Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Federale Republiek Brazilië inzake luchtvervoer tussen Curaçao en Brazilië

Type Verdrag
Publication 2018-11-26
State In force
Source BWB
artikelen 23
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao,

en

de regering van de Federale Republiek Brazilië (hierna te noemen „de Partijen”);

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld ondertekening te Chicago op 7 december 1944;

Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de regionale en internationale burgerluchtvaart;

Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald:

Artikel 2. Verlening van rechten

1.

Elke Partij verleent de andere Partij de volgende rechten voor het verrichten van luchtvervoer door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij:

2.

De luchtvaartmaatschappijen van elke Partij, anders dan die aangewezen uit hoofde van artikel 4 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag genieten eveneens de rechten die omschreven zijn in het eerste lid, onderdelen a) en b), van dit artikel.

3.

Geen van de bepalingen van dit Verdrag wordt geacht een luchtvaartmaatschappij van een Partij het recht te geven op het grondgebied van de andere Partij passagiers, hun bagage, vracht of post op te nemen die worden vervoerd tegen vergoeding of beloning en bestemd zijn voor een ander punt op het grondgebied van die andere Partij.

Artikel 3. Verandering van luchtvaartuig

1.

Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij kan naar eigen keuze op bepaalde of alle vluchten op de overeengekomen diensten van luchtvaartuig veranderen op het grondgebied van de andere Partij of op enig punt langs de omschreven routes, met dien verstande dat:

2.

Bij verandering van luchtvaartuig kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij gebruikmaken van haar eigen uitrusting en, met inachtneming van de nationale voorschriften, van geleasede uitrusting, en kan zij de exploitatie verrichten overeenkomstig commerciële regelingen met een andere luchtvaartmaatschappij.

3.

Een aangewezen luchtvaartmaatschappij kan verschillende of dezelfde vluchtnummers gebruiken voor de sectoren waarop haar verandering van luchtvaartuig betrekking heeft.

Artikel 4. Aanwijzing en verlening van vergunningen

1.

De Regeringen van de Federale Republiek Brazilië en het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, hebben het recht een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het verrichten van luchtvervoer tussen en via hun grondgebieden in overeenstemming met dit Verdrag en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen. De andere Partij wordt langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis gesteld van dergelijke kennisgevingen.

2.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van een aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen, verleent de andere Partij de desbetreffende vergunningen met een zo gering mogelijke procedurele vertraging, op voorwaarde dat:

3.

Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van een aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen, verlenen de luchtvaartautoriteiten zonder onnodige vertraging de desbetreffende vergunning op voorwaarde dat de aangewezen luchtvaartmaatschappij voldoet aan de bepalingen van het tweede lid van dit artikel.

Artikel 5. Intrekking van vergunningen

1.

Elke Partij kan de exploitatievergunningen van een door de andere Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij intrekken, opschorten of beperken, wanneer:

2.

Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op het eerste lid van dit artikel, worden de in dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de andere Partij.

Dergelijk overleg vindt plaats voor het verstrijken van dertig (30) dagen na het verzoek van een Partij, tenzij beide Partijen anders overeenkomen.

3.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten van de Partijen de exploitatievergunning van een of meerdere luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij in overeenstemming met artikel 8 (Veiligheid van de luchtvaart) te weigeren, in te trekken, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.

Artikel 6. Toepassing van wetten

1.

Bij binnenkomst in, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene Partij dienen de luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij te voldoen aan de wetten en voorschriften van de eerstgenoemde Partij met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met luchtvaartuigen.

2.

Bij binnenkomst in, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene Partij, dienen haar wetten en voorschriften inzake de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning of vracht aan boord van luchtvaartuigen (met inbegrip van voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, veiligheid van de luchtvaart, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine of, in het geval van post, postale voorschriften) te worden nageleefd door of vanwege de passagiers, bemanning of met betrekking tot de vracht van de luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij.

3.

Geen van de Partijen begunstigt haar eigen of een andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van een luchtvaartmaatschappij van de andere Partij die soortgelijke internationale luchtvervoerdiensten verrichten bij de toepassing van haar voorschriften inzake immigratie, douane, quarantaine en soortgelijke voorschriften.

