Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting
Artikel 1
Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag zal de Bondsrepubliek een administratief bureau instellen, uitrusten en van personeel voorzien, welk bureau uit hoofde van de bepalingen van dit Hoofdstuk en de daarbij behorende Bijlage juwelen, zilverwerk en antieke meubelen (indien elk afzonderlijk voorwerp een grote waarde vertegenwoordigt) en culturele goederen opspoort, terugvordert en restitueert indien dergelijke voorwerpen en culturele goederen tijdens de bezetting van enig gebied daaruit werden weggevoerd door de strijdkrachten of autoriteiten van Duitsland of zijn bondgenoten of de individuele leden daarvan (al dan niet op bevel), nadat zij door middel van dwang werden verkregen (met of zonder geweld), door diefstal, door vordering of door andere vormen van gedwongen onteigening.
In het geval van culturele goederen welke in het betrokken land vóór de datum welke van toepassing is op dat land zoals in artikel 5 van dit Hoofdstuk is gespecificeerd aanwezig waren, vindt restitutie ook plaats
- (a). indien zij werden verkregen als een onder directe of indirecte dwang gedane gift of om redenen van de officiële positie van de ontvanger;
- (b). indien zij werden verkregen door middel van aankoop, tenzij de goederen het land waren binnengebracht met het doel ze te verkopen.
Waar het betreft juwelen, zilverwerk of antieke meubelen, kan restitutie geweigerd worden indien is komen vast te staan dat de betrokken goederen werden weggevoerd nadat zij van de oorspronkelijke eigenaar verkregen waren als tegenwaarde in het kader van een gewone handelstransactie, zelfs indien de betaling geschiedde in bezettingsbetaalmiddelen.
De uitdrukking „culturele goederen” omvat roerende goederen van godsdienstige, kunstzinnige, documentaire, wetenschappelijke of historische waarde, of van overeenkomstige betekenis, waaronder begrepen voorwerpen welke gewoonlijk in musea, openbare of particuliere verzamelingen, bibliotheken of historische archieven aangetroffen worden. De uitdrukking „antiek” omvat goederen welke bij de inwerkingtreding van dit Verdrag tenminste honderd jaar oud zijn. Met de uitdrukking „aanzienlijke waarde” wordt bedoeld een waarde van tenminste 200.000 Franse francs van de koopkracht op 1 Januari 1951.
Het in lid 1 van dit artikel bedoelde bureau zal op verzoek van de Drie Mogendheden of haar vertegenwoordigers inlichtingen verstrekken aangaande door dit bureau behandelde zaken en brengt elke drie maanden rapport uit over zijn werkzaamheden. Het archief van dit bureau wordt bewaard totdat anders wordt overeengekomen.
Artikel 2
Restitutie volgens artikel 1 van dit Hoofdstuk kan slechts aan de Bondsregering worden verzocht door de Regering van de Staat uit welks grondgebied de goederen werden weggevoerd. De Bondsregering kan een verzoek om restitutie verwerpen indien zulk een verzoek reeds als niet gegrond door de bevoegde instantie van een der Drie Mogendheden is afgewezen, uitgezonderd in gevallen waar bewijsmateriaal wordt aangevoerd dat voordien niet kon worden voorgelegd.
Restitutie van juwelen, zilverwerk of antieke meubelen kan slechts dan aan de Bondsregering worden verzocht indien een daartoe strekkend verzoek is ingediend bij een instantie van een der Drie Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag. Waar het culturele goederen betreft, kan geen nieuw verzoek worden ingediend na 8 Mei 1956. Indien in een bepaald geval de naspeuringen van het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau met betrekking tot opgeëiste goederen zonder succes zijn gebleven of indien zij op 8 Mei 1957 nog niet hebben geleid tot het ontdekken van de opgeëiste goederen en indien verdere naspeuringen hoogstwaarschijnlijk geen succes zullen opleveren staakt het bureau zijn bemoeiingen. Tegen een dergelijke beslissing kan door de betrokken partij krachtens artikel 7 beroep worden aangetekend bij de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland. Indien, nadat de naspeuringen gestaakt zijn, de opgeëiste goederen worden geïdentificeerd, kan de zaak wederom in behandeling worden genomen.
Bij een instantie van een der Drie Mogendheden ingediende eisen tot restitutie welke vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag niet geheel zijn afgehandeld en welke vallen binnen de bepalingen van artikel 1 van dit Hoofdstuk en van dit artikel, worden door de betrokken Mogendheid verwezen naar het in artikel 1 bedoelde Duitse bureau. Het Duitse bureau behandelt deze eisen alsof zij door de eisende Regering rechtstreeks bij dit bureau waren ingediend.
Voorlegging van een eis tot restitutie krachtens artikel 1 van dit Hoofdstuk ten behoeve van enige persoon of rechtspersoon sluit voorlegging krachtens artikel 3 uit; op dezelfde wijze sluit een krachtens artikel 3 ondernomen actie tot restitutie een eis tot restitutie krachtens artikel 1 uit.
Artikel 3
Ongeacht bepalingen in het Duitse recht van tegengestelde strekking, heeft elke persoon aan wie, of aan wiens rechtsvoorganger, tijdens de bezetting van een gebied goederen door diefstal of onder dwang (met of zonder geweld) door de strijdkrachten of de autoriteiten van Duitsland of zijn Bondgenoten of individuele leden daarvan zijn ontnomen (al dan niet op bevel) tegenover de huidige bezitter van die goederen aanspraak op restitutie, onder de volgende voorwaarden:
- (a). vergoeding door de eiser aan de beklaagde van de kosten welke zijn gemaakt ter verhoging van de waarde van de goederen nadat deze werden verkregen;
- (b). betaling door de eiser van de waarde van elke door hem of zijn rechtsvoorganger ontvangen vergoeding, welke op dezelfde wijze zal worden behandeld als Duitse activa welke zich op de datum van wegvoering in het land bevonden waaruit de goederen werden weggevoerd.
