Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid

Type Verdrag
Publication 2019-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 46
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Ter uitvoering van de artikelen 15, tweede lid, 17, zesde lid, 31, eerste lid en 32 van het op 18 november 1981 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag”), hebben de bevoegde Nederlandse en Kaapverdische autoriteiten in gemeen overleg de volgende bepalingen vastgesteld:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit Akkoord worden als „verbindingsorganen” aangewezen:

    1. van Nederlandse zijde:
  • a). voor de verstrekkingen in geval van ziekte en moederschap: het Zorginstituut te Diemen of zijn rechtsopvolger;
  • b). voor de ouderdomspensioenen en pensioenen aan nagelaten betrekkingen, alsmede voor de kinderbijslagen: de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen of zijn rechtsopvolger;
  • c). in alle overige gevallen: het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, te Amsterdam of zijn rechtsopvolger.
    1. van Kaapverdische zijde: Instituto Nacional da Previdência Social (nationaal instituut voor sociale voorzieningen).
Artikel 3
1.

In het in artikel 7, letter a) onder i), van het Verdrag bedoelde geval reikt de hierna genoemde instelling van het land waarvan de wetgeving van toepassing blijft, de werknemer op verzoek een detacheringsbewijs uit waarin wordt verklaard dat op hem de wetgeving van dit land van toepassing blijft.

2.

Dit bewijsstuk wordt opgemaakt:

  • -. in Nederland: door de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen;
  • -. in Kaapverdië: door de Direcçåo Geral do Trabalho e Emprego (Directoraat-Generaal Arbeid en Werkgelegenheid).
3.

In het in artikel 7, letter a) onder ii) van het Verdrag bedoelde geval richt de werkgever, zo mogelijk vóór het einde van de eerste periode van twaalf maanden, een verzoek om verlenging van detachering aan de instelling die het eerste bewijsstuk heeft uitgereikt; laatstbedoelde instelling vraagt de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van het land waar de tijdelijke werkzaamheden worden verricht en reikt, nadat goedkeuring is verkregen, een tweede bewijsstuk uit.

Artikel 4
1.

De werknemer die overeenkomstig artikel 8, tweede lid van het Verdrag zijn keuzerecht uitoefent, deelt dit mede aan de aangewezen instelling van het land voor de wetgeving waarvan hij heeft gekozen, terwijl hij tegelijkertijd zijn werkgever op de hoogte stelt. Deze instelling reikt de werknemer een bewijsstuk uit waaruit blijkt dat op hem bedoelde wetgeving van toepassing is en stelt de instelling van het andere land hiervan in kennis.

2.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt aangewezen:

  • -. in Nederland: de Sociale Verzekeringsbank;
  • -. in Kaapverdië: de Direcção do Trabalho (Directoraat van de Arbeid).
3.

De keuze wordt van kracht op de datum waarop het Verdrag in werking treedt of waarop de werknemer door de diplomatieke zending, de consulaire post, onderscheidenlijk de ambtenaar van deze zending of post, in dienst wordt genomen.

TITEL II. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap

Artikel 5
1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de begripsomschrijving „orgaan van de woonplaats” verstaan:

  • a). in Nederland:
  • –. wat de verstrekkingen voor de woonplaats betreft: een door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen zorgverzekeraar;
  • –. wat de uitkeringen betreft: het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, te Amsterdam.”
  • b). in Kaapverdië:
  • –. Instituto Nacional da Previdência Social (nationaal instituut voor sociale voorzieningen).
2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de begripsomschrijvingen „bevoegd orgaan” en „bevoegd orgaan voor toekenning van de zorgtoeslag” verstaan;

in Nederland:

  • –. voor de zorgverzekering: voor werknemers: de zorgverzekeraar en voor de personen die in Kaapverdië wonen en ten laste van Nederland recht hebben op gezondheidszorg in de Republiek Kaapverdië: het Zorginstituut;
  • –. voor de toekenning van de zorgtoeslag: Belastingdienst/Toeslagen te Utrecht of zijn rechtsopvolger.
3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de begripsomschrijving „orgaan van de verblijfplaats” verstaan:

  • a). in Nederland, wat uitkeringen betreft: het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, te Amsterdam;
  • b). in Kaapverdië: het Instituto Nacional da Previdência Social (nationaal instituut voor sociale voorzieningen).
Artikel 6
1.

Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 10 van het Verdrag, legt de werknemer aan het bevoegde orgaan een verklaring over waarin zijn vermeld de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving waaraan hij voorheen laatstelijk onderworpen is geweest, zijn vervuld.

2.

De verklaring wordt op verzoek van de werknemer verstrekt:

  • a). wat de in Nederland vervulde tijdvakken betreft, door de bedrijfsvereniging1)Kennelijk dient hier gelezen te worden: het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen waarbij zijn laatste werkgever in Nederland is aangesloten.
  • b). wat de in Kaapverdië vervulde tijdvakken betreft door het Instituto Nacional da Previdência Social (nationaal instituut voor sociale voorzieningen).
3.

Indien de werknemer de verklaring niet overlegt, vraagt het bevoegde orgaan deze aan het genoemde orgaan van het andere land.

Verstrekkingen

Artikel 7
1.

