Verdrag nopens het wegverkeer
De Verdragsluitende Staten, verlangend de ontwikkeling en de veiligheid van het internationale wegverkeer te bevorderen door het tot stand brengen van gelijkvormige voorschriften,
zijn de navolgende bepalingen overeengekomen:
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Onder voorbehoud van het recht regelen te stellen betreffende het gebruik van hun wegen komen de Verdragsluitende Staten overeen, dat hun wegen onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden voor internationaal verkeer gebruikt kunnen worden.
De Verdragsluitende Staten zijn niet gehouden het voorrecht van de bepalingen van dit Verdrag toe te kennen aan motorrijtuigen, aanhangwagens of bestuurders, die langer dan een jaar achtereen op hun grondgebied zijn verbleven.
Artikel 2
De Bijlagen van dit Verdrag worden geacht daarvan onverbrekelijk deel uit te maken met dien verstande echter, dat iedere Staat bij de ondertekening of de bekrachtiging van het Verdrag, bij de toetreding tot het Verdrag, dan wel te allen tijde daarna kan verklaren de toepasselijkheid van het Verdrag uit te sluiten, voorzover betreft de Bijlagen 1 en 2.
Iedere Staat kan te allen tijde ter kennis van de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties brengen, dat hij met ingang van de datum dier kennisgeving door de overeenkomstig het eerste lid van dit artikel uitgesloten Bijlagen is gebonden.
Artikel 3
Maatregelen, welke alle Verdragsluitende Staten of sommige van hen mochten zijn overeengekomen, of in de toekomst overeenkomen te treffen, ten einde het internationale wegverkeer te vergemakkelijken door vereenvoudiging van de formaliteiten op het stuk van douane, politie, gezondheid of anderszins, worden beschouwd in overeenstemming te zijn met het doel van dit Verdrag.
- a. Elke Verdragsluitende Staat kan zekerheid vorderen voor de betaling van invoerrechten of invoerbelasting, welke zonder zodanige zekerheid voor de invoer van tot het internationale wegverkeer toegelaten motorrijtuigen zouden zijn verschuldigd.
- b. De Verdragsluitende Staten nemen voor de toepassing van dit artikel de garantie aan van een op hun eigen grondgebied gevestigde organisatie, aangesloten bij een internationale vereniging, welke een geldig internationaal douanebewijs (als bij voorbeeld een „carnet de passages en douane”) voor het motorrijtuig heeft afgegeven.
Ter voldoening aan de bij dit Verdrag gestelde vereisten streven de Verdragsluitende Staten er naar de tijden, gedurende welke corresponderende douanekantoren en douaneposten aan eenzelfde internationale weg zijn geopend, te doen samenvallen.
Artikel 4
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
„internationaal verkeer”: ieder verkeer, dat ten minste één grens passeert;
„weg”: iedere openbare weg, opengesteld voor verkeer met voertuigen;
„rijbaan”: het gedeelte van een weg, gewoonlijk gebruikt voor verkeer met voertuigen;
„rijstrook”: elk der delen, waarin een rijbaan kan worden verdeeld, van voldoende breedte voor een rij voertuigen;
„bestuurder”: ieder, die een voertuig, waaronder mede te verstaan een rijwiel, bestuurt, een trekdier, een lastdier, een rijdier of een kudde dieren langs een weg geleidt, dan wel feitelijk de macht daarover heeft;
„motorrijtuig”: ieder voertuig, voorzien van een mechanisch voortbewegingsmiddel en gewoonlijk gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, voor zover niet rijdend langs spoorstaven of verbonden met een electrische geleiding. Staten, door Bijlage I gebonden, zonderen van deze omschrijving uit rijwielen, uitgerust met een hulpmotor van de soort, als in die Bijlage omschreven;
„geleed motorrijtuig”: een motorrijtuig met een aanhangwagen, welke geen vooras heeft en zodanig is bevestigd dat een gedeelte er van op het motorrijtuig rust en een aanmerkelijk deel van het gewicht van de aanhangwagen en zijn lading door het motorrijtuig wordt gedragen. Een zodanige aanhangwagen wordt aangeduid met „oplegger”;
„aanhangwagen”: elk voertuig, bestemd om door een motorrijtuig te worden voortbewogen;
„rijwiel”: ieder niet werktuiglijk voortbewogen rijwiel. Staten, gebonden door Bijlage I, begrijpen onder deze omschrijving mede een rijwiel, uitgerust met een hulpmotor van de soort, als in die Bijlage omschreven;
„totaal gewicht”: het ledig gewicht van een voertuig, vermeerderd met de lading, wanneer het in rust is en uitgerust voor vertrek, daaronder mede begrepen het gewicht van de bestuurder en andere te zelf der tijd vervoerde personen;
„laadvermogen”: het maximum-gewicht aan lading, toegelaten door het bevoegde gezag van het land, waar het voertuig is ingeschreven;
„maximum toegestaan gewicht”: het ledig gewicht van een voertuig, vermeerderd met het laadvermogen, wanneer het voertuig is uitgerust voor vertrek.
Artikel 5
Dit Verdrag is niet op te vatten als dienende ter regeling van het vervoer van personen tegen beloning of het vervoer van goederen, andere dan de persoonlijke bagage van de inzittenden van een voertuig, met dien verstande, dat deze aangelegenheden en alle andere, waaromtrent dit Verdrag geen bepalingen inhoudt, blijven vallen onder de werking der nationale wetgeving, behoudens de toepasselijkheid van andere internationale verdragen of overeenkomsten.
HOOFDSTUK II. Regels voor het verkeer op de weg
Artikel 6
Elke Verdragsluitende Staat treft de nodige maatregelen ter verzekering van de naleving van de in dit Hoofdstuk vervatte regels.
Artikel 7
Een bestuurder, voetganger of andere weggebruiker moet zich zodanig gedragen, dat hij het verkeer niet in gevaar brengt, noch belemmert; hij dient iedere handeling te vermijden, welke aan personen dan wel aan openbare of persoonlijke eigendommen letsel of schade zou kunnen berokkenen.
Artikel 8
Ieder voertuig en ieder samenstel van voertuigen, hetwelk zich als een geheel voortbeweegt, moet een bestuurder hebben.
Trekdieren, lastdieren en rijdieren moeten een bestuurder hebben en behalve in speciale gebieden, welke bij de toegangen als zodanig zijn aangegeven, moet vee worden begeleid.
Een convooi van voertuigen of dieren moet het aantal bestuurders hebben, voorgeschreven door de nationale wetgeving;
Een convooi moet zo nodig zijn verdeeld in afdelingen van matige lengte waartussen ten behoeve van het verkeer voldoende ruimte wordt gelaten. Dit voorschrift is niet van toepassing op streken, waar het trekken van nomaden voorkomt.
Bestuurders moeten te allen tijde hun voertuigen of hun dieren in hun macht hebben. Bij het naderen van andere weggebruikers moeten zij de voor derzelver veiligheid vereiste voorzorgen in acht nemen.
Artikel 9
Voertuigen, welke in dezelfde richting een weg volgen, moeten dezelfde zijde van die weg houden. In ieder land moet dit voor alle wegen op gelijke wijze zijn geregeld.
Een voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van de nationale voorschriften op het stuk van één-richting verkeer.
Als algemene regel en zo dikwijls de in artikel 7 vervatte bepalingen zulks vereisen moet een bestuurder:
- a. op een rijbaan met twee rijstukken, elk bestemd voor het verkeer in één van beide richtingen, zijn voertuig op de rijstrook houden, welke is bestemd voor verkeer in de richting, waarin hij gaat;
- b. op een rijbaan met meer dan twee rijstroken zijn voertuig op de rijstrook houden, welke volgens de richting, waarin hij gaat, voor hem het dichtst bij de kant van de rijbaan is gelegen.
Dieren moeten overeenkomstig de voorschriften der nationale wetgeving zo dicht mogelijk bij de kant van de weg worden gehouden.