Een dergelijke aanspraak bestaat niet indien de huidige bezitter de goederen tien jaar lang of tenminste tot 8 Mei 1956 te goeder trouw in zijn bezit heeft gehad.
Elke eis tot restitutie krachtens lid 1 van dit artikel kan vóór 8 Mei 1956 of vóór het verstrijken van de tien jaar gedurende welke de bezitter de goederen te goeder trouw heeft bezeten, al naar gelang welk tijdstip later ligt, voor een Duits gerechtshof gebracht worden door elke onderdaan of ingezetene van een Staat welke is toegetreden tot het Statuut van de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubiek Duitsland.
Geen aanspraak op restitutie kan worden gemaakt indien, vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag, een verzoek door een Regering ten behoeve van de eiser tot restitutie van de desbetreffende goederen door een instantie van een der Drie Mogendheden als niet-gegrond werd verworpen, uitgezonderd in gevallen waar bewijsmateriaal wordt aangevoerd dat voordien niet kon worden voorgelegd.
Artikel 4
Indien te restitueren goederen, nadat zij in Duitsland zijn geïdentificeerd, in Duitsland zijn gebruikt of verbruikt voordat zij aan de eiser werden teruggegeven of vernietigd werden, gestolen of op andere wijze van de hand werden gedaan voordat zij door de eisende Regering of door een bevoegde instantie van één van de Drie Mogendheden voor verzending naar de eiser werden ontvangen, verleent de Bondsrepubliek schadevergoeding aan eisers die anders krachtens artikel 1 of 3 van dit Hoofdstuk recht zouden hebben gehad op restitutie of wier aanspraken bij het inwerkingtreden van dit Verdrag door een van de Drie Mogendheden zijn goedgekeurd.
Het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau doet, op aanvraag van de eiser die anders recht zou hebben op restitutie, een uitspraak ten aanzien van de eis tot vergoeding met betrekking tot goederen waarvan de restitutie verzocht had kunnen worden krachtens artikel 1 en 2. Het in artikel 3 bedoelde gerechtshof doet, indien door de eiser die anders recht zou hebben op restitutie een proces wordt begonnen, een uitspraak ten aanzien van de eis tot vergoeding met betrekking tot goederen waarvan de restitutie verzocht had kunnen worden krachtens artikel 3, mits de klager een onderdaan of een ingezetene is van een Staat welke is toegetreden tot het Statuut van de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland. Het indienen van de aanvraag en het beginnen van het proces mogen niet later geschieden dan één jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag of één jaar nadat de eiser bericht heeft ontvangen dat de goederen niet beschikbaar zijn, al naar gelang welk tijdstip later ligt.
Ongeacht de bepalingen van lid 2 van dit artikel, kunnen bij een instantie van een der Drie Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag ingediende eisen welke vallen binnen het kader van lid 1, door die Mogendheid worden verwezen naar het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau of bij dat bureau worden ingediend door de eisende Regering. Alle eisen krachtens dit lid worden verwezen naar of ingediend bij het bureau niet later dan zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag; dit bureau beslist ten aanzien van deze eisen.
Het in artikel 1 van dit Hoofdstuk bedoelde Duitse bureau erkent eisen tot restitutie welke door een der Drie Mogendheden zijn goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag. Het bureau aanvaardt ook als bewijs een verklaring door een der Drie Mogendheden dat de goederen welke het onderwerp waren van de eis niet door een bevoegde instantie van die Mogendheid voor verzending naar de eiser waren ontvangen.
Vergoeding krachtens dit artikel wordt toegekend tot een bedrag gebaseerd op de vervangingswaarde van de betrokken goederen op de datum van toekenning.
Artikel 5
De bepalingen van dit Hoofdstuk gelden voor de volgende landen van de daarnaast vermelde data af:
| Land | Datum |
|---|---|
| Oostenrijk ................................................... | 12 Maart 1938 |
| Tsjechoslowakije .......................................... | 1 April 1939 |
| Polen ........................................................................... | 1 September 1939 |
| Denemarken ............................................... | 9 April 1940 |
| Noorwegen ................................................. | 9 April 1940 |
| België ........................................................ | 10 Mei 1940 |
| Luxemburg ................................................. | 10 Mei 1940 |
| Nederland .................................................. | 10 Mei 1940 |
| Frankrijk .................................................... | 17 Mei 1940 |
| Griekenland ............................................... | 28 October 1940 |
| Zuidslavië .................................................. | 6 April 1941 |
| de Unie van Socialistische Sowjet Republieken .......................................... | 22 Juni 1941 |
| Italië .......................................................... | 3 September 1943 |
| Roemenië .................................................. | 12 September 1944 |
| Finland ...................................................... | 19 September 1944 |
| Bulgarije ................................................... | 28 October 1944 |
| Hongarije .................................................. | 20 Januari 1945 |
De bepalingen van dit Hoofdstuk hebben betrekking op openbare en particuliere goederen welke uit in lid 1 van dit artikel bedoelde gebieden werden weggevoerd.
Artikel 6
Indien de Bondsrepubliek met enige andere Mogendheid inzake aangelegenheden welke binnen het kader van dit Hoofdstuk vallen regelingen treft welke voor die andere Mogendheid gunstiger zijn dan de overeenkomstige bepalingen van dit Hoofdstuk, worden de voordelen van die nieuwe regelingen automatisch tot alle Mogendheden waarvoor de bepalingen van dit Hoofdstuk gelden uitgebreid.
Artikel 7
De Ondertekenende Staten stellen hierbij in een Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland, welke optreedt overeenkomstig de bepalingen van haar Statuut, hetwelk aan dit Verdrag is toegevoegd.
Op verzoek van de betrokken partij is elke eindbeslissing (Endentscheidung) door het Duitse bureau krachtens artikel 1, 2 of 4 van dit Hoofdstuk genomen, of door een Duits gerechtshof genomen krachtens artikel 3 of 4, onderhevig aan herziening door de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland.
