Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden

Type Verdrag
Publication 1839-06-08
State In force
Source BWB
artikelen 5
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, in overweging nemende hunne tractaten, gesloten met met de Hoven van Oostenrijk, Frankrijk, Groot-Brittannie, Pruissen en Rusland, te weten: door Zijne Majesteit den Koning der Belgen den 15den November 1831, en door Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, op heden, hebben Hunne gezegde Majesteiten voor hunne Gevolmagtigden benoemd, te weten:

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, den Heer Salomon Dedel, Commandeur der orde van den Nederlandschen Leeuw, Commandeur der Zweedsche orde van de Poolster, Hoogstdeszelfs buitengewonen Gezant, en Gevolmagtigden Minister Hare Britsche Majesteit;

En Zijne Majesteit de Koning der Belgen, den Heer Sylvanus van de Weyer, Hoogstdeszelfs buitengewonen Gezant en Gevolmagtigden Minister bij Hare Britsche Majesteit, Officier van de Leopolds-orde, Grootkruis van de orde van Ernst, van Saxen, van de orde van den Toren en het Zwaard, van de Militaire en Godsdienstige orde der Heiligen Maurits en Lazarus, Commandeur der Koninklijke orde van het Legioen van Eer, enz., enz.

Dewelke, na elkander hunne in goeden en behoorlijken staat bevonden volmagten te hebben medegedeeld, nopens de volgende artikelen zijn overeengekomen:

Artikel I

Het Belgisch grondgebied zal zamengesteld zijn uit de provincien:

zoodanig als dezelve behoord hebben tot het, in 1815 gevestigde Koningrijk der Nederlanden, met uitzondering van de districten der provincie Limburg, aangewezen in artikel IV.

Het Belgisch grondgebied zal bovendien bevatten dat gedeelte van het Groot-Hertogdom Luxemburg, hetwelk in artikel II wordt aangeduid.

Artikel II

Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, stemt er in toe, dat in het Groot-Hertogdom Luxemburg, de grenzen van het Belgisch grondgebied zoodanig zullen zijn, als dezelve hieronder zullen omschreven worden.

Te beginnen van de Fransche grenzen af, tusschen Rodange, hetwelk aan het Groot-Hertogdom Luxemburg zal blijven, en Athus het welk aan Belgie zal behooren, zal er, volgens de hierbij gevoegde kaart, eene lijn getrokken worden, welke den weg van Arlon naar Longwij, de stad Arlon met haar gebied, en den weg van Arlon naar Bastogne aan Belgie latende, tusschen Messancy, hetwelk op Belgisch grondgebied zal liggen, en Clomancy, hetwelk aan het Groot-Hertogdom Luxemburg zal verblijven, op Steinfort zal aanloopen, welke plaats insgelijks aan het Groot-Hertogdom zal verblijven; van Steinfort zal deze lijn in de rigting van Eischen, Hecbus, Guirsch, Ober-Pallen, Grende, Nothomb, Parette en Perlé, tot aan Martelange verlengd worden; moetende Hecbus, Guirsch, Grende, Nothomb, en Parette aan Belgie, en Eischen, Ober-Pallen, Perlé en Martelange aan het Groot-Hertogdom behooren; van Martelange zal gezegde lijn den loop der Sure, welker dalweg de grensscheiding tusschen de beide Staten zal uitmaken, afwaarts volgen, tot tegen over Tintange, van waar dezelve in de regtst mogelijke rigting tot aan de tegenwoordige grens van het arrondissement van Diekirch verlengd worden en doorgaan zal tusschen Surret, Harlange, Tarchamps, die zij aan het Groot-Hertogdom Luxemburg zal laten, en Honville, Livarchamps en Loutremange, welke tot het Belgisch grondgebied zullen behooren; vervolgens in de omstreken van Doncols en Soulez, welke aan het Groot-Hertogdom zullen verblijven, de tegenwoordige grens van het arrondissement van Diekirch bereikende, zal de bedoelde lijn de gezegde grens volgen tot aan die van het Pruissisch grondgebied. Al het grondgebied, alle de steden, plaatsen en oorden, ten westen van deze lijn gelegen, zullen aan Belgie behooren, en al het grondgebied, alle de steden, plaatsen en oorden, ten oosten van diezelfde lijn gelegen, zullen bij voortduring aan het Groot-Hertogdom Luxemburg blijven toebehooren.

