Europees Vestigingsverdrag

Type Verdrag
Publication 1969-05-21
State In force
Source BWB
artikelen 39
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen welke dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het veilig stellen en verwezenlijken van de idealen en beginselen welke het gemeenschappelijk erfdeel zijn van zijn Leden, en het bevorderen van hun economische en sociale vooruitgang;

Beseffende dat de banden tussen de landen-leden van de Raad van Europa, zoals deze worden bevestigd in verdragen en overeenkomsten welke reeds in het kader van de Raad van Europa zijn gesloten - zoals het op 4 november 1950 ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het op 20 maart 1952 ondertekende Protocol bij dat Verdrag, het op 11 december 1953 ondertekende Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand en de twee op diezelfde datum ondertekende Europese Interim-Overeenkomsten inzake sociale zekerheid - een bijzonder karakter dragen;

Ervan overtuigd dat, door het sluiten van een regionaal verdrag, het vastleggen van gemeenschappelijke regels ten aanzien van de aan onderdanen van elk Lid op het grondgebied van de andere Leden toegekende behandeling het bereiken van grotere eenheid kan bevorderen;

Bevestigende dat de rechten en voorrechten welke zij aan elkanders onderdanen toekennen, uitsluitend worden verleend uit hoofde van de nauwe aaneensluiting welke, door middel van het Statuut, de landen-leden van de Raad van Europa verenigt;

Constaterende dat de algemene opzet van het Verdrag past in het kader van de organisatie van de Raad van Europa,

Zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK I. Binnenkomst, verblijf en verwijdering

Artikel 1

Elk der Verdragsluitende Partijen vergemakkelijkt voor onderdanen van de andere Partijen de toegang tot haar grondgebied voor een tijdelijk verblijf, en staat hun toe zich aldaar vrijelijk te verplaatsen, tenzij redenen van openbare orde, nationale veiligheid, volksgezondheid of goede zeden zich daartegen zouden verzetten.

Artikel 2

Onder de in artikel 1 van dit Verdrag vermelde voorwaarden vergemakkelijkt elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover zulks verenigbaar is met haar economische en sociale toestand, voor onderdanen van de andere Partijen het voortgezet of duurzaam verblijf op haar grondgebied.

Artikel 3

1.

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die rechtmatig op het grondgebied van een andere Partij wonen, kunnen slechts worden verwijderd indien zij een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of inbreuk maken op de openbare orde of goede zeden.

2.

Behoudens in gevallen dat dwingende overwegingen van nationale veiligheid zich daartegen verzetten, wordt een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond, niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan, tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij een bevoegde autoriteit of een of meer speciaal door de bevoegde autoriteit aangewezen personen.

3.

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die rechtmatig langer dan tien jaar op het grondgebied van enige andere Partij wonen, kunnen slechts worden verwijderd om redenen van nationale veiligheid of indien de andere in lid 1 van dit artikel genoemde redenen van bijzonder ernstige aard zijn.

HOOFDSTUK II. Uitoefening van burgerlijke rechten

Artikel 4

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij genieten op het grondgebied van een andere Partij een behandeling welke gelijk is aan die welke wordt genoten door onderdanen van laatstgenoemde Partij ten aanzien van het genot van de burgerlijke rechten, hetzij van persoonlijke hetzij van vermogensrechtelijke aard.

Artikel 5

In afwijking van de bepalingen van artikel 4 van dit Verdrag, kan iedere Verdragsluitende Partij, om redenen van nationale veiligheid of verdediging, de verwerving, het bezit of het gebruik van goederen, van welke soort ook, aan haar eigen onderdanen voorbehouden, of onderdanen van andere Partijen aan speciale voorwaarden welke voor vreemdelingen ten aanzien van zodanige goederen gelden, onderwerpen.

Artikel 6

1.

Afgezien van de gevallen welke betrekking hebben op nationale veiligheid of verdediging

