Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de grensscheiding, met Reglement voor het plaatsen van grenspalen
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, het tractaat van den 19den April 1839 in overweging nemende, en alles willende regelen en vaststellen wat betrekking heeft tot de grensscheiding tusschen het Koningrijk der Nederlanden en het Koningrijk Belgie, hebben, te dien einde, overeenkomstig artikel 6 van genoemd tractaat, commissarissen benoemd, te weten:
Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, de heeren:
Paul Eustatius Reinier van Hooff, ridder der Militaire Willems-orde, 3de klasse, en der orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder-grootkruis der St. Stanislaus-orde en van die van St. Anna, 2de klasse, van Rusland, gedecoreerd met het Bronzen Kruis, luitenant-generaal, Hoogstdeszelfs adjudant in buitengewone dienst;
Willem Dominicus Aloys Kerens van Wolfrath, lid der ridderschap van het Hertogdom Limburg, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, oud lid der Staten-Generaal, lid der Staten van het Hertogdom Limburg, districts- en militie-commissaris te Maastricht;
Michael Tock, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, kommandeur der orde van de Eikenkroon, ridder der orde van den Rooden Adelaar, 2de klasse, van Pruissen, opper-raad der belastingen in het Groot-Hertogdom Luxemburg, Hoogstdeszelfs commissaris ter regeling der scheepvaart en van het scheepvaartregt op de Moezel;
Frans-Jozeph-Karel-Marie Wirz, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, opper-raad der publieke werken in het Groot-Hertogdom Luxemburg; en
Steven de Kruijff, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, hoofd-ingenieur van den Waterstaat.
Zijne majesteit de Koning der Belgen, de heeren:
André-Eduard Jolly, ridder der Leopolds-orde, gedecoreerd met het IJzeren Kruis, officier der Hertogelijke Huis-orde van Ernst van Saxen, ridder der Koninklijke orde van het Legioen van Eer, generaal-majoor, commandant der provincie Antwerpen;
Nicolaas Berger, president van de Regtbank van eersten aanleg van Arlon, oud lid van de Kamer der Vertegenwoordigers;
Jan Baptiste Vifquain, officier der Leopolds-orde, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw en der Koninklijke orde van het Legioen van Eer, inspecteur der bruggen en wegen;
Karel-Emmanuel-Frans-Joseph Grandgagnage, ridder der Leopolds-orde, directeur der directe belastingen, douanen en accijnsen en van het kadaster in de provincie Luik; en
den burggraaf Karel-Ghislain-Willem Vilain XIIII, officier der Leopolds-orde, gedecoreerd met het IJzeren Kruis, lid van de Kamer der Vertegenwoordigers.
Dewelke, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmagten te hebben uitgewisseld, en zich rigtende naar het aanvullende en het ophelderende tractaat van den 5den November 1842, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:
Beschrijvend proces-verbaal, plannen en kaarten.
Artikel 1
De grenslijn tusschen het Koningrijk der Nederlanden en het Koningrijk Belgie strekt zich uit van Pruissen af tot aan de Noordzee.
Deze grenslijn, welke in drie afdeelingen verdeeld is, wordt op eene juiste en onveranderlijke wijze vastgesteld, bij een beschrijvend proces-verbaal, opgemaakt volgens de parcellaire plannen van het kadaster, vervaardigd op eene schaal van een twee duizend vijf honderdste en door middel van herkenningen op het terrein, door daartoe afgevaardigde commissarissen bewerkstelligd.
Nogtans zullen, bij uitzondering, kaarten op eene schaal van een tien-duizendste, voldoende geoordeeld worden, om de grenslijn welke door de Maas en de Schelde gevormd wordt, aan te wijzen.
Hetzelfde geldt voor hetgeen de gemeenten van Baarle-Nassau (Nederlanden) en Baarle-Hertog (Belgie) betreft, te wier opzigte het statu-quo behouden wordt, naar aanleiding van artikel 14 van het tractaat van 5 November 1842.
Een speciaal plan, in vier bladen, al de perceelen van deze twee gemeenten bevattende, is opgemaakt op eene schaal van een tien-duizendste, en bij dit plan zijn twee losse bladen gevoegd, op eene schaal van een twee duizend vijf honderdste, de perceelen van genoemde gemeenten voorstellende, welke op eene kleinere schaal niet duidelijk zouden worden aangewezen.
Artikel 2
De topographische kaarten, op eene schaal van een tien-duizendste, bestemd om de grenslijn in derzelver geheel en in betrekking tot de aangrenzende localiteiten te doen kennen, worden bij afdeelingen opgemaakt, te weten;
- Van de zijde der Nederlanden, door middel van kadastrale plannen, aanwijzende tabellen en herkenningen op het terrein voor zoo verre deze noodig waren tot het bepalen der grenslijn.
- Van de zijde van Belgie, door middel van cadastrale plannen en van herkenningen op het terrein, de geheele uitgestrektheid van het Belgische gedeelte omvattende.
In deze kaarten is de geheele uitgestrektheid der grenslijn begrepen, op eene middelbare lijn van twee duizend vier honderd ellen (mètres).
Artikel 3
Het beschrijvend proces-verbaal, de parcellaire plannen en de topographische kaarten op eene schaal van een tien-duizendste, door de commissarissen vastgesteld en geteekend, zullen bij de tegenwoordige overeenkomst gevoegd blijven, en dezelfde kracht en waarde hebben, als of dezelve daarin in hun geheel waren opgenomen.
AFDEELING I. Grenzen van Pruissen af tot aan de Maas.
Grens, gevormd door den loop dezer rivier, alsmede door het rayon van Maastricht.
Artikel 4. Beschrijving der grens.
§ 1. De grenslijn tusschen de Nederlanden en Belgie begint bij bet aanrakingspunt der gemeenten Vaals (Nederlanden), Gemmenich (Belgie), Laurensberg (Pruissen) en Moresnet (onzijdig territoir tusschen Belgie en Pruissen).
Deze lijn, zich van dit punt af, ten westen rigtende, tot aan de Maas, scheidt achtereenvolgend de Nederlandsche gemeenten Vaals, Wittem, Slenaeken, Noorbeek, Mheer, St. Gertrude, Mesch en Eijsden (Hertogendom Limburg), van de Belgische gemeenten Gemmenich, Sippenaeken, Teuven, Fouron St. Martin, Fouron-le-Comte en Mouland (provincie Luik), gemeenten welker oude grenzen gewijzigd zijn, ten gevolge der ruilingen en afstand van grondgebied, aangewezen in de artikelen 5, 6 en 7 hierna volgende.
(Artikelen 1 tot 13 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Aan de Maas gekomen, wendt de grenslijn, door den Thalweg bij laag water gevormd, zich ten noorden en volgt den Thalweg van deze rivier, tot aan het aanrakingspunt der gemeenten St. Pieter, Gronsveld (Nederlanden) en Lanaije (Belgie), gelegen boven de stad Maastricht, aan Nederland de eilanden en eilandjes latende verblijven, regts van den Thalweg gelegen.
