Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes

Type Verdrag
Publication 1934-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 101
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

(Opsomming van Staatshoofden.)

Verlangend de moeilijkheden te voorkomen, waartoe de verscheidenheid van de wetgevingen der landen, waar wisselbrieven moeten circuleeren, aanleiding geeft, en dus de zekerheid en de snelheid der betrekkingen van den internationalen handel te bevorderen,

Hebben als hun Gevolmachtigden aangewezen:

(Lijst van Gevolmachtigden.)

Die, na elkander hun in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel I

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich om de eenvormige wet, vervat in Bijlage I van dit Verdrag, binnen haar grondgebied in te voeren, hetzij in een der oorspronkelijke teksten, hetzij in haar landstaal.

Deze verbintenis zal, indien daartoe aanleiding bestaat, beperkt worden door zoodanige voorbehouden als ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding zal aangeven. Deze voorbehouden moeten worden gekozen uit de in Bijlage II van dit Verdrag vermelde.

Echter kunnen de voorbehouden, bedoeld bij de artikelen 2, 12 en 18 van genoemde Bijlage II, worden gemaakt na de bekrachtiging of de toetreding, mits daarvan wordt kennis gegeven aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van den tekst dier voorbehouden onmiddellijk zal kennis geven aan de Leden van den Volkenbond en aan de Staten niet-Leden, ten wier name dit Verdrag zal zijn bekrachtigd of ten wier name de toetreding zal hebben plaats gehad. Zoodanige voorbehouden zullen niet van kracht zijn voor den negentigsten dag, volgende op de ontvangst der bovengenoemde kennisgeving door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, in geval van dringende noodzakelijkheid, na bekrachtiging of toetreding, gebruik maken van de voorbehouden bedoeld bij de artikelen 7 en 22 van genoemde Bijlage II. In deze gevallen zal zij daarvan rechtstreeks en onmiddellijk kennis geven aan alle andere Verdragsluitende Partijen en aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond. De kennisgeving van die voorbehouden zal van kracht worden twee dagen na ontvangst van die kennisgeving door de Hooge Verdragsluitende Partijen.

Artikel II

De eenvormige wet zal binnen het grondgebied van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen niet van toepassing zijn op wisselbrieven en orderbriefjes, welke reeds getrokken waren op het oogenblik van de inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel III

Dit Verdrag, waarvan de Fransche en Engelsche teksten beide authentiek zijn, zal de dagteekening van heden dragen.

Het zal tot 6 September 1930 kunnen worden onderteekend namens ieder Lid van den Volkenbond en iederen Staat niet-Lid.

Artikel IV

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd.

De oorkonden van bekrachtiging zullen vóór den 1sten September 1932 worden nedergelegd bij den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die van de ontvangst onmiddellijk mededeeling zal doen aan alle Leden van den Volkenbond en aan alle Staten niet-Leden, die partij zijn bij dit Verdrag.

Artikel V

Van 6 September 1930 af zal ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid tot dit Verdrag kunnen toetreden.

Deze toetreding zal geschieden door een kennisgeving aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, die haar zal nederleggen in de archieven van het Secretariaat.

De Secretaris-Generaal zal van de nederlegging onmiddellijk kennis geven aan allen, die dit Verdrag hebben onderteekend, of die daartoe zijn toegetreden.

Artikel VI

Dit Verdrag treedt eerst in werking, wanneer de bekrachtiging of de toetreding zal hebben plaats gehad namens zeven Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, waaronder drie permanente Leden van den Volkenbondsraad.

De datum van inwerkingtreding zal zijn de negentigste dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond van de zevende bekrachtiging of toetreding, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.

De Secretaris-Generaal van den Volkenbond zal, bij het doen der kennisgevingen, bedoeld bij de artikelen IV en V, in het bijzonder doen blijken, dat de bekrachtigingen of toetredingen, bij het eerste lid van dit artikel bedoeld, verkregen zijn.

Artikel VII

Iedere bekrachtiging of toetreding, welke zal geschieden na de inwerkingtreding van het Verdrag overeenkomstig artikel VI, zal van kracht zijn te rekenen van af den negentigsten dag, volgende op den datum van haar ontvangst door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Artikel VIII

Behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid kan dit Verdrag niet worden opgezegd voor het einde van een termijn van twee jaren, te rekenen van af den datum zijner inwerkingtreding voor het Lid van den Volkenbond of voor den Staat niet-Lid, die tot opzegging overgaat; deze opzegging zal van kracht worden te rekenen van af den negentigsten dag, volgende op de ontvangst door den Secretaris-Generaal van de tot hem gerichte kennisgeving.

Iedere opzegging zal onmiddellijk door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond worden medegedeeld aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen.

De Hooge Verdragsluitende Partij, die in de gevallen van dringende noodzakelijkheid opzegt, zal daarvan rechtstreeks en onmiddellijk mededeeling doen aan alle andere Hooge Verdragsluitende Partijen, en de opzegging zal van kracht worden twee dagen na de ontvangst van de mededeeling door genoemde Hooge Verdragsluitende Partijen. De Hooge Verdragsluitende Partij, welke aldus opzegt, zal van haar besluit eveneens mededeeling doen aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Iedere opzegging zal slechts van kracht zijn voor de Hooge Verdragsluitende Partij, namens welke zij zal hebben plaats gehad.

Artikel IX

Ieder Lid van den Volkenbond en iedere Staat niet-Lid, voor wien dit Verdrag van kracht is, zal na het einde van het vierde jaar, volgende op de inwerkingtreding van dit Verdrag een verzoek kunnen richten tot den Secretaris-Generaal van den Volkenbond, strekkende tot herziening van enkele of van alle bepalingen van dit Verdrag.

Indien een zoodanig verzoek, na mededeeling aan de andere Leden van den Volkenbond of Staten niet-Leden, voor wie het Verdrag alsdan van kracht zal zijn, binnen den termijn van een jaar wordt gesteund door tenminste zes van hen, zal de Raad van den Volkenbond beslissen of er reden is te dien einde een Conferentie samen te roepen.

Artikel X

De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen op het oogenblik van onderteekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat zij door de aanvaarding van dit Verdrag geen verplichting op zich wenschen te nemen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst; in dat geval zal dit Verdrag niet van toepassing zijn op de gebieden, die in een zoodanige verklaring zijn genoemd.

