Verdrag van Minamata inzake kwik

Type Verdrag
Publication 2025-04-25
Laatst bijgewerkt 2026-05-23
State In force
Source BWB
artikelen 63
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De partijen bij dit Verdrag,

Erkennend dat kwik een chemische stof is die mondiaal reden geeft tot bezorgdheid vanwege de verspreiding ervan over lange afstand in de atmosfeer, persistente aanwezigheid ervan in het milieu na de antropogene introductie, de mogelijkheid tot bioaccumulatie ervan in ecosystemen en de aanzienlijke schadelijke gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu,

Herinnerend aan besluit 25/5 van 20 februari 2009 van de Beheerraad van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties om de aanzet te geven tot internationale actie om kwik op efficiënte, effectieve en samenhangende wijze te beheren,

Herinnerend aan paragraaf 221 van het slotdocument „The future we want” van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling waarin werd opgeroepen tot succesvolle afronding van de onderhandelingen over een mondiaal, juridisch bindend instrument inzake kwik teneinde de gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu aan te pakken,

Herinnerend aan de herbevestiging door de Conferentie van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling van de beginselen van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, met inbegrip van onder meer gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en erkennend de onderscheiden omstandigheden en mogelijkheden van staten en de noodzaak van wereldwijde actie,

Zich bewust van de gezondheidsproblemen, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, als gevolg van de blootstelling aan kwik van kwetsbare bevolkingsgroepen, met name vrouwen, kinderen, en, via hen, toekomstige generaties,

Gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van arctische ecosystemen en inheemse gemeenschappen vanwege de biomagnificatie van kwik en de verontreiniging van traditioneel voedsel en bezorgd zijnde over de inheemse gemeenschappen meer in het algemeen vanwege de gevolgen van kwik,

Erkennend gezien de belangrijke lessen van de Minamataziekte, met name de ernstige gezondheids- en milieueffecten van kwikverontreiniging en de noodzaak ervoor te zorgen dat kwik op de juiste wijze wordt beheerd en dat dergelijke gebeurtenissen in de toekomst worden voorkomen,

Het belang benadrukkend van financiële, technische en technologische ondersteuning en capaciteitsopbouw, met name voor ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie, teneinde de nationale mogelijkheden om kwik te beheren te versterken en de effectieve uitvoering van het Verdrag te bevorderen,

Tevens de activiteiten van de Wereldgezondheidsorganisatie ter bescherming van de menselijke gezondheid tegen kwik en de rol van relevante multilaterale milieuverdragen erkennend, in het bijzonder het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan en het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel,

Erkennend dat dit Verdrag en andere internationale verdragen op het gebied van milieu en handel elkaar ondersteunen,

Benadrukkend dat niets in dit Verdrag bedoeld is om de rechten en verplichtingen van partijen die voortvloeien uit bestaande internationale verdragen aan te tasten,

In het besef dat met bovenstaande overweging niet beoogd wordt een hiërarchie aan te brengen tussen dit Verdrag en andere internationale instrumenten,

Vaststellend dat niets in dit Verdrag een partij belet aanvullende nationale maatregelen te nemen die verenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag bij inspanningen om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen blootstelling aan kwik in overeenstemming met de overige verplichtingen van die partij uit hoofde van het toepasselijke internationale recht,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Doelstelling

Dit Verdrag heeft tot doel de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen antropogene emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

Artikel 3. Bronnen voor het aanbod aan kwik en de handel erin

1.

Voor de toepassing van dit artikel:

2.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op:

3.

Geen van de partijen staat primaire kwikmijnbouw toe die niet reeds op haar grondgebied plaatsvond op de datum waarop het Verdrag ten aanzien van haar in werking trad.

4.

Elke partij staat uitsluitend primaire kwikmijnbouw toe die reeds op haar grondgebied plaatsvond op de datum waarop het Verdrag voor haar in werking trad tot een termijn van ten hoogste vijftien jaar na deze datum. Gedurende deze termijn wordt het bij deze mijnbouw gewonnen kwik uitsluitend gebruikt bij de vervaardiging van kwikhoudende producten in overeenstemming met artikel 4, of bij productieprocessen in overeenstemming met artikel 5, of verwijderd in overeenstemming met artikel 11, zonder handelwijzen die leiden tot terugwinning, hergebruik, recuperatie, direct hergebruik of alternatief gebruik.

5.

Elke partij:

6.

Geen van de partijen staat de export van kwik toe, uitgezonderd:

7.

Voor de schriftelijke toestemming die ingevolge het zesde lid vereist is kan een exporterende partij zich baseren op een algemene kennisgeving aan het Secretariaat door de importerende partij of staat die geen partij is. In deze algemene kennisgeving staan de voorwaarden vermeld waaronder de importerende partij of staat die geen partij is toestemming verleent. De kennisgeving kan te allen tijde door deze partij of staat die geen partij is worden ingetrokken. Het Secretariaat houdt een openbaar register bij van al deze kennisgevingen.

8.

Geen van de partijen staat de import van kwik toe uit een staat die geen partij is waaraan zij haar schriftelijke toestemming zal verlenen, tenzij de staat die geen partij is een verklaring heeft overgelegd dat het kwik niet afkomstig is uit bronnen die ingevolge artikel 3 of artikel 5, onderdeel b, als niet toegestaan worden aangemerkt.

9.