(Artikelen 14, 15 en 16 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 3. Bij het aanrakingspunt van genoemde gemeenten St. Pieter, Gronsveld en Lanaye, gaat de lijn, den Thalweg der Maas verlatende, op den linker oever der rivier over, loopt om de stad Maastricht, en laat aan dezelve het rayon grondgebied hetwelk bij § 2 van artikel 4 van het tractaat van 19 April 1839 aan dezelve is toegekend.
Te dien einde, scheidt gezegde lijn, in de eerste plaats, de gemeente St. Pieter (Nederlanden), van die van Lanaye (Belgie), om over te gaan op het oostelijk gedeelte der gemeente Canne, van welke een stuk grond, met het kasteel van Nedercanne, aan de Nederlanden behoort; vervolgens loopt dezelve, door de gemeente Vroenhoven, tusschen de dorpen Montenaken (Belgie) en Wijlre (Nederlanden) doorgaande; verder scheidt dezelve van de gemeente Veltwezelt (Belgie), het zuidelijk uiteinde van deszelfs grondgebied, en snijdt eindelijk het meest ten zuid-westen gelegen gedeelte van het grondgebied der gemeente Lanaken (Belgie) af, ten einde op nieuw den Thalweg der Maas te volgen, bij het dorp Smeermaas, van hetwelk zij eenige woningen aan Nederland laat verblijven.
(Artikelen 17 tot 23 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 4. Te beginnen van het punt waar, te Smeermaas, de grenslijn den Thalweg der Maas weder volgt, vormt deze Thalweg op nieuw de grens, tot aan een punt, gelegen tegenover de zoogenaamde Koelegrint, op eenen afstand van ongeveer zeventien honderd ellen (mètres) beneden het veer van Stevensweert, aan de Nederlanden de eilanden en eilandjes latende verblijven, welke regts van den Thalweg liggen, en aan Belgie diegene, welke links van dezelve zijn gelegen.
Door deze grensbepaling, gaan de gedeelten der gemeenten Berg, Urmond, Obicht en Papenhoven, Grevenbicht en Stevensweert (Nederlanden), welke aan den linker Maas-oever zijn gelegen, aan Belgie over, en de gedeelten der gemeenten Boorsheim en Eelen (Belgie), welke aan den regteroever liggen, aan Nederland.
(Artikelen 24 tot 48 van het beschrijvend proces-verbaal.)
Ruilingen, afstand van grondgebied.
Artikel 5
§ 1. Nederland staat, van het gedeelte der grens in § 1 van artikel 4 omschreven, aan Belgie af, te weten:
- De perceelen nis. 1445, 1446, 1447 en 1448, sectie B van de gemeente Vaals, gelegen ten zuiden van den weg genaamd Koeweg. (Artikel 1, § 5, van het beschrijvend proces-verbaal.)
- De perceelen nis. 1216 tot 1223, sectie D van de gemeente Wittem, gelegen ten zuiden van den weg van Sippenaeken naar Beusdal. (Artikel 3, § 2, van het beschrijvend proces-verbaal.)
- Een gedeelte der perceelen 105 en 106, sectie A, het perceel 153, sectie B van de gemeente Mesch, en de perceelen der sectie B van de laatste dezer gemeenten, die ten zuiden van den weg van Fouron-le-Comte naar Mouland gelegen zijn. (Artikel 11, §§ 1, 3 en 8, van het beschrijvend proces-verbaal.)
- De perceelen der sectie E, van de gemeente Eijsden, gelegen ten zuiden van den Groenenweg. (Artikel 13, § 6, van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Nederland staat aan Belgie af (artikel 12 van het tractaat van 5 November 1842), de perceelen nis. 576, 577, 578 en een gedeelte der perceelen nis. 563 en 579, sectie E van de gemeente Eijsden, gelegen bij de hoeve van Navaigne.
(Artikel 13, § 8, van het beschrijvend proces-verbaal.)
Artikel 6
Belgie staat, op het gedeelte der grens, beschreven in § 1 van artikel 4, aan Nederland af, te weten:
- De perceelen nis. 17, 19, 20, 22 en 23, sectie B, 654, 655, 726, 727, 728, 729, 730 en een gedeelte van het perceel n°. 778, sectie A der gemeente Gemmenich, welke perceelen ten noorden der wegen genaamd Hoogweg en Koeweg, en ten zuiden van den zoogenaamden Ruckweg gelegen zijn. (Artikel 1, §§ 3, 4 en 5, van het beschrijvend proces-verbaal.)
- De perceelen nis. 1 tot 22, sectie B van de gemeente Sippenaeken, gelegen bij de Geul (rivier ten noorden van den Reenweg). (Artikel 2, § 2, van het beschrijvend proces-verbaal.)
- De perceelen nis 1668 tot 1695, 1697, 1699 tot 1704, een klein gedeelte van het perceel n°. 1705 en de perceelen 1844 tot 1852, sectie A van Fouron-le-Comte, gelegen op de beide oevers van de Voeren-beek en tusschen de wegen van Fouron-le-Comte naar Mesch en naar Mouland. (Artikel 11, § 4, 5 en 6, van het beschrijvend proces-verbaal.)
Bijzondere bepalingen.
Artikel 7
De gedeelten der wegen genaamd Ratweg, Hoogstraat, Riesel-Steenweg, der wegen van Mesch naar Libeek, van Castert naar Mouland, en van die loopende, bij het kasteel van Canne, langs de perceelen 479 en 480, sectie A, — welke grens vormen, behooren aan Nederland.
Artikel 8
De gedeelten van den weg genaamd Reenweg, der wegen van Fouron-le-Comte naar Mouland, van Maastricht naar Mouland en naar Visé, van den weg genaamd Lintjensweg, van dien van Canne naar Maastricht, van het gangpad van Canne naar Montenaken, en eindelijk van den weg die in het dorp Canne, langs het perceel 472, sectie A, loopt,— welke grens daarstellen, behooren aan Belgie.
Artikel 9
Het gedeelte van den weg, dat grens daarstelt en in het dorp Canne aan Belgie toebehoort, blijft aan de inwoners der beide gedeelten van dit dorp vrij, voor den vervoer van steenen en van zand, uit de zandgroeve, digt bij dien weg gelegen, afkomstig.
Artikel 10
§ 1. Overal, waar de Maas de grens tusschen de beide Staten daarstelt, kan men voor het onderhoud van derzelver oevers slechts eenvoudige verdedigings-werken maken, zoo als oeverbekleedingen in drooge of gemetselde steenen, sprei- of beslag-werken, pakbermen, bleeswerken enz., evenwijdig loopende met den oever, en wier kruinsbreedte, in de rivier vooruitspringende, geen vier ellen (mètres) te boven gaat. Men zal zelfs die werken alleen dààr mogen aanleggen, waar de stroom de oevers heeft beschadigd, en geenszins waar de gesteldheid van den oever eene strekking ter vorming van eenigen aanwas van land aanduidt.
§ 2. Elk werk van offensieven aard, hetwelk den loop des strooms veranderen en daardoor aan den tegenover liggenden oever schade zoude kunnen veroorzaken, als daar zijn: kribben, dammen, bollen of koppen, triangels, dammen of andere opstuwingen en verdere in de rivier vooruitspringende werken, behalve die, welke in de vorige paragraaph worden toegelaten, mogen in geen geval aangelegd worden, dan met gemeen overleg der beide mogendheden.