De Hooge Verdragsluitende Partijen kunnen later ten allen tijde ter kennis van den Secretaris-Generaal van den Volkenbond brengen, dat zij wenschen, dat dit Verdrag van toepassing zal zijn op alle of eenige gebieden, die in de verklaring, bedoeld in het voorgaande lid, zijn genoemd. In dat geval zal het Verdrag van toepassing zijn op de gebieden, die in deze mededeeling worden genoemd, negentig dagen na de ontvangst daarvan door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond.

Evenzoo kunnen de Hooge Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, overeenkomstig artikel VIII, opzeggen ten aanzien van alle of eenige van haar koloniën, protectoraten of gebieden, die onder haar suzereiniteit of mandaat zijn geplaatst.

Artikel XI

Dit Verdrag zal door den Secretaris-Generaal van den Volkenbond onmiddellijk bij zijn inwerkingtreding worden geregistreerd. Het zal vervolgens zoo spoedig mogelijk worden gepubliceerd in den „Recueil des Traités” van den Volkenbond.

TITEL EERSTE. Van den wisselbrief.

HOOFDSTUK I. Van de uitgifte en den vorm van den wisselbrief.

Artikel 1

De wisselbrief behelst:

  • 1°. de benaming „wisselbrief", opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
  • 2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  • 3°. den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);
  • 4°. de aanwijzing van den vervaldag;
  • 5°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
  • 6°. den naam van dengene, aan wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  • 7°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is getrokken;
  • 8°. de handteekening van dengene, die den wisselbrief uitgeeft (trekker).
Artikel 2

De titel, waarin ééne der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder genoemde gevallen:

De wisselbrief, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie des betrokkenen.

De wisselbrief, welke niet de plaats aanwijst, waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.

Artikel 3

De wisselbrief kan aan de order van den trekker luiden.

Hij kan worden getrokken op den trekker zelf.

Hij kan worden getrokken voor rekening van eenen derde.

Artikel 4

Een wisselbrief kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van eenen derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.

Artikel 5

In eenen wisselbrief, betaalbaar op zicht of een zekeren tijd na zicht, kan de trekker bepalen, dat de som rente draagt. In elken anderen wisselbrief wordt deze clausule voor niet geschreven gehouden.

De rentevoet moet in den wisselbrief worden aangegeven. Bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.

De rente loopt te rekenen van de dagteekening van den wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.

Artikel 6

De wisselbrief, waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten beloope van de som, voluit in letters geschreven.

De wisselbrief, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de kleinste som.

Artikel 7

Indien de wisselbrief handteekeningen bevat van personen, die onbekwaam zijn zich door middel van eenen wisselbrief te verbinden, valsche handteekeningen, of handteekeningen van verdichte personen, of handteekeningen, welke, onverschillig om welke andere reden, de personen, die die handteekeningen hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen der andere personen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, desalniettemin geldig.

Artikel 8

Ieder, die zijne handteenening op eenen wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van eenen persoon, voor wien hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens den wisselbrief verbonden, en heeft, betaald hebbende, dezelfde rechten, als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van den vertegenwoordiger, die zijne bevoegdheid heeft overschreden.

Artikel 9

De trekker staat in voor de acceptatie en voor de betaling.

Hij kan zijne verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule, waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet-geschreven gehouden.

Artikel 10

Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde der uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan den houder, tenzij deze den wisselbrief te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.

HOOFDSTUK II. Van het endossement.

Artikel 11

Elke wisselbrief, ook die welke niet uitdrukkelijk aan order luidt, kan door middel van endossement worden overgedragen.

Indien de trekker in den wisselbrief de woorden: „niet aan order” of een soortgelijke uitdrukking heeft opgenomen, kan het stuk slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone cessie.

Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordeele van den betrokkene, al of niet acceptant, van den trekker, of van elken anderen wisselschuldenaar. Deze personen kunnen den wisselbrief opnieuw endosseeren.

Artikel 12

Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke daarin opgenomen voorwaarde wordt voor niet-geschreven gehouden.

Het gedeeltelijke endossement is nietig.

Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.

Artikel 13

Het endossement moet worden gesteld op den wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden onderteekend door den endossant.

Het endossement kan den geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van den wisselbrief of op het verlengstuk worden gesteld.

Artikel 14

Door het endossement worden alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.

Indien het endossement in blanco is, kan de houder:

  • 1°. het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een anderen persoon;
  • 2°. den wisselbrief wederom in blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
  • 3°. den wisselbrief aan eenen derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseeren.
Artikel 15

Tenzij het tegendeel bedongen is, staat de endossant in voor de acceptatie en voor de betaling.

Hij kan een nieuw endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.

Artikel 16

Hij, die eenen wisselbrief onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, zelfs indien het laatste endossement in blanco is gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de onderteekenaar van dit laatste geacht den wisselbrief door een endossement in blanco verkregen te hebben.

Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van den wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het voorgaande lid aangegeven, niet verplicht den wisselbrief af te geven, tenzij hij dezen te kwader trouw heeft verkregen, of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.

Artikel 17

Zij, die uit hoofde van den wisselbrief worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den trekker of tot vroegere houders, niet aan den houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 18

Wanneer het endossement de vermelding bevat: „waarde ter incasseering”, „ter incasso”, „in lastgeving”, of eenige andere vermelding, met zich brengend een bloote opdracht tot inning, kan de houder alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan dezen niet anders endosseeren dan bij wege van lastgeving.

De wisselschuldenaren kunnen in dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.

De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere onbekwaamheid van den lastgever.

Artikel 19

Wanneer een endossement de vermelding bevat: „waarde tot zekerheid”, „waarde tot pand”, of eenige andere vermelding, welke inpandgeving met zich brengt, kan de houder alle uit den wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld endossement geldt slechts als endossement bij wege van lastgeving.

De wisselschuldenaren kunnen den houder de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den endossant, niet tegenwerpen, tenzij de houder bij de ontvangst van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.

Artikel 20

Een endossement, gesteld na den vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld vóór den vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het protest van non-betaling of na het verstrijken van den termijn, voor het opmaken van het protest bepaald, slechts de gevolgen eener gewone cessie.

Behoudens tegenbewijs wordt het endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van den termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.

HOOFDSTUK III. Van de acceptatie.

Artikel 21

De wisselbrief kan tot den vervaldag door den houder of door iemand, die hem enkel onder zich heeft, aan den betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.

Artikel 22

In elken wisselbrief kan de trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen, dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.

Hij kan in den wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens wisselbrieven, betaalbaar bij eenen derde, of betaalbaar in een andere plaats dan die van het domicilie des betrokkenen of betaalbaar een zekeren tijd na zicht.

Hij kan ook bepalen, dat de aanbieding ter acceptatie niet kan plaats hebben vóór een bepaalden dag.