Artikel 10
De bestuurder van een voertuig moet de snelheid daarvan te allen tijde in zijn macht hebben en met overleg en voorzichtig rijden. Hij moet vaart minderen of stilhouden, zo dikwijls de omstandigheden zulks vereisen of in het bijzonder, wanneer het zicht niet goed is.
Artikel 11
Een bestuurder moet, wanneer hij een andere bestuurder tegenkomt, of wanneer hij wordt ingehaald, zo dicht mogelijk bij de kant van de rijbaan blijven op de rijstrook, bestemd voor het verkeer in de richting, waarin hij gaat. Bij het inhalen moet een bestuurder het ingehaalde voertuig of dier aan de linker- of rechterzijde voorbij gaan, al naar de in het betrokken land geldende regel. Deze voorschriften behoeven niet van toepassing te zijn op het inhalen van trams of langs de weg rijdende treinen, noch op het inhalen op bepaalde bergwegen.
Bij de nadering van een voertuig of van een dier onder geleide moet een bestuurder:
- a. bij het tegenkomen voldoende ruimte vrijlaten voor het uit de tegenovergestelde richting komende voertuig of dier onder geleide;
- b. wanneer hij wordt ingehaald zo dicht mogelijk bij die zijde van de weg blijven, welke met zijn richting overeenkomt en zijn snelheid niet opvoeren.
Bestuurders, die voornemens zijn in te halen, moeten zich er van vergewissen, dat er voldoende ruimte is en voldoende zicht vooruit om zonder gevaar te kunnen inhalen. Na het inhalen moeten zij hun voertuig weer naar rechts of naar links brengen, al naar de in het betrokken land geldende regel, doch slechts na zich er van te hebben vergewist, dat zulks voor de ingehaalde voetganger of het ingehaalde voertuig of dier geen ongerief zal medebrengen.
Artikel 12
Een bestuurder, die een splitsing, een kruising of een samenkomst van wegen of een overweg nadert, moet bijzondere voorzorgen treffen ter vermijding van ongelukken.
Ten aanzien van bepaalde wegen of weggedeelten kan bij kruisingen of verenigingen van wegen voorrang worden verleend. Zodanige voorrang moet door tekens zijn aangegeven. Een bestuurder, die zulk een weg of weggedeelte nadert, is gehouden de doorgang voor zich langs vrij te laten voor bestuurders, die deze weg of dit weggedeelte volgen.
De bepalingen van Bijlage 2 betreffende de voorrang bij kruisingen, voor zover niet begrepen onder het in het tweede lid van dit artikel bepaalde, zijn van toepassing voor de door bedoelde Bijlage gebonden Staten.
Een bestuurder moet, alvorens een andere weg in te slaan:
- a. zich er van vergewissen, dat hij zulks kan doen zonder gevaar voor andere weggebruikers;
- b. op duidelijk waarneembare wijze het voornemen daartoe kenbaar maken;
- c. zoveel mogelijk naar de kant van de rijbaan gaan, welke met zijn richting overeenkomt, indien hij naar die zijde wil afslaan;
- d. zoveel mogelijk naar het midden van de rijbaan gaan, indien hij naar de andere zijde wil afslaan, behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 16;
- e. in geen geval het uit tegenovergestelde richting komende verkeer hinderen.
Artikel 13
Stilstaande voertuigen of dieren moeten buiten de rijbaan worden opgesteld, indien dit mogelijk is en anders zo dicht mogelijk langs de kant van de rijbaan.
Bestuurders mogen hun voertuigen of dieren niet verlaten, dan nadat zij alle ter vermijding van ongelukken noodzakelijke voorzorgen hebben getroffen.
Voertuigen of dieren mogen niet wachten ter plaatse, waar zij gevaar of hinder zouden kunnen opleveren en in het bijzonder niet op een kruispunt, in een bocht, op een heuveltop of in de nabijheid daarvan.
Artikel 14
Alle nodige voorzorgen moeten worden genomen, opdat de lading van een voertuig geen schade of gevaar kan veroorzaken.
Artikel 15
Van het vallen der duisternis af en gedurende de nacht, alsmede wanneer de weersomstandigheden het noodzakelijk maken, moet een voertuig of een samenstel van voertuigen op een weg ten minste een wit licht aan de voorzijde voeren en ten minste een rood licht aan de achterzijde. Wanneer een voertuig, voor zover geen rijwiel of motorrijwiel zonder zijspan, aan de voorzijde slechts met een wit licht is uitgerust, moet dit zijn aangebracht aan de zijde, het dichtst bij het tegenliggende verkeer. In landen, waar twee witte voorlichten zijn voorgeschreven, moeten deze rechts en links aan het voertuig zijn aangebracht. Het rode licht mag worden voortgebracht door een afzonderlijke inrichting, dan wel door dezelfde als die van het voorlicht of de voorlichten, indien het voertuig daarvoor niet te lang is en de bouw zulks toelaat.
In geen geval mag een voertuig een naar voren gericht rood licht of een naar voren gerichte rode reflector voeren, noch een naar achteren gericht wit licht of een naar achteren gerichte witte reflector. Dit voorschrift is niet van toepassing op een wit of geel achteruitrijlicht, zo dikwijls de wetgeving van het land van inschrijving van het voertuig zulk een licht toelaat.
De lichten en reflectors moeten zodanig zijn, dat zij het voertuig voor andere weggebruikers duidelijk waarneembaar maken.
De Verdragsluitende Staten of hun samenstellende delen mogen, onder voorwaarde dat alle maatregelen ter verzekering van normale verkeersveiligheid zijn genomen, van de bepalingen van dit artikel uitzonderen:
- a. voertuigen, gebruikt voor bijzondere doeleinden of onder bijzondere omstandigheden;
- b. voertuigen van bijzondere vorm of aard;
- c. stilstaande voertuigen op voldoende verlichte wegen.
Artikel 16
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn van toepassing op trolleybussen.
- a. Wielrijders moeten van rijwielpaden gebruik maken, waar de verplichting daartoe door een desbetreffend teken is aangegeven of wanneer zulk een verplichting door de nationale voorschriften is opgelegd;
- b. Wielrijders moeten achter elkander rijden, waar de omstandigheden zulks vorderen en zij mogen, behoudens in bijzondere in de nationale voorschriften voorziene gevallen, nimmer met meer dan twee naast elkander op de rijweg rijden;
- c. Wielrijders mogen zich niet door voertuigen laten voorttrekken;
- d. De bepalingen van het vierde lid, onder d, van artikel 12, zijn niet van toepassing op wielrijders, voor zover de nationale voorschriften anders luiden.
HOOFDSTUK III. Verkeerstekens
Artikel 17
Ter verzekering van een gelijksoortig stelsel moeten de in elk der Verdragsluitende Staten aangenomen verkeerstekens, voorzover mogelijk, de enige zijn, welke langs de wegen van die Staat worden aangebracht. Voorzover het noodzakelijk mocht zijn een nieuw teken in te voeren, moeten de vorm en de kleur daarvan, alsmede het daarvoor gebezigde soort symbool overeenstemmen met het in die Staat geldende stelsel.
Het aantal vastgestelde tekens moet tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. De tekens mogen slechts worden aangebracht op plaatsen, waar hun tegenwoordigheid is vereist.
Gevaar-tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige afstand van de plaats, waarop zij de aandacht moeten vestigen, dat een doelmatige waarschuwing van de weggebruikers is gewaarborgd.
Het is niet toegestaan aan een vastgesteld teken enige aanduiding aan te brengen, welke met het doel van dat teken geen verband houdt of de zichtbaarheid daarvan zou kunnen beperken, dan wel het kenmerkende ervan veranderen.
Borden en aanduidingen, welke met de vastgestelde tekens zouden kunnen worden verward of hun leesbaarheid zouden kunnen bemoeilijken, zijn niet toegestaan.
