Unieverdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911 en te 's-Gravenhage op 6 november 1925
De President van het Duitsche Rijk; de President der Republiek Oostenrijk; Zijne Majesteit de Koning der Belgen; de President der Vereenigde Staten van Brazilië; de President der Republiek Cuba; Zijne Majesteit de Koning van Denemarken; de President der Dominicaansche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van Spanje; de President der Republiek Estland; de President der Vereenigde Staten van Amerika; de President der Republiek Finland; de President der Fransche Republiek; Zijne Majesteit de Koning van het Vereenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Ierland en van de Britsche overzeesche gebieden, Keizer van Indië; Zijne Doorluchtige Hoogheid de Rijksbestuurder van Hongarije; Zijne Majesteit de Koning van Italië; Zijne Majesteit de Keizer van Japan; Zijne Majesteit de Sultan van Marokko; de President der Vereenigde Staten van Mexico; Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen; Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden; de President der Poolsche Republiek, in naam van Polen en van de Vrije Stad Dantzig; de President der Portugeesche Republiek; Zijne Majesteit de Koning der Serven, Kroaten en Slovenen; Zijne Majesteit de Koning van Zweden; de Bondsraad van den Zwitserschen Bond; de Staten van Syrië en van den Grooten Libanon; de President van de Tsjechoslowaaksche Republiek; Zijne Hoogheid de Bey van Tunis; de President der Turksche Republiek,
het dienstig geoordeeld hebbende het internationale verdrag van 20 Maart 1883, waardoor in het leven is geroepen eene internationale Unie tot bescherming van den industrieelen eigendom en dat herzien is te Brussel op 14 December 1900, en te Washington op 2 Juni 1911, in eenige opzichten te wijzigen en aan te vullen, hebben tot Hunne gevolmachtigden benoemd, te weten:
(Zie de namen van de gevolmachtigden in de Franse tekst van het verdrag.)
die, na elkander hunne volmachten vertoond te hebben, en deze over en weer in goeden en behoorlijken vorm bevonden te hebben, zijn overeengekomen omtrent de volgende artikelen:
Art. 1
De verdragsluitende landen vormen eene Unie tot bescherming van den industrieelen eigendom.
De bescherming van den industrieelen eigendom omvat de octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de teekeningen en modellen van nijverheid, de fabrieks- of handelsmerken, den handelsnaam en de aanduidingen van herkomst of benamingen van oorsprong, zoomede de bestrijding van de oneerlijke mededinging.
Onder industrieelen eigendom wordt verstaan de ruimste opvatting daarvan; zij heeft niet alleen betrekking op de nijverheid en handel in eigenlijken zin, maar evenzeer op het gebied der landbouwnijverheid (wijnen, granen, tabaksbladeren, vruchten, vee, enz.) en der mijnbouwnijverheid (mineralen, minerale wateren, enz.).
Onder de octrooien van uitvinding zijn begrepen de verschillende soorten van octrooien van nijverheid, welke door de wetgevingen der verdragsluitende landen erkend zijn, zooals octrooien van invoer, verbeteringsoctrooien, aanvullingsoctrooien en -certificaten, enz.
Art. 2
De onderdanen van elk der verdragsluitende landen zullen in alle andere landen der Unie, voor wat betreft de bescherming van den industrieelen eigendom, de voordeelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit oogenblik aan de nationalen toekennen of in het vervolg zullen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als deze en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hunne rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.
Echter kan voor het genot van geen der rechten van industrieelen eigendom van hen, die tot de Unie behooren, geëischt worden, dat zij een woonplaats of inrichting hebben in het land, waar op de bescherming wordt aanspraak gemaakt.
De bepalingen der wetgeving van elk van de verdragsluitende landen met betrekking tot den rechterlijken of administratieven procesgang en de bevoegdheid, benevens tot de keuze van domicilie of het stellen van een gemachtigde, indien de wetten op den industrieelen eigendom zulks zouden vorderen, worden uitdrukkelijk voorbehouden.
Art. 3
Met de onderdanen van de verdragsluitende landen worden gelijkgesteld de onderdanen van de landen, welke niet deel uitmaken der Unie, die op het grondgebied van een der landen van de Unie woonplaats hebben of aldaar daadwerkelijke en wezenlijke inrichtingen van nijverheid of handel bezitten.