Tenzij de trekker heeft verklaard, dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, kan elke endossant, al dan niet met vaststelling van eenen termijn, bepalen, dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.

Artikel 23

Wisselbrieven, betaalbaar een zekeren tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden binnen een jaar na hunne dagteekening.

De trekker kan dezen termijn verkorten of verlengen.

De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.

Artikel 24

De betrokkene kan verzoeken, dat hem een tweede aanbieding wordt gedaan den dag, volgende op de eerste. Belanghebbenden zullen niet zich er op mogen beroepen, dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het protest is vermeld.

De houder is niet verplicht, den ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan den betrokkene af te geven.

Artikel 25

De acceptatie wordt op den wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord: „geaccepteerd”, of door een soortgelijk woord; zij wordt door den betrokkene onderteekend. De enkele handteekening van den betrokkene, op de voorzijde van den wisselbrief gesteld, geldt als acceptatie.

Wanneer de wisselbrief betaalbaar is een zekeren tijd na zicht, of wanneer hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalden termijn, moet de acceptatie als dagteekening inhouden den dag, waarop zij is geschied, tenzij de houder dien van de aanbieding eischt. Bij gebreke van dagteekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en den trekker.

Artikel 26

De acceptatie is onvoorwaardelijk, maar de betrokkene kan haar beperken tot een gedeelte van de som.

Elke andere wijziging, door den acceptant met betrekking tot het in den wisselbrief vermelde aangebracht, geldt als weigering van acceptatie. De acceptant is echter gehouden overeenkomstig den inhoud zijner acceptatie.

Artikel 27

Wanneer de trekker den wisselbrief op een andere plaats dan die van het domicilie des betrokkenen heeft betaalbaar gesteld, zonder eenen derde aan te wijzen, bij wien de betaling moet worden gedaan, kan de betrokkene dezen bij de acceptatie aanwijzen. Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de acceptant geacht zich verbonden te hebben zelf te betalen op de plaats van betaling.

Indien de wisselbrief betaalbaar is aan het domicilie des betrokkenen, kan deze, in de acceptatie, een adres aanwijzen, in dezelfde plaats, waar de betaling moet worden gedaan.

Artikel 28

Door de acceptatie verbindt de betrokkene zich, den wisselbrief op den vervaldag te betalen.

Bij gebreke van betaling heeft de houder, al ware hij de trekker, tegen den acceptant een rechtstreeksche vordering, uit den wisselbrief voortspruitend, voor al hetgeen kan worden gevorderd krachtens de artikelen 48 en 49.

Artikel 29

Indien de betrokkene zijn op den wisselbrief gestelde acceptatie heeft doorgehaald vóór de teruggave van den wisselbrief, wordt de acceptatie geacht te zijn geweigerd. Behoudens tegenbewijs wordt de doorhaling geacht te zijn geschied vóór de teruggave van den wisselbrief.

Indien echter de betrokkene van zijne acceptatie schriftelijk heeft doen blijken aan den houder of aan iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, is hij tegenover dezen gehouden overeenkomstig den inhoud van zijne acceptatie.

HOOFDSTUK IV. Van het aval.

Artikel 30

De betaling van eenen wisselbrief kan voor het geheel of een gedeelte van de wisselsom door eenen borgtocht (aval) worden verzekerd.

Deze borgtocht kan door eenen derde, of zelfs door iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, worden gegeven.

Artikel 31

Het aval wordt op den wisselbrief of op een verlengstuk gesteld.

Het wordt uitgedrukt door de woorden: „goed voor aval” of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door den avalgever onderteekend.

De enkele handteekening van den avalgever, gesteld op de voorzijde van den wisselbrief, geldt als aval, behalve wanneer de handteekening die is van den betrokkene of van den trekker.

In het aval moet worden vermeld, voor wien het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor den trekker te zijn gegeven.

Artikel 32

De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene, voor wien het aval is gegeven.

Zijne verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek, de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.

Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens den wisselbrief kunnen worden uitgeoefend tegen dengene, voor wien het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover dezen krachtens den wisselbrief verbonden zijn.

HOOFDSTUK V. Van den vervaldag.

Artikel 33

Een wisselbrief kan worden getrokken:

  • op zicht;
  • op een zekeren tijd na zicht;
  • op een zekeren tijd na dagteekening;
  • op een bepaalden dag.

Wisselbrieven met anders bepaalde vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.

Artikel 34

De wisselbrief, getrokken op zicht, is betaalbaar bij de aanbieding. Hij moet ter betaling worden aangeboden binnen een jaar na zijne dagteekening. De trekker kan dezen termijn verkorten of verlengen. De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.

De trekker kan voorschrijven, dat een wisselbrief niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een bepaalden dag. In dat geval loopt de termijn van aanbieding van dien dag af.

Artikel 35

De vervaldag van eenen wisselbrief, getrokken op een zekeren tijd na zicht, wordt bepaald, hetzij door de dagteekening der acceptatie, hetzij door die van het protest.

Bij gebreke van protest wordt de niet-gedagteekende acceptatie ten aanzien van den acceptant geacht te zijn gedaan op den laatsten dag van den termijn, voor de aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.

Artikel 36

De wisselbrief, getrokken op een of meer maanden na dagteekening of na zicht, vervalt op den overeenkomstigen dag van de maand, waarin de betaling moet worden gedaan. Bij gebreke van een overeenkomstigen dag vervalt een zoodanige wisselbrief op den laatsten dag van die maand.

Bij eenen wisselbrief, getrokken op een of meer maanden en een halve maand na dagteekening of na zicht, worden eerst de geheele maanden gerekend.

Is de vervaldag bepaald op het begin, het midden (half Januari, half Februari enz.) of op het einde van eene maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan: de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.

Onder de uitdrukkingen: „acht dagen”, „vijftien dagen”, moet worden verstaan niet ééne of twee weken, maar een termijn van acht of van vijftien dagen.

De uitdrukking „halve maand” duidt eenen termijn van vijftien dagen aan.

Artikel 37

De vervaldag van eenen wisselbrief, betaalbaar op een bepaalden dag, in eene plaats, waar de tijdrekening een andere is dan die van de plaats van uitgifte, wordt geacht te zijn vastgesteld volgens de tijdrekening van de plaats van betaling.

De dag van uitgifte van eenen wisselbrief, getrokken tusschen twee plaatsen met verschillende tijdrekening en betaalbaar een zekeren tijd na dagteekening, wordt herleid tot den overeenkomstigen dag van de tijdrekening van de plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig vastgesteld.