§ 3. Van de, in de vorige paragraaph genoemde beperkingen, zijn de gevallen uitgezonderd, dat de rivier, ten gevolge van eenig ongeval, eenen geheel nieuwen loop mogt genomen hebben, en dat het er op aan zoude komen, dezelve het vorig bed te doen hernemen, in welke gevallen voorzien is bij art. 11, hierna volgende.
§ 4. Geen nieuwe dijk, dam of opstuwing, geen rijs of ander plantsoen, hoegenaamd, mag, noch op den oever of op de aanslibbingen welke nog een deel uitmaken van het bed der rivier, noch op eilanden of eilandjes, noch dwars door de takken der rivier die de eilanden van den oever scheiden, worden aangelegd, anders dan onder bewilliging der beide gouvernementen.
§ 5. Onder de bovengenoemde soort van werken is ook elke ophooging van den oever begrepen, zelfs ter plaatse waar de toegangen zijn tot de veren.
§ 6. Geene der beide mogendheden mag visscherijen daarstellen, of laten daarstellen, door middel van afperking of anderzins, waardoor eenige de minste stremming in den stroom veroorzaakt zoude kunnen worden, of wel eenige ophooping van slijk, geschikt om aanwas van grond te weeg te brengen, ontstaan konde.
§ 7. Bij het aanleggen van waterbouwkundige werken, voor het onderhoud der oevers en van den Thalweg der Maas, tot welker uitvoering de noodige magtiging mogt verleend zijn, zal het beheer in beide landen verpligt zijn, het weghalen van zand of kiezel, zoo noodig, van den oeverkant gemakkelijk te maken, voor zoo verre deze oever zelve niet beschadigd is.
Artikel 11
§ 1. Indien, door eenig onvoorzien geval, de Maas dezelver bedding kwam te verlaten, en er zich eene andere maakte, zoude de Thalweg van deze nieuwe bedding, desniettemin, bij voortduring de grens tusschen de beide Staten daarstellen.
§ 2. Echter zal de Staat welke, door de afscheiding van een gedeelte van zijn grondgebied, schade heeft geleden, het regt hebben om, op zijne kosten, de noodige werken te doen uitvoeren om de rivier in derzelver verlatene bedding te doen terugkeeren.
Dit regt komt denzelven toe, gedurende den tijd van vier jaren, te rekenen van het tijdstip der gebeurtenis.
Dit uitstel verloopen zijnde, (hetzij de werken al dan niet ondernomen zijn), gaat het losgerukte grondgebied, voor goed, over aan de souvereiniteit van dien Staat, aan welken de Thalweg der nieuwe bedding hetzelve toekent.
In dit geval, zal de nieuwe grenslijn daargesteld worden binnen den tijd van zes maanden, te rekenen van het einde der vier jaren, en den Thalweg volgen, zóó als bij artikel 4 bepaald is.
§ 3. Gedurende deze vier jaren, zal het afgescheiden gedeelte onderworpen blijven aan het beheer van den Staat aan welken hetzelve toebehoort, zonder dat, echter, dit beheer eenig bezwaar voor de vrije scheepvaart op de Maas zal vermogen te weeg brengen.
§ 4. De bepalingen van artikel 17 van het tractaat van den 19den April 1839, zullen toepasselijk zijn op de inwoners en op de eigenaren van die gronden, welke, op deze wijze, van beheer zullen komen te veranderen.
§ 5. Indien de Thalweg verandert, zonder dat de bedding der rivier zelve verlegd wordt, zullen de eilanden en eilandjes aan den Staat blijven toebehooren, aan welken dezelve bij deze overeenkomst bepaaldelijk zijn toegekend.
§ 6. Nogtans zal de souvereiniteit veranderen, indien een eiland of eilandje zich met het vaste land vereenigt, of een gedeelte uitmaakt van een grondgebied, hetwelk, door eene plotselinge afwijking der Maas, van het eene gebied tot het andere is overgegaan.
Artikel 12
§ 1. De visscherij in de Maas, voor zoo verre deze rivier de grens uitmaakt, zal gemeen zijn, en verpacht worden ten voordeele der beide Staten. De visch die in dezelve gevangen wordt is vrij van regten in de beide landen. De opbrengst der pachtgelden zal ieder jaar verdeeld worden.
De verpachtingen zullen, bij afwisseling, in het eene of het andere land geschieden, volgens een te bepalen bestek der voorwaarden, en voor eenen met wederzijdsch overleg der beide administratien vast te stellen termijn.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 6 van artikel 10, is men desniettemin overeengekomen, dat de administratien der beide Staten, met gemeen overleg, het aanleggen van visscherijen, door middel van weren, kunnen veroorloven op de plaatsen waar dezelve geene verandering van den Thalweg, noch schade aan de oevers veroorzaken kunnen.
§ 3. De administratien der beide landen zullen zich verstaan omtrent de uitvoering der bepalingen van het tegenwoordig artikel.
Artikel 13
§ 1. De veren met ponten, schuiten of booten, welke op de Maas bestaan of mogten daargesteld worden, ter plaatse waar deze rivier de grens daarstelt, behooren aan de beide landen in gemeenschap.
§ 2. Geen nieuw veer kan aangelegd worden, ten zij met gemeen overleg der beide gouvernementen.
§ 3. De veren zullen publiek verpacht worden, hetgeen beurtelings plaats zal hebben in een’ der beide Staten, volgens een tusschen de wederzijdsche administratien te bepalen bestek der aanbestedingen.
§ 4. De opbrengst der verpachtingen zal verdeeld worden bij helften, door middel van eene afrekening, te doen bij den aanvang van ieder jaar.
§ 5. Het materieel der veren, toebehoorende aan den eenen of anderen Staat, zal onderbonden, en, zoo noodig, hernieuwd worden, op gemeenschappelijke kosten.
§ 6. De policie der veren en het opzigt over het materieel, behooren aan de regering van het land waar de verpachtingen plaats gehad hebben. Te dien einde zullen de pachters verpligt zijn, des noods, in dat land domicilium te kiezen.
§ 7. Elke Staat zal op deszelfs oever en te zijner kosten, de voor de veren noodige aanlegplaatsen doen onderhouden, zich gedragende overeenkomstig het vastgestelde bij artikel 10.
§ 8. De administratien der beide landen zullen zich verstaan wegens de uitvoering der bepalingen van het tegenwoordig artikel.
AFDEELING II. Grenzen van de Maas af tot aan de Schelde.
Grens door laatstgemelden vloed gevormd, voor zoo ver die de provincie Antwerpen van die van Zeeland scheidt.
Artikel 14. Beschrijving der grens.
§ 1. De grenslijn, den Thalweg der Maas verlatende, beneden Stevensweert, wendt zich naar het noordwesten. Dezelve doorsnijdt, in de eerste plaats, een gedeelte van het grondgebied van Stevensweert en van Thorn, en loopt, vervolgens, tot aan de brug de Vrinsenbrug genaamd, in één, met de gemeentegrens van Thorn, Ittervoort en Neer-Itter (Nederlanden), van de eene zijde, en van Kessenich (Belgie), van de andere zijde, terwijl zij nogtans van de Nederlandsche gemeenten eenige stukjes en het terrein Lakenhoff genaamd, ten zuiden van den Itter gelegen, afscheidt.