Art. 4
- a. Hij, die op regelmatige wijze een aanvrage om octrooi van uitvinding, een gebruiksmodel, een teekening of model van nijverheid of een fabrieks- of handelsmerk in een der verdragsluitende landen heeft gedeponeerd, of zijn rechtverkrijgende, zal, onder voorbehoud der rechten van derden, voor het verrichten van het depôt in de andere landen, gedurende de hierna te bepalen termijnen een recht van voorrang hebben.
- b. Dientengevolge zal het vóór het verstrijken dier termijnen in een van de andere landen der Unie later verrichte depôt niet krachteloos kunnen gemaakt worden door feiten, die in den tusschentijd hebben plaats gehad en wel met name door een ander depôt, door het openbaar bekend maken van de uitvinding of door hare toepassing, door het te koop stellen van exemplaren van de teekening of van het model, door het gebruik van het merk.
- c. De hierbovenvermelde termijnen van voorrang zijn twaalf maanden voor de octrooien van uitvinding en de gebruiksmodellen en zes maanden voor de teekeningen en modellen van nijverheid en voor de fabrieks- of handelsmerken. Deze termijnen beginnen te loopen van de dagteekening af van het depôt der eerste aanvrage, gedaan in een land, tot de Unie behoorend; de dag van het depôt is niet in den termijn begrepen. Indien de laatste dag van den termijn een wettelijk erkende feestdag is in het land waar de bescherming wordt gevraagd, zal de termijn verlengd worden tot den eerstvolgenden werkdag.
- d. Hij, die zich op het recht van voorrang van een vroeger depôt wil beroepen, is gehouden eene verklaring in te leveren, aanwijzende de dagteekening en het land van dat depôt. Elk land bepaalt, op welk tijdstip deze verklaring op zijn laatst moet worden afgelegd. Deze aanwijzingen zullen worden vermeld in de bekendmakingen vanwege de bevoegde Administratie, met name in de octrooischriften en de daartoe behoorende beschrijvingen. De verdragsluitende landen kunnen van hem, die eene verklaring van voorrang aflegt, de overlegging eischen van een afschrift van de eerder gedane aanvrage (beschrijving, teekeningen, enz.). Het afschrift, voor gelijkluidend gewaarmerkt door de Administratie, die deze aanvrage heeft ontvangen, zal vrijgesteld worden van elke legalisatie, en zal in ieder geval overgelegd kunnen worden op onverschillig welk tijdstip binnen 3 maanden na het depôt van de laatste aanvrage. Gevorderd zal kunnen worden, dat het vergezeld zij van eene verklaring omtrent de dagteekening van het depôt, afgegeven door die Administratie, en van eene vertaling. Andere formaliteiten mogen voor de verklaring van voorrang op het oogenblik van het depôt der aanvrage niet worden gevorderd. Elk verdragsluitend land stelt de gevolgen vast van het verzuim van de formaliteiten, in dit artikel voorgeschreven, zonder dat deze gevolgen verder kunnen reiken dan het verlies van het recht van voorrang. Later kunnen andere bewijzen gevraagd worden.
- e. Wanneer een teekening of model van nijverheid in een land is gedeponeerd met beroep op een recht van voorrang, gegrond op het depôt van een gebruiksmodel, zal de termijn van voorrang slechts die zijn, welke is vastgesteld voor de teekeningen en modellen van nijverheid. Bovendien is het geoorloofd in een land een gebruiksmodel in te dienen met beroep op een recht van voorrang, gegrond op het depôt van een aanvrage om octrooi en omgekeerd.
- f. Indien bij een aanvrage om octrooi meer dan één voorrang wordt opgeëischt, of indien het onderzoek uitwijst, dat de aanvrage betrekking heeft op meer dan één uitvinding, moet de Administratie den aanvrager ten minste toestaan haar te splitsen met inachtneming van de voorwaarden welke de binnenlandsche wetgeving bepaalt, met behoud als dagteekening van iedere afgesplitste aanvrage, van de dagteekening der oorspronkelijke aanvrage, en eventueel het genot van het recht van voorrang.
