Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten van de Europese Unie) en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,
de President van de Bondsrepubliek Duitsland,
de President van de Helleense Republiek,
Zijne Majesteit de Koning van Spanje,
de President van de Franse Republiek,
de President van Ierland,
de President van de Italiaanse Republiek,
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,
Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,
de Federale President van de Republiek Oostenrijk,
de President van de Portugese Republiek,
de President van de Finse Republiek,
Zijne Majesteit de Koning van Zweden,
Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest voort te zetten,
Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,
Overwegende dat artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden,
Overwegende dat het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden hebben verzocht lid te worden van de Unie,
Overwegende dat de Raad van de Europese Unie, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,
Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:
Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
Jean-Luc Dehaene
Minister-President
Willy Claes
Minister van Buitenlandse Zaken
Ph. de Schoutheete de Tervarent
Ambassadeur,
Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie
Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,
Poul Nyrup Rasmussen
Minister-President
Niels Helveg Petersen
Minister van Buitenlandse Zaken
Gunnar Riberholdt
Ambassadeur,
Permanente Vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Unie
de President van de Bondsrepubliek Duitsland,
Dr. Helmut Kohl
Bondskanselier
Dr. Klaus Kinkel
Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervangend Bondskanselier
Dr. Dietrich von Kyaw
Ambassadeur,
Permanente Vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Unie
de President van de Helleense Republiek,
Andreas Papandreou
Minister-President
Karolos Papoulias
Minister van Buitenlandse Zaken
Theodoros Pangalos
Onderminister van Buitenlandse Zaken
Zijne Majesteit de Koning van Spanje,
Felipe Gonzalez Marquez
Minister-President
Javier Solana Madariaga
Minister van Buitenlandse Zaken
Carlos Westendorp y Cabeza
Staatssecretaris voor de Betrekkingen met de Europese Gemeenschappen
de President van de Franse Republiek,
Edouard Balladur
Minister-President
Alain Juppé
Minister van Buitenlandse Zaken
Alain Lamassoure
Onderminister van Europese Zaken
Pierre de Boissieu
Ambassadeur,
Permanente Vertegenwoordiger van de Franse Republiek bij de Europese Unie
de President van Ierland,
Albert Reynolds
Minister-President
Dick Spring
Vice-Minister-President en Minister van Buitenlandse Zaken
Padraic McKernan
Ambassadeur, Permanente Vertegenwoordiger van Ierland bij de Europese Unie
de President van de Italiaanse Republiek,
Silvio Berlusconi
Minister-President
Antonio Martino
Minister van Buitenlandse Zaken
Livio Caputo
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,
Jacques Santer
Minister-President
Jacques F. Poos
Vice-Minister-President,
Minister van Buitenlandse Zaken
Jean-Jacques Kasel
Ambassadeur,
Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg bij de Europese Unie
Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,
R. F. M. Lubbers
Minister-President
Dr. P. H. Kooijmans
Minister van Buitenlandse Zaken
Dr. B. R. Bot
Ambassadeur,
Permanente Vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Europese Unie
Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,
Gro Harlem Brundtland
Minister-President
Bjørn Tore Godal
Minister van Buitenlandse Zaken
Grete Knudsen
Minister van Handel en Koopvaardij
Eivinn Berg
Hoofd van de delegatie belast met de onderhandelingen
de Federale President van de Republiek Oostenrijk,
Franz Vranitzky
Bondskanselier
Alois Mock
Bondsminister van Buitenlandse Zaken
Ulrich Stacher
Directeur-Generaal,
Bondskanselarij
Manfred Scheich
Hoofd van de Missie van Oostenrijk bij de Europese Gemeenschappen
de President van de Portugese Republiek,
Anibal Cavaco Silva
Minister-President
José Durão Barroso
Minister van Buitenlandse Zaken
Vitor Martins
Staatssecretaris van Europese Zaken
de President van de Republiek Finland,
Esko Aho
Minister-President
Pertti Salolainen
Minister van Buitenlandse Handel
Heikki Haavisto
Minister van Buitenlandse Zaken
Veli Sundbäck
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
Zijne Majesteit de Koning van Zweden,
Z. Exc. Carl Bildt
Minister-President
H. Exc. Margaretha af Ugglas
Minister van Buitenlandse Zaken
Z. Exc. Ulf Dinkelspiel
Minister van Europese Zaken en van Buitenlandse Handel
Frank Belfrage
Staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Handel
Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
The Rt Hon John Major
Minister-President
The Rt Hon Douglas Hurd
Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken
David Heathcoat-Amory
Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken
Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:
Artikel 1
Het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden lid van de Europese Unie en worden Partij bij de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.
De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.
De in de in lid 1 genoemde Verdragen voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten, alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Unie, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.
Artikel 2
Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1994 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.
Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1995, mits alle akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd.
Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun akten van bekrachtiging hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor de Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Unie, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 25, 26, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 170 en 176 van de Toetredingsakte, van bijlage I bij die Akte en van de Protocollen nr. 1 en nr. 6 die daaraan zijn gehecht; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen en Protocollen, waarin een Staat die zijn akte van bekrachtiging niet heeft neergelegd, met name wordt genoemd, vervallen verklaren of aanpassen.
In afwijking van lid 2 kunnen de Instellingen van de Unie voor de toetreding de maatregelen vaststellen bedoeld in de artikelen 30, 39, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 53, 57, 59, 62, 74, 75, 76, 92, 93, 94, 95, 100, 102, 105, 119, 120, 121, 122, 127, 128, 131, 142, lid 2 en lid 3, tweede alinea, 145, 148, 149, 150, 151 en 169 van de Toetredingsakte en de artikelen 11, lid 6, en 12, lid 2, van Protocol nr. 9. Deze maatregelen treden slechts in werking onder voorbehoud en op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Verdrag.
Artikel 3
Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de lerse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de lerse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse tekst gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.
