Verdrag en Statuut nopens het Internationale Spoorwegregime
Duitschland, Oostenrijk, België, Brazilië, Groot-Britannië (met Nieuw-Zeeland en Britsch-Indië), Bulgarije, Chili, Denemarken, de Vrije Stad Dantzig, Spanje, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Japan, Letland, Lithauen, Noorwegen, Nederland, Polen, Portugal, Roemenië, Salvador, Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen, Siam, Zweden, Zwitserland, Tsjechoslowakije en Uruguay,
Wenschende de vrijheid van verkeer en doorvoer te verzekeren en in stand te houden en te dien einde de ontwikkeling van de internationale samenwerking inzake de organisatie en de regeling van het spoorwegverkeer te bevorderen;
Eveneens wenschende in het internationale spoorwegregime de toepassing van het beginsel van een rechtvaardige behandeling van den handel te verzekeren;
Overwegende, dat de beste wijze om het voorgestelde doel te bereiken is het sluiten van een algemeen verdrag, waartoe later een zoo groot mogelijk aantal Staten zal kunnen toetreden;
Erkennende, dat het internationaal overleg inzake het spoorwegverkeer reeds het onderwerp is geweest van vele bijzondere overeenkomsten tusschen Staten en tusschen spoorwegadministraties en dat juist door middel van zoodanige bijzondere overeenkomsten, waarbij beginselen, neergelegd in een algemeen verdrag, in onderdeelen worden uitgewerkt, internationale samenwerking op dit gebied het meest doelmatig kan worden bevorderd;
Overwegende echter, dat zonder de vrije ontwikkeling van deze bijzondere overeenkomsten of de rechtstreeksche betrekkingen en het rechtstreeksch overleg tusschen de spoorwegadministraties te belemmeren en zonder inbreuk te maken op de rechten van souvereiniteit en gezag der Staten, integendeel door de uitwerking van een bondige en stelselmatige regeling van de internationale verplichtingen, die inzake internationaal spoorwegverkeer worden erkend, aan de beginselen, die reeds tusschen zekere Staten of tusschen zekere administraties gelden, de grootst mogelijke uitbreiding zal kunnen worden gegeven en in de toekomst overeenkomstig de behoeften van de ontwikkeling van het internationale verkeer, het in zoo ruim mogelijke mate sluiten van nieuwe bijzondere verdragen zal kunnen worden bevorderd;
Overwegende, dat de Conferentie, die op 10 Maart 1921 op uitnoodiging van den Volkenbond te Barcelona bijeen kwam, den wensch heeft uitgesproken, dat een algemeen verdrag inzake het internationale spoorwegregime binnen een tijdsverloop van twee jaar zou worden gesloten, dat de Conferentie, welke op 10 April 1922 te Genua bijeen kwam, in een resolutie, die met de goedkeuring van den Raad en de Vergadering van den Volkenbond is overgebracht aan de bevoegde organen van den Bond, gevraagd heeft, dat zoo spoedig mogelijk zouden worden gesloten en in werking gesteld de internationale verdragen met betrekking tot het verkeerswezen als bedoeld in de vredesverdragen, en voorts overwegende, dat art. 379 van het Verdrag van Versailles en de overeenkomstige artikelen van de andere verdragen de uitwerking van een algemeen verdrag nopens het internationale spoorwegregime in uitzicht hebben gesteld;
De uitnoodiging aangenomen hebbende van den Volkenbond om aan een te Genève op 15 November 1923 bijeengekomen Conferentie deel te nemen;
Wenschende de bepalingen van het Statuut nopens het internationale spoorwegregime, dat aldaar is aangenomen, in werking te doen treden, en te dien einde een algemeen verdrag te sluiten:
Hebben de Hooge Verdragsluitende Partijen tot hare gevolmachtigden benoemd:
(Zie de namen der gevolmachtigden in den tekst van het verdrag.)
die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, omtrent het volgende zijn overeengekomen:
Artikel 1
De Verdragstaten verklaren het bijgevoegde Statuut nopens het internationale spoorwegregime, aangenomen door de Tweede Algemeene Conferentie voor Verkeer en Doorvoer, die op 15 November 1923 te Genève bijeen is gekomen, te aanvaarden.
Dat Statuut zal beschouwd worden als een ondeelbaar geheel vormende met dit verdrag.
Bijgevolg verklaren zij aan te nemen de verplichtingen en verbintenissen van genoemd Statuut, overeenkomstig de bewoordingen ervan en volgens de erin vervatte voorwaarden.
Artikel 2
Dit verdrag laat onaangetast de rechten en verplichtingen, die voortvloeien uit de bepalingen van het Vredesverdrag, geteekend te Versailles op 28 Juni 1919, of uit de bepalingen der andere soortgelijke verdragen, voor zooveel betreft de Mogendheden, die de genoemde verdragen hebben onderteekend of die er voordeelen aan ontleenen.