Art. 4bis
De octrooien, aangevraagd in de verschillende verdragsluitende landen door hen, die tot de Unie behooren, zullen onafhankelijk zijn van de octrooien verkregen voor dezelfde uitvinding in de andere landen, onverschillig of deze al dan niet tot de Unie zijn toegetreden.
Deze bepaling moet volstrekt worden opgevat, met name in dezen zin, dat de octrooien, aangevraagd gedurende den termijn van voorrang onafhankelijk zijn, zoowel uit een oogpunt van redenen van nietigheid en verval, als uit een oogpunt van gewonen duur.
Zij is van toepassing op alle octrooien, bestaande op het tijdstip, waarop zij in werking treedt.
Dezelfde regel geldt, in geval van toetreding van nieuwe landen, voor de octrooien, over en weer bestaande op het oogenblik der toetreding.
Art. 5
De invoer, door den octrooihouder, in het land, waar het octrooi werd verleend, van voorwerpen, vervaardigd in een of ander land der Unie, zal het octrooi niet doen vervallen.
Echter zal elk van de verdragsluitende landen de bevoegdheid hebben de wettelijke maatregelen te treffen, noodig om de misbruiken te voorkomen, die zouden kunnen voortvloeien uit de uitoefening van het uitsluitend recht, door het octrooi toegekend, b.v. het achterwege laten van toepassing.
Deze maatregelen kunnen slechts dan verval van het octrooi inhouden, indien de verleening van gedwongen licenties niet voldoende is om die misbruiken te voorkomen.
In elk geval zullen dergelijke maatregelen niet op een octrooi kunnen worden toegepast, voordat ten minste 3 jaren verstreken zijn, te rekenen van den dag waarop het verleend is af, en indien de octrooihouder zich rechtvaardigt door geldige redenen.
De bescherming der teekeningen en modellen van nijverheid kan niet worden getroffen door eenig verval op grond van invoer van voorwerpen gelijk aan die, welke beschermd zijn.
Geenerlei teeken of vermelding van inschrijving zal voor de erkenning van het recht op de waar geëischt worden.
Indien het gebruik van het ingeschreven merk in een land verplicht is, zal de inschrijving slechts kunnen worden vernietigd na verloop van een billijken termijn, en indien de belanghebbende zijn stilzitten niet rechtvaardigt.
Art. 5bis
Een termijn van uitstel, die ten minste 3 maanden zal moeten zijn, zal worden toegestaan voor de voldoening van de taksen, bepaald voor het behoud van de rechten van industrieelen eigendom, met betaling van een verhoogde taks, indien de nationale wetgeving deze oplegt.
Wat de octrooien van uitvinding betreft verbinden de verdragsluitende landen zich bovendien om, hetzij den termijn van uitstel op ten minste 6 maanden te stellen, hetzij in het herstel van het octrooi, vervallen wegens niet-betaling van taksen, te voorzien, welke maatregelen echter onderworpen blijven aan de voorwaarden, in de binnenlandsche wetgeving gesteld.
Art. 5ter
In elk der verdragsluitende landen zal niet als inbreuk op de rechten van den octrooihouder worden aangemerkt:
- 1). het gebruik aan boord van schepen van de andere landen der Unie van datgene, wat het voorwerp van zijn octrooi uitmaakt, in het schip zelve, in de machines, het scheepswant, de tuigage en andere bijbehoorende zaken, wanneer die schepen tijdelijk of bij toeval de wateren van het land binnenkomen, onder voorbehoud dat bedoeld gebruik uitsluitend zal zijn ten behoeve van het schip;
- 2). het gebruik van datgene wat het voorwerp van het octrooi uitmaakt in de constructie of werking van voor de voortbeweging in de lucht of te land dienende machines van de andere landen der Unie, of van het toebehooren dier machines, wanneer deze tijdelijk of bij toeval dat land binnenkomen.
Art. 6
Elk fabrieks- of handelsmerk, dat op regelmatige wijze in het land van oorsprong is ingeschreven, zal in de andere landen der Unie tot het depôt toegelaten en zooals het is beschermd worden.
