Vredesverdrag met Japan
Aangezien de Geallieerde Mogendheden en Japan besloten zijn, dat hun betrekkingen voortaan die zullen zijn van naties, welke als souvereine en gelijkgerechtigde mogendheden vriendschappelijk samenwerken om hun gemeenschappelijk welzijn te bevorderen en de internationale vrede en veiligheid te handhaven, en daarom verlangend zijn een Vredesverdrag te sluiten ter regeling van vraagstukken, welke nog steeds onopgelost zijn ten gevolge van de tussen hen bestaande staat van oorlog;
Aangezien Japan van zijn kant het voornemen kenbaar maakt een verzoek te zullen indienen om te worden toegelaten als lid van de Verenigde Naties en onder alle omstandigheden te zullen handelen in overeenstemming met de grondbeginselen van het Handvest van de Verenigde Naties; er naar te zullen streven de doelstellingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te verwezenlijken; te zullen trachten binnen Japan toestanden van duurzaamheid en welzijn te scheppen als omschreven in de Artikelen 55 en 56 van het Handvest van de Verenigde Naties, waarmede de Japanse wetgeving na de overgave reeds een aanvang heeft gemaakt; en om zich zowel in de particuliere handel, als de handel van overheidswege, te houden aan internationaal aanvaarde eerlijke gebruiken;
Aangezien de Geallieerde Mogendheden de in de voorgaande alinea vermelde voornemens van Japan toejuichen;
Hebben de Geallieerde Mogendheden en Japan derhalve besloten dit Vredesverdrag te sluiten en hebben dienovereenkomstig de ondergetekende gevolmachtigden aangewezen, die, na overlegging van hun volmachten, in juiste en behoorlijke vorm bevonden, overeenstemming hebben bereikt over de volgende bepalingen:
HOOFDSTUK I. Vrede
Artikel 1
(a). De staat van oorlog tussen Japan en elk der Geallieerde Mogendheden wordt beëindigd met ingang van de datum, waarop dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid in werking treedt als bepaald in Artikel 23.
(b). De Geallieerde Mogendheden erkennen de volledige souvereiniteit van het Japanse volk over Japan en zijn territoriale wateren.
HOOFDSTUK II. Grondgebied
Artikel 2
(a). Japan erkent de onafhankelijkheid van Korea en doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op Korea, met inbegrip van de eilanden Quelpart, Port Hamilton en Dagelet.
(b). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op Formosa en de Pescadores.
(c). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op de Koerilen en op dat gedeelte van Sakhalin en de naburige eilanden, waarover Japan souvereiniteit verwierf krachtens het Verdrag van Portsmouth van 5 September 1905.
(d). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken in verband met het Mandaatstelsel van de Volkenbond en aanvaardt de maatregelen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 2 April 1947, waarbij het trustschapsstelsel wordt uitgebreid tot die eilanden in de Stille Oceaan, welke vroeger onder Japans mandaat stonden.
(e). Japan doet afstand van alle aanspraak op rechten, titels of belangen in verband met enig deel van het Zuidpool-gebied, hetzij dat deze worden ontleend aan de werkzaamheid van Japanse onderdanen, of anderszins.
(f). Japan doet afstand van alle rechten, titels en aanspraken op de Spratly Eilanden en de Paracel Eilanden.
Artikel 3
Japan zal instemmen met elk voorstel van de Verenigde Staten aan de Verenigde Naties om de volgende eilanden onder haar trustschapsstelsel te plaatsen met de Verenigde Staten als enige besturende autoriteit: Nansei Shoto ten Zuiden van 29° N.B. (met inbegrip van de Ryukyu Eilanden en de Daito Eilanden), Nanpo Shoto ten Zuiden van Sofu Gan (met inbegrip van de Bonin Eilanden, Rosario en de Vulkaan Eilanden) en Parece Vela en Marcus. In afwachting van de indiening van een dergelijk voorstel en de aanvaarding daarvan zullen de Verenigde Staten het recht hebben de gehele uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht uit te oefenen over het grondgebied en de bewoners van deze eilanden, met inbegrip van hun territoriale wateren.
Artikel 4
(a). Behoudens de bepalingen van lid (b ) van dit artikel zal de beschikking over eigendommen van Japan en van zijn onderdanen in de gebieden bedoeld in artikel 2, en hun aanspraken, met inbegrip van schulden, tegenover de autoriteiten, die momenteel die gebieden besturen, en de ingezetenen (met inbegrip van rechtspersonen) daarvan, en de beschikking in Japan over eigendommen van zodanige autoriteiten en ingezetenen, en van aanspraken, met inbegrip van schulden, van zodanige autoriteiten en ingezetenen tegenover Japan en zijn onderdanen, het onderwerp vormen van speciale regelingen tussen Japan en zodanige autoriteiten. De eigendommen van elk der Geallieerde Mogendheden of haar onderdanen in de gebieden bedoeld in artikel 2 zullen, voorzover dit nog niet is geschied, door de besturende autoriteiten worden teruggegeven in de toestand, waarin zij zich thans bevinden. (De uitdrukking onderdanen, wanneer ook gebruikt in dit Verdrag, omvat ook rechtspersonen).