Om krachtens artikel 11, eerste lid van het Verdrag in aanmerking te komen voor verstrekkingen, laat de werknemer zich bij het orgaan van de woonplaats inschrijven, onder overlegging van een verklaring waaruit blijkt dat hij recht heeft op verstrekkingen. Deze verklaring wordt op verzoek van de werknemer afgegeven door het bevoegde orgaan. Indien de werknemer bedoelde verklaring niet overlegt, vraagt het orgaan van de woonplaats deze aan het bevoegde orgaan. Deze verklaring blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats geen bericht heeft ontvangen dat de verklaring is ingetrokken.

2.

Om krachtens artikel 11, tweede lid van het Verdrag in aanmerking te komen voor verstrekkingen, laten de gezinsleden zich bij het orgaan van de woonplaats inschrijven onder overlegging van de volgende stukken:

  • (i). een verklaring waaruit blijkt dat de werknemer recht heeft op verstrekkingen. Deze verklaring wordt afgegeven door het bevoegde orgaan. Indien de gezinsleden bedoelde verklaring niet overleggen, vraagt het orgaan van de woonplaats deze aan het bevoegde orgaan. Deze verklaring blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats geen bericht heeft ontvangen dat de verklaring is ingetrokken;
  • (ii). de bewijsstukken, welke door de wetgeving van het land van de woonplaats voor de toekenning van verstrekkingen gewoonlijk worden geëist.
3.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van elke inschrijving waartoe het overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden is overgegaan.

4.

De toekenning van verstrekkingen is afhankelijk van de geldigheid van de in het eerste lid en tweede lid, onder (i) bedoelde verklaring.

5.

De werknemer of diens gezinsleden dienen het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere beëindiging of verandering van dienstbetrekking van de werknemer of iedere overbrenging van de woon- of verblijfplaats van hemzelf of van een gezinslid.

8.

Het orgaan van de woonplaats deelt, zodra het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan iedere verandering mede, waardoor het recht op verstrekkingen van de werknemer of zijn gezinsleden kan vervallen.

7.

Het orgaan van de woonplaats verleent zijn goede diensten aan het bevoegde orgaan, met het oog op het uitoefenen van verhaal op degene die ten onrechte verstrekkingen heeft genoten.

Artikel 8
1.

Om gedurende een verblijf in het andere dan het bevoegde land in aanmerking te komen voor verstrekkingen, legt de in artikel 13, eerste lid van het Verdrag bedoelde werknemer aan het orgaan van de verblijfplaats een door het bevoegde orgaan, zo mogelijk voor dat hij het bevoegde land verlaat, afgegeven verklaring over, waaruit blijkt dat hij recht heeft op deze verstrekkingen. In deze verklaring wordt met name de duur vermeld waarover verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de werknemer deze verklaring niet overlegt, vraagt het orgaan van de verblijfplaats deze aan het bevoegde orgaan.

2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden gedurende hun tijdelijk verblijf in het andere dan het woonland of het bevoegde land.

3.

Het eerste lid is eveneens van toepassing in de in artikel 7, letters a) en b), eerste zin, van het Verdrag bedoelde gevallen.

Artikel 9
1.

Om in aanmerking te blijven komen voor verstrekkingen in het nieuwe verblijfsland, dient de in het tweede lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde werknemer, of het in artikel 13, zesde lid, van het Verdrag bedoelde gezinslid, aan het orgaan van de nieuwe woonplaats een verklaring te overleggen waarbij het bevoegde orgaan hem toestaat na de overbrenging van zijn woonplaats het recht op verstrekkingen te behouden. Bedoeld orgaan geeft in deze verklaring eventueel de maximumduur aan waarover volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen en nature mogen worden verleend. Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de werknemer of van het orgaan van de nieuwe woonplaats, de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats van de werknemer uitreiken, wanneer deze om gemotiveerde redenen niet tevoren kon worden opgesteld.

2.

Bij opneming in een ziekenhuis in de gevallen bedoeld in artikel 13, tweede en zesde lid van het Verdrag, geeft het orgaan van de nieuwe woonplaats binnen drie dagen na de datum waarop het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan bericht van de datum van opneming in een ziekenhuis of een andere geneeskundige inrichting, alsmede van de vermoedelijke duur van de opneming; bij vertrek uit het ziekenhuis of de andere geneeskundige inrichting geeft het orgaan van de nieuwe woonplaats binnen dezelfde termijn het bevoegde orgaan bericht van de datum van vertrek.

3.

Ter verkrijging van de machtiging waarvan het verlenen van de in het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde verstrekkingen afhankelijk is, richt het orgaan van de nieuwe woonplaats een verzoek aan het bevoegde orgaan. Laatstbedoeld orgaan kan hiertegen onder opgave van redenen binnen vijftien dagen, gerekend vanaf de verzending van dit verzoek, eventueel verzet aantekenen; indien na afloop van deze termijn bij het orgaan van de nieuwe woonplaats geen verzet is aangetekend, kent het de verstrekkingen toe.

4.

Wanneer de in het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag bedoelde verstrekkingen in onmiskenbare spoedgevallen zonder machtiging van het bevoegde orgaan moeten worden verleend, stelt het orgaan van de nieuwe woonplaats bedoeld orgaan hiervan onmiddellijk op de hoogte.

5.

