Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend de 9de September 1886, aangevuld te Parijs de 4de Mei 1896, herzien te Berlijn de 13de November 1908, aangevuld te Bern de 20ste Maart 1914, herzien te Rome de 2de Juni 1928, en herzien te Brussel de 26ste Juni 1948

Type Verdrag
Publication 1973-01-07
State In force
Source BWB
artikelen 39
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Australië, Oostenrijk, België, Brazilië, Canada, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Griekenland, Hongarije, India, Ierland, IJsland, Italië, de Libanon, Liechtenstein, Luxemburg, Marokko, Monaco, Noorwegen, Nieuw-Zeeland, Pakistan, Nederland, Polen, Portugal, Zweden, Zwitserland, Syrië, Tsjechoslowakije, Tunesië, de Unie van Zuid-Afrika, Vaticaanstad en Zuidslavië,

Gelijkelijk bezield met de wens om op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst te beschermen,

Hebben besloten te herzien en aan te vullen de te Bern op 9 September 1886 ondertekende Akte, aangevuld te Parijs op 4 Mei 1896, herzien te Berlijn op 13 November 1908, aangevuld te Bern op 20 Maart 1914 en herzien te Rome op 2 Juni 1928.

Dientengevolge zijn de ondergetekende Gevolmachtigden, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen:

Artikel 1

De Landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Verbond voor de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst.

Artikel 2

(1). De term „werken van letterkunde en kunst” omvat alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering bij geschrift of anderszins is vastgelegd; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken en werken volgens een soortgelijke werkwijze vervaardigd; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, grafeer- en lithografeerkunst; fotografische werken en werken volgens een soortgelijke werkwijze vervaardigd; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen.

(2). Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk: vertalingen, bewerkingen, muziekschikkingen en andere omvormingen van een werk van letterkunde of kunst. Nochtans is aan de wetgeving van de Landen van het Verbond voorbehouden om de aan vertalingen van officiële teksten op het gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak te verlenen bescherming vast te stellen.

(3). Verzamelingen van werken van letterkunde of kunst, zoals encyclopaedieën en bloemlezingen, die door de keuze of de rangschikking van de stof een schepping van de geest vormen, worden als zodanig beschermd, onverminderd de rechten van de auteurs op elk werk, dat van deze verzamelingen deel uitmaakt.

(4). De bovenvermelde werken genieten bescherming in alle Landen van het Verbond. Deze bescherming bestaat ten gunste van de auteur en van zijn rechtsopvolgers.

(5). Aan de wetgeving van de Landen van het Verbond is voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van de wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid, alsmede de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken, die in het Land van herkomst alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in de andere Landen van het Verbond slechts de in deze Landen aan tekeningen en modellen verleende bescherming worden ingeroepen.

Artikel 2bis

(1). Aan de wetgeving van de Landen van het Verbond is voorbehouden om van de bescherming bedoeld in het vorig artikel geheel of gedeeltelijk uit te sluiten politieke redevoeringen en redevoeringen, uitgesproken in een rechtszaak.

(2). Eveneens is aan de wetgeving van de Landen van het Verbond voorbehouden om voorwaarden vast te stellen, waaronder lezingen, toespraken, preken en andere werken van dien aard door de pers zullen mogen worden weergegeven.

(3). Echter zal alleen de auteur het recht hebben zijn in de vorige leden genoemde werken in een verzameling bijeen te brengen.

Artikel 3

Vervallen.

Artikel 4

(1). De auteurs, tot een der Landen van het Verbond behorende, genieten in de Landen, die niet het Land van herkomst van het werk zijn, voor hun werken, hetzij niet openbaar gemaakt, hetzij voor het eerst openbaar gemaakt in een der Landen van het Verbond, de rechten, welke de onderscheidene wetten thans aan eigen onderdanen verlenen of in vervolge zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie bijzonderlijk verleend.

(2). Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan der bescherming in het Land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van deze Conventie, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen, de auteur gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het Land, waar de bescherming wordt ingeroepen.