4.

Passagiers, bagage, vracht en post in directe transit worden slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen. Bagage en vracht in directe transit zijn vrijgesteld van douanerechten en andere vergelijkbare rechten.

Artikel 7. Veiligheid

1.

Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen uitgereikt of geldig verklaard door de ene Partij worden ten behoeve van de exploitatie van het luchtvervoer voorzien in dit Verdrag door de andere Partij erkend als geldig en nog van kracht, mits de vereisten voor deze bewijzen of vergunningen ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die kunnen worden vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.

2.

Indien de voorrechten of voorwaarden van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergunningen of bewijzen, afgegeven door de luchtvaartautoriteiten van een Partij aan een persoon of aangewezen luchtvaartmaatschappij of voor een luchtvaartuig dat gebruikt wordt voor de exploitatie van de overeengekomen diensten, een afwijking toestaan van de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen, welke afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), kan de andere Partij verzoeken om overleg tussen de luchtvaartautoriteiten teneinde helderheid te verschaffen over het gebruik in kwestie.

3.

Elke Partij kan voor vluchten boven of landingen op haar grondgebied evenwel weigeren bewijzen van bevoegdheid en vergunningen te erkennen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt of geldig verklaard door de andere Partij.

4.

Elke Partij kan verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door de andere Partij worden gehandhaafd met betrekking tot luchtvaartvoorzieningen, bemanning, luchtvaartuigen en de exploitatie van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.

5.

Indien na dergelijk overleg een Partij oordeelt dat de andere Partij op de gebieden bedoeld in het vierde lid niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen en eisen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago kunnen zijn vastgesteld, stelt de eerstgenoemde Partij de andere Partij in kennis van dit oordeel en de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen, en die andere Partij neemt passende corrigerende maatregelen binnen een overeengekomen termijn. Elke Partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een door de andere Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen te weigeren, in te trekken of te beperken, in het geval de andere Partij nalaat binnen een redelijke termijn passende corrigerende maatregelen te nemen.

6.

Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door of namens een luchtvaartmaatschappij van de ene Partij wordt gebruikt voor diensten naar of vanuit het grondgebied van een andere partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere Partij, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig.

Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag van Chicago wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en die van de bemanning te controleren en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de normen die op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld.

7.

Wanneer onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij behoudt elke Partij zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of van luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij onmiddellijk op te schorten of daarvan af te wijken.

8.

Een maatregel door een Partij in overeenstemming met het zevende lid van dit artikel wordt opgeschort, zodra de aanleiding voor het nemen van die maatregel ophoudt te bestaan.

9.

Onder verwijzing naar het vijfde lid van dit artikel, dient, indien wordt vastgesteld dat een Partij nadat de afgesproken termijn is verstreken nog steeds inbreuk maakt op de ICAO-normen, de secretaris-generaal van de ICAO daarvan in kennis te worden gesteld. De secretaris-generaal dient tevens in kennis te worden gesteld wanneer vervolgens tot een bevredigende oplossing van de situatie is gekomen.

Artikel 8. Veiligheid van de luchtvaart

1.

Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale Recht, bevestigen de Partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging integraal onderdeel uitmaakt van dit Verdrag.

Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de Partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, gedaan te Den Haag op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988 en het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, ondertekend te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart die beide Partijen naleven.

2.

De Partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere gedragingen van wederrechtelijke inmenging gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, en om elke andere bedreiging voor de veiligheid van de burgerluchtvaart aan te pakken.

3.

De Partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake de veiligheid van de luchtvaart vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago; zij verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of die op hun grondgebied zijn gevestigd en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de veiligheid van de luchtvaart.

Elke Partij informeert de andere Partij over verschillen tussen haar nationale voorschriften en praktijken en de normen inzake de veiligheid van de luchtvaart van de Bijlagen. Elk van de Partijen kan te allen tijde verzoeken om onmiddellijk overleg met de andere Partij over dergelijke verschillen.

4.