Bij het punt genaamd Vrinsenbrug, over den Itter gelegen, dringt de grenslijn in de gemeente van Neer-Itter door, en, verder op, in die van Hunsel, en laat, met derzelver grondgebied, de plaatsen genaamd Manestraat en Bomerstraat, als ook die welke Beersel genaamd worden, aan Belgie.
Deze lijn scheidt, vervolgens, deze laatste, van de Nederlandsche gemeente Stamproy, door welke zij dwars heen loopt, ten noorden van derzelver moerassen, en vereenigt zich met de gemeentegrens tusschen Stamproy en Bocholt; en na een klein eind weegs langs de zuidelijke grens der gemeente Weert gegaan te zijn, loopt dezelve, in eene regte lijn, dwars door de moerassen en heidevelden van Bocholt, naar het zuidelijkste punt der provincie Noord-Braband.
(Artikelen 50 tot 68 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Van dit punt af, scheidt de grens, achtereenvolgens, de Nederlandsche gemeenten Budel, Leende, Valkenswaard, en Borkel en Schaft (provincie Noord-Braband), van de Belgische gemeenten Bocholt, Hamont, Achel en Neerpelt (provincie Limburg).
(Artikelen 69 tot 74 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 3. Aan het grondgebied van Bergeijk gekomen, loopt dezelve, in eene regte lijn, daar dwars door heen, doorsnijdt den weg van Hasselt naar 's Hertogenbosch, ter plaatse waar die ook door de oude provinciale grensscheiding wordt doorsneden, loopt, bovendien, altijd in eene regte lijn, dwars door het grondgebied der gemeente Lommel, tot aan de beek genaamd Klaagloop of Elsloop, bij den weg van Neerpelt naar Luiksgestel, alwaar zij de oude provinciale grens herneemt.
(Artikelen 75 en 76 van het beschrijvend proces-verbaal.)
Van daar, tot aan den dijk of weg van Lommel naar Postel, loopt dezelve in één met de gemeente-grensscheiding van Luijksgestel (Nederlanden) en van Lommel (Belgie); vervolgens, langs de noordzijde van genoemden dijk of weg loopende, gaat dezelve dwars door de Nederlandsche gemeenten Luijksgestel en Bergeijk, waarna dezelve de oude grens tusschen deze laatste gemeente en die van Moll (Belgie) volgt, tot aan het punt waar de wegen van Arendonck en van Postel naar Bergeijk inéénloopen; aldaar dringt dezelve in de gemeente Moll, welke zij, in eene regte lijn, dwars door loopt, om de oude provinciale grens, op 437 ellen (mètres) ten zuiden van het oude aanrakingspunt der gemeenten Bladel, Reusel en Moll, te hernemen.
(Artikelen 77 tot 81 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 4. Van dit punt, tot aan het grondgebied der Nederlandsche en Belgische gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog, scheidt de grens, achtervolgens, de Nederlandsche gemeenten Reusel, Hooge- en Lage-Mierde, Hilvarenbeek, Goirle en Alphen (provincie Noord-Braband) af, van de Belgische gemeenten Moll, Arendonck, Welde en Poppel (provincie Antwerpen).
(Artikelen 82 tot 89 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 5. Aan de gezegde gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog, gekomen, is de grens afgebroken, ten gevolge van de onmogelijkheid om dezelve, tusschen deze beide gemeenten, op eene doorloopende wijze daar te stellen, behoudens de bepalingen van artikel 14 van het verdrag van 5 November 1842, luidende als volgt:
- „Het statu-quo zal blijven bestaan, zoo wel met opzigt tot de dorpen Baarle-Nassau (Nederlanden) en Baarle-Hertog (Belgie), als ten aanzien van de daardoor loopende wegen.”
De verdeeling van deze gemeenten, tusschen de beide Koningrijken, maakt het onderwerp uit van een bijzonderen arbeid.
(Artikel 90 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 6. De grenslijn begint weder op het aanrakingspunt van de gemeenten Chaam en Meerle met het grondgebied van Baarle-Nassau en Baarle-Hertog, en scheidt, achtervolgens, de Nederlandsche gemeenten Chaam, Ginneken, Rijsbergen Zundert, Rucphen, Roozendaal, Wouw, Huybergen, Putte, Ossendrecht en Woensdrecht (provincie Noord-Braband) af, van de Belgische gemeenten Meerle, Meir, Loenhout, West-Wezel, Calmpthout (1ste gedeelte), Esschen, Calmpthout (2de gedeelte), Capellen, Stabroek, Beirendrecht en Santvliet (provincie Antwerpen), en bereikt den Thalweg der Schelde, welken zij, tegen den loop van deze rivier op, volgt tot aan de ontmoeting eener regte lijn, gaande van het gehucht de Canter genaamd, bij Kieldrecht, tot aan den molen van Hoogerheide, gelegen in Noord-Braband.
(Artikelen 91—112 van het beschrijvend proces-verbaal.)
Ruiling, afstand van grondgebied.
Artikel 15
§ 1. Belgie staat, op het gedeelte der grens, in § 1 van het voorgaande artikel omschreven, aan Nederland af, het noordelijk gedeelte des grondgebieds, genaamd Koelegrient, bestaande uit de perceelen nis. 1, 2, 3 en uit een deel der perceelen nis. 4, 5 en 6, sectie A van het grondgebied van Stevensweert, gelegen aan den linker oever der Maas.
(Artikel 50 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Op het gedeelte der grens, in § 3 van artikel 14 omschreven, staat Belgie aan Nederland af (artikel 11 van het verdrag van 5 November 1842), te weten:
- 243 hectaren, ongeveer, van het grondgebied van Lommel, gelegen ten noorden van deze gemeente. (Artikel 76 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- 141 hectaren, ongeveer, van het grondgebied van Moll, gelegen ten noorden van deze gemeente. (Artikel 81 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 3. Belgie staat aan Nederland af (artikel 13 van het verdrag van 5 November 1842), de perceelen nis. 1 en 2, sectie B der gemeente Wortel.
(Artikel 90 van het beschrijvend proces-verbaal.)
Artikel 16
§ 1. Nederland staat aan Belgie af:
- 1°. Op het gedeelte der grens, in § 1 van artikel 14 omschreven, te weten:
- De perceelen nis. 100 tot 119, 124, 125, 126, een deel der perceelen 127, 132, 153, 158, 159 en de perceelen 154 tot 157, sectie C der gemeente Thorn, hij de Koelegrient gelegen. (Artikel 51 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- De perceelen nis. 62–-67, sectie C der gemeente Thorn, bij de Ottersche beek gelegen. (Artikel 53 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- De perceelen nis. 555 en 556, sectie B der gemeente Ittervoort, bij den weg van Maastricht naar Venloo gelegen; (Artikel 53 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- 2°. Op het gedeelte der grens, in § 6 van gemeld artikel omschreven, het Nederlandsch deel der gebouwde eigendommen, door de oude grenslijn doorsneden, en staande onder de nis. 85 en 1 der sectien D en A van de gemeenten Meerle en Meir, gelijk ook het gedeelte van de schuur, gelegen op het perceel 406, sectie G van Wouw.