Het verzoek aan de Commissie wordt door de betrokken partij binnen dertig dagen na de betekening van die beslissing gedaan. Indien het Duitse bureau of het Duitse gerechtshof niet binnen één jaar nadat de eis werd ingediend een uitspraak heeft gedaan, kan de eiser zijn eis rechtstreeks aan de Commissie voorleggen binnen dertig dagen na het verstrijken van het tijdvak van een jaar.
In elk aan haar voorgelegd geval, kan de Commissie zelf een eindbeslissing nemen met betrekking tot zulk een geval of kan het naar het Duitse bureau of het Duitse gerechtshof terugverwijzen vergezeld van die instructies welke de Commissie noodzakelijk of gepast acht.
De uitspraken van de Commissie zijn definitief en bindend voor de autoriteiten en de gerechtshoven van de Ondertekenende Staten en de andere Staten welke tot haar Statuut toetreden.
Afdeling 1
De Bondsregering stelt het in lid 1 van artikel 1 van het voorgaande hoofdstuk bedoelde administratieve bureau in als de Hogere Bondsautoriteit (Bundesoberbehörde).
Alle Duitse gerechtshoven en autoriteiten verlenen de Hogere Bondsautoriteit rechtskundige en andere officiële bijstand ingevolge artikel 35 van de „Basic Law”.
Afdeling 2
Aanvragen om restitutie ingevolge de artikelen 1 en 2 van het voorgaande Hoofdstuk, met uitzondering van die welke zijn genoemd in lid 3 van artikel 2, omvatten:
- (a). een beschrijving van de goederen waarvan restitutie wordt verlangd;
- (b). indien mogelijk, een aanduiding van de persoon welke de goederen in zijn bezit heeft op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend;
- (c). een beschrijving van de feiten waarop de aanspraak op restitutie is gebaseerd.
Gewaarmerkte afschriften van de documenten welke de aanspraak op restitutie ondersteunen worden aan de aanvraag gehecht of worden nadien overgelegd.
Afdeling 3
Aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 4 van het voorgaande hoofdstuk, met uitzondering van die welke zijn genoemd in lid 3 van dat artikel, omvatten:
- (a). een beschrijving van de goederen ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt verlangd;
- (b). inlichtingen betreffende de identificering in Duitsland van dergelijke goederen;
- (c). inlichtingen betreffende het gebruik, verbruik, de vernietiging, diefstal of verkoop van dergelijke goederen;
- (d). aanduiding van het geëiste bedrag;
- (e). inlichtingen betreffende alle andere aangelegenheden waarop de aanspraak is gebaseerd.
Gewaarmerkte afschriften van de documenten welke de eis tot schadevergoeding ondersteunen worden aan de aanvraag gehecht of worden nadien overgelegd.
Afdeling 4
Processen voor de Hogere Bondsautoriteit zijn kosteloos.
Afdeling 5
De Hogere Bondsautoriteit verricht de noodzakelijke naspeuringen. Tot dit doel kan zij uit eigen beweging (von Amts wegen) door middel van een versnelde procedure bewijsmateriaal verzamelen; in het bijzonder kan zij getuigen, deskundigen en de personen wier rechten door de restitutie worden aangetast, horen of deze personen voor een rechtbank doen horen. Indien een verhoor onder ede noodzakelijk blijkt, wordt de eed afgelegd voor een rechtbank. De Hogere Bondsautoriteit is gemachtigd een verklaring te accepteren in plaats van een eed (eides-stattliche Versicherungen).
Naast de aanvragende Regering worden al die personen als betrokken partijen beschouwd wier rechten door de restitutie zouden worden aangetast.
De betrokken partijen worden in de gelegenheid gesteld hun inzichten kenbaar te maken. Zij kunnen worden vertegenwoordigd door gemachtigden of rechtskundige adviseurs. Zij worden in kennis gesteld van de data van de vastgestelde verhoren in verband met de ondervragingen ingevolge de tweede zin van lid 1 van deze Afdeling en kunnen deze verhoren bijwonen. De door de betrokken partij ingediende documenten worden aan de andere partijen doorgezonden.
Afdeling 6
Indien verwezenlijking van de eis tot restitutie gevaar blijkt te lopen, geeft de Hogere Bondsautoriteit opdracht tot het nemen van de noodzakelijke tussentijdse maatregelen voor de beveiliging van de goederen.
Afdeling 7
In de beslissingen van de Hogere Bondsautoriteit worden schriftelijk de redenen vermeld waarop zij zijn gebaseerd. Deze beslissingen worden aan de betrokken partijen betekend.
Afdeling 8
De Hogere Bondsautoriteit neemt alle voor de restitutie noodzakelijke maatregelen. Indien nodig beveelt de Hogere Bondsautoriteit dat de te restitueren goederen worden onteigend ten gunste van de Bondsrepubliek welke de goederen doet toekomen (zuleiten) aan de persoon die restitutie eist.
De aard en het bedrag van de schadevergoeding aan personen die door de onteigening worden benadeeld, worden door een Bondswet vastgesteld.
Indien de Hogere Bondsautoriteit een in artikel 4 van het voorgaande Hoofdstuk bedoelde eis inwilligt, stelt zij het schadevergoedingsbedrag vast dat door de Bondsrepubliek moet worden betaald.
Artikel 1
Voor zover dit niet reeds is gebeurd, zal de Bondsrepubliek alle maatregelen treffen welke nodig zijn om te verzekeren dat de in lid 3 van dit artikel bedoelde staten, personen en maatschappijen teruggave van hun goederen in hun huidige toestand en herstel van hun rechten en belangen in het grondgebied der Bondsrepubliek kunnen verkrijgen voor zover deze goederen, rechten of belangen aan een discriminerende behandeling onderworpen waren. De goederen, rechten en belangen van de in lid 3 bedoelde staten, personen en maatschappijen worden door de Bondsrepubliek bevrijd van alle belemmeringen en lasten van elke aard waaraan zij als gevolg van een discriminerende behandeling eventueel onderworpen zijn. Geen kosten worden in rekening gebracht, noch in verband met de teruggave of het herstel van rechten en belangen, noch in verband met het wegnemen van belemmeringen of lasten. Billijke voorwaarden kunnen echter worden opgelegd om de onrechtvaardige verrijking van enigerlei in lid 3 bedoelde staat, persoon of maatschappij tegen te gaan.
Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag stelt de Bondsrepubliek de in de Bijlage bij dit Hoofdstuk omschreven procedure voor het indienen en behandelen van op de bepalingen van dit artikel gebaseerde eisen tot schadevergoeding en voor de voldoening van op deze eisen gebaseerde beslissingen vast en geeft hieraan behoorlijke openbaarheid. De Bondsrepubliek stelt ook, voor zover dit mogelijk is, alle gegevens omtrent het beheer uitgeoefend door beheerders van goederen, rechten of belangen ter beschikking aan iedere belanghebbende partij welke hierom verzoekt.
De volgende rechtspersonen en personen kunnen aanspraken doen gelden krachtens de bepalingen van dit artikel:
- (a). leden der Verenigde Naties en hun onderdanen,
- (b). de rechtsopvolgers van die onderdanen, en
- (c). krachtens het Duitse recht georganiseerde maatschappijen waarin onderdanen van leden der Verenigde Naties aandelen bezitten,
mits zulke onderdanen of hun rechtsopvolgers, met uitzondering van directe rechtsopvolgers krachtens erfenis of testamentaire beschikking, onderdanen van leden der Verenigde Naties waren op het ogenblik waarop de discriminerende behandeling plaats vond.
De uitdrukking „discriminerende behandeling”, zoals deze in dit artikel wordt gebruikt, betekent maatregelen van allerlei aard welke tussen 1 September 1939 en 8 Mei 1945 zijn toegepast op enigerlei goederen, rechten of belangen als gevolg van buitengewone niet algemeen op alle niet-Duitse goederen, rechten en belangen van toepassing zijnde bepalingen welke schade, verlies of benadeling ten gevolge hadden zonder de vrijwillige toestemming van de belanghebbende partijen en zonder betaling van toereikende schadevergoeding. Elk handelen of nalaten krachtens de Duitse beschikking inzake de behandeling van vijandelijke eigendommen van 15 Januari 1940 of enige wijziging op deze beschikking, of enige andere regeling welke een zelfde doel beoogde, kan worden beschouwd als een discriminerende behandeling, zelfs indien zulk een handelen of nalaten binnen het kader lag van die beschikking, wijziging of regeling, indien blijkt dat
- (a). buitenlandse goederen, rechten of belangen er schade door hebben geleden; en
- (b). deze schade voorkomen had kunnen worden zonder inbreuk te maken op die beschikking, wijziging of regeling.
De bepalingen van dit artikel gelden niet voor eisen tot schadevergoeding behandeld in de Hoofdstukken Drie en Vier van dit Verdrag.
Onder de bepalingen van dit artikel valt niet schadevergoeding voor verlies van of schade aan goederen, rechten of belangen, veroorzaakt door een discriminerende behandeling of indirect of direct op enigerlei andere wijze het gevolg van de oorlog, doch tasten niet het recht van een lid van de Verenigde Naties aan om tijdens onderhandelingen over een vredesregeling enigerlei eis tot schadevergoeding van dien aard in te dienen met betrekking tot zijn eigen goederen, rechten of belangen of die van zijn onderdanen.
Artikel 2
Voor zover zij betrekking hebben op buitenlandse schuldeisers van Duitse schuldenaren, blijven de Bondswetten inzake uitsluitings- en verjaringstijdvakken van 28 December 1950 en 30 Maart 1951 (Gesetz über den Ablauf der durch Kriegs- oder Nachkriegsvorschriften gehemmten Fristen und Gesetz zur Ergänzung des Gesetzes über den Ablauf der durch Kriegs- oder Nachkriegsvorschriften gehemmten Fristen, Bundesgesetzblatt 1950 Seite 821 und 1951 Teil I Seite 213) alsmede Wet No. 67 van de Geallieerde Hoge Commissie inzake dezelfde materie van kracht. Deze wetgeving wordt door de Bondsrepubliek in overeenstemming met de andere ondertekenende staten herzien op basis van de bepalingen van de Overeenkomst inzake Duitse buitenlandse schulden, gesloten te Londen op 27 Februari 1953, voor zover deze wetgeving betrekking heeft op eisen tot schadevergoeding welke in die Overeenkomst worden behandeld.
Artikel 3
Ongeacht de bepalingen van de uiteindelijke vredesregeling met Duitsland, genieten de leden der Verenigde Naties en hun onderdanen, op dezelfde basis als Duitse onderdanen die op het grondgebied van de Bondsrepubliek wonen, die vergoeding voor oorlogsschade met betrekking tot goederen welke zich op het grondgebied der Bondsrepubliek bevinden als door de Bondsrepubliek of een van haar „Länder” kunnen worden verschaft, doch geen Integratiehulp (Eingliederungshilfe) of Huisvestingshulp (Wohnraumhilfe).
Artikel 4
De Bondsrepubliek bevestigt dat volgens het Duitse recht de staat van oorlog op zichzelf niet de verplichting aantast tot betaling van geldschulden welke voortvloeien uit verplichtingen en contracten welke bestonden vóór het begin van de staat van oorlog, noch de rechten welke vóór dat tijdstip werden verworven.
Artikel 5
Iedere onderdaan van een lid der Verenigde Naties of de rechtsopvolger van zulk een onderdaan die ook onderdaan van een lid der Verenigde Naties is heeft het recht om binnen een jaar van de inwerkingtreding van dit Verdrag af een proces te beginnen voor de herziening van een door een Duits gerechtshof tussen 1 September 1939 en 8 Mei 1945 gedane uitspraak in enigerlei proces waarbij zulk een onderdaan partij was en physiek, zedelijk of wettelijk niet in staat was zijn zaak behoorlijk te behartigen.
