling doen van zodanige rechtsgedingen. Na ontvangst van een zodanige mededeling pleegt de aangezochte Staat, indien noodzakelijk, met de verzoekende Staat overleg over de aangelegenheid.
Zodra een definitieve beslissing in het rechtsgeding is gegeven, stelt de aangezochte Staat of de verzoekende Staat, al naar gelang, de andere Staat in kennis van de beslissing en van de gevolgen daarvan voor het verzoek om bijstand.
HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 24. Tenuitvoerlegging van het Verdrag
De Partijen plegen onderling overleg met betrekking tot de tenuitvoerlegging van dit Verdrag door tussenkomst van hun onderscheiden bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten kunnen hiertoe rechtstreeks overleg plegen en kunnen ondergeschikte autoriteiten machtigen namens hen op te treden. De bevoegde autoriteiten van twee of meer Partijen kunnen onderling overeenstemming bereiken over de wijze van toepassing van het Verdrag tussen hen.
Indien de aangezochte Staat van mening is dat de toepassing van dit Verdrag in een bepaald geval ernstige en onwenselijke gevolgen zou hebben, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte en van de verzoekende Staat elkaar en trachten zij de situatie in onderling overleg op te lossen.
Een coördinerend lichaam, samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Partijen, ziet toe op de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen en het functioneren van dit Verdrag, onder auspiciën van de OESO. Hiertoe beveelt het coördinerend lichaam iedere maatregel aan die kan bijdragen tot de verwezenlijking van de algemene doeleinden van het Verdrag. In het bijzonder treedt het op als forum voor het bestuderen van nieuwe methoden en procedures om de internationale samenwerking in belastingzaken te vergroten, en het kan, indien passend, herzieningen van of wijzigingen op het Verdrag aanbevelen. Staten die het Verdrag hebben ondertekend maar nog niet bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, hebben het recht als waarnemer vertegenwoordigd te zijn bij de vergaderingen van het coördinerend lichaam.
Een Partij kan het coördinerend lichaam vragen adviezen te geven over de uitlegging van de bepalingen van het Verdrag.
Indien zich moeilijkheden of twijfels voordoen tussen twee of meer Partijen aangaande de tenuitvoerlegging en interpretatie van het Verdrag, trachten de bevoegde autoriteiten van die Partijen de aangelegenheid in onderling overleg op te lossen. De bereikte oplossing wordt medegedeeld aan het coördinerend lichaam.
De Secretaris-Generaal van de OESO doet de Partijen en de Ondertekenende Staten die het Verdrag nog niet hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, mededeling van de adviezen die door het coördinerend lichaam zijn gegeven overeenkomstig de bepalingen van het vierde lid hierboven en in gevallen waarin op voet van het voorgaande lid onderlinge overeenstemming is bereikt.
Artikel 25. Talen
Verzoeken om bijstand en antwoorden daarop worden gesteld in één van de officiële talen van de OESO en van de Raad van Europa of in iedere andere taal waarover de betrokken Verdragsluitende Staten bilateraal overeenstemming hebben bereikt.
Artikel 26. Kosten
Tenzij door de Partijen bilateraal anders overeengekomen:
- a. worden gewone kosten, gemaakt in verband met het verlenen van bijstand, gedragen door de aangezochte Staat;
- b. worden buitengewone kosten, gemaakt in verband met het verlenen van bijstand, gedragen door de verzoekende Staat.
HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 27. Andere internationale overeenkomsten of regelingen
De mogelijkheden van bijstand voorzien bij dit Verdrag scheppen geen beperking voor en worden evenmin beperkt door mogelijkheden vervat in bestaande of toekomstige internationale overeenkomsten of andere regelingen tussen de betrokken Partijen of in andere akten die verband houden met samenwerking in belastingzaken.
Niettegenstaande het eerste lid, kunnen Partijen die lid zijn van de Europese Unie in hun onderlinge betrekkingen de mogelijkheden voor bijstand voorzien in het Verdrag toepassen indien deze meer ruimte voor samenwerking bieden dan de mogelijkheden geboden door de van toepassing zijnde regelgeving van de Europese Unie.
Artikel 28. Ondertekening en inwerkingtreding van het Verdrag
Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de lidstaten van de Raad van Europa en de lidstaten van de OESO. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij één van de Depositarissen.
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf Staten hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.
Ten aanzien van iedere lidstaat van de Raad van Europa of iedere lidstaat van de OESO die later zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Elke lidstaat van de Raad van Europa of van de OESO die na de inwerkingtreding van het Protocol tot wijziging van dit Verdrag, dat vanaf 27 mei 2010 openstaat voor ondertekening (het „Protocol van 2010”), Partij wordt bij het Verdrag, wordt Partij bij het Verdrag zoals gewijzigd bij dat Protocol, tenzij in een schriftelijke mededeling aan een van de Depositarissen blijk wordt gegeven van een ander voornemen.
Na de inwerkingtreding van het Protocol van 2010 kan elke Staat die geen lid is van de Raad van Europa of van de OESO verzoeken om een uitnodiging tot ondertekening en bekrachtiging van dit Verdrag zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010. Verzoeken daartoe worden gericht aan een van de Depositarissen die deze doorzenden naar de Partijen. De Depositaris stelt ook het Comité van Ministers van de Raad van Europa en de Raad van de OESO hiervan in kennis. De beslissing om Staten, die om een uitnodiging hebben verzocht, uit te nodigen Partij te worden bij dit Verdrag wordt door de Partijen bij het Verdrag via het coördinerend lichaam genomen met eenparigheid van stemmen. Voor een Staat die het Verdrag zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010 in overeenstemming met dit lid bekrachtigt, treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging bij een van de Depositarissen.