HOOFDSTUK IV. Bepalingen van toepassing op motorrijtuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer
Artikel 18
Om de voorrechten van dit Verdrag te kunnen genieten moet een motorrijtuig door een Verdragsluitende Staat of door een zijner samenstellende delen overeenkomstig deszelfs wetgeving zijn ingeschreven.
Door het bevoegde gezag, dan wel door een naar behoren daartoe gemachtigde vereniging, wordt op aanvraag een kentekenbewijs afgegeven, hetwelk in ieder geval vermeldt:
- a. het kenteken;
- b. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het motorrijtuig;
- c. het fabrieksnummer of serienummer;
- d. de datum van eerste uitgifte van het kentekenbewijs;
- e. de naam, de voornamen, het adres en de woonplaats van de aanvrager.
De gegevens van een kentekenbewijs, bedoeld in het vorige lid, worden door de Verdragsluitende Staten, behoudens tegenbewijs, als juist aangenomen.
Artikel 19
Een motorrijtuig moet ten minste aan de achterzijde op een afzonderlijke plaat, dan wel op het motorrijtuig zelf, een door het bevoegde gezag verleend kenteken voeren. Bij geval een motorrijtuig een of meer aanhangwagens voorttrekt moet de aanhangwagen, onderscheidenlijk de achterste aanhangwagen, het inschrijvingsnummer van het trekkende motorrijtuig voeren, dan wel een eigen inschrijvingsnummer.
De samenstelling en de uitvoering van het kenteken worden in Bijlage 3 omschreven.
Artikel 20
Een motorrijtuig moet aan de achterzijde behalve het kenteken, op een plaat, dan wel op het motorrijtuig zelf, een onderscheidingsteken voeren, aangevende de plaats van inschrijving van het motorvoertuig. Dit onderscheidingsteken moet een Staat aanduiden, dan wel een gebied, dat uit een oogpunt van inschrijving een duidelijk te onderkennen eenheid vormt. Bij geval een motorrijtuig een of meer aanhangwagens voorttrekt, moet dit onderscheidingsteken eveneens door de aanhangwagen, onderscheidenlijk de achterste aanhangwagen aan de achterzijde worden gevoerd.
De samenstelling en de uitvoering van het onderscheidingsteken worden in Bijlage 4 geregeld.
Artikel 21
Een motorrijtuig of aanhangwagen moet van de in Bijlage 5 omschreven aanwijzingen zijn voorzien.
Artikel 22
Motorrijtuigen en aanhangwagens moeten rijtechnisch zowel in voldoende staat van onderhoud verkeren als zodanig ingericht zijn, dat zij geen gevaar voor de bestuurder, de overige inzittenden of andere weggebruikers kunnen veroorzaken, noch schade kunnen berokkenen aan openbare of persoonlijke eigendommen.
Bovendien moeten motorrijtuigen en aanhangwagens voldoen aan de bepalingen van Bijlage 6, en moet de bestuurder van een motorrijtuig de daarin vervatte voorschriften in acht nemen.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op trolleybussen.
Artikel 23
Het vaststellen der maximum afmetingen en gewichten van tot de wegen der Verdragsluitende Staten of hun samenstellende delen toegelaten voertuigen behoort tot de bevoegdheid der nationale wetgeving. Op bepaalde wegen, aangewezen door Staten, welke partij zijn bij overeenkomsten van gewestelijke strekking, of bij gebreke van zodanige overeenkomsten, aangewezen door een Verdragsluitende Staat, gelden de maximum afmetingen en gewichten, toegestaan overeenkomstig Bijlage 7.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op trolleybussen.
HOOFDSTUK V. Bestuurders van motorrijtuigen in het internationale verkeer
Artikel 24
De Verdragsluitende Staten staan een tot hun grondgebied toegelaten bestuurder, die aan de in Bijlage 8 omschreven voorwaarden voldoet, zonder verder examen toe op zijn wegen motorrijtuigen te besturen van de in de Bijlagen 9 en 10 bedoelde categorie of categorieën, indien hij in het bezit is van een geldig rijbewijs, hem daarvoor, nadat hij een rijvaardigheidsproef heeft afgelegd, uitgereikt door het bevoegde gezag van een andere Verdragsluitende Staat of van een van deszelfs samenstellende delen dan wel door een naar behoren door dat gezag gemachtigde vereniging.
Niettemin kunnen de Verdragsluitende Staten van een tot hun grondgebied toegelaten bestuurder vorderen, dat hij in het bezit is van een internationaal rijbewijs overeenkomstig het in Bijlage 10 vervatte model, in het bijzonder, wanneer het betreft een bestuurder uit een land, waar geen nationaal rijbewijs is vereist of waar het hem uitgereikte rijbewijs niet overeenstemt met het in Bijlage 9 vervatte model.
Het internationale rijbewijs moet zijn uitgereikt door het bevoegde gezag van een Verdragsluitende Staat of van een van deszelfs samenstellende delen, dan wel door een naar behoren door dat gezag gemachtigde vereniging, nadat de bestuurder een rijvaardigheidsproef heeft afgelegd, en moet door dat gezag of die vereniging zijn gezegeld of gestempeld. De houder is gerechtigd in alle Verdragsluitende Staten zonder verder examen motorrijtuigen te besturen, behorende tot de categorieën, waarvoor het rijbewijs is afgegeven.
Zowel het recht tot gebruik van het nationale rijbewijs als dat tot gebruik van het internationale rijbewijs mag worden ontkend, indien de voorwaarden, waaronder zij zijn afgegeven, klaarblijkelijk niet langer worden vervuld.
Een Verdragsluitende Staat of een van deszelfs samenstellende delen mag een bestuurder het recht tot gebruik van een of beide der bovengenoemde rijbewijzen slechts ontzeggen, indien de bestuurder een verkeersovertreding heeft begaan, welke ingevolge de nationale wetgeving van die Verdragsluitende Staat de intrekking van het rijbewijs met zich brengt. In zodanig geval mag de Verdragsluitende Staat of dat van deszelfs samenstellende delen, welke, onderscheidenlijk hetwelk, het recht tot gebruik van het rijbewijs heeft ontzegd, het rijbewijs intrekken en inhouden tot de periode van ontzegging van het recht is verstreken of tot, indien dit eerder is, de houder het grondgebied van de Verdragsluitende Staat verlaat, en op het rijbewijs van de ontzegging van het recht melding maken, alsmede de naam en het adres van de bestuurder opgeven aan het gezag, dat het rijbewijs heeft afgegeven.
Gedurende een periode van vijf jaar, aanvangende op het tijdstip van in werking treden van dit Verdrag, wordt iedere bestuurder, die tot het internationale verkeer is toegelaten overeenkomstig de bepalingen van het Internationale Verdrag betreffende het verkeer met motorrijtuigen, getekend te Parijs op 24 April 1926, of het Verdrag ter regeling van het Inter-Amerikaanse automobielverkeer, voor ondertekening opengesteld te Washington op 15 December 1943, en die in het bezit is van de dienovereenkomstig vereiste bescheiden, geacht aan de vereisten van dit artikel te voldoen.
Artikel 25
De Verdragsluitende Staten verbinden zich elkander de gegevens te verstrekken, nodig ter vaststelling van de identiteit van personen, in het bezit van een nationaal of internationaal rijbewijs, tegen wie een strafvervolging wegens verkeersovertreding kan worden ingesteld. Zij verbinden zich voorts de gegevens te verstrekken, nodig ter vaststelling van de identiteit van de eigenaar van een buitenlands motorrijtuig, dat bij een ernstig ongeluk is betrokken, dan wel van degeen, te wiens name dat motorrijtuig is ingeschreven.