  • (a). dient iedere Verdragsluitende Partij die de verwerving, het bezit of het gebruik van bepaalde soorten goederen aan haar eigen onderdanen heeft voorbehouden of, in het geval van vreemdelingen - waaronder begrepen onderdanen van andere Partijen -, aan bepaalde voorschriften heeft onderworpen, of de verwerving, het bezit of het gebruik van zodanige goederen afhankelijk heeft gesteld van wederkerigheid, op het ogenblik van ondertekening van dit Verdrag aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een lijst van deze beperkingen over te leggen waarop wordt aangegeven, op welke bepalingen van haar nationale wetgeving zodanige beperkingen zijn gebaseerd. De Secretaris-Generaal zendt deze lijsten door aan de andere ondertekenende Regeringen;
  • (b). voert, nadat dit Verdrag ten aanzien van enige Verdragsluitende Partij in werking is getreden, die Verdragsluitende Partij geen verdere beperkingen in ten aanzien van de verwerving, het bezit of het gebruik van enige soort goederen door onderdanen van de andere Partijen, tenzij zij zich daartoe verplicht ziet uit hoofde van dwingende redenen van economische of sociale aard of teneinde de monopolisering van de vitale bronnen van het land te verhinderen. In dat geval houdt zij de Secretaris-Generaal volledig op de hoogte van de genomen maatregelen, de daarop betrekking hebbende bepalingen van de nationale wetgeving en de beweegredenen voor dergelijke maatregelen. De Secretaris-Generaal deelt deze inlichtingen mede aan de andere Partijen.
2.

Iedere Verdragsluitende Partij tracht, ten gunste van onderdanen van de andere Partijen, haar lijst van beperkingen te verminderen. Zij doet van iedere zodanige wijziging mededeling aan de Secretaris-Generaal, die ze aan de andere Partijen mededeelt.

Iedere Partij tracht tevens aan onderdanen van andere Partijen die uitzonderingen op de algemene ten aanzien van vreemdelingen van kracht zijnde voorschriften toe te staan, als uit hoofde van de bepalingen van haar eigen wetgeving mogelijk is.

HOOFDSTUK III. Gerechtelijke en administratieve garanties

Artikel 7

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij genieten op het grondgebied van een andere Partij, onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van die andere Partij, volledige wettelijke en gerechtelijke bescherming van persoon en goed en van hun rechten en belangen. In het bijzonder hebben zij, op dezelfde wijze als onderdanen van die andere Partij, het recht zich te wenden tot de bevoegde gerechtelijke en administratieve instanties, en het recht zich te doen bijstaan door ieder persoon te hunner keuze die, volgens de wetten van het land, daartoe bevoegd is.

Artikel 8

1.

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij hebben, op het grondgebied van een andere Partij, recht op kosteloze rechtsbijstand onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van die andere Partij.

2.

Behoeftige onderdanen van een Verdragsluitende Partij hebben, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, er recht op dat uittreksels uit akten van de burgerlijke stand kosteloos aan hen worden verstrekt, voor zover dergelijke uittreksels kosteloos worden verstrekt aan behoeftige onderdanen van die andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 9

1.

Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden gevorderd van onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen, die hun domicilie of gewoon verblijf op het grondgebied van een van die Partijen hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een ander van die Partijen optreden.

2.

Dezelfde regel is van toepassing op de storting, welke tot dekking der gerechtskosten van eisers of tussenkomende partijen mocht worden gevorderd.

3.

De veroordelingen in de kosten van het geding, uitgesproken tegen de eiser of de tussenkomende partij, die hetzij krachtens de voorafgaande leden van dit artikel, hetzij krachtens de wet van het land waar het geding is aangelegd, vrijgesteld is van de zekerheidstelling, het dépôt of de storting, worden ingevolge een langs diplomatieke weg gedaan verzoek, kosteloos uitvoerbaar verklaard door de bevoegde autoriteit op het grondgebied van ieder der andere Verdragsluitende Partijen.

HOOFDSTUK IV. Uitoefening van op winst gerichte activiteit

Artikel 10

Iedere Verdragsluitende Partij machtigt onderdanen van de andere Partijen tot het op haar grondgebied uitoefenen van op winst gerichte activiteit op voet van gelijkheid met haar eigen onderdanen, tenzij genoemde Verdragsluitende Partij ernstige economische of sociale redenen heeft om deze machtiging niet te verlenen. Deze bepaling is van toepassing op, doch niet beperkt tot, industriële, commerciële, financiële en agrarische activiteiten, ambachten en de vrije beroepen, ongeacht het feit of de betrokken persoon voor eigen rekening werkt of in dienst is van een werkgever.

Artikel 11

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij aan wie door een andere Partij is toegestaan gedurende een bepaalde periode een op winst gerichte activiteit uit te oefenen, mogen, gedurende die periode, niet worden onderworpen aan beperkingen waarin op het ogenblik waarop de machtiging aan hen werd verleend niet was voorzien, tenzij zodanige beperkingen onder gelijke omstandigheden eveneens van toepassing zijn op onderdanen van die andere Partij.

Artikel 12

1.

