Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds

Type Verdrag
Publication 2018-10-19
State In force
Source BWB
artikelen 99
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

de Europese Unie (hierna „de Unie” genoemd),

het Koninkrijk België,

de Republiek Bulgarije,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

Ierland,

de Republiek Kroatië,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

de Republiek Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

Roemenië,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden, en

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland,

enerzijds, en

de Republiek Singapore (hierna „Singapore” genoemd),

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,

Erkennende dat zij een langdurig en sterk partnerschap hebben, dat is gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen en waarden die zijn weergegeven in de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (hierna „EUSPCA” genoemd), alsmede belangrijke economische, handels- en investeringsbanden, die onder meer tot uiting komen in de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore (hierna de „EUSFTA” genoemd);

Geleid door de wens, consistent met het kader van hun algemene betrekkingen, hun banden verder aan te halen, en ervan overtuigd dat deze overeenkomst een nieuw klimaat voor de verdere ontwikkeling van de wederzijdse investeringen door de partijen tot stand zal brengen;

Erkennende dat deze overeenkomst het streven naar regionale economische integratie aanvult en bevordert;

Vastbesloten hun economische, handels- en investeringsbanden aan te halen met eerbiediging van het doel van een in economisch, sociaal en ecologisch opzicht duurzame ontwikkeling, en invsteringen te bevorderen op een wijze die strookt met hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers en de desbetreffende internationaal erkende normen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn;

Opnieuw bevestigende dat zij gehecht zijn aan de beginselen van duurzame ontwikkeling en transparantie die tot uiting komen in de EUSFTA;

Opnieuw bevestigende dat elk van beide partijen het recht heeft maatregelen vast te stellen en te handhaven die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen op onder meer sociaal, milieu- en veiligheidsgebied alsmede op het gebied van de volksgezondheid en openbare veiligheid en ter bevordering en bescherming van culturele diversiteit;

Opnieuw bevestigende dat zij het Handvest van de Verenigde Naties, ondertekend te San Francisco op 26 juni 1945, en de beginselen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vastgesteld op 10 december 1948, ten volle onderschrijven;

Erkennende dat transparantie in de internationale handel en investeringen van belang is voor alle betrokkenen;

Voortbouwend op hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de WTO-Overeenkomst en andere multilaterale, regionale en bilaterale overeenkomsten en akkoorden waarbij zij partij zijn, met name de EUSFTA,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK EEN. DOELSTELLING EN ALGEMENE DEFINITIES

Artikel 1.1. Doelstelling

Deze overeenkomst heeft tot doel het investeringsklimaat tussen de partijen te verbeteren volgens de bepalingen van deze overeenkomst.