(3). Als Land van herkomst van het werk wordt beschouwd: voor openbaar gemaakte werken, dat waar het voor het eerst openbaar is gemaakt, zelfs indien het werken betreft gelijktijdig in verscheidene Landen van het Verbond openbaar gemaakt, die dezelfde beschermingsduur kennen; indien het betreft werken gelijktijdig openbaar gemaakt in verscheidene Landen van het Verbond, die een bescherming van verschillende duur kennen, dat Land waarvan de wetgeving de minst langdurige bescherming toekent; voor werken, die gelijktijdig openbaar zijn gemaakt in een Land, dat buiten het Verbond staat, en in een Land, dat tot het Verbond behoort, geldt uitsluitend het laatste Land als Land van herkomst. Als gelijktijdig in verscheidene Landen openbaar gemaakt wordt beschouwd elk werk, dat binnen dertig dagen na zijn eerste openbaarmaking in twee of meer Landen verschenen is.

(4). Onder „openbaar gemaakte werken” moeten in de zin van de artikelen 4, 5 en 6 worden verstaan de werken die zijn uitgegeven, welke ook de wijze van vervaardiging moge zijn van de exemplaren, welke in voldoende hoeveelheid ter beschikking van het publiek moeten zijn gesteld. De opvoering van een toneelwerk of dramatisch-muzikaal werk, de vertoning van een cinematografisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de openbare voordracht van een werk van letterkunde, de overbrenging of radio-uitzending van werken van letterkunde of kunst, de tentoonstelling van een kunstwerk en het bouwen van een bouwwerk vormen géén openbaarmaking.

(5). Voor niet openbaar gemaakte werken wordt als Land van herkomst beschouwd dat, waartoe de auteur behoort. Niettemin wordt voor bouwwerken en werken van grafische en plastische kunst, die een geheel vormen met een gebouw, als Land van herkomst beschouwd het Land van het Verbond, waar deze werken zijn gebouwd of in een bouwwerk zijn opgenomen.

Artikel 5

De onderdanen van een der Landen van het Verbond, die in een ander Land van het Verbond voor het eerst hun werken openbaar maken, hebben in dat laatste Land dezelfde rechten als de nationale auteurs.

Artikel 6

(1). De auteurs die, niet tot een van de Landen van het Verbond behorende, hun werken voor het eerst openbaar maken in een der Landen van het Verbond, genieten in dat Land dezelfde rechten als de nationale auteurs, en in de andere Landen van het Verbond de rechten door deze Conventie toegekend.

(2). Echter zal, indien een Land dat niet tot het Verbond behoort, de werken van auteurs die onderdanen zijn van een der Landen van het Verbond niet voldoende beschermt, dat laatste Land de bescherming kunnen beperken van werken, waarvan de auteurs, op het ogenblik der eerste openbaarmaking van die werken, onderdanen zijn van dat andere Land en niet werkelijk gevestigd zijn in een der Landen van het Verbond. Indien het Land van eerste openbaarmaking van deze bevoegdheid gebruik maakt, zijn de andere Landen van het Verbond niet gehouden aan de werken, die aldus aan een bijzondere behandeling zijn onderworpen, een ruimere bescherming toe te kennen dan die, welke hun in het Land van eerste openbaarmaking wordt toegekend.

(3). Geen krachtens het vorige lid opgelegde beperking zal de rechten mogen verkorten die een auteur mocht hebben verkregen op een werk dat vóór de toepassing van die beperking in een der Landen van het Verbond is openbaar gemaakt.

(4). De Landen van het Verbond, die krachtens dit artikel de bescherming van de rechten der auteurs beperken, moeten daarvan aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat kennis geven door een schriftelijke verklaring, waarin moeten worden aangegeven de Landen tegenover welke de bescherming wordt beperkt, evenals aan welke beperkingen de rechten van de tot die Landen behorende auteurs zijn onderworpen. De Regering van de Zwitserse Bondsstaat zal dit dadelijk ter kennis van alle Landen van het Verbond brengen.

Artikel 6bis

(1). Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten, en zelfs na overdracht van die rechten, behoudt de auteur gedurende zijn gehele leven het recht om het vaderschap van het werk op te eisen, en om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, of tegen elke andere aantasting daarvan, die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of zijn naam.

(2). Voorzover de nationale wetgeving van de Landen van het Verbond het toelaat, worden de krachtens het eerste lid aan de auteur toegekende rechten na zijn dood gehandhaafd ten minste tot het vervallen van de vermogensrechten, en uitgeoefend door de daartoe door deze wetgeving bevoegd verklaarde personen of instellingen. Het vaststellen van de voorwaarden waaronder de in dit lid bedoelde rechten kunnen worden uitgeoefend, wordt voorbehouden aan de binnenlandse wetgeving van de Landen van het Verbond.