(Artikelen 92, 93 en 103 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Nederland staat aan Belgie af (artikel 11 van het verdrag van 5 November 1842), op het gedeelte der grens, in § 3 van artikel 14 omschreven, te weten:
- 263 hectaren, ongeveer, van het grondgebied der gemeente Bergeijk, welke eenen vooruitspringenden hoek in Belgie vormen. (Artikel 75 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- 121 hectaren, ongeveer, van het grondgebied der gemeenten Bergeijk en Luijksgestel, gelegen ten zuiden van den weg van Lommel naar Postel, en welke insgelijks eenen vooruitspringenden hoek in Belgie vormen. (Artikelen 78 en 79 van het beschrijvend proces-verbaal.)
Bijzondere bedingen.
Artikel 17
Het gedeelte van den weg van Rijsbergen naar Meir, en van de wegen genaamd Beverstraat, Heidreef, Hollandsche Dreef en Vijverstraatje, — dat grensscheiding daarstelt, behoort aan Nederland.
Artikel 18
De gedeelten der wegen van Postel naar Lommel, van Postel naar Arendonck, van de zoogenaamde Heikantstraat, van dien van Esschen naar Meerschhoef, van de zoogenaamde Brabandsche Dreef, van de Dreef naar de verbrande hoef,— die grensscheiding vormen, behooren aan Belgie.
Artikel 19
Belgie vergunt aan de bewoners der Nederlandsche huizen, thans bestaande ten noorden van den weg gezegd Heikantstraat, den vrijen overgang op gemelden weg.
Artikel 20
Nederland vergunt aan de bewoners der Belgische huizen, thans bestaande ten zuiden van den weg gezegd Heidreef, den vrijen overgang op gemelden weg.
Artikel 21
Belgie vergunt aan de bewoners der Nederlandsche huizen, thans bestaande ten noorden van den weg van Esschen naar Meerschhoef, den vrijen overgang op gemelden weg.
Artikel 22
De grenslijn in de Schelde (art. 9 van het verdrag van 5 November 1842), blijft veranderlijk, even als de Thalweg van deze rivier. Dezelve is aangeduid door eene lijn, getrokken in het midden der beide rijen tonnen.
AFDEELING III. Grenzen van de Schelde af tot aan de Noord-zee.
Artikel 23. Beschrijving der grenzen.
§ 1. De grens, den Thalweg der Schelde verlatende, om de overstroomde landstreek van Saftingen door te loopen, wordt, tot aan den nieuwen zeedijk van den polder van Saftingen, bepaald door eene regte lijn, loopende van eenen, aan het gehucht Canter, bij Kieldrecht, te plaatsen grenssteen, tot aan den molen van Hoogerheide, gelegen in Noord-Braband.
(Artikelen 113 en 114 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Van gemelden dijk af, tot aan het ontmoeten van de gemeente Sas van Gent, scheidt dezelve, achtervolgens, de Nederlandsche gemeenten Clinge, St. Jan-Steen, Koewagt, Overslag en Zuiddorpe (provincie Zeeland) af, van de Belgische gemeenten Kieldrecht, Vracene, Clinge, St. Gilles, Kemseke, Stekene, Moerbeke, Wachtebeke en Selzaete (provincie Oost-Vlaanderen).
De oude grenzen van sommige dier gemeenten zijn, op verschillende punten, eenigzins gewijzigd.
(Artikelen 115 tot 126 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 3. Van het aanrakingspunt der gemeenten Zuiddorpe, Sas van Gent en Selzaete, scheidt de grens, achtervolgens, de Nederlandsche gemeente Sas van Gent (provincie Zeeland) af, van de Belgische gemeenten Selzaete en Assenede (provincie Oost-Vlaanderen), derzelver oude grenzen aanmerkelijk wijzigende.
(Artikelen 127 en 128 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 4. De grens scheidt, vervolgens, de Nederlandsche gemeenten Sas van Gent, Philippine, IJzendijke, St. Kruis, Eede en Heille (provincie Zeeland) af, van de Belgische gemeenten Bouchaute, Watervliet, Waterland Oudeman, St. Margaretha, St. Laurent, Maldeghem, en Middelburg (provincie Oost-VIaanderen), en bereikt het aanrakingspunt der provincien Zeeland, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. In deze rigting, loopt de grens de huizen, welke zij ontmoet, om.
(Artikelen 129 tot 137 van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 5. Eindelijk scheidt dezelve, achtervolgens, de Nederlandsche gemeenten Heille, St. Anna-Ter-Muiden en Retranchement (Zeeland) af, van de Belgische gemeenten Lapscheure, West-Capelle en Knocke (West-Vlaanderen), om, na den Thalweg van het Zwin gevolgd te hebben, aan de Noord-zee uit te komen.
(Artikelen 138 tot 142 van het beschrijvend proces-verbaal.)
Ruiling, afstand van grondgebied.
Artikel 24
§ 1. Nederland staat aan Belgie af:
- 1°. Op het gedeelte der grens, in § 2 van het voorgaande artikel omschreven, te weten:
- Een gedeelte der perceelen nis. 703, 700, 694, 695, 636, 623 der sectie E en no. 1316bis der sectie A, de perceelen 1321, 1322, 1323, 809, 810, 829, 834, 944bis en 945, sectie A der gemeente Clinge. (Artikelen 115, 116, § § 3 en 4, en art. 117 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- Het perceel n°. 620, sectie C der gemeente St. Jan-Steen. (Artikel 119, § 2, van het beschrijvend proces-verbaal.).
- 2°. Op het gedeelte der grens, in § 4 van hetzelfde artikel omschreven, te weten:
- Het Nederlandsche gedeelte der gebouwde eigendommen, door de oude grenslijn doorsneden en staande onder de nis. 335 en 409, sectie E der gemeente St. Kruis. (Artikel 133, §§ 5 en 8, van het beschrijvend proces-verbaal.)
- Het Nederlandsche gedeelte der gebouwde eigendommen, door de oude grenslijn doorsneden en staande onder de nis. 456 en 57, sectie A der gemeente St. Laurent, en n°. 661, sectie B der gemeente Middelburg. (Artikel 134, §§ 2, 3, 5, en artikel 136, § 1, van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Nederland staat aan Belgie af (artikel 6 van het verdrag van 5 November 1842), op het gedeelte der grens, in § 3 van het bovengemelde artikel omschreven, het stuk grondgebieds, met de daaromliggende dijken, dat de gemeente Sas van Gent in den Belgischen St. Albertspolder bezit,
(Artikel 128, § 6, van het beschrijvend proces-verbaal.)
Artikel 25
§ 1. Belgie staat af aan Nederland:
- 1°. Op het gedeelte der grens, in § 2 van artikel 23 omschreven, te weten:
- Het perceel n°. 430, een deel van het perceel n°. 278bis en van het perceel n°. 5 der gemeente Clinge; De perceelen nis. 1, 2, 6, 7 en 8, sectie B der gemeente St. Gillis. (Artikel 116, § § 3, 4 en 5, en artikel 117 van het beschrijvend proces-verbaal.)
- 2°. Op het gedeelte der grens, in § 4 van hetzelfde artikel omschreven, het Belgische deel van het gebouw, door de oude grenslijn doorsneden en staande onder n°. 734 der sectie B van Middelburg. (Artikel 136, § 1, van het beschrijvend proces-verbaal.)