Artikel 1.2. Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

    1. „onder de overeenkomst vallende investering”: een investering die een onder de overeenkomst vallende investeerder van de ene partij rechtstreeks of onrechtstreeks in eigendom heeft of waarover hij rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap uitoefent op het grondgebied van de andere partij2)Voor alle duidelijkheid: investeringen „op het grondgebied van de andere partij” omvatten ook investeringen in een exclusieve economische zone of op het continentaal plat als bedoeld in het op 10 december 1982 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.; „investering”: elke vorm van activa die de kenmerken van een investering bezit; deze kenmerken zijn onder meer de vastlegging van kapitaal of andere middelen, de verwachting van winst of voordelen, risico-overname of een zekere duur. Investeringen kunnen onder meer de volgende vormen aannemen: Alle rendement dat wordt geïnvesteerd, wordt als investering beschouwd en elke wijziging van de vorm waarin activa worden geïnvesteerd of geherinvesteerd laat de kwalificatie daarvan als investering onverlet.
  • a. lichamelijke of onlichamelijke, roerende of onroerende zaken alsook alle andere eigendomsrechten, zoals huur-, hypotheek-, retentie- en pandrechten;
  • b. een onderneming, een filiaal daaronder begrepen, aandelen en andere vormen van deelneming in het aandelenkapitaal van een onderneming, met inbegrip van daarvan afgeleide rechten;
  • c. obligaties, niet-gegarandeerde schuldbekentenissen en leningen alsmede andere schuldbewijzen, met inbegrip van daarvan afgeleide rechten;
  • d. andere financiële activa, met inbegrip van derivaten, futures en opties;
  • e. sleutelklaar-, bouw-, beheers-, productie-, concessie-, inkomstendelings- en andere soortgelijke contracten;
  • f. geldvorderingen of aanspraken op andere activa of op contractuele prestaties met een economische waarde;
  • g. intellectuele-eigendomsrechten3)Onder „intellectuele-eigendomsrechten” wordt verstaan:a.alle categorieën intellectuele eigendom die vallen onder deel II, titels 1 tot en met 7, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom die is vervat in Bijlage 1C van de WTO-Overeenkomst (hierna „TRIPs-Overeenkomst” genoemd), namelijk:i.auteursrecht en naburige rechten;ii.octrooien (waartoe in het geval van de Unie ook rechten behoren die van aanvullende beschermingscertificaten zijn afgeleid);iii.handelsmerken;iv.modellen;v.ontwerpen voor schakelpatronen (topografieën) van geïntegreerde schakelingen;vi.geografische aanduidingen;vii.bescherming van niet-openbaargemaakte informatie; enb.kwekersrechten. en goodwill; en
  • h. vergunningen, machtigingen, toestemmingen en soortgelijke rechten toegekend krachtens intern recht, met inbegrip van concessies voor de prospectie, ontginning, winning of exploitatie van natuurlijke hulpbronnen4)Voor alle duidelijkheid: een beschikking of uitspraak in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure vormt als zodanig geen investering..
    1. „onder de overeenkomst vallende investeerder”: een natuurlijke persoon5)De term „natuurlijke persoon” omvat ook natuurlijke personen met vaste woon- of verblijfplaats in Letland die geen burger van Letland of van een andere staat zijn, maar die op grond van de wet- en regelgeving van Letland recht hebben op een paspoort voor niet-staatsburgers (vreemdelingenpaspoort). of een rechtspersoon van de ene partij die een investering op het grondgebied van de andere partij heeft verricht;
    1. „natuurlijk persoon uit een partij”: een onderdaan van Singapore of van een van de lidstaten van de Unie volgens hun respectieve wetgeving;
    1. „rechtspersoon”: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, al dan niet met winstoogmerk, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van vennootschappen, trusts, maatschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;
    1. „rechtspersoon van de Unie” respectievelijk „rechtspersoon van Singapore”: een naar het recht van de Unie of een lidstaat van de Unie respectievelijk het recht van Singapore opgerichte rechtspersoon die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur6)Onder „hoofdbestuur” wordt verstaan het hoofdkantoor waar de uiteindelijke besluitvorming plaatsvindt. of zijn hoofdvestiging op het grondgebied van de Unie respectievelijk Singapore heeft. Een rechtspersoon die alleen zijn statutaire zetel of zijn hoofdbestuur op het grondgebied van de Unie respectievelijk Singapore heeft, wordt niet als rechtspersoon van de Unie respectievelijk rechtspersoon van Singapore beschouwd, tenzij hij betrokken is bij omvangrijke zakelijke transacties7)Naar de opvatting van de EU-partij komt het begrip „daadwerkelijke en duurzame band” met de economie van een lidstaat van de Unie, dat is verankerd in artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, overeen met het begrip „omvangrijke zakelijke transacties”. Dienovereenkomstig breidt de EU-partij de uit deze overeenkomst voortvloeiende voordelen enkel uit naar een naar het recht van Singapore opgerichte rechtspersoon die alleen zijn statutaire zetel of zijn hoofdbestuur op het grondgebied van Singapore heeft, indien die rechtspersoon een daadwerkelijke en duurzame economische band met de economie van Singapore heeft. op het grondgebied van de Unie respectievelijk op het grondgebied van Singapore;
    1. „maatregel”: elke wet, regeling, procedure, eis of praktijk;
    1. door een partij vastgestelde of gehandhaafde „behandeling” of „maatregel”8)Voor alle duidelijkheid: de partijen zijn het erover eens dat het begrip „behandeling” of „maatregel” ook niet-handelen omvat.: ook elke behandeling door of maatregel van:
  • a. centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten, en
  • b. niet-gouvernementele instanties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;
    1. „rendement”: alle bedragen verkregen uit of door investeringen of herinvesteringen, met inbegrip van winsten, dividenden, kapitaalwinsten, royalty's, rente, betalingen in verband met intellectuele-eigendomsrechten, betalingen in natura en alle andere wettelijke inkomsten;
    1. „vrij converteerbare valuta”: een valuta die op grote schaal op internationale deviezenmarkten verhandeld en bij internationale transacties gebruikt wordt;
    1. „vestiging”: met het oogmerk duurzame economische banden tot stand te brengen of in stand te houden op het grondgebied van een partij met als doel een economische activiteit uit te oefenen;
  • a. de oprichting, overname of instandhouding van een rechtspersoon, of
  • b. de oprichting of instandhouding van een filiaal of vertegenwoordiging,
    1. „economische activiteit”: alle activiteiten van economische aard, behoudens activiteiten die worden uitgeoefend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag, d.w.z. activiteiten die noch op commerciële grondslag, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden uitgeoefend;

HOOFDSTUK TWEE. BESCHERMING VAN INVESTERINGEN

Artikel 2.1. Toepassingsgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op onder de overeenkomst vallende investeerders en op onder de overeenkomst vallende investeringen die zijn verricht in overeenstemming met het toepasselijke recht, ongeacht of deze investeringen vóór of na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn verricht9)Voor alle duidelijkheid: dit hoofdstuk is niet van toepassing op de behandeling door een partij van onder de overeenkomst vallende investeerders of onder de overeenkomst vallende investeringen vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst..

2.

Onverminderd de overige bepalingen van deze overeenkomst is artikel 2.3 (Nationale behandeling) niet van toepassing op door een partij toegekende subsidies, waaronder door de overheid gesteunde leningen, borgstellingen en verzekeringen.