(3). De rechtsmiddelen ter handhaving van de in dit artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van het Land waar de bescherming wordt ingeroepen.

Artikel 7

(1). De duur der bescherming door deze Conventie toegekend, omvat het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood.

(2). Ingeval echter een of meer Landen van het Verbond een langere dan de in het eerste lid voorziene duur toekennen, wordt de duur geregeld door de wet van het Land, waar de bescherming wordt ingeroepen; hij kan echter de in het Land van herkomst van het werk vastgestelde duur niet overtreffen.

(3). Voor cinematografische werken, voor fotogafische werken alsmede voor werken volgens een soortgelijke werkwijze als de cinematografie of de fotografie vervaardigd, en voor werken van toegepaste kunst, wordt de beschermingsduur geregeld door de wet van het Land waar de bescherming wordt ingeroepen, zonder dat die duur de in het Land van herkomst van het werk vastgestelde duur kan overschrijden.

(4). Voor anonieme of pseudonieme werken wordt de beschermingsduur vastgesteld op vijftig jaren, te rekenen van de dag van openbaarmaking. Wanneer evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat, is de beschermingsduur die welke is voorzien in het eerste lid. Indien de auteur van een anoniem of pseudoniem werk zijn identiteit tijdens het hierboven aangegeven tijdvak openbaart, is de toe te passen beschermingstermijn die welke is voorzien in het eerste lid.

(5). Voor posthume werken, welke niet behoren tot de categorieën van werken bedoeld in de leden 3 en 4, eindigt de ten behoeve van de erfgenamen en andere rechtverkrijgenden van de auteur lopende beschermingsduur vijftig jaren na de dood van de auteur.

(6). De beschermingstermijn na de dood van de auteur en de in de leden 3, 4 en 5 voorziene termijnen beginnen te lopen van de dood of de openbaarmaking af, maar de duur van deze termijnen wordt slechts berekend met ingang van de eerste Januari van het jaar, volgende op de gebeurtenis die genoemde termijnen heeft doen ingaan.

Artikel 7bis

De duur van het auteursrecht dat gemeenschappelijk toebehoort aan de medewerkers van een werk, wordt berekend van de datum van overlijden van de langstlevende der medewerkers af.

Artikel 8

De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijk werk het uitsluitend recht om vertalingen van hun werken te maken of daartoe machtiging te verlenen.

Artikel 9

(1). Romans als feuilleton geplaatst, novellen en alle andere werken hetzij van letterkunde, wetenschap of kunst, wat ook hun onderwerp zij, openbaar gemaakt in nieuwsbladen of tijdschriften van een der Landen van het Verbond, mogen zonder toestemming der auteurs niet in de andere Landen worden overgenomen.

(2). Artikelen, waarin actuele vragen van economie, politiek of godsdienst worden behandeld, mogen door de pers worden overgenomen indien de overneming niet uitdrukkelijk is voorbehouden. Evenwel moet de bron altijd duidelijk worden aangegeven; de middelen om de naleving van deze verplichting te verzekeren, worden bepaald door de wetgeving van het Land, waar de bescherming wordt ingeroepen.

(3). De bescherming van deze Conventie is niet toepasselijk op nieuwstijdingen of gemengde berichten, die louter het karakter hebben van persberichten.

Artikel 10

(1). Korte aanhalingen uit nieuws- en tijdschriftartikelen, zelfs in de vorm van persoverzichten, zijn in alle Landen van het Verbond geoorloofd.

(2). De bevoegdheid om aan werken van letterkunde of kunst op geoorloofde wijze, voor zover door het doel gerechtvaardigd, te ontlenen voor uitgaven, bestemd voor het onderwijs of met een wetenschappelijk karakter, dan wel voor bloemlezingen, blijft voorbehouden aan de wetgeving der Landen van het Verbond, alsmede aan de bijzondere regelingen die tussen hen bestaan of zullen worden getroffen.

(3). De aanhalingen en ontleningen moeten vergezeld gaan van de vermelding van de bron en van de naam van de auteur, indien die naam in de bron voorkomt.