Een partij die ingevolge het zevende lid een algemene kennisgeving van toestemming indient, kan beslissen het achtste lid niet toe te passen, mits zij uitgebreide beperkingen blijft stellen aan de export van kwik en nationale maatregelen heeft genomen om te waarborgen dat geïmporteerd kwik op milieuverantwoorde wijze wordt beheerd. De partij verstrekt het Secretariaat een kennisgeving van deze beslissing, met inbegrip van informatie over haar exportbeperkingen en nationale regelgevende maatregelen, alsmede informatie over de hoeveelheden en de landen van herkomst van kwik dat wordt geïmporteerd uit staten die geen partij zijn. Het Secretariaat houdt een openbaar register bij van al deze kennisgevingen. Het Comité Uitvoering en Naleving toetst en evalueert deze kennisgevingen en ondersteunende informatie in overeenstemming met artikel 15 en kan, in voorkomend geval, aanbevelingen doen aan de Conferentie van de partijen.

10.

De in het negende lid vervatte procedure kan worden gevolgd tot de afsluiting van de tweede vergadering van de Conferentie van de partijen. Daarna kan de procedure niet meer worden gevolgd, tenzij de Conferentie van de partijen bij eenvoudige meerderheid van de aanwezige partijen die hun stem uitbrengen anders beslist, behalve ten aanzien van een partij die voor het einde van de tweede vergadering van de Conferentie van de partijen een kennisgeving ingevolge het negende lid heeft verstrekt.

11.

In de verslagen die elke partij ingevolge artikel 21 indient wordt informatie opgenomen waaruit blijkt dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

12.

De Conferentie van de partijen verstrekt tijdens haar eerste vergadering nadere richtlijnen met betrekking tot dit artikel, met name ten aanzien van het vijfde lid, onderdeel a, het zesde en achtste lid, en stelt de vereiste inhoud op van de in het zesde lid, onderdeel b, en achtste lid, bedoelde verklaring en neemt deze aan.

13.

De Conferentie van de partijen evalueert of de handel in bepaalde kwikverbindingen de doelstelling van dit Verdrag in gevaar brengt en bestudeert of het zesde en achtste lid van toepassing dienen te worden op bepaalde kwikverbindingen door deze op te nemen in een aanvullende bijlage die in overeenstemming met artikel 27 wordt aangenomen.

Artikel 4. Kwikhoudende producten

1.

Elk van de partijen zorgt er door het nemen van passende maatregelen voor dat de productie, import of export van kwikhoudende producten vermeld in Deel I van Bijlage A niet is toegestaan na de voor die producten gespecificeerde datum van uitfasering, behalve wanneer er een uitzondering is gespecificeerd in Bijlage A of wanneer de partij een geregistreerde vrijstelling ingevolge artikel 6 heeft.

2.

Een partij kan, als alternatief voor het eerste lid, op het tijdstip van bekrachtiging of zodra een wijziging van Bijlage A voor haar in werking treedt, aangeven dat zij andere maatregelen of strategieën uitvoert om de in Deel I van Bijlage A vermelde producten aan te pakken. Een partij kan uitsluitend voor dit alternatief kiezen, indien zij kan aantonen dat zij de productie, import en export van het overgrote deel van de in Deel I van Bijlage A vermelde producten reeds tot een „de-minimis”-niveau heeft teruggebracht en dat zij maatregelen of strategieën heeft ingevoerd om het gebruik van kwik in aanvullende, niet in Deel I van Bijlage A vermelde producten te verminderen op het moment waarop de partij het Secretariaat in kennis stelt van haar beslissing van dit alternatief gebruik te maken. Een partij die voor dit alternatief kiest, dient daarnaast:

Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag toetst de Conferentie van de partijen, als onderdeel van de toetsingsprocedure ingevolge het achtste lid, de voortgang en effectiviteit van de ingevolge dit lid genomen maatregelen.

3.

Elke partij neemt maatregelen voor kwikhoudende producten vermeld in Deel II van Bijlage A in overeenstemming met de daarin vervatte bepalingen.

4.

Het Secretariaat verzamelt en houdt op basis van door de partijen verstrekte informatie, informatie bij over kwikhoudende producten en hun alternatieven en stelt deze informatie algemeen beschikbaar. Het Secretariaat stelt ook andere relevante informatie die door de partijen is ingediend algemeen beschikbaar.

5.

Elke partij neemt maatregelen om te voorkomen dat kwikhoudende producten waarvan de productie, import en export ingevolge dit artikel niet zijn toegestaan, worden opgenomen in samengestelde producten.

6.

Elke partij ontmoedigt de productie en commerciële distributie van kwikhoudende producten die niet vallen onder het gebruik van kwikhoudende producten zoals dat tot op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij bekend was, tenzij een beoordeling van de risico’s en voordelen van het product aantoont dat het product voordelen voor het milieu en de menselijke gezondheid oplevert. De partijen voorzien het Secretariaat, in voorkomend geval, van informatie over een dergelijk product, met inbegrip van informatie over de risico’s en voordelen voor het milieu en de menselijke gezondheid van dit product. Het Secretariaat stelt deze informatie algemeen beschikbaar.

7.

Elke partij kan bij het Secretariaat een voorstel indienen voor het vermelden in Bijlage A van een kwikhoudend product, met inbegrip van informatie over de beschikbaarheid, technische en economische haalbaarheid en risico’s en voordelen voor het milieu en de gezondheid van de kwikvrije alternatieven voor het product, rekening houdend met informatie ingevolge het vierde lid.