Elke Partij stemt ermee in dat van deze exploitanten kan worden verlangd dat deze de in het derde lid bedoelde bepalingen inzake veiligheid in acht nemen die door de andere Partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit en het verblijf op het grondgebied van die andere Partij. Elke Partij waarborgt dat op haar grondgebied adequate maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en dat passagiers, bemanning en bagage en handbagage alsmede vracht en proviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden aan controles worden onderworpen. Elke Partij geeft voorts gehoor aan elk verzoek van de andere Partij om speciale veiligheidsmaatregelen teneinde een specifieke bedreiging het hoofd te bieden.

5.

Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een luchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van passagiers, bemanning, luchtvaartuigen, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de Partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.

6.

Elke Partij heeft het recht binnen zestig (60) dagen na een kennisgeving, haar luchtvaartautoriteiten op het grondgebied van de andere Partij onderzoek te laten doen naar de veiligheidsmaatregelen die worden uitgevoerd of die volgens plan zullen worden uitgevoerd, door luchtvaartondernemingen ten aanzien van vluchten afkomstig van of vertrekkend naar het grondgebied van de eerstgenoemde Partij. De administratieve regelingen voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten en worden zonder vertraging uitgevoerd teneinde te waarborgen dat de onderzoeken voortvarend worden uitgevoerd. Op alle onderzoeken is een specifieke geheimhoudingsovereenkomst van toepassing.

7.

Wanneer een Partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere Partij is afgeweken van de bepalingen inzake de veiligheid van de luchtvaart in dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten van die Partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Partij. Dergelijk overleg vangt aan binnen vijftien (15) dagen na de ontvangst van een dergelijk verzoek van een van de Partijen. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na de datum van een dergelijk verzoek tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, beperken of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van die Partij. Indien zulks noodzakelijk is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan een Partij te allen tijde tussentijdse maatregelen nemen.

Artikel 9. Commerciële mogelijkheden

1.

De luchtvaartmaatschappijen van elke Partij hebben het recht op het grondgebied van de andere Partij kantoren, zowel online als offline, te vestigen ten behoeve van de bevordering en verkoop van luchtvervoer.

2.

De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke Partij hebben het recht, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere Partij inzake binnenkomst, verblijf en werk, leidinggevend, commercieel, technisch, operationeel alsmede ander gespecialiseerd personeel op het grondgebied van de andere Partij te doen verblijven voor het verzorgen van luchtvervoer.

3.

In deze personeelsbehoefte kan naar keuze van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen worden voorzien door haar eigen personeel of door gebruikmaking van de diensten van een andere organisatie, onderneming of luchtvaartmaatschappij die werkzaam is op het grondgebied van de andere Partij en die gemachtigd is dergelijke diensten te verlenen voor andere luchtvaartmaatschappijen.

4.

De geldende wetten en voorschriften van de andere Partij is op de vertegenwoordigers en het personeel van toepassing en in overeenstemming met deze wetten en voorschriften:

5.

Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij heeft het recht op het grondgebied van de andere Partij zelf haar gronddiensten (“self-handling”) te verrichten, of, naar haar keuze, voor al deze diensten of een deel daarvan een agent te kiezen van een concurrent. Deze rechten zijn uitsluitend onderworpen aan fysieke beperkingen die voortvloeien uit overwegingen op het gebied van de veiligheid van luchthavens. Wanneer dergelijke overwegingen self-handling uitsluiten, dienen gronddiensten op basis van gelijkheid beschikbaar te zijn voor alle luchtvaartmaatschappijen; de heffingen dienen gebaseerd te zijn op de kosten van de verleende diensten, en de aard en kwaliteit van deze diensten dienen vergelijkbaar te zijn met die van diensten wanneer selfhandling wel mogelijk zou zijn.

6.

Elke luchtvaartmaatschappij van elke Partij mag zich rechtstreeks en, naar eigen goeddunken, via haar agenten bezighouden met de verkoop van luchtvervoer op het grondgebied van de andere Partij. Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht dit luchtvervoer te verkopen in de valuta van dat gebied of in vrij omwisselbare valuta.

7.

Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht, op verzoek, het na aftrek van plaatselijke uitgaven overblijvende bedrag van de plaatselijk verkregen inkomsten uit de verkoop van luchtvervoerdiensten en daarmee samenhangende activiteiten die rechtstreeks verband houden met luchtvervoer te wisselen en naar haar land over te maken. Inwisseling en overmaking worden onverwijld en zonder beperkingen of belastingheffing toegestaan, tegen de wisselkoers die van toepassing is op lopende transacties op de datum waarop de vervoerder de eerste aanvraag tot overmaking doet.