HOOFDSTUK VI. Bepalingen, van toepassing op rijwielen in het internationale verkeer
Artikel 26
Elk rijwiel moet zijn voorzien:
- a. van tenminste een goed werkende rem;
- b. van een toestel om geluidssignalen te geven, welke op behoorlijke afstand hoorbaar zijn en welk toestel met uitsluiting van elk ander bestaat in een bel;
- c. van het invallen der duisternis af en gedurende de nacht, alsmede indien de weersomstandigheden zulks vereisen, van een wit of geel licht aan de voorzijde en een rood licht of een rode reflector aan de achterzijde.
HOOFDSTUK VII. Slotbepalingen
Artikel 27
Dit Verdrag is tot 31 December 1949 opengesteld voor ondertekening door alle Staten, welke als lid bij de Verenigde Naties zijn aangesloten en alle Staten, welke zijn uitgenodigd tot het bijwonen van de in 1949 te Genève gehouden conferentie der Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen.
Dit Verdrag wordt bekrachtigd. De bekrachtigingsoorkonden worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties.
Van 1 Januari 1950 af is dit Verdrag opengesteld voor toetreding door die van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde Staten, welke dit Verdrag niet hebben ondertekend, en elke andere Staat, welke ingevolge een resolutie van de Economische en Sociale Raad daarvoor in aanmerking komt. Het Verdrag is eveneens opengesteld voor toetreding voor en namens een afhankelijk gebied, waarvan de Verenigde Naties het besturend lichaam vormen.
Toetreding geschiedt door nederlegging van een toetredingsoorkonde bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties.
Artikel 28
Elke Staat kan bij de ondertekening, de bekrachtiging of de toetreding, alsook te allen tijde daarna in een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat de bepalingen van dit Verdrag mede van toepassing zullen zijn voor een of meer der gebieden, voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. De bepalingen worden voor de in de kennisgeving genoemde gebieden van toepassing dertig dagen na ontvangst dier kennisgeving door de Secretaris-Generaal of, bij geval het Verdrag op dat tijdstip nog niet in werking is getreden, op het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag.
Voorzover de omstandigheden zulks toelaten, verbinden de Verdragsluitende Staten zich zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen te treffen, teneinde de toepasselijkheid van dit Verdrag uit te strekken tot de gebieden, voor welker buitenlandse betrekkingen zij verantwoordelijk zijn, behoudens, voorzover om grondwettelijke redenen vereist, de toestemming van de Regering dier gebieden.
Elke Staat, welke overeenkomstig het eerste lid van dit artikel een verklaring heeft afgelegd, waarbij dit Verdrag van toepassing wordt verklaard voor een gebied, voor welks buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is, kan te allen tijde daarna in een tot de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat dit Verdrag niet langer van toepassing zal zijn voor het in die kennisgeving genoemde gebied. In dat geval zal het Verdrag na verstrijken van een jaar sinds de datum der kennisgeving ophouden voor dat gebied van toepassing te zijn.
Artikel 29
Dit Verdrag treedt in werking met ingang van de dertigste dag na nederlegging van de vijfde bekrachtigingsoorkonde of toetredingsoorkonde. Voor Staten, welke na dit tijdstip dit Verdrag bekrachtigen of daartoe toetreden, treedt het in werking met ingang van de dertigste dag na nederlegging van hun bekrachtigings- of toetredingsoorkonde.
De Secretaris-Generaal der Verenigde Naties stelt de Staten, welke dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, alsmede andere Staten, welke waren uitgenodigd tot bijwoning van de conferentie der Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen, in kennis van het tijdstip, waarop dit Verdrag in werking treedt.
Artikel 30
Dit Verdrag beëindigt en vervangt tussen de Verdragsluitende Staten het Internationale Verdrag betreffende het verkeer met motorrijtuigen en het Internationale Verdrag betreffende wegverkeer, getekend te Parijs op 24 April 1926, alsmede het Verdrag ter regeling van het Inter-Amerikaanse automobielverkeer, opengesteld voor ondertekening te Washington op 15 December 1943.
Artikel 31
Wijzigingen van dit Verdrag kunnen door elk der Verdragsluitende Staten worden voorgesteld. Van de tekst van een voorgestelde wijziging wordt kennis gegeven aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties, die hem aan iedere Verdragsluitende Staat doet toekomen met verzoek binnen vier maanden mede te delen of hij:
- a. verlangt, dat een conferentie ter overweging van de voorgestelde wijziging wordt bijeengeroepen;
- b. de aanvaarding van de voorgestelde wijziging zonder conferentie voorstaat;
- c. de verwerping van de voorgestelde wijziging zonder conferentie voorstaat.
De voorgestelde wijziging wordt door de Secretaris-Generaal eveneens doorgezonden aan alle niet-Verdragsluitende Staten, welke waren uitgenodigd tot bijwoning van de conferentie der Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen.
De Secretaris-Generaal roept een conferentie van de Verdragsluitende Staten ter overweging van de voorgestelde wijziging bijeen, indien het bijeenroepen van een conferentie wordt verlangd:
- a. als de voorgestelde wijziging enig onderdeel van het Verdrag, anders dan de Bijlagen betreft, door tenminste een vierde gedeelte der Verdragsluitende Staten;
- b. als de voorgestelde wijziging een der Bijlagen, anders dan de Bijlagen 1 of 2 betreft, door ten minste een derde gedeelte der Verdragsluitende Staten;
- c. als zij een der Bijlagen 1 of 2 betreft, door tenminste een derde gedeelte van de Staten, gebonden door de Bijlage, waarop de voorgestelde wijziging betrekking heeft.
De Secretaris-Generaal nodigt behalve de Verdragsluitende Staten voor de conferentie uit de overige Staten, welke waren uitgenodigd tot bijwoning van de conferentie der Verenigde Naties voor wegverkeer en verkeer met motorrijtuigen, alsmede Staten wier deelneming naar het oordeel van de Economische en Sociale Raad gewenst is.
De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing ingeval een wijziging van dit Verdrag overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel is aangenomen.
Een wijziging van dit Verdrag, welke door de conferentie met tweederde meerderheid van stemmen is aangenomen, wordt ter kennis van alle Verdragsluitende Staten gebracht ter fine van aanvaarding. Een wijziging van het Verdrag, niet de Bijlagen 1 of 2 betreffende, treedt negentig dagen na haar aanvaarding door tweederde gedeelte der Verdragsluitende Staten in werking voor alle Verdragsluitende Staten, behalve die, welke voor het in werking treden verklaren de wijziging niet aan te nemen.
Voor het in werking treden van een wijziging van een der Bijlagen 1 of 2 moet de meerderheid tweederde van de door de Bijlage gebonden Staten bedragen.
De conferentie kan ten tijde van de aanneming van een wijziging van dit Verdrag, niet de Bijlagen 1 of 2 betreffende, met tweederde meerderheid van stemmen besluiten, dat de wijziging van zodanige betekenis is, dat Verdragsluitende Staten, welke hebben verklaard haar niet te aanvaarden en zulks niet alsnog binnen een periode van twaalf maanden na het in werking; treden van de wijziging doen, na verloop dier periode ophouden partij te zijn bij het Verdrag.
Ingeval een tweederde meerderheid der Verdragsluitende Staten de Secretaris-Generaal overeenkomstig het eerste lid, onder b, van dit artikel mededeelt de aanvaarding van de wijziging zonder conferentie voor te staan, wordt van de beslissing dier Staten door de Secretaris-Generaal aan alle Verdragsluitende Staten kennis gegeven. De wijziging wordt dan na verloop van negentig dagen na de datum dier kennisgeving; van kracht voor alle Verdragsluitende Staten, behalve die, welke binnen die periode aan de Secretaris-Generaal mededelen tegen de wijziging bezwaar te hebben.
Voorzoveel betreft wijzigingen van de Bijlagen 1 of 2 en wijzigingen, welke niet onder de werking van het vierde lid van dit artikel vallen, blijven de bestaande bepalingen van kracht voor de Verdragsluitende Staten, welke een verklaring overeenkomstig het derde lid van dit artikel hebben afgelegd of overeenkomstig het vijfde lid hun bezwaar tegen de wijziging hebben kenbaar gemaakt.