8.

Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag toetst de Conferentie van de partijen Bijlage A en kan zij wijzigingen van die Bijlage in overweging nemen in overeenstemming met artikel 27.

9.

Bij de toetsing van Bijlage A overeenkomstig het achtste lid houdt de Conferentie van de partijen ten minste rekening met:

Artikel 5. Productieprocessen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt

1.

Voor de toepassing van dit artikel en Bijlage B omvatten productieprocessen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt geen processen waarbij gebruik wordt gemaakt van kwikhoudende producten, processen voor het vervaardigen van kwikhoudende producten of processen waarbij kwikhoudend afval wordt verwerkt.

2.

Elke partij zorgt er door het nemen van passende maatregelen voor dat het gebruik van kwik of kwikverbindingen bij de in Deel I van Bijlage B vermelde productieprocessen niet is toegestaan na de in die bijlage gespecificeerde datum van uitfasering voor de individuele processen, tenzij de partij een geregistreerde vrijstelling ingevolge artikel 6 heeft.

3.

Elke partij neemt maatregelen om het gebruik van kwik of kwikverbindingen bij de in Deel II van Bijlage B vermelde processen te beperken in overeenstemming met de daarin vervatte bepalingen.

4.

Het Secretariaat verzamelt, op basis van door de partijen verstrekte informatie, informatie over processen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt en hun alternatieven, houdt deze bij en stelt deze informatie algemeen beschikbaar. De partijen kunnen ook andere relevante informatie indienen, die door het Secretariaat algemeen beschikbaar wordt gesteld.

5.

Elke partij met een of meer faciliteiten waar kwik of kwikverbindingen worden gebruikt bij de in Bijlage B vermelde productieprocessen:

Het Secretariaat stelt deze informatie algemeen beschikbaar.

6.

Geen van de partijen staat toe dat een faciliteit die niet bestond voor de datum waarop het Verdrag voor haar in werking trad kwik of kwikverbindingen gebruikt bij de in Bijlage B vermelde productieprocessen. Voor deze faciliteiten gelden geen vrijstellingen.

7.

Elke partij ontmoedigt de ontwikkeling van faciliteiten die een ander productieproces gebruiken waarbij bewust kwik of kwikverbindingen worden gebruikt dat niet bestond voor de datum van inwerkingtreding van het Verdrag, tenzij de partij ten genoegen van de Conferentie van de partijen kan aantonen dat het productieproces aanzienlijke voordelen voor milieu en gezondheid biedt en dat er geen technisch en economisch haalbare kwikvrije alternatieven beschikbaar zijn die dezelfde voordelen bieden.

8.

De partijen worden aangemoedigd informatie uit te wisselen over relevante nieuwe technologische ontwikkelingen, economisch en technisch haalbare kwikvrije alternatieven en mogelijke maatregelen en technieken voor het verminderen en waar mogelijk beëindigen van het gebruik van kwik en kwikverbindingen in, en emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen bij, de in Bijlage B vermelde productieprocessen.

9.

Elke partij kan een voorstel tot wijziging van Bijlage B indienen voor vermelding van een productieproces waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt. Het voorstel omvat informatie over de beschikbaarheid, technische en economische haalbaarheid en risico’s en voordelen voor milieu en gezondheid van de kwikvrije alternatieven voor het proces.

10.

Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag toetst de Conferentie van de partijen Bijlage B en kan zij wijzigingen van die Bijlage in overweging nemen in overeenstemming met artikel 27.

11.

Bij toetsing van Bijlage B ingevolge het tiende lid, houdt de Conferentie van de partijen ten minste rekening met:

Artikel 6. Vrijstellingen die partijen kunnen aanvragen

1.

Elke staat of regionale organisatie voor economische integratie kan een of meer vrijstellingen van de in Bijlage A en Bijlage B vermelde data van uitfasering, hierna te noemen „vrijstelling”, registreren door het Secretariaat hiervan schriftelijk in kennis te stellen:

Deze registratie gaat vergezeld van een verklaring waarin de partij toelicht waarom vrijstelling nodig is.

2.

Een vrijstelling kan worden geregistreerd voor een in Bijlage A of B vermelde categorie of voor een subcategorie die door een staat of regionale organisatie voor economische integratie wordt geïdentificeerd.

3.

Elke partij met een of meer vrijstellingen wordt in een register opgenomen. Het Secretariaat legt het register aan, houdt het bij en stelt het algemeen beschikbaar.

4.

Het register omvat:

5.

Tenzij een partij in het register een kortere termijn heeft aangegeven, verstrijken alle vrijstellingen ingevolge het eerste lid vijf jaar na de betreffende datum van uitfasering vermeld in Bijlage A of B.

6.

De Conferentie van de partijen kan, op verzoek van een partij, beslissen een vrijstelling met vijf jaar te verlengen, tenzij de partij om een kortere termijn verzoekt. Bij haar beslissing houdt de Conferentie van de partijen terdege rekening met het volgende:

Een vrijstelling kan slechts eenmaal per product met ingang van de datum van uitfasering worden verlengd.

7.

Een partij kan een vrijstelling te allen tijde intrekken door middel van een schriftelijke kennisgeving aan het Secretariaat.