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij wonen, zijn, zonder te worden onderworpen aan de in artikel 10 van dit Verdrag bedoelde beperkingen, gemachtigd enigerlei op winst gerichte activiteit uit te oefenen op voet van gelijkheid met onderdanen van de andere Partij, mits zij voldoen aan een van de hiernavolgende voorwaarden:

  • (a). zij moeten op dat grondgebied gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaar rechtmatig een op winst gerichte activiteit hebben uitgeoefend;
  • (b). zij moeten gedurende een ononderbroken tijdvak van tien jaar rechtmatig op dat grondgebied hebben gewoond;
  • (c). zij moeten toestemming hebben gekregen duurzaam op dat grondgebied te verblijven.

Iedere Verdragsluitende Partij kan, op het ogenblik van ondertekening of van nederlegging van haar akte van bekrachtiging van dit Verdrag, verklaren dat zij een of twee van bovenstaande voorwaarden niet aanvaardt.

2.

Zij kan tevens, overeenkomstig bovenstaande procedure, het in lid 1 (a) van dit artikel bepaalde tijdvak uitbreiden tot ten hoogste tien jaar met dien verstande dat na afloop van het eerste tijdvak van vijf jaar verlenging van de machtiging in geen geval kan worden geweigerd ten aanzien van de tot op dat ogenblik uitgeoefende activiteit. Een dergelijke verlenging mag eveneens niet afhankelijk worden gesteld van enige verandering van die activiteit. Zij kan tevens verklaren, dat zij niet in alle gevallen automatisch het recht zal verlenen van een dienstbetrekking over te gaan tot het uitoefenen van een zelfstandige activiteit.

Artikel 13

Iedere Verdragsluitende Partij kan aan haar eigen onderdanen de uitoefening voorbehouden van openbare ambten of activiteiten welke verband houden met nationale veiligheid of verdediging, dan wel de uitoefening van deze activiteiten door vreemdelingen aan speciale voorwaarden onderwerpen.

Artikel 14

1.

Afgezien van de in artikel 13 van dit Verdrag genoemde onderwerpen

  • (a). dient iedere Verdragsluitende Partij die bepaalde activiteiten aan haar eigen onderdanen heeft voorbehouden of de uitoefening van die activiteiten door vreemdelingen - waaronder begrepen onderdanen van de andere Partijen - afhankelijk heeft gesteld van bepalingen of van wederkerigheid, op het ogenblik van ondertekening van dit Verdrag aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een lijst van deze beperkingen over te leggen waarop wordt aangegeven, op welke bepalingen van haar nationale wetgeving zodanige beperkingen zijn gebaseerd. De Secretaris-Generaal zendt deze lijsten door aan de andere ondertekenende Regeringen;
  • (b). voert, nadat dit Verdrag ten aanzien van enige Verdragsluitende Partij in werking is getreden, die Partij geen nieuwe beperkingen in ten aanzien van de uitoefening van op winst gerichte activiteit door onderdanen van de andere Partijen, tenzij zij zich daartoe verplicht ziet uit hoofde van dwingende redenen van economische of sociale aard. In dat geval houdt zij de Secretaris-Generaal volledig op de hoogte van de genomen maatregelen, de daarop betrekking hebbende bepalingen van de nationale wetgeving en de redenen voor dergelijke maatregelen. De Secretaris-Generaal deelt deze inlichtingen aan de andere Partijen mede.
2.

Iedere Verdragsluitende Partij tracht, ten gunste van de onderdanen van de andere Partijen:

  • -. de lijst van activiteiten welke aan haar eigen onderdanen zijn voorbehouden of waarvan de uitoefening door vreemdelingen afhankelijk is gesteld van bepalingen of van wederkerigheid, te verminderen; zij doet van iedere zodanige wijziging mededeling aan de Secretaris-Generaal, die ze aan de andere Partijen mededeelt;
  • -. in individuele gevallen vrijstelling van de van kracht zijnde bepalingen toe te staan, voor zover haar wetten daarin voorzien.

Artikel 15

De uitoefening door onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Partij van een activiteit waarvoor onderdanen van die andere Partij een bewijs van vak- of technische bekwaamheid moeten bezitten of waarborgen moeten verstrekken, wordt afhankelijk gesteld van het verstrekken van dezelfde waarborgen of het bezit van dezelfde bewijzen van bekwaamheid of andere welke, volgens het oordeel van de bevoegde nationale autoriteit, daaraan gelijkwaardig zijn.

Onderdanen van de Verdragsluitende Partijen die rechtmatig hun beroep uitoefenen op het grondgebied van een Partij kunnen echter door een van hun collega's naar het grondgebied van een andere Partij worden geroepen ten einde in een bepaald geval bijstand te verlenen.