Het is de bedoeling, dat de commissarissen voor de grensscheiding, waarvan in artikel VI wordt melding gemaakt, deze lijn trekkende, en zich zoo veel mogelijk gedragende aan de omschrijving, welke hierboven daarvan gemaakt is, alsmede aan de aanwijzingen op de kaart, welke ter meerdere duidelijkheid, bij het tegenwoordig artikel gevoegd is, zoo wel op de plaatselijke gesteldheid als op het gerijf, hetwelk aan beide zijden daaruit zal kunnen voortvloeijen, acht zullen slaan.

Artikel III

Voor het gebied, bij het vorig artikel afgestaan, zal aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg eene schadeloosstelling in grondgebied, in de provincie Limburg worden aangewezen.

Artikel IV

Ter uitvoering van dat gedeelte van artikel I, hetwelk betrekking heeft op de provincie Limburg, en ten gevolge van den afstand van grondgebied, dien Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, in artikel II doet, zal gezegde Zijne Majesteit, het zij in deszelfs hoedanigheid als Groot-Hertog van Luxemburg, het zij om met Holland vereenigd te worden, de landstreken bezitten, waarvan de grenzen hieronder worden aangewezen:

Artikel V

Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, zal zich met het Duitsche Bondgenootschap en de agnaten van het Huis van Nassau verstaan over de toepassing der in de artikelen III en IV vervatte bepalingen, alsmede over alle de schikkingen, die gezegde artikelen, hetzij met de bovengenoemde agnaten van het Huis van Nassau, hetzij met het Duitsche Bondgenootschap, noodzakelijk zouden kunnen maken.

Artikel VI

Ten gevolge van de hiervoren vastgestelde schikkingen over het grondgebied, doet elke der beide partijen wederkeerig voor altijd afstand van alle aanspraak op het grondgebied, alle de steden, plaatsen en oorden, gelegen binnen de grenzen der bezittingen van de andere partij, zoodanig als deze in de artikelen I, II en IV omschreven zijn.

De bedoelde grenzen zullen, in overeenkomst met diezelfde artikelen, door Belgische en Hollandsche commissarissen voor de grensscheiding getrokken worden, die zoo spoedig mogelijk binnen de stad Maastricht zullen bijeenkomen.

Artikel VII

Belgie zal binnen de in de artikelen I, II en IV aangewezen grenzen eenen onafhankelijken en voortdurend onzijdigen Staat uitmaken. Het zal gehouden zijn dezelfde onzijdigheid jegens alle de andere Staten in acht te nemen.

Artikel VIII

De waterloozing voor Vlaanderen zal tusschen Holland en Belgie geregeld worden in overeenkomst met de bepalingen, te dien aanzien in artikel VI van het definitief verdrag vastgesteld, dat den 8sten November 1785 tusschen Zijne Majesteit den Keizer van Duitschland en de Staten Generaal gesloten is. In overeenkomst met dat artikel zullen wederzijds benoemde commissarissen zich over de toepassing der daarbij gemaakte beschikkingen verstaan.

Artikel IX

Par. 1. De bepalingen der artikelen CVIII tot en met CXVII van de Algemene Akte van het Congres van Wenen betreffende de vrije scheepvaart op de stromen en bevaarbare rivieren zullen toepasselijk worden gemaakt op de stromen en bevaarbare rivieren, die het Belgische grondgebied en het Hollandse grondgebied scheiden of gelijkelijk doorlopen.

Par. 2. Wat meer bijzonder de scheepvaart op de Schelde en haar monden betreft, is overeengekomen, dat zowel het loodswezen en de betonning als het onderhoud der zeegaten van de Schelde beneden Antwerpen aan een gemeenschappelijk toezicht zullen worden onderworpen en dat dit gemeenschappelijk toezicht door wederzijds daartoe benoemde commissarissen zal worden uitgeoefend. In gemeenschappelijk overleg zullen gematigde loodsgelden worden vastgesteld en deze gelden zullen voor de schepen van alle naties dezelfde zijn.