Artikel 3
Dit verdrag, waarvan de Fransche en de Engelsche tekst beide als authentiek zullen gelden, zal de dagteekening dragen van heden en zal tot op 31 October 1924 geteekend kunnen worden door iederen Staat, die op de Conferentie van Genève vertegenwoordigd was, door ieder lid van den Volkenbond en door iederen Staat, aan wien de Raad van den Volkenbond te dien einde een exemplaar van dit verdrag zal hebben doen toekomen.
Artikel 4
Dit verdrag is onderworpen aan bekrachtiging. De bekrachtigingsoorkonden zullen worden toegezonden aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst zal kennis geven aan alle Staten, die het verdrag hebben onderteekend of tot het verdrag zijn toegetreden.
Artikel 5
Van 1 November 1924 af zal iedere Staat, die vertegenwoordigd was op de in art. 1 bedoelde Conferentie, ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat, aan wien de Raad van den Volkenbond te dien einde een exemplaar van het verdrag heeft doen toekomen, tot dit verdrag kunnen toetreden.
Deze toetreding zal geschieden door middel van een oorkonde, die aan den Secretaris-Generaal van den VoIkenbond wordt toegezonden, teneinde in de archieven van het Secretariaat te worden nedergelegd. De Secretaris-Generaal zal van die nederlegging onmiddellijk kennis geven aan alle Staten, die het verdrag hebben onderteekend of tot het verdrag zijn toegetreden.
Artikel 6
Dit verdrag zal slechts in werking treden, wanneer het door vijf Staten bekrachtigd zal zijn. Datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag na ontvangst van de vijfde bekrachtiging door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. Daarna zal dit verdrag van kracht worden, voor wat betreft elk der Partijen, negentig dagen na de ontvangst van hare bekrachtiging of de kennisgeving van hare toetreding.
Overeenkomstig de bepalingen van art. 18 van het Volkenbondverdrag zal de Secretaris-Generaal dit verdrag registreeren op den dag, waarop het in werking treedt.
Artikel 7
Een bijzonder register zal gehouden worden door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, aangevend, met inachtneming van art. 9, welke Partijen dit verdrag hebben onderteekend of bekrachtigd, er toe zijn toegetreden of het hebben opgezegd. Dat register zal voortdurend ter inzage zijn voor de Leden van den Bond en zal zoo veelvuldig mogelijk openbaar gemaakt worden volgens de aanwijzingen van den Raad.
Artikel 8
Onder voorbehoud van de bepalingen van art. 2 van dit verdrag, kan het door elke Partij worden opgezegd na het verstrijken van een termijn van vijf jaren, te rekenen van den datum waarop het voor die Partij in werking is getreden. Opzegging zal geschieden in den vorm van een schriftelijke kennisgeving, gericht tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. Een afschrift van deze kennisgeving zal door den Secretaris-Generaal onmiddellijk worden gezonden aan alle andere Partijen, onder mededeeling van den datum waarop zij ontvangen is.
De opzegging zal van kracht worden een jaar na den datum, waarop zij door den Secretaris-Generaal ontvangen is, en zal slechts gevolg hebben ten opzichte van den Staat, die er van kennis heeft gegeven.
Artikel 9
Iedere Staat, dit dit verdrag onderteekent of tot dit verdrag toetreedt, kan, op het oogenblik hetzij van zijn onderteekening, hetzij van zijn bekrachtiging, hetzij van zijn toetreding verklaren, dat zijn aanvaarding van dit verdrag niet bindend is voor alle of eenige zijner protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden, welke aan zijn souvereiniteit of gezag zijn onderworpen; zoodanige Staat kan later, overeenkomstig art. 5, afzonderlijk toetreden voor de protectoraten, koloniën, bezittingen of overzeesche gebieden, die door deze verklaring waren uitgesloten.
De opzegging zal eveneens afzonderlijk kunnen geschieden voor ieder protectoraat, kolonie, bezitting of overzeesch gebied; de bepalingen van art. 8 zullen op deze opzegging van toepassing zijn.
Artikel 10
Telkens na verloop van een termijn van vijf jaren na het van kracht worden van dit verdrag, zullen vijf Verdragstaten kunnen vragen tot herziening van dit verdrag over te gaan. Op ieder ander tijdstip zal een verzoek tot herziening kunnen worden gedaan door een derde van de Verdragstaten.
Deel I. Internationaal Spoorwegverkeer.
HOOFDSTUK I. Aansluiting van internationale lijnen.
Artikel 1
Teneinde tusschen hun spoorwegnetten de verbindingen tot stand te brengen, die beantwoorden aan de behoeften van het internationale verkeer, komen de Verdragstaten overeen:
- In gevallen waarin de bedoelde spoorwegnetten reeds met elkander in verbinding staan, een doorgaand verkeer over de bestaande lijnen in het leven te roepen voor zoover de behoeften van het internationale verkeer het vereischen;
- In gevallen waarin de bestaande verbindingen niet voldoende zijn om te beantwoorden aan de behoeften van het verkeer, elkander onverwijld mededeeling te doen van en te zamen in vriendschappelijken geest een onderzoek in te stellen naar hun plannen inzake versterking van bestaande lijnen of inzake aanleg van nieuwe lijnen, welker aansluiting op de spoorwegnetten van een of meer Verdragstaten, of welker verlenging op het grondgebied van een of meer Verdragstaten aan deze behoeften zou beantwoorden.