(b). Japan erkent de geldigheid van de beschikkingsmaatregelen ten aanzien van eigendommen van Japan en Japanse onderdanen tot stand gekomen krachtens of overeenkomstig de richtlijnen van het Amerikaanse Militaire Bestuur in elk der gebieden bedoeld in de artikelen 2 en 3.
(c). Onderzeese kabels, welke aan Japan toebehoren en welke Japan verbinden met gebieden, waarover het Japanse bestuur is opgeheven krachtens dit Verdrag, zullen in twee gelijke helften worden verdeeld, waarbij Japan het Japanse eindpunt en de aan die zijde gelegen helft van de kabel behoudt, terwijl het afgescheiden gebied het overige stuk van de kabel en de daaraan verbonden eindinstallaties behoudt.
HOOFDSTUK III. Veiligheid
Artikel 5
(a). Japan aanvaardt de verplichtingen neergelegd in artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties, en in het bijzonder de verplichtingen
- (i). zijn internationale geschillen langs vreedzame weg op zodanige wijze te beslechten, dat internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht;
- (ii). zich in zijn internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige Staat, of op enige andere wijze, die onverenigbaar is met de Doeleinden van de Verenigde Naties;
- (iii). aan de Verenigde Naties iedere bijstand te verlenen bij elk optreden, waartoe de Organisatie overeenkomstig het Handvest overgaat, en zich te onthouden van het verlenen van bijstand aan enige Staat, waartegen de Verenigde Naties een preventieve of dwangactie ondernemen.
(b). de Geallieerde Mogendheden bevestigen, dat zij zich in hun betrekkingen met Japan zullen laten leiden door de grondbeginselen van Artikel 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.
(c). de Geallieerde Mogendheden erkennen van haar kant, dat Japan als souvereine natie het natuurlijke recht van individuele of collectieve zelfverdediging heeft als bedoeld in Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties en dat Japan vrijwillig collectieve veiligheidsovereenkomsten mag maken.
Artikel 6
(a). Alle bezettingstroepen van de Geallieerde Mogendheden zullen zo spoedig mogelijk na het in werkingtreden van dit Verdrag uit Japan worden teruggetrokken, en in ieder geval niet later dan 90 dagen na die datum. Niets in deze bepaling zal echter verhinderen, dat buitenlandse troepen op Japans gebied worden gestationeerd of gehandhaafd blijven krachtens of tengevolge van enige bilaterale of multilaterale overeenkomst, welke is of kan worden gesloten tussen één of meer der Geallieerde Mogendheden ter ene zijde en Japan ter andere zijde.
(b). De bepalingen van Artikel 9 van de Proclamatie van Potsdam van 26 Juli 1945, betrekking hebbend op de terugkeer van Japanse strijdkrachten naar hun haardsteden, zullen ten uitvoer gelegd worden voor zover dit niet reeds is geschied.
(c). Alle Japanse eigendommen, waarvoor nog geen schadeloosstelling is betaald en die geleverd zijn om te worden gebruikt door de bezettingtroepen en die in het bezit van die troepen blijven ten tijde van de inwerkingtreding van dit Verdrag, zullen binnen diezelfde 90 dagen worden teruggegeven aan de Japanse Regering, tenzij met wederzijds goedvinden andere regelingen worden getroffen.
HOOFDSTUK IV. Politieke en economische bepalingen
Artikel 7
(a). Elk der Geallieerde Mogendheden zal binnen een jaar, nadat dit Verdrag tussen haar en Japan in werking is getreden, Japan ervan verwittigen, welke van de vooroorlogse bilaterale verdragen of overeenkomsten met Japan zij wenst te bestendigen of te doen herleven, en alle in zodanige verwittigingen genoemde verdragen of overeenkomsten zullen herleven of worden bestendigd onder voorbehoud van slechts die wijzigingen, welke noodzakelijk kunnen zijn om overeenstemming met dit verdrag te verzekeren. De verdragen en overeenkomsten, waarvan op deze wijze kennis is gegeven, zullen 3 maanden na de datum van kennisgeving beschouwd worden als bestendigd te zijn of herleefd en zullen geregistreerd worden bij het Secretariaat van de Verenigde Naties. Alle verdragen en overeenkomsten, waarvan aan Japan niet op zodanige wijze is kennisgegeven, zullen beschouwd worden als te zijn vervallen.
(b). Iedere kennisgeving, gedaan krachtens lid (a) van dit artikel, kan elk gebied voor welks internationale betrekkingen de kennisgevende mogendheid verantwoordelijk is van de werking of herleving van een verdrag of overeenkomst uitzonderen tot 3 maanden na de datum, waarop aan Japan kennis wordt gegeven, dat een dergelijke uitzondering zal ophouden van toepassing te zijn.