Echter kunnen worden geweigerd of nietig verklaard:
- 1°. de merken, die van dien aard zijn, dat daarmede inbreuk kan gemaakt worden op rechten, door derden verkregen in het land, waar de bescherming wordt gevraagd.
- 2°. de merken, die elk onderscheidend kenmerk missen of wel uitsluitend bestaan uit teekens of aanwijzingen, welke in den handel kunnen dienen tot aanduiding van de soort, de hoedanigheid, de hoeveelheid, de bestemming, de waarde, de plaats van herkomst der waren of het tijdstip van voortbrenging, of gebruikelijk zijn geworden in de gangbare taal of de rechtmatige en vaststaande gewoonten van den handel in het land, waar de bescherming wordt gevraagd. Bij de beoordeeling van het onderscheidend kenmerk van een merk moet rekening worden gehouden met al de feitelijke omstandigheden, met name met den duur van het gebruik van het merk.
- 3°. de merken, die strijdig zijn met de goede zeden of met de openbare orde. Er is overeengekomen dat een merk niet als strijdig met de openbare orde zal kunnen worden beschouwd om de enkele reden dat het niet overeenkomt met eenige bepaling van de wetgeving op de merken, behalve in het geval dat deze bepaling zelve de openbare orde betreft.
Als land van oorsprong zal beschouwd worden:
Het land van de Unie, waar de inzender een daadwerkelijke en wezenlijke inrichting van nijverheid of handel heeft en zoo hij geen dergelijke inrichting heeft, het land van de Unie, waar hij zijn woonplaats heeft, en indien hij geen woonplaats heeft in een Unieland, het land van zijn nationaliteit, in het geval dat hij onderdaan is van een land van de Unie.
In geen geval zal de vernieuwing van de inschrijving van een merk in het land van oorsprong de verplichting met zich brengen, de inschrijving in de andere landen van de Unie, waar het merk reeds is ingeschreven, te vernieuwen.
Het genot van het recht van voorrang blijft behouden voor het depôt van merken, verricht binnen den termijn van art. 4, zelfs wanneer de inschrijving in het land van oorsprong eerst na het verstrijken van dien termijn tot stand komt.
De bepaling van alinea 1 sluit het recht niet uit, van den inzender een door de bevoegde autoriteit in het land van oorsprong afgegeven verklaring van regelmatige inschrijving te eischen, doch geenerlei legalisatie zal voor deze verklaring gevorderd worden.
Art. 6bis
De verdragsluitende landen verbinden zich om, hetzij ambtshalve, indien de wetgeving van het land dit toelaat, hetzij op verzoek van den belanghebbende, te weigeren of nietig te verklaren de inschrijving van een fabrieks- of handelsmerk, dat de reproductie is of nabootsing, welke verwarring kan wekken, van een merk, dat naar het oordeel van de bevoegde autoriteit van het land van inschrijving, aldaar algemeen bekend is als zijnde reeds het merk van een onderdaan van een ander verdragsluitend land, en gebruikt voor gelijke of soortgelijke waren.
Een termijn van ten minste 3 jaar moet worden toegestaan om de doorhaling van deze merken te vorderen. De termijn zal beginnen te loopen van de dagteekening der inschrijving van het merk af.
Er zal geen termijn vastgesteld worden om de doorhaling te vorderen van die merken, welke te kwader trouw zijn ingeschreven.
Art. 6ter
De verdragsluitende landen komen overeen om te weigeren of nietig te verklaren de inschrijving, en door daartoe passende maatregelen te verbieden het gebruik, zonder goedkeuring der bevoegde machten, hetzij als fabrieks- of handelsmerken, hetzij als bestanddeelen van die merken, van wapens, vlaggen en andere Staatsemblemen van de verdragsluitende landen, van officieele door die landen aangenomen contrôle- en waarborgteekens en -stempels, zoomede iedere nabootsing bezien uit heraldisch oogpunt.
Het verbod van officieele contrôle- en waarborgteekens en -stempels is alleen toepasselijk in de gevallen waarin de merken, die deze bevatten, bestemd zijn om gebruikt te worden op gelijke of gelijksoortige waren.