DEEL EERSTE. BEGINSELEN
Artikel 1
In de zin van deze Akte:
- -. worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Verdragen” bedoeld:
- =. het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS-Verdrag), het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom-Verdrag), zoals deze Verdragen zijn aangevuld of gewijzigd bij Verdragen of andere rechtshandelingen die vóór de onderhavige toetreding in werking zijn getreden,
- =. het Verdrag betreffende de Europese Unie (het EU-Verdrag);
- -. worden met de uitdrukking „huidige Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
- -. wordt met de uitdrukking „de Unie” bedoeld de Unie zoals tot stand gebracht bij het EU-Verdrag;
- -. wordt met de uitdrukking „de Gemeenschap” bedoeld één of meer van de in het eerste streepje vermelde Gemeenschappen, naargelang van het geval;
- -. worden met de uitdrukking „nieuwe Lid-Staten" bedoeld de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden;
- -. worden met de uitdrukking „Instellingen” bedoeld de bij de oorspronkelijke Verdragen opgerichte Instellingen.
Artikel 2
Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze Staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.
Artikel 3
De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe met betrekking tot die overeenkomsten of instrumenten op het gebied van Justitie en Binnenlandse zaken welke onlosmakelijk zijn verbonden met de doelstellingen van het EU-Verdrag:
- -. toe te treden tot de overeenkomsten of instrumenten die vóór de datum van toetreding zijn opengesteld voor ondertekening door de huidige Lid-Staten, alsmede tot de overeenkomsten of instrumenten die door de Raad overeenkomstig Titel VI van het EU-Verdrag zijn opgesteld en waarvan hij de aanneming aan de Lid-Staten heeft aanbevolen.
- -. administratieve en andere regelingen in te voeren in de trant van de regelingen die de huidige Lid-Staten of de Raad reeds hebben aangenomen ter vergemakkelijking van de praktische samenwerking tussen de instellingen en organisaties van de Lid-Staten die actief zijn op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken.
Artikel 4
Bij deze Akte treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten. Zij verbinden zich ertoe op het tijdstip van de toetreding ook toe te treden tot elke andere door de huidige Lid-Staten gesloten overeenkomst die de werking van de Unie betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Unie.
De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 220 van het EG-Verdrag en tot de overeenkomsten die niet te scheiden zijn van het bereiken van de doelstellingen van het EG-Verdrag, alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van deze overeenkomsten, die door de Lid-Staten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met de huidige Lid-Staten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.
De nieuwe Lid-Staten bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Europese Raad of de Raad, alsmede ten aanzien van die welke betrekking hebben op de Gemeenschappen of de Unie en in onderling overleg tussen de Lid-Staten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de huidige Lid-Staten; zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen die hieruit voortvloeien eerbiedigen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.
Artikel 5
De door één van de Gemeenschappen met een of meer derde Staten, met een internationale organisatie dan wel met een onderdaan van een derde Staat gesloten overeenkomsten of akkoorden, zijn verbindend voor de nieuwe Lid-Staten, en wel onder de in de oorspronkelijke Verdragen en in deze Akte neergelegde voorwaarden.
De nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de huidige Lid-Staten en één van de Gemeenschappen gezamenlijk gesloten overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door deze Staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden. De Gemeenschap en de huidige Lid-Staten in het kader van de Unie zijn de nieuwe Lid-Staten hierbij behulpzaam.
Bij deze Akte en onder de daarin neergelegde voorwaarden treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de interne overeenkomsten welke door de Lid-Staten werden gesloten voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.
De nieuwe Lid-Staten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij één van de Gemeenschappen of andere Lid-Staten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Unie.
Artikel 6
Artikel 234 van het EG-Verdrag en de artikelen 105 en 106 van het Euratom-Verdrag zijn voor de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de overeenkomsten en akkoorden gesloten vóór hun toetreding.
Artikel 7
De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.
Artikel 8
De door de Instellingen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.
Artikel 9
De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.
Artikel 10
Ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de Instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.
DEEL TWEEDE. AANPASSING DER VERDRAGEN
TITEL I. INSTITUTIONELE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. HET EUROPEES PARLEMENT
Artikel 11
Wijzigt de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen; Brussel, 20 september 1976.
HOOFDSTUK 2. DE RAAD
Artikel 12
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
Artikel 13
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.
Artikel 14
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.
Artikel 15
Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
HOOFDSTUK 3. DE COMMISSIE
Artikel 16
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
HOOFDSTUK 4. HET HOF VAN JUSTITIE
Artikel 17
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
Artikel 18
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957, en het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Brussel, 17 april 1957.
Artikel 19
Wijzigt het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Brussel, 17 april 1957, het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap; Brussel, 17 april 1957, en het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Brussel, 17 april 1957.
Artikel 20
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
Artikel 21
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
HOOFDSTUK 5. DE REKENKAMER
Artikel 22
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
HOOFDSTUK 6. HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Artikel 23
Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
HOOFDSTUK 7. HET COMITÉ VAN DE REGIO'S
Artikel 24
Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.
HOOFDSTUK 8. HET RAADGEVEND COMITÉ EGKS
Artikel 25
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.
HOOFDSTUK 9. HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH COMITÉ
Artikel 26
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
TITEL II. ANDERE AANPASSINGEN
Artikel 27
Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.
Artikel 28
Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.
DEEL DERDE. AANPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN
Artikel 29
Ten aanzien van de besluiten genoemd in de lijst die voorkomt in bijlage I van deze Akte vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.
Artikel 30
De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de in de lijst die voorkomt in bijlage II van deze Akte genoemde besluiten, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgende de procedure en op de wijze bepaald in artikel 168.
DEEL VIERDE. OVERGANGSMAATREGELEN
TITEL I. INSTITUTIONELE BEPALINGEN
Artikel 31
In de loop van de eerste twee jaren volgend op de toetreding gaat elk van de nieuwe Lid-Staten over tot de verkiezing door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van het in artikel 11 van deze Akte vastgestelde aantal vertegenwoordigers van hun volk in het Europees Parlement, overeenkomstig het bepaalde in de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.
Onmiddellijk bij de toetreding en voor de periode die verstrijkt ten tijde van elk der in lid 1 bedoelde verkiezingen, worden de vertegenwoordigers in het Europees Parlement van het volk van de nieuwe Lid-Staten aangewezen door de volksvertegenwoordigingen van deze Staten uit hun midden, zulks volgens de door elk dezer Staten vastgestelde procedure.
De nieuwe Lid-Staten mogen evenwel verkiezingen voor het Europees Parlement evenwel tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag organiseren, overeenkomstig het aan deze Akte gehechte Protocol nr. 8.