Artikel 8
(a). Japan zal de volledige geldigheid erkennen van alle verdragen nu of hierna gesloten door de Geallieerde Mogendheden met het doel de staat van oorlog, welke op 1 September 1939 begon, te doen eindigen, evenals van alle andere regelingen van de Geallieerde Mogendheden voor of in verband met het herstel van de vrede. Japan aanvaardt eveneens de regelingen getroffen voor het opheffen van de vroegere Volkenbond en het Permanente Hof van Internationale Justitie.
(b). Japan doet afstand van alle rechten en belangen, welke het zou kunnen baseren op het feit, dat het een der ondertekenende mogendheden was van de verdragen van Saint Germain-en-Laye van 10 September 1919, en de Overeenkomst van Montreux van 20 Juli 1936 nopens het zeeëngten regime, en op Artikel 16 van het Vredesverdrag met Turkije, getekend op 24 Juli 1923 te Lausanne.
(c). Japan doet afstand van alle rechten, titels en belangen verworven krachtens, en wordt ontslagen van alle verplichtingen voortvloeiende uit, de Overeenkomst tussen Duitsland en de Crediteurstaten van 20 Januari 1930, en de daarbij behorende Bijlagen, met inbegrip van de Trust-Overeenkomst, gedateerd 17 Mei 1930; het Verdrag van 20 Januari 1930 betreffende de Bank voor Internationale Betalingen; en de Statuten van de Bank voor Internationale Betalingen. Japan zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Parijs binnen zes maanden na de datum, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt, kennis geven van zijn afstand van de rechten, titels en belangen bedoeld in dit lid.
Artikel 9
Japan zal met die Geallieerde Mogendheden, die zulks wensen, onverwijld onderhandelingen openen voor het sluiten van bilaterale en multilateriale overeenkomsten, welke voorzien in de regeling of beperking van de visserij en de instandhouding en ontwikkeling van de visserij in open zee.
Artikel 10
Japan doet afstand van alle bijzondere rechten en belangen in China, met inbegrip van alle voordelen en voorrechten voortvloeiende uit de bepalingen van het slot-protocol ondertekend op 7 September 1901 te Peking, en alle aanvullende bijlagen, nota's en documenten, en stemt toe in de intrekking, voor wat Japan betreft, van genoemd protocol, bijlagen, nota's en documenten.
Artikel 11
Japan aanvaardt de vonnissen van de Internationale Militaire Rechtbank voor het Verre Oosten en van andere Geallieerde Gerechtshoven ter berechting van oorlogsmisdaden, zowel in als buiten Japan, en zal de door genoemde instanties aan in Japan gevangen gehouden Japanse onderdanen opgelegde vonnissen ten uitvoer leggen. Het recht om gratie te verlenen, vonnissen te verzachten en zulke gevangenen voorwaardelijk in vrijheid te stellen, mag niet worden uitgeoefend dan krachtens een beslissing van de Regering of Regeringen, door welke het vonnis in elk afzonderlijk geval werd opgelegd, en op aanbeveling van Japan. Voor zover het personen betreft, die veroordeeld zijn door de Internationale Militaire Rechtbank voor het Verre Oosten, mag dat recht niet worden uitgeoefend dan krachtens een beslissing van de meerderheid van de Regeringen, vertegenwoordigd in die Rechtbank, en op aanbeveling van Japan.
Artikel 12
(a). Japan verklaart zich bereid onverwijld onderhandelingen te openen, teneinde met elk der Geallieerde Mogendheden verdragen of overeenkomsten te sluiten om hun handels-, maritieme en andere commerciële betrekkingen op een duurzame en vriendschappelijke basis te grondvesten.
(b). In afwachting van de sluiting van het betreffende verdrag of de betreffende overeenkomst zal Japan gedurende een periode van vier jaar vanaf de datum, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt
- (1). elk der Geallieerde Mogendheden, haar onderdanen, producten en schepen toestaan
- (i). de behandeling op voet van meestbegunstigde natie met betrekking tot douanerechten, kosten, beperkingen en andere regelingen van of in verband met de in- en uitvoer van goederen;
- (ii). nationale behandeling met betrekking tot schepen, navigatie en ingevoerde goederen, en met betrekking tot natuurlijke- en rechtspersonen en hun belangen - waarbij een dergelijke behandeling alle aangelegenheden zal omvatten, welke betrekking hebben op het heffen en het innen van belastingen, het adiëren van de rechter, het sluiten en uitvoeren van contracten, recht op eigendom (lichamelijk en onlichamelijk), deelneming in rechtspersonen ingesteld krachtens de Japanse wet, en, in het algemeen, het leiden respectievelijk verrichten van alle soorten zaken en beroepswerkzaamheden;
- (2). waarborgen, dat de buitenlandse aan- en verkopen van Japanse staatshandelsondernemingen uitsluitend gebaseerd zullen zijn op commerciële overwegingen.