De verdragsluitende landen verbinden zich te verbieden het passing van deze bepalingen elkander wederkeerig mede te deelen, door tusschenkomst van het Internationaal Bureau te Bern, de lijst van Staatsemblemen en officieele contrôle- en waarborgteekens en -stempels, welke zij zonder beperking of binnen zekere grenzen, onder de bescherming van dit artikel wenschen of zullen wenschen te brengen, evenals alle latere wijzigingen, in deze lijst aangebracht. Elk verdragsluitend land zal te zijner tijd de medegedeelde lijsten ter beschikking van het publiek stellen.
Elk verdragsluitend land zal binnen een termijn van 12 maanden van de ontvangst der kennisgeving af, door bemiddeling van het Internationaal Bureau te Bern, aan het belanghebbende land zijne eventueele bezwaren kunnen doen toekomen.
Ten aanzien van de algemeen bekende Staatsemblemen zullen de maatregelen, bedoeld in alinea 1, alleen worden toegepast op de merken, ingeschreven na de onderteekening van deze akte.
Ten aanzien van de Staatsemblemen, die niet algemeen bekend mochten zijn en ten aanzien van de officieele teekens en stempels, zullen deze bepalingen slechts toepasselijk zijn op de merken, ingeschreven meer dan twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in alinea 3.
In geval van kwade trouw zullen de landen de bevoegdheid hebben om zelfs de merken, welke vóór de onderteekening van deze akte zijn ingeschreven en Staatsemblemen, teekens en stempels bevatten, te doen doorhalen.
De nationalen van elk land, die gerechtigd mochten zijn om gebruik te maken van de Staatsemblemen, teekens en stempels van hun land, zullen deze mogen benutten, zelfs indien zij gelijk zijn aan die van een ander land.
De verdragsluitende landen verbinden zich tot het depôt toe gebruik in den handel, zonder verkregen toestemming, van de Staatswapens der andere verdragsluitende landen, wanneer door dit gebruik omtrent den oorsprong der waren verwarring kan ontstaan.
De voorafgaande bepalingen verhinderen niet het gebruik maken, door de landen, van de bevoegdheid om door toepassing van art. 6, alinea 2 onder 3, de merken, welke zonder verkregen toestemming wapens, vlaggen, ridderorden en andere Staatsemblemen of officieele teekens en stempels, aangenomen door een land der Unie, bevatten, te weigeren of nietig te verklaren.
Art. 7
De aard van de waar, waarop het fabrieks- of handelsmerk moet worden aangebracht, kan in geen geval een beletsel vormen voor de inschrijving van het merk.
Art. 7bis
De verdragsluitende landen komen overeen om voor de toe- te laten en te beschermen de merken, die aan gemeenschappen toebehooren, welker bestaan niet strijdig is met de wet van het land van oorsprong, zelfs al bezitten die gemeenschappen niet een inrichting van nijverheid of handel.
Intusschen zal elk land vrij zijn in het stellen van bijzondere voorwaarden, waaronder een gemeenschap kan worden toegelaten tot het doen beschermen van hare merken.
Art. 8
De handelsnaam zal in alle landen der Unie, zonder verplichting van depôt of inschrijving, beschermd worden, onverschillig of die naam deel uitmaakt van een fabrieks- of handelsmerk of niet.
Art. 9
Elke waar, die onrechtmatig van een fabrieks- of handelsmerk, of van een handelsnaam voorzien is, zal in beslag genomen worden bij den invoer in die landen der Unie, waar dat merk of die naam recht hebben op wettelijke bescherming.
De inbeslagneming zal eveneens plaats hebben in het land, waar de waar op ongeoorloofde wijze van een merk of een handelsnaam is voorzien of waar zij werd ingevoerd.
De inbeslagneming zal plaats hebben ten verzoeke òf van het openbaar ministerie, òf van elke andere bevoegde macht, òf van de belanghebbende partij, hetzij natuurlijke of rechtspersoon, overeenkomstig de binnenlandsche wetgeving van elk land.
De autoriteiten zullen niet tot inbeslagneming gehouden zijn ingeval van doorvoer.