Artikel 10bis

Aan de wetgeving van de Landen van het Verbond wordt voorbehouden de voorwaarden te regelen, waaronder tot opname, weergave en openbare mededeling van korte fragmenten van werken van letterkunde of kunst mag worden overgegaan ter gelegenheid van verslagen van actuele gebeurtenissen door middel van fotografie, cinematografie of langs de weg van radio-uitzending.

Artikel 11

(1). Auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale werken en muziekwerken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot: 1° de openbare opvoering en uitvoering van hun werken; 2° de openbare overbrenging door welk middel ook van de opvoering en de uitvoering van hun werken. De toepassing van de artikelen 11bis en 13 wordt echter voorbehouden.

(2). Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van hun werken.

(3). Om de bescherming van dit artikel te genieten, zijn de auteurs bij de openbaarmaking van hun werken niet gehouden de openbare opvoering of uitvoering te verbieden.

Artikel 11bis

(1). Auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot: 1° de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel, dienende tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden; 2° elke openbare mededeling, hetzij met of zonder draad, van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een ander lichaam dan het oorspronkelijke geschiedt; 3° de openbare mededeling van het door de radio uitgezonden werk door een luidspreker of door ieder ander dergelijk instrument, dat tekens, geluiden of beelden overbrengt.

(2). Het staat aan de wetgeving der Landen van het Verbond de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van de in het eerste lid bedoelde rechten, maar die voorwaarden hebben slechts een werking die uitsluitend beperkt blijft tot het Land, dat ze heeft vastgesteld. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen aan het zedelijk recht van de auteur, noch aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, bij gebreke van minnelijke schikking vast te stellen door het bevoegde gezag.

(3). Tenzij anders is overeengekomen, is in een machtiging, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verleend, niet besloten de machtiging om het door de radio uitgezonden werk op te nemen door middel van instrumenten die geluiden of beelden vastleggen. Nochtans wordt aan de wetgeving van de Landen van het Verbond voorbehouden een regeling vast te stellen voor ephemere opnamen, door een radiozendorganisatie met haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen tot stand gebracht. Deze wetgeving kan toestaan dat deze opnamen uit hoofde van haar uitzonderlijk documentair karakter in officiële archieven worden bewaard.

Artikel 11ter

Auteurs van letterkundige werken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot de openbare voordracht van hun werken.

Artikel 12

Auteurs van werken van letterkunde, wetenschap of kunst genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot bewerkingen, schikkingen en andere omvormingen van hun werken.

Artikel 13

(1). Auteurs van muziekwerken genieten het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot: 1° het opnemen van deze werken door instrumenten, dienende om hen mechanisch weer te geven; 2° de openbare uitvoering van de aldus opgenomen werken door middel van deze instrumenten.

(2). Voorbehouden en voorwaarden met betrekking tot de toepassing der bij het eerste lid bedoelde rechten kunnen door de wetgeving van ieder Land van het Verbond, voor zover het dit Land zelf aangaat, worden vastgesteld, maar de werking van alle voorbehouden en alle voorwaarden van die aard zal strikt beperkt blijven tot het Land dat ze gesteld heeft en zal in geen geval afbreuk kunnen doen aan het de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, bij gebreke van minnelijke schikking vast te stellen door het bevoegde gezag.

(3). Het voorschrift van het eerste lid van dit artikel heeft geen terugwerkende kracht en is bijgevolg in een Land van het Verbond niet toepasselijk op werken die in dat land reeds op geoorloofde wijze voor mechanische instrumenten zijn bewerkt vóór de inwerkingtreding van de op 13 November 1908 te Berlijn ondertekende Conventie en, indien het betreft een Land dat sinds die datum tot het Verbond is toegetreden of nog zal toetreden, vóór de dag van die toetreding.

(4). De opnamen krachtens het tweede en derde lid van dit artikel gemaakt en zonder machtiging der belanghebbenden ingevoerd in een Land waar zij niet geoorloofd zijn, kunnen daar in beslag worden genomen.

Artikel 14

(1). Auteurs van werken van letterkunde, wetenschap of kunst hebben het uitsluitend recht machtiging te verlenen tot: 1° de cinematografische bewerking en weergave van deze werken en het in omloop brengen van de aldus bewerkte of weergegeven werken; 2° de openbare opvoering en uitvoering van de aldus bewerkte of weergegeven werken.