De onmiskenbare spoedgevallen in de zin van het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag zijn die gevallen, waarin het verlenen van de verstrekking niet kan worden uitgesteld zonder het leven of de gezondheid van de betrokkene ernstig in gevaar te brengen. In het geval waarin een prothese of een kunstmiddel door een ongeval is gebroken of beschadigd, is het om de onmiskenbare spoed vast te stellen, voldoende de noodzaak van het herstel of de vernieuwing van het desbetreffende kunst- of hulpmiddel aan te tonen.

6.

De bevoegde verbindingsorganen stellen de lijst van verstrekkingen samen, waarop de bepalingen van het vierde lid van artikel 13 van het Verdrag van toepassing zijn.

Artikel 10
1.

Om in het land van zijn nieuwe woonplaats recht op verstrekkingen te behouden, legt de in artikel 13, tweede lid van het Verdrag bedoelde werknemer aan het orgaan van zijn nieuwe woonplaats een verklaring over, waarbij het bevoegde orgaan hem toestaat na de overbrenging van zijn woonplaats het recht op verstrekkingen te behouden. Bedoeld orgaan geeft in deze verklaring eventueel de maximumduur aan waarover volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verstrekkingen mogen worden verleend.

Het bevoegde orgaan kan op verzoek van de werknemer of van het orgaan van de nieuwe woonplaats, de verklaring ook na de overbrenging van de woonplaats van de werknemer uitreiken, wanneer deze om gerechtvaardigde redenen niet tevoren kon worden opgesteld.

2.

Wat betreft het verlenen van verstrekkingen door het orgaan van de nieuwe woonplaats, is artikel 9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11
1.

Om in het land van de woonplaats in aanmerking te komen voor verstrekkingen, laten de in artikel 14, tweede lid van het Verdrag bedoelde pensioengerechtigde, alsmede zijn gezinsleden zich inschrijven bij het orgaan van de woonplaats onder overlegging van de volgende stukken:

  • (i). een verklaring waaruit blijkt dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden recht op verstrekkingen heeft. Deze verklaring wordt afgegeven door het bevoegde orgaan, dat een afschrift van deze verklaring aan het verbindingsorgaan van het andere land zendt. Indien de pensioengerechtigde de verklaring niet overlegt, vraagt het orgaan van de woonplaats deze aan het bevoegde orgaan. Deze verklaring blijft geldig zolang het verbindingsorgaan van het andere land van het orgaan dat de verklaring heeft afgegeven, geen bericht heeft ontvangen dat de verklaring is ingetrokken;
  • (ii). de bewijsstukken, welke door de wetgeving van het land van de woonplaats voor de toekenning van verstrekkingen gewoonlijk worden geëist.
2.

Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van elke inschrijving waartoe het overeenkomstig het eerste lid is overgegaan.

3.

De toekenning van verstrekkingen is afhankelijk van de geldigheid van de in het eerste lid, onder (i) bedoelde verklaring.

4.

De pensioengerechtigde dient het orgaan van zijn woonplaats in kennis te stellen van iedere verandering in zijn omstandigheden, waardoor zijn recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van iedere schorsing of intrekking van zijn pensioen en van iedere overbrenging van zijn woonplaats of die van zijn gezinsleden.

5.

Het orgaan van de woonplaats deelt, zodra het hiervan kennis heeft gekregen, aan het bevoegde orgaan iedere verandering mede, waardoor het recht op verstrekkingen van de pensioengerechtigde of zijn gezinsleden kan vervallen.

6.

Het orgaan van de woonplaats verleent zijn goede diensten aan het bevoegde orgaan, met het oog op het uitoefenen van verhaal op degene die ten onrechte verstrekkingen heeft genoten.

7.

Het hierboven bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 14, derde lid, van het Verdrag bedoelde gezinsleden. In dat geval wordt de verklaring dat de gezinsleden van de pensioengerechtigde recht hebben op de verstrekkingen afgegeven door het bevoegde orgaan of door het orgaan van de woonplaats van de pensioengerechtigde, al naar gelang het geval.

Artikel 12

Voor het verlenen van verstrekkingen aan pensioengerechtigden, alsmede aan hun gezinsleden, gedurende een verblijf als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van het Verdrag, zijn de artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13
1.

Indien de in artikel 8 voorgeschreven formaliteiten niet gedurende het tijdelijk verblijf konden worden vervuld, worden de gemaakte kosten op verzoek van de werknemer of de pensioengerechtigde door het bevoegde orgaan vergoed tegen de tarieven die door het orgaan van de verblijfplaats worden toegepast.

2.

Het orgaan van de verblijfplaats dient het bevoegde orgaan dat zulks verzoekt, de nodige inlichtingen over deze tarieven te verstrekken.

Uitkeringen

Artikel 14
1.

Om in Kaapverdië in aanmerking te kunnen komen voor de uitkeringen krachtens de Nederlandse wetgeving, dient de werknemer die tijdens een tijdelijk verblijf in Kaapverdië arbeidsongeschikt wordt – onverminderd zijn verplichting om zijn werkgever onmiddellijk op de hoogte te stellen van zijn arbeidsongeschiktheid – persoonlijk een aanvraag in te dienen of – in geval van overmacht – deze door iemand anders te doen indienen bij het orgaan van de verblijfplaats, waarbij hij een door de behandelende arts afgegeven geneeskundige verklaring voegt. In zijn aanvraag vermeldt de werknemer de naam en het adres van zijn werkgever of voormalige werkgever.

2.