3.

Artikel 2.3 (Nationale behandeling) is niet van toepassing op:

  • a. de verwerving door overheidsinstanties van goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of het gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, of
  • b. audiovisuele diensten;
  • c. activiteiten die op het respectieve grondgebied van de partijen worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag. In deze overeenkomst wordt onder een bij de uitoefening van overheidsgezag uitgevoerde activiteit verstaan: elke activiteit die noch op commerciële grondslag, noch in concurrentie met een of meer verrichters van activiteiten wordt uitgevoerd.

Artikel 2.2. Investeringen en regelgevingsmaatregelen

1.

De partijen herbevestigen hun recht op hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals bescherming van de volksgezondheid, de sociale diensten, het openbaar onderwijs, de veiligheid, het milieu of de openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, en de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid.

2.

Voor alle duidelijkheid: dat een partij, onder meer door een wijziging van haar wetgeving, regelgeving vaststelt op een wijze die een negatieve uitwerking op een investering heeft of ingrijpt in de verwachtingen van een investeerder, waaronder zijn winstverwachtingen, vormt op zich geen schending van een verplichting uit hoofde van dit hoofdstuk.

3.

Voor alle duidelijkheid: het besluit van een partij om een subsidie niet toe te kennen, te verlengen of te handhaven

  • a. wanneer een naar intern recht of bij overeenkomst vastgelegde specifieke verbintenis om die subsidie toe te kennen, te verlengen of te handhaven ontbreekt, of
  • b. wanneer het besluit wordt genomen in overeenstemming met de aan de toekenning, verlenging of handhaving van de subsidie verbonden voorwaarden, indien van toepassing,

levert geen schending van de bepalingen van dit hoofdstuk op.

4.

Voor alle duidelijkheid: niets in dit hoofdstuk mag zodanig worden uitgelegd dat een partij wordt belet de toekenning van een subsidie10)In het geval van de EU-partij omvat „subsidie” ook „staatssteun” zoals gedefinieerd in het EU-recht. te beëindigen of te verzoeken om terugbetaling daarvan, wanneer een dergelijke maatregel is gelast door een bevoegd gerecht, administratief gerecht of een andere bevoegde autoriteit11)In het geval van de EU-partij zijn de autoriteiten die bevoegd zijn om de in artikel 2.2, lid 4, bedoelde maatregelen te gelasten de Europese Commissie of een rechter van een lidstaat die het EU-recht inzake staatssteun toepast., of dat die partij verplicht is de investeerder daarvoor te compenseren.

Artikel 2.3. Nationale behandeling

1.

Elk van beide partijen behandelt de onder de overeenkomst vallende investeerders van de andere partij en hun onder de overeenkomst vallende investeringen met betrekking tot de verrichting, het beheer, de uitvoering, het aanhouden, het gebruik, het genot en de verkoop of een andere wijze van vervreemding van hun investeringen in vergelijkbare situaties op haar grondgebied niet minder gunstig dan haar eigen investeerders en hun investeringen.

2.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan elk van beide partijen alle maatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot de werking, het beheer, de leiding, de instandhouding, het gebruik, het genot en de verkoop of een andere wijze van vervreemding van een vestiging die niet strijdig zijn met verbintenissen die zijn opgenomen in haar Lijst van specifieke verbintenissen in bijlage 8-A respectievelijk bijlage 8-B bij hoofdstuk 8 (Diensten, vestiging en elektronische handel) van de EUSFTA12)Er bestaat overeenstemming dat maatregelen „die niet strijdig zijn met de verbintenissen die zijn opgenomen in de Lijst van specifieke verbintenissen van een partij in bijlage 8-A respectievelijk bijlage 8-B bij hoofdstuk 8 (Diensten, vestiging en elektronische handel) van de EUSFTA” alle maatregelen met betrekking tot alle sectoren omvatten die niet in die lijst zijn opgenomen alsmede alle maatregelen die niet strijdig zijn met enige voorwaarde of beperking die of enig voorbehoud dat met betrekking tot enige sector in de respectieve lijsten is opgenomen, ongeacht of een dergelijke maatregel gevolgen heeft voor de „vestiging” zoals omschreven in artikel 8.8 (Definities), onder d), van de EUSFTA., wanneer het bij een dergelijke maatregel gaat om:

  • a. een maatregel die op of vóór de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is vastgesteld;
  • b. een maatregel als bedoeld onder a), die na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt voortgezet, vervangen of gewijzigd, op voorwaarde dat de maatregel na de voortzetting, vervanging of wijziging niet minder verenigbaar is met lid 1 dan vóór de voortzetting, vervanging of wijziging ervan, of
  • c. een andere maatregel dan als bedoeld onder a) of b), op voorwaarde dat die maatregel niet wordt toegepast ten aanzien van onder de overeenkomst vallende investeringen die op het grondgebied van de partij worden verricht vóórdat die maatregel van kracht wordt, dan wel niet wordt toegepast op een manier waaruit schade of nadeel13)Voor de toepassing van lid 2, onder c), bestaat er overeenstemming dat bij de beoordeling van de vraag of uit een maatregel schade of nadeel voortvloeit voor onder de overeenkomst vallende investeringen die worden verricht vóórdat die maatregel van kracht wordt, rekening moet worden gehouden met factoren zoals het feit dat een partij heeft voorzien in een redelijke periode voor de geleidelijke invoering van de maatregel of dat een partij andere pogingen heeft ondernomen om de gevolgen van de maatregel voor de onder de overeenkomst vallende investeringen verricht vóórdat die maatregel van kracht wordt, op te vangen. voor die investeringen voortvloeit.
3.

Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2 kan een partij maatregelen vaststellen of handhaven waarbij de onder de overeenkomst vallende investeerders of de onder de overeenkomst vallende investeringen van de andere partij in vergelijkbare situaties minder gunstig dan haar eigen investeerders of hun investeringen worden behandeld, op voorwaarde dat die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij op haar grondgebied een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie ten aanzien van de onder de overeenkomst vallende investeerders of de onder de overeenkomst vallende investeringen van de andere partij dan wel een verkapte beperking van de onder de overeenkomst vallende investeringen vormen, wanneer die maatregelen:

  • a. noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde14)De uitzondering betreffende de openbare orde mag slechts worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de fundamentele belangen van de samenleving.;
  • b. noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
  • c. betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne investeerders of investeringen gepaard gaan;
  • d. noodzakelijk zijn ter bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;
  • e. noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig is met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die betreffende:
  • i. het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;
  • ii. het beschermen van de privacy van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van de vertrouwelijkheid van individuele dossiers en rekeningen;
  • iii. de veiligheid;
  • f. bedoeld zijn om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze15)Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of innen omvatten maatregelen die een partij op grond van haar belastingstelsel neemt en die:a.van toepassing zijn op niet-ingezeten investeerders of door hen verrichte investeringen, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die hun oorsprong vinden of geschieden op het grondgebied van de partij;b.van toepassing zijn op niet-ingezetenen om ervoor te zorgen dat belastingen op het grondgebied van de partij kunnen worden opgelegd of geïnd;c.van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, handhavingsbepalingen daaronder begrepen;d.van toepassing zijn investeringen die op of vanaf het grondgebied van de andere partij worden verricht, om ervoor te zorgen dat door die gebruikers verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van de partij hebben, kunnen worden opgelegd of geïnd;e.een onderscheid maken tussen enerzijds investeerders of investeringen die aan belasting onderworpen zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten, en anderzijds andere investeerders of investeringen, gezien het verschil in de aard van de heffingsgrondslag tussen hen; off.inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van de partij te behouden.De onder f) en in deze voetnoot bedoelde belastingvoorwaarden of -concepten moeten worden vastgesteld volgens de belastingdefinities en -concepten, dan wel gelijkwaardige of soortgelijke definities en concepten van het interne recht van de partij die de maatregel neemt. te kunnen opleggen of innen ten aanzien van investeerders of investeringen van de andere partij.

Artikel 2.4. Norm voor behandeling

1.

Elk van beide partijen zorgt overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 op haar grondgebied voor eerlijke en billijke behandeling16)Behandeling in de zin van dit artikel omvat ook de behandeling van onder de overeenkomst vallende investeerders die rechtstreeks of onrechtstreeks ingrijpt in de verrichting, het beheer, de uitvoering, het aanhouden, het gebruik, het genot en de verkoop of een andere wijze van vervreemding door de onder de overeenkomst vallende investeerders van hun onder de overeenkomst vallende investeringen. alsmede volledige bescherming en veiligheid van de onder de overeenkomst vallende investeringen van de andere partij.

2.

Een partij handelt in strijd met de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling als bedoeld in lid 1, wanneer het bij een maatregel of reeks maatregelen gaat om:

  • a. rechtsweigering17)Voor alle duidelijkheid: het enkele feit dat de vordering van een onder de overeenkomst vallende investeerder niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen, vormt op zich geen rechtsweigering. in strafrechtelijke, civiele of administratieve procedures;
  • b. een wezenlijke schending van het recht op een eerlijke rechtsgang;
  • c. kennelijk willekeurig gedrag;
  • d. intimidatie, dwang, misbruik van bevoegdheid of soortgelijk gedrag te kwader trouw.
3.

Teneinde uit te maken of de in lid 2 bedoelde verplichting tot eerlijke en billijke behandeling is geschonden, kan een gerecht in voorkomend geval in aanmerking nemen of een partij tegenover een investeerder specifieke of ondubbelzinnige verklaringen18)Voor alle duidelijkheid: bij verklaringen om de investeerder ertoe aanzetten een investering te verrichten, gaat het ook om verklaringen om de investeerder ervan te overtuigen met een investering door te gaan, een investering niet te liquideren of verdere investeringen te verrichten. heeft afgelegd om hem tot de investering aan te zetten, die bij de onder de overeenkomst vallende investeerder een gewettigd vertrouwen heeft gewekt waarop deze redelijkerwijs vertrouwde, maar dat de partij nadien heeft geschonden19)Voor alle duidelijkheid: de in dit lid omschreven schending van het gewettigd vertrouwen vormt op zich geen schending van lid 2 en een dergelijke schending van het gewettigd vertrouwen moet voortvloeien uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden die leiden tot de schending van lid 2..