De intrekking van een vrijstelling wordt van kracht op de datum vermeld in de kennisgeving.

8.

Niettegenstaande het eerste lid mag geen enkele staat of regionale organisatie voor economische integratie na vijf jaar na de datum van uitfasering van het betreffende in Bijlage A of B vermeld product of proces een vrijstelling laten registreren, tenzij voor een of meer partijen een vrijstelling voor dat product of proces geregistreerd blijft, na ingevolge het zesde lid een verlenging te hebben gekregen. In dat geval kan een staat of regionale organisatie voor economische integratie, op de tijdstippen vervat in het eerste lid, in de onderdelen a en b, een vrijstelling voor dat product of proces laten registreren, die tien jaar na de betreffende datum van uitfasering verstrijkt.

9.

Voor geen van de partijen mag op enig moment na het verstrijken van tien jaar na de datum van uitfasering een vrijstelling van kracht zijn voor een product of proces vermeld in Bijlage A of B.

Artikel 7. Ambachtelijke en kleinschalige goudwinning

1.

De maatregelen in dit artikel en in Bijlage C zijn van toepassing op ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking waarbij goud uit erts onttrokken wordt door het met kwik te amalgameren.

2.

Elke partij op het grondgebied waarvan ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking plaatsvinden waarop dit artikel van toepassing is, neemt maatregelen om het gebruik van kwik en kwikverbindingen en emissies en lozingen in het milieu als gevolg van deze winning en verwerking te verminderen, en waar mogelijk, te beëindigen.

3.

Indien een partij op enig moment vaststelt dat de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking op haar grondgebied niet onbetekenend zijn, stelt zij het Secretariaat hiervan in kennis. In dat geval:

4.

De partijen kunnen met elkaar en met relevante intergouvernementele organisaties en overige instanties samenwerken, in voorkomend geval, om de doelstellingen van dit artikel te verwezenlijken. Deze samenwerking kan bestaan uit:

Artikel 8. Emissies

1.

Dit artikel heeft betrekking op het beheersen en, waar mogelijk, verminderen van de emissies van kwik en kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, in de atmosfeer door maatregelen om de emissies van puntbronnen die vallen onder de in Bijlage D vermelde broncategorieën te beheersen.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

3.

Een partij met relevante bronnen neemt maatregelen om emissies te beheersen en kan een nationaal plan opstellen waarin de maatregelen worden beschreven die worden genomen om emissies te beheersen en de verwachte streefcijfers, doelstellingen en uitkomsten. De plannen worden ingediend bij de Conferentie van de partijen binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij. Indien een partij een uitvoeringsplan ontwikkelt in overeenstemming met artikel 20, kan de partij daarin het plan dat ingevolge dit lid is opgesteld opnemen.

4.

Voor haar nieuwe bronnen eist elke partij het gebruik van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken om emissies te beheersen en, wanneer mogelijk, te verminderen, zo snel als praktisch uitvoerbaar is maar uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor die partij in werking is getreden. Een partij kan emissiegrenswaarden hanteren die in overeenstemming zijn met de toepassing van de beste beschikbare technieken.

5.

Voor haar bestaande bronnen neemt elke partij een of meer van de volgende maatregelen op in haar nationale plannen, en voert deze uit, rekening houdend met haar nationale omstandigheden en de economische en technische haalbaarheid en betaalbaarheid van de volgende maatregelen, zo snel als praktisch uitvoerbaar is maar uiterlijk tien jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking is getreden:

6.

De partijen kunnen dezelfde maatregelen toepassen op alle bestaande relevante bronnen of andere maatregelen aannemen ten aanzien van elke broncategorie. Het doel van door een partij toegepaste maatregelen is redelijke vooruitgang te boeken met het in de loop der tijd verminderen van emissies.

7.

Elke partij stelt, zo snel als praktisch mogelijk is en uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt, een inventaris op van de emissies uit relevante bronnen en houdt deze daarna bij.

8.

De Conferentie van de partijen neemt tijdens haar eerste vergadering richtlijnen aan voor:

9.

De Conferentie van de partijen neemt, zo snel als praktisch mogelijk is, richtlijnen aan voor:

10.

De Conferentie van de partijen toetst regelmatig de ingevolge het achtste en negende lid ontwikkelde richtlijnen en actualiseert deze indien nodig. De partijen nemen deze richtlijnen in acht bij het uitvoeren van de relevante bepalingen van dit artikel.

11.

Elke partij neemt informatie over de tenuitvoerlegging van dit artikel op in de verslagen die zij ingevolge artikel 21 indient, met name informatie over de maatregelen die zij genomen heeft in overeenstemming met het vierde tot en met het zevende lid en de effectiviteit van de maatregelen.

Artikel 9. Lozingen

1.

Dit artikel heeft betrekking op het beheersen en, waar mogelijk, verminderen van lozingen van kwik en kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, in de bodem en het water door relevante puntbronnen die niet in andere bepalingen van dit Verdrag aan de orde komen.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

3.

Elke partij identificeert uiterlijk drie jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt en daarna op regelmatige basis, de relevante categorieën puntbronnen.

4.