Het orgaan van de verblijfplaats laat onverwijld door de eigen controlerend geneesheer een rapport opstellen over de gezondheidstoestand van de werknemer. Dit rapport en de in het eerste lid bedoelde aanvraag worden door dit orgaan toegezonden aan het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, te Amsterdam.

3.

Het bevoegde Nederlandse orgaan2)Kennelijk dient hier gelezen te worden: Het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen is bevoegd een beslissing te nemen inzake de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en het recht op verstrekkingen, behoudens de bevoegdheid van de bevoegde Nederlandse rechter in geval van geschillen.

Hiertoe kan het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen de werknemer oproepen om hem in Nederland een medisch onderzoek te doen ondergaan door de eigen verzekeringsarts. De werknemer dient onverwijld aan een dergelijke oproep gevolg te geven. Het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen kan echter tevens de werknemer opdracht geven zich, binnen een door het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen vast te stellen termijn, opnieuw bij het orgaan van de verblijfplaats te vervoegen, waar hij een medische verklaring dient over te leggen, afgegeven door de arts van de geneeskundige dienst. Met betrekking tot het overleggen van deze verklaring handelt het orgaan van de verblijfplaats overeenkomstig het in het tweede lid bepaalde.

Eventuele extra reiskosten die in verband met de gezondheidstoestand van de werknemer worden gemaakt om aan bovenbedoelde oproep gevolg te geven, komen ten laste van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen en zullen, op vertoon van de bewijsstukken, worden vergoed.

4.

Indien de werknemer zich niet in staat acht gevolg te geven aan de oproep van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen om zich in Nederland bij de verzekeringsarts te vervoegen, dient hij zich onverwijld tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, waar hij een door de arts van de geneeskundige dienst afgegeven medische verklaring moet overleggen, alsmede de oproep van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen. Het orgaan van de verblijfplaats laat de werknemer onverwijld onderzoeken door de arts van de geneeskundige dienst.

5.

De arts van de geneeskundige dienst bepaalt of de werknemer op medische gronden verhinderd is gevolg te geven aan de oproep van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen. Indien de werknemer naar de mening van de arts niet in staat was naar Nederland te reizen, geeft de genoemde arts in het rapport de redenen van verhindering aan, alsmede de datum waarop deze verhindering een einde zal nemen en stelt hij de werknemer hiervan onmiddellijk op de hoogte. De werknemer dient op het door de arts aangegeven tijdstip naar Nederland te reizen en de door het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen aangewezen verzekeringsarts te bezoeken zodra hij in Nederland is aangekomen.

Het orgaan van de verblijfplaats zendt het rapport van de arts van de geneeskundige dienst onverwijld door naar het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen.

6.

Indien de arbeidsongeschiktheid voortduurt, dient de werknemer aan wie het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen de in het derde lid bedoelde oproep nog niet heeft toegezonden, zich tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, waar hij een nieuwe aanvraag moet indienen, tezamen met een geneeskundige verklaring van de arts van de geneeskundige dienst, zulks telkens vóór het einde van de in de voorafgaande geneeskundige verklaring van de arts van de geneeskundige dienst genoemde rustperiode.

In dergelijke gevallen handelt het orgaan van de verblijfplaats overeenkomstig het in het tweede lid bepaalde.

Artikel 15
1.

De werknemer die krachtens de Nederlandse wetgeving uitkeringen ontvangt en die van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen toestemming heeft om tijdelijk in Kaapverdië te verblijven, blijft onderworpen aan controle door het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen. Voor de uitoefening van deze controle roept het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen de werknemer op om in Nederland een medisch onderzoek te doen ondergaan door de eigen verzekeringsarts. De werknemer dient onverwijld aan een dergelijke oproep gevolg te geven. Eventuele extra reiskosten die in verband met de gezondheidstoestand van de werknemer worden gemaakt om aan bovenbedoelde oproep gevolg te geven, komen ten laste van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen en zullen, op vertoon van de bewijsstukken, worden vergoed.

2.

Indien de werknemer zich niet in staat acht aan een dergelijke oproep gevolg te geven, zijn artikel 14, vierde en vijfde lid, van toepassing.

Artikel 15a
1.

De werknemer die krachtens de Nederlandse wetgeving uitkeringen ontvangt en van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen toestemming heeft om deze verstrekkingen te blijven ontvangen na overbrenging van zijn woonplaats naar Kaapverdisch grondgebied, dient zich vóór de door het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen aangegeven datum tot het orgaan van de verblijfplaats te wenden, waar hij de bevestiging van de toestemming van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen moet overleggen, alsmede een door de arts van de geneeskundige dienst afgegeven geneeskundige verklaring.

2.

Het orgaan van de woonplaats laat door de arts van de geneeskundige dienst een rapport opstellen over de gezondheidstoestand van de werknemer. Het orgaan van de woonplaats zendt dit rapport onverwijld door naar het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen.

3.

Met betrekking tot het vaststellen van de eventuele arbeidsongeschiktheid na de in het eerste lid bedoelde datum is het in artikel 14, derde en zesde lid, bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Eventuele reiskosten die worden gemaakt om gevolg te geven aan de in artikel 14, derde lid, genoemde oproep komen ten laste van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen en zullen, op vertoon van bewijsstukken, worden vergoed.

Artikel 16
1.