(c). Met betrekking tot elke aangelegenheid zal Japan echter slechts verplicht zijn een Geallieerde Mogendheid in die mate nationale behandeling of een behandeling van meestbegunstigde natie te verlenen, als de betrokken Geallieerde Mogendheid nationale behandeling of behandeling van de meestbegunstigde natie, al naar het geval zich voordoet, met betrekking tot diezelfde aangelegenheid aan Japan verleent. De wederkerigheid bedoeld in de voorgaande zin zal worden bepaald, in het geval van goederen, schepen en rechtspersonen van, en personen woonachtig in, enig niet tot het moederland behorend grondgebied van een Geallieerde Mogendheid, en in het geval van rechtspersonen van, en personen woonachtig in, enige staat of provincie van een Geallieerde Mogendheid, welke een bondsregering heeft, door de behandeling, welke Japan ten deel valt in zulk een gebied, staat of provincie.
(d). Bij de toepassing van dit artikel zal een discriminerende maatregel niet beschouwd worden als een afwijking van het toekennen van nationale behandeling of behandeling van meestbegunstigde natie, al naar het geval zich voordoet, indien zulk een maatregel gebaseerd is op een uitzondering, welke gewoonlijk wordt opgenomen in de handelsverdragen van de partij, die een dergelijke maatregel toepast, of op de noodzakelijkheid om de buitenlandse financiële toestand of betalingsbalans (uitgezonderd wat betreft schepen en navigatie) van die partij te beschermen, of op de noodzakelijkheid om haar wezenlijke veiligheidsbelangen te handhaven, en onder voorbehoud, dat een dergelijke maatregel in overeenstemming is met de omstandigheden en niet wordt toegepast op een willekeurige of onredelijke wijze.
(e). Japans verplichtingen krachtens dit Artikel zullen niet worden aangetast door het uitoefenen van enig Geallieerd recht krachtens Artikel 14 van dit Verdrag; evenmin zullen de bepalingen van dit Artikel beschouwd worden als een beperking te vormen van de verplichtingen, welke Japan krachtens Artikel 15 van dit Verdrag op zich neemt.
Artikel 13
(a). Japan zal met elk der Geallieerde Mogendheden, zodra één of meer van deze Mogendheden daartoe een verzoek doen, onverwijld onderhandelingen openen tot het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten betreffende het internationale burgerlijke luchtvervoer.
(b). In afwachting van het sluiten van een dergelijke overeenkomst of dergelijke overeenkomsten zal Japan, gedurende een periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum, waarop dit Verdag voor het eerst in werking treedt, een zodanige Mogendheid geen ongunstiger behandeling ten deel doen vallen met betrekking tot luchtverkeersrechten en -voorrechten dan die, welke worden uitgeoefend door één van die Mogendheden op de datum van bedoelde inwerkingtreding, en met betrekking tot de exploitatie en ontwikkeling van luchtlijnen aan iedereen volkomen gelijke gelegenheid bieden.
(c). In afwachting van het ogenblik, waarop Japan partij wordt bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerlijke Luchtvaart in overeenstemming met Artikel 93 van dat Verdrag, zal Japan de bepalingen van dat Verdrag uitvoeren voorzover zij betrekking hebben op de internationale navigatie van vliegtuigen, en de normen, practijken en procedures, aanvaard als bijlagen bij het Verdrag, ten uitvoer leggen in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag.
HOOFDSTUK V. Aanspraken en eigendom
Artikel 14
(a). Erkend wordt, dat Japan herstelbetalingen behoort te verrichten aan de Geallieerde Mogendheden voor de schade en het leed, dat het gedurende de oorlog heeft veroorzaakt. Niettemin wordt eveneens erkend, dat de middelen van Japan momenteel niet toereikend zijn om, indien het een levensvatbare economie wil handhaven, volledige herstelbetaling te verrichten voor alle zodanige schade en leed, en tegelijkertijd zijn andere verplichtingen na te komen.
Daarom
-
- zal Japan onverwijld onderhandelingen openen met die Geallieerde Mogendheden, die zulks wensen, wier huidig grondgebied door Japanse strijdkrachten werd bezet en beschadigd, ten einde door de beschikbaarstelling van de diensten van het Japanse volk voor de productie, berging en ander werk ten behoeve van de betrokken Geallieerde Mogendheden bij te dragen die landen schadeloos te stellen voor de kosten van het herstel van de aangerichte schade. Zulke regelingen zullen vermijden dat andere Geallieerde Mogendheden verdere aansprakelijkheden worden opgelegd, en in gevallen waar de bewerking van grondstoffen vereist is, zullen deze door de betrokken Geallieerde Mogendheden geleverd worden, zodat Japan geen lasten zullen worden opgelegd op het gebied van de buitenlandse valuta.
- 2.