De voorafgaande bepalingen brengen geenerlei verplichting mede met betrekking tot lijnen, die aangelegd zijn in het belang van een bepaalde streek of van de nationale verdediging.
Artikel 2
Met het oog op het belang dat in het algemeen zij die van een spoorweg gebruik maken, en in het bijzonder de reizigers, erbij hebben, dat de verschillende formaliteiten van het verlaten van het ééne en het binnenkomen van het andere land in eenzelfde plaats geschieden, zullen de Staten, die van oordeel zijn, dat niet overwegingen van anderen aard zich hiertegen verzetten, er naar streven dit denkbeeld te verwezenlijken, hetzij door het instellen van gemeenschappelijke grensstations of althans van gemeenschappelijke stations voor iedere richting, of door eenig ander geschikt middel.
De Staat, op wiens grondgebied het gemeenschappelijke grensstation gelegen is, zal aan den anderen Staat alle faciliteiten verleenen voor het oprichten en instandhouden van de bureau's die noodig zijn voor de voor het internationale verkeer onmisbare diensten.
Artikel 3
De Staat op wiens grondgebied de verbindingslijnen of de grensstations gelegen zijn, zal, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op zijn souvereiniteits- of gezagsrechten die onaangetast blijven, hulp en bijstand verleenen aan de Staats- of spoorwegambtenaren van den anderen Staat in de uitoefening van hun functie, teneinde het internationale verkeer te bevorderen.
HOOFDSTUK II. Maatregelen te nemen in het belang van het internationale verkeer.
Artikel 4
De Verdragstaten, de noodzakelijkheid erkennende om de exploitatie van de spoorwegen te doen geschieden met de soepelheid, noodig om te voldoen aan de veelzijdige behoeften van het verkeer, geven als hun voornemen te kennen de vrijheid van deze exploitatie onaangetast te laten, met dien verstande dat er voor gewaakt zal worden dat deze vrijheid wordt uitgeoefend zonder schade voor het internationale verkeer.
Zij verbinden zich aan het internationale verkeer redelijke faciliteiten te verleenen en zich te onthouden van iedere onderscheiding, die een onwelwillend karakter zou dragen ten opzichte van andere Verdragstaten, hun onderdanen of hun schepen.
De bepalingen van dit artikel komen niet alleen ten goede aan doorvoer beheerscht door een enkelvoudig contract, zij hebben eveneens betrekking op doorvoeren als bedoeld in artt. 21 en 22 van dit Statuut, op de voorwaarden als aangegeven in deze artikelen.
Artikel 5
Wat betreft de aan het internationale verkeer van reizigers en bagage te verleenen faciliteiten, zullen de diensten zoodanig zijn ingericht, dat de dienstregelingen gunstiger zullen zijn en aan hoogere eischen betreffende snelheid en gemak zullen voldoen naarmate de diensten een meer belangrijk verkeer verzorgen.
Artikel 6
Wat betreft de aan het internationale goederenverkeer te verleenen faciliteiten, zullen de diensten zoodanig zijn ingericht, dat de snelheid en regelmatigheid grooter is naarmate de diensten een belangrijker verkeer verzorgen.
De Staten zullen technische maatregelen van welken aard ook aanmoedigen, die kunnen strekken om op de lijnen, waarlangs een bij uitstek belangrijk internationaal verkeer plaats heeft, ook een bij uitstek doelmatigen dienst te verzekeren.
Artikel 7
Ingeval het internationale verkeer op een bepaalde route tijdelijk gestaakt of beperkt is, zullen de exploiteerende administraties, voor zoover het in haar macht ligt hierin verbetering te brengen, ernaar streven om zoo spoedig mogelijk een normalen dienst te herstellen en inmiddels het verkeer langs een andere route te leiden met de medewerking, voor zoover noodig, van de administraties van andere Staten, die met haar lijnen bijstand zouden kunnen verleenen.
Artikel 8
De Verdragstaten zullen de douane- en politieformaliteiten zoodanig regelen, dat het internationale verkeer zoo weinig mogelijk wordt belemmerd en vertraagd. Dezelfde verplichting geldt ten aanzien van formaliteiten ter zake van paspoorten, voor zoover deze worden gevorderd.
De Verdragstaten zullen in het bijzonder de maatregelen aanmoedigen, strekkende om de in de grensstations te verrichten formaliteiten te beperken, en met name bevorderen, dat overeenkomsten worden gesloten inzake de sluiting van wagens en de verzegeling van bagage in douaneverkeer, evenals alle regelingen die het mogelijk maken het vervullen van de douaneformaliteiten binnen in het land te doen geschieden.
Deel II. Wederzijdsch gebruik van rollend materieel en technische eenheid.
Artikel 9
De Verdragstaten zullen, voor zoover de omstandigheden redelijkerwijze toelaten, de spoorwegadministraties, die onder hun souvereiniteit of hun gezag zijn geplaatst en waarvan de lijnen een doorloopend net van wegen van dezelfde spoorwijdte vormen, opwekken onderling overeenkomsten te sluiten, strekkende tot al zoodanige maatregelen, geschikt om de uitwisseling en het wederzijdsche gebruik van rollend materieel mogelijk te maken en te vergemakkelijken.