Verdragsluitende Staten, welke met betrekking tot een wijziging een verklaring overeenkomstig het derde lid van dit artikel hebben afgelegd of overeenkomstig het vijfde lid van hun bezwaar hebben kennis gegeven, kunnen deze verklaring onderscheidenlijk dat bezwaar te allen tijde intrekken door een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving.
De wijziging is dan voor de betrokken Staat van kracht met ingang van het tijdstip van ontvangst der kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 32
Dit Verdrag kan met inachtneming van een termijn van een jaar worden opgezegd door een daartoestrekkende kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die daarvan mededeling doet aan de Staten, welke het Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden. Na verloop van de termijn treedt het Verdrag voor de Staat, welke het heeft opgezegd, buiten werking.
Artikel 33
Een geschil tussen twee of meer der Verdragsluitende Staten, de uitleg of de toepassing van dit Verdrag betreffende, hetwelk de partijen door onderhandeling noch anderszins kunnen oplossen, kan door elk der betrokken Verdragsluitende Staten schriftelijk bij het Internationale Gerechtshof ter beslissing aanhangig worden gemaakt.
Artikel 34
Geen bepaling van dit Verdrag wordt geacht de Verdragsluitende Staten te beletten de maatregelen te nemen, welke zij voor hun buiten- of binnenlandse veiligheid noodzakelijk achten, voorzoveel die maatregelen verenigbaar zijn met het Handvest der Verenigde Naties en beperkt blijven tot de vereisten der gegeven omstandigheden.
Artikel 35
Behalve van kennisgevingen ingevolge artikel 29, leden 1, 3 en 5, artikel 31 en artikel 32, stelt de Secretaris-Generaal de in het eerste lid van artikel 27 bedoelde Staten in kennis van:
- a. verklaringen van Verdragsluitende Staten, waarbij zij de toepasselijkheid van het Verdrag overeenkomstig het eerste lid van artikel 2 uitsluiten voor een of beide der Bijlagen 1 en 2;
- b. verklaringen van Verdragsluitende Staten overeenkomstig het tweede lid van artikel 2, dat zij door een der Bijlagen 1 of 2 dan wel door beide zijn gebonden;
- c. ondertekeningen, bekrachtigingen, en toetredingen overeenkomstig artikel 27;
- d. kennisgevingen overeenkomstig artikel 28 met betrekking tot de toepasselijkheid van het Verdrag voor bepaalde gebieden;
- e. verklaringen, waarbij Staten overeenkomstig het vijfde lid van artikel 31 wijzigingen van het Verdrag aanvaarden;
- f. bezwaren tegen wijzigingen van het Verdrag, door Staten overeenkomstig het vijfde lid van artikel 31 ter kennis van de Seccretaris-Generaal gebracht;
- g. het tijdstip van in werking treden van wijzigingen van het Verdrag overeenkomstig het derde en vijfde lid van artikel 31;
- h. het tijdstip, waarop een Staat overeenkomstig het vierde lid van artikel 31 heeft opgehouden partij bij het Verdrag te zijn;
- i. het intrekken van bezwaren tegen een wijziging overeenkomstig het vierde lid van artikel 31;
- j. de lijst van Staten, gebonden door een wijziging van het Verdrag;
- k. opzeggingen van het Verdrag overeenkomstig artikel 32;
- l. verklaringen overeenkomstig het derde lid van artikel 28, dat het Verdrag heeft opgehouden van toepassing te zijn voor een bepaald gebied;
- m. kennisgevingen met betrekking tot onderscheidingsletters, door Staten gedaan overeenkomstig de bepalingen van punt 3 van Bijlage 4.
Het orgineel van dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, die aan de in het eerste lid van artikel 27 bedoelde Staten gewaarmerkte afschriften ervan doet toekomen.
De Secretaris-Generaal is gemachtigd dit Verdrag bij het in werking treden te registreren.
I. Remmen
a. Remmen van motorrijtuigen, behalve motorrijwilen met of zonder zijspan.
Elk motorrijtuig is voorzien van remmen, waarmede zijn beweging kan worden beheerst en waarmede het doeltreffend, veilig en snel tot stilstand kan worden gebracht bij elke wijze van belading en op elke opwaartse of nederwaartse helling, waarop ermede wordt gereden.
De remmen worden bediend door middel van twee zodanig gebouwde toestellen, dat bij onklaar raken van de ene reminrichting het motorrijtuig met de andere binnen redelijke afstand tot stilstand kan worden gebracht.
In deze Bijlage wordt één van deze reminrichtingen aangeduid met „bedrijfsrem” en de andere met „andere rem”.
De andere rem moet uitsluitend langs mechanische weg kunnen worden vastgezet en in aangezette stand, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder, blijven staan.
Elk der reminrichtingen moet wielen kunnen beremmen, welke zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig bevinden. De remoppervlakken moeten voortdurend met de wielen zijn verbonden zonder dat die verbinding anders dan voor een ogenblik door middel van een koppeling, schakelbak of vrij wiel verbroken kan worden.
Tenminste één der reminrichtingen moet kunnen werken op remoppervlakken, welke hetzij onmiddellijk aan de wielen zijn bevestigd, hetzij door middel van onderdelen, welke niet onklaar kunnen raken.
b. Remmen van aanhangwagens.
Elke aanhangwagen met een toegestaan maximum gewicht van meer dan 750 kg. (1.650 lbs.) is voorzien van tenminste één reminrichting, welke tenminste de helft van het aantal wielen beremt, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig moeten bevinden. Deze bepalingen zijn evenwel ook van toepassing ten aanzien van aanhangwagens, welker toegestaan maximum gewicht weliswaar niet meer bedraagt dan 750 kg. (1.650 lbs), doch meer dan anderhalf maal het ledig gewicht van het trekkende motorrijtuig. De reminrichting van aanhangwagens met een toegestaan maximum gewicht van meer dan 3500 kg. (7.700 lbs.) moet kunnen worden bediend door gebruik van de bedrijfsrem van het trekkende motorrijtuig. Wanneer het toegestane maximum gewicht van de aanhangwagen niet meer bedraagt dan 3500 kg. (7.700 lbs.), mag de reminrichting in werking worden gesteld door het enkele oplopen van de aanhangwagen op het trekkende motorrijtuig, (oplooprem).
De reminrichting van de aanhangwagen moet kunnen verhinderen, dat de wielen van de aanhangwagen draaien, wanneer deze is afgekoppeld.
Elke aanhangwagen, voorzien van een rem, is voorzien van een inrichting, waarmede de aanhangwagen automatisch tot stilstand wordt gebracht, indien de koppeling tijdens het rijden losraakt.
Deze bepaling is niet van toepassing op tweewielige kampeeraanhangwagens of lichte bagageaanhangwagens, welker gewicht meer dan 750 kg (1.650 lbs.) bedraagt, mits zij buiten de hoofdkoppeling zijn voorzien van een reserve-koppeling in de vorm van een ketting of kabel.
c. Remmen van gelede motorrijtuigen en van samenstellen van motorrijtuigen en aanhangwagens.
-
- Gelede motorrijtuigen. De bepalingen, vervat onder a van dit Deel, zijn van toepassing op elke trekker met oplegger. Een oplegger met een toegestaan maximum gewicht van meer dan 750 kg. (1.650 lbs.) is voorzien van tenminste een reminrichting, welke kan worden bediend door gebruik van de bedrijfsrem van het trekkende motorrijtuig. De reminrichting van een oplegger moet bovendien kunnen verhinderen, dat de wielen van de oplegger draaien, indien deze is afgekoppeld. Voorzover de nationale voorschriften zulks vereisen, is een oplegger, voorzien van een rem, uitgerust met een inrichting, welke de oplegger automatisch tot stilstand brengt, indien tijdens het rijden de koppeling losraakt.