Intussen en tot de vaststelling dier rechten zullen geen hogere loodsgelden kunnen worden geheven dan die, welke bij het tarief van 18291)[Red: Bedoeld is: het in 1829 geldende tarief.] voor de monden van de Maas van de volle zee tot aan Hellevoet en van Hellevoet tot aan Rotterdam zijn vastgesteld, naar evenredigheid van de afstanden. Het zal aan de keus van elk schip staan, dat zich langs de Schelde uit volle zee naar België of van België naar volle zee begeeft, om zodanige loods te nemen als het zal wensen en het zal dienovereenkomstig aan beide landen vrijstaan, langs de gehele loop der Schelde en aan haar mond de diensten voor het loodswezen te vestigen, die voor het verschaffen der loodsen noodzakelijk geacht zullen worden. Al wat op die instellingen betrekking heeft, zal bij het in overeenstemming met de hierna volgende par. 6 vast te stellen reglement worden bepaald. De dienst dezer instellingen zal onder het gemeenschappelijk toezicht staan, waarvan in het begin dezer paragraaf melding is gemaakt. De beide Regeringen verbinden zich, ieder voor haar gedeelte der rivier, de bevaarbare zeegaten van de Schelde en van haar monden in goede staat te behouden en daar de nodige tonnen en boeien te plaatsen en te onderhouden.

Par. 3. Er zal door de Nederlandse Regering op de vaart op de Schelde en haar monden een enig recht van f 1,50 per ton worden geheven, te weten f 1,12 van de schepen die, uit volle zee komende, de Wester-Schelde zullen opvaren om zich langs de Schelde of door het kanaal van Terneuzen naar België te begeven; en van f 0,38 per ton van de schepen die, langs de Schelde of door het kanaal van Terneuzen uit België komende, de Wester-Schelde zullen afvaren om zich naar volle zee te begeven. En opdat de genoemde schepen niet aan enig onderzoek, noch aan enige vertraging of enigerlei belemmering op de Hollandse reden onderworpen kunnen worden, hetzij zij uit volle zee de Schelde opvaren, hetzij zij de Schelde afkomen om zich naar volle zee te begeven, is overeengekomen, dat de heffing van het bovenvermelde recht door de Nederlandse Agenten te Antwerpen en te Terneuzen zal plaats hebben. Evenzo zullen de schepen, die uit volle zee aankomen om zich langs de Wester-Schelde naar Antwerpen te begeven en komen van plaatsen, welke met betrekking tot de gezondheidstoestand verdacht zijn, de reis zonder belemmering of vertraging, vergezeld van een gezondheidswacht, mogen voortzetten en zich zo naar de plaats hunner bestemming mogen begeven. De schepen, die zich van Antwerpen naar Terneuzen en vice versa begeven of op de rivier zelf de kustvaart of de visvangst bedrijven (zoals de uitoefening van deze laatste ingevolge de hierna volgende par. 6 zal worden geregeld), zullen aan generlei recht onderworpen zijn.

Par. 4. De tak der Schelde, die de Ooster-Schelde heet en die bij de tegenwoordige plaatselijke gesteldheid niet tot de vaart uit volle zee naar Antwerpen en naar Terneuzen en vice versa maar voor de vaart tussen Antwerpen en de Rijn gebruikt wordt, zal langs zijn gehele loop met geen hogere rechten of tolgelden kunnen worden bezwaard dan die, welke volgens de tarieven van Mainz van de 31ste maart 1831 op de vaart van Gorinchem tot aan de volle zee worden geheven, naar evenredigheid van de afstanden.

Par. 5. Insgelijks is overeengekomen, dat de scheepvaart op de binnenwateren tussen de Schelde en de Rijn om van Antwerpen naar de Rijn te komen en vice versa, wederkerig vrij zal blijven en slechts aan gematigde tolgelden zal worden onderworpen, die voor de handel van beide landen dezelfde zullen zijn.

Par. 6. Commissarissen van beide zijden zullen binnen de tijd van een maand te Antwerpen bijeenkomen, zowel om het bedrag dier tolgelden bepaaldelijk en op een blijvende voet vast te stellen, als om nopens een algemeen reglement tot uitvoering der bepalingen van dit artikel overeen te komen, en om daarbij de uitoefening van het recht der visserij en van de vishandel over de gehele uitgestrektheid der Schelde, op de voet van volkomen wederkerigheid en gelijkheid ten behoeve van de onderdanen van beide landen, in te begrijpen.

Par. 7. Intussen en tot de vaststelling van het genoemde reglement zal de vaart op de Maas en haar takken geheel vrij blijven voor de handel van beide landen, welke voorlopig daarvoor zullen aannemen de tarieven der overeenkomst nopens de vrije scheepvaart op de Rijn, de 31ste maart 1831 te Mainz ondertekend, alsmede de andere bepalingen dier overeenkomst, voorzover zij op de genoemde rivier toepasselijk kunnen worden gemaakt.