De termijnen van aanbieding der wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid.

Dit artikel is niet van toepassing, indien uit eene in den wisselbrief opgenomen clausule of uit zijne bewoordingen een afwijkende bedoeling kan worden afgeleid.

HOOFDSTUK VI. Van de betaling.

Artikel 38

De houder van eenen wisselbrief, betaalbaar op een bepaalden dag of een zekeren tijd na dagteekening of na zicht, moet dezen ter betaling aanbieden, hetzij den dag, waarop hij betaalbaar is, hetzij eenen der twee daaropvolgende werkdagen.

De aanbieding van eenen wisselbrief aan eene verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling.

Artikel 39

De betrokkene, den wisselbrief betalende, kan vorderen, dat hem deze, van behoorlijke kwijting van den houder voorzien, wordt uitgeleverd.

De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.

In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen, dat van die betaling op den wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.

Artikel 40

De houder van eenen wisselbrief kan niet genoodzaakt worden, vóór den vervaldag betaling te ontvangen.

De betrokkene, die vóór den vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.

Hij, die op den vervaldag betaalt, is deugdelijk gekweten, mits er zijnerzijds geen bedrog plaats heeft of grove schuld aanwezig is. Hij is gehouden, de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handteekening der endossanten te onderzoeken.

Artikel 41

Een wisselbrief, waarvan de betaling is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, kan worden betaald in het geld van het land volgens zijne waarde op den vervaldag. Indien de schuldenaar in gebreke is, kan de houder te zijner keuze vorderen, dat de wisselsom betaald wordt in het geld van het land volgens den koers, hetzij van den vervaldag, hetzij van den dag van betaling.

De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in den wisselbrief voorgeschreven koers.

Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).

Indien het bedrag van den wisselbrief is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming, maar eene verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.

Artikel 42

Bij gebreke van aanbieding ter betaling van den wisselbrief binnen den termijn, bij artikel 38 vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid, het bedrag te bevoegder plaatse in consignatie te geven, op kosten en onder verantwoordelijkheid van den houder.

HOOFDSTUK VII. Van het recht van regres in geval van non-acceptatie of non-betaling.

Artikel 43

De houder kan zijn recht van regres op de endossanten, den trekker en de andere wisselschuldenaren uitoefenen:

Op den vervaldag:

  • indien de betaling niet heeft plaats gehad;

Zelfs vóór den vervaldag:

  • 1°. indien de acceptatie geheel of gedeeltelijk is geweigerd;
  • 2°. in geval van faillissement van den betrokkene, al of niet acceptant, van staking van deszelfs betalingen, al ware deze niet bij een vonnis vastgesteld, of van vergeefsch beslag op zijne goederen;
  • 3°. in geval van faillissement van den trekker van een niet voor acceptatie vatbaren wisselbrief.
Artikel 44

De weigering van acceptatie of van betaling moet worden vastgesteld bij authentieke acte (protest van non-acceptatie of van non-betaling).

Het protest van non-acceptatie moet worden opgemaakt binnen de termijnen, voor de aanbieding ter acceptatie vastgesteld. Indien, in het geval bij artikel 24, lid 1, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaats gehad op den laatsten dag van den termijn, kan het protest nog op den volgenden dag worden gedaan.

Het protest van non-betaling van eenen wisselbrief, betaalbaar op een bepaalden dag of zekeren tijd na dagteekening of na zicht, moet worden gedaan op éénen der twee werkdagen, volgende op den dag, waarop de wisselbrief betaalbaar is. Indien het eenen wisselbrief, betaalbaar op zicht, betreft, moet het protest worden gedaan, overeenkomstig de bepalingen bij het voorgaande lid vastgesteld voor het opmaken van het protest van non-acceptatie.

Het protest van non-acceptatie maakt de aanbieding ter betaling en het protest van non-betaling overbodig.

Indien de betrokkene, al of niet acceptant, zijne betalingen gestaakt heeft, of indien te vergeefs beslag op zijne goederen gelegd is, kan de houder zijn recht van regres niet uitoefenen dan nadat de wisselbrief ter betaling aan den betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.

Indien de betrokkene, al of niet acceptant, is failliet verklaard, of indien de trekker van eenen wisselbrief, welke niet vatbaar is voor acceptatie, is failliet verklaard, kan de houder, voor de uitoefening van zijn recht van regres, volstaan met overlegging van het vonnis, waarbij het faillissement is uitgesproken.

Artikel 45

De houder moet van de non-acceptatie of van de non-betaling kennis geven aan zijnen endossant en aan den trekker binnen de vier werkdagen, volgende op den dag van het protest of, indien de wisselbrief getrokken is met de clausule zonder kosten, volgende op dien der aanbieding. Elke endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op den dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijnen endossant mededeelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen, die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zoo vervolgens, teruggaande tot den trekker. Deze termijnen loopen van de ontvangst der voorafgaande kennisgeving af.

Indien overeenkomstig het voorgaande lid eene kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen denzelfden termijn aan diens avalgever worden gedaan.

Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan den voorafgaanden endossant.

Hij, die eene kennisgeving heeft te doen kan zulks doen in iederen vorm, zelfs door enkele terugzending van den wisselbrief.

Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen den vastgestelden termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, die de kennisgeving behelst, binnen den genoemden termijn ter post is bezorgd.

Hij, die de kennisgeving niet binnen den bovenvermelden termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de kosten, schaden en interessen de wisselsom kunnen te boven gaan.

Artikel 46

De trekker, een endossant of een avalgever kan, door de clausule „zonder kosten”, „zonder protest”, of een andere soortgelijke op den wisselbrief gestelde en onderteekende clausule, den houder van het opmaken van een protest van non-acceptatie of van non-betaling, ter uitoefening van zijn recht van regres, ontslaan.

Deze clausule ontslaat den houder niet van de aanbieding van den wisselbrief binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming der termijnen moet worden geleverd door dengene, die zich daarop tegenover den houder beroept.

Is de clausule door den trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen; is zij door eenen endossant of door eenen avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor dezen endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door den trekker gestelde clausule, toch protest doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijne rekening. Indien de clausule van eenen endossant of eenen avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest, indien dit is opgemaakt, op allen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, worden verhaald.

Artikel 47

Allen, die eenen wisselbrief hebben getrokken, geaccepteerd, geëndosseerd, of voor aval geteekend, zijn hoofdelijk tegenover den houder verbonden.

De houder kan deze personen, zoowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.

Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt en die dezen, ter voldoening aan zijnen regresplicht, heeft betaald.