Een partij met relevante bronnen neemt maatregelen om lozingen te beheersen en kan een nationaal plan opstellen waarin de maatregelen worden beschreven die worden genomen om lozingen te beheersen en de verwachte streefcijfers, doelstellingen en uitkomsten. De plannen worden ingediend bij de Conferentie van de partijen binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij. Indien een partij een uitvoeringsplan ontwikkelt in overeenstemming met artikel 20, kan de partij daarin het plan dat ingevolge dit lid is opgesteld opnemen.

5.

De maatregelen omvatten, in voorkomend geval, een of meer van de volgende:

6.

Elke partij stelt, zo snel als praktisch mogelijk is en uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt, een inventaris op van de lozingen uit relevante bronnen en houdt deze daarna bij.

7.

De Conferentie van de partijen neemt, zo snel als praktisch mogelijk is, richtlijnen aan voor:

8.

Elke partij neemt informatie over de toepassing van dit artikel op in de verslagen die zij ingevolge artikel 21 indient, met name informatie over de maatregelen die zij genomen heeft in overeenstemming met het derde tot en met het zesde lid en de effectiviteit van de maatregelen.

Artikel 10. Milieuverantwoorde tijdelijke opslag van kwik, anders dan kwikafval

1.

Dit artikel heeft betrekking op de tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen zoals omschreven in artikel 3 die niet vallen onder de begripsomschrijving van kwikafval zoals vervat in artikel 11.

2.

Elke partij neemt maatregelen om te waarborgen dat de tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen, bestemd voor een gebruik dat de partij ingevolge dit Verdrag is toegestaan, op milieuverantwoorde wijze wordt uitgevoerd, met inachtneming van de richtlijnen en in overeenstemming met vereisten die ingevolge het derde lid worden aangenomen.

3.

De Conferentie van de partijen neemt richtlijnen aan voor de milieuverantwoorde tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen, met inachtneming van de relevante richtlijnen die zijn opgesteld ingevolge het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan en andere relevante richtlijnen. De Conferentie van de partijen kan vereisten voor tijdelijke opslag aannemen in een aanvullende bijlage bij dit Verdrag in overeenstemming met artikel 27.

4.

De partijen werken in voorkomend geval met elkaar en met relevante intergouvernementele organisaties en andere instellingen samen om de capaciteit te versterken voor de milieuverantwoorde tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen.

Artikel 11. Kwikafval

1.

Voor de partijen bij het Verdrag van Bazel zijn de relevante begripsomschrijvingen van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan van toepassing op het afval waarop dit Verdrag van toepassing is. De partijen bij dit Verdrag die geen partij zijn bij het Verdrag van Bazel gebruiken deze begripsomschrijvingen als richtlijn voor het afval waarop dit Verdrag van toepassing is.

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder kwikafval verstaan, stoffen of voorwerpen die:

3.

Elke partij neemt passende maatregelen opdat het kwikafval:

4.

De Conferentie van de partijen streeft naar nauwe samenwerking met de ter zake bevoegde lichamen van het Verdrag van Bazel bij het toetsen en actualiseren, in voorkomend geval, van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde richtlijnen.

5.

De partijen worden aangemoedigd met elkaar en met relevante intergouvernementele organisaties en andere entiteiten, in voorkomend geval, samen te werken bij het ontwikkelen en in stand houden van mondiale, regionale en nationale capaciteit voor milieuverantwoord beheer van kwikafval.

Artikel 12. Verontreinigde locaties

1.

Elke partij streeft ernaar passende strategieën te ontwikkelen voor het identificeren en beoordelen van locaties die verontreinigd zijn met kwik of kwikverbindingen.

2.

Maatregelen om de risico’s die dergelijke locaties opleveren te beperken worden op milieuverantwoorde wijze uitgevoerd en omvatten, waar nodig, een beoordeling van de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu van het kwik of de kwikverbindingen die erin aanwezig zijn.

3.

De Conferentie van de partijen neemt richtlijnen aan voor het beheren van verontreinigde locaties waarin de volgende methoden en handelwijzen kunnen zijn opgenomen:

4.

De partijen worden aangemoedigd samen te werken bij het ontwikkelen van strategieën en het implementeren van activiteiten voor het identificeren, beoordelen, prioriteren, beheren en, in voorkomend geval, saneren van verontreinigde locaties.

Artikel 13. Financiële middelen en financieringsmechanisme

1.

Elke partij verplicht zich waar dat tot haar mogelijkheden behoort te voorzien in middelen ten behoeve van die nationale activiteiten die bedoeld zijn om dit Verdrag uit te voeren, in overeenstemming met haar nationale beleid, prioriteiten, plannen en programma’s. Dergelijke middelen kunnen nationale financiering door relevant beleid, ontwikkelingsstrategieën en nationale budgetten omvatten en bilaterale en multilaterale financiering, alsmede betrokkenheid van de particuliere sector.

2.

De algehele effectiviteit van de uitvoering van dit Verdrag door partijen die ontwikkelingslanden zijn hangt samen met de effectieve uitvoering van dit artikel.

3.

Multilaterale, regionale en bilaterale bronnen die voorzien in financiële en technische bijstand, alsmede capaciteitsopbouw en technologieoverdracht, worden met klem aangemoedigd hun activiteiten inzake kwik te verbeteren en uit te breiden ter ondersteuning van partijen die ontwikkelingslanden zijn bij de uitvoering van dit Verdrag wat betreft financiële bronnen, technische bijstand en technologieoverdracht.

4.