(2). Onverminderd de rechten van de auteur van het werk dat is bewerkt of weergegeven, wordt het cinematografisch werk beschermd als een oorspronkelijk werk.

(3). De bewerking in iedere andere kunstvorm van films, afgeleid van werken van letterkunde, wetenschap of kunst, blijft, onverminderd de machtiging van de auteurs van die films, onderworpen aan de machtiging van de auteur van het oorspronkelijke werk.

(4). De cinematografische bewerkingen van werken van letterkunde, wetenschap of kunst zijn niet onderworpen aan de voorbehouden en voorwaarden, bedoeld in artikel 13, lid 2.

(5). De voorgaande bepalingen zijn tevens van toepassing op het weergeven of vervaardigen door middel van iedere andere soortgelijke werkwijze als de cinematografie.

Artikel 14bis

(1). Wat betreft oorspronkelijke kunstwerken en oorspronkelijke handschriften van schrijvers en componisten, geniet de auteur - of, na zijn dood, de door de nationale wetgeving aangewezen personen of instellingen - een onvervreemdbaar recht op een geldelijk voordeel bij elke verkooptransactie van het werk na de eerste overdracht door de auteur.

(2). De in het voorgaande lid voorziene bescherming kan in ieder Land van het Verbond slechts worden ingeroepen, indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het Land, waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toelaat.

(3). De wijze van inning en de hoogte der bedragen worden door elke nationale wetgeving bepaald.

Artikel 15

(1). Opdat de auteurs van de door deze Conventie beschermde werken van letterkunde en kunst, totdat het tegendeel is bewezen, als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de Landen van het Verbond worden toegelaten om vervolgingen wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat. Dit lid is van toepassing, zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de door de auteur aangenomen schuilnaam geen twijfel laat ten aanzien van zijn identiteit.

(2). Voor anonieme werken en voor de niet in het voorgaande lid bedoelde pseudoniemen werken wordt de uitgever wiens naam op het werk is aangegeven, zonder verder bewijs geacht de auteur te vertegenwoordigen; in deze hoedanigheid is hij gerechtigd diens rechten te beschermen en te doen gelden. De bepaling van dit lid houdt op van toepassing te zijn, wanneer de auteur zijn identiteit heeft geopenbaard en zijn hoedanigheid heeft aangetoond.

Artikel 16

(1). Elk werk, waardoor inbreuk wordt gemaakt op eens anders auteursrecht, kan door het bevoegde gezag van de Landen van het Verbond, waar het oorspronkelijke werk wettelijke bescherming geniet, in beslag worden genomen.

(2). In deze Landen kan het beslag zich ook uitstrekken over exemplaren, die afkomstig zijn uit een Land, waar het werk niet of niet meer beschermd wordt.

(3). Het beslag wordt gelegd overeenkomstig de wetgeving van elk Land.

Artikel 17

De bepalingen van deze Conventie kunnen in geen enkel opzicht afbreuk doen aan het recht van de Regering van elk Land van het Verbond om door maatregelen van wetgeving of bestuur de verspreiding, opvoering of tentoonstelling van elk werk of voortbrengsel ten aanzien waarvan het bevoegde gezag dat recht meent te moeten uitoefenen, toe te staan, onder toezicht te stellen of te verbieden.

Artikel 18

(1). Deze Conventie is van toepassing op alle werken, die op het ogenblik van haar inwerkingtreding nog niet gemeengoed zijn geworden in het Land van herkomst ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur.

(2). Indien echter een werk, ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur, die daaraan vroeger was toegekend, gemeengoed is geworden in het Land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal het daar niet opnieuw worden beschermd.

(3). De toepassing van dit beginsel geschiedt overeenkomstig de bepalingen vervat in reeds bestaande of te dien einde tussen Landen van het Verbond te sluiten bijzondere verdragen. Bij gebreke van dergelijke bepalingen regelen de onderscheidene Landen, ieder voor zover het hem aangaat, de wijze van toepassing van dit beginsel.

(4). De voorgaande bepalingen zijn gelijkelijk van toepassing in geval van nieuwe toetredingen tot het Verbond en in het geval, dat de bescherming mocht worden uitgebreid door toepassing van artikel 7 of door het prijsgeven van voorbehouden.