4.

Op verzoek van een partij of op aanbeveling van het Comité evalueren de partijen volgens de wijzigingsprocedure van artikel 4.3 (Wijzigingen) de inhoud van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling, en onderzoeken zij met name of andere dan de in lid 2 genoemde behandelingen een schending van de verplichting tot eerlijke en billijke behandeling kunnen vormen.

5.

Voor alle duidelijkheid: „volledige bescherming en veiligheid” heeft uitsluitend betrekking op de verplichting van een partij om te zorgen voor de fysieke veiligheid van onder de overeenkomst vallende investeerders en investeringen.

6.

Een partij die, rechtstreeks of via een in artikel 1.2 (Definities), lid 8, bedoelde entiteit, door middel van een op schrift vastgelegde contractuele verplichting20)Voor de toepassing van dit lid wordt onder „op schrift vastgelegde contractuele verplichting” verstaan een schriftelijke overeenkomst die door een partij, rechtstreeks of via een in artikel 1.2 (Definities), lid 8, bedoelde entiteit, wordt gesloten met een onder de overeenkomst vallende investeerder of een onder de overeenkomst vallende investering, door middel van één instrument of een combinatie van instrumenten, die voor beide partijen bindend is en over en weer rechten en verplichtingen doet ontstaan. een specifieke en expliciete verbintenis is aangegaan jegens een onder de overeenkomst vallende investeerder van de andere partij met betrekking tot diens investering of ten aanzien van een dergelijke onder de overeenkomst vallende investering, mag door middel van uitoefening van haar overheidsgezag de uitvoering van deze verbintenis niet verhinderen of ondermijnen21)Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht door middel van uitoefening van haar overheidsgezag de uitvoering van een verbintenis te verhinderen of te ondermijnen, wanneer zij de uitvoering van die verbintenis verhindert of ondermijnt door maatregelen te nemen, te handhaven of achterwege te laten die naar intern recht verplicht of afdwingbaar zijn.:

  • a. hetzij opzettelijk,
  • b. hetzij op zodanige wijze dat daardoor het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen in de op schrift vastgelegde contractuele verplichting substantieel wordt aangetast, tenzij zij een redelijke schadeloosstelling toekent om ervoor te zorgen dat de onder de overeenkomst vallende investeerder of investering in dezelfde positie komt te verkeren als wanneer de uitvoering van de verbintenis niet zou zijn verhinderd of ondermijnd.
7.

Noch een schending van een andere bepaling van deze overeenkomst, noch een schending van een afzonderlijke internationale overeenkomst, houdt een schending van dit artikel in.

Artikel 2.5. Compensatie van verliezen

1.

Onder de overeenkomst vallende investeerders van de ene partij die met betrekking tot hun onder de overeenkomst vallende investeringen op het grondgebied van de andere partij verliezen lijden wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een noodtoestand, opstand of oproer, worden door de laatstbedoelde partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere vorm van vergelijk betreft niet minder gunstig behandeld dan de eigen investeerders of de investeerders van een derde land, naar gelang welke behandeling voor de betrokken onder de overeenkomst vallende investeerders gunstiger is.

2.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 wordt onder de overeenkomst vallende investeerders van de ene partij die in een van de in lid 1 bedoelde situaties op het grondgebied van de andere partij verliezen lijden als gevolg van:

  • a. de vordering van hun onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan door de strijdkrachten of de overheid van de andere partij, of
  • b. de vernietiging van hun onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan door de strijdkrachten of de overheid van de andere partij, anders dan onder dwang van de omstandigheden,

door de andere partij restitutie of schadeloosstelling toegekend.

Artikel 2.6. Onteigening22)Voor alle duidelijkheid: dit artikel moet worden uitgelegd overeenkomstig de bijlagen 1 tot en met 3.

1.

Geen van beide partijen mag, rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de overeenkomst vallende investeringen van onder de overeenkomst vallende investeerders van de andere partij nationaliseren, onteigenen of onderwerpen aan maatregelen met een soortgelijk effect als nationalisatie of onteigening (hierna „onteigening” genoemd), behalve wanneer de onteigening:

  • a. geschiedt ten algemenen nutte;
  • b. geschiedt met inachtneming van een eerlijke rechtsgang;
  • c. niet discriminerend is, en
  • d. geschiedt tegen betaling van snelle, adequate en doeltreffende schadeloosstelling overeenkomstig lid 2.
2.