De partijen houden bij hun activiteiten omtrent de financiering ten volle rekening met de specifieke behoeften en speciale omstandigheden van partijen die kleine eilandstaten in ontwikkeling of minst ontwikkelde landen zijn.

5.

Hierbij wordt een mechanisme ingesteld dat tijdig voorziet in toereikende en voorspelbare financiële middelen. Het mechanisme dient partijen die ontwikkelingslanden zijn en partijen met een overgangseconomie te ondersteunen bij de uitvoering van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

6.

Het mechanisme omvat:

7.

Het Global Environment Facility Trust Fund verstrekt tijdig nieuwe, voorspelbare en toereikende financiële middelen ter dekking van kosten voor de invoering van dit Verdrag zoals overeengekomen door de Conferentie van de partijen. Voor de toepassing van dit Verdrag functioneert het Global Environment Facility Trust Fund onder leiding van de Conferentie van de partijen, waaraan zij verantwoording aflegt. De Conferentie van de partijen verstrekt richtlijnen voor de algemene strategieën, beleidsvoornemens, programmaprioriteiten en voorwaarden voor de toegang tot en gebruik van financiële middelen. Daarnaast verstrekt de Conferentie van de partijen richtlijnen voor een indicatieve lijst van categorieën van activiteiten waarvoor steun uit het Global Environment Facility Trust Fund zou kunnen worden verleend. Het Global Environment Facility Trust Fund verstrekt middelen om de overeengekomen meerkosten van de mondiale milieuvoordelen en de overeengekomen volledige kosten van sommige faciliterende activiteiten te dekken.

8.

Bij het verstrekken van middelen voor een activiteit dient het Global Environment Facility Trust Fund rekening te houden met de potentiële kwikreducties van een voorgestelde activiteit ten opzichte van de kosten ervan.

9.

Voor de toepassing van dit Verdrag functioneert het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde programma onder de leiding van de Conferentie van de partijen, waaraan zij verantwoording aflegt. De Conferentie van de partijen beslist tijdens haar eerste vergadering welk instituut, hetgeen een bestaande entiteit dient te zijn, gastheer van het programma is en verstrekt dit instituut hieromtrent richtlijnen, waaronder over de duur van het programma. Alle partijen en andere relevante belanghebbenden worden uitgenodigd op vrijwillige basis financiële middelen ter beschikking te stellen van het programma.

10.

De Conferentie van de partijen en de entiteiten die het mechanisme vormen, komen tijdens de eerste vergadering van de Conferentie van de partijen regelingen overeen voor de uitvoering van de bovenstaande leden.

11.

De Conferentie van de partijen toetst, uiterlijk tijdens haar derde vergadering en daarna op regelmatige basis, het financieringsniveau, de richtlijnen van de Conferentie van de partijen voor de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van het ingevolge dit artikel ingestelde mechanisme en de effectiviteit daarvan, en hun vermogen in te spelen op de veranderende behoeften van partijen die ontwikkelingslanden zijn en partijen met een overgangseconomie. De Conferentie van de partijen neemt op basis van deze toetsing passende maatregelen om de effectiviteit van het mechanisme te verbeteren.

12.

Alle partijen worden uitgenodigd, binnen hun mogelijkheden, bij te dragen aan het mechanisme. Met het mechanisme wordt het verstrekken van middelen uit andere bronnen, waaronder de particuliere sector, aangemoedigd en beoogd wordt hiermee nieuwe middelen aan te trekken voor de ondersteunde activiteiten.

Artikel 14. Capaciteitsopbouw, technische bijstand en technologieoverdracht

1.

De partijen werken samen om, binnen hun respectieve mogelijkheden, te voorzien in tijdige en passende capaciteitsopbouw en technische bijstand voor partijen die ontwikkelingslanden zijn, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, en partijen met een overgangseconomie, om hen bij te staan bij het uitvoeren van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

2.

Capaciteitsopbouw en technische bijstand ingevolge het eerste lid en artikel 13 kan plaatsvinden via regionale, subregionale en nationale regelingen, met inbegrip van bestaande regionale en subregionale centra, via andere multilaterale en bilaterale middelen en via partnerschappen, met inbegrip van partnerschappen waarbij de particuliere sector betrokken is. Samenwerking en coördinatie in het kader van andere multilaterale milieuverdragen op het gebied van chemicaliën en afval dienen te worden nagestreefd om de effectiviteit en de verlening van technische bijstand te verbeteren.

3.

De partijen die ontwikkelde landen zijn en andere partijen bevorderen en vergemakkelijken binnen hun mogelijkheden, in voorkomend geval met steun van de particuliere sector en andere relevante belanghebbenden, de ontwikkeling, overdracht en verspreiding van, en toegang tot, actuele milieuverantwoorde alternatieve technologieën ten behoeve van partijen die ontwikkelingslanden zijn, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, en partijen met een overgangseconomie, om hun capaciteit voor de effectieve uitvoering van dit Verdrag te versterken.

4.

De Conferentie van de partijen zal voor haar tweede vergadering en daarna op regelmatige basis, en rekening houdend met inzendingen en verslagen van partijen, met inbegrip van de in artikel 21 voorziene verslagen en informatie verstrekt door andere belanghebbenden:

5.

De Conferentie van de partijen doet aanbevelingen over hoe de capaciteitsopbouw, technische bijstand en technologieoverdracht verder kunnen worden verbeterd ingevolge dit artikel.