Om in Nederland de uitkeringen krachtens de Kaapverdische wetgeving te kunnen ontvangen, dient de werknemer die zich in dat land bevindt een aanvraag in te dienen bij het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen onder vermelding van de naam en het adres van zijn werkgever. Dit orgaan doet de aanvraag onverwijld aan het nationaal instituut voor sociale voorzieningen toekomen, waarbij een geneeskundig rapport van de arts van de geneeskundige dienst wordt gevoegd.

2.

Het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen voert de medische en administratieve controle van de werknemer uit alsof deze een eigen verzekerde is en doet daartoe onverwijld aan het nationaal instituut voor sociale voorzieningen de hierover opgestelde rapporten toekomen. Dit orgaan behoudt echter de mogelijkheid om de werknemer door een arts van zijn keuze te laten keuren.

3.

Het nationaal instituut voor sociale voorzieningen is als enige bevoegd te beslissen over aanspraken op verstrekkingen, behoudens de bevoegdheid van de bevoegde Kaapverdische rechter in geval van geschillen.

Artikel 17

Het bevoegde orgaan stelt de uitkeringen met behulp van daartoe aangewezen middelen betaalbaar, met name per internationale postwissel. Deze uitkeringen kunnen echter, indien riet orgaan van de woon- of verblijfplaats hiermede instemt, door dit orgaan voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend. In dit geval stelt het bevoegde orgaan het orgaan van de woon- of verblijfplaats op de hoogte van het bedrag van de uitkeringen, de data van betaalbaarstelling en de maximale uitkeringsduur.

Financiële bepalingen

Artikel 18
1.

Het werkelijke bedrag van de uitgaven ter zake van de krachtens de artikelen 11, eerste lid, en 13, tweede en zesde lid, van het Verdrag verleende verstrekkingen, wordt door de bevoegde organen welke bedoelde verstrekkingen hebben verleend, vergoed, zoals zij uit de boekhouding van laatstbedoelde organen blijken.

2.

Voor de vergoeding kunnen geen hogere tarieven in rekening worden gebracht dan die welke gelden voor de verstrekkingen, verleend aan werknemers die onderworpen zijn aan de wetgeving welke wordt toegepast door het orgaan dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde verstrekkingen heeft verleend.

Artikel 19
1.

De uitgaven voor de krachtens artikel 11, tweede lid, en krachtens artikel 14, derde lid van het Verdrag verleende verstrekkingen worden ieder kalenderjaar op vaste bedragen gewaardeerd.

2.

Het door de Nederlandse organen verschuldigde vaste bedrag wordt vastgesteld door de gemiddelde jaarlijkse kosten per gezin te vermenigvuldigen met het gemiddelde jaarlijkse aantal gezinnen waarmede rekening moet worden gehouden. De gemiddelde jaarlijkse kosten per gezin zijn gelijk aan het gemiddelde per gezin van de uitgaven voor het totaal van de door de Kaapverdische organen verleende verstrekkingen aan alle gezinnen van verzekerden die aan de Kaapverdische wetgeving zijn onderworpen.

3.

Het door de Kaapverdische organen verschuldigde vaste bedrag wordt vastgesteld door de gemiddelde jaarlijkse kosten per gezinslid te vermenigvuldigen met het gemiddelde jaarlijkse aantal gezinsleden waarmede rekening moet worden gehouden. De gemiddelde jaarlijkse kosten per gezinslid zijn gelijk aan het gemiddelde van de uitgaven voor het totaal van de door de Nederlandse organen verleende verstrekkingen aan alle verzekerden die aan de Nederlandse wetgeving zijn onderworpen.

Artikel 20
1.

De uitgaven voor de krachtens artikel 14, tweede lid, van het Verdrag verleende verstrekkingen worden voor ieder kalenderjaar op vaste bedragen gewaardeerd.

2.

Het door de Nederlandse organen verschuldigde vaste bedrag wordt vastgesteld door de gemiddelde jaarlijkse kosten per pensioengerechtigde en gezinslid van deze gerechtigde te vermenigvuldigen met het gemiddelde jaarlijkse aantal pensioengerechtigden en hun gezinsleden, dat in aanmerking moet worden genomen. De gemiddelde kosten per pensioengerechtigde en gezinslid van deze gerechtigde zijn gelijk aan het gemiddelde per pensioengerechtigde en gezinslid van deze gerechtigde van de uitgaven voor het totaal van de door de Kaapverdische organen verleende verstrekkingen aan alle pensioengerechtigden, met inbegrip van hun gezinsleden, die aan de Kaapverdische wetgeving zijn onderworpen.

3.

Het door de Kaapverdische organen verschuldigde vaste bedrag wordt vastgesteld door de gemiddelde jaarlijkse kosten per pensioengerechtigde en gezinslid van deze gerechtigde te vermenigvuldigen met het gemiddelde jaarlijkse aantal pensioengerechtigden en hun gezinsleden, dat in aanmerking moet worden genomen. De gemiddelde kosten per pensioengerechtigde en gezinslid van deze gerechtigde zijn gelijk aan het gemiddelde per pensioengerechtigde en gezinslid van deze gerechtigde van de uitgaven voor het totaal van de door de Nederlandse organen verleende verstrekkingen aan alle verzekerden die aan de Nederlandse wetgeving zijn onderworpen.