Deze overeenkomsten zullen eveneens kunnen strekken tot het verleenen van bijstand door het leveren van leege wagens, ingeval deze bijstand noodzakelijk is om te voldoen aan de behoeften van het internationale verkeer.
Onder maatregelen als bedoeld in de bovenvermelde overeenkomsten zijn niet begrepen die maatregelen, die wijzigingen zonden medebrengen in de essentieele eigenaardigheden van een spoorwegnet of van het rollend materieel.
In de gevallen echter, waarin zoodanige wijzigingen bijzonder wenschelijk zouden schijnen met het oog op den omvang van het verkeer en de geringe moeite die de aanpassing zou medebrengen, komen de betrokken Verdragstaten overeen elkander onverwijld alle voorstellen mede te deelen, die zoodanige wijzigingen ten doel hebben en deze voorstellen op welwillende wijze te onderzoeken.
Artikel 10
Teneinde het wederzijdsch gebruik van rollend materieel te vergemakkelijken, zullen de Verdragstaten het tot stand komen van overeenkomsten, die de technische eenheid van de spoorwegen beoogen, bevorderen, met name nopens den bouw en het onderhoud van het rollend materieel, evenals de belasting van de wagens, in zooverre als dit bevorderlijk kan zijn voor de goede uitvoering van het internationale verkeer.
Teneinde aan het internationale verkeer alle wenschelijke faciliteiten en veiligheid te verzekeren, zullen deze overeenkomsten, met name voor zoover betreft de groepen van aangrenzende gebieden, streven naar het brengen van eenheid in de voorwaarden van den bouw en de technische inrichting van de spoorwegen.
Artikel 11
Bijzondere overeenkomsten zullen kunnen voorzien in het verleenen van bijstand met locomotieven en ingeval het desbetreffende internationale verkeer dit zou vereischen, van brandstoffen of van electrische energie.
Artikel 12
Bijzondere overeenkomsten tusschen de Staten zullen kunnen vaststellen, dat het rollend materieel van een administratie, met inbegrip van de locomotieven, evenals van alle roerende goederen, die aan deze administratie toebehooren en in dit materieel zijn begrepen, op het grondgebied van een anderen Staat dan van dien waaronder de spoorwegadministratie die de eigenaar is ressorteert, niet zullen kunnen worden in beslag genomen dan krachtens een vonnis gewezen door de rechterlijke autoriteit van dien laatsten Staat.
Artikel 13
Het gebruik en de circulatie in het internationale verkeer van wagens van particulieren of van andere lichamen dan spoorwegadministraties zullen het onderwerp uitmaken van bijzondere overeenkomsten.
Deel III. Verhouding tusschen den spoorweg en de personen die er gebruik van maken.
Artikel 14
In het belang van het internationale verkeer zullen de Verdragstaten, voor zoover de omstandigheden redelijkerwijze toelaten, bevorderen, dat overeenkomsten tot stand komen, die het gebruik van een enkelvoudig contract voor het geheele vervoer mogelijk maken; bij deze overeenkomst zal men trachten een zoo groot mogelijke eenvormigheid te verkrijgen ten aanzien van de voorwaarden, betrekking hebbende op de uitvoering van het directe contract door ieder van de spoorwegmaatschappijen, die bij het vervoer betrokken zijn.
Artikel 15
Bij gebreke van vaststelling van een enkelvoudig vervoercontract zullen redelijke faciliteiten worden gegeven voor de uitvoering, op den grondslag van opvolgende contracten, van het vervoer, dat zich over de spoorwegen van twee of meer Verdragstaten uitstrekt.
Artikel 16
De voornaamste bepalingen, die in de bijzondere overeenkomsten inzake het enkelvoudig vervoercontract voor reizigers en bagage moeten worden overwogen, zijn de volgende:
- a). de voorwaarden volgens welke de spoorweg al dan niet verplicht is het vervoercontract te aanvaarden;
- b). de voorwaarden voor het sluiten van het vervoercontract en van het opmaken van het document, dat de voorwaarden van het contract bevat;
- c). de verplichtingen en regelingen, waarnaar de reizigers verplicht zijn, zich te gedragen;
- d). de verplichting van den reiziger met betrekking tot het vervullen van de bijbehoorende formaliteiten – zooals de douaneformaliteiten – die noodig zijn voor de uitvoering van het vervoer;
- e). de voorwaarden voor de aflevering van de bagage;
- f). de bepalingen, die voorzien zijn ingeval van onderbreking van den dienst of andere moeilijkheden bij de uitvoering van het vervoer;
- g). de verantwoordelijkheid van den spoorweg voortvloeiende uit het vervoercontract;
- h). de uitoefening van aanspraken voortvloeiende uit het vervoercontract en de uitvoering der vonnissen.