8.

Het is de luchtvaartmaatschappijen van elke Partij toegestaan voor lokale uitgaven, met inbegrip van de inkoop van brandstof, op het grondgebied van de andere Partij te betalen in lokale valuta. Naar hun goeddunken kunnen de luchtvaartmaatschappijen van elke Partij deze uitgaven op het grondgebied van de andere Partij betalen in vrij omwisselbare valuta's volgens de lokale valutavoorschriften.

9.

De luchtvaartmaatschappijen van beide Partijen worden door de bepalingen van dit artikel niet vrijgesteld van de rechten, heffingen en bijdragen die op hen van toepassing zijn.

10.

Indien er een bijzondere overeenkomst tussen de Partijen is ter voorkoming van dubbele belastingen of een bijzondere overeenkomst waarin de overdracht van gelden tussen de Partijen is geregeld, dan hebben dergelijke overeenkomsten voorrang.

11.

Bij de exploitatie of het onderhouden van de toegestane diensten op de overeengekomen routes, kan elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van een Partij samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van de verkoop aangaan, zoals onderling vast af te nemen plaatsen, code-sharing, joint ventures of lease-regelingen, met:

op voorwaarde dat alle luchtvaartmaatschappijen die aan een dergelijke overeenkomst deelnemen (1) de vereiste bevoegdheden hebben en (2) voldoen aan de eisen die gewoonlijk op dergelijke overeenkomsten van toepassing zijn.

Artikel 10. Gebruikersheffingen

1.

Gebruikersheffingen die aan de luchtvaartmaatschappijen van een Partij kunnen worden opgelegd door de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van de andere Partij dienen accuraat, rechtvaardig, niet discriminatoir te zijn en naar billijkheid te worden verdeeld tussen de categorieën gebruikers. In alle gevallen worden deze gebruikersheffingen opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die op het tijdstip waarop de heffingen worden opgelegd gelden voor een andere luchtvaartmaatschappij.

2.

Gebruikersheffingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij mogen overeenkomen met maar niet hoger zijn dan de volledige kosten voor de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van het verstrekken van passende voorzieningen en diensten op het gebied van luchthaven, luchthavenmilieu, luchtvaart en veiligheid van de luchtvaart op de luchthaven of binnen het luchthavensysteem. Deze volledige kosten kunnen een redelijk rendement op vermogensbestanddelen omvatten, na afschrijving.

De voorzieningen en diensten waarvoor heffingen worden opgelegd, worden op efficiënte en economische wijze verstrekt.

3.

Elke Partij moedigt overleg aan tussen de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen op haar grondgebied en de luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van de diensten en voorzieningen, en moedigt de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen en de luchtvaartmaatschappijen aan de informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor accurate toetsing van de redelijkheid van de heffingen in overeenstemming met de grondbeginselen van het eerste en tweede lid van dit artikel. Elke Partij moedigt de bevoegde inningsautoriteiten aan de gebruikers binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen zodat de gebruikers in staat zijn hun mening kenbaar te maken voordat de wijzigingen plaatsvinden.

4.

Geen enkele Partij wordt, in procedures ter beslechting van geschillen ingevolge artikel 19 (Beslechting van geschillen), geacht inbreuk te maken op een bepaling van dit artikel, tenzij (1) zij nalaat een heffing of praktijk die voorwerp is van een klacht van de andere Partij binnen een redelijke termijn te toetsen; of (2) na een dergelijke toetsing nalaat alle maatregelen die in haar vermogen liggen om heffingen of praktijken die onverenigbaar zijn met dit artikel ongedaan te maken.

Artikel 11. Mededinging

1.

De Partijen informeren elkaar over hun mededingingswetgeving, -beleid en -praktijk of wijzigingen daarvan, en over bijzondere doelstellingen daarvan die van invloed kunnen zijn op de exploitatie van de luchtvervoerdiensten uit hoofde van dit Verdrag en wijzen de autoriteiten aan die voor de tenuitvoerlegging ervan verantwoordelijk zijn

2.