- (I). Behoudens de bepalingen van onderstaand lid (II) zal elk der Geallieerde Mogendheden het recht hebben in beslag te nemen, terug te houden, te liquideren of op andere wijze te beschikken over alle eigendommen, rechten en. belangen van die op het ogenblik, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking trad, onderworpen waren aan haar rechtsmacht. De eigendom, de rechten en belangen vermeld in dit lid omvatten tevens die eigendommen, rechten en belangen, die nu geblokkeerd zijn, genaast of in het bezit of onder bestuur van autoriteiten in Geallieerde Landen belast met het beheer van vijandelijk vermogen en die behoorden aan of gehouden of bestuurd werden namens een van de personen of lichamen genoemd onder (a), (b) of (c) hierboven, ten tijde dat zodanige bezittingen onder het beheer van zodanige autoriteiten kwamen.
- (a). Japan en Japanse onderdanen,
- (b). personen, die optreden voor of namens Japan of Japanse onderdanen, en
- (c). lichamen in eigendom van of bestuurd door Japan of Japanse onderdanen,
- (II). Het volgende zal worden uitgezonderd van het recht vermeld in lid (I) hierboven:
- (i). eigendommen van Japanse natuurlijke personen, die tijdens de oorlog met toestemming van de betrokken Regering woonden op het grondgebied van een der Geallieerde Mogendheden, anders dan door Japan bezet grondgebied, behalve eigendom, gedurende de oorlog onderworpen aan beperkingen en niet ontheven van zodanige beperkingen met ingang van de datum, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt;
- (ii). alle onroerende goederen, meubilair en vaste inventaris in Japanse eigendom en gebruikt voor diplomatieke of consulaire doeleinden, en al het privé-meubilair en woninginstallaties en ander privé-eigendom, welke niet het karakter hebben van geldbelegging en die normaal nodig waren voor het doen functioneren van diplomatieke en consulaire diensten, in eigendom van Japans diplomatiek en consulair personeel;
- (iii). eigendom, behorend aan godsdienstige lichamen of particuliere liefdadige instellingen en uitsluitend gebruikt voor godsdienstige of liefdadige doeleinden;
- (iv). eigendom, rechten en belangen, die onder zijn jurisdictie gekomen zijn tengevolge van de hervatting van de handels- en financiële betrekkingen na 2 September 1945, tussen het betrokken land in Japan, behalve die, welke het gevolg zijn van transacties strijdig met de wetten van de betrokken Geallieerde Mogendheid;
- (v). verplichtingen van Japan of Japanse onderdanen, ieder recht, titel of belang ten aanzien van lichamelijke goederen, welke zich in Japan bevinden, belangen in ondernemingen georganiseerd volgens de Japanse wetten of alle documenten ten bewijze daarvan; onder voorwaarde, dat deze uitzondering alleen zal gelden voor verplichtingen van Japan en zijn onderdanen, welke luiden in Japanse valuta.
- (III). Eigendom als bedoeld in de uitzonderingen (i) tot en met (v) hierboven zal worden teruggegeven tegen betaling van een redelijke vergoeding voor onkosten gemaakt voor het bewaren en beheren ervan. Indien zodanige eigendom geliquideerd mocht zijn dan zal in plaats daarvan de opbrengst worden gerestitueerd.
- (IV). Het recht eigendom in beslag te nemen, terug te houden, te liquideren of er op andere wijze over te beschikken als bepaald in lid (I) hierboven zal worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten van de betrokken Geallieerde Mogendheid, en de eigenaar zal alleen die rechten hebben, welke hem door die wetten worden toegekend.
- (V). de Geallieerde Mogendheden stemmen erin toe Japanse handelsmerken en literaire en artistieke eigendomsrechten te behandelen op een wijze, welke voor Japan zo gunstig is als onder de in elk land bestaande omstandigheden mogelijk is.
(b). Behalve wanneer in dit Verdrag anders is bepaald doen de Geallieerde Mogendheden afstand van alle eisen tot schadevergoeding van de Geallieerde Mogendheden, andere vorderingen van de Geallieerde Mogendheden en haar onderdanen voortspruitende uit handelingen, verricht door Japan en zijn onderdanen in de loop van de oorlogvoering, en vorderingen van de Geallieerde Mogendheden voor directe militaire bezettingskosten.
Artikel 15
(a). Op een aanvrage, ingediend binnen negen maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid, zal Japan binnen zes maanden na de datum van zodanige aanvrage, de eigendom, lichamelijke en onlichamelijke, en alle rechten en belangen, van elke aard, in Japan, van iedere Geallieerde Mogendheid en haar onderdanen, welke eigendom, rechten en belangen zich in Japan bevonden op enig ogenblik tussen 7 December 1941 en 2 September 1945, tenzij de eigenaar ze uit eigener beweging van de hand heeft gedaan zonder dwang of bedrog, teruggeven. Deze eigendom zal worden teruggegeven vrij van alle lasten en kosten, waaraan hij tengevolge van de oorlog onderworpen mocht zijn, en zonder enige kosten voor de teruggave. Over eigendom, waarvan de teruggave niet wordt gevraagd door of namens de eigenaar of door zijn Regering binnen de voorgeschreven periode, kan door de Japanse Regering worden beschikt naar zij verkiest. In gevallen, waarin zodanige eigendom zich binnen Japan bevond op 7 December 1941 en niet kan worden teruggegeven of schade heeft opgelopen tengevolge van de oorlog, zal schadevergoeding verleend worden op voorwaarden, welke niet minder gunstig zullen zijn dan die als bepaald in de ontwerp-wet op de Schadevergoeding voor Geallieerde Eigendommen, goedgekeurd door het Japanse Kabinet op 13 Juli 1951.