Par. 8. Indien natuurlijke gebeurtenissen of werken van kunst de in dit artikel aangewezen wegen voor de scheepvaart voor het vervolg onbruikbaar mochten maken, zal de Nederlandse Regering aan de Belgische scheepvaart, ter vervanging der genoemde, onbruikbaar geworden wegen voor de scheepvaart, andere wegen die even veilig en even goed en gemakkelijk zijn, aanwijzen.

Artikel X

Het gebruik der kanalen, die te gelijk de beide landen doorsnijden, zal bij voortduring vrij en aan de ingezetenen daarvan gemeen zijn.

Het is de bedoeling, dat zij wederkeerig en op dezelfde voorwaarden daarvan genot zullen hebben, en dat van weerzijden slechts gematigde regten voor de vaart op die kanalen zullen worden geheven.

Artikel XI

De handels-gemeenschap door de steden Maastricht en Sittard zal geheel vrij blijven, en onder geenerlei voorwendsel belemmerd kunnen worden.

Het gebruik der wegen die deze beide steden doorloopen, en naar de grenzen van Duitschland geleiden, zal slechts aan de betaling van een matig tolgeld voor het onderhoud dier wegen onderworpen zijn, op zoodanig eene wijze, dat de transito-handel aldaar geenerlei hinderpaal kunne ondervinden, en dat die wegen door middel der bovengemelde tolgelden in eenen goeden, en dien handel gerijvenden staat onderhouden worden.

Artikel XII

In geval er in Belgie een nieuwe weg mogt zijn aangelegd, of een nieuw kanaal zijn gegraven, tegen over het Hollandsch kanton Sittard, aan de Maas uitkomende, zoude het aan Belgie vrijstaan, om aan Holland te vragen, hetwelk zulks in deze veronderstelling niet zoude weigeren, dat gezegde weg of gezegde vaart, in overeenkomst met hetzelfde plan, geheel en al op kosten en voor rekening van Belgie, door het kanton Sittard heen, tot aan de grenzen van Duitschland, verlengd wierden. Deze weg of dit kanaal, die alleen tot het onderhouden van handelsgemeenschap zouden kunnen dienen, zouden, ter keuze van Holland aangelegd worden, hetzij door ingenieurs en werklieden, welke Belgie gematigd zoude worden daarvoor in het kanton Sittard te gebruiken, hetzij door ingenieurs en werklieden, die Holland zoude leveren, en die op kosten van Belgie de bepaalde werken zouden aanleggen, alles zonder eenig bezwaar voor Holland, en zonder benadeeling der uitsluitende regten van souvereiniteit op het grondgebied, hetwelk de bedoelde weg of kanaal zoude doorsnijden.

De beide partijen zouden met gemeen overleg het bedrag en de wijze van heffing der regten en tolgelden regelen, die op zoodanigen weg of kanaal zouden worden geheven.

Artikel XIII

§ 1. Te rekenen van den 1sten Januarij 1839, zal Belgie, uit hoofde der verdeeling van de openbare schulden van het Koningrijk der Nederlanden, met eene som van vijf millioen Nederlandsche guldens aan jaarlijksche renten belast blijven, waarvan de kapitalen van het debet der Amsterdamschen Grootboeks of van het debet der Algemeene Rijks kas van het Koningrijk der Nederlanden, op het debet van het Belgische Grootboek zullen worden overgebragt.

§ 2. De kapitalen en renten, die ten gevolge der voorgaande paragraaf tot een gezamenlijk bedrag van vijf millioen Nederlandsche guldens aan jaarlijksche renten op het debet van het Belgische Grootboek zullen worden overgebragt en ingeschreven, zullen geacht worden een gedeelte der Nationale Belgische schuld uit te maken; en Belgie verbindt zich, om noch voor het tegenwoordige, noch voor de toekomst, eenig onderscheid te maken tusschen dat gedeelte zijner openbare schuld, hetwelk uit zijne vereeniging met Holland voortvloeit, en alle andere reeds gemaakte of nog te maken Nationale Belgische schuld.

§ 3. De afbetaling der hierboven vermelde som van 5,000,000 Nederlandsche guldens aan jaarlijksche renten, zal regelmatig van half jaar tot half jaar, het zij te Brussel, het zij te Antwerpen, in gereed geld plaats hebben, zonder eenige korting, van welken aard die ook mogt zijn, noch voor het tegenwoordige noch voor de toekomst.

§ 4. Door middel van de vestiging der gezegde som van 5,000,000 guldens aan jaarlijksche renten, zal Belgie van alle verpligting jegens Holland, uit hoofde der verdeeling van de openbare schuld van het Koningrijk der Nederlanden ontlast zijn.