Artikel 17
De voornaamste bepalingen, die in de bijzondere overeenkomsten betreffende het enkelvoudig vervoercontract voor goederen moeten worden overwogen, zijn de volgende:
- a). de voorwaarden volgens welke de spoorweg al dan niet verplicht is het vervoercontract te aanvaarden;
- b). de voorwaarden voor het sluiten van het vervoercontract en van het opmaken van het document dat de voorwaarden van het contract bevat;
- c). de omschrijving van de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen, betrokken bij het contract, dat aangegaan is met den spoorweg;
- d). de bepalingen betrekking hebbende op de bij het contract te volgen route en eventueel op de termijnen, waarbinnen het vervoer moet plaats hebben;
- e). de voorwaarden inzake het vervullen onderweg van de bijbehoorende formaliteiten –zooals de douaneformaliteiten – die noodig zijn bij de uitvoering van het vervoer;
- f). de voorwaarden van aflevering van de goederen en van de betaling van de aan de spoorwegen verschuldigde gelden;
- g). de waarborgen, die aan den spoorweg worden verleend, voor de betaling van de verschuldigde gelden;
- h). de maatregelen, die genomen moeten worden ingeval van belemmering in het vervoer of in de aflevering;
- i). de verantwoordelijkheid van den spoorweg voortvloeiende uit het vervoercontract;
- j). de uitoefening van aanspraken, voortvloeiende uit het vervoercontract en de uitvoering der vonnissen.
Deel IV. Tarieven.
Artikel 18
De tarieven, die overeenkomstig de nationale wetgeving van kracht zijn en voor hun inwerkingtreding behoorlijk worden bekend gemaakt, zullen bepalen:
- Ten aanzien van reizigers en bagage, de vervoerprijzen met inbegrip voor zoover daarvan sprake is van bijkomstige kosten, en de voorwaarden, waaronder zij worden toegepast;
- Ten aanzien van goederen, de vervoerprijzen met inbegrip van bijkomstige kosten, de classificatie van goederen, waarop deze prijzen van toepassing zijn, en de voorwaarden, waarvan de toepassing afhankelijk is.
De spoorweg kan ten aanzien van geen enkel vervoer het daarop toepasselijke tarief weigeren, indien de voorwaarden van het bedoelde tarief vervuld zijn.
Artikel 19
In het internationale verkeer kunnen boven de tariefprijzen, die van toepassing zijn op een bepaald vervoer, geen andere bedragen worden gevorderd, dan die, welke een redelijke vergoeding vormen voor de diensten, die verleend worden buiten degene, welke gedekt zijn door de tarieven.
Artikel 20
De Verdragstaten, de noodzakelijkheid erkennende om in het algemeen aan de tarieven de noodige soepelheid te laten, waardoor zij zoo nauwkeurig mogelijk zich kunnen aanpassen aan de veelzijdige behoeften van den handel en de handelsconcurrentie, behouden volle vrijheid om hun tarieven te bepalen volgens de beginselen nedergelegd in hun eigen wetgeving, met dien verstande echter, dat zij er voor waken, dat deze vrijheid niet uitgeoefend wordt ten nadeele van het internationale verkeer.
Zij verbinden zich op het internationale verkeer redelijke tarieven toe te passen, zoowel wat betreft de hoogte van de tarieven als de voorwaarden van toepassing, en komen overeen zich te onthouden van iedere onderscheiding, die een onwelwillend karakter zou dragen ten aanzien van andere Verdragstaten, hun onderdanen of hun schepen.
Deze bepalingen zijn niet onvereenigbaar met het instellen van gemeenschappelijke spoorweg- en scheepvaarttarieven, mits de beginselen nedergelegd in het voorafgaande lid worden geëerbiedigd.
Artikel 21
Het voordeel van de bepalingen van art. 20 wordt niet beperkt tot vervoer, dat beheerscht wordt door een enkelvoudig contract. Het strekt zich eveneens uit tot het vervoer over een reeks trajecten per spoor, over zee of langs eenigen anderen weg, over de gebieden van meerdere Verdragstaten en beheerscht door afzonderlijke contracten, mits de volgende voorwaarden worden vervuld:
- Ieder van de opvolgende contracten moet de oorspronkelijke herkomst en de eindbestemming van het vervoer vermelden; de goederen moeten gedurende den duur van het geheele traject onder het toezicht blijven van de transporteurs en door ieder van hen aan den volgende rechtstreeks worden overgegeven, zonder eenig ander oponthoud dan dat hetwelk noodig is voor het bewerkstelligen van de overgave en het vervullen van de administratieve douane-, octrooi-, politie- of andere formaliteiten.
Artikel 22
De bepalingen van art. 20 zijn, zoowel in het nationale als in het internationale spoorwegverkeer, eveneens van toepassing op goederen, die tijdelijk in een haven worden opgeslagen, zonder dat rekening wordt gehouden met de vlag, waaronder deze goederen zijn ingevoerd of zullen worden uitgevoerd.
Artikel 23
De Verdragstaten zullen trachten het vaststellen van internationale tarieven te bevorderen overeenkomstig de behoeften van het internationale verkeer, voor zoover daaraan redelijkerwijze kan worden voldaan. Zij zullen eveneens bevorderen, dat alle maatregelen worden genomen, die kunnen strekken om zelfs buiten de internationale tarieven, de snelle berekening van de vervoerkosten voor het belangrijkste verkeer mogelijk te maken.