De hoogte van de schadeloosstelling is gelijk aan de billijke marktwaarde die de onder de overeenkomst vallende investering onmiddellijk vóór de publieke bekendmaking van de onteigening of de op handen zijnde onteigening vertegenwoordigt, vermeerderd met rente over de periode tussen de onteigenings- en de betalingsdatum, welke berekend wordt tegen een commercieel, op marktbasis vastgesteld redelijk tarief. Deze schadeloosstelling moet daadwerkelijk uitvoerbaar zijn, vrij kunnen worden overgemaakt overeenkomstig artikel 2.7 (Overmaking) en onverwijld worden uitbetaald.

De waarderingscriteria voor de bepaling van de billijke marktwaarde kunnen de goingconcernwaarde, de waarde van de activa, inclusief de aangegeven fiscale waarde van lichamelijke zaken, alsmede, in voorkomend geval, andere criteria omvatten.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op de afgifte van dwanglicenties die worden verleend in verband met intellectuele-eigendomsrechten, voor zover die afgifte in overeenstemming is met de TRIPs-overeenkomst.

4.

Elke maatregel van onteigening of waardebepaling wordt op verzoek van de onder de overeenkomst vallende investeerders die schade hebben geleden, getoetst door een rechterlijke instantie of andere onafhankelijke autoriteit van de partij die de maatregel neemt.

Artikel 2.7. Overmaking

1.

Elk van beide partijen staat toe dat alle overmakingen met betrekking tot een onder de overeenkomst vallende investering zonder beperking of vertraging worden verricht in vrij converteerbare valuta. Die overmakingen omvatten:

  • a. kapitaalinbreng, zoals aanvangskapitaal en extra middelen voor het aanhouden, uitbreiden of verhogen van de onder de overeenkomst vallende investering;
  • b. winsten, dividenden, kapitaalwinsten en ander rendement, opbrengsten uit de verkoop van de onder de overeenkomst vallende investering of een deel daarvan, of opbrengsten uit de gedeeltelijke of gehele liquidatie van de onder de overeenkomst vallende investering;
  • c. uitkeringen van rente en royalty’s, vergoedingen voor beheer en technische steun alsmede andere vormen van vergoedingen;
  • d. betalingen in het kader van een door de onder de overeenkomst vallende investeerder gesloten contract of van zijn onder de overeenkomst vallende investering, met inbegrip van betalingen uit hoofde van een leningsovereenkomst;
  • e. inkomsten en andere bezoldigingen van uit het buitenland aangeworven personeel dat werkzaam is in verband met een onder de overeenkomst vallende investering;
  • g. betalingen voortvloeiend uit artikel 3.18 (Uitspraken).
2.

Niets in dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat een partij wordt belet op billijke en niet-discriminerende wijze toepassing te geven aan haar wettelijke regeling betreffende:

  • a. faillissement, insolventie of crediteurenbescherming;
  • b. de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van effecten, futures, opties of derivaten;
  • c. de financiële verslaglegging of registratie met betrekking tot overmakingen, wanneer dat noodzakelijk is ter ondersteuning van de met de rechtshandhaving of financiële regelgeving belaste instanties;
  • d. strafbare feiten;
  • e. waarborgen dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken in gerechtelijke of administratieve procedures;
  • f. socialezekerheidsregelingen, wettelijke pensioenregelingen of verplichte spaarregelingen, of
  • g. belastingheffing.
3.

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden sprake is van ernstige moeilijkheden of de dreiging daarvan voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid van een partij, mag de betrokken partij tijdelijk vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot overmakingen nemen. Die maatregelen moeten strikt noodzakelijk zijn, zijn in geen geval langer dan zes maanden geldig23)De geldigheidsduur van vrijwaringsmaatregelen kan in aanhoudende uitzonderlijke omstandigheden worden verlengd door deze formeel opnieuw vast te stellen en na de andere partij hiervan in kennis te hebben gesteld. en vormen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen een partij en een derde land in vergelijkbare situaties.

Een partij die vrijwaringsmaatregelen neemt, stelt de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van deze maatregelen voor.

4.

In geval van ernstige problemen of dreigende ernstige problemen op het gebied van de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie kan een partij beperkende maatregelen ten aanzien van overdrachten in verband met investeringen instellen of handhaven.

5.

De partijen vermijden de toepassing van beperkende maatregelen als bedoeld in lid 4 zoveel mogelijk. Beperkende maatregelen die krachtens lid 4 worden ingesteld of gehandhaafd, mogen geen discriminerend karakter hebben, zijn van beperkte duur en mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is om de moeilijkheden betreffende de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie op te lossen. Zij moeten, naar gelang van het geval, in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, gedaan te Marrakesh op 15 april 1994 (hierna „WTO-Overeenkomst” genoemd) en de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds.

6.

Wanneer een partij beperkende maatregelen in de zin van lid 4 instelt of handhaaft of dergelijke maatregelen wijzigt, stelt zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis.

7.