Artikel 6
In afwachting van een definitieve regeling van de vorderingen op Duitsland welke voortvloeien uit de oorlog, zijn de in lid 2 van dit artikel omschreven personen en hun goederen vrijgesteld van bijzondere belastingen, heffingen of zakelijke belastingen welke daadwerkelijk op de goederen drukken en welke worden opgelegd met de vooropgezette bedoeling daaruit onkosten te bestrijden welke voortvloeien uit de oorlog of uit herstelbetalingen of restituties aan enig lid der Verenigde Naties.
In de gevallen waarin zodanige belasting, heffing of zakelijke belasting slechts gedeeltelijk wordt geheven voor de in lid 1 van dit artikel omschreven doeleinden, wordt de vrijstelling in beginsel verleend in verhouding tot het deel van zodanige belastingen, heffingen of zakelijke belastingen dat voor die doeleinden wordt geheven. In de bijzondere gevallen van de heffingen voorgeschreven door de wetgeving van de Bizonale Economische Raad en door de overeenkomstige wetgeving van de „Länder” Rheinland-Pfalz, Baden en Württemberg-Hohenzollern inzake onmiddellijke hulp (Soforthilfe) en door de Wet inzake een gelijkmatige verdeling van lasten van 14 Augustus 1952 (Bundesgesetzblatt I Seite 446), zijn de in de volgende bepalingen van dit artikel omschreven personen en goederen, tot een aldaar vastgestelde grens, vrijgesteld van betalingen welke dienden te geschieden in de periode van 6 jaar van 1 April 1949 tot 31 Maart 1955 als heffingen inzake onmiddellijke hulp en als vermogensheffing krachtens de gelijkmatige verdeling van lasten:
- (a). natuurlijke personen die op de datum van de geldsanering (21 Juni 1948) onderdaan waren van enig lid der Verenigde Naties, en maatschappijen, verenigingen van personen en trusts (Körperschaften, Personenvereinigungen und Vermögensmassen) welke, onafhankelijk, onderworpen zijn aan belastingheffing krachtens het Duitse recht en welke zijn opgericht overeenkomstig de wetten van een der leden van de Verenigde Naties, worden, indien zij aan een onbeperkte belastingplicht zijn onderworpen, vrijgesteld ten aanzien van alle hun toebehorende goederen in de Bondsrepubliek of Berlijn (West). Onderdanen van elke in art. 1 (c) van Wet No. 54 van de Geallieerde Hoge Commissie bedoelde gebiedseenheid of staat genieten dezelfde vrijstelling indien zij op enig ogenblik tussen 1 September 1939 en 21 Juni 1948 de nationaliteit bezaten van een der leden van de Verenigde Naties;
- (b). maatschappijen welke zijn opgericht overeenkomstig het Duitse recht en welke, onafhankelijk, onderworpen zijn aan belastingheffing en waarin natuurlijke personen of maatschappijen, verenigingen van personen of trusts als omschreven in lid 2 (a) van dit artikel, zowel op 21 Juni 1948 als op 8 Mei 1945, rechtstreeks of door middel van andere maatschappijen, een aandelenbelang hadden van ten minste 85 procent, worden vrijgesteld naar verhouding van dit aandelenbelang;
- (c). natuurlijke personen die niet overeenkomstig de bepalingen van lid 2 (a) voor vrijstelling in aanmerking komen en die in het kader van de in lid 1 (a) van artikel 1 van Hoofdstuk Drie van dit Verdrag aanspraak maken op of aanspraak hebben gemaakt op restitutie of schadevergoeding, worden vrijgesteld voor de eerste 150.000 DM van de waarde of van het bedrag van alle vermogenswaarden welke aan hen zijn of zullen worden overgedragen ingevolge rechtsgeldige beslissingen of geregistreerde overeenkomsten in het kader van zodanige wetgevingen en welke aan belastingheffing onderworpen zouden zijn overeenkomstig de bepalingen betreffende heffingen inzake onmiddellijke hulp of overeenkomstig de vermogensheffing krachtens de gelijkmatige verdeling van lasten;
- (d). de in (a) tot en met (c) van dit lid voorgeschreven vrijstellingen treden niet buiten werking op grond van het feit dat de betrokken goederen op of na 21 Juni 1948 op andere personen zijn overgegaan.
In lid 2 (a) van dit artikel wordt een persoon die op 21 Juni 1948 wel, doch op 8 Mei 1945 geen eigenaar was van bepaalde goederen, geacht op 8 Mei 1945 eigenaar van deze goederen te zijn geweest indien -
- (a). de goederen op 8 Mei 1945 het eigendom waren van een persoon (onverschillig van welke nationaliteit) van wie hij de goederen verkreeg door erfopvolging (door een of een opeenvolging van overervingen of testamentaire beschikkingen); of
- (b). hij de goederen na 8 Mei 1945 verwierf in ruil voor andere goederen welke zijn eigendom waren op die datum (bijvoorbeeld door koop); of
- (c). de betrokken goederen gerestitueerde goederen van enigerlei aard zijn zonder beperking ten aanzien van de waarde of het bedrag als bedoeld in lid 2 (c) van dit artikel.
Voor de doeleinden van lid 2 (b) van dit artikel zijn de bepalingen van lid 3 van dit artikel mutatis mutandis van kracht.
Indien betalingen verricht overeenkomstig de bepalingen van de onmiddellijke hulp door natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen en trusts rechthebbende op vrijstelling krachtens lid 2 van dit artikel, uitgaan boven de voor diezelfde periode vervallende bedragen van de vermogensheffing waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen van lid 2, wordt het teveel betaalde niet later dan drie maanden na de vervaldatum van de door het Duitse belastingkantoor ten aanzien van de vermogensheffing opgelegde aanslag hetzij terugbetaald of verrekend met betalingsverplichtingen welke zijn vervallen of binnen drie maanden daarna zullen vervallen.