Artikel 21

De verbindingsorganen kunnen, met toestemming van de bevoegde autoriteiten, andere wijzen van vergoeding dan die welke zijn voorzien in de artikelen 18, 19 en 20 overeenkomen voor alle verstrekkingen of voor een deel daarvan.

Artikel 22
1.

De in artikel 15 van het Verdrag bedoelde vergoedingen worden betaald door tussenkomst van de bevoegde verbindingsorganen.

2.

De in het voorgaande lid bedoelde organen kunnen overeenkomen dat de in de artikelen 19 en 20 bedoelde bedragen met een percentage voor administratiekosten worden verhoogd.

3.

Voor de toepassing van de artikelen 19 en 20 kunnen de bevoegde verbindingsorganen overeenkomsten sluiten inzake de eventuele verlening van voorschotten.

Hoofdstuk 2. Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)

Artikel 23
1.

De in Kaapverdië of in Nederland wonende werknemer of nagelaten betrekking van een werknemer die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering krachtens de wetgeving van het andere land of van beide landen, richt zijn aanvraag tot het bevoegde orgaan van het land waarin hij woont.

2.

Wanneer de belanghebbende op het grondgebied van een derde Staat woont, dient hij zijn aanvraag te richten tot het bevoegde orgaan van het land krachtens de wetgeving waarvan de werknemer laatstelijk verzekerd is geweest.

3.

In het geval dat met toepassing van artikel 16, tweede lid van het Verdrag recht op uitkeringen is ontstaan, wordt als Nederlands bevoegd orgaan voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aangewezen: Het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen te Amsterdam.

4.

De aanvragen worden ingediend door middel van de formulieren welke zijn voorzien bij de wetgeving van het land waarin de aanvraag volgens de voorgaande leden van dit artikel moet worden ingediend.

5.

De aanvrager dient, voor zover mogelijk, het orgaan of de organen van beide landen, waarbij de werknemer aangesloten is geweest te vermelden. Bovendien verstrekt hij alle overige inlichtingen welke het bevoegde orgaan verlangt, op daartoe vastgestelde bijzondere formulieren.

6.

Wanneer een ander dan het in het eerste of tweede lid van dit artikel bedoelde orgaan een aanvraag heeft ontvangen, moet het deze aanvraag onverwijld aan het in het eerste of tweede lid van dit artikel bedoelde orgaan doorzenden, onder vermelding van de datum waarop de aanvraag is ingediend. Deze datum wordt beschouwd als datum van indiening bij laatstbedoeld orgaan.

Artikel 24
1.

Voor de behandeling van de aanvragen om uitkeringen maken de bevoegde organen van beide landen gebruik van een contactformulier. Dit formulier bevat met name een opsomming en een samenvatting van de door de verzekerde krachtens de wetgevingen waaraan hij onderworpen is geweest, vervulde tijdvakken van verzekering.

2.

De toezending van dit formulier aan het bevoegde orgaan van het andere land komt in de plaats van het toezenden van bewijsstukken.

Artikel 25
1.

Het bevoegde orgaan van het land van de woonplaats vermeldt op het in het voorgaande artikel bedoelde formulier de tijdvakken van verzekering, welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld en zendt twee exemplaren van dit formulier aan het bevoegde orgaan van het andere land.

2.

Dit orgaan vult het formulier aan door het vermelden van:

  • a). de tijdvakken van verzekering welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld;
  • c). het bedrag van de uitkering waarop de aanvrager aanspraak zou kunnen maken zonder toepassing van de artikelen 16 en 17 van het Verdrag, op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
3.

Het in het voorgaande lid bedoelde orgaan zendt een exemplaar van het aldus aangevulde formulier terug naar het orgaan van het land van de woonplaats en voegt twee exemplaren van de definitieve beslissing bij, onder vermelding van de rechtsmiddelen en de beroepstermijnen.

Artikel 26

In gevallen waarin vertraging kan optreden, betaalt het bevoegde orgaan van het land van de woonplaats belanghebbende een terugvorderbaar voorschot, dat zo dicht mogelijk het bedrag benadert dat vermoedelijk zal worden vastgesteld, rekening houdende met de bepalingen van het Verdrag.

Artikel 27
1.

Indien het bevoegde orgaan van het land van de woonplaats vaststelt dat de aanvrager rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het Verdrag, stelt het de aanvulling vast waarop de aanvrager op grond van laatstgenoemd artikel recht heeft.

2.

Voor de toepassing van artikel 20 van het Verdrag geschiedt de omrekening van de in verschillende nationale munteenheden luidende bedragen tegen de officiële wisselkoers welke geldig is op de dag waarop dat artikel moet worden toegepast.

Artikel 28
1.

Het bevoegde orgaan van het land van de woonplaats stelt de aanvrager in kennis van de genomen beslissingen door middel van een in de taal van de aanvrager opgestelde samenvatting, waarbij de door de desbetreffende organen genomen beslissingen zijn gevoegd. In deze samenvatting worden eveneens de rechtsmiddelen en beroepstermijnen vermeld, welke in de wetgevingen van de beide landen zijn voorzien. De beroepstermijnen gaan eerst in na de dag waarop de aanvrager de samenvatting heeft ontvangen.

2.

Vervolgens deelt het aan het bevoegde orgaan van het andere land de datum mede waarop het beide beslissingen ter kennis van de aanvrager heeft gebracht, onder bijvoeging van een afschrift van zijn eigen beslissing en van de samenvatting.