De Partijen stellen elkaar in kennis wanneer zij van mening zijn dat de toepassing van hun mededingingswetgeving, -beleid en -praktijken mogelijk onverenigbaar is met aangelegenheden die verband houden met de werking van dit Verdrag.

3.

Onverminderd eventuele andersluidende bepalingen mag niets in dit Verdrag (i) vereisen of aanmoedigen dat overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot stand komen die de mededinging verhinderen of verstoren of (ii) de gevolgen van dergelijke overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen versterken; of (iii) de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen die de mededinging verhinderen, verstoren of beperken, toevertrouwen aan particuliere economische exploitanten.

Artikel 12. Capaciteit

1.

Elke Partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij de frequentie en capaciteit van het internationale luchtvervoer dat zij aanbiedt bepaalt op basis van commerciële marktoverwegingen.

2.

Geen van de Partijen beperkt de omvang van het verkeer, de frequentie of regelmatigheid van een dienst, van het type of de typen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij geëxploiteerde luchtvaartuigen eenzijdig, tenzij dit nodig kan zijn vanwege redenen op het gebied van douane, techniek, exploitatie of milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.

Artikel 13. Tariefstelling

1.

Tarieven die uit hoofde van dit Verdrag voor luchtdiensten worden berekend mogen door de luchtvaartmaatschappijen vrij worden vastgesteld en hoeven niet te worden goedgekeurd.

2.

Elke Partij kan verlangen dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen de tarieven voor vluchten van of naar haar grondgebied ter kennis brengen van of indienen bij de autoriteiten.

Artikel 14. Douanerechten

1.

Elke Partij stelt op basis van wederkerigheid de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere Partij in de ruimste mogelijke mate die haar nationale wetgeving toestaat vrij van importbeperkingen, douanerechten, accijnzen, inspectiekosten en andere nationale rechten en lasten, die niet gebaseerd zijn op de kosten van de bij aankomst verleende diensten, op luchtvaartuigen, brandstof, smeermiddelen, technische verbruiksvoorraden, reserveonderdelen met inbegrip van motoren, normale uitrustingsstukken, proviand en andere artikelen zoals voorraden gedrukte tickets, luchtvrachtbrieven en drukwerk waarop het embleem van de maatschappij voorkomt en gebruikelijk reclamemateriaal dat door die aangewezen luchtvaartmaatschappij gratis wordt verspreid en bestemd is voor gebruik of uitsluitend gebruikt is in verband met de exploitatie of het onderhoud van luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van deze andere Partij die de overeengekomen diensten uitvoert.

2.

Met betrekking tot normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen en proviand, binnengebracht op het grondgebied van de ene Partij door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Partij of aan boord genomen van de door deze aangewezen luchtvaartmaatschappij geëxploiteerde luchtvaartuigen en uitsluitend bestemd voor gebruik aan boord van luchtvaartuigen tijdens de exploitatie van internationale diensten, behoeven geen heffingen en belastingen, met inbegrip van douanerechten en inspectiekosten, verschuldigd op het grondgebied van de eerstgenoemde Partij, te worden betaald, zelfs niet indien deze voorraden zullen worden gebruikt op de gedeelten van de vlucht die worden afgelegd boven het grondgebied van de Partij waar zij aan boord zijn genomen. Ten aanzien van bovengenoemde goederen kan worden verlangd dat deze onder toezicht en beheer van de douane blijven. De bepalingen van dit lid mogen niet zodanig worden uitgelegd dat aan een Partij de verplichting kan worden opgelegd douanerechten terug te betalen die reeds op de in het bovengenoemde artikel bedoelde goederen zijn geheven.

3.

De in dit artikel toegekende vrijstellingen zijn van toepassing op de in het eerste lid genoemde goederen:

4.

Normale boorduitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden motorbrandstof en smeermiddelen en proviand aan boord van luchtvaartuigen van een Partij mogen op het grondgebied van de andere Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Partij, die kunnen verlangen dat deze goederen onder hun toezicht worden geplaatst, totdat deze weder worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

Artikel 15. Belastingheffing

1.