Artikel 19

De bepalingen van deze Conventie beletten niet de toepassing in te roepen van ruimere bepalingen, die door de wetgeving van een der Landen van het Verbond mochten zijn voorgeschreven.

Artikel 20

De Regeringen van de Landen van het Verbond behouden zich het recht voor, onderling bijzondere schikkingen te treffen, voor zover deze aan de auteurs ruimere rechten toekennen dan die door de Conventie worden toegekend, of andere bepalingen bevatten die niet in strijd zijn met deze Conventie. De bepalingen der bestaande schikkingen, die aan de bovenomschreven voorwaarden voldoen, blijven van toepassing.

Artikel 21

(1). Het internationale bureau, gesticht onder de naam „Bureau van het Internationaal Verbond voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst”, blijft in stand.

(2). Dit Bureau wordt geplaatst onder het hoog gezag van de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, die zijn inrichting regelt en toezicht houdt op zijn werking.

(3). De officiële taal van het Bureau is de Franse taal.

Artikel 22

(1). Het Internationaal Bureau verzamelt inlichtingen van elke aard die betrekking hebben op de bescherming van de rechten der auteurs op hun werken van letterkunde en kunst. Het rangschikt deze gegevens en maakt ze openbaar. Het wijdt zich aan studies van algemeen nut, die van belang zijn voor het Verbond, en redigeert met behulp van bescheiden, die door de verschillende Administraties tot zijn beschikking worden gesteld, een tijdschrift in het Frans over vraagstukken die betrekking hebben op het doel van het Verbond. De Regeringen der Landen van het Verbond behouden zich voor bij gemeen goedvinden het Bureau te machtigen dit tijdschrift uit te geven in een of meer andere talen, voor het geval de ondervinding de behoefte daaraan mocht hebben aangetoond.

(2). Het Internationaal Bureau moet zich ten allen tijde beschikbaar houden voor de leden van het Verbond om hen over de vragen, die betrekking hebben op de bescherming van werken van letterkunde en kunst, de bijzondere inlichtingen te verschaffen, waaraan zij behoefte mochten hebben.

(3). De Directeur van het Internationaal Bureau stelt van zijn beheer een jaarverslag op, dat wordt medegedeeld aan alle leden van het Verbond.

Artikel 23

(1). De kosten van het Bureau van het Internationaal Verbond worden door de Landen van het Verbond gezamenlijk gedragen. Tot nader besluit zullen de kosten een bedrag van honderd en twintig duizend goudfranken per jaar niet te boven mogen gaan *)Deze munteenheid is de goudfrank van 100 centimes, met een gewicht van 10/31 gram en een gehalte van 0,900.. Dit bedrag zal zo nodig kunnen worden verhoogd door een eenstemmig besluit van de Landen van het Verbond of van een der Conferenties bedoeld in artikel 24.

(2). Om de bijdrage van elk Land in de totale kosten te berekenen worden de Landen van het Verbond en zij die later tot het Verbond zullen toetreden ingedeeld in zes klassen, die elk in verhouding van een zeker aantal eenheden bijdragen, te weten:

1ste klasse 25 eenheden
2de ” 20 ”
3de ” 15 ”
4de ” 10 ”
5de ” 5 ”
6de ” 3 ”

(3). Deze coëfficiënten worden vermenigvuldigd met het aantal Landen van elke klasse en de som der aldus verkregen producten vormt het aantal eenheden, waardoor de totale kosten moeten worden gedeeld. Het quotiënt geeft het bedrag van de kosten-eenheid.

(4). Elk Land legt bij zijn toetreding een verklaring af nopens de klasse waarin het vraagt te worden ondergebracht, maar het kan altijd later verklaren dat het in een andere klasse wenst te worden overgeplaatst.

(5). De Zwitserse Administratie bereidt de begroting van het Bureau voor en houdt toezicht op de uitgaven; zij verstrekt de nodige voorschotten en stelt de jaarlijkse rekening vast, die aan alle andere Administraties zal worden medegedeeld.

Artikel 24

(1). Deze Conventie kan aan herziening worden onderworpen ten einde er die verbeteringen in aan te brengen, die tot vervolmaking van het stelsel van het Verbond strekken.

