Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart

Type Verdrag
Publication 2018-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 25
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Ernstig bezorgd dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de burgerluchtvaart de veiligheid en beveiliging van mensen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtdiensten, luchthavens en luchtverkeer ernstig aantasten en het vertrouwen van de volken van de wereld in het veilige en ordelijke verloop van de burgerluchtvaart voor alle staten ondermijnen;

Erkennend dat nieuwe vormen van bedreigingen gericht tegen de burgerluchtvaart nieuwe gezamenlijke inspanningen en nieuw beleid inzake samenwerking van de staten vereisen; en

Ervan overtuigd dat, teneinde deze bedreigingen beter het hoofd te kunnen bieden, er een urgente behoefte is het juridisch kader voor internationale samenwerking ter voorkoming en bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de burgerluchtvaart te versterken;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

1.

Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:

2.

Aan een strafbaar feit maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk, gebruikmakend van een voorwerp, stof of wapen:

indien een dergelijke daad de veiligheid op die luchthaven in gevaar brengt of in gevaar kan brengen.

3.

Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die:

onder omstandigheden die deze bedreiging geloofwaardig maken.

4.

Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die:

5.

Elke staat die partij is stelt tevens een of beide van de volgende gedragingen strafbaar indien zij opzettelijk zijn gepleegd, ongeacht of een van de in het eerste, tweede of derde lid van dit artikel bedoelde strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd of daartoe daadwerkelijk een poging is gedaan:

Artikel 2

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 3

Elke staat die partij is verbindt zich ertoe zware straffen te stellen op de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten.

Artikel 4

1.

Elke staat die partij is kan, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, de nodige maatregelen nemen om een op zijn grondgebied gevestigde of overeenkomstig zijn recht opgezette rechtspersoon aansprakelijk te kunnen stellen indien een persoon belast met het beheer van of toezicht op die rechtspersoon in die hoedanigheid een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1 heeft gepleegd. Deze aansprakelijkheid kan strafrechtelijk, civielrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn.

2.

Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.

3.

Indien een staat die partij is de noodzakelijke maatregelen neemt om een rechtspersoon aansprakelijk te stellen in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel, tracht hij er op toe te zien dat de toepasselijke strafrechtelijke, civielrechtelijke of bestuursrechtelijke sancties doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. Deze sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.

Artikel 5

1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op luchtvaartuigen gebruikt door de strijdkrachten, de douane of de politie.

2.

In de gevallen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en i, is dit Verdrag, ongeacht of het luchtvaartuig een internationale dan wel een binnenlandse vlucht uitvoert, slechts van toepassing indien:

3.

Onverminderd het tweede lid van dit artikel is dit Verdrag, in de gevallen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en i, eveneens van toepassing indien de dader of de vermeende dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een andere staat dan de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven.

4.

Ten aanzien van de staten die partij zijn genoemd in artikel 15 en in de gevallen genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en i, is dit Verdrag niet van toepassing indien de plaatsen waarnaar in onderdeel a van het tweede lid van dit artikel wordt verwezen zijn gelegen op het grondgebied van eenzelfde staat wanneer die staat een van de staten is waarnaar in artikel 15 wordt verwezen, tenzij het strafbare feit is gepleegd of de dader of de vermeende dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een staat niet zijnde die staat.

5.

In de gevallen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, is dit Verdrag slechts van toepassing indien de luchtverkeersvoorzieningen worden gebruikt voor de internationale luchtvaart.

6.

De bepalingen van het tweede, derde, vierde en vijfde lid van dit artikel zijn eveneens van toepassing in de gevallen bedoeld in het artikel 1, vierde lid.

Artikel 6

1.

Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van staten en individuen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en het internationaal humanitair recht.

2.

De handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht vallen niet onder dit Verdrag, evenmin als de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van het internationaal recht.

3.

De bepalingen van het tweede lid van dit artikel mogen niet zodanig worden uitgelegd dat anderszins wederrechtelijke gedragingen zouden worden gebillijkt of gewettigd of dat vervolging op grond van andere wetten wordt belet.

Artikel 7

Niets in dit Verdrag tast de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van de staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, ondertekend te Londen, Moskou en Washington op 1 juli 1968, het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, ondertekend te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972 of het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993.

Artikel 8

1.

Elke staat die partij is neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten in de volgende gevallen:

2.

Elke staat die partij is kan tevens in de volgende gevallen zijn rechtsmacht vestigen met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten:

3.