Wanneer beperkingen in de zin van lid 4 worden ingesteld of gehandhaafd, wordt hierover onmiddellijk overleg gevoerd in het Comité. Tijdens dit overleg worden de betalingsbalanspositie van de betrokken partij en de in het kader van lid 4 ingestelde of gehandhaafde beperkingen beoordeeld, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de volgende factoren:

  • a. de aard en omvang van de betalingsbalansmoeilijkheden en de moeilijkheden met betrekking tot de buitenlandse financiële positie;
  • b. de economische positie en de handelssituatie ten opzichte van het buitenland, of
  • c. andere corrigerende maatregelen die genomen kunnen worden.

Het overleg heeft betrekking op de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 4 en 5. Alle bevindingen van statistische en andere aard met betrekking tot deviezen, monetaire reserves en de betalingsbalans die van het Internationaal Monetair Fonds (hierna de „IMF” genoemd) afkomstig zijn, worden aanvaard, en de conclusies worden gebaseerd op het oordeel van het IMF over de betalingsbalans en de externe financiële positie van de betrokken partij.

Artikel 2.8. Subrogatie

Indien een partij, of een namens die partij optredende instantie, ten gunste van een van haar investeerders een betaling verricht uit hoofde van een borgstelling, een verzekeringsovereenkomst of een andere vorm van schadevergoeding waartoe zij zich heeft verplicht of die zij heeft toegekend met betrekking tot een investering, erkent de andere partij dat die partij of instantie ten aanzien van die investering in alle rechten treedt, dat alle desbetreffende rechten of titels op die partij of instantie overgaan en dat alle desbetreffende vorderingen aan die partij of instantie worden gecedeerd. De partij of de instantie mag het recht waarin zij is getreden of de vordering die aan haar is gecedeerd, op dezelfde wijze als het oorspronkelijke recht of de oorspronkelijke vordering van de investeerder geldend maken. Dergelijke rechten waarin de partij of een instantie is getreden, mogen met toestemming van de partij of de instantie ook door de investeerder geldend worden gemaakt.

HOOFDSTUK DRIE. GESCHILLENBESLECHTING

AFDELING A. BESLECHTING VAN GESCHILLEN TUSSEN INVESTEERDERS EN PARTIJEN BIJ OVEREENKOMST

Artikel 3.1. Toepassingsgebied en definities

1.

Deze afdeling is van toepassing op geschillen tussen een eiser van de ene partij bij de overeenkomst en de andere partij bij de overeenkomst betreffende een behandeling24)De partijen bij de overeenkomst zijn het erover eens dat het begrip „behandeling” ook niet-handelen kan omvatten. waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt die verlies of schade voor de eiser of zijn plaatselijk gevestigde onderneming meebrengt.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt, tenzij anders aangegeven, verstaan onder:

  • a. „partijen bij het geschil”: de eiser en de verweerder;
  • b. „eiser”: een investeerder van een partij bij de overeenkomst die een verzoek overeenkomstig deze afdeling wil indienen of heeft ingediend:
  • i. namens zichzelf; of
  • ii. namens een plaatselijk gevestigde onderneming, zoals gedefinieerd onder c), waarvan hij de eigenaar is of waarover hij zeggenschap heeft25)Duidelijkheidshalve zij erop gewezen dat lid 2, onder b), moet worden uitgelegd als de instemming van de partijen bij de overeenkomst om een plaatselijk gevestigde onderneming te behandelen als een onderdaan van een andere verdragsluitende staat voor de toepassing van artikel 25, lid 2, onder b), van het op 18 maart 1965 tot stand gekomen Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten.;
  • c. „plaatselijk gevestigde onderneming”: een rechtspersoon die eigendom is van of onder zeggenschap26)Een rechtspersoon:a.is eigendom van natuurlijke of rechtspersonen van de andere partij bij de overeenkomst indien meer dan 50% van het aandelenkapitaal in handen is van natuurlijke of rechtspersonen van die partij die volledig over hun aandeel kunnen beschikken;b.staat onder zeggenschap van natuurlijke of rechtspersonen van de andere partij bij de overeenkomst indien deze personen bevoegd zijn een meerderheid van de bestuurders te benoemen of anderszins de handelingen van de rechtspersoon rechtens te sturen. staat van een investeerder van de ene partij bij de overeenkomst en is gevestigd op het grondgebied van de andere partij bij de overeenkomst;
  • d. „niet bij het geschil betrokken partij bij de overeenkomst”: hetzij Singapore, wanneer de Unie of een lidstaat van de Unie de verweerder is; hetzij de Unie, wanneer Singapore de verweerder is;
  • e. „verweerder”: hetzij Singapore; hetzij, voor de EU-partij, de Unie of de lidstaat van de Unie zoals meegedeeld overeenkomstig artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen); en
  • f. „financiering door derden”: financiering door een natuurlijke of rechtspersoon die geen partij bij het geschil is maar die een overeenkomst sluit met een partij bij het geschil met het oog op de financiering van alle of een deel van de kosten van de procedure, in ruil voor een aandeel of ander belang in de opbrengst of mogelijke opbrengst van de procedure waarop de partij bij het geschil eventueel aanspraak zal kunnen maken, dan wel bij wijze van donatie of de verstrekking van financiële steun.