De vordering, ingesteld tegen éénen der wisselschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.

Artikel 48

De houder kan van dengene, tegen wien hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen:

  • 1°. De som van den niet-geaccepteerden of niet betaalden wisselbrief met de rente, zoo deze bedongen is;
  • 2°. eene rente van zes ten honderd, te rekenen van den vervaldag;
  • 3°. de kosten van protest, die van de gedane kennisgevingen alsmede de andere kosten.

Zoo de uitoefening van het recht van regres vóór den vervaldag plaats heeft, wordt op de wisselsom eene korting toegepast. Deze korting wordt berekend volgens het officiëele disconto (bank-disconto), geldende ter woonplaats van den houder, op den dag van de uitoefening van het recht van regres.

Artikel 49

Hij, die ter voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief heeft betaald, kan van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:

  • 1°. het geheele bedrag, dat hij betaald heeft;
  • 2°. eene rente van zes ten honderd, te rekenen van den dag der betaling;
  • 3°. de door hem gemaakte kosten.
Artikel 50

Elke wisselschuldenaar, tegen wien het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan, tegen betaling ter voldoening aan zijnen regresplicht, de afgifte vorderen van den wisselbrief met het protest, alsmede een voor voldaan geteekende rekening.

Elke endossant, die ter voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief heeft betaald, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.

Artikel 51

Bij gedeeltelijke acceptatie kan degene, die ter voldoening aan zijnen regresplicht het niet geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, vorderen, dat die betaling op den wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren een voor eensluidend geteekend afschrift van den wisselbrief, alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere regresrechten mogelijk te maken.

Artikel 52

Ieder, die een recht van regres kan uitoefenen, kan, tenzij het tegendeel bedongen is, zich de vergoeding bezorgen door middel van een nieuwen wisselbrief (herwissel), getrokken op zicht op éénen van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn en betaalbaar te diens woonplaats.

De herwissel omvat, behalve de bedragen in de artt. 48 en 49 aangegeven, de bedragen van provisie en het zegel van den herwissel.

Indien de herwissel door den houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens den koers van eenen zichtwissel, getrokken van de plaats, waar de oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van den regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door eenen endossant, wordt het bedrag bepaald volgens den koers van eenen zichtwissel, getrokken van de woonplaats van den trekker van den herwissel op de woonplaats van den regresplichtige.

Artikel 53

Na afloop van de termijnen vastgesteld:

  • voor de aanbieding van eenen wisselbrief getrokken op zicht of zekeren tijd na zicht;
  • voor het opmaken van het protest van non-acceptatie of van non-betaling;
  • voor de aanbieding ter betaling in geval van beding zonder kosten,

vervalt het recht van den houder tegen de endossanten, tegen den trekker, en tegen de andere wisselschuldenaren, met uitzondering van den acceptant.

Bij gebreke van aanbieding ter acceptatie binnen den door den trekker voorgeschreven termijn, vervalt het recht van regres van den houder, zoowel wegens non-betaling als wegens non-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen van den wisselbrief blijkt, dat de trekker zich slechts heeft willen bevrijden van zijne verplichting, voor de acceptatie in te staan.

Indien de bepaling van eenen termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, kan alleen de endossant daarop een beroep doen.

Artikel 54

Wanneer de aanbieding van den wisselbrief of het opmaken van het protest binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van eenigen Staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.

De houder is verplicht, van de overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze kennisgeving gedagteekend en onderteekend op den wisselbrief of op een verlengstuk te vermelden: voor het overige zijn de bepalingen van artikel 45 toepasselijk.

Na het ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld den wisselbrief ter acceptatie of ter betaling aanbieden en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest doen opmaken.

Indien de overmacht meer dan dertig dagen, te rekenen van den vervaldag, aanhoudt, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest noodig is.

Voor wisselbrieven, getrokken op zicht of op zekeren tijd na zicht, loopt de termijn van dertig dagen van den dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van den aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijnen endossant heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekeren tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met den zichttermijn, in den wisselbrief aangegeven.

Feiten, welke voor den houder, of voor dengene, dien hij met de aanbieding van den wisselbrief of met het opmaken van het protest belastte, van zuiver persoonlijken aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.

HOOFDSTUK VIII. Van de tusschenkomst.

I. Algemeene bepalingen.

Artikel 55

De trekker, een endossant, of een avalgever, kan iemand aanwijzen om, in geval van nood, te accepteeren of te betalen.

Onder de hierna vastgestelde voorwaarden kan de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door iemand, die tusschenkomt voor eenen schuldenaar, op wien recht van regres kan worden uitgeoefend.

De interveniënt kan een derde zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens den wisselbrief verbonden persoon, behalve de acceptant.

De interveniënt geeft binnen den termijn van twee werkdagen van zijne tusschenkomst kennis aan dengene, voor wien hij tusschenkwam. In geval van niet-inachtneming van dien termijn is hij, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de kosten, schaden en interessen de wisselsom kunnen te boven gaan.

II. Acceptatie bij tusschenkomst.

Artikel 56

De acceptatie bij tusschenkomst kan plaats hebben in alle gevallen, waarin de houder van eenen voor acceptatie vatbaren wisselbrief vóór den vervaldag recht van regres kan uitoefenen.

Wanneer op den wisselbrief iemand is aangewezen om dezen, in geval van nood, ter plaatse van betaling te accepteeren of te betalen, kan de houder zijn recht tegen dengene, die de aanwijzing heeft gedaan en tegen hen, die daarna hunne handteekeningen op den wisselbrief hebben geplaatst, niet vóór den vervaldag uitoefenen, tenzij hij den wisselbrief aan den aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.

In de andere gevallen van tusschenkomst kan de houder de acceptatie bij tusschenkomst weigeren. Indien hij haar echter aanneemt, verliest hij zijn recht van regres, hetwelk hem vóór den vervaldag toekomt tegen dengene, voor wien de acceptatie is gedaan, en tegen hen, die daarna hunne handteekeningen op den wisselbrief hebben geplaatst.

Artikel 57

De acceptatie bij tusschenkomst wordt op den wisselbrief vermeld; zij wordt door den interveniënt onderteekend. Zij wijst aan, voor wien zij is geschied; bij gebreke van die aanwijzing wordt zij geacht voor den trekker te zijn geschied.

Artikel 58

De acceptant bij tusschenkomst is tegenover den houder en tegenover de endossanten, die den wisselbrief hebben geëndosseerd na dengene, voor wien de tusschenkomst is geschied, op dezelfde wijze als deze laatste verbonden.