Elke staat die partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 1 vervatte strafbare feiten in gevallen waarin de vermeende dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon ingevolge artikel 12 niet uitlevert aan een staat die partij is die met betrekking tot deze strafbare feiten zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met de toepasselijke leden van dit artikel.

4.

Dit Verdrag sluit geen rechtsmacht in strafzaken uit die wordt uitgeoefend in overeenstemming met de nationale wetgeving.

Artikel 9

1.

Een staat die partij is op wiens grondgebied de dader of vermeende dader zich bevindt, neemt deze persoon, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in hechtenis of neemt andere maatregelen ter verzekering van diens aanwezigheid. De inhechtenisneming en andere maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de wetgeving van die staat, maar mogen niet langer duren dan noodzakelijk is voor het instellen van strafvervolging of een uitleveringsprocedure.

2.

Deze staat stelt terstond een voorlopig onderzoek in naar de feiten.

3.

Elke persoon die ingevolge het eerste lid van dit artikel in hechtenis is genomen, wordt in de gelegenheid gesteld zich onmiddellijk in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordiger van de staat waarvan hij onderdaan is.

4.

Wanneer een staat die partij is krachtens dit artikel een persoon in hechtenis heeft genomen, stelt hij de staten die partij zijn die ingevolge artikel 8, eerste lid, hun rechtsmacht hebben gevestigd en ingevolge artikel 21, vierde lid, onderdeel a, hun rechtsmacht hebben gevestigd en de depositaris in kennis hebben gesteld, en, indien hij dit nodig acht, iedere andere belanghebbende staat, in kennis van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zijn detentie rechtvaardigen. De staat die partij is die het voorlopig onderzoek bedoeld in het tweede lid van dit artikel instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mee aan voornoemde staten die partij zijn en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

Artikel 10

De staat die partij is op wiens grondgebied de vermeende dader wordt aangetroffen, is, indien hij deze persoon niet uitlevert, ongeacht of het strafbare feit op zijn grondgebied is gepleegd, in alle gevallen verplicht de zaak voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in het geval van een gewoon strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die staat.

Artikel 11

Iedere persoon die in hechtenis wordt genomen of tegen wie andere maatregelen worden getroffen of een procedure wordt ingesteld op grond van dit Verdrag, wordt een eerlijke behandeling verzekerd, met inbegrip van het genot van alle rechten en waarborgen in overeenstemming met de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan die persoon zich bevindt en de toepasselijke bepalingen van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal recht inzake de rechten van de mens.

Artikel 12

1.

De in artikel 1 bedoelde strafbare feiten worden geacht als uitleveringsdelicten te zijn inbegrepen in alle bestaande uitleveringsverdragen tussen de staten die partij zijn. De staten die partij zijn verplichten zich ertoe de strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in elk uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.

2.

Indien een staat die partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere staat die partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan hij, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als de rechtsgrondslag voor uitlevering wat betreft de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten. Uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte staat voorziet.

3.

Staten die partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte staat voorziet.

4.

Voor uitlevering tussen staten die partij zijn wordt elk van de strafbare feiten beschouwd als niet alleen begaan op de plaats waar het is gepleegd, maar ook op het grondgebied van de staten die partij zijn die hun rechtsmacht dienen te vestigen in overeenstemming met artikel 8, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, en die hun rechtsmacht hebben gevestigd in overeenstemming met artikel 8, tweede lid.

5.

Voor uitlevering tussen staten die partij zijn worden de in artikel 1, vijfde lid, onderdelen a en b, bedoelde strafbare feiten als gelijkwaardig beschouwd.

Artikel 13

Geen van de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, aangemerkt als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend strafbaar feit of een strafbaar feit ingegeven door politieke motieven. Bijgevolg mag een verzoek om uitlevering of om wederzijdse rechtshulp op grond van een dergelijk strafbaar feit niet worden geweigerd uitsluitend op grond van het feit dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend strafbaar feit of een strafbaar feit ingegeven door politieke motieven betreft.

Artikel 14

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp zou inhouden, indien de aangezochte staat die partij is ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten of om wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of geslacht of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Artikel 15

De staten die partij zijn die voor het luchtvervoer gemeenschappelijke exploitatie-organisaties of internationale exploitatie-organisaties oprichten, die gebruikmaken van luchtvaartuigen die onderworpen zijn aan gemeenschappelijke of internationale inschrijving, kiezen op passende wijze voor elk luchtvaartuig een staat uit hun midden die de rechtsmacht uitoefent en voor de toepassing van dit Verdrag de bevoegdheden heeft behorend bij een staat waar een luchtvaartuig is ingeschreven. Zij doen daarvan mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, die alle staten die partij zijn van deze mededeling in kennis stelt.