Indien de wetgeving van een land geen inbeslagneming bij den invoer toelaat, zal de inbeslagneming worden vervangen door een verbod van invoer, of door inbeslagneming in het land zelf.
Indien de wetgeving van een land noch de inbeslagneming bij invoer, noch een verbod van invoer, noch de inbeslagneming in het land zelf toelaat, zullen deze maatregelen, in afwachting dat die wetgeving dienovereenkomstig mocht worden gewijzigd, worden vervangen door de rechtsvorderingen en middelen, welke de wet van dat land in een dergelijk geval aan de nationalen verzekert.
Art. 10
De bepalingen van het voorgaande artikel zijn toepasselijk op elke waar, die valschelijk, ter aanduiding van herkomst, van den naam eener bepaalde plaats of van een bepaald land voorzien is, wanneer die aanduiding vergezeld gaat van een handelsnaam, die verdicht is of met bedriegelijke bedoeling aan een ander is ontleend.
In elk geval zal als belanghebbende partij, onverschillig of deze is een natuurlijke of rechtspersoon, worden erkend iedere producent, fabrikant of koopman, die zich met de voortbrenging of vervaardiging van die waar of den handel daarin bezig houdt en gevestigd is hetzij in de plaats, welke valschelijk als plaats van herkomst is opgegeven, hetzij in de landstreek, waarin die plaats is gelegen, hetzij in het valschelijk opgegeven land.
Art. 10bis
De verdragsluitende landen zijn gehouden aan hen, die tot de Unie behooren, een daadwerkelijke bescherming te verleenen tegen de oneerlijke mededinging.
Elke daad van mededinging, strijdig met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel, levert een daad van oneerlijke mededinging op.
Met name zullen moeten worden verboden:
- 1). alle daden, welke ook, die verwarring zouden kunnen scheppen door onverschillig welk middel ten opzichte van de waren van een concurrent;
- 2). valsche beweringen bij het handel drijven, die de waren van een concurrent in discrediet zouden kunnen brengen.
Art. 10ter
De verdragsluitende landen verbinden zich om aan de onderdanen van de andere landen van de Unie wettelijk verhaal te verzekeren, geschikt om alle handelingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 10bis, met kracht tegen te gaan.
Zij verbinden zich bovendien, maatregelen te treffen om aan syndicaten en vereenigingen, welke de belanghebbende nijverheid of handel vertegenwoordigen, en welker bestaan niet strijdig is met de wetten van hun land, toe te staan in rechten of bij de administratieve autoriteiten op te treden ter bestrijding van de handelingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 10bis, voorzoover de wet van het land, waarin de bescherming wordt gevraagd, zulks toestaat aan de syndicaten en vereenigingen van dat land.
Art. 11
De verdragsluitende landen zullen aan de voor octrooi vatbare uitvindingen, de gebruiksmodellen, de teekeningen of modellen van nijverheid en de fabrieks- of handelsmerken, die betrekking hebben op de waren, welke op de officieele of officieel erkende internationale tentoonstellingen, in een dier landen gehouden, zullen worden ten toon gesteld, een tijdelijke bescherming verleenen overeenkomstig hunne binnenlandsche wetgeving.
Deze tijdelijke bescherming zal de termijnen, genoemd in art. 4, niet verlengen. Indien later het recht van voorrang wordt ingeroepen, zal de Administratie van elk land den termijn kunnen doen beginnen van den datum af, waarop de waar ter tentoonstelling is aangebracht.
Elk land zal als bewijs van de identiteit van het tentoongestelde voorwerp en van den datum, waarop het ter tentoonstelling is gebracht, de bewijsstukken kunnen eischen, welke het noodig zal achten.
Art. 12
Elk der verdragsluitende landen verbindt zich tot het inrichten van een bijzonderen dienst van den industrieelen eigendom en een centrale bewaarplaats, ten einde openbare mededeeling te doen van de octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de teekeningen of modellen van nijverheid en de fabrieks- of handelsmerken.
Deze dienst zal een regelmatig verschijnend officieel blad uitgeven.