Artikel 16

Handelsreizigers die onderdanen zijn van een Verdragsluitende Partij en in dienst zijn van een onderneming wier voornaamste centrum van werkzaamheden ligt op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, hebben geen enkele machtiging nodig ten einde hun beroep op het grondgebied van een andere Partij uit te oefenen mits zij daar per half jaar niet langer dan twee maanden verblijven.

Artikel 17

1.

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij genieten op het grondgebied van een andere Partij ten aanzien van wettelijke, door een openbare instantie vastgestelde regelingen inzake lonen en arbeidsvoorwaarden in het algemeen, een behandeling welke niet minder gunstig is dan die welke wordt genoten door onderdanen van die andere Partij.

2.

De bepalingen van dit Hoofdstuk worden niet zo uitgelegd, dat zij een Verdragsluitende Partij verplichten op haar grondgebied aan onderdanen van een andere Partij ten aanzien van de uitoefening van op winst gerichte activiteit een behandeling toe te kennen welke gunstiger is dan die welke wordt toegekend aan haar eigen onderdanen.

HOOFDSTUK V. Individuele rechten

Artikel 18

Een Verdragsluitende Partij mag onderdanen van een andere Partij, die tenminste vijf jaar op het grondgebied van eerstgenoemde Partij rechtmatig een daarvoor geëigend beroep hebben uitgeoefend, niet verbieden onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen in de hoedanigheid van kiesman deel te nemen aan verkiezingen welke worden gehouden door economische of beroepslichamen of -organisaties, zoals Kamers van Koophandel of Landbouwverenigingen of Beroepsbonden, met inachtneming van de beslissingen welke zulke lichamen of organisaties in dit opzicht binnen de grenzen van hun bevoegdheid kunnen nemen.

Artikel 19

Het is onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Partij toegestaan, zonder enige andere beperkingen dan die welke van toepassing zijn op onderdanen van laatstgenoemde Partij, als scheidsmannen op te treden in scheidsrechterrijke procedures waarin de keuze van de scheidsmannen geheel aan de betrokken partijen is overgelaten.

Artikel 20

Voor zover de toelating tot het onderwijs is overgelaten aan de bevoegdheid van de Staat, worden onderdanen van iedere Verdragsluitende Partij die de schoolgaande leeftijd hebben en rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij wonen, onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van laatstgenoemde Partij toegelaten tot instellingen voor lager en middelbaar onderwijs en technisch en vakonderwijs. De toepassing van deze bepaling op het verstrekken van studiebeurzen wordt aan de beslissing van ieder der Partijen overgelaten. Voor onderdanen van schoolgaande leeftijd die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen bestaat leerplicht indien er ook leerplicht bestaat voor onderdanen van laatstgenoemde Partij.

HOOFDSTUK VI. Belastingheffing, burgerlijke dienstplicht, onteigening, nationalisatie

Artikel 21

1.

Onder voorbehoud van de bepalingen inzake dubbele belasting vervat in reeds gesloten of nog te sluiten overeenkomsten, worden onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij niet onderworpen aan andere, hogere of drukkender rechten, heffingen, belastingen of bijdragen, hoe ook genaamd, dan die welke onder soortgelijke omstandigheden van onderdanen van laatstgenoemde Partij worden gevorderd; zij hebben in het bijzonder recht op verminderingen of vrijstellingen van belastingen of heffingen en op alle aftrekken met inbegrip van aftrekken voor gezinsleden.

2.

Een Verdragsluitende Partij legt aan onderdanen van een andere Partij geen verblijfsbelasting op welke niet van haar eigen onderdanen wordt geëist. Deze bepaling verhindert echter niet dat in daarvoor in aanmerking komende gevallen heffingen worden gevorderd welke verband houden met administratieve formaliteiten zoals de afgifte van vergunningen en machtigingen welker bezit voor vreemdelingen is vereist, met dien verstande echter dat die heffingen niet hoger mogen zijn dan de aan zodanige formaliteiten verbonden kosten.

Artikel 22

Onderdanen van een Verdragsluitende Partij kunnen in geen geval worden verplicht op het grondgebied van een andere Partij andere of drukkender burgerlijke diensten te verrichten - hetzij van persoonlijke hetzij van vermogensrechtelijke aard - dan die welke worden geëist van onderdanen van laatstgenoemde Partij.

Artikel 23

Onverminderd de bepalingen van artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hebben onderdanen van iedere Verdragsluitende Partij, in het geval van onteigening of nationalisatie van hun eigendom door een andere Partij, recht op een behandeling die tenminste even gunstig is als de behandeling van onderdanen van die andere Partij.