(b). Met betrekking tot industriële eigendomsrechten, welke gedurende de oorlog zijn aangetast, zal Japan aan de Geallieerde Mogendheden en haar onderdanen voordelen blijven toekennen, welke niet minder zullen zijn dan die, welke tot dusverre werden toegekend krachtens de „Cabinet Orders” No. 309, in werking getreden op 1 September 1949, No. 12, in werking getreden op 28 Januari 1950 en No. 9, in werking getreden op 1 Februari 1950, alle als gewijzigd, mits die onderdanen dergelijke voordelen hebben aangevraagd binnen de in deze „Cabinet Orders” bepaalde termijnen.
- (i). Japan erkent, dat de literaire en artistieke eigendomsrechten, welke op 6 December 1941 in Japan bestonden met betrekking tot gepubliceerde en ongepubliceerde werken van Geallieerde Mogendheden en haar onderdanen, sinds die datum bestendigd zijn en erkent die rechten, welke sinds die datum in Japan zijn ontstaan of zouden zijn ontstaan, indien er geen oorlog was geweest, door de werking van enig verdrag of enige overeenkomst, waarbij Japan op die datum partij was, ongeacht de vraag of zulke verdragen of overeenkomsten bij of sinds het uitbreken van de oorlog door de binnenlandse wetgeving in Japan of in de betrokken Geallieerde Mogendheden waren vervallen of geschorst.
- (ii). Zonder dat de eigenaar van het recht daartoe een aanvraag behoeft in te dienen en zonder dat de betaling van een heffing of het voldoen aan een andere formaliteit noodzakelijk is, zal de periode van 7 December 1941 tot de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid niet worden gerekend tot de normale looptijd van dergelijke rechten; en die periode, vermeerderd met een periode van nog eens zes maanden, zal evenmin worden gerekend tot de periode, waarbinnen een letterkundig werk in het Japans moet zijn vertaald, teneinde de vertaalrechten in Japan te verkrijgen.
Artikel 16
Teneinde uitdrukking te geven aan zijn verlangen een schadeloosstelling te verlenen aan die leden van de strijdkrachten van de Geallieerde Mogendheden, die als krijgsgevangenen van Japan buitensporige ontberingen hebben geleden, zal Japan zijn activa en die van zijn onderdanen in landen, die tijdens de oorlog onzijdig waren, of die met een van de Geallieerde Mogendheden in oorlog waren, of, naar zijn keuze, de tegenwaarde van zulke activa overmaken aan het Internationale Comité van het Rode Kruis, dat zodanige activa zal liquideren en de op die wijze verkregen fondsen zal verdelen over de daartoe aangewezen nationale organen, ten gunste van vroegere krijgsgevangenen en hun gezinnen op een zodanige basis als bovengenoemd comité billijk zal oordelen. De categorieën activa, omschreven in Artikel 14 (a) 2 (II) (ii) tot en met (v) van dit Verdrag, zullen van overdraging worden uitgezonderd, evenals de activa van Japanse natuurlijke personen die op het ogenblik, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt, geen ingezetenen van Japan zijn. Ook wordt overeengekomen, dat de overdrachtsbepaling van dit Artikel niet van toepassing zal zijn op de 19.770 aandelen in de Bank voor Internationale Betalingen, welke thans het eigendom zijn van Japanse financiële instellingen.
Artikel 17
(a). Op verzoek van elk der Geallieerde Mogendheden zal de Japanse Regering herzien en wijzigen in overeenstemming met het internationale recht iedere beslissing of elk bevel van de Japanse prijzenhoven in zaken, waarbij eigendomsrechten betrokken waren van onderdanen van die Geallieerde Mogendheden, en zal afschriften overleggen van alle documenten, die de dossiers van deze zaken vormen, met inbegrip van de genomen beslissingen en uitgevaardigde bevelen. In iedere zaak, waarin uit een dergelijke herziening en wijziging blijkt, dat Japan tot teruggave verplicht is, zullen de bepalingen van Artikel 15 van toepassing zijn op de betrokken eigendom.
(b). De Japanse Regering zal die maatregelen nemen, welke noodzakelijk zijn om onderdanen van enige Geallieerde Mogendheid in staat te stellen op enig tijdstip binnen een jaar na het tijdstip, waarop dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid in werking treedt, aan de daartoe aangewezen Japanse autoriteiten enig vonnis geveld door een Japans hof tussen 7 December 1941 en de bovenbedoelde inwerkingtreding, ter herziening voor te leggen. Dit geldt voor elk rechtsgeding, waarin een dergelijk onderdaan niet in staat was zijn zaak op behoorlijke wijze naar voren te brengen, hetzij als eiser, hetzij als gedaagde. De Japanse Regering zal erop toezien, dat, indien een dergelijk onderdaan schade heeft geleden tengevolge van een zodanig vonnis, hij zal worden hersteld in de staat, waarin hij zich bevond vóór het vonnis werd uitgesproken, of hij zal op zodanige wijze worden schadeloos gesteld als onder de gegeven omstandigheden rechtvaardig en billijk zal zijn.