§ 2. Belgie staat af aan Nederland (artikel 6 van het verdrag van 5 November 1842), op het gedeelte der grens, in § 3 van artikel 23 omschreven, het stuk des driehoekigen grondgebieds, dat de gemeente Assenede in den Nederlandschen polder Binnenpoel bezit.
(Artikel 128, § 1, van het beschrijvend proces-verbaal.)
Bijzondere bedingen.
Artikel 26
Het gedeelte van den weg, gelegen ten westen van den dijk welke den polder St. Eloy van dien van Warempe afscheidt, van de wegen van Selzaete naar den Poeldijk, van Bouchaute naar Philippine en van den zoogenaamden Vlotweg,- dat grensscheiding vormt, behoort aan Belgie.
Artikel 27
De gedeelten van den weg gezegd Oude-polderstraat, het gedeelte der wegen van Axel, van den polder van Overslag, van dien welke langs den noord-oostkant loopt van den dijk tusschen de polders van St. Eloy en van Zuiddorpe, en van de Oudenburgsche Sluis, — die grensscheiding vormen, behooren aan Nederland.
Artikel 28
Eene gemengde commissie zal waken voor bet onderhoud van den dijk, welke den Nederlandschen polder gezegd Canisvliet, afscheidt van de Belgische polders gezegd Karnmelk en St. François, zoo als ook voor dat der sluizen welke in gemelden dijk worden aangetroffen.
(Artikel 4 van het verdrag van 5 November 1842.)
Artikel 29
Het Koningrijk der Nederlanden behoudt (art. 6 van bet verdrag van 5 November 1842), den vrijen overgang op de dijken van den polder van St. Albert, die de aan Belgie afgestane streek lands omringen.
Artikel 30
Het Koningrijk der Nederlanden behoudt (art. 7 van het verdrag van 5 November 1842), den vrijen overgang op de geheele uitgestrektheid der dijken, gelegen van de Vrijestraat af, tot aan het punt waar de grens den dijk verlaat, om den zoogenaamden Krakeelpolder door te loopen, welke dijken, te zamen genomen, den algemeenen naam dragen van Vrijendijk.
Artikel 31
Op alle plaatsen waar de rivier het Zwin de grens uitmaakt, en aan welke zijde der grenslijn derzelver bevaarbare geul zich ook moge bevinden, blijft de volkomene vrijheid van scheepvaart aan beide Staten verzekerd.
Algemeene beschikkingen.
Artikel 32
De bepalingen der artikelen 9, 19, 20 en 21 sluiten de bevoegdheid niet uit, welke elk der beide Staten bezit, om alle maatregelen van toezigt die bij de wetgeving op het stuk der in- en uitgaande regten bepaald zijn, ten einde op eigen grondgebied den sluikhandel te keer te gaan, in werking te doen brengen.
Artikel 33
§ 1. De wegen en dreven welker middenpunt de grenslijn daarstelt, zijn gemeen verklaard, zonder dat daardoor inbreuk zoude kunnen gemaakt worden op de regten van eigendom der bijzondere personen aan welke deze gemeen verklaarde wegen of dreven mogten toebehooren.
Geen der beide Staten kan, op deze wegen of dreven eenige daad van souvereiniteit uitoefenen, ten ware voor zoo ver zulks noodig mogt wezen om wanbedrijven en misdaden voor te komen of te stuiten, tegen de openbare veiligheid begaan, of feiten welke de vrijheid of zekerheid van derzelver gebruik zouden kunnen benadeelen. Het nederleggen van koopwaren op die wegen en dreven, op welke wijze dit ook geschiede, wordt beschouwd als overtreding tegen den vrijen doorgang. Deze laatste bepaling is echter niet toepasselijk op het tijdelijk stilstaan voor de aan de wegen of dreven gelegene woonhuizen, van doortrekkende wagens (rijtuigen), of van wagens beladen met voortbrengselen van den grond of voorwerpen die tot voorraad voor gemelde woningen bestemd zijn, mits deze laatste in den loop van den dag ontladen worden.
De beide gouvernementen zullen voor het goede onderhoud dier wegen en dreven zorg dragen.
§ 2. De inwoners der beide landen, die in het geval zijn van het vreemde grondgebied te moeten overgaan, ter bearbeiding van de eigendommen in de nabijheid van de grenzen gelegen, kunnen vrijelijk gebruik maken van de wegen en paden die de grensscheiding daarstellen en waarvan de Souvereiniteit aan eenen van beide Staten is toegewezen, zonder zich echter te kunnen onttrekken aan het onderzoek der ambtenaren van de in- en uitgaande regten of, van anderen die wettelijk belast zijn om, wederzijds, op eigen grondgebied voorvallende sluikerijen te bewijzen.
Het is wel te verstaan dat, door de bovengemelde bedingen, de vrije overgang bij de artikelen 29 en 30 bedoeld, geenszins wordt beperkt.
Artikel 34
Voortaan, en in het belang van beide Staten, zal er geen gebouw of woonhuis hoegenaamd opgerigt mogen worden, ten zij hetzelve op eenen afstand van 10 ellen (mètres) van de grenslijn gelegen zij, of van slechts 5 ellen (mètres) afstand van eenen weg of eene dreef, wanneer die weg of dreef gemeen is, en de grenslijn door het middenpunt derzelve gevormd wordt.
Van dezen maatregel zijn uitgezonderd de fabrieken welker oprigting aan een stroomend water, grensscheiding daarstellende, mogt toegestaan worden.
Gemelde bepaling is ook niet toepasselijk op de gebouwen welke langs de gedeelten der grensscheiding, vermeld bij de hier achter te noemen plaatsen, mogten worden opgerigt, te weten;
- 1°. Te Ulvend, op eenen afstand van honderd vijftig ellen (mètres) ten oosten, en van negentig ellen (mètres) ten westen van den grenssteen n°. 21;
- 2°. Te Smeermaas, tusschen de grenssteenen nis. 105 en 106;
- 3°. Te Putte, op eenen afstand van vier honderd vijftig ellen (mètres) ten oosten, en van honderd ellen (mètres) ten westen van den grenssteen n°. 257;
- 4°. Aan den Canter, op twee honderd ellen (mètres) ter regter en ter linker zijde des grenssteens n°. 271;
- 5°. Te Koewagt, op vijf en zeventig ellen (mètres) ten oosten, en op honderd vijftig ellen (mètres) ten westen van den grenssteen n°. 289;
- 6°. Te Overslag, van den grenssteen n°. 297 tot vier honderd vijftig ellen (mètres) voorbij den grenssteen n°. 300;
- 7°. Aan den Stuiver, van den grenssteen n°. 309 tot vijf en zeventig ellen (mètres) voorbij den grenssteen n°. 310;
- 8°. Aan den Posthoorn, van den grenssteen n°. 319 tot aan den kleinen die op denzelven volgt;
- 9°. Te Bouchaute, van den kleinen grenssteen welke dien onder n°. 321 voorafgaat, tot aan den grenssteen n°. 322;
- 10°. Aan de Maagd van Gent, op eenen afstand van honderd ellen (mètres) ten oosten, en van tachtig ellen (mètres) ten noorden van den grenssteen n°. 325;
- 11°. Aan het Mollekot, op eenen afstand van vijftig ellen (mètres) ter regter- en ter linker zijde van den grenssteen n°. 326; en
- 12°. te Eede, op eenen afstand van honderd vijf en zeventig ellen (mètres) ten oosten, en van vijftig ellen (mètres) ten westen van den grenssteen n°. 349.