In gevallen waarin natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen of trusts krachtens dit artikel vrijstelling van vermogensheffing genieten, is het jaarlijkse bedrag dat moet worden betaald met betrekking tot de vermogensheffing voor de periode na de afloop van de vrijstelling niet, noch vanwege deze vrijstelling noch vanwege het niet betalen van de vermogensheffing of de heffing inzake onmiddellijke hulp, hoger dan het jaarlijkse bedrag dat betaald moet worden door niet-vrijgestelde natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen of trusts die de heffing inzake onmiddellijke hulp ten volle hebben betaald. Indien bij de berekening van de vermogensheffing de heffing inzake onmiddellijke hulp dient te worden gecompenseerd op de wijze voorgesteld in het aan de Bundestag (Bundestag Document No. 3300) voorgestelde wetsontwerp, dat wil zeggen door de heffing inzake onmiddellijke hulp af te trekken van het totaal verschuldigde bedrag uit hoofde van de vermogensheffing, dan wordt in gevallen waarin geen heffing inzake onmiddellijke hulp is opgelegd driemaal het jaarlijkse basis bedrag uit hoofde van de vermogensheffing afgetrokken van het totaal verschuldigde bedrag; het jaarlijkse basis bedrag is voor dit doel het bedrag dat ontstaat door de jaarlijkse belastingtarieven toe te passen op het totaal verschuldigde bedrag.
Bij de berekening van het verschuldigde bedrag voor alle andere heffingen uit hoofde van de wet inzake een gelijkmatige verdeling van lasten worden natuurlijke personen, maatschappijen, verenigingen van personen en trusts welke de vrijstellingen genieten krachtens dit artikel, behandeld alsof zij het volle bedrag der vermogensheffing hadden betaald.
In gevallen bedoeld in lid 2 (a) van dit artikel hebben zowel de maatschappij en iedere aandeelhouder die van mening is dat de maatschappij dient te worden vrijgesteld, recht op alle beschikbare rechtsmiddelen.
Artikel 7
Ten einde de belangen van buitenlandse onderdanen te beschermen, blijven de volgende wetgevingen van kracht:
- (a). op het gebied van de wetgeving inzake de munthervorming:
- (i). vervallen.
- (ii). de wetten van de Geallieerde Hoge Commissie No. 57 (Status van bepaalde financiële instellingen krachtens de wetgeving inzake de geldsanering) en No. 65 (Derde wijziging van de wetgeving inzake de munthervorming) welke de Herwaarderingswetten aanvullen, wijzigen en uitleggen;
- (b). vervallen;
- (c). op andere gebieden:
- (i). vervallen.
- (ii). vervallen.
- (iii). Wet No. 34 van de Geallieerde Hoge Commissie inzake de toepassing van de ruilverkaveling op eigendommen van niet-Duitse onderdanen, als gewijzigd bij de wetten Nos. 50, 60, 64 en 72 van de Geallieerde Hoge Commissie: deze wetten worden echter geacht verder als volgt te zijn gewijzigd:
- (1). het tijdvak van een jaar beginnend op de datum van verwerving als bedoeld in lid 2 van artikel 2 van Wet No. 34, is, voor wat betreft een verwerving door overerving of een testamentaire beschikking, slechts van toepassing op een verwerving welke heeft plaats gevonden voor 31 December 1952;
- (2). een landeigenaar ten aanzien van wie betwist werd dat hij een niet-Duitse nationaliteit bezat en die derhalve niet in de gelegenheid was zijn land voor 29 Februari 1952 van de hand te doen ingevolge lid 1 van artikel 2 van Wet No. 34 van de Geallieerde Hoge Commissie, kan binnen een tijdvak van een jaar beginnend op de datum waarop kwam of is komen vast te staan dat hij niet de Duitse nationaliteit bezat, zijn land van de hand doen;
- (3). landeigenaars die zowel de Duitse als een niet-Duitse nationaliteit bezaten worden binnen het kader van deze wetten geacht niet-Duitse onderdanen te zijn indien hun eigendommen te eniger tijd tussen 1 September 1939 en 8 Mei 1945 onderworpen waren aan de bepalingen van de Duitse beschikking inzake de behandeling van vijandelijke eigendommen van 15 Januari 1940 of enige wijziging op deze beschikking, of enige andere regeling welke een zelfde doel beoogde. In een zodanig geval is het tot 31 December 1952 geoorloofd het land van de hand te doen.
Artikel 8
Wet No. 8 van de Geallieerde Hoge Commissie inzake de industriële, litteraire en artistieke eigendomsrechten van buitenlandse mogendheden en onderdanen, als gewijzigd bij de wetten No. 30, 39, 41 en 66 van de Geallieerde Hoge Commissie alsmede de eerste en tweede uitvoeringsbeschikking krachtens wet No. 8 van de Geallieerde Hoge Commissie van 8 Mei 1950 en 9 November 1950 (Bundesgesetzblatt Seite 357 und Seite 785) blijven van kracht.
De bepalingen van wet No. 8 van de Geallieerde Hoge Commissie, als gewijzigd, tot regeling van geschillen welke voortvloeien uit de toepassing van die wet, worden echter geacht als volgt te zijn gewijzigd:
- (a). tegen een beslissing in hoger beroep van het Octrooibureau of zijn Grote Senaat of tegen een beslissing in eerste aanleg van de gewone gerechtshoven kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 12 van dit Hoofdstuk en het Statuut van de Scheidsrechterlijke Commissie in beroep worden gegaan bij de in artikel 12 van dit Hoofdstuk genoemde Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland;
- (b). de bevoegdheden van de Bezettingsautoriteiten ingevolge de laatste zin van artikel 2 en lid 3 van artikel 7 van Wet No. 8 vervallen.