Artikel 24
De Verdragstaten zullen trachten eenheid te verkrijgen in de wijze, waarop zoowel de internationale als de nationale tarieven worden overgelegd, met name voor zoover betreft groepen van aangrenzende gebieden, teneinde de toepassing van deze tarieven voor het internationale verkeer gemakkelijker te maken.
Deel V. Financieele regelingen tusschen spoorwegadministraties in het belang van het internationale verkeer.
Artikel 25
De financieele regelingen tusschen spoorwegadministraties zullen niet van zoodanigen aard mogen zijn, dat zij een belemmering vormen voor het internationale verkeer en in het bijzonder voor de toepassing van het enkelvoudige vervoercontract.
Artikel 26
Met betrekking tot de ontvangsten der spoorwegen moeten in het bijzonder de volgende bepalingen in zoodanige regelingen worden overwogen:
- a. regelen betreffende het recht van iedere administratie om het aandeel te ontvangen, dat haar toekomt uit de gelden, die aan den spoorweg verschuldigd zijn;
- b. regelen betreffende de verantwoordelijkheid van een administratie, die nagelaten heeft gelden te innen, voor de inning waarvan zij verantwoordelijk was;
- c. maatregelen te nemen om de juistheid van de boekhouding te verzekeren ingeval de administraties de vaststelling van deze boekhouding aan andere administraties toevertrouwen;
- d. bepalingen betreffende financieele regelingen tusschen administraties, die tot doel hebben om, voor zoover de omstandigheden dit toelaten, de daadwerkelijke overdracht van fondsen, die ingevolge deze regelingen noodig is, te beperken.
Artikel 27
Met betrekking tot de bedragen, die een spoorweg betaald heeft aan de personen, die van den spoorweg gebruik maken, moeten in het bijzonder de volgende bepalingen in de regelingen tusschen de spoorwegmaatschappijen worden overwogen:
- a. regelen betreffende het beroep van de administratie, die een schadeloosstelling heeft betaald, op andere administraties, welke een aandeel hebben gehad in het vervoer;
- b. bepalingen betreffende het vaststellen van de verantwoordelijkheid van de verschillende administraties of van de verantwoordelijkheid, welke zij bereid zijn gemeenschappelijk te dragen;
- c. bepalingen betreffende het beroep van administraties op elkander, wanneer één van haar een bedrag, dat te veel is ontvangen op de som, die aan den spoorweg verschuldigd was, heeft terugbetaald;
- d. regelen betreffende het aanvaarden door administraties van rechterlijke beslissingen, gewezen tegen een andere administratie, waarbij deze laatste veroordeeld is een bedrag te betalen.
Artikel 28
Ingeval moeilijkheden voortvloeien uit den wisselkoers en wanneer deze een ernstige belemmering vormen voor het internationale verkeer, zullen maatregelen worden genomen om deze belemmeringen tot een minimum te beperken.
Iedere spoorwegadministratie, die aan het gevaar is blootgesteld om bij het vaststellen van de afrekening aanmerkelijke verliezen te lijden op grond van koersschommelingen, zal zich tegen dit gevaar kunnen dekken door hare tarieven voor doorgaand verkeer met een zoodanige premie te verhoogen, als met het oog op dit risico redelijk kan worden geacht. De regelingen, die gesloten worden tusschen spoorwegadministraties, zullen vaste koersen kunnen instellen onder voorbehoud van periodieke herzieningen.
Maatregelen zullen worden genomen om zooveel mogelijk tegen te gaan alle speculatie-misbruiken van tusschenpersonen bij de transacties, welke de stand der koersen noodzakelijk maakt.
Deel VI. Algemeene bepalingen.
Artikel 29
Bij uitzondering en voor een zooveel mogelijk beperkten termijn zal kunnen afgeweken worden van de bepalingen van dit Statuut door bijzondere of algemeene maatregelen, die een der Verdragstaten genoodzaakt zou zijn te nemen ingeval van ernstige gebeurtenissen, die de veiligheid van den Staat of de levensbelangen van het land raken, met dien verstande dat de beginselen van dit Statuut in zoo groot mogelijke mate moeten worden in acht genomen.
Artikel 30
Geen der Verdragstaten is door dit Statuut gehouden om den doorvoer te verzekeren van reizigers, wier toelating op zijn grondgebied verboden is of van goederen, waarvan de invoer is verboden hetzij om redenen van openbare gezondheid of veiligheid, hetzij als voorzorg tegen ziekten van dieren of planten. Voor zoover betreft het vervoer dat geen doorvoer is, is geen der Verdragstaten door dit Statuut gehouden om het vervoer te verzekeren van reizigers, wier toelating op zijn grondgebied verboden is of van goederen waarvan de invoer of uitvoer verboden is krachtens de nationale wetten.