Niettegenstaande de acceptatie bij tusschenkomst kunnen degene, voor wien zij werd gedaan en degenen, die tegenover dezen regresplichtig zijn, van den houder, indien daartoe aanleiding bestaat, tegen terugbetaling van de bij artikel 48 aangewezen som, de afgifte van den wisselbrief, van het protest en van een voor voldaan geteekende rekening vorderen.

III. Betaling bij tusschenkomst.

Artikel 59

De betaling bij tusschenkomst kan plaats hebben in alle gevallen, waarin, hetzij op den vervaldag, hetzij vóór den vervaldag, de houder recht van regres heeft.

De betaling moet de geheele som beloopen, welke degene, voor wien zij heeft plaats gehad, moest voldoen.

Zij moet plaats hebben uiterlijk op den dag volgende op den laatsten dag, waarop het protest van non-betaling kan worden opgemaakt.

Artikel 60

Indien de wisselbrief is geaccepteerd door interveniënten, wier domicilie ter plaatse van betaling is gevestigd, of indien personen, wier domicilie in dezelfde plaats is gevestigd, zijn aangeduid om in geval van nood te betalen, moet de houder den wisselbrief aan al die personen aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest van non-betaling doen opmaken uiterlijk op den dag volgende op den laatsten dag, waarop dit kan geschieden.

Bij gebreke van protest binnen dien termijn zijn degene, die het noodadres heeft gesteld of voor wien de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van hunne verbintenis bevrijd.

Artikel 61

De houder, die weigert de betaling bij tusschenkomst aan te nemen, verliest zijn recht van regres op hen, die daardoor zouden zijn bevrijd.

Artikel 62

De betaling bij tusschenkomst moet worden vastgesteld door eene kwijting, geplaatst op den wisselbrief met aanwijzing van dengene, voor wien zij is gedaan. Bij gebreke van die aanwijzing wordt de betaling geacht voor den trekker te zijn gedaan.

De wisselbrief en het protest, indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem, die bij tusschenkomst betaalt.

Artikel 63

Hij, die bij tusschenkomst betaalt, verkrijgt de rechten, uit den wisselbrief voortvloeiende, tegen dengene, voor wien hij heeft betaald, en tegen degenen, die tegenover dezen laatste krachtens den wisselbrief verbonden zijn. Hij mag echter den wisselbrief niet opnieuw endosseeren.

De endossanten, volgende op dengene, voor wien de betaling heeft plaats gehad, zijn bevrijd.

Indien zich meer personen tot de betaling bij tusschenkomst aanbieden, heeft de voorkeur de betaling, welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De interveniënt, die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest zijn recht van regres tegen hen, die anders zouden zijn bevrijd.

HOOFDSTUK IX. Van wisselexemplaren en wisselafschriften.

1. Wisselexemplaren.

Artikel 64

De wisselbrief kan in meer gelijkluidende exemplaren worden getrokken.

Die exemplaren moeten in den tekst zelf van den titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijken wisselbrief.

Iedere houder van eenen wisselbrief, waarin niet is vermeld, dat deze in een enkel exemplaar getrokken is, kan op zijne kosten de levering van meer exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn onmiddellijken endossant wenden, die verplicht is zijne medewerking te verleenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zoo vervolgens, teruggaande tot den trekker. De endossanten zijn verplicht, de endossementen ook op de nieuwe exemplaren aan te brengen.

Artikel 65

De betaling, op één der exemplaren gedaan, bevrijdt, ook al ware niet bedongen, dat die betaling de kracht der andere exemplaren te niet doet. Echter blijft de betrokkene verbonden wegens elk geaccepteerd exemplaar, dat hem niet is uitgeleverd.

De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hunne handteekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.

Artikel 66

Hij, die één der exemplaren ter acceptatie heeft gezonden, moet op de andere exemplaren den naam van den persoon aanwijzen, in wiens handen dat exemplaar zich bevindt. Deze is verplicht, dit aan den rechtmatigen houder van een ander exemplaar uit te leveren.

Weigert hij dit, dan kan de houder slechts zijn recht van regres uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen:

  • 1°. dat het ter acceptatie gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;
  • 2°. dat hij de acceptatie of de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen verkrijgen.

2. Wisselafschriften.

Artikel 67

Elke houder van eenen wisselbrief heeft het recht, daarvan afschriften te vervaardigen.

Het afschrift moet het oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle andere vermeldingen, die er op voorkomen. Het moet aangeven, waar het afschrift ophoudt.

Het kan worden geëndosseerd en voor aval geteekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen, als het oorspronkelijke.

Artikel 68

Het afschrift moet dengene, in wiens handen het oorspronkelijke stuk zich bevindt, vermelden. Deze is verplicht het oorspronkelijke stuk aan den rechtmatigen houder van het afschrift uit te leveren.

Weigert hij dit, dan kan de houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben geëndosseerd of voor aval geteekend, slechts uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.

Indien na het laatste daarop geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het oorspronkelijke stuk de clausule draagt: „van hier af geldt het endossement slechts op de copie”, of eenige andere soortgelijke clausule, is een nadien op het oorspronkelijk stuk geplaatst endossement nietig.

HOOFDSTUK X. Van veranderingen.

Artikel 69

In geval van verandering van den tekst van eenen wisselbrief zijn zij, die daarna hunne handteekeningen op den wisselbrief geplaatst hebben, volgens den veranderden tekst verbonden; zij, die daarvoor hunne handteekeningen op den wisselbrief geplaatst hebben, zijn verbonden volgens den oorspronkelijken tekst.

HOOFDSTUK XI. Van verjaring.

Artikel 70

Alle rechtsvorderingen, welke uit den wisselbrief tegen den acceptant voortspruiten, verjaren door een tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den vervaldag.

De rechtsvorderingen van den houder tegen de endossanten en tegen den trekker verjaren door een tijdsverloop van een jaar, te rekenen van de dagteekening van het tijdig opgemaakte protest of, in geval van de clausule zonder kosten, van den vervaldag.

De rechtsvorderingen van de endossanten tegen elkander en tegen den trekker verjaren door tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop de endossant ter voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief heeft betaald, of van den dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.

Artikel 71

De stuiting der verjaring is slechts van kracht tegen dengene, ten aanzien van wien de stuitingshandeling heeft plaats gehad.

HOOFDSTUK XII. Algemeene bepalingen.