Artikel 9
In dit Hoofdstuk heeft de uitdrukking „Leden der Verenigde Naties” dezelfde betekenis als in Wet No. 54 van de Geallieerde Hoge Commissie welke voor dit doel van kracht blijft.
Behalve wanneer anders is bepaald betekent in dit Hoofdstuk de uitdrukking „onderdanen van leden van de Verenigde Naties”:
- (a). natuurlijke personen die onderdaan zijn van enig lid der Verenigde Naties. Natuurlijke personen die de nationaliteit bezitten van enig lid der Verenigde Naties en tevens de Duitse nationaliteit worden geacht uitsluitend onderdanen van een lid van de Verenigde Naties te zijn indien hun eigendommen in Duitsland te eniger tijd tussen 1 September 1939 en 8 Mei 1945 onderworpen waren aan een van de bepalingen van de Duitse beschikking inzake de behandeling van vijandelijke eigendommen van 15 Januari 1940 of enige wijziging op die beschikking, of enige andere regeling welke eenzelfde doel beoogde tenzij zodanig eigendom daarvan was vrijgesteld uit hoofde van een speciale toestemming van de Minister van Justitie van het „Reich”;
- (b). rechtspersonen of verenigingen van personen opgericht krachtens de wetten van de leden der Verenigde Naties.
Artikel 10
Indien de Bondsrepubliek met enige andere Mogendheid inzake onderwerpen welke vallen binnen het kader van de artikelen 1 tot en met 9 van dit Hoofdstuk regelingen treft welke voor een zodanige Mogendheid gunstiger zijn dan de overeenkomstige bepalingen van die artikelen, worden de voordelen van zulke nieuwe regelingen automatisch uitgestrekt tot alle Mogendheden welke van de overeenkomstige bepalingen van die artikelen genieten.
Artikel 11
In de verwachting dat een dergelijke gedragslijn door zodanige naties zal worden gevolgd ten aanzien van de Bondsrepubliek, verklaart de Bondsrepubliek dat zij het voornemen heeft een algemene niet-discriminerende politiek te volgen tegenover de leden der Verenigde Naties en hun onderdanen en tegenover de goederen, eigendommen en belangen van zodanige naties en onderdanen, en, in het algemeen, nationale en meestbegunstigingsbehandeling toe te kennen in kwesties waarbij zodanige naties en onderdanen en hun goederen, rechten en belangen op het gebied van vestiging en scheepvaart zijn betrokken. De Bondsrepubliek verklaart zich verder bereid met leden van de Verenigde Naties verdragen aan te gaan welke op deze beginselen zijn gebaseerd.
Artikel 12
Tegen de volgende beslissingen kan beroep worden aangetekend bij de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubliek Duitsland, bedoeld in artikel 7 van Hoofdstuk Vijf van dit Verdrag, overeenkomstig de bepalingen van haar Statuut, na een binnen dertig dagen na de betekening van een zodanige beslissing door de betrokken partij tot de Commissie gerichte aanvraag:
- (a). beslissingen krachtens artikel 1 van dit Hoofdstuk van de in de daarbijbehorende bijlage genoemde Hogere Bondsautoriteit;
- (b). beslissingen in eerste aanleg van een administratieve rechtbank met betrekking tot een discriminerende behandeling krachtens artikel 3;
- (c). beslissingen van Duitse gerechtshoven in eerste aanleg (gewone gerechtshoven, administratieve rechtbanken, economische rechtbanken of andere rechtbanken) welke betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 2, 4 en 5;
- (d). beslissingen van economische rechtbanken in eerste aanleg krachtens artikel 6;
- (e). beslissingen van de gewone gerechtshoven in eerste aanleg ten aanzien van kwesties al of niet van chicaneuze aard krachtens artikel 7;
- (f). beslissingen in hoger beroep van het Duitse Octrooibureau of zijn Grote Senaat krachtens Wet No. 8 van de Geallieerde Hoge Commissie of beslissingen van de gewone gerechtshoven in hoger beroep krachtens die Wet ingevolge artikel 8.
Beroepen ingevolge de laatste zin van artikel 2 en lid 3 van artikel 7 van Wet No. 8 van de Geallieerde Hoge Commissie welke op het ogenblik van inwerkingtreden van dit Verdrag aanhangig zijn bij de Raad van Beroep van het Octrooibureau ingesteld bij Verordening No. 1 krachtens Wet No. 8 (als gewijzigd) worden hierbij overgedragen aan de Scheidsrechterlijke Commissie en worden door deze Commissie behandeld op dezelfde wijze als beroepen ingevolge dit artikel.
Beroepen bij de Scheidsrechterlijke Commissie ingevolge (b) tot en met (f) van dit lid verhinderen niet dat de procedure voor Duitse gerechtshoven of autoriteiten in verband met andere in het geding zijnde kwesties wordt voortgezet. Indien de Commissie zulks echter, met het oog op het beschermen van de belangen van een partij bij het geding, noodzakelijk oordeelt kan zij bevelen het proces voor de Duitse gerechtshoven of autoriteiten te staken in afwachting van de beslissing van de Commissie inzake de aan haar voorgelegde kwestie.
Indien de partij welke wordt benadeeld door een beslissing als bedoeld in (b) tot en met (f) van lid 1 van dit artikel tegen deze beslissing in beroep gaat bij een Duits gerechtshof in plaats van de Scheidsrechterlijke Commissie, kan die partij daarna niet meer in beroep gaan bij de Scheidsrechterlijke Commissie tegen de beslissing van het Duitse hof van beroep voor wat betreft punten ten aanzien waarvan zij bij de Scheidsrechterlijke Commissie in beroep had moeten gaan. Indien in een beslissing bedoeld in (b) tot en met (f) van lid 1 de vereisten voor een beroep op de Scheidsrechterlijke Commissie niet aanwezig waren, doch indien een Duits hof van beroep een uitspraak doet welke naar de mening van de betrokken partij inbreuk maakt op de artikelen van dit Hoofdstuk bedoeld in lid 1, kan die partij tegen de beslissing van het hogere Duitse hof in beroep gaan bij de Scheidsrechterlijke Commissie.