Artikel 16

1.

De staten die partij zijn streven ernaar, overeenkomstig het internationale en nationale recht, alle redelijke maatregelen te nemen om de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten te voorkomen.

2.

Wanneer ten gevolge van het plegen van een van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 1 een vlucht is vertraagd of onderbroken, stelt elke staat die partij is op het grondgebied waarvan het luchtvaartuig, de passagiers of de bemanning zich bevinden, alles in het werk om de passagiers en de bemanning hun reis zo spoedig mogelijk te laten voortzetten en draagt het luchtvaartuig en zijn lading onverwijld over aan de rechthebbenden.

Artikel 17

1.

De staten die partij zijn verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp bij strafrechtelijke procedures ter zake van de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten. In alle gevallen is het recht van de aangezochte staat van toepassing.

2.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel laten verplichtingen uit hoofde van een ander bilateraal of multilateraal verdrag dat wederzijdse rechtshulp in strafzaken geheel of ten dele regelt of zal regelen onverlet.

Artikel 18

Een staat die partij is die redenen heeft te veronderstellen dat een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 zal worden gepleegd, brengt, overeenkomstig zijn nationale recht, alle relevante informatie in zijn bezit ter kennis van die staten die partij zijn die naar zijn mening de in artikel 8, eerste en tweede lid bedoelde staten zijn.

Artikel 19

Elke staat die partij is doet overeenkomstig zijn nationale recht zo spoedig mogelijk mededeling aan de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie inzake alle relevante informatie in zijn bezit betreffende:

Artikel 20

1.

Elk geschil tussen twee of meer staten die partij zijn inzake de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van één van hen voorgelegd voor arbitrage. Indien de partijen er binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van de arbitrage, kan elk van deze partijen het geschil voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.

2.

Elke staat kan, op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het voorgaande lid. De andere staten die partij zijn, zijn niet gebonden door het voorgaande lid ten aanzien van een staat die partij is die een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt.

3.

Een staat die partij is die een voorbehoud heeft gemaakt in overeenstemming met het voorgaande lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de depositaris.

Artikel 21

1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening te Beijing op 10 september 2010 door staten die hebben deelgenomen aan de Diplomatieke Conferentie inzake veiligheid van de luchtvaart, gehouden te Beijing van 30 augustus tot 10 september 2010. Na 27 september 2010 staat het Verdrag open voor ondertekening door alle staten op het hoofdkwartier van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie te Montreal totdat het in overeenstemming met artikel 22 in werking treedt.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Internationale Burgerluchtvaarorganisatie, die hierbij wordt aangewezen als depositaris.

3.

Elke staat die dit Verdrag niet bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde toetreden tot het Verdrag. De akte van toetreding dient te worden nedergelegd bij de depositaris.

4.

Elke staat die partij is die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of toetreedt tot dit Verdrag:

Artikel 22

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.

Ten aanzien van iedere staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of toetreedt tot het Verdrag na de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van de nederlegging door de betreffende staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

3.

Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt het door de depositaris bij de Verenigde Naties geregistreerd.

Artikel 23

1.

Elke staat die partij is kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2.

De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de depositaris.

Artikel 24

In de betrekkingen tussen de staten die partij zijn heeft dit Verdrag voorrang boven de volgende instrumenten:

Artikel 25

De depositaris stelt alle staten die partij zijn bij dit Verdrag en alle ondertekenende of toetredende staten bij dit Verdrag onverwijld in kennis van de datum van elke ondertekening, de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging, goedkeuring, aanvaarding of toetreding, de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en alle overige relevante informatie.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, having been duly authorized, have signed this Convention.

DONE at Beijing on the tenth day of September of the year Two Thousand and Ten in the English, Arabic, Chinese, French, Russian and Spanish languages, all texts being equally authentic, such authenticity to take effect upon verification by the Secretariat of the Conference under the authority of the President of the Conference within ninety days hereof as to the conformity of the texts with one another. This Convention shall remain deposited in the archives of the International Civil Aviation Organization, and certified copies thereof shall be transmitted by the Depositary to all Contracting States to this Convention.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)