Het mandaat van de overeenkomstig lid 1 of lid 3 verkozen vertegenwoordigers eindigt terzelfdertijd als dat van de vertegenwoordigers die in de huidige Lid-Staten voor de periode van vijfjaar van 1994-1999 zijn gekozen.
TITEL II. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE NOORWEGEN
HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN
Afdeling I. Normen en milieu
Afdeling II. Diversen
HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL
HOOFDSTUK 3. VISSERIJ
Afdeling I. Algemene bepalingen
Afdeling II. Toegang tot de wateren en de visbestanden
Onderafdeling I. Vaartuigen van Noorwegen
Onderafdeling II. Vaartuigen van de huidige Unie
Onderafdeling III. Overige bepalingen
Afdeling III. Externe visbestanden
Afdeling IV. Regeling voor het handelsverkeer
HOOFDSTUK 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE
HOOFDSTUK 5. FINANCIËLE EN BUDGETTAIRE VOORZIENINGEN
TITEL III. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE OOSTENRIJK
HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN
Artikel 69
Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage VIII, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Oostenrijk.
Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.
Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.
HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL
Artikel 70
Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag de Republiek Oostenrijk zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.
TITEL 3. MEDEDINGINGSBELEID
Artikel 71
Onverminderd de leden 2 en 3 van dit artikel past de Republiek Oostenrijk zijn monopolie voor bereide tabak van commerciële aard in de zin van artikel 37, lid 1, van het EG-Verdrag vanaf de datum van toetreding geleidelijk aan om te waarborgen dat er uiterlijk drie jaar na de datum van toetreding geen discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten meer bestaat wat betreft de voorwaarden waaronder goederen worden geleverd en op de markt worden gebracht.
Voor de produkten op de lijst in bijlage IX wordt het exclusieve invoerrecht uiterlijk na drie jaar vanaf de datum van toetreding afgeschaft. Deze afschaffing geschiedt via het geleidelijk openen, vanaf de datum van toetreding, van contingenten voor de invoer van produkten uit de Lid-Staten. Aan het begin van elk van de drie bedoelde jaren opent de Republiek Oostenrijk een contingent dat is berekend op basis van de volgende percentages van het nationale verbruik: 15% voor het eerste jaar, 40% voor het tweede jaar en 70% voor het derde jaar. De volumes die overeenkomen met de percentages voor elk van deze drie jaren worden in de lijst in bijlage IX vermeld.
De hiervoor bedoelde contingenten staan open voor alle ondernemers, zonder enige beperking, en voor in het kader van deze contingenten ingevoerde produkten mag in de Republiek Oostenrijk op groothandelsniveau geen exclusief recht voor het op de markt brengen gelden; in de detailhandel moeten in het kader van contingenten ingevoerde produkten op niet-discriminerende wijze ter verkoop aan de consument worden aangeboden.
Uiterlijk één jaar na haar toetreding roept de Republiek Oostenrijk een onafhankelijke instantie in het leven die verantwoordelijk is voor het toekennen van detailhandelsvergunningen, in overeenstemming met het EG-Verdrag.
Artikel 72
De Republiek Oostenrijk mag ten aanzien van andere Lid-Staten tot 1 januari 1996 de douanerechten en stelsels van vergunningen handhaven zoals zij die op de datum van toetreding toepaste op gedistilleerde dranken en niet-gedenatureerde ethylalcohol met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80% vol van post 22.08 van het GS. Deze stelsels van vergunningen moeten op niet-discriminatoire wijze worden toegepast.
TITEL 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE
Artikel 73
De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Oostenrijk van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.
Artikel 74
De Republiek Oostenrijk kan tot en met 31 december 1996 ten aanzien van de Republiek Hongarije, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek, de Tsjechische Republiek, Roemenië en Bulgarije de invoerbeperkingen handhaven die zij op het tijdstip van haar toetreding toepaste op bruinkool van GN-code 27 02 10 00.
De noodzakelijke aanpassingen van de met deze landen gesloten Europa-overeenkomsten en, zonodig, de Interimovereenkomsten worden aangebracht volgens artikel 76.
Artikel 75
Met ingang van 1 januari 1995 gaat de Republiek Oostenrijk over tot toepassing van:
- a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die Overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is;
- b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.
Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap met de betrokken derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de uitvoer van textiel en kledingprodukten naar de Gemeenschap.
Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 76
Met ingang van 1 januari 1995 past de Republiek Oostenrijk de bepalingen toe van de in artikel 77 bedoelde overeenkomsten.
Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.
Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.
Artikel 77
Artikel 76 is van toepassing op:
- -. de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek). Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Noorwegen, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage II van het EG-Verdrag;
- -. de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;
- -. andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.
Artikel 78
Met ingang van 1 januari 1995 trekt de Republiek Oostenrijk zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960.
TITEL 5. FINANCIËLE EN BUDGETTAIRE VOORZIENINGEN
Artikel 79
Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1988, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.
Artikel 80
De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Oostenrijk met derde landen toepast.
Artikel 81
De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Republiek Oostenrijk uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:
- -. 583 miljoen ecu in 1995,
- -. 106 miljoen ecu in 1996,
- -. 71 miljoen ecu in 1997,
- -. 35 miljoen ecu in 1998.
Artikel 82
Het aandeel van de Republiek Oostenrijk in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 83
Het aandeel van de Republiek Oostenrijk in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
TITEL IV. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE FINLAND
HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN
Afdeling 1. Normen en milieu
Artikel 84
Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage X, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Finland.
Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.
Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.
Afdeling 2. Diversen
Artikel 85
De Republiek Finland mag gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding zijn huidig nationaal stelsel voor de indeling van onbewerkt hout blijven toepassen, voor zover zijn nationale wetgeving en zijn desbetreffende administratieve regelingen niet in strijd zijn met de communautaire wetgeving inzake de interne markt of de handel met derde landen, inzonderheid artikel 6 van Richtlijn 68/89/EEG betreffende de aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten ten aanzien van de indeling van onbewerkt hout.
Gedurende dezelfde periode zal Richtlijn 68/89/EEG overeenkomstig de procedures van het EG-Verdrag worden herzien.
HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL
Artikel 86
In afwijking van artikel 73 B van het EG-Verdrag mag de Republiek Finland het bepaalde in Wet nr. 1612 van 30 december 1992 betreffende de verkrijging van Finse ondernemingen door buitenlanders tot en met 31 december 1995 toepassen.
Artikel 87
Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag de Republiek Finland zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.
HOOFDSTUK 3. VISSERIJ
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 88
Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, zijn de voorschriften van deze akte van toepassing op de sector visserij.
Artikel 148 en artikel 149 zijn van toepassing op visserijprodukten.
Afdeling II. Toegang tot de wateren en de visbestanden
Artikel 89
Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, blijft de in deze afdeling bedoelde toegangsregeling van toepassing gedurende een overgangsperiode waarvan het einde wordt bepaald door de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument wordt toegepast, welke datum in geen geval later mag zijn dan de datum waarop de in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 bedoelde periode verstrijkt.
Onderafdeling I. Vaartuigen van Finland
Artikel 90
Met het oog op de integratie in de bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 ingestelde communautaire visserij- en aquacultuurregeling, is de toegang tot de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling vallen voor vaartuigen die de vlag van Finland voeren en in een Finse haven zijn ingeschreven en/of geregistreerd, hierna „vaartuigen van Finland” te noemen, onderworpen aan de in deze onder-afdeling vastgestelde regeling.
Artikel 91
Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Finland vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling vallen in ICES-sector IIId, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.
Artikel 92
De technische voorschriften die nodig zijn met het oog op de toepassing van artikel 91, worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.
Artikel 93
Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Finland vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Zweden vallen, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.
De toepassingsvoorschriften van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.
Artikel 94
Het aan Finland toe te kennen aandeel in de communautaire vangstmogelijkheden in bestanden waarvan de bevissingsgraad door een vangstbeperking is gereglementeerd, wordt als volgt vastgesteld per soort en per gebied:
| Soort | ICES- of IBSFC-gebied Referentiezones voor de vaststelling van de TAC's | Aandeel van Finland (%) |
|---|---|---|
| Haring | III b, c, d behalve „Management Unit 3” van de IBSFC | 11,840 |
| Haring | „Management Unit 3” van de IBSFC | 81,986 |
| Sprot | III b, c, d | 12,798 |
| Zalm | III b, c, d behalve de Golf van Finland | 33,611 |
| Zalm | Golf van Finland | 100,000 |
| Kabeljauw | III b, c, d | 2,339(4) |
(1)Als omschreven in de IBSFC.
(2) Wateren van de Gemeenschap.
(3) Onderafdeling 32 van de IBSFC.
(4) Dit percentage geldt voor de eerste 50.000 ton van de communautaire vangstmogelijkheden. Voor de communautaire vangstmogelijkheden boven 50.000 ton, bedraagt het Finse aandeel 2,161%.
De aan Finland toe te wijzen aandelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, en voor de eerste maal vóór 31.12.1994.
Tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, en uiterlijk tot 31 december 1997, mogen de visserijinspanningen van de vaartuigen van Finland wat betreft de niet gereglementeerde en niet toegewezen soorten die onder artikel 91 vallen, niet groter zijn dan het niveau dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag wordt bereikt.
Onderafdeling II. Vaartuigen van de huidige Unie
Artikel 95
Vanaf de datum van toetreding en tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat van de huidige Unie voeren in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Finland vallen, visserijactiviteiten uitoefenen onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.
De praktische regels betreffende de toepassing van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.
Afdeling III. Externe visbestanden
Artikel 96
Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van de visserijovereenkomsten tussen de Republiek Finland en derde landen door de Gemeenschap waargenomen.
De rechten en plichten die voor de Republiek Finland voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.
Zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor het voortduren van de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste een jaar te verlengen.
HOOFDSTUK 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE
Artikel 97
De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Finland van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.
Artikel 98
Het basisrecht dat wordt gebruikt voor de geleidelijke aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief overeenkomstig artikel 99 is voor elk produkt het recht dat door de Republiek Finland op 1 januari 1994 daadwerkelijk werd toegepast.
Artikel 99
De Republiek Finland mag gedurende drie jaar vanaf de toetreding voor de in bijlage XI genoemde produkten zijn douanetarief ten aanzien van derde landen handhaven.
Gedurende deze periode vermindert de Republiek Finland het verschil tussen zijn basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief volgens het volgende tijdschema:
- -. op 1 januari 1996 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het GDT-recht verminderd tot 75%;
- -. op 1 januari 1997 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het GDT-recht verminderd tot 40%;
De Republiek Finland past het gemeenschappelijk douanetarief vanaf 1 januari 1998 volledig toe.
Artikel 100
Met ingang van 1 januari 1995 gaat de Republiek Finland over tot toepassing van:
- a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is.
- b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.
Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap met de betrokken derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de uitvoer van textiel- en kledingprodukten naar de Gemeenschap.
Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 101
De Republiek Finland mag tot en met 31 december 1999 een jaarlijks tariefcontingent tegen nulrecht voor styreen (GN-code 2902 50 00) van 21.000 ton openen, mits de betrokken goederen:
- -. in het vrije verkeer worden gebracht op het grondgebied van Finland en aldaar worden verbruikt, of worden verwerkt waardoor zij aldaar de Gemeenschapsoorsprong verkrijgen,
- -. onder douanetoezicht blijven overeenkomstig de betreffende Gemeenschapsbepalingen inzake eindverbruik (Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, artikelen 21 en 82).
Het bepaalde in lid 1 is alleen van toepassing indien, ter staving van de invoeraangifte voor het vrije verkeer, een door de betrokken Finse autoriteiten afgegeven vergunning wordt overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken goederen aan het bepaalde in lid 1 voldoen.
De Commissie en de bevoegde Finse autoriteiten nemen alle noodzakelijke maatregelen om er voor te zorgen dat het eindverbruik van het betrokken produkt, of de verwerking waardoor het de Gemeenschapsoorsprong verkrijgt, plaatsvindt op het grondgebied van Finland.
Artikel 102
Met ingang van 1 januari 1995 past de Republiek Finland de bepalingen toe van de in artikel 103 bedoelde overeenkomsten.
Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.
Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.