§ 5. Wederzijdsch benoemde Commissarissen zullen, binnen een tijdsverloop van veertien dagen, in de stad Utrecht bijeenkomen, ten einde zich met de overdragt der kapitalen en renten bezig te houden, die, uit hoofde van de verdeeling der openbare schulden van het Koningrijk der Nederlanden, tot een bedrag van 5,000,000 guldens aan jaarlijksche renten ten laste van Belgie moeten komen. Zij zullen zich insgelijks bezig houden met de uitlevering van alle archiven, kaarten, plans en papieren, van welken aard ook, die aan Belgie toebehooren, of deszelfs beheer betreffen.

Artikel XIV

De haven van Antwerpen, zal, in overeenkomst met de bepalingen van artikel XV van het verdrag van Parijs van den 30sten Mei 1814, bij voortduring alleen eene handelshaven blijven.

Artikel XV

De werken van openbaar of bijzonder nut, zoo als vaarten, wegen of andere van soortgelijken aard, die geheel of gedeeltelijk op kosten van het Koningrijk der Nederlanden aangelegd zijn, zullen met de daaraan verknochte baten en lasten aan het land toebehooren, waarin zij gelegen zijn.

Het blijft de bedoeling, dat de kapitalen, die voor het aanleggen dezer werken opgenomen, en daarop bepaaldelijk gevestigd zijn, onder de voorzegde lasten zullen worden begrepen, voor zoo verre zij nog niet afgelost zijn, en zonder dat de reeds gedane aflossingen aanleiding tot verevening kunnen geven.

Artikel XVI

Het beslag hetwelk in Belgie, gedurende de onlusten, om staatkundige redenen, op eenige patrimonieele goederen en domeinen gelegd mogt zijn, zal zonder de minste vertraging worden opgeheven, en het genot der gezegde goederen en domeinen zal onmiddelijk aan de wettige eigenaars worden teruggegeven.

Artikel XVII

De ingezetenen en eigenaars in de beide landen, waarvan de afscheiding ingevolge de tegenwoordige artikelen plaats heeft, zullen, indien zij hunne woonplaats van het eene land naar het andere overbrengen willen, de vrijheid bezitten, om gedurende twee jaren over hunne roerende en onroerende goederen, van welken aard die ook mogen zijn, te beschikken, die te verkoopen, en de opbrengst van dien verkoop, het zij in gereed geld, hetzij in andere waarden, over te brengen, zonder daarin belemmering te ontmoeten of andere regten te betalen, dan de zoodanige, welke thans in de beide landen in werking zijn voor den overgang, en de overdragt van goederen.

Het is de bedoeling dat voor het tegenwoordige en het toekomstige afstand gedaan wordt van het heffen van eenig albinatus en detractus regt ten aanzien van de personen en goederen der Hollanders in Belgie en der Belgen in Holland.

Artikel XVIII

De hoedanigheid van gemengde onderdanen, voor zoo ver de eigendommen betreft, zal erkend en gehandhaafd worden.

Artikel XIX

De bepalingen der artikelen XI tot XXI ingesloten, van het verdrag, hetwelk den 3den Mei 1815 tusschen Oostenrijk en Rusland gesloten is, en een wezenlijk deel uitmaakt van de algemeene acte van het Congres van Weenen, welke bepalingen betrekking hebben tot de eigenaars van goederen in beide de Staten, tot de keuze van domicilie, welke zijn verpligt zijn te doen, tot de regten, welke zij als onderdanen van den eenen of den anderen Staat zullen uitoefenen, en tot de betrekkingen van nabuurschap in de eigendommen, welke door de grenzen doorsneden worden, zullen worden toegepast op de eigenaars en op de eigendommen, die zich in Holland, in het Groot-Hertogdom Luxemburg of in Belgie, in de gevallen zullen bevinden, voorzien bij de voormelde bepalingen der Weener Congres-acten. — Het is de bedoeling dat de delfstoffelijke voortbrengselen begrepen zijn onder de voortbrengselen van den grond, die in artikel 20 van het boven aangehaald verdrag van den 3den Mei 1815 worden vermeld. Daar, van nu af aan, de albinatus en detractusregten tusschen Holland, het Groot-Hertogdom Luxemburg en Belgie afgeschaft zijn, zoo is het de bedoeling, dat de zoodanige der bovenvermelde bepalingen, welke op de albinatus en detractusregten betrekking mogten hebben, gerekend zullen worden in de drie landen nietig en zonder kracht te zijn.