Iedere Verdragstaat zal het recht hebben, eenerzijds om de noodige voorzorgsmaatregelen te nemen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke of daarmede gelijk te stellen goederen, met dien verstande, dat zoodanige maatregelen niet tot uitwerking mogen hebben, dat onderscheidingen worden gemaakt in strijd met de beginselen van dit Statuut, en anderzijds om algemeene politiemaatregelen te nemen met inbegrip van politiemaatregelen ten aanzien van emigranten.
Niets in dit Statuut zal een beletsel zijn voor de maatregelen, die een der Verdragstaten heeft genomen of zal wenschen te nemen krachtens algemeene internationale verdragen, waarbij hij partij is, of die later gesloten mochten worden, met name die, welke onder de auspiciën van den Volkenbond zijn gesloten met betrekking tot den doorvoer, den uitvoer of den invoer van een bijzondere soort van goederen, zooals opium of andere schadelijke middelen, wapenen of de voortbrengselen van de visscherij, of wel krachtens algemeene verdragen ten doel hebbende iedere inbreuk te voorkomen op de rechten van industrieelen, letterkundigen of artistieken eigendom of betrekking hebbende op valsche merken, valsche aanwijzingen van oorsprong of andere wijzen van oneerlijken handel.
Artikel 31
Dit Statuut legt aan geen der Verdragstaten, krachtens de hierin voorkomende bepalingen, een nieuwe verplichting op om het vervoer te vergemakkelijken van onderdanen van een Staat, die geen partij is bij het verdrag, of van hun bagage, en evenmin van goederen, rijtuigen of wagens afkomstig van of bestemd voor een Staat, die geen partij is bij het verdrag.
Artikel 32
Dit Statuut stelt niet de rechten en verplichtingen der oorlogvoerenden en der onzijdigen in tijd van oorlog vast. Niettemin zal het Statuut in oorlogstijd van kracht blijven in de mate die met die rechten en verplichtingen vereenigbaar is.
Artikel 33
Dit Statuut brengt geenszins mede de intrekking van faciliteiten, grooter dan die welke voortvloeien uit de bepalingen van dit Statuut en die aan het internationale spoorwegverkeer toegestaan mochten zijn onder voorwaarden, die met de beginselen van dit Statuut strooken; het brengt evenmin een verbod mede om zoodanige faciliteiten voortaan te verleenen.
Artikel 34
Overeenkomstig art. 23e van het Volkenbondverdrag zal iedere Verdragstaat, die tegen de toepassing van een der bepalingen van dit Statuut op het geheele, of op een gedeelte van zijn grondgebied geldige bezwaren kan inbrengen, op grond van een ernstigen economischen toestand, die het gevolg is van verwoestingen die op zijn grondgebied zijn aangebracht gedurende den oorlog van 1914–1918, geacht worden tijdelijk te zijn vrijgesteld van de verplichtingen voortvloeiende uit de toepassing van genoemde bepaling, met dien verstande dat de beginselen van dit Statuut in zoo ruim mogelijke mate zullen moeten worden in acht genomen.
Artikel 35
Wanneer een geschil rijst tusschen twee of meer Verdragstaten inzake de uitlegging of de toepassing van dit Statuut en wanneer dit geschil niet beslecht kan worden hetzij rechtstreeks tusschen de Partijen, hetzij langs eenigen anderen weg van minnelijke schikking, zullen de bij het geschil betrokken Partijen, alvorens haar toevlucht te nemen tot eenige scheidsrechterlijke procedure of tot een gerechtelijke beslissing, het geschil, ter fine van advies, kunnen onderwerpen aan het orgaan, dat door den Volkenbond als raadgevend en technisch orgaan van de Leden van den Bond zal zijn aangewezen voor zaken betreffende verkeer en doorvoer. In dringende gevallen kan een voorloopig advies een aanbeveling tot het nemen van alle voorloopige maatregelen inhouden, die in het bijzonder beoogen den vrijen doorvoer de faciliteiten te hergeven, die vóór de behandeling of het feit, dat aanleiding tot het geschil heeft gegeven, werden genoten.
Indien het geschil niet beslecht kan worden door middel van een van de procedures die in het voorafgaand lid zijn aangegeven, zullen de Verdragstaten hun geschil onderwerpen aan arbitrage, tenzij zij, krachtens een overeenkomst tusschen de Partijen, besloten hebben of besluiten, het geschil voor het Permanente Hof van Internationale Justitie te brengen.
Artikel 36
Indien de zaak wordt onderworpen aan het Permanente Hof van Internationale Justitie, zal zij worden berecht overeenkomstig de voorwaarden neergelegd in art. 27 van het Statuut van dit Hof.
Ingeval van arbitrage en tenzij de Partijen anders beslissen, zal iedere Partij een scheidsrechter aanwijzen en het derde lid van het scheidsgerecht zal worden gekozen door de scheidsrechters, of indien deze laatsten niet tot overeenstemming kunnen komen, worden benoemd door den Raad van den Volkenbond uit de lijst van bijzitters voor geschillen inzake doorvoer en verkeer als bedoeld in art. 27 van het Statuut van het Permanente Hof van Internationale Justitie; in dit laatste geval zal het derde lid gekozen worden overeenkomstig de bepalingen van het voorlaatste lid van art. 4 en het eerste lid van art. 5 van het Volkenbondverdrag.