HOOFDSTUK VII. Permanente Commissie

Artikel 24

1.

Binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt een Permanente Commissie ingesteld. Deze Commissie doet alle voorstellen welke erop zijn gericht de tenuitvoerlegging van het Verdrag in de praktijk te verbeteren en, indien zulks noodzakelijk is, zijn bepalingen te wijzigen of aan te vullen.

2.

Indien tussen de Partijen verschil van mening mocht ontstaan ten aanzien van de uitlegging of toepassing van de bepalingen van artikel 6, lid 1 (b), en artikel 14, lid 1 (b), van dit Verdrag, tracht de Commissie, op verzoek van een der betrokken Partijen, een zodanig geschil te regelen.

3.

De Commissie doet een periodiek verslag verschijnen dat alle inlichtingen bevat inzake de wetten en regelingen welke op het grondgebied van de Partijen van kracht zijn ten aanzien van in dit Verdrag geregelde zaken.

4.

Ieder Lid van de Raad van Europa dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, benoemt een vertegenwoordiger bij deze Commissie. Ieder ander Lid van de Raad kan zich doen vertegenwoordigen door een waarnemer met raadgevende stem.

5.

De Commissie wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

De eerste zitting vindt plaats binnen drie maanden na de datum van instelling. Daarna worden de zittingen tenminste eenmaal per twee jaar gehouden. De Commissie kan ook worden bijeengeroepen wanneer het Comité van Ministers van de Raad dit noodzakelijk acht. Het tijdvak van twee jaar wordt gerekend van de datum van het einde van de laatste zitting af.

6.

Meningen of aanbevelingen van de Permanente Commissie worden voorgelegd aan het Comité van Ministers.

7.

De Permanente Commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement op.

HOOFDSTUK VIII. Algemene bepalingen

Artikel 25

De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de bepalingen van de nationale wetgevingen, bilaterale of multilaterale verdragen of overeenkomsten welke van kracht zijn of van kracht kunnen worden en krachtens welke een gunstiger behandeling zou worden toegekend aan onderdanen van een of meer andere Verdragsluitende Partijen.

Artikel 26

1.

Ieder Lid van de Raad van Europa kan, op het ogenblik waarop het dit Verdrag ondertekent of waarop het zijn akte van bekrachtiging nederlegt, een voorbehoud maken ten aanzien van enigerlei afzonderlijke bepaling van het Verdrag voor zover een op dat ogenblik op zijn grondgebied van kracht zijnde wet niet in overeenstemming is met bedoelde bepaling. Voorbehouden van algemene aard zijn krachtens de bepalingen van dit artikel niet toegestaan.

2.

Ieder krachtens de bepalingen van dit artikel gemaakt voorbehoud bevat een korte vermelding van de betrokken wet.

3.

Ieder Lid van de Raad dat krachtens de bepalingen van dit artikel een voorbehoud maakt, trekt dit voorbehoud in zodra de omstandigheden dit veroorloven. Een zodanige intrekking geschiedt door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad gerichte mededeling en wordt van kracht op de datum van ontvangst van een zodanige mededeling. De Secretaris-Generaal doet aan alle Regeringen die dit Verdrag ondertekenen, de tekst van deze mededeling toekomen.

Artikel 27

Een Verdragsluitende Partij die in overeenstemming met de bepalingen van artikel 26 van dit Verdrag een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een afzonderlijke bepaling van het Verdrag, kan niet eisen dat bedoelde bepaling door een andere Partij wordt toegepast, behalve voor zover zij zelf de bepaling heeft aanvaard.

Artikel 28

1.

In tijd van oorlog of in geval van een andere algemene noodtoestand welke het bestaan van de natie bedreigt, kan iedere Verdragsluitende Partij maatregelen nemen welke afwijken van haar verplichtingen krachtens dit Verdrag in de mate waarin de toestand zulks absoluut vereist en onder voorbehoud dat zulke maatregelen niet in strijd zijn met haar andere verplichtingen krachtens het internationale recht.

2.

Iedere Verdragsluitende Partij die gebruik maakt van dit recht om af te wijken van haar verplichtingen krachtens dit Verdrag, houdt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa volledig op de hoogte van de maatregelen welke zij heeft genomen en de daaraan ten grondslag liggende redenen. Zij deelt de Secretaris-Generaal van de Raad ook mede, wanneer zulke maatregelen niet langer van kracht zijn en de bepalingen van het Verdrag wederom volledig worden toegepast.