De bevoegde autoriteiten van beide Staten kunnen, in gemeen overleg, vergunningen verlenen die verdere afwijkingen toestaan van datgene wat wordt bepaald in de eerste alinea, op voorwaarde dat het toezicht aan de grens op voldoende wijze kan blijven worden uitgeoefend.
Artikel 35
Overal waar rivieren, of andere waterloopen, de grens uitmaken, is derzelver souvereiniteit aan beide Staten gemeen, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen zij. Elke Staat zal, van zijnen kant, voor derzelver behoud en onderhoud waken.
Artikel 36
De wateraftappingen, thans op de rivieren of andere waterloopen die tot grensscheiding, dienen, bestaande, zullen in dezelver tegenwoordigen staat behouden worden.
Geene nieuwe wateraftapping, geene vergunning of nieuwigheid hoegenaamd, die eenige wijziging met betrekking tot de rivieren en andere waterloopen, grens vormende, of tot den tegenwoordigen toestand der oevers zoude veroorzaken, mag worden toegestaan, zonder de toestemming der beide gouvernementen.
Deze bedingen zijn op de Maas toepasselijk, voor zoo verre de, omtrent deze rivier, genomene beschikkingen daarmede niet tegenstrijdig zijn.
Artikel 37
Overeenkomstig artikel 19 van het tractaat van den 19den April 1839, hebben de gemengde eigenaren, en diegene wier eigendommen door de grenslijn doorsneden zijn, het genot der voordeelen, bij de bepalingen van de artikelen 11 tot en met 21 van het tractaat tusschen Oostenrijk en Rusland, op 3 Mei 1815 gesloten, verleend; luidende die artikelen als volgt:
» Een ieder, die goederen onder meer dan eene heerschappij gelegen, bezit, is verpligt, binnen den loop van een jaar, te rekenen van den dag waarop het tegenwoordige tractaat zal bekrachtigd zijn, eene schriftelijke verklaring, voor de overheid der naastbij gelegene stad, of wel voor den kapitein van het meest naburige arrondissement (districts-commissaris), of voor de naastbij te vinden burgerlijke overheid in het land dat hij gekozen heeft, af te leggen, van de vaste woonplaats welke hij zal hebben gekozen.
» Deze verklaring, welke de bovengemelde overheids-persoon, of andere autoriteit, aan het opperbestuur der provincie zal moeten opzenden, maakt hem, wat zijn persoon en huisgezin aangaat, uitsluitend tot onderdaan van den vorst in wiens staten hij zijne woonplaats heeft gevestigd.
» Wat minderjarigen, of andere onder voogdij of curateele staande personen aangaat, zullen de voogden of curators gehouden zijn, binnen den bepaalden termijn, de noodige verklaring te doen.
» Indien eenig gemengd eigenaar verzuimd had, ten einde van den voorschreven termijn van een jaar, de verklaring van zijne vaste woonplaats te doen, zal hij bechouwd worden als onderdaan van de mogendheid in wier staten hij zijne laatste woonplaats had; moetende, in dit geval, zijn stilzwijgen als eene stilzwijgende verklaring beschouwd worden.
» Ieder gemengd eigenaar die zijne vaste woonplaats eens verklaard zal hebben, zal desniettemin de bevoegdheid behouden, gedurende den tijd van acht jaren, te rekenen van den dag der bekrachtiging van het tegenwoordige tractaat, om onder eene andere heerschappij over te gaan, door het maken van eene nieuwe verklaring van vaste woonplaats, en het vertoonen der toestemming van de mogendheid onder wier bestuur hij zich vestigen wil.
» De gemengde eigenaar die zijne verklaring van vaste woonplaats gedaan heeft, of verondersteld wordt gedaan te hebben, overeenkomstig de bepalingen van artikel XIII, is niet verpligt om, te eeniger, tijd zich te ontdoen van de bezittingen, welke hij mogt hebben in de Staten van een' Vorst wiens onderdaan hij niet is. Hij zal, ten opzigte van zijne eigendommen , al de regten genieten die aan het bezit verknocht zijn. Hij zal derzelver inkomsten kunnen verteren in het land waar hij zijne vaste woonplaats gekozen zal hebben, zonder eenige aftrekking bij de uitvoering derzelve te ondergaan. Hij zal diezelfde bezittingen kunnen verkoopen, en het beloop hiervan kunnen uitvoeren, zonder aan eenige terughouding onderhevig te zijn.
» De voorregten, in het voorgaande artikel vermeld, ten opzigte van het niet inhouden, strekken zich echter alleen tot die goederen uit, welke de bedoelde eigenaar op het oogenblik der bekrachtiging van het tegenwoordige tractaat bezit.
» Dezelfde voorregten zijn echter van toepassing op alle aanwinsten, in een der beide Rijken verkregen door erfenis, huwelijk, of schenking van een goed dat, op het tijdstip der bekrachtiging van het tegenwoordig tractaat, laatstelijk aan eenen gemengden eigenaar toebehoorde.
» In geval dat aan iemand, thans alleen in een der beide gouvernementen bezittingen hebbende, eenig fortuin, bij wijze van erfenis, van making, van schenking of van huwelijk, te beurt viel in het ander gouvernement, zal hij met den gemengden eigenaar gelijk gesteld worden, en gehouden zijn, binnen den voorgeschreven tijd, de verklaring van zijne vaste woonplaats te doen. Deze tijd van één jaar, zal beginnen te loopen van den dag, dat hij het wettige bewijs van zijne aanwinst zal hebben ingeleverd.
» Het zal den gemengden eigenaar of zijnen gevolmagtigden, vrijstaan, zich, te allen tijde, van de eene zijner bezittingen naar de andere te begeven, en, te dien einde, is beider hoven wil, dat de bestuurder der naastbij gelegene provincie de noodige passen, ten verzoeke van partijen, uitlevere. Deze passen zullen voldoende zijn om van het eene gouvernement naar het andere over te gaan, en zullen wederzijds erkend worden.
» De eigenaren wier bezittingen door de grenslijn doorsneden zijn, zuilen, met betrekking tot gemelde bezittingen, volgens de meest vrijgevige beginselen behandeld worden.
» Deze gemengde eigenaren, hunne dienstboden, en de inwoners zullen het regt hebben van heen en weder te gaan met hunne voor den landbouw bestemde werktuigen, hun vee, hunne gereedschappen, enz. enz., van het eene gedeelte der aldus door de grenslijn doorsnedene bezittingen, naar het andere, zonder aanzien van het verschil van heerschappij; — van op gelijke wijze, van de eene plaats naar de andere te vervoeren, hunne oogsten, alle de voortbrengselen van den grond, hun vee en alle de voortbrengselen van hunne nijverheid, zonder passen noodig te hebben, zonder belemmeringen, zonder leenschatting en zonder eenig regt hoegenaamd te betalen.