(2). Dergelijke vraagstukken, evenals die welke uit een ander oogpunt voor de ontwikkeling van het Verbond van belang zijn, worden behandeld op Conferenties, die achtereenvolgens in de Landen van het Verbond tussen de Afgevaardigden dier Landen zullen worden gehouden. De Administratie van het Land waar een Conferentie zitting zal houden, bereidt met behulp van het Internationaal Bureau de werkzaamheden van die Conferentie voor. De Directeur van het Bureau woont de zittingen van de Conferenties bij en neemt deel aan de beraadslagingen zonder stemgerechtigd te zijn.

(3). Geen wijziging van deze Conventie geldt voor het Verbond, tenzij daarop de algemene instemming is verkregen van de Landen die het Verbond vormen.

Artikel 25

(1). Landen, die niet tot het Verbond behoren en die wettelijke bescherming verzekeren der rechten, welke het onderwerp van deze Conventie uitmaken, kunnen op hun verzoek toetreden.

(2). Van deze toetreding zal schriftelijk kennis worden gegeven aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, en door deze aan alle andere Regeringen.

(3). Zij zal van rechtswege medebrengen aanvaarding van al de bepalingen en toelating tot al de voorrechten vastgesteld door deze Conventie en zal in werking treden een maand na het zenden van de kennisgeving door de Regering van de Zwitserse Bondsstaat aan de andere Landen van het Verbond, tenzij door het Land dat toetreedt een latere datum is aangegeven. Nochtans zal zij kunnen inhouden dat het toetredende Land - althans voorlopig - voornemens is om in plaats van artikel 8, ten aanzien van vertalingen, de bepalingen van artikel 5 van de Unie-Conventie van 1886, herzien te Parijs in 1896, toe te passen, met dien verstande, dat die bepalingen slechts betrekking hebben op vertalingen in de taal of de talen van dat Land.

Artikel 26

(1). Elk der Landen van het Verbond kan te allen tijde schriftelijk aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat kennis geven, dat deze Conventie toepasselijk is op zijn overzeese gebieden, koloniën, protectoraten, trustgebieden of elk ander gebied, waarvan het de buitenlandse betrekkingen onderhoudt, en de Conventie zal alsdan toepasselijk zijn op alle in de kennisgeving aangegeven gebieden met ingang van een overeenkomstig artikel 25, lid 3, vastgestelde datum. Bij gebreke van deze kennisgeving zal de Conventie niet op die gebieden toepasselijk zijn.

(2). Elk der Landen van het Verbond kan te allen tijde schriftelijk aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat kennis geven, dat deze Conventie ophoudt toepasselijk te zijn op alle of een deel der gebieden waarop de kennisgeving als bedoeld in het vorig lid betrekking had, en de Convente zal twaalf maanden na ontvangst van die kennisgeving aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat niet langer toepasselijk zijn in de in die kennisgeving genoemde gebieden.

(3). Alle overeenkomstig de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat gerichte kennisgevingen zullen door die Regering aan alle Landen van het Verbond worden medegedeeld.

Artikel 27

(1). Deze Conventie vervangt in de betrekkingen tussen de Landen van het Verbond de Berner Conventie van 9 September 1886 en de Akten die deze Conventie achtereenvolgens gewijzigd hebben. De Akten die vroeger van kracht waren, blijven toepasselijk in de betrekkingen met de Landen, die deze Conventie niet mochten bekrachtigen.

(2). De Landen namens welke deze Conventie is ondertekend kunnen het voordeel, voortvloeiende uit de voorbehouden die zij vroeger hebben gemaakt, behouden, mits zij bij het nederleggen der bekrachtigingsoorkonden een verklaring dienaangaande afleggen.

(3). De Landen die nu deel uitmaken van het Verbond en namens wie deze Conventie niet is ondertekend, zullen te allen tijde kunnen toetreden op de in artikel 25 bedoelde wijze. In dit geval zullen hen de bepalingen, bedoeld in het vorige lid, ten goede komen.