Artikel 18
(a). Erkend wordt, dat het intreden van de staat van oorlog geen afbreuk heeft gedaan aan de verplichting om geldschulden te betalen, welke voortspruiten uit verbintenissen en contracten (met inbegrip van die met betrekking tot obligaties), welke bestonden, en rechten, welke werden verworven, vóór het intreden van de staat van oorlog en welke verschuldigd zijn door de Regering of onderdanen van Japan aan de Regering of onderdanen van een van de Geallieerde Mogendheden aan de Regering of onderdanen van Japan. Evenmin zal het intreden van de staat van oorlog worden beschouwd als afbreuk te doen aan de verplichting om op zichzelf te beschouwen eisen tot schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen of voor persoonlijk letsel of dood, ontstaan vóór het intreden van de staat van oorlog, en welke kunnen worden ingediend of opnieuw worden ingediend door de Regering van een van de Geallieerde Mogendheden bij de Japanse Regering, of door de Japanse Regering bij een van de Regeringen van de Geallieerde Mogendheden. De bepalingen van dit lid zullen geen afbreuk doen aan de rechten toegekend krachtens Artikel 14.
(b). Japan bevestigt zijn aansprakelijkheid voor de vooroorlogse buitenlandse schuld van de Japanse Staat en voor schulden van zedelijke lichamen, waarvan op een later tijdstip verklaard is, dat zij schulden waren van de Japanse Staat, en geeft uitdrukking aan zijn voornemen om zeer spoedig onderhandelingen te openen met zijn crediteuren met betrekking tot de hervatting van de betalingen op deze schulden; de onderhandelingen met betrekking tot andere vooroorlogse aanspraken en verplichtingen aan te moedigen; en dienovereenkomstig het overmaken van geldbedragen te vergemakkelijken.
Artikel 19
(a). Japan doet afstand van alle aanspraken van Japan en zijn onderdanen tegenover de Geallieerde Mogendheden en haar onderdanen, voortvloeiende uit de oorlog of uit handelingen verricht tengevolge van het bestaan van de staat van oorlog, en doet afstand van alle aanspraken, voortvloeiende uit de aanwezigheid, krijgsverrichtingen of handelingen van strijdkrachten of autoriteiten van een van de Geallieerde Mogendheden op Japans gebied vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag.
(b). Het afstand doen van aanspraken als hierboven bedoeld omvat ook de aanspraken, voortvloeiende uit stappen ondernomen door enige Gealieerde Mogendheid met betrekking tot Japanse schepen tussen 1 September 1939 en het inwerkingtreden van dit Verdrag, evenals alle aanspraken en schulden ontstaan met betrekking tot Japanse krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers in handen van de Geallieerde Mogendheden, maar omvat niet de Japanse aanspraken, welke uitdrukkelijk erkend zijn in de wetten van enige Geallieerde Mogendheid, afgekondigd na 2 September 1945.
(c). Op voorwaarde van wederkerigheid doet de Japanse Regering eveneens afstand van alle aanspraken (met inbegrip van schulden) tegenover Duitsland en Duitse onderdanen namens de Japanse Regering en Japanse onderdanen, met inbegrip van tussen de regeringen bestaande aanspraken en aanspraken voor verlies of beschadiging ontstaan tijdens de oorlog, met uitzondering echter van (a) aanspraken met betrekking tot contracten en rechten, aangegaan resp. verworven vóór 1 September 1939, en (b) aanspraken, voortvloeiende uit financiële en handelsbetrekkingen tussen Japan en Duitsland na 2 September 1945. Dit afstand doen doet geen afbreuk aan stappen, ondernomen in overeenstemming met de Artikelen 16 en 20 van dit Verdrag.
(d). Japan erkent de geldigheid van alles wat is gedaan en nagelaten gedurende de bezettingstijd krachtens of tengevolge van richtlijnen van de bezettingsautoriteiten of toegestaan door de op dat ogenblik geldende Japanse wetten, en zal geen stappen ondernemen, waardoor Geallieerde onderdanen onderworpen zouden worden aan burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid, voortvloeiende uit een dergelijk handelen of nalaten.
Artikel 20
Japan zal alle maatregelen nemen noodzakelijk om de liquidatie te verzekeren van Duitse activa in Japan als is of zal worden besloten door die mogendheden, die krachtens het Protocol van de handelingen van de Berlijnse Conferentie van 1945 gerechtigd zijn over die activa te beschikken, en zal in afwachting van de uiteindelijke beschikking over zodanige activa verantwoordelijk zijn voor hun bewaring en beheer.