Artikel 103
Artikel 102 is van toepassing op:
- -. de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek). Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Noorwegen, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage ll van het EG-Verdrag;
- -. de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;
- -. andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.
Artikel 104
Met ingang van 1 januari 1995 trekt de Republiek Finland zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960 en uit de Vrijhandelsovereenkomsten die in 1992 met Estland, Letland en Litouwen werden ondertekend.
Artikel 105
Indien de tussen de Gemeenschap en Estland, Letland en Litouwen gesloten nieuwe handelsovereenkomsten op de datum van toetreding nog niet in inwerking zijn getreden, treft de Gemeenschap de maatregelen die nodig zijn om er voor te zorgen dat bij de toetreding het bestaande niveau van toegang van produkten uit die Baltische Staten tot de Finse markt in stand blijft.
TITEL 5. Financiële en budgettaire voorzieningen
Artikel 106
Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1988, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.
Artikel 107
De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Finland met derde landen toepast.
Artikel 108
De eigen ontvangsteen afkomstig uit de BTW worden berekend en gecontroleerd alsof de Åland-eilanden onder het territoriale toepassingsgebied vielen van de Zesde Richtlijn van de Raad (77/388/EEG) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
Artikel 109
De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Republiek Finland uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:
- -. 476 miljoen ecu in 1995,
- -. 163 miljoen ecu in 1996,
- -. 65 miljoen ecu in 1997,
- -. 33 miljoen ecu in 1998.
Artikel 110
Het aandeel van de Republiek Finland in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 111
Het aandeel van de Republiek Finland in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
TITEL V. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE ZWEDEN
HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN
Afdeling 1. Normen en milieu
Artikel 112
Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage XII, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Zweden.
Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.
Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.
Afdeling 2. Diversen
Artikel 113
Het Koninkrijk Zweden mag gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding zijn huidig nationaal stelsel voor de indeling van onbewerkt hout blijven toepassen, voor zover zijn nationale wetgeving en zijn desbetreffende administratieve regelingen niet in strijd zijn met de communautaire wetgeving inzake de interne markt of de handel met derde landen, inzonderheid artikel 6 van Richtlijn 68/89/EEG betreffende de aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten ten aanzien van de indeling van onbewerkt hout.
Gedurende dezelfde periode zal Richtlijn 68/89/EEG overeenkomstig de procedures van het EG-Verdrag worden herzien.
HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN, DIENSTEN EN KAPITAAL
Artikel 114
Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag het Koninkrijk Zweden zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.
HOOFDSTUK 3. VISSERIJ
Afdeling I. Algemene bepalingen
Artikel 115
Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, zijn de voorschriften van deze akte van toepassing op de sector visserij.
Artikel 148 en artikel 149 zijn van toepassing op visserijprodukten.
Afdeling II. Toegang tot de wateren en de visbestanden
Artikel 116
Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, blijft de in deze afdeling bedoelde toegangsregeling van toepassing gedurende een overgangsperiode waarvan het einde wordt bepaald door de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument wordt toegepast, welke datum in geen geval later mag zijn dan de datum waarop de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur bedoelde periode verstrijkt.
Onderafdeling I. Vaartuigen van Zweden
Artikel 117
Met het oog op de integratie in de bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 ingestelde communautaire visserij- en aquacultuurregeling, is de toegang tot de onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling vallende wateren voor vaartuigen die de vlag van Zweden voeren en in een Zweedse haven zijn ingeschreven of geregistreerd, hierna „vaartuigen van Zweden” te noemen, onderworpen aan de in deze onderafdeling vastgestelde regeling.
Artikel 118
Vanaf de datum van toetreding tot en met de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Zweden vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de huidige Unie vallen in de ICES-sectoren III en IV, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren en zijn vervat in de betreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 3682/93.
Artikel 119
De technische voorschriften die nodig zijn met het oog op de toepassing van artikel 118, worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.
Artikel 120
Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Zweden vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Finland vallen, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.
De toepassingsvoorschriften van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.
Artikel 121
Het aan Zweden toe te kennen aandeel in de communautaire vismogelijkheden waarvan de bevissingsgraad door een vangstbeperking is gereglementeerd, wordt als volgt vastgesteld per soort en per gebied:
| Soort | ICES- of IBSFC-gebied1) Referentiezones voor de vaststelling van de TAC's | Aandeel van Zweden (%) |
|---|---|---|
| Haring | III a | 50,729 |
| Haring | II b c d2) behalve „Management Unit 3” van de IBSFC3) | 46,044 |
| Haring | Management Unit 3” van de IBSFC | 18,014 |
| Haring | II a2), IV, Vll d | 1,433 |
| Sprot | IIIa | 27,409 |
| Sprot | III b c d2) | 47,264 |
| Zalm | III b c d2) behalve de Finse Golf4) | 36,435 |
| Kabeljauw | III a Skagerrak5) | 14,469 |
| Kabeljauw | III a Kattegat6) | 37,027 |
| Kabeljauw | III b c d2) | 35,0377) |
| Kabeljauw | II a2), IV | 0,136 |
| Schelvis | III a, III b c d2) | 9,942 |
| Schelvis | II a2) IV | 0,514 |
| Koolvis | II a2),III a, III b c d2, IV | 1,187 |
| Wijting | III a | 9,647 |
| Wijting | II a2) lV | 0,018 |
| Heek | III a, III b c d2) | 7,844 |
| Makreel | II a 2, III a, III b c d2), IV | 19,165 |
| Schol | III a Skagerrak | 4,256 |
| Schol | III a Kattegat | 10,000 |
| Schol | III b c d2) | 6,356 |
| Tong | III a, III b c d2) | 3,162 |
| Noorse garnaal | III a | 35,006 |
| Langoestine | III a, III b c d 2) | 26,295 |
1) IBSFC: Internationale Commissie voor de Visserij in de Oostzee.
2) Wateren van de Gemeenschap.
3) IBSFC-omschrijving.
4) Onderafdeling 32 van de IBSFC.
5) Het Skagerrak wordt omschreven als het gebied dat in het westen wordt begrensd door een lijn die loopt van de vuurtoren van Hanstholm naar de vuurtoren van Lindesnes en in het zuiden door een lijn die loopt van de vuurtoren van Skagen naar de vuurtoren van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijzijnde punt van de Zweedse kust.