Art. 13
Het internationaal bureau, te Bern opgericht onder den naam van Internationaal Bureau tot bescherming van den industrieelen eigendom, is geplaatst onder het hoog gezag der Regeering van den Zwitserschen Bond, die de inrichting ervan regelt en op zijne werking toeziet.
De officieele taal van het Internationaal Bureau is de Fransche taal.
Het Internationaal Bureau verzamelt allerlei inlichtingen betreffende de bescherming van den industrieelen eigendom, vereenigt ze en geeft ze uit. Het bestudeert wat van gemeenschappelijk nut en belang is voor de Unie en stelt met behulp van de bescheiden, die door de verschillende Administraties te zijner beschikking worden gesteld, een regelmatig verschijnend blad in de Fransche taal samen over de vraagstukken, die het doel der Unie raken.
De nummers van dit blad, evenzeer als alle bescheiden door het Internationaal Bureau uitgegeven, worden onder de Administraties der tot de Unie behoorende landen verdeeld naar evenredigheid van het aantal der hieronder vermelde eenheden. De exemplaren en bescheiden, welke boven dit aantal mochten worden aangevraagd, hetzij door de genoemde Administraties, hetzij door vereenigingen of bijzondere personen, zullen afzonderlijk worden betaald.
Het Internationaal Bureau moet zich te allen tijde ter beschikking van de landen van de Unie houden, ten einde hun over de vragen betreffende den internationalen dienst van den industrieelen eigendom de bijzondere inlichtingen te geven, welke zij noodig zouden kunnen hebben. De Directeur van het Internationaal Bureau brengt over zijn beheer een jaarlijksch verslag uit, dat aan alle landen der Unie wordt medegedeeld.
De uitgaven van het Internationaal Bureau zullen gemeenschappelijk door de verdragsluitende landen worden gedragen. Tot nader order zullen zij het bedrag van 120 000 Zwitsersche franken per jaar niet mogen overschrijden. Deze som zal naar behoefte vermeerderd kunnen worden door een eenstemmig genomen besluit van een der Conferenties, bedoeld in artikel 14.
Ten einde het aandeel te bepalen, dat elk der landen in dat totaal bedrag der kosten moet bijdragen, worden de verdragsluitende landen en die, welke later tot de Unie zullen toetreden, verdeeld in zes klassen, die ieder in de verhouding van een zeker aantal eenheden bijdragen, te weten:
| 1ste | klasse | 25 | eenheden |
|---|---|---|---|
| 2de | ” | 20 | ” |
| 3de | ” | 15 | ” |
| 4de | ” | 10 | ” |
| 5de | ” | 5 | ” |
| 6de | ” | 3 | ” |
Deze coëfficiënten worden vermenigvuldigd met het aantal landen van iedere klasse, en de som der aldus verkregen producten levert het getal eenheden op, waardoor het totaal der uitgaven gedeeld moet worden. De uitkomst daarvan geeft het bedrag der eenheid van kosten aan.
Elk der verdragsluitende landen zal bij zijne toetreding de klasse aanwijzen, waarin het wenscht te worden gerangschikt.
De Regeering van den Zwitserschen Bond ziet toe op de uitgaven van het Internationaal Bureau, doet de noodige voorschotten en stelt de jaarlijksche rekening vast, die aan alle andere Administraties zal worden medegedeeld.
Art. 14
Dit verdrag zal aan geregelde herzieningen worden onderworpen, ten einde daarin de verbeteringen aan te brengen, die kunnen strekken tot volmaking van het stelsel der Unie.
Te dien einde zullen achtereenvolgens in een der verdragsluitende landen Conferenties van de afgevaardigden dier landen plaats hebben.
De Administratie van het land, waar de Conferentie zitting moet houden, zal, met medewerking van het Internationaal Bureau, het werk dier Conferentie voorbereiden.
De Directeur van het Internationaal Bureau zal de zittingen der Conferenties bijwonen, en aan de beraadslagingen deelnemen zonder recht van stemming.
Art. 15
Er is overeengekomen, dat de verdragsluitende landen zich wederkeerig het recht voorbehouden afzonderlijk onderling bijzondere schikkingen te treffen tot bescherming van den industrieelen eigendom, voor zoover deze schikkingen niet in strijd zijn met de bepalingen van dit verdrag.