Artikel 72

De betaling van eenen wisselbrief, waarvan de vervaldag een wettelijke feestdag is, kan eerst worden gevorderd op den eerstvolgenden werkdag. Evenzoo kunnen alle andere handelingen met betrekking tot wisselbrieven, met name de aanbieding ter acceptatie en het protest, niet plaats hebben dan op eenen werkdag.

Wanneer ééne van die handelingen moet worden verricht binnen een zekeren termijn, waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot den eersten werkdag, volgende op het einde van dien termijn. De tusschenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van den termijn.

Artikel 73

In de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde termijnen is niet begrepen de dag, waarop deze termijnen beginnen te loopen.

Artikel 74

Gen enkele respijtdag, noch wettelijke, noch rechterlijke, is toegestaan.

TITEL TWEEDE. Van orderbriefjes.

Artikel 75

Het orderbriefje behelst:

  • 1°. de benaming van het stuk, opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
  • 2°. de onvoorwaardelijke belofte een bepaalde som te betalen;
  • 3°. de aanwijzing van den vervaldag;
  • 4°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
  • 5°. den naam van dengene, aan wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  • 6°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar het orderbiljet is onderteekend;
  • 7°. de handteekening van hem, die den titel uitgeeft (onderteekenaar).
Artikel 76

De titel, waarin ééne der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder genoemde gevallen.

Het orderbriefje, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.

Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de onderteekening van den titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie van den onderteekenaar.

Het orderbriefje, dat de plaats van zijne onderteekening niet vermeldt, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam van den onderteekenaar.

Artikel 77

Voor zooverre zij niet onvereenigbaar zijn met den aard van het orderbriefje, zijn daarop toepasselijk de bepalingen over wisselbrieven betreffende:

  • het endossement (artikelen 11–20);
  • den vervaldag (artikelen 33–37);
  • de betaling (artikelen 38–42);
  • het recht van regres in geval van non-betaling (artikelen 43–50, 52–54);
  • de betaling bij tusschenkomst (artikelen 55, 59–63);
  • de afschriften (artikelen 67 en 68);
  • de veranderingen (artikel 69);
  • de verjaring (artikelen 70–71);
  • de feestdagen, de berekening der termijnen en het verbod van respijtdagen (artikelen 72, 73 en 74).

Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende den wisselbrief, betaalbaar bij eenen derde of in een andere plaats dan die van het domicilie van den betrokkene (artikelen 4 en 27), de renteclausule (artikel 5), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som, welke moet worden betaald (artikel 6), de gevolgen van het plaatsen eener handteekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel 7, die van de handteekening van eenen persoon, die handelt zonder bevoegdheid of die zijne bevoegdheid overschrijdt (artikel 8), en den wisselbrief in blanco (artikel 10).

Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen 30–32); indien overeenkomstig hetgeen is bepaald bij artikel 31, laatste lid, het aval niet vermeldt, voor wien het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van den onderteekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.

Artikel 78

De onderteekenaar van een orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van eenen wisselbrief.

De orderbriefjes, betaalbaar zekeren tijd na zicht, moeten ter teekening voor „gezien” aan den onderteekenaar worden aangeboden binnen den bij artikel 23 vastgestelden termijn. De zichttermijn loopt van de dagteekening van het visum, hetwelk door den onderteekenaar op het orderbriefje moet worden geplaatst. De weigering van dezen zijn visum te plaatsen, moet worden vastgesteld door een protest (artikel 25), van welks dagteekening de zichttermijn begint te loopen.

Artikel 1

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan bepalen, dat de verplichting om de benaming „wisselbrief” in de op haar grondgebied getrokken wisselbrieven op te nemen, welke is opgelegd door artikel 1, n°. 1 van de eenvormige wet, eerst behoeft te worden nageleefd, zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel 2

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid, voor de verbintenissen ten aanzien van wisselbrieven op haar grondgebied aangegaan, te bepalen, op welke wijze de handteekening kan worden vervangen door een authentieke verklaring op den wisselbrief zelf gesteld, waaruit de wil blijkt van dengene, die had moeten teekenen.

Artikel 3

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor artikel 10 van de eenvormige wet niet in hare nationale wet op te nemen.

Artikel 4

In afwijking van het bij artikel 31, lid 1, der eenvormige wet bepaalde, heeft ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid te bepalen, dat een borgtocht (aval) op haar grondgebied kan worden gegeven bij een afzonderlijke akte, aanwijzende de plaats, waar hij is gegeven.

Artikel 5

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan artikel 38 der eenvormige wet in dien zin aanvullen, dat een wisselbrief, die op haar grondgebied betaalbaar is, door den houder op den vervaldag zelf aangeboden zal moeten worden; de niet-naleving van deze verplichting kan slechts tot vergoeding van kosten, schaden en interessen aanleiding geven.

De andere Hooge Verdragsluitende Partijen zullen de bevoegdheid hebben de voorwaarden te bepalen, waarop zij een zoodanige verplichting erkennen.

Artikel 6

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zal, in verband met de toepassing van artikel 38, laatste lid, van de eenvormige wet kunnen bepalen, welke instellingen volgens de nationale wet moeten worden beschouwd als verrekeningskamers.

Artikel 7

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, zoo zij het noodig acht, in buitengewone omstandigheden in verband met den wisselkoers van haar geld, afwijken van hetgeen is bepaald in artikel 41 betreffende de werkelijke betaling in vreemd geld, voor wisselbrieven betaalbaar op haar grondgebied. Dezelfde regel kan worden toegepast voor het trekken van wisselbrieven in vreemd geld op het nationale grondgebied.

Artikel 8

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan bepalen, dat de protesten op haar grondgebied op te maken, kunnen worden vervangen door een gedagteekende verklaring op den wisselbrief zelf gesteld en door den betrokkene geteekend, tenzij de trekker in den tekst van den wisselbrief een protest bij authentieke akte eischt.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft eveneens de bevoegdheid te bepalen, dat genoemde verklaring in een openbaar register moet worden overgeschreven binnen de voor het opmaken der protesten vastgestelde termijnen.

In het geval voorzien bij de voorgaande leden, wordt het endossement zonder dagteekening vermoed vóór het protest te zijn gedaan.

Artikel 9

In afwijking van het bij artikel 44, lid 3, van de eenvormige wet bepaalde, heeft ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid te bepalen, dat het protest van non-betaling moet worden opgemaakt, hetzij den dag, waarop de wisselbrief betaalbaar is, hetzij op éénen der twee daaropvolgende werkdagen.

Artikel 10

Het is aan de wetgeving van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen voorbehouden op nauwkeurige wijze nader de rechtsbegrippen te omschrijven, bedoeld in artikel 43, nos. 2 en 3, en in artikel 44, lid 5 en 6, van de eenvormige wet.