-
- Samenstellen van motorrijtuigen en aanhangwagens. Elk samenstel van een motorrijtuig en een of meer aanhangwagens is voorzien van remmen, waarmede zijn beweging kan worden beheerst en waarmede het doeltreffend, veilig en snel tot stilstand kan worden gebracht bij elke wijze van belading en op elke opwaartse of nederwaartse helling, waarop ermede wordt gereden.
d. Remmen van motorrijwielen met of zonder zijspan. Elk motorrijwiel is voorzien van twee reminrichtingen, welke met de hand of met de voet mogen worden bediend, waarmede zijn beweging kan worden beheerst en waarmede het doeltreffend, veilig en snel tot stilstand kan worden gebracht.
II. Verlichting
a. Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel met of zonder zijspan, hetwelk in staat is langs de vlakke weg met een snelheid van meer dan 20 km (12 mijl) per uur te rijden, is voorzien van tenminste twee witte of gele koplichten, welke aan de voorzijde zijn bevestigd en de weg voor het motorrijtuig des nachts bij helder weer over een afstand van 100 meter (325 voet) doelmatig kunnen verlichten.
b. Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel, hetwelk in staat is langs de vlakke weg met een snelheid van meer dan 20 km (12 mijl) per uur te rijden, is uitgerust met twee witte of gele getemperde lichten, welke aan de voorzijde zijn bevestigd en zonodig de weg voor het motorrijtuig des nachts bij helder weer over een afstand van 30 meter (100 voet) doelmatig kunnen verlichten zonder andere weggebruikers te verblinden, welke richting het verkeer ook heeft.
Passeerlichten worden gebruikt inplaats van de koplichten zo dikwijls het gebruik van niet verblindende lichten nodig of verplicht is.
c. Elk motorrijwiel met of zonder zijspan heeft tenminste een koplicht en tenminste een getemperd licht overeenkomstig de bepalingen onder a en b van dit Deel. Evenwel mogen motorrijwielen met een motor van ten hoogste 50 kubieke centimeter (3.05 kubieke inch) cylinderinhoud van deze verplichting worden uitgezonderd.
d. Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel met of zonder zijspan, is voorzien van twee witte stadslichten aan de voorzijde. Deze lichten moeten des nachts bij helder weer duidelijk zichtbaar zijn op een afstand van 150 meter (500 voet) van de voorzijde van het motorrijtuig, zonder dat zij andere weggebruikers verblinden.
Het punt van het lichtgevende oppervlak dezer lichten, dat het verst van de lengte-as van het motorrijtuig verwijderd is, moet zich zo dicht mogelijk bij de uiterste linker- en rechterzijde van het motorrijtuig bevinden en mag daarvan in geen geval verder dan 400 millimeter (16 inch) zijn verwijderd.
Stadslichten zijn des nachts ontstoken zo dikwijls het gebruik van zulke lichten verplicht is en gelijktijdig met de getemperde lichten, indien geen enkel punt van het lichtgevende oppervlak van de lampen der getemperde lichten minder dan 400 millimeter (16 inch) is verwijderd van de uiterste linker- en rechterzijde van het motorrijtuig.
e. Elk motorrijtuig en elke achterste aanhangwagen van een samenstel van voertuigen is aan de achterzijde uitgerust met tenminste een rood licht, hetwelk des nachts bij helder weer zichtbaar is op een afstand van 150 meter (500 voet) van de achterzijde van het voertuig.
f. het kenteken, aangebracht aan de achterzijde van een motorrijtuig of een aanhangwagen, moet des nachts zodanig kunnen worden verlicht, dat het bij helder weer leesbaar is op een afstand van 20 meter (65 voet) van de achterzijde van het voertuig.
g. Het rode achterlicht of de rode achterlichten en het licht voor het kenteken aan de achterzijde zijn ontstoken gelijktijdig met de stadslichten dan wel met de getemperde lichten of de koplichten.
h. Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel zonder zijspan, is voorzien van twee rode reflectoren, bij voorkeur niet driehoekig van vorm, welke aan de achterzijde van het motorrijtuig symmetrisch aan weerszijden zijn aangebracht. De buitenste rand van elk dezer reflectoren bevindt zich zo dicht mogelijk bij de uiterste linker- en rechterzijde van het motorrijtuig en mag daarvan in geen geval verder dan 400 millimeter (16 inch) zijn verwijderd. Deze reflectoren mogen zijn ingebouwd in de rode achterlichten, indien deze aan bovenbedoelde vereisten voldoen. Deze reflectoren moeten des nachts bij helder weer, wanneer zij door twee koplichten worden verlicht, zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 100 meter (325 voet).
i. Elk motorrijwiel zonder zijspan is uitgerust met een rode reflector, bij voorkeur niet driehoekig van vorm, welke aan de achterzijde van het motorrijwiel is bevestigd, al of niet in het rode achterlicht is ingebouwd en voldoet aan de onder h van dit Deel gestelde voorwaarden omtrent zichtbaarheid.
j. Elke aanhangwagen en elk geleed motorrijtuig is voorzien van twee rode reflectoren, bij voorkeur driehoekig van vorm, welke aan de achterzijde van het voertuig symmetrisch aan weerszijden zijn aangebracht. Deze reflectoren moeten des nachts bij helder weer, wanneer zij door twee koplichten worden verlicht, zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 100 meter (325 voet).
Wanneer de reflectoren driehoekig van vorm zijn, is de driehoek gelijkzijdig met zijden van tenminste 150 millimeter (6 inch), terwijl een hoek omhoog wijst. De buitenste hoek van elk dezer reflectoren moet zich zo dicht mogelijk bevinden bij de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig en mag daarvan in geen geval meer dan 400 millimeter (16 inch) zijn verwijderd.
k. Elk motorrijtuig, voorzover geen motorrijwiel, en elke achterste aanhangwagen van een samenstel van voertuigen is aan de achterzijde voorzien van tenminste een stoplicht, hetwelk rood of geel licht geeft. Dit licht wordt ontstoken door gebruik van de bedrijfsrem van het motorrijtuig. Indien het stoplicht rood is en is ingebouwd in het rode achterlicht of daarmede is verbonden, moet zijn lichtsterkte groter zijn dan die van het rode achterlicht. Het stoplicht is niet vereist voor aanhangwagens en opleggers van zodanige afmetingen, dat het stoplicht van het trekkende motorrijtuig van de achterzijde zichtbaar blijft.
l. Wanneer een motorrijtuig is voorzien van richtingaanwijzers, moeten deze voldoen aan een der volgende omschrijvingen:
-
- een beweegbare seinarm aan weerszijden van het motorrijtuig, welke ter zijde buiten het motorrijtuig uitsteekt en een gelijkmatig oranje-geel tot oranje-rood licht geeft, wanneer de seinarm horizontaal is gericht;
-
- een vast oranje-geel tot oranje-rood knipper- of flikkerlicht, aangebracht aan elke zijkant van het motorrijtuig;
-
- een vast oranje-geel tot oranje-rood knipper- of flikkerlicht, aangebracht aan weerszijden van het motorrijtuig, zowel voor als achter. De kleur dezer lichten is wit of oranje-geel tot oranje-rood aan de voorzijde en rood of oranje-geel tot oranje-rood aan de achterzijde.
m. Behoudens de richtingaanwijzers mag geen enkel licht een knipper- of flikkerlicht zijn.
n. Indien een voertuig van verscheiden lichten van dezelfde soort is voorzien, moeten zij van dezelfde kleur zijn en, behoudens voorzover het betreft motorrijwielen met zijspan, moeten twee dier lichten symmetrisch ten opzichte van de lengte-as van het motorrijtuig zijn aangebracht.
o. Verschillende lichten mogen in dezelfde verlichtingsinrichting zijn opgenomen, mits elk dier lichten voldoet aan de daaromtrent in dit Deel vervatte bepalingen.
III. Verdere vereisten
a. Stuurinrichting.