» Deze gunst strekt zich echter niet verder uit, dan tot de voortbrengselen der natuur of van nijverheid, in het aldus door de grenslijn doorsneden grondgebied.
» Op gelijke wijze, strekt dezelve zich alleen uit tot de aan denzelfden eigenaar toebehoorende landerijen, in den bepaalden omtrek van eene mijl, van vijftien in den graad, aan wederzijde, en welke door de grenslijn doorsneden geworden zijn.
» De onderdanen, zoo van de eene als van de andere der beide mogendheden, met name, de geleiders van kudden vee en herders, zullen bij voortduring de regten, vrijdommen en voorregten waarvan zij vroeger het genot hadden, blijven genieten.
» Er zal, insgelijks, geenerlei belemmering in den weg gelegd worden, aan het dagelijksch grensverkeer, tusschen de grensbewoners, (in het Hoogduitsch: Grenzverkehr).”
Artikel 38
De eigenaren en personen, vermeld in art. XX en XXI, in het vorige artikel overgeschreven, die de voorregten en bijzondere gunsten, bij evengemelde artikelen toegestaan, wenschen te genieten, zullen desniettemin onderworpen blijven aan de formaliteiten, door de wetten op den in-, uit- en doorvoer van beide Staten vastgesteld, om alle misbruik te beletten.
Artikel 39
De gemeenten, de openbare of bijzondere gestichten van den eenen of van den anderen Staat, die in het bezit zijn van goederen, zakelijke regten en regtsvorderingen op de afgescheidene stukken gronds, zoo als bosschen en andere gemeente-goederen, in die gedeelten van het gebied gelegen, welke van derzelver hoofdplaatsen afgescheiden zijn, het regt van klaauwengang of stoppelweide, van varkens in de bosschen te laten weiden, van koornaren na te lezen, van turfsteken enz., worden in het bezit dier goederen, regten en regtsvorderingen, zoo als dezelve thans bestaan, gehandhaafd.
Echter zullen de nieuwe woonhuizen, die, op de van eene gemeente gescheidene stukken grondgebieds, welke tot den eenen of den anderen Staat overgaan, mogten worden daargesteld, op geene der bedoelde regten aanspraak kunnen maken, blijvende deze uitdrukkelijk en uitsluitend den tegenwoordigen bezitters voorbehouden.
Artikel 40
De inbezitneming van die stukken grondgebieds, welke, ten gevolge van de tegenwoordige overeenkomst, van heerschappij veranderen, zal binnen de zes weken, na de uitwisseling der bekrachtigingen, volbragt moeten zijn.
Artikel 41
De archieven, kaarten en andere bescheiden, betrekking hebbende op de gemeentebesturen welke, uit kracht der tegenwoordige overeenkomst, van de eene heerschappij onder de andere overgaan, zullen aan de wederzijdsche gouvernements-afgevaardigden ter hand moeten worden gesteld, binnen de zes weken na de uitwisseling der bekrachtigingen.
In de gemeenten die door de grenslijn doorsneden worden, zullen deze archieven bij dat gedeelte blijven berusten hetwelk het grootste getal inwoners bevat, behoudens de verpligting, om daarvan aan het andere gedeelte, zoo dikwijls hetzelve zulks noodig mogt hebben, mededeeling te doen.
Hiervan zijn uitgezonderd de registers van den burgerlijken stand, waarvan een der dubbelen aan elken Staat zal verblijven.
Artikel 42
De ingelijfde miliciens die bevonden mogten worden een deel uit te maken van die huisgezinnen, welker woonhuizen van heerschappij veranderen, ten gevolge van de tegenwoordige overeenkomst, zullen wederzijds vóór 1°. Januarij 1844 terug worden gegeven.
Artikel 43
Het plaatsen der grenssteenen zal geschieden overeenkomstig de bepaling, vastgesteld in het, bij de tegenwoordige overeenkomst gevoegd reglement.
De daartoe betrekking hebbende werkzaamheden zullen aanvang nemen in den loop van de, op de uitwisseling der bekrachtigingen volgende maand.
Artikel 44
De tegenwoordige grens-overeenkomst zal door de hooge contracterende partijen bekrachtigd worden, en de uitwisseling der bekrachtigingen zal te Maastricht plaats hebben, binnen den tijd van zes weken, of zoo mogelijk vroeger.
Artikel 1
De plaatsing der grenspalen tusschen Nederland en Belgie zal met gemeen overleg en op gemeene kosten, door de beide gouvernementen worden ten uitvoer gebragt.
Artikel 2
De grenspalen zullen de afmetingen hebben, welke aangewezen zijn in het bestek, door de gemengde commissie vastgesteld.
Artikel 3
De levering der grenspalen en verdere benoodigdheden, het vervoer en het plaatsen derzelve, zullen het onderwerp van openbare aanbestedingen uitmaken. Deze aanbestedingen welke overeenkomstig de bedingen en voorwaarden van de bestekken, die door de gemengde commissie vastgesteld zijn, plaats moeten hebben, zullen te Maastricht, binnen de twee op de uitwisseling der bekrachgingen van de grens-overeenkomst volgende maanden, geschieden.
Artikel 4
De groote grenspalen zullen genummerd worden, beginnende van Pruissen af met n°. 1, en eindigende aan de Noordzee.
De kleine grenspalen zullen geen nommer dragen.
Artikel 5
Er zal een drievoudig proces-verbaal van het plaatsen der grenspalen, voor elke gemeente opgemaakt worden, overeenkomstig het door de gemengde Commissie aangenomen model. Dit proces-verbaal zal door de, met het plaatsen der grenspalen belaste commissarissen, als ook door de Burgemeesters der belanghebbende gemeenten worden vastgesteld en geteekend.
In dat zelfde proces-verbaal zal men doen blijken van de wederzijdsche overgave van afgestaan of geruild grondgebied, waar zulks heeft plaats gehad.
Er zal aan elke regering, alsmede aan de gouverneurs der aangrenzende provincien, eene expeditie gezonden worden, terwijl eene in elke gemeente zal blijven berusten.
Artikel 6
Er zal een algemeene staat in duplo van al de geplaatste, als ook van de reeds op de grenslijn staande grenspalen, worden opgemaakt, overeenkomstig het door de gemengde commissie aangenomen model.
Die staat, na gewaarmerkt en geteekend te zijn door de commissarissen met het plaatsen der grenspalen belast, zal aan elke regering worden overgezonden, ten einde bij de grens-overeenkomst gevoegd te worden.
Artikel 7
Uittreksels uit het beschrijvend proces-verbaal en uit de parcellaire plannen, zullen aan elke aangrenzende gemeente worden afgegeven.
En foi de quoi, les commissaires respectifs out signé la présente convention et y ont apposé le cachet de leurs armes.
Fait à Maastricht, le huitième jour du mois d'Août mil huit cent quarante trois.
(L. S.) VAN HOOFF.
(L. S.) JOLLY.
(L. S.) G. KERENS.
(L. S.) BERGER.
(L. S.) M. TOCK.
(L. S.) J. B. VIFQUAIN.
(L. S.) WIRZ.
(L. S.) GRANDGAGNAGE.
(L. S.) E. DE KRUIJFF.
(L. S.) VTE. VILAIN XIIII.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)