Artikel 11

In afwijking van de bepalingen der artikelen 43, nos. 2 en 3, en 74 der eenvormige wet, houdt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich de bevoegdheid voor in hare wetgeving de mogelijkheid te openen, voor degenen, die uit hoofde van eenen wisselbrief regresplichtig zijn, en op wien dat recht van regres wordt uitgeoefend, respijttermijnen te bekomen, die in geen geval den vervaldag van den wisselbrief mogen overschrijden.

Artikel 12

In afwijking van het bepaalde bij artikel 45 der eenvormige wet heeft ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid te behouden of in te voeren het volgende stelsel, waarbij de kennisgeving door een openbaar ambtenaar gedaan wordt, te weten: dat bij het opmaken van het protest van non-acceptatie of van non-betaling, de notaris of de ambtenaar, die volgens de nationale wet bevoegd is tot het opmaken van protest, verplicht is daarvan bij geschrifte kennis te geven aan de uit hoofde van den wisselbrief verbonden personen, wier adressen, hetzij op den wisselbrief zijn aangegeven, hetzij bekend zijn aan den ambtenaar, die het protest opmaakt, hetzij zijn aangegeven door de personen, die opmaking van het protest hebben gevraagd. De kosten van een zoodanige kennisgeving moeten aan de protestkosten worden toegevoegd.

Artikel 13

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan, voor wat betreft wisselbrieven, uitgegeven en betaalbaar op haar grondgebied, bepalen, dat de rentevoet, waarvan in artikel 48, n°. 2, en in artikel 49, n°. 2, van de eenvormige wet sprake is, kan worden vervangen door de wettelijke rente, welke op het grondgebied van die Hooge Verdragsluitende Partij geldt.

Artikel 14

In afwijking van het bij artikel 48 der eenvormige wet bepaalde, behoudt ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen zich de bevoegdheid voor in de nationale wet te bepalen, dat de houder van dengene, tegen wien hij zijn recht van verhaal uitoefent, een commissierecht kan vorderen, waarvan het bedrag door de nationale wet zal worden bepaald.

Hetzelfde geldt, in afwijking van het bij artikel 49 van de eenvormige wet bepaalde, voor dengene, die ter voldoening aan zijnen regresplicht, den wisselbrief betaald hebbende, het bedrag daarvan vordert van degenen, die tegenover hen regresplichtig zijn.

Artikel 15

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen is vrij te bepalen, dat in geval van verval of van verjaring, eene rechtsvordering zal blijven bestaan tegen den trekker, die geen fonds heeft bezorgd of tegen eenen trekker of eenen endossant, die zich op onrechtmatige wijze heeft verrijkt. Dezelfde bevoegdheid bestaat, in geval van verjaring, wat betreft den acceptant, die fonds heeft ontvangen of zich op onrechtmatige wijze heeft verrijkt.

Artikel 16

De vraag, of de trekker verplicht is fonds te bezorgen op den vervaldag en of de houder bijzondere rechten heeft op dit fonds wordt ongeregeld gelaten in de eenvormige wet.

Hetzelfde geldt ten aanzien van elke andere vraag betreffende de verhouding, op grond waarvan een wisselbrief is uitgegeven.

Artikel 17

Het blijft aan de wetgeving van ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen voorbehouden, de gronden te bepalen van stuiting en schorsing van de verjaring, der uit eenen wisselbrief voortvloeiende rechtsvorderingen, waarvan hare rechtbanken moeten kennisnemen.

De andere Hooge Verdragsluitende Partijen hebben de bevoegdheid de voorwaarden te bepalen, waaronder zij zoodanige gronden zullen erkennen.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het gevolg eener rechtsvordering als middel om den verjaringstermijn, voorzien bij artikel 70, lid 3, van de eenvormige wet, te doen loopen.

Artikel 18

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid te bepalen, dat zekere werkdagen worden gelijkgesteld met wettelijke feestdagen, voor wat betreft de aanbieding ter acceptatie of ter betaling en alle andere handelingen met betrekking tot de wisselbrieven.

Artikel 19

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen kan de benaming bepalen, welke in haar nationale wet moet worden opgenomen voor de titels, bedoeld bij artikel 75 van de eenvormige wet, of wel die titels van elke bijzondere benaming vrijstellen, mits zij de uitdrukkelijke vermelding bevatten, dat zij aan order zijn.

Artikel 20

De bepalingen van de artikelen 1 tot 18 van deze Bijlage, betreffende den wisselbrief, zijn ook van toepassing op het orderbriefje.

Artikel 21

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor hare verplichting, vermeld in artikel I van het Verdrag, te beperken tot de bepalingen ten aanzien van den wisselbrief, en op haar grondgebied de bepalingen ten aanzien van het orderbriefje voorkomende in den Tweeden Titel van de eenvormige wet, niet in te voeren. Alsdan zal de Hooge Verdragsluitende Partij, die gebruik heeft gemaakt van dit voorbehoud, slechts als verdragpartij worden beschouwd ten aanzien van den wisselbrief.

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich eveneens de bevoegdheid voor om van de bepalingen betreffende het orderbriefje een afzonderlijke regeling te maken, welke geheel gelijk zal zijn aan de bepalingen van den Tweeden Titel van de eenvormige wet, en die de voorschriften betreffende den wisselbrief, waarnaar in dien Tweeden Titel verwezen wordt, in hun geheel zal weergeven, behoudens de wijzigingen, welke voortvloeien uit de artikelen 75, 76, 77 en 78 der eenvormige wet, en de artikelen 19 en 20 van deze Bijlage.

Artikel 22

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid uitzonderingsbepalingen van algemeenen aard uit te vaardigen met betrekking tot de verlenging der termijnen ten aanzien van de handelingen, welke voorwaarde zijn voor het behoud van het recht van regres en ten aanzien van de verlenging der vervaltijden.

Artikel 23

Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich, de wetsvoorschriften door ieder der Hooge Verdragsluitende Partijden, uitgevaardigd, krachtens de artikelen 1 tot 4, 6, 8 tot 16 en 18 tot 21 van deze Bijlage, te erkennen.

IN FAITH WHEREOF the abovementioned Plenipotentiaries have signed the present Convention.

DONE at Geneva, the seventh day of June, one thousand nine hundred and thirty, in a single copy, which shall be deposited in the archives of the Secretariat of the League of Nations, and of which authenticated copies shall de delivered to all Members of the League of Nations and non-Member States represented at the Conference.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)