Het scheidsgerecht zal oordeelen op den grondslag van het compromis, dat in gemeen overleg tusschen de Partijen is vastgesteld. Indien de Partijen niet tot overeenstemming hebben kunnen komen, zal het scheidsgerecht beslissende met algemeene stemmen het compromis vaststellen, na onderzoek van de eischen die de Partijen doen gelden; ingeval geen eenstemmigheid zou worden verkregen, zal de Raad van den Volkenbond het compromis vaststellen overeenkomstig de in het vorig lid bedoelde voorschriften. Indien het compromis de procedure niet vaststelt, zal het scheidsgerecht zelf deze vaststellen.
De Partijen verbinden zich, in den loop van de scheidsrechterlijke procedure en behoudens afwijkende bepalingen in het compromis aan het Permanente Hof van Internationale Justitie te onderwerpen iedere vraag van internationaal recht of ieder punt van juridische uitlegging van dit Statuut, ten aanzien waarvan het scheidsgerecht, op verzoek van een der Partijen, de voorafgaande beslissing noodig zou oordeelen voor de regeling van het geschil.
Artikel 37
De Verdragstaten zullen bevorderen, dat bijzondere overeenkomsten worden gesloten teneinde de uitvoering van de bepalingen van dit Statuut mogelijk te maken in gevallen, waarin de bestaande overeenkomsten voor dit doel niet voldoende zijn.
Artikel 38
De bepalingen van dit Statuut zullen door middel van bijzondere overeenkomsten kunnen worden uitgestrekt tot ondernemingen, die het vervoer verzorgen langs een anderen weg dan langs spoorwegen, in het bijzonder in die gevallen waarin zoodanige ondernemingen optreden om het spoorwegvervoer aan te vullen.
Deze ondernemingen zijn dan onderworpen aan alle opgelegde verplichtingen en in het genot van alle rechten, die door dit Statuut aan den spoorweg worden toegekend.
Evenwel zullen de in het eerste lid bedoelde bijzondere overeenkomsten iedere afwijking van dit Statuut, welke zou voortvloeien uit het verschil in geaardheid van het vervoer, kunnen toestaan. In het bijzonder zullen deze afwijkingen voor zoover betreft contracten, van toepassing op een internationaal vervoer, dat gedeeltelijk per spoorweg en gedeeltelijk over zee geschiedt, voorzieningen kunnen treffen voor de toepassing van het zeerecht ten aanzien van het vervoer over zee.
Artikel 39
Bij gebreke van de toepassing van bijzondere overeenkomsten, als bedoeld in art. 38, zullen redelijke faciliteiten worden verleend voor het vervoer, dat gedeeltelijk per spoor gedeeltelijk op andere wijze, bijv. over zee geschiedt.
Artikel 40
De Verdragstaten verplichten zich om in de bestaande verdragen, die in strijd zouden komen met de bepalingen van dit Statuut, zoodra de omstandigheden dit mogelijk zullen maken en althans op het oogenblik, dat deze verdragen afloopen, alle wijzigingen aan te brengen, waardoor deze verdragen in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van dit Statuut, voor zoover de aardrijkskundige, economische of technische gesteldheid van de landen of streken, die het voorwerp zijn van deze verdragen zulks mogelijk zal maken.
Artikel 41
Onverminderd de toepassing van art. 24 van het Volkenbondverdrag zullen alle bureau's, die ingesteld zijn of ingesteld zullen worden krachtens internationale verdragen, met het doel om de regeling te bevorderen tusschen Staten van vragen betreffende het spoorwegvervoer, geacht worden uit te gaan van dezelfde gedachte als de organen van den Volkenbond en op hun eigen gebied – met het oog op de uitvoering van dit Verdrag – de werkzaamheden van deze organen van den Volkenbond voortzetten; derhalve zullen zij met de bevoegde organen van den Volkenbond alle desbetreffende inlichtingen uitwisselen ten aanzien van de uitoefening van hun taak inzake internationale samenwerking.
Artikel 42
De Verdragstaten zullen alle noodige maatregelen nemen om aan den Volkenbond alle inlichtingen te verstrekken, welke het aan de organisaties van den Bond mogelijk maken om de taak uit te oefenen, die op haar rust inzake de toepassing van dit Verdrag.
Artikel 43
Het is wel te verstaan, dat dit Statuut niet mag worden uitgelegd in dien zin, dat het op eenigerlei wijze de rechten en verplichtingen inter se regelt van gebieden die deel uitmaken van of die geplaatst zijn onder de bescherming van eenzelfden souvereinen Staat, onverschillig of deze gebieden elk voor zich Verdragstaten zijn of niet.
Artikel 44
Niets in de voorafgaande artikelen zal kunnen worden uitgelegd als inbreuk te maken in welk opzicht ook op de rechten en verplichtingen van iederen Verdragstaat als Lid van den Volkenbond.
In faith whereof the above-named plenipotentiaries have signed the present Convention.
DONE at Geneva the ninth day of December, one thousand nine hundred and twenty-three, in a single copy which shall remain deposited in the Archives of the Secretariat of the League of Nations.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)