Artikel 15. Comité Uitvoering en Naleving

1.

Hierbij wordt een mechanisme, met inbegrip van een comité als hulporgaan van de Conferentie van de partijen, ingesteld ter bevordering van de uitvoering van alle bepalingen van dit Verdrag en de toetsing van de naleving ervan. Het mechanisme, met inbegrip van het comité, is faciliterend van aard en heeft bijzondere aandacht voor de respectieve nationale capaciteiten en de omstandigheden van de partijen.

2.

Het comité bevordert de uitvoering van alle bepalingen van dit Verdrag en toetst de naleving ervan. Het comité onderzoekt zowel individuele als systemische kwesties omtrent uitvoering en naleving en doet, in voorkomend geval, aanbevelingen aan de Conferentie van de partijen.

3.

Het comité bestaat uit 15 leden, voorgedragen door de partijen en gekozen door de Conferentie van de partijen, waarbij een billijke geografische spreiding op basis van de vijf regio’s van de Verenigde Naties naar behoren in acht wordt genomen; de eerste leden worden gekozen tijdens de eerste vergadering van de Conferentie van de partijen en daarna in overeenstemming met het reglement van orde dat ingevolge het vijfde lid door de Conferentie van de partijen wordt goedgekeurd; de leden van het comité beschikken over competenties op voor dit Verdrag relevante gebieden met een goede balans tussen de verschillende terreinen van deskundigheid.

4.

Het comité kan zich buigen over kwesties op basis van:

5.

Het comité stelt zijn reglement van orde op, dat dient te worden goedgekeurd door de tweede vergadering van de Conferentie van de partijen; de Conferentie van de partijen kan het mandaat van het comité verder uitbreiden.

6.

Het comité stelt alles in het werk om aanbevelingen aan te nemen op basis van consensus. Indien alle middelen om consensus te bereiken uitgeput zijn zonder dat deze bereikt is, kunnen deze aanbevelingen in laatste instantie worden aangenomen met een meerderheid van drie vierden van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen op basis van een quorum van twee derden van de leden.

Artikel 16. Gezondheidsaspecten

1.

De partijen worden aangemoedigd:

2.

De Conferentie van de partijen dient bij het bestuderen van gezondheidsgerelateerde kwesties of activiteiten:

Artikel 17. Uitwisseling van informatie

1.

Elke partij vergemakkelijkt de uitwisseling van:

2.

De partijen kunnen de in het eerste lid bedoelde informatie rechtstreeks, via het Secretariaat, of in samenwerking met andere relevante organisaties uitwisselen, met inbegrip van de secretariaten van verdragen op het gebied van chemicaliën en afval, in voorkomend geval.

3.

Het Secretariaat vergemakkelijkt samenwerking bij de uitwisseling van de in dit artikel bedoelde informatie, alsmede met andere relevante organisaties, met inbegrip van de secretariaten van multilaterale milieuverdragen en andere internationale initiatieven. Naast informatie van de partijen, omvat deze informatie ook informatie van intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties met deskundigheid op het gebied van kwik, en van nationale en internationale instellingen met deze deskundigheid.

4.

Elke partij wijst een nationaal contactpunt aan voor de uitwisseling van informatie uit hoofde van dit Verdrag, waaronder met betrekking tot de toestemming van importerende partijen genoemd in artikel 3.

5.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt informatie inzake de gezondheid en veiligheid van de mens en inzake milieu niet als vertrouwelijk aangemerkt. De partijen die andere informatie uitwisselen ingevolge dit Verdrag, beschermen de vertrouwelijke informatie op een door hen onderling overeengekomen wijze.

Artikel 18. Publieke informatie, bewustmaking en voorlichting

1.

Elke partij bevordert en vergemakkelijkt binnen haar mogelijkheden:

2.

Elke partij maakt gebruik van bestaande mechanismen of overweegt de ontwikkeling van mechanismen, zoals registers voor de lozing en overbrenging van vervuilende stoffen, waar van toepassing, voor het verzamelen en verspreiden van informatie over de geraamde jaarlijkse hoeveelheden kwik en kwikverbindingen die worden uitgestoten, geloosd of verwijderd door menselijke activiteiten op haar grondgebied.

Artikel 19. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring

1.

Rekening houdend met hun onderscheidenlijke omstandigheden en mogelijkheden, streven de partijen ernaar samen te werken ten behoeve van het ontwikkelen en verbeteren van:

2.

De partijen dienen, waar nodig, voort te bouwen op bestaande monitoringsnetwerken en onderzoeksprogramma’s bij het uitvoeren van de in het eerste lid genoemde activiteiten.

Artikel 20. Uitvoeringsplannen

1.

Elke partij kan, na een eerste beoordeling, een uitvoeringsplan ontwikkelen en uitvoeren, rekening houdend met haar nationale omstandigheden, om aan de verplichtingen ingevolge dit Verdrag te voldoen. Zodra een dergelijk plan is ontwikkeld, dient het naar het Secretariaat te worden gezonden.

2.

Elke partij kan haar uitvoeringsplan herzien en actualiseren, rekening houdend met haar nationale omstandigheden en gebruikmakend van richtlijnen van de Conferentie van de partijen en andere relevante richtlijnen.

3.