Vermogen bestaande uit luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd door een aangewezen luchtvaartmaatschappij is slechts belastbaar op het grondgebied van de Partij waarin de plaats van de werkelijke leiding van de luchtvaartmaatschappij is gelegen.

2.

Voordelen uit de exploitatie van de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij in internationaal luchtverkeer alsmede de aan haar geleverde goederen en diensten zijn belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Partijen, die ernaar streven een bijzonder verdrag ter voorkoming van dubbele belasting te sluiten.

Artikel 16. Statistieken

De luchtvaartautoriteiten van elke Partij voorzien de luchtvaartautoriteiten van de andere Partij op verzoek van de periodieke of andere statistische gegevens die redelijkerwijs verlangd kunnen worden of laten hun aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) deze verstrekken.

Artikel 17. Goedkeuring van schema's

1.

De aangewezen luchtvaartmaatschappij dient haar voorgenomen vluchtschema's ten minste vijfenveertig (45) dagen voor aanvang van de exploitatie van de overeengekomen diensten ter goedkeuring in bij de luchtvaartautoriteiten van de andere Partij. Dezelfde procedure is van toepassing bij eventuele wijzigingen daarvan.

2.

Voor extra vluchten die de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een Partij wenst uit te voeren op de overeengekomen diensten buiten de goedgekeurde dienstregeling, dient deze luchtvaartmaatschappij vooraf toestemming te vragen van de luchtvaartautoriteiten van de andere Partij. Dergelijke verzoeken worden gewoonlijk ten minste vijftien (15) dagen voor het uitvoeren van dergelijke vluchten ingediend.

Artikel 18. Overleg en wijziging

1.

Elke Partij mag verzoeken om overleg over de uitlegging, toepassing, tenuitvoerlegging, wijziging of naleving van dit Verdrag of de Bijlage daarbij.

Dergelijk overleg vangt zo spoedig mogelijk aan, maar niet later dan zestig (60) dagen te rekenen vanaf de datum waarop de andere Partij het verzoek ontvangt, tenzij anders wordt overeengekomen.

2.

Een door de Partijen overeengekomen wijziging van dit Verdrag wordt van kracht op de datum waarop de Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.

Artikel 19. Regeling van geschillen

1.

Geschillen tussen de Partijen die voortvloeien uit de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, uitgezonderd geschillen die ontstaan ingevolge de artikelen 7 (Veiligheid) en 8 (Veiligheid van de luchtvaart), trachten de luchtvaartautoriteiten van beide Partijen eerst door overleg en onderhandeling te beslechten.

2.

Indien de Partijen er niet in slagen het geschil door middel van onderhandeling te beslechten, wordt het geschil langs diplomatieke weg geregeld.

Artikel 20. Multilaterale verdragen

Indien ten aanzien van beide Partijen een algemeen multilateraal luchtvaartverdrag in werking treedt, hebben de bepalingen van een dergelijk verdrag voorrang.

Overleg teneinde te bepalen in welke mate de bepalingen van het multilaterale verdrag van invloed zijn op dit Verdrag vinden plaats in overeenstemming met artikel 18 (Overleg en wijziging) van dit Verdrag.

Artikel 21. Beëindiging

1.

Elk van de Partijen kan de andere Partij langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis stellen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Deze kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

2.

Dit Verdrag treedt een (1) jaar na de datum waarop de kennisgeving door de andere Partij is ontvangen buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging voor het verstrijken van deze termijn met wederzijdse instemming wordt ingetrokken. Indien de andere Partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de ontvangst van de kennisgeving door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie

Artikel 22. Registratie bij de ICAO

Dit Verdrag en eventuele wijzigingen daarvan worden geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 23. Inwerkingtreding

1.

Elk van de Partijen stelt de andere Partij schriftelijk langs diplomatieke weg in kennis van de voltooiing van de vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.

2.

Het Verdrag treedt in werking zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving.

3.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal dit Verdrag uitsluitend van toepassing zijn op Curaçao.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed the present Agreement.

DONE at Brasília, on this 3rd day of December 2013, in duplicate, in the English, Dutch and Portuguese languages, all texts being equally authentic. In case of divergence in the interpretation of this Agreement, the English text shall prevail.

For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curaçao,

Earl Balborda

For the Federative Republic of Brazil,

A. Franco

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)