HOOFDSTUK IX. Werkingssfeer van het Verdrag

Artikel 29

1.

Dit Verdrag is van toepassing op het grondgebied van het moederland van de Verdragsluitende Partijen.

2.

Ieder Lid van de Raad kan, op het ogenblik waarop het dit Verdrag ondertekent of bekrachtigt of op ieder later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte mededeling verklaren, dat dit Verdrag van toepassing is op het gebied of de gebieden welke in bedoelde verklaring worden genoemd en voor welks of welker internationale betrekkingen het verantwoordelijk is.

3.

Iedere in overeenstemming met de bepalingen van het voorgaande lid afgelegde verklaring kan, ten aanzien van ieder in zodanige verklaring genoemd gebied, worden ingetrokken met inachtneming van de in artikel 33 van dit Verdrag neergelegde voorwaarden.

4.

De Secretaris-Generaal doet aan de andere Leden van de Raad mededeling van iedere in overeenstemming met lid 2 en lid 3 van dit artikel hem toegezonden verklaring.

Artikel 30

1.

In dit Verdrag betekent „onderdanen”, natuurlijke personen die de nationaliteit van een van de Verdragsluitende Partijen bezitten.

2.

Geen Verdragsluitende Partij is verplicht de voordelen van dit Verdrag toe te kennen aan onderdanen van een andere Verdragsluitende Partij die hun gewoon verblijf hebben in een gebied van die andere Partij dat niet het moederland is en waarop dit Verdrag niet van toepassing is.

HOOFDSTUK X. Beslechting van geschillen

Artikel 31

1.

Ieder geschil dat tussen de Verdragsluitende Partijen zou kunnen rijzen ten aanzien van de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt, ingevolge speciale overeenstemming of op aanvraag van een der bij het geschil betrokken partijen, voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof, tenzij partijen overeenstemming bereiken over een andere wijze van vreedzame beslechting.

2.

Na de inwerkingtreding van het Europees Verdrag voor de vreedzame beslechting van geschillen, zullen Partijen bij dat Verdrag die bepalingen ervan welke voor hen bindend zijn toepassen op alle geschillen welke tussen hen zouden kunnen rijzen ten aanzien van dit Verdrag.

3.

Ieder geschil dat aan een in de voorgaande leden bedoelde procedure is onderworpen, wordt door de betrokken partijen onmiddellijk ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die hiervan onverwijld mededeling doet aan de andere Verdragsluitende Partijen.

4.

Indien een van de partijen bij een geschil niet aan haar verplichtingen welke zijn vervat in een beslissing van het Internationale Gerechtshof of een uitspraak van een scheidsrechterlijk tribunaal, voldoet, kan de andere partij zich wenden tot het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Dit Comité kan, indien het zulks noodzakelijk acht, met een meerderheid van twee derden der vertegenwoordigers welke gerechtigd zijn zitting te hebben in het Comité, aanbevelingen doen teneinde de tenuitvoerlegging van bedoelde beslissing of uitspraak te verzekeren.

HOOFDSTUK XI. Slotbepalingen

Artikel 32

Het aan dit Verdrag gehechte Protocol vormt een integrerend onderdeel van het Verdrag.

Artikel 33

1.

Een Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag slechts opzeggen na verloop van een tijdvak van vijf jaar, te rekenen van de datum waarop dit Verdrag te haren opzichte in werking treedt, na het zes maanden van te voren te hebben opgezegd door middel van een schriftelijke mededeling gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die zulks aan de andere Partijen mededeelt. Een Partij die niet op deze wijze gebruik maakt van het recht van opzegging blijft daarna gebonden voor verdere tijdvakken van twee jaar en kan dit Verdrag slechts opzeggen tegen de afloop van een zodanig tijdvak, na zes maanden van te voren schriftelijk te hebben opgezegd.

2.

Opzegging kan niet tot gevolg hebben dat de Verdragsluitende Partij ontslagen wordt van uit hoofde van dit Verdrag op haar rustende verplichtingen ten aanzien van een door haar vóór de datum waarop de opzegging van kracht werd, verrichte handeling.

3.

Onder dezelfde voorwaarden houdt iedere Verdragsluitende Partij die ophoudt Lid te zijn van de Raad van Europa, op Partij te zijn bij dit Verdrag.

Artikel 34

1.

Dit Verdrag staat open ter ondertekening door de Leden van de Raad van Europa. Het zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op de datum van nederlegging van de vijfde akte van bekrachtiging.

3.