Elk motorrijtuig is voorzien van een sterke stuurinrichting, waarmede het motorrijtuig gemakkelijk, snel en zeker kan worden gewend.
b. Achteruit-kijkspiegel.
Elk motorrijtuig is voorzien van tenminste een achteruit-kijkspiegel van doelmatige afmetingen en zo opgesteld, dat de bestuurder in staat is van zijn zitplaats de weg aan de achterzijde van het voertuig te zien. Deze verplichting geldt echter niet voor motorrijwielen met of zonder zijspan.
c. Geluidssignalen.
Elk motorrijtuig is uitgerust met tenminste een toestel tot het geven van geluidssignalen van voldoende sterkte, welk toestel niet mag zijn een bel, een gong, een sirene of ander schel klinkend toestel.
d. Ruitenwissers.
Elk motorrijtuig, uitgerust met een voorruit, is voorzien van tenminste een doelmatige ruitenwisser, welke werkt zonder dat hij bij voortduring door de bestuurder bewogen behoeft te worden. Deze verplichting geldt echter niet voor motorrijtuigen met of zonder zijspan.
e. Voorruiten.
Voorruiten moeten zijn vervaardigd van duurzaam, goed doorzichtig materiaal, dat ingeval van breuk geen scherpe splinters geeft. Voorwerpen mogen door dit materiaal niet verwrongen gezien worden.
f. Inrichting om achteruit te rijden.
Elk motorrijtuig met een ledig gewicht van meer dan 400 kilogram (900 lbs.) is voorzien van een inrichting om achteruit te rijden, welke van de bestuurderszitplaats in werking kan worden gesteld.
g. Geluiddemper.
Elk motorrijtuig is voorzien van een geluiddemper ter voorkoming van buitensporig of uitzonderlijk lawaai, welke bij voortduring werkt en waarvan de werking door de bestuurder tijdens het rijden niet kan worden onderbroken.
h. Banden.
De wielen van motorrijtuigen en hun aanhangwagens zijn voorzien van luchtbanden, dan wel van een andere soort banden van gelijke veerkracht.
i. Inrichting om te voorkomen, dat een voertuig van een helling naar beneden rijdt.
Elk motorrijtuig met een toegestaan maximum gewicht van meer dan 350 kg. (7700 lbs.) moet, wanneer het zich beweegt door een bergachtige streek van een land, waar de nationale wetgeving zulks voorschrijft, een inrichting met zich voeren in de vorm van een wig of stootblok, waarmede voorkomen kan worden, dat het motorrijtuig achterwaarts of naar voren wegrijdt.
j. Algemene bepalingen.
-
- Voorzover mogelijk mag het voortbewegings-werktuig met toebehoren van een motorrijtuig noch gevaar voor brand of ontploffing medebrengen noch schadelijke gassen of hinderlijke reuk of geluiden voortbrengen noch gevaar veroorzaken ingeval van een aanrijding.
-
- Elk motorrijtuig is zo ingericht, dat de bestuurder voldoende uitzicht heeft naar voren, naar links en naar rechts, om veilig te kunnen rijden.
-
- De bepalingen betreffende remmen en verlichting zijn niet van toepassing op invalidewagens, welke voldoen aan de nationale voorschriften omtrent remmen, verlichting en reflectoren van het land, waar zij zijn ingeschreven. Voor deze bepaling wordt onder „invalidewagen” verstaan een motorrijtuig met een ledig gewicht van niet meer dan 300 kg. (700 lbs.) en een snelheid van niet meer dan 30 km. (19 mijl) per uur, dat speciaal ontworpen en gebouwd (niet enkel geschikt gemaakt) is voor gebruik door een persoon, die aan een lichamelijk gebrek lijdt en dat gewoonlijk door zulk een persoon wordt gebruikt.
IV. Samenstellen van voertuigen
a. Een „samenstel van voertuigen” mag zijn samengesteld uit een trekkend motorrijtuig en een of meer aanhangwagens. Een geleed motorrijtuig mag een aanhangwagen voortbewegen, doch indien zulk een geleed motorrijtuig wordt gebruikt voor het vervoer van personen, mag die aanhangwagen slechts één as hebben en geen personen vervoeren.
b. Elke Verdragsluitende Staat mag evenwel bepalen, dat een motorrijtuig slechts een aanhangwagen mag voortbewegen en dat het een geleed motorrijtuig is verboden een aanhangwagen voort te bewegen. Hij mag eveneens bepalen, dat het een geleed motorrijtuig is verboden personen te vervoeren.
V. Overgangsbepalingen
De bepalingen van Deel I, Deel II en Deel III, onder e, van deze Bijlage zijn van toepassing op elk motorrijtuig, dat voor het eerst wordt ingeschreven meer dan twee jaar na het in werking treden van dit Verdrag, alsmede op elke door zulk een motorrijtuig getrokken aanhangwagen. Op motorrijtuigen, welke voor het eerst worden ingeschreven binnen twee jaar na het in werking treden van dit Verdrag, worden deze bepalingen van toepassing na verloop van vijf jaar na het in werking treden van dit Verdrag; hetzelfde geldt met betrekking tot aanhangwagens.
Intussen zijn de navolgende bepalingen van toepassing:
- a. Elk motorrijtuig is voorzien hetzij van twee onderling onafhankelijke remmen, hetzij van een rem met twee onderling onafhankelijke bedieningsorganen, waarvan de een werkt ook al is de andere onklaar, een en ander met dien verstande, dat in elk geval behoorlijk doeltreffende en snelwerkende remmen worden gebruikt.
- b. Elk afzonderlijk rijdend motorrijtuig is van het vallen der duisternis af en gedurende de nacht aan de voorzijde voorzien van tenminste twee witte lichten, links en rechts aangebracht, en aan de achterzijde van een rood licht. Voor motorrijwielen zonder zijspan mag het aantal lichten aan de voorzijde tot één worden verminderd.
- c. Elk motorrijtuig is eveneens voorzien van een of meer inrichtingen, waarmede de weg over voldoende afstand vooruit doeltreffend verlicht kan worden, tenzij de twee hierboven voorgeschreven lichten reeds aan deze voorwaarde voldoen. Indien het motorrijtuig in staat is sneller dan 30 km. (19 mijl) per uur te rijden, moet bedoelde afstand tenminste 100 meter (325 voet) bedragen.
- d. Lampen, welke verblindend licht kunnen geven, zijn voorzien van een inrichting om de verblindende uitwerking weg te nemen bij het tegenkomen van andere weggebruikers of bij elke andere gelegenheid, dat zulks nuttig is. Bij het wegnemen van de verblindende uitwerking moet er evenwel voldoende licht overblijven om de weg over een afstand van tenminste 25 meter (80 voet) helder te verlichten.
- e. Motorrijtuigen, welke aanhangwagens voortbewegen, zijn, voorzover betreft de verlichting aan de voorzijde, aan dezelfde voorschriften onderworpen als afzonderlijke motorrijtuigen; het rode achterlicht wordt gevoerd aan de achterzijde van de aanhangwagen.
1
Deze Bijlage is van toepassing op wegen, aangewezen overeenkomstig artikel 23.