Betaalbaarstelling van de uitkeringen

Artikel 29
1.

Indien het bevoegde orgaan vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving recht heeft op uitkeringen zonder dat er een beroep behoeft te worden gedaan op artikel 16 van het Verdrag, betaalt het deze onmiddellijk als voorlopige uitkering. Bij de definitieve afdoening van de aanvraag om uitkeringen vereffenen de betrokken organen hun rekeningen met toepassing van artikel 37 van het Verdrag.

2.

In het geval dat de organen van beide landen het voorgaande lid kunnen toepassen, worden de voorlopige uitkeringen alleen betaald door het orgaan van de woonplaats. Dit orgaan stelt het orgaan van het andere land hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

3.

In het geval dat ingevolge de voorgaande leden voorlopige uitkeringen worden betaald, is artikel 26 niet van toepassing.

Artikel 30

De door een orgaan van het ene land verschuldigde uitkeringen aan rechthebbenden die in het andere land wonen, worden rechtstreeks en op de vervaldagen die in de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn voorzien, uitbetaald. Daarentegen worden de achterstallige betalingen overgemaakt aan het orgaan dat de voorlopige uitkeringen heeft verleend.

Hoofdstuk 3. Werkloosheid

Artikel 31
1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 26 van het Verdrag, legt de werkloze aan het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen een verklaring over waarin zijn vermeld de tijdvakken van dienstbetrekking in Kaapverdië.

2.

Deze verklaring wordt op verzoek van de belanghebbende uitgereikt door het Direcção do Trabalho (Directoraat van Arbeid); indien de belanghebbende de verklaring niet overlegt, richt het bevoegde orgaan zich tot het Direcção do Trabalho (Directoraat van Arbeid).

Hoofdstuk 4. Gezinsbijslagen

Artikel 32
1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 28 van het Verdrag, legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een verklaring over waarin zijn vermeld de tijdvakken van verzekering, welke krachtens de wetgeving waaraan hij voorheen laatstelijk was onderworpen, zijn vervuld.

2.

De verklaring wordt op verzoek van de belanghebbende afgegeven door het orgaan van het andere land dat voorheen laatstelijk bevoegd was. Indien de belanghebbende bedoelde verklaring niet overlegt, vraagt het bevoegde orgaan deze aan het betrokken orgaan.

Artikel 33

De belanghebbende die een aanvraag om gezinsbijslagen indient ten behoeve van kinderen die in het andere dan het bevoegde land wonen of worden opgevoed, legt een verklaring omtrent de gezinssamenstelling over, welke door de bevoegde autoriteiten van de burgerlijke stand van dit land is verstrekt.

Artikel 34

De gezinsbijslagen worden overeenkomstig de voorschriften van de toepasselijke wetgeving en op de in deze wetgeving voorziene vervaldagen uitbetaald.

TITEL III. Diverse bepalingen

Artikel 35
1.

Voor de in het Verdrag voorziene samentelling van tijdvakken van verzekering, welke krachtens de wetgevingen van beide landen zijn vervuld, passen de bevoegde organen de volgende regels toe:

  • a). indien een tijdvak van verzekering, vervuld op grond van een verplichte verzekering krachtens de wetgeving van het ene land, samenvalt met een tijdvak van verzekering, vervuld op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wetgeving van het andere land, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen;
  • b). indien een krachtens de wetgeving van het ene land vervuld tijdvak van verzekering dat geen gelijkgesteld tijdvak is, samenvalt met een krachtens de wetgeving van het andere land gelijkgesteld tijdvak, wordt alleen het eerste tijdvak in aanmerking genomen;
  • c). elk krachtens de wetgevingen van beide landen tegelijk gelijkgesteld tijdvak wordt slechts in aanmerking genomen door het orgaan van het land aan de wetgeving waarvan de verzekerde laatstelijk vóór het bedoelde tijdvak verplicht onderworpen is geweest; indien de verzekerde vóór bedoeld tijdvak niet verplicht onderworpen is geweest aan een wetgeving van een land, wordt dit tijdvak in aanmerking genomen door het bevoegde orgaan van het land aan de wetgeving waarvan hij na dit tijdvak voor de eerste maal verplicht onderworpen is geweest;
  • d). ingeval de periode, waarin bepaalde tijdvakken van verzekering krachtens de wetgeving van het ene land zijn vervuld, niet nauwkeurig kan worden bepaald, wordt aangenomen dat deze tijdvakken de krachtens de wetgeving van het andere land vervulde tijdvakken niet overlappen en wordt hiermede rekening gehouden, voor zover de tijdvakken hiervoor in aanmerking kunnen worden genomen.
2.

Indien krachtens het eerste lid, letter a) van dit artikel voor de samentelling geen rekening wordt gehouden met tijdvakken van verzekering, vervuld op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wetgeving inzake ouderdoms- en/of overlevingsverzekering van een land, worden de premies welke voor deze tijdvakken zijn betaald, geacht bestemd te zijn ter verhoging van de krachtens genoemde wetgeving verschuldigde uitkeringen.

Artikel 36
1.