Artikel XX

In de gewesten, welke van heerschappij veranderen, zal niemand uit eenigerlei hoofde van regtstreeksche of middelijke deelneming op wat wijze ook aan de staatkundige gebeurtenissen, vervolgd of verontrust kunnen worden.

Artikel XXI

De pensioenen, wachtgelden en tractementen van non-activiteit en reforme, zullen in het vervolg van weerszijden, aan alle titularissen zoo burgerlijke als militaire uitbetaald worden, die daarop, in overeenkomst met de wetten, vóór den 1sten November 1830 in werking geweest, regt hebben.

Men is overeengekomen, dat de bovengemelde pensioenen en tractementen der regt hebbenden, die geboren zijn op het grondgebied, hetwelk thans Belgie uitmaakt, ten laste van de Belgische schatkist zullen blijven, en de pensioenen en tractementen der regthebbenden, welke geboren zijn op het grondgebied, hetwelk thans het Koningrijk der Nederlanden vormt, ten laste der Nederlandsche schatkist.

Artikel XXII

Alle de vorderingen der Belgische onderdanen ten laste van bijzondere instellingen, zoo als weduwen-fondsen en fondsen bekend onder de namen van leges-fondsen en burgerlijke- en militair-pensioen-fondsen zullen door de, in artikel XIII vermelde gemengde commissie onderzocht en beslist worden overeenkomstig den inhoud der reglementen van die fondsen of kassen.

De gestorte borgtogten, gelijk mede de stortingen, door Belgische rekenpligtigen gedaan, de geregtelijke depôts, en de geconsigneerde gelden zullen insgelijks aan de daarop regthebbenden, op vertoon hunner bescheiden, teruggegeven worden.

Indien Belgische onderdanen, uit hoofde der verevening van den zoogenaamden franschen achterstand, nog regten van inschrijving hadden te doen gelden, zullen de vorderingen deswege insgelijks door de gezegde commissie onderzocht en verëvend worden.

Artikel XXIII

De vonnissen in burgerlijke of handelszaken gewezen, de acten van den burgelijken stand, en de acten voor een notaris of ander openbaar ambtenaar verleden tijdens het Belgisch beheer, in die gedeelten van Limburg en van het Groot-Hertogdom Luxemburg, welke weder in het bezit van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, zullen worden gesteld, zullen in derzelver kracht en werking worden gehandhaafd.

Artikel XXIV

Onmiddelijk na de uitwisseling der bekrachtigingen van het tusschen de beide partijen tot stand te brengen verdrag, zullen de noodige bevelen aan de bevelhebbers der wederzijdsche krijgsbenden worden toegezonden, om het grondgebied, de steden, plaatsen en oorden te ontruimen, die van heerschappij veranderen. De burgerlijke overheden zullen tevens te gelijker tijd de noodige bevelen ontvangen, om dat grondgebied, die steden, plaatsen en oorden aan de van weerszijden daartoe te benoemen commissarissen over te geven.

Deze ontruiming en deze overgave zullen in dier voege plaats hebben, dat zij binnen den tijd van veertien dagen, of, zoo mogelijk vroeger, afgeloopen kunnen zijn.

Artikel XXV

Ten gevolge der bepalingen van het tegenwoordig tractaat, zal er vrede en vriendschap zijn tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg ter eenre, en Zijne Majesteit den Koning der Belgen ter andere zijde, tusschen hunne respectieve erfgenamen, opvolgers, staten en onderdanen.

Artikel XXVI

Het tegenwoordig tractaat zal geratificeerd, en de ratificatien zullen uitgewisseld worden te Londen, binnen zes weken of vroeger, zoo zulks mogelijk is.

Deze uitwisseling zal plaats hebben gelijktijdig met die der ratificatien van het op heden, tusschen Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxemburg, en Hunne Majesteiten den Keizer van Oostenrijk, Koning van Hongarije en Boheme, den Koning der Franschen, de Koningin van het vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland, den Koning van Pruissen, en den Keizer aller Russen gesloten verdrag.

En foi de quoi les plénipotentiaires susdits ont signé le présent traité, et y ont apposé le cachet de leurs armes.

Fait à Londres, le dix neuf Avril l'an de Grâce mil huit cent trente neuf.

(L.S.) DEDEL.

(L.S.) SYLVAIN VAN DE WEYER.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)