2
Op deze wegen zijn de toegestane maximum afmetingen en gewichten - onverschillig of het voertuig leeg of geladen is - de volgende, met dien verstande echter, dat voertuigen niet zwaarder beladen mogen zijn dan toegestaan door het bevoegde gezag van het land van inschrijving:
| meter | voet | ||
|---|---|---|---|
| a. | Grootste breedte ............. | 2.50 | 8.20 |
| b. | Grootste hoogte ............. | 3.80 | 12.50 |
| c. | Grootste lengte: | ||
| Vrachtvoertuigen met twee assen ............. | 10.- | 33.- | |
| Personenvoertuigen met twee assen ............. | 11.- | 36.- | |
| Voertuigen met drie of meer assen ............. | 11.- | 36.- | |
| Gelede motorrijtuigen ............. | 14.- | 46.- | |
| Samenstel van voertuigen met een aanhangwagen1) ............. | 18.- | 59.- | |
| Samenstel van voertuigen met twee aanhangwagens1) ............. | 22.- | 72.- | |
| d. | Maximum toegestaan gewicht: | ||
| Metrieke tonnen | Engelse ponden | ||
| (1) per zwaarst beladen as2) ............. | 8.- | 17600 | |
| (2) per zwaarts beladen stel tandemassen (onderlinge afstand der assen tenminste 1 meter (40 inch), doch minder dan 2 meter (7 voet)) ............. | 14.50 | 32000 | |
| (3) per voertuig, trekker met oplegger of ander samenstel: |
1) De bepalingen van Deel IV van Bijlage 6 betreffende samenstellen van voertuigen zijn eveneens van toepassing op de in deze Bijlage bedoelde samenstellen van voertuigen.
2) Onder het gewicht per as is te verstaan het totale gewicht, op de weg overgebracht door alle wielen, welker middelpunt ligt binnen twee evenwijdige verticale dwarsvlakken, welke zich op een onderlinge afstand van 1 meter (40 inch) over de volle breedte van het voertuig uitstrekken.
| Afstand in meters, tussen de verst uiteengelegen assen van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel | Maximum toegestaan gewicht in metrieke tonnen van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel | Afstand in voeten tussen de verst uiteengelegen assen van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel | Maximum toe gestaan gewicht in ponden (lbs.) van een voertuig, geleed motor rijtuig of ander samenstel |
|---|---|---|---|
| van 3 tot 7 | 32 000 | ||
| van 1 tot 2 | 14,50 | „ 7 „ 8 | 32 480 |
| „ 8 „ 9 | 33 320 | ||
| „ 9 „ 10 | 34 160 | ||
| „ 2 „ 3 | 15,00 | „ 10 „ 11 | 35 000 |
| „ 11 „ 12 | 35 840 | ||
| „ 12 „ 13 | 36 680 | ||
| „ 3 „ 4 | 16,25 | „ 13 „ 14 | 37 520 |
| „ 14 „ 15 | 38 360 | ||
| „ 15 „ 16 | 39 200 | ||
| „ 4 „ 5 | 17,50 | „ 16 „ 17 | 40 040 |
| „ 17 „ 18 | 40 880 | ||
| „ 18 „ 19 | 41720 | ||
| „ 5 „ 6 | 18,75 | „ 19 „ 20 | 42 560 |
| „ 20 „ 21 | 43 400 | ||
| „ 21 „ 22 | 44 240 | ||
| „ 6 „ 7 | 20,00 | „ 22 „ 23 | 45 080 |
| „ 23 „ 24 | 45 920 | ||
| „ 24 „ 25 | 46 760 | ||
| „ 7 „ 8 | 21,25 | „ 25 „ 26 | 47 600 |
| „ 26 „ 27 | 48 440 | ||
| „ 27 „ 28 | 49 280 | ||
| „ 8 „ 9 | 22,50 | „ 28 „ 29 | 50 120 |
| „ 29 „ 30 | 50 960 | ||
| „ 30 „ 31 | 51 800 | ||
| „ 9 „ 10 | 23,75 | „ 31 „ 32 | 52 640 |
| „ 32 „ 33 | 53 480 | ||
| „ 33 „ 34 | 54 320 | ||
| „ 10 „ 11 | 25,00 | „ 34 „ 35 | 55 160 |
| „ 35 „ 36 | 56 000 | ||
| „ 36 „ 37 | 56 840 | ||
| „ 11 „ 12 | 26,25 | „ 37 „ 38 | 57 680 |
| „ 38 „ 39 | 58 520 | ||
| „ 39 „ 40 | 59 360 | ||
| „ 12 „ 13 | 27,50 | „ 40 „ 41 | 60 200 |
| „ 41 „ 42 | 61040 | ||
| „ 42 „ 23 | 61 880 | ||
| „ 13 „ 14 | 28,75 | „ 43 „ 44 | 62 720 |
| „ 44 „ 45 | 63 560 | ||
| „ 45 „ 46 | 64 400 | ||
| Afstand in meters, tussen de verst uiteengelegen assen van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel | Maximum toegestaan gewicht in metrieke tonnen van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel | Afstand in voeten tussen de verst uiteengelegen assen van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel | Maximum toegestaan gewicht in ponden (lbs.) van een voertuig, geleed motorrijtuig of ander samenstel |
| --- | --- | --- | --- |
| van 14 tot 15 | 30,00 | van 46 tot 47 | 65 240 |
| „ 47 „ 48 | 66 080 | ||
| „ 48 „ 49 | 66 920 | ||
| „ 15 „ 16 | 31,25 | „ 49 „ 50 | 67 760 |
| „ 50 „ 51 | 68 600 | ||
| „ 51 „ 52 | 69 440 | ||
| „ 16 „ 17 | 32,50 | „ 52 „ 53 | 70 280 |
| „ 53 „ 54 | 71 120 | ||
| „ 54 „ 55 | 71960 | ||
| „ 17 „ 18 | 33,75 | „ 55 „ 56 | 72 800 |
| „ 56 „ 57 | 73 640 | ||
| „ 57 „ 58 | 74 480 | ||
| „ 18 „ 19 | 35,00 | „ 58 „ 59 | 75 320 |
| „ 59 „ 60 | 76 160 | ||
| „ 60 „ 61 | 77 000 | ||
| „ 19 „ 20 | 36,25 | „ 61 „ 62 | 77 840 |
| „ 62 „ 63 | 78 680 | ||
| „ 63 „ 64 | 79 520 | ||
| „ 64 „ 65 | 80 360 |
- (4). Indien met betrekking tot een tot het internationale verkeer toegelaten voertuig het in de tabel onder (3) in metrieke eenheden uitgedrukte maximum toegestane gewicht verschilt van het in voeten en ponden uitgedrukte, geldt het hoogste van de twee.
3
Verdragsluitende Staten kunnen regionale overeenkomsten aangaan, waarbij het maximum toegestane gewicht hoger wordt gesteld dan aangegeven in de tabel. Aanbevolen wordt evenwel het per zwaarst beladen as maximum toegestane gewicht niet hoger te stellen dan 13 metrieke tonnen (28.660 lbs.).
4
Wanneer een Verdragsluitende Staat wegen aanwijst, waarop deze Bijlage van toepassing is, geeft hij aan de maximum afmetingen en gewichten, welke tijdelijk op die wegen worden toegestaan, voor het geval:
- a. op die wegen ponten, tunnels of bruggen voorkomen, welke het verkeer met voertuigen van de in deze Bijlage toegestane afmetingen en gewichten niet toelaten;
- b. de aard of de toestand dier wegen beperking vergt van het verkeer met zodanige voertuigen.
5
Verdragsluitende Staten, dan wel hun samenstellende delen, kunnen bijzondere verkeersvergunningen afgeven voor voertuigen of samenstellen van voertuigen van groter afmetingen of gewicht dan de in deze Bijlage aangegeven maximum afmetingen en gewichten.
6
Wanneer een weg, waarop deze Bijlage krachtens aanwijzing van toepassing is, tengevolge van verval, zware regens, sneeuw, dooi of andere ongunstige weersomstandigheden ernstig zou worden beschadigd door verkeer met voertuigen van het als regel toegestane gewicht, kunnen Verdragsluitende Staten of hun samenstellende delen voor een beperkte periode het verkeer met motorrijtuigen op zulk een weg beperken of verbieden, dan wel beperkingen voorschrijven met betrekking tot het gewicht der voertuigen, waarmede op die weg wordt gereden.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned representatives, after having communicated their full powers, found to be in good and due form, have signed this Convention.
DONE at Geneva, in a single copy, in the English and French languages, both texts authentic, this nineteenth day of September, one thousand nine hundred and forty nine.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)