De bepalingen van dit Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, zijn van toepassing op administratieve bijstand ter zake van belastingtijdvakken beginnend op of na 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, voor een Partij in werking trad, of bij ontbreken van een belastingtijdvak, op administratieve bijstand ter zake van belastingvorderingen ontstaan op of na 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, voor een Partij in werking trad. Twee of meer Partijen kunnen onderling overeenkomen dat het Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, van toepassing is op administratieve bijstand ter zake van eerdere belastingtijdvakken of belastingvorderingen.
Niettegenstaande het zesde lid zijn de bepalingen van dit Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, vanaf de datum van inwerkingtreding ter zake van een Partij met betrekking tot eerdere belastingtijdvakken of belastingvorderingen van toepassing op belastingzaken waarbij sprake is van opzettelijke gedragingen die vervolgd kunnen worden krachtens de strafwetten van de verzoekende Partij.
Artikel 29. Territoriale toepassing van het Verdrag
Iedere Staat kan bij ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring aangeven op welk grondgebied of welke grondgebieden dit Verdrag van toepassing zal zijn.
Iedere Staat kan te allen tijde daarna door middel van een aan één van de Depositarissen gerichte verklaring de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring genoemd grondgebied. Het Verdrag treedt ten aanzien van dit grondgebied in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Depositaris.
Iedere krachtens het bepaalde in de twee voorgaande leden afgelegde verklaring kan, ten aanzien van ieder in die verklaring genoemd grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan één van de Depositarissen gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Depositaris.
Artikel 30. Voorbehouden
Een Staat kan bij ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of op iedere datum daarna, verklaren zich het recht voor te behouden:
- a. geen enkele vorm van bijstand te verlenen ten aanzien van de belastingen van de andere Partijen, opgesomd in artikel 2, eerste lid, letter b, op voorwaarde dat hij geen enkele nationale belasting in die categorie heeft opgenomen in Bijlage A bij het Verdrag;
- b. geen bijstand te verlenen bij de invordering van verschuldigde belasting, of bij de invordering van een administratieve boete, voor alle belastingen of slechts voor belastingen in één of meer van de categorieën opgesomd in artikel 2, eerste lid;
- c. geen bijstand te verlenen ten aanzien van belastingen die reeds verschuldigd waren op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van die Staat, of, indien eerder een voorbehoud is gemaakt krachtens letter a of letter b hierboven, op de datum van intrekking van een zodanig voorbehoud ten aanzien van belastingen in de desbetreffende categorie;
- d. geen bijstand te verlenen bij de uitreiking van documenten voor alle belastingen of slechts voor belastingen in één of meer van de categorieën opgesomd in artikel 2, eerste lid;
- e. de uitreiking van documenten per post, zoals voorzien in artikel 17, derde lid, niet toe te staan;
- f. de bepalingen van artikel 28, zevende lid, uitsluitend toe te passen op administratieve bijstand ter zake van belastingtijdvakken beginnend op of na 1 januari van het derde jaar voorafgaand aan het jaar waarin het Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, voor een Partij in werking trad, of bij ontbreken van een belastingtijdvak, op administratieve bijstand ter zake van belastingvorderingen ontstaan op of na 1 januari van het derde jaar voorafgaand aan het jaar waarin het Verdrag, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2010, voor een Partij in werking trad.
Geen enkel ander voorbehoud kan worden gemaakt.
Na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van een Partij kan die Partij één of meer van de in het eerste lid opgesomde voorbehouden maken die zij niet heeft gemaakt bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. Die voorbehouden worden van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van het voorbehoud door één van de Depositarissen.
Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt krachtens het eerste en het derde lid kan dit geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan één van de Depositarissen gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de datum van ontvangst van de kennisgeving door de desbetreffende Depositaris,
Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een bepaling van dit Verdrag kan niet van een andere Partij verlangen dat zij die bepaling toepast; zij kan echter, indien het voorbehoud gedeeltelijk is, verlangen dat de bepaling wordt toegepast voor zover zijzelf deze heeft aanvaard.
Artikel 31. Opzegging
Een Partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een aan één van de Depositarissen gerichte kennisgeving.
De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Depositaris.
Een Partij die het Verdrag opzegt, blijft gebonden door de bepalingen van artikel 22 zolang zij krachtens het Verdrag verkregen documenten of inlichtingen in haar bezit houdt.
Artikel 32. De Depositarissen en hun functies
De Depositaris bij wie een akte is nedergelegd dan wel een kennisgeving of mededeling is gedaan, stelt de lidstaten van de Raad van Europa en de lidstaten van de OESO en elke Partij bij dit Verdrag in kennis van:
- a. iedere ondertekening;
- b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;
- c. de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 28 en 29;
- d. iedere verklaring afgelegd ingevolge de bepalingen van artikel 4, derde lid, of artikel 9, derde lid, en de intrekking van iedere zodanige verklaring;
- e. ieder voorbehoud dat wordt gemaakt ingevolge de bepalingen van artikel 30 en de intrekking van ieder voorbehoud ingevolge de bepalingen van artikel 30, vierde lid;
- f. iedere kennisgeving ontvangen ingevolge de bepalingen van artikel 2, derde of vierde lid, artikel 3, derde lid, artikel 29, of artikel 31, eerste lid;
- g. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling betrekking hebbende op dit Verdrag.
De Depositaris die een mededeling ontvangt of een kennisgeving doet ingevolge de bepalingen van het eerste lid, doet daarvan onmiddellijk mededeling aan de andere Depositaris.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Strasbourg, the 25th day of January 1988, in English and French, both texts being equally authentic, in two copies of which one shall be deposited in the archives of the Council of Europe and the other in the archives of OECD. The Secretaries General of the Council of Europe and of OECD shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe and Member country of OECD.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)