Artikel 21
Niettegenstaande de bepalingen van Artikel 25 van dit Verdrag zal China gerechtigd zijn de voordelen te genieten van de Artikelen 10 en 14 (a) 2; en Korea de voordelen van de Artikelen 2, 4, 9 en 12 van dit Verdrag.
HOOFDSTUK VI. Beslechting van Geschillen
Artikel 22
Indien naar de mening van enige Partij bij dit Verdrag er een geschil is gerezen betreffende de interpretatie of uitvoering van het Verdrag, dat niet beslecht wordt door het te verwijzen naar een speciaal „claims tribunal” of door andere overeengekomen middelen, zal het geschil op verzoek van een der daarbij betrokken partijen ter beslissing worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof. Japan en die Geallieerde Mogendheden, die nog geen partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, zullen op het ogenblik, waarop zij onderscheidenlijk dit Verdrag bekrachtigen en in overeenstemming met de resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 15 October 1946 bij de Griffie van het Hof een algemene verklaring neerleggen, waarbij zij zonder bijzondere overeenkomst de rechtsmacht van het Hof aanvaarden in het algemeen met betrekking tot alle geschillen van de aard als bedoeld in dit Artikel.
HOOFDSTUK VII. Slotbepalingen
Artikel 23
(a). Dit Verdrag zal bekrachtigd worden door de Staten, die het ondertekenen, met inbegrip van Japan, en zal voor alle Staten, die het dan bekrachtigd hebben, in werking treden, wanneer de bekrachtigingsoorkonden nedergelegd zijn door Japan en door een meerderheid, met inbegrip van de Verenigde Staten van Amerika als voornaamste bezettingsmogendheid, van de volgende Staten nl. Australië, Canada, Ceylon, Frankrijk, Indonesië, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, Pakistan, de Philippijnse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika.
Dit Verdrag zal voor iedere Staat die het daarna bekrachtigt, in werking treden op de dag van nederlegging van zijn bekrachtigingsoorkonde.
(b). Indien het Verdrag niet in werking is getreden binnen negen maanden na de dag van nederlegging van de bekrachtigingsoorkonde van Japan, kan iedere Staat, die het bekrachtigd heeft, het Verdrag tussen hem en Japan in werking doen treden door in die zin mededeling te doen aan de Regeringen van Japan en van de Verenigde Staten van Amerika, niet later dan drie jaar na de nederlegging van Japans bekrachtigingsoorkonde.
Artikel 24
Alle bekrachtigingsoorkonden zullen worden nedergelegd bij de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die alle Staten, welke dit Verdrag ondertekenen, mededeling zal doen van iedere zodanige nederlegging, van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens lid (a) van Artikel 23 en van alle mededelingen gedaan krachtens lid (b) van Artikel 23.
Artikel 25
Ter fine van dit Verdrag zal onder de geallieerde Mogendheden verstaan worden de Staten, die met Japan in oorlog zijn, of iedere Staat, die vroeger deel uitmaakte van het grondgebied van een Staat genoemd in Artikel 23, mits in ieder afzonderlijk geval de betrokken Staat het Verdrag heeft ondertekend en bekrachtigd. Met inachtneming van de bepalingen van Artikel 21 zal dit Verdrag geen rechten, titels of voordelen toekennen aan enige Staat, die geen Geallieerde Mogendheid is volgens de definitie van dit Artikel; evenmin zal enig recht, titel of belang van Japan geacht worden te zijn verminderd of benadeeld door enige bepaling van het Verdrag ten gunste van een Staat, die geen Geallieerde Mogendheid is volgens de aldus gegeven definitie.
Artikel 26
Japan zal bereid zijn met elke Staat, die de Verklaring der Verenigde Volkeren van 1 Januari 1942 heeft ondertekend of zijn instemming daarmede heeft betuigd, en die met Japan in oorlog is, of met elke Staat, die vroeger deel uitmaakte van het grondgebied van een Staat genoemd in Artikel 23, die dit Verdrag niet heeft ondertekend, een bilateraal Vredesverdrag te sluiten op dezelfde of hoofdzakelijk dezelfde voorwaarden als bepaald in dit Verdrag, maar deze verplichting van de zijde van Japan zal ophouden te bestaan drie jaren na het ogenblik, waarop dit Verdrag voor het eerst in werking treedt. Indien Japan een vredesregeling of een oorlogsschaderegeling mocht treffen met een Staat, waarbij aan die Staat grotere voordelen worden verleend dan welke bij dit Verdrag zijn bepaald, dan zullen diezelfde voordelen eveneens verleend worden aan de Partijen bij dit Verdrag.
Artikel 27
Dit Verdrag zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die aan iedere Staat, die dit Verdrag heeft ondertekend, een gewaarmerkt afschrift zal doen toekomen.
IN FAITH WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries have signed the present Treaty.
DONE at the city of San Francisco this eighth day of September 1951, in the English, French and Spanish languages, all being equally authentic, and in the Japanese language.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)