De administratieve en medische controle van in Nederland wonende rechthebbenden op uitkeringen krachtens de Kaapverdische wetgeving, wordt op verzoek van het bevoegde orgaan uitgeoefend door tussenkomst van:

  • a). het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen, indien het uitkeringen bij ziekte, invaliditeit en arbeidsongevallen betreft;
  • b). de „Sociale Verzekeringsbank”, indien het andere uitkeringen betreft.
  • a. Wanneer het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen waarbij een in Kaapverdië wonende werknemer aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Nederlandse wetgeving niet zelf de controle uitoefent, kan dit orgaan het nationaal instituut voor sociale voorzieningen vragen een geneeskundig rapport op te maken met betrekking tot de gezondheidstoestand van de werknemer en de administratieve controle uit te oefenen. In dit verzoek van het Nederlands orgaan wordt de aard van het geneeskundig of medisch onderzoek vermeld.
  • b. Indien het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen zelf de controle uitoefent, kan dit orgaan de werknemer oproepen om naar Nederland te komen om de vereiste medische onderzoeken te ondergaan. Eventuele kosten van de onderzoeken, van de reis en het verblijf komen ten laste van het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen en zullen, op vertoon van bewijsstukken, worden vergoed.
  • c. Indien de rechthebbende zich om medische redenen niet in staat acht naar Nederland te reizen stelt hij onmiddellijk het UWV, Uitvoeringsinstituut werknemersverenigingen daarvan op de hoogte via het orgaan van de woonplaats. Hij dient dan een door een arts van de geneeskundige dienst gewaarmerkte verklaring over te leggen. Deze bevat met name de medische reden waarom betrokkene niet naar Nederland kan reizen en vermeldt na welk tijdvak de medische gronden niet meer van toepassing zijn.
3.

Bij de aan de bevoegde organen gezonden inlichtingen en met name bij de medische rapporten wordt een vertaling in de Franse of Engelse taal gevoegd.

4.

Ieder bevoegd orgaan behoudt evenwel het recht de rechthebbende door een arts van zijn keuze te doen onderzoeken.

Artikel 37

De bevoegde organen van beide landen kunnen elkaar te allen tijde verzoeken over te gaan tot verificatie of controle van feiten en handelingen waardoor volgens hun eigen wetgeving het door hen erkende recht op prestaties kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

Artikel 38

De kosten die voortvloeien uit administratieve controle en geneeskundig onderzoek, observaties, reizen en allerlei verificaties, nodig voor de verlening van uitkeringen of voor de herziening daarvan, worden aan het met deze controle of verificaties belaste orgaan, op basis van het door dit orgaan toegepaste tarief, vergoed.

Artikel 39

Wanneer de belanghebbende na schorsing van de uitkeringen welke hij genoot, opnieuw recht op uitkeringen verkrijgt, terwijl hij op het grondgebied van het andere land woont, wisselen de betrokken organen alle nodig geachte inlichtingen uit met het oog op de hervatting van de betaling van deze uitkeringen.

Artikel 40

Alle uitkeringen worden aan de rechthebbenden uitbetaald zonder aftrek van porti of bankkosten.

Artikel 41

De bevoegde organen van beide landen kunnen het bewijs van in leven zijn, het bewijs van de burgerlijke stand en alle andere voor het vaststellen van het recht op uitkeringen of het voortzetten daarvan noodzakelijke documenten opvragen, hetzij rechtstreeks bij de rechthebbende, hetzij door bemiddeling van het orgaan van de woonplaats.

Artikel 42

Voor de toepassing van artikel 35 van het Verdrag vermeldt de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie, welke de aanvraag, de verklaring of het beroepschrift heeft ontvangen, dat had moeten worden ingediend bij een autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van het andere land, de datum waarop de aanvraag, de verklaring of het beroepschrift is ontvangen.

Artikel 43

Alle geschillen met betrekking tot de toepassing van dit Akkoord zullen worden opgelost door een commissie, samengesteld uit op het terrein van de sociale zekerheid bevoegde vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten, die zich kunnen laten bijstaan door deskundigen. De commissie komt beurtelings in het ene en in het andere land bijeen.

Artikel 44
1.

De verbindingsorganen kunnen, in gemeen overleg, noodzakelijke formulieren voor verklaringen, aanvragen en andere documenten, benodigd voor de toepassing van het Verdrag en dit Akkoord, vaststellen.

2.

Bovendien kunnen zij in gemeen overleg en met instemming van de bevoegde autoriteiten aanvullende maatregelen van administratieve aard voor de toepassing van dit Akkoord nemen.

Artikel 45

Dit Akkoord treedt op dezelfde dag in werking als het Verdrag en heeft dezelfde werkingsduur.

FAIT en deux textes originaux en langue française à La Haye, le 18 novembre 1981.

Les autorités compétentes néerlandaises,

(s.) M.H.M.F. GARDENIERS-BERENDSEN

(s.) C. I. DALES

L'autorité compétente capverdienne,

(s.) SILVINO MANUEL DA LUZ

Uitkeringen

Financiële bepalingen

Hoofdstuk 2. Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)

Betaalbaarstelling van de uitkeringen

Hoofdstuk 3. Werkloosheid

Hoofdstuk 4. Gezinsbijslagen

TITEL III. Diverse bepalingen

FAIT en deux textes originaux en langue française à La Haye, le 18 novembre 1981.

Les autorités compétentes néerlandaises,

(s.) M.H.M.F. GARDENIERS-BERENDSEN

(s.) C. I. DALES

L'autorité compétente capverdienne,

(s.) SILVINO MANUEL DA LUZ

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)