Ten aanzien van elke ondertekenende Regering die het Verdrag daarna bekrachtigt, treedt het in werking op de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging.

4.

De Secretaris-Generaal doet aan alle Leden van de Raad mededeling van de inwerkingtreding van het Verdrag, van de namen van de Verdragsluitende Partijen die het hebben bekrachtigd, van alle voorbehouden en van elke nederlegging van een akte van bekrachtiging welke daarna plaatsvindt.

AFDELING I

Artikelen 1, 2, 3, 5, 6, lid 1 (b), 10, 13 en 14, lid 1 (b)

  • (a). Iedere Verdragsluitende Partij heeft het recht, nationale criteria aan te leggen bij de beoordeling van:
  • (1). „de redenen van openbare orde, nationale veiligheid, volksgezondheid of goede zeden” welke zich zouden kunnen verzetten tegen toegang van onderdanen van andere Partijen tot haar grondgebied;
  • (2). de „economische en sociale toestand” welke zich zou kunnen verzetten tegen toegang van onderdanen van andere Partijen voor voortgezet of duurzaam verblijf of de uitoefening van op winst gerichte activiteit op haar grondgebied;
  • (3). de omstandigheden welke een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of een inbreuk op de openbare orde of goede zeden;
  • (4). de in het Verdrag genoemde redenen om welke een Verdragsluitende Partij de verwerving, het bezit of het gebruik van goederen, van welke soort ook, of de uitoefening van bepaalde rechten en activiteiten aan haar eigen onderdanen kan voorbehouden, of onderdanen van andere Partijen in dit opzicht aan speciale voorwaarden kan onderwerpen.
  • (b). Het staat aan iedere Verdragsluitende Partij te beoordelen of de redenen voor verwijdering van „bijzonder ernstige aard” zijn. Bij deze beoordeling dient het gedrag van de betrokken persoon gedurende de gehele periode van verblijf in aanmerking te worden genomen.
  • (c). Een Verdragsluitende Partij mag de rechten van onderdanen van andere Partijen slechts beperken op grond van de in dit Verdrag vermelde redenen en voor zover dit verenigbaar is met de door de Partijen aangegane verplichtingen.

AFDELING II

Artikelen 1, 2, 3, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 20

  • (a). De voorschriften welke de toegang, het verblijf en het zich verplaatsen van vreemdelingen, alsmede hun recht om op winst gerichte activiteit uit te oefenen, regelen worden door dit Verdrag niet aangetast voor zover ze er niet mede in strijd zijn.
  • (b). Onderdanen van een Verdragsluitende Partij worden geacht rechtmatig op het grondgebied van een andere Partij te wonen indien zij aan de onder (a) bedoelde voorschriften hebben voldaan.

AFDELING III

Artikelen 1, 2 en 3

  • (a). Het begrip „openbare orde” dient te worden opgevat in de ruime betekenis die daaraan in de landen van het vasteland van Europa algemeen wordt gegeven. Een Verdragsluitende Partij kan een onderdaan van een andere Partij bijvoorbeeld toegang weigeren om politieke redenen, of indien er gronden zijn om aan te nemen dat hij niet in staat is de kosten van zijn verblijf te betalen of dat hij van plan is zonder de nodige vergunningen op winst gerichte activiteit uit te oefenen.
  • (b). Bij de uitoefening van hun erkende rechten, nemen de Verdragsluitende Partijen op zich rekening te houden met familiebanden.
  • (c). Het recht van verwijdering kan slechts in individuele gevallen worden uitgeoefend. De Verdragsluitende Partijen hanteren dit recht met die omzichtigheid welke de bijzondere banden welke tussen de Leden van de Raad van Europa bestaan met zich brengen. Zij houden in het bijzonder rekening met familiebanden en de duur van het verblijf van de betrokken persoon op hun grondgebied.

AFDELING IV

Artikelen 8 en 9

De artikelen 8 en 9 van dit Verdrag tasten op geen enkele wijze de verplichtingen aan welke zijn aangegaan krachtens de bepalingen van het te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering.