Art. 16
De landen, die aan dit verdrag geen deel hebben genomen, zullen op hun verzoek daartoe mogen toetreden.
Deze toetreding zal langs diplomatieken weg ter kennis der Regeering van den Zwitserschen Bond en door deze ter kennis van alle andere Regeeringen worden gebracht.
Zij zal medebrengen volledige toetreding tot alle bepalingen en volledige toelating tot alle voordeelen, bij dit verdrag bedongen, en zal beginnen te werken een maand na de toezending van de kennisgeving door de Regeering van den Zwitserschen Bond aan de andere landen der Unie, tenzij het toetredend land een later tijdstip mocht hebben bepaald.
Art. 16bis
De verdragsluitende landen hebben het recht te allen tijde tot dit verdrag toe te treden voor hunne koloniën, bezittingen, afhankelijke gebieden en protectoraten of gebieden, bestuurd krachtens een mandaat van den Volkenbond, of voor sommige van deze.
Te dien einde kunnen zij òf eene algemeene verklaring indienen, waardoor al hunne koloniën, bezittingen, afhankelijke gebieden en protectoraten en de mandaatgebieden, bedoeld in de eerste alinea, in de toetreding zijn begrepen, òf uitdrukkelijk die opgeven, welke daarin zijn begrepen, òf zich bepalen tot de aanwijzing van die, welke er van zijn uitgesloten.
Deze verklaring zal schriftelijk ter kennis van de Regeering van den Zwitserschen Bond en door deze ter kennis van alle andere Regeeringen worden gebracht.
De verdragsluitende landen zullen onder dezelfde voorwaarden het verdrag kunnen opzeggen voor hunne koloniën, bezittingen, afhankelijke gebieden en protectoraten of voor de mandaatgebieden bedoeld in de eerste alinea, dan wel voor sommige van deze.
Art. 17
De uitvoering der wederkeerige verbintenissen, in dit verdrag vervat, is, voor zooveel noodig, afhankelijk van de vervulling der formaliteiten en regelen, vastgesteld door de Staatswetten van die der verdragsluitende landen, welke gehouden zijn de toepassing daarvan uit te lokken, waaraan zij beloven binnen den kortst mogelijken tijd te voldoen.
Art. 17bis
Het verdrag zal gedurende onbepaalden tijd van kracht blijven, totdat een jaar zal zijn verstreken sedert den dag, waarop het zal zijn opgezegd.
Deze opzegging zal worden gericht tot de Regeering van den Zwitserschen Bond. Zij zal alleen werken met betrekking tot het land, dat haar zal hebben gedaan, blijvende het verdrag verbindend voor de andere verdragsluitende landen.
Art. 18
Deze akte zal worden bekrachtigd, en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd te 's-Gravenhage, uiterlijk den eersten Mei 1928. Zij zal in werking treden tusschen de landen die haar zullen hebben bekrachtigd, een maand na dien datum. Mocht zij evenwel reeds vroeger door ten minste zes landen bekrachtigd zijn, dan zal zij in werking treden tusschen die landen, een maand nadat hun van de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging door de Regeering van den Zwitserschen Bond kennis is gegeven, en ten aanzien van de landen, die haar vervolgens zullen bekrachtigen, een maand na de kennisgeving van elk dezer bekrachtigingen.
Deze akte zal in de betrekkingen tusschen de landen, die haar zullen hebben bekrachtigd, vervangen het Unieverdrag van Parijs van 1883, herzien te Washington op 2 Juni 1911, en het Slotprotocol, welke van kracht zullen blijven in de betrekkingen met de landen, die deze akte niet zullen hebben bekrachtigd.
Art. 19
Deze akte zal worden geteekend in een enkel exemplaar, hetwelk zal worden neergelegd in de archieven van de Nederlandsche Regeering. Een gewaarmerkt afschrift zal door deze Regeering worden gezonden aan de Regeeringen van de verdragsluitende landen.
En foi de quoi les Plénipotentiaires respectifs ont signé le présent Acte.
Fait à La Haye, en un seul exemplaire, le 6 novembre 1925.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)