Artikel 27bis

Elk geschil tussen twee of meer Landen van het Verbond betreffende de uitlegging of toepassing van deze Conventie, dat niet door onderhandeling zal worden bijgelegd, zal ter beslissing voor het Internationaal Gerechtshof worden gebracht, tenzij de betrokken Landen een andere wijze van beslechting overeenkomen. Het Internationaal Bureau zal door het Land, dat als eiser het geschil voor het Hof heeft gebracht, hiervan op de hoogte worden gesteld; het Bureau zal hiervan kennis geven aan de andere Landen van het Verbond.

Artikel 28

(1). Deze Conventie zal bekrachtigd worden en de akten van bekrachtiging zullen uiterlijk op 1 Juli 1951 te Brussel worden nedergelegd. Deze bekrachtigingen, met de data ervan en met alle verklaringen, waarvan ze vergezeld mochten zijn, zullen door de Belgische Regering aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat medegedeeld worden, die er aan de andere Landen van het Verbond kennis van zal geven.

(2). Deze Conventie zal tussen de Landen van het Verbond, die haar bekrachtigd hebben, in werking treden één maand na 1 Juli 1951. Wanneer zij echter vóór die datum bekrachtigd mocht zijn door ten minste zes Landen van het Verbond, zal de Conventie tussen die Landen van het Verbond van kracht worden één maand nadat hun van het nederleggen van de zesde akte van bekrachtiging zal zijn kennis gegeven door de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, en voor de Landen van het Verbond die daarna bekrachtigen, één maand na de mededeling van elk dier bekrachtigingen.

(3). De Landen die niet tot het Verbond behoren, zullen tot 1 Juli 1951 tot het Verbond kunnen toetreden, hetzij door toe te treden tot de Conventie die op 2 Juni 1928 te Rome is ondertekend, hetzij door toe te treden tot deze Conventie. Van 1 Juli 1951 af zullen zij slechts tot deze Conventie kunnen toetreden. De Landen van het Verbond, die deze Conventie op 1 Juli 1951 niet hebben bekrachtigd, zullen er toe kunnen toetreden op de wijze voorzien in artikel 25. In dit geval zullen zij het voordeel, bedoeld in artikel 27, lid 2, kunnen genieten.

Artikel 29

(1). Deze Conventie zal voor een onbeperkte duur van kracht blijven. Nochtans heeft elk van de Landen van het Verbond de bevoegdheid haar te allen tijde op te zeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat.

(2). Deze opzegging, welke door deze Regering aan alle andere Landen van het Verbond zal worden medegedeeld, zal slechts gevolg hebben ten aanzien van het Land, dat haar heeft gedaan, en eerst twaalf maanden na ontvangst van de aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat gerichte kennisgeving van opzegging; voor de andere Landen van het Verbond blijft de Conventie van kracht.

(3). De in dit artikel voorziene opzeggingsbevoegdheid zal door een Land niet kunnen worden uitgeoefend vóór het verstrijken van een termijn van vijf jaren te rekenen van de datum van bekrachtiging of van toetreding door dit Land.

Artikel 30

(1). De Landen, die in hun wetgeving de beschermingsduur van vijftig jaren invoeren, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van deze Conventie, zullen daarvan schriftelijk kennis geven aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, welke kennisgeving dadelijk door die Regering aan alle andere Landen van het Verbond zal worden doorgegeven.

(2). Hetzelfde geldt voor de Landen die afstand doen van enig voorbehoud door hen gemaakt of gehandhaafd overeenkomstig de artikelen 25 en 27.

Artikel 31

De officiële Akten van de Conferenties zullen in het Frans worden opgesteld. Een gelijkwaardige tekst zal worden opgesteld in het Engels. In geval van verschil van mening ten aanzien van de uitlegging van de Akten, zal steeds de Franse tekst de doorslag geven. Elk Land of elke groep van Landen van het Verbond zal door een Internationaal Bureau, in overeenstemming met dit Bureau, een geautoriseerde tekst van deze Akten in de taal van zijn keuze kunnen doen opstellen. Deze teksten zullen worden openbaar gemaakt in de Akten van de Conferenties als bijlage van de Franse en Engelse teksten.

En foi de quoi, les Plénipotentiaires soussignés ont signé la présente Convention.

Fait à Bruxelles, le 26 juin 1948, en un seul exemplaire, qui sera déposé dans les archives du Ministère des Affaires Etrangères et du Commerce Extérieur de Belgique. Une copie, certifiée conforme, sera remise par la voie diplomatique à chaque Pays de l'Union.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)