De partijen dienen, bij de werkzaamheden genoemd in het eerste en tweede lid, nationale belanghebbenden te raadplegen om de ontwikkeling, uitvoering, toetsing en actualisering van hun uitvoeringsplannen te vergemakkelijken.

4.

De partijen kunnen ook regionale plannen op elkaar afstemmen om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 21. Verslaglegging

1.

Elke partij brengt via het Secretariaat aan de Conferentie van de partijen verslag uit van de door haar genomen maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag, de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen en de mogelijke uitdagingen bij het bereiken van de doelstellingen van het Verdrag.

2.

Elke partij neemt in haar verslaglegging de informatie op die gevraagd wordt in de artikelen 3, 5, 7, 8 en 9 van dit Verdrag.

3.

Tijdens haar eerste vergadering beslist de Conferentie van de partijen over de tijdstippen waarop en het format waarin de partijen hun verslagen moeten indienen, rekening houdend met de wenselijkheid de verslaglegging te coördineren met andere relevante verdragen op het gebied van chemicaliën en afval.

Artikel 22. Evaluatie van de doeltreffendheid

1.

De Conferentie van de partijen evalueert de doeltreffendheid van dit Verdrag uiterlijk zes jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag en daarna periodiek met een door de Conferentie van de partijen te bepalen regelmaat.

2.

Teneinde de evaluatie te vergemakkelijken initieert de Conferentie van de partijen tijdens haar eerste vergadering het treffen van regelingen teneinde er voor te zorgen dat zij kan beschikken over vergelijkbare monitoringgegevens met betrekking tot de aanwezigheid en de verplaatsing van kwik en kwikverbindingen in het milieu alsmede trends in de concentraties aan kwik en kwikverbindingen die worden aangetroffen in biota en kwetsbare bevolkingsgroepen.

3.

De evaluatie wordt uitgevoerd op basis van beschikbare wetenschappelijke, technische, financiële, economische en milieu-informatie, met inbegrip van:

Artikel 23. Conferentie van de partijen

1.

Hierbij wordt een Conferentie van de partijen ingesteld.

2.

Uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de eerste Conferentie van de partijen bijeengeroepen door de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties. Daarna worden gewone vergaderingen van de Conferentie van de partijen gehouden met een door de Conferentie te bepalen regelmaat.

3.

Buitengewone vergaderingen van de Conferentie van de partijen kunnen op ieder ander tijdstip worden gehouden, indien de Conferentie zulks noodzakelijk acht of op schriftelijk verzoek van een partij, op voorwaarde dat dit verzoek binnen zes maanden nadat het door het Secretariaat aan de partijen is medegedeeld, door ten minste een derde van de partijen wordt gesteund.

4.

Tijdens haar eerste vergadering gaat de Conferentie van de partijen bij consensus over tot goedkeuring en aanneming van een reglement van orde en een financieel reglement voor haarzelf en voor elk door haar in te stellen hulporgaan, alsmede van de financiële bepalingen betreffende het functioneren van het Secretariaat.

5.

De Conferentie van de partijen toetst en evalueert voortdurend de uitvoering van dit Verdrag. Zij vervult de haar op grond van dit Verdrag toegewezen taken en daartoe:

6.

De Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede elke staat die geen partij bij dit Verdrag is, kunnen als waarnemer worden toegelaten tot de vergaderingen van de Conferentie van de partijen. Elke andere instelling of organisatie, nationaal of internationaal, gouvernementeel of niet-gouvernementeel, die bevoegd is op gebieden die onder dit Verdrag vallen, en die aan het Secretariaat de wens te kennen heeft gegeven tijdens een vergadering van de Conferentie van de partijen als waarnemer aanwezig te zijn, kan als zodanig worden toegelaten, tenzij ten minste een derde van de aanwezige partijen hiertegen bezwaar maakt. De toelating en de deelneming van waarnemers worden geregeld in het door de Conferentie van de partijen aangenomen reglement van orde.

Artikel 24. Secretariaat

1.

Hierbij wordt een Secretariaat ingesteld.

2.

Het Secretariaat heeft tot taak:

3.

De secretariaatstaken voor dit Verdrag worden uitgevoerd door de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, tenzij de Conferentie van de partijen met een meerderheid van drie vierden van de aanwezige partijen die hun stem uitbrengen beslist de secretariaatstaken toe te vertrouwen aan één of meer andere internationale organisaties.

4.

De Conferentie van de partijen kan in overleg met relevante internationale instellingen voorzien in intensievere samenwerking en coördinatie tussen het Secretariaat en de secretariaten van andere verdragen inzake chemicaliën en afval. De Conferentie van de partijen kan hierover in overleg met relevante internationale instellingen nadere richtlijnen verstrekken.

Artikel 25. Beslechting van geschillen

1.

Indien tussen partijen een geschil ontstaat betreffende de uitleg of de toepassing van dit Verdrag, trachten de betrokken partijen dit geschil door middel van onderhandelingen of op een andere door henzelf te kiezen vreedzame wijze te regelen.

2.

Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna kan een partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris, verklaren dat zij met betrekking tot een geschil betreffende de uitleg of de toepassing van dit Verdrag één van of beide van de volgende wijzen van geschillenbeslechting als bindend aanvaardt ten aanzien van elke partij die dezelfde verplichting op zich neemt:

3.

Een partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan in overeenstemming met het tweede lid een verklaring van gelijke strekking afleggen met betrekking tot arbitrage.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)