Artikel 3.2. Minnelijke schikking

Alle geschillen dienen voor zover mogelijk in der minne te worden geschikt via onderhandelingen en, indien mogelijk, vóór de indiening van een verzoek om overleg overeenkomstig artikel 3.3 (Overleg). Een minnelijke schikking kan te allen tijde worden overeengekomen, ook nadat een geschillenbeslechtingsprocedure op grond van deze afdeling is gestart.

Artikel 3.3. Overleg

1.

Wanneer een geschil niet kan worden beslecht overeenkomstig artikel 3.2 (Minnelijke schikking), kan een eiser van de ene partij bij de overeenkomst die schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) stelt, bij de andere partij bij de overeenkomst een verzoek om overleg indienen.

2.

Het verzoek om overleg bevat de volgende informatie:

  • a. de naam en het adres van de eiser en, indien het verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van oprichting van de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • b. de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) die zouden zijn geschonden;
  • c. de wettelijke en feitelijke basis van het geschil, met inbegrip van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt; en
  • d. de gevraagde maatregel(en) en het geraamde verlies of de geraamde schade die de eiser of zijn plaatselijk gevestigde onderneming door die schending zou hebben geleden.
3.

Het verzoek om overleg wordt ingediend:

  • a. binnen dertig maanden na de datum waarop de eiser of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis kreeg of had moeten krijgen van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt; of
  • b. indien bij het verstrijken van de onder a) bedoelde termijn nationale rechtsmiddelen zijn aangewend, binnen een jaar na de datum waarop de eiser of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming de aanwending van die nationale rechtsmiddelen stopzet; en hoe dan ook niet later dan tien jaar na de datum waarop de eiser of in voorkomend geval zijn plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis kreeg of had moeten krijgen van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt.
4.

Ingeval de eiser binnen achttien maanden na de indiening van het verzoek om overleg geen verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) heeft ingediend, wordt hij geacht zijn verzoek om overleg en een eventueel bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen te hebben ingetrokken en afstand te hebben gedaan van zijn recht om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen. De bij het overleg betrokken partijen kunnen overeenkomen deze termijn te verlengen.

5.

De niet-inachtneming van de in de leden 3 en 4 bedoelde termijnen leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van een verzoek indien de eiser kan aantonen dat hij als gevolg van een opzettelijke handeling van de andere partij bij de overeenkomst niet in staat was een verzoek om overleg in te dienen of het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen, mits de eiser handelt zodra dit redelijkerwijs mogelijk is.

6.

Wanneer het verzoek om overleg betrekking heeft op een vermeende schending van deze overeenkomst door de Unie of door een lidstaat van de Unie, wordt het aan de Unie gezonden.

7.

De partijen bij het geschil kunnen in voorkomend geval overleg plegen per videoconferentie of met gebruikmaking van andere hulpmiddelen, zoals in het geval van een eiser die een kleine of middelgrote onderneming is.

Artikel 3.4. Bemiddeling en alternatieve geschillenbeslechting

1.

De partijen bij het geschil kunnen te allen tijde, ook vóór de ontvangst van een bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen, overeenkomen een beroep te doen op bemiddeling.

2.

Beroep op bemiddeling is vrijwillig en laat de rechtspositie van de partijen bij het geschil onverlet.

3.

Op het beroep op bemiddeling kunnen de regels van bijlage 6 (Bemiddelingsmechanisme voor geschillen tussen investeerders en partijen) of andere door de partijen bij het geschil overeengekomen regels van toepassing zijn. Alle in bijlage 6 (Bemiddelingsmechanisme voor geschillen tussen investeerders en partijen) vermelde termijnen kunnen met wederzijdse instemming van de partijen bij het geschil worden gewijzigd.

4.

De bemiddelaar wordt aangewezen met instemming van de partijen bij het geschil of overeenkomstig artikel 3 (Selectie van de bemiddelaar) van bijlage 6 (Bemiddelingsmechanisme voor geschillen tussen investeerders en partijen). De bemiddelaars voldoen aan de voorschriften van bijlage 7 (Gedragscode voor leden van het Gerecht, leden van de Beroepsinstantie en bemiddelaars).

5.

De partijen bij het geschil streven ernaar binnen 60 dagen na de aanwijzing van de bemiddelaar onderling een oplossing overeen te komen.

6.

Wanneer de partijen bij het geschil overeenkomen een beroep te doen op bemiddeling, is artikel 3.3 (Overleg), leden 3 en 4, niet van toepassing tussen de datum waarop is overeengekomen een beroep te doen op bemiddeling, en 30 dagen na de datum waarop een van de partijen bij het geschil beslist de bemiddeling te beëindigen via een brief aan de bemiddelaar en de andere partij bij het geschil.

7.

Niets in dit artikel belet de partijen bij het geschil een beroep te doen op andere vormen van alternatieve geschillenbeslechting.

Artikel 3.5. Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen

1.

Indien het geschil niet binnen drie maanden na de indiening van het verzoek om