De Commissie heeft eveneens de bevoegdheid een beslissing te nemen in elke kwestie bedoeld in lid 1 van dit artikel waarin een daarvoor in aanmerking komend Duits gerechtshof of autoriteit geen definitieve beslissing heeft genomen binnen een jaar nadat de kwestie aan dat gerechtshof of die autoriteit werd voorgelegd, en indien de betrokken partij de kwestie binnen dertig dagen na het verstrijken van dat jaar ter beslissing aan de Commissie voorlegt.
In elk der in de leden 1, 2 of 3 van dit artikel bedoelde gevallen kan de Commissie een definitieve uitspraak doen of de zaak terugverwijzen naar het betrokken gerechtshof of de betrokken autoriteit met die aanwijzingen welke de Commissie noodzakelijk of passend zal oordelen.
Beslissingen en aanwijzingen van de Commissie zijn definitief en bindend voor alle Duitse gerechtshoven en autoriteiten.
Afdeling 1
De Bondsregering stelt een Hogere Bondsautoriteit (Bundesoberbehörde) in voor het ontvangen, overwegen en het nemen van beslissingen ten aanzien van aanvragen voor teruggave en herstel overeenkomstig lid 2 van artikel 1 van het voorgaande Hoofdstuk. De Bondsregering kan voorschriften uitvaardigen voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze Bijlage.
Alle Duitse gerechtshoven en autoriteiten verlenen de Hogere Bondsautoriteit rechtskundige en andere officiële bijstand overeenkomstig artikel 35 van de “Basic Law”.
Afdeling 2
Aanvragen voor teruggave of herstel worden bij de Hogere Bondsautoriteit schriftelijk ingediend of door middel van een mondelinge verklaring waarvan een proces-verbaal wordt opgemaakt.
De aanvragen omvatten:
- (a). voornaam, familienaam en adres van de eiser en in voorkomende gevallen, van zijn rechtsvoorganger;
- (b). een beschrijving van de discriminerende maatregel en van door deze maatregel getroffen goederen, rechten of belangen;
- (c). de nationaliteit van de eiser en, in voorkomende gevallen, van zijn rechtsvoorganger ten tijde van de discriminerende maatregel.
Aanvragen dienen, indien mogelijk, inlichtingen te bevatten betreffende de persoon aan wie de goederen, rechten of belangen werden overgedragen en betreffende de persoon die de goederen, rechten of belangen in zijn bezit heeft op het ogenblik waarop de aanvraag wordt ingediend.
Verder zullen alle inlichtingen en documenten waarover de eiser beschikt en welke betrekking hebben op de goederen, rechten of belangen en op de discriminerende maatregel welke ten aanzien van de goederen, rechten of belangen werd genomen, in origineel of in een gewaarmerkt afschrift aan de aanvraag worden gehecht. Op verzoek wordt het origineel overgelegd.
Afdeling 3
Procedures voor de Hogere Bondsautoriteit geschieden gratis, behalve indien het lichtvaardige aanvragen betreft of aanvragen waarvan duidelijk is dat zij ongegrond zijn.
Afdeling 4
De Hogere Bondsautoriteit verricht uit eigen beweging (von Amts wegen) de noodzakelijke naspeuringen. Tot dit doel kan zij bewijsmateriaal verzamelen; in het bijzonder kan zij getuigen, deskundigen en de betrokken partijen horen of voor een rechtbank doen horen. Indien een verhoor onder ede noodzakelijk blijkt, wordt de eed afgelegd voor een rechtbank. De Hogere Bondsautoriteit is gemachtigd een verklaring te accepteren in plaats van een eed (eidesstattliche Versicherungen).
Naast de eisers worden al die personen als betrokken partijen beschouwd wier rechten door de teruggave of het herstel zouden worden aangetast.
De betrokken partijen worden in de gelegenheid gesteld hun inzichten kenbaar te maken. Zij kunnen worden vertegenwoordigd door gemachtigden of rechtskundige adviseurs. Zij worden in kennis gesteld van de data van de verhoren welke zijn gelast in verband met de ondervragingen ingevolge de tweede zin van lid 1 van deze Afdeling en zij kunnen deze verhoren bijwonen. De door de betrokken partij ingediende documenten worden aan de andere partijen doorgezonden.
Afdeling 5
Indien verwezenlijking van de eis tot teruggave of herstel gevaar blijkt te lopen geeft de Hogere Bondsautoriteit opdracht tot het nemen van de noodzakelijke tussentijdse maatregelen voor de beveiliging van de goederen, rechten of belangen.
Afdeling 6
De Hogere Bondsautoriteit stelt zijn goede diensten ter beschikking voor het bereiken van een minnelijke schikking tussen de betrokken partijen. Van een tussen de partijen bereikt compromis wordt proces-verbaal opgemaakt.
Afdeling 7
In de beslissingen van de Hogere Bondsautoriteit worden schriftelijk de redenen vermeld waarop zij zijn gebaseerd. Deze beslissingen worden aan de betrokken partijen betekend.
Afdeling 8
De Hogere Bondsautoriteit neemt alle voor de teruggave en het herstel noodzakelijke maatregelen of zij beslist welke maatregelen dienen te worden genomen door de autoriteit welke volgens de omstandigheden van de kwestie bevoegd is.
De Hogere Bondsautoriteit heeft in het bijzonder de bevoegdheid om, indien zulks voor de teruggave of het herstel noodzakelijk is, onteigening te bevelen ten gunste van de Bondsrepubliek welke dan de teruggave of het herstel verricht. De aard en het bedrag van de schadevergoeding aan personen die door de onteigening worden benadeeld, worden door een Bondswet vastgesteld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)