6) Omschreven als het gedeelte van IIl a dat niet valt onder de in voetnoot (5) gegeven omschrijving van Skagerrak.
7) Dit percentage geldt voor de eerste 50.000 ton van de communautaire vangstmogelijkheden.
Voor de communautaire vangstmogelijkheden die de 50.000 ton overschrijden, bedraagt het Zweedse aandeel 40,000 %. Deze toegewezen hoeveelheden houden geen rekening met de voortdurende overdracht van quota tussen Zweden en de huidige Lid-Staten van de Unie, die voortvloeien uit de EER-Overeenkomst van 1992.
De aan Zweden toe te wijzen aandelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, en voor de eerste maal vóór 31.12.1994.
Het aan Zweden toe te wijzen aandeel voor soorten waarvoor geen beperking van de bevissingsgraad onder de vorm van een vangstbeperking geldt, of waarvoor TAC's gelden zonder een verdeling van quota tussen de Lid-Staten van de huidige Unie, wordt als volgt forfaitair vastgesteld per soort en per gebied:
| Soort | ICES-gebied Referentiezones voor de vaststelling van de TAC's | Aandeel van Zweden (t) |
|---|---|---|
| Sprot | IIa(1), IV(1) | 1 330 |
| Overige soorten(2) | IIa(1), IV(1) | 1 000 |
(1) Wateren van de Gemeenschap.
(2) Bijvangsten van andere soorten dan die waarvoor aan Zweden een specifiek quotum of een forfaitaire hoeveelheid is toegewezen.
(3) Met inbegrip van zand-aal.
Tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, en uiterlijk tot en met 31 december 1997, mogen de visserij-inspanningen van de vaartuigen van Zweden in de wateren van de Gemeenschap wat betreft de niet gereglementeerde en niet toegewezen soorten die onder artikel 117 vallen, niet groter zijn dan het niveau dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag wordt bereikt.
Artikel 122
Behalve andersluidende bepalingen in de onderhavige Akte blijven de voorwaarden waaronder de toegewezen hoeveelheden, als bepaald in artikel 121, mogen worden gevangen gelijk aan die welke onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag gelden.
Deze voorwaarden worden voor de eerste keer vóór 1 januari 1995, overeenkomstig de procedure van artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 vastgesteld.
Onderafdeling II. Vaartuigen van de huidige Unie
Artikel 123
Vanaf de datum van toetreding en tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van de huidige Unie visserij-activiteiten uitoefenen in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Zweden vallen in de ICES-gebieden III a, b en d onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren en waarin wordt voorzien door de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 3683/931)PB nr. 1.341 van 31-12-1993. blz. 104..
De voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.
Afdeling III. Externe visbestanden
Artikel 124
Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van de visserijovereenkomsten tussen het Koninkrijk Zweden en derde landen door de Gemeenschap waargenomen.
De rechten en plichten die voor het Koninkrijk Zweden voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.
Zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor het voortduren van de daaruit voortvloeiende visserij-activiteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste een jaar te verlengen.
Artikel 125
Gedurende een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de datum van toetreding stelt de Raad jaarlijks met een gekwalificeerde meerderheid en op voorstel van de Commissie het bedrag vast van de financiële bijdrage van de Unie tot het uitzetten van jonge zalm door de bevoegde Zweedse autoriteiten.
Deze financiële compensatie zal worden beoordeeld in het licht van de evenwichten die onmiddellijk voor de toetreding bestaan.
HOOFDSTUK 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE
Artikel 126
De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Zweden van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.
Artikel 127
Met ingang van 1 januari 1995 gaat het Koninkrijk Zweden over tot toepassing van:
- a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel- en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is;
- b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.
Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap na ondertekening van deze Akte met derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de invoer van textiel- en kledingprodukten in de Gemeenschap op een dusdanige wijze dat rekening wordt gehouden met de handelspatronen die bestaan tussen Zweden en zijn toeleverende landen.
Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 128
Met ingang van 1 januari 1995 past het Koninkrijk Zweden de bepalingen toe van de in artikel 129 bedoelde overeenkomsten.
Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.
Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.
Artikel 129
Artikel 128 is van toepassing op:
- -. de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek). Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Noorwegen, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage ll van het EG-Verdrag;
- -. de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;
- -. andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.
Artikel 130
Met ingang van 1 januari 1995 trekt het Koninkrijk Zweden zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960 en uit de Vrijhandelsovereenkomsten die in 1992 met Estland, Letland en Litouwen werden ondertekend.
Artikel 131
Indien de tussen de Gemeenschap en Estland, Letland en Litouwen te sluiten nieuwe handelsovereenkomsten op de datum van toetreding nog niet in werking zijn getreden, treft de Gemeenschap de maatregelen die nodig zijn om er voor te zorgen dat bij de toetreding het bestaande niveau van toegang van produkten uit die Baltische Staten tot de Zweedse markt in stand blijft.
HOOFDSTUK 5. FINANCIËLE EN BUDGETTAIRE VOORZIENINGEN
Artikel 132
Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1988, zoals tussentijds gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.
Artikel 133
De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b) van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Zweden met derde landen toepast.
Artikel 134
De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan het Koninkrijk Zweden uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:
- -. 488 miljoen ecu in 1995,
- -. 432 miljoen ecu in 1996,
- -. 76 miljoen ecu in 1997,
- -. 31 miljoen ecu in 1998.
Artikel 135
Het aandeel van het Koninkrijk Zweden in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 136
Het aandeel van het Koninkrijk Zweden in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
TITEL VI. LANDBOUW
Artikel 137
Deze Titel heeft betrekking op landbouwprodukten met uitzondering van de produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3759/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten.
Behoudens andersluidende bepalingen in deze Akte:
- -. is het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling, met derde landen of met de huidige Lid-Staten onderworpen aan de regeling die van toepassing is in de laatstgenoemde Lid-Staten. De regeling die van toepassing is in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling op het gebied van invoerrechten en heffingen van gelijke werking, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, is van toepassing op de nieuwe Lid-Staten;
- -. de rechten en plichten voortvloeiende uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn volledig van toepassing in de nieuwe Lid-Staten.
Behoudens bijzondere bepalingen van deze titel inzake afwijkende data of termijnen, verstrijkt de toepassing van de overgangsmaatregelen voor de in lid 1 bedoelde landbouwprodukten aan het einde van het vijfde jaar volgend op de toetreding van Oostenrijk en Finland. Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt niettemin voor elk produkt rekening gehouden met de totale produktie van 1999.
HOOFDSTUK I. BEPALINGEN BETREFFENDE NATIONALE STEUNMAATREGELEN
Artikel 138
Gedurende de overgangsperiode mogen Oostenrijk en Finland, onder voorbehoud van machtiging van de Commissie, in een passende vorm tijdelijke en degressieve nationale steun verlenen aan de producenten van landbouwgrondstoffen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen.
Deze steun mag worden gedifferentieerd, met name per regio.
De Commissie verleent machtiging voor de in lid 1 bedoelde steun:
- -. wanneer de door een nieuwe Lid-Staat verstrekte gegevens aantonen dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen het niveau van de steun die vóór de toetreding per produkt aan zijn producenten werd verleend en de steun die krachtens het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan worden verleend;
- -. binnen de grenzen van een aanvankelijk bedrag dat ten hoogste gelijk is aan het verschil.
Aanvankelijke verschillen van minder dan 10% worden niet beschouwd als aanzienlijk.
De machtigingen van de Commissie:
- -. worden evenwel toegekend overeenkomstig de internationale verbintenissen van de verruimde Gemeenschap;
- -. houden, wat varkensvlees, eieren en pluimvee betreft, rekening met de prijsaanpassing van voeders;
- -. worden evenwel niet verleend voor tabak.
Het in lid 2 bedoelde steunbedrag wordt berekend per landbouwgrondstof. Bij deze berekening wordt met name rekening gehouden met prijsondersteuningsmaatregelen van interventiemechanismen of andere mechanismen, de toekenning van steun gelieerd aan de oppervlakte, de prijzen, de geproduceerde hoeveelheid of de produktie-eenheid en de toekenning van steun aan bedrijven voor specifieke produkten.
De machtiging van de Commissie:
- •. bevat voorschriften inzake het maximale aanvangsniveau van de steun, het tempo waarin deze steun wordt verlaagd en, in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder deze steun wordt verleend, waarbij mede rekening wordt gehouden met andere steunmaatregelen die voortvloeien uit de communautaire wetgeving en die niet in het onderhavige artikel zijn vermeld;
- •. wordt verleend onder voorbehoud van de aanpassingen die nodig zouden kunnen zijn:
- -. in verband met ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
- -. in verband met de ontwikkeling van het prijspeil in de Gemeenschap.
Indien deze aanpassingen noodzakelijk blijken, word het bedrag van de steun of de voorwaarden waaronder steun word verleend op verzoek van de Commissie of op grond van een besluit van deze Instelling, gewijzigd.
Onverminderd het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 verleent de Commissie krachtens lid 1 in het bijzonder machtiging voor de in bijlage XIII bedoelde nationale steun, zulks binnen de grenzen en onder de voorwaarden als neergelegd in die bijlage.
Artikel 139
De Commissie machtigt Oostenrijk en Finland tot de handhaving van steunmaatregelen die geen verband houden met een bijzondere produktie en die derhalve niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het steunbedrag krachtens artikel 138, lid 3. Uit dien hoofde zijn met name steunmaatregelen voor bedrijven toegestaan.
De in lid 1 bedoelde steunmaatregelen zijn onderworpen aan het bepaalde in artikel 138, lid 4.
Steunmaatregelen van dezelfde aard die voortvloeien uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid of verenigbaar zijn met de communautaire wetgeving, worden daarop in mindering gebracht.
Steunmaatregelen waarvoor op grond van dit artikel machtiging is verleend, worden uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode afgeschaft.
Investeringssteun valt niet onder lid 1.
Artikel 140
De Commissie machtigt Oostenrijk en Finland om de in bijlage XIV bedoelde nationale overgangssteun te verlenen binnen de grenzen en onder de voorwaarden neergelegd in die bijlage. In haar machtiging bepaalt de Commissie het aanvangsniveau van de steun, voor zover dat niet reeds voortvloeit uit de bepalingen van die bijlage, alsmede het tempo waarin de steun wordt verlaagd.
Artikel 141
Indien ten gevolge van de toetreding ernstige moeilijkheden blijven bestaan ook nadat het bepaalde in de artikelen 138, 139, 140 en 142 en in de andere maatregelen voortvloeiende uit de Gemeenschap bestaande voorschriften volledig zijn toegepast, kan de Commissie Finland machtiging verlenen om nationale steun aan producenten toe te kennen ten einde hun volledige integratie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.
Artikel 142
De Commissie machtigt Finland en Zweden om nationale steun op lange termijn te verlenen met het oog op de handhaving van de landbouwactiviteiten in specifieke gebieden. Deze gebieden omvatten de landbouwarealen benoorden de 62 °N en bepaalde aangrenzende gebieden ten zuiden van deze breedtegraad die te kampen hebben met vergelijkbare klimatologische omstandigheden die de landbouwactiviteit bijzonder moeilijk maken.
De in lid 1 bedoelde gebieden worden door de Commissie vastgesteld, waarbij zij met name rekening houdt met:
- -. de geringe bevolkingsdichtheid;
- -. het aandeel van de landbouwoppervlakte in de totale oppervlakte;
- -. het aandeel van de landbouwoppervlakte waarop akkerbouwgewassen voor menselijke voeding worden gekweekt in de gebruikte landbouwoppervlakte.
De in lid 1 bedoelde steun kan worden gerelateerd aan fysieke produktiefactoren, zoals de oppervlakte landbouwgrond of het aantal dieren, rekening houdend met de in de gemeenschappelijke marktordeningen neergelegde beperkingen, alsmede met de historische produktiepatronen van elk bedrijf, maar mogen niet:
- -. gekoppeld zijn aan de toekomstige produktie,
- -. of leiden tot een verhoging van de produktie of van het algemene steunniveau, geconstateerd tijdens een door de Commissie vast te stellen referentieperiode die vóór de toetreding is gelegen.
De steun kan per gebied worden gedifferentieerd.
De steun kan met name worden verleend om:
- -. traditionele grondstoffenproduktie en verwerkingsactiviteiten die passen bij de klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden, in stand te houden;
- -. de produktie-, afzet- en verwerkingsstructuren van de landbouwprodukten te verbeteren;
- -. de afzet van die produkten te vergemakkelijken;
- -. het milieu te beschermen en de natuurlijke omgeving in stand te houden.
Artikel 143
Van de in de artikelen 138 tot en met 142 bedoelde steun alsmede van elke andere nationale steun waarvoor in het kader van deze akte machtiging van de Commissie is vereist, wordt kennis gegeven aan deze Instelling. Steun kan niet worden verleend zolang deze machtiging niet is verleend.
Door de nieuwe Lid-Staten voor de toetreding gedane mededelingen van bestaande of overwogen steunmaatregelen worden beschouwd als kennisgevingen die op de dag van toetreding zijn gedaan.
Wat de in artikel 142 bedoelde steun betreft, dient de Commissie bij de Raad één jaar na de toetreding en vervolgens om de vijfjaar een verslag in over:
- de verleende machtigingen;
- de resultaten van de steun waarvoor deze machtigingen zijn verleend.
Met het oog op de opstelling van dit verslag verschaffen de Lid-Staten waarvoor de machtigingen zijn bestemd, de Commissie tijdig gegevens over de gevolgen van de verleende steun, waarbij zij een beeld verstrekken van de ontwikkeling die in de landbouweconomie van de betrokken gebieden is geconstateerd.
Artikel 144
Wat de in de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag bedoelde steunmaatregelen betreft:
- a. worden van de voor de toetreding in de nieuwe Lid-Staten toepasselijke steunmaatregelen alleen die maatregelen die vóór 30 april 1995 aan de Commissie mede zijn gedeeld, beschouwd als „bestaande” steunmaatregelen in de zin van artikel 93, lid 1, van het EG-Verdrag;
- b. worden bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen, welke vóór de toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven.
HOOFDSTUK II. ANDERE BEPALINGEN
Artikel 145
Alle openbare voorraden die op 1 januari 1995 door de nieuwe Lid-Staten worden aangehouden ingevolge hun marktondersteuningsbeleid, worden door de Gemeenschap overgenomen tegen de waarde voortvloeiend uit de toepassing van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 1883/78 betreffende de algemene regels voor de financiering van de interventies door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie.
Alle voorraden produkten die zich op 1 januari 1995 op het grondgebied van de nieuwe Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden en die de normaal geachte overdrachtshoeveelheid overschrijden, moeten door deze Lid-Staten te hunnen laste worden afgebouwd in het kader van nader te omschrijven communautaire procedures en binnen termijnen die moeten worden bepaald volgens de procedure van artikel 149, lid 1. Het begrip „normale overdrachtshoeveelheid” wordt voor elk produkt omschreven aan de hand van de criteria en doelstellingen van elke gemeenschappelijke marktordening.
De in lid 1 bedoelde voorraden worden in mindering gebracht op de hoeveelheid die de normale overdrachtshoeveelheid overschrijdt.
Artikel 147
Indien in de landbouwsector de handel tussen een of meer nieuwe Lid-Staten en de Gemeenschap in haar huidige samenstelling of de handel tussen de nieuwe Lid-Staten onderling tot ernstige verstoringen leidt op de markt van Oostenrijk of Finland voor 1 januari 2000, neemt de Commissie op verzoek van de betrokken Lid-Staat, binnen 24 uur na de ontvangst van zo'n verzoek, een beslissing over de door haar noodzakelijk geachte vrijwaringsmaatregelen. De aldus getroffen maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing, houden rekening met de belangen van alle betrokken partijen en leiden niet tot grenscontroles.
Artikel 148
Behoudens andersluidende bepalingen voor specifieke gevallen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de bepalingen vast die nodig zijn ter uitvoering van deze Titel.
De Raad kan, op voorstel van de Commissie, en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen overgaan tot aanpassing van de in deze titel neergelegde regels die noodzakelijk kunnen blijken ingeval van wijzigingen van communautaire regelingen.
Artikel 149
Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in de nieuwe Lid-Staten bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig het bepaalde in deze titel, worden deze maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naargelang van het geval, van de desbetreffende artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat verstrijkt op 31 december 1997; de toepassing ervan is beperkt tot die datum.
De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie, en na raadpleging van het Europees Parlement het in lid 1 bedoelde tijdvak verlengen.
Artikel 150
De overgangsmaatregelen betreffende de toepassing van de besluiten inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet in deze akte zijn vermeld, met inbegrip van de maatregelen op structuurgebied, die noodzakelijk zijn geworden door de toetreding, worden vóór de toetreding vastgesteld volgens de procedure van lid 3, en treden ten vroegste op de datum van toetreding in werking.
De in lid 1 bedoelde overgangsmaatregelen omvatten met name de aanpassing van de besluiten die ten gunste van de huidige Lid-Staten voorzien in de co-financiering van bepaalde acties op het gebied van de statistiek en de uitgavencontrole.
Zij kunnen onder bepaalde voorwaarden ook voorzien in een nationale steun die ten hoogste gelijk is aan het verschil tussen de vóór de toetreding in een nieuwe Lid-Staat geconstateerde prijs en de prijs die voortvloeit uit de toepassing van deze akte, welke steun kan worden verleend aan privé-ondernemers - natuurlijke of rechtspersonen - die op 1 januari 1995 voorraden aanhouden van produkten als bedoeld in artikel 138, lid 1, of voortvloeiende uit de verwerking van die produkten.
De in lid 1 en 2 bedoelde overgangsmaatregelen worden door de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld. Maatregelen inzake oorspronkelijk door de Commissie vastgestelde besluiten worden echter door deze Instelling vastgesteld overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 149, lid 1.
TITEL VII. ANDERE BEPALINGEN
Artikel 151
De in de lijst in bijlage XV van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlage.
Naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de nieuwe Lid-Staten kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen voor 1 januari 1995 maatregelen nemen houdende tijdelijke afwijkingen van de besluiten van de Instellingen die tussen 1 januari 1994 en de datum van ondertekening van het Toetredingsverdrag zijn vastgesteld.
Artikel 152
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)