AFDELING V

Artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17

  • (a). De bepalingen van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 van dit Verdrag worden toegepast met inachtneming van de in de artikelen 1 en 2 neergelegde voorwaarden met betrekking tot toegang en wonen.
  • (b). Aan de echtgenoot of echtgenote van rechtmatig op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonende onderdanen van een andere Verdragsluitende Partij - alsmede aan de ten laste van die onderdanen komende kinderen - die toestemming hebben gekregen hen te vergezellen of zich wederom bij hen te voegen, zal het voor zover mogelijk worden toegestaan op dat gebied een dienstbetrekking te aanvaarden in overeenstemming met de in dit Verdrag neergelegde voorwaarden.
  • (c). De bepalingen van artikel 12 van dit Verdrag zijn niet van toepassing op onderdanen van een Verdragsluitende Partij die op het grondgebied van een andere Partij wonen ingevolge een speciale regeling of die aldaar op winst gerichte activiteit ingevolge speciale regelingen of overeenkomsten uitoefenen, zoals leden of personeel van diplomatieke of consulaire missies die niet ter plaatse zijn aangeworven, leden van de staf van internationale organisaties, stagiaires, volontairs, studenten en personen die een dienstbetrekking hebben aanvaard met het oogmerk hun vakopleiding te voltooien, bemanningen van schepen en luchtvaartuigen.
  • (d). Ten aanzien van de toepassing van artikel 16 van het Verdrag stellen de Verdragsluitende Partijen, in hun nationale wetgeving of regelingen, het beroep van handelsreiziger niet gelijk aan het beroep van reizend handelaar of venter.
  • (e). Het is welverstaan, dat artikel 16 alleen van toepassing is op handelsreizigers die optreden op aanwijzingen van een onderneming welke buiten het grondgebied van het land van ontvangst is gevestigd en die uitsluitend door die onderneming worden betaald.
  • (f). Artikel 17, lid 1, van dit Verdrag is niet van toepassing op het speciale geval van stagiaires ten aanzien van hun betaling.

AFDELING VI

Artikelen 2, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 25

  • (a). Het is welverstaan, dat dit Verdrag niet van toepassing is op industriële eigendom, auteursrecht en kwekersrechten, daar de regeling van deze onderwerpen is voorbehouden aan de daarop betrekking hebbende internationale verdragen of andere internationale overeenkomsten welke reeds in werking zijn getreden of nog in werking zullen treden.
  • (b). Die Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag die nu reeds gebonden zijn of nog gebonden zullen worden door de beslissingen van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking welke betrekking hebben op het in dienst nemen of hebben van onderdanen van de Regeringen die Lid van deze Organisatie zijn, passen, in hun onderlinge betrekkingen en ten aanzien van het vervullen van dienstbetrekkingen, de bepalingen van dit Verdrag of van bedoelde beslissingen toe, al naar gelang welke bepalingen een meer gunstige behandeling toekennen aan personen in dienstbetrekking. Bij de toepassing van de bepalingen van de artikelen 2, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 van dit Verdrag en bij de beoordeling van de in de artikelen 10 en 14 genoemde redenen van economische en sociale aard, houden zij zich aan de geest en de letter van genoemde beslissingen voor zover laatstgenoemde gunstiger voor personen in dienstbetrekking zijn dan de bepalingen van dit Verdrag.

AFDELING VII

Artikel 26, lid 1

De Verdragsluitende Partijen maken van hun recht tot het maken van voorbehouden slechts gebruik voor zover zij van oordeel zijn dat bepalingen van hun nationale wetgeving van overwegend belang zulks vereisen.

AFDELING VIII

Artikel 29, lid 1

  • (a). Voor wat betreft Frankrijk is dit Verdrag eveneens van toepassing op Algerië en de overzeese departementen.
  • (b). De Bondsrepubliek Duitsland kan de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot het „Land” Berlijn door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring. De Secretaris-Generaal doet daarvan mededeling aan de andere Verdragsluitende Partijen.

Artikel 29, lid 2

Ieder Lid van de Raad van Europa dat een verklaring aflegt in overeenstemming met de bepalingen van artikel 29, lid 2, van dit Verdrag, doet tegelijkertijd ten aanzien van de in zodanige verklaring genoemde gebieden aan de Secretaris-Generaal van de Raad de lijsten met beperkingen toekomen als bedoeld in artikel 6, lid 1, en artikel 14, lid 1; het doet tevens mededeling van iedere in overeenstemming met de bepalingen van artikel 12 afgelegde verklaring en van ieder in overeenstemming met de bepalingen van artikel 26 van dit Verdrag gemaakt voorbehoud.

Artikel 30

De uitdrukking „gewoon verblijf” wordt uitgelegd volgens de in het land waarvan de betrokken persoon onderdaan is geldende regelingen.

AFDELING IX

Artikel 31, lid 1

Verdragsluitende Partijen die geen partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof nemen de nodige stappen om toegang tot het Hof te verkrijgen.

In witness whereof, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

Done at Paris, this 13th day of December, 1955, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary-General shall transmit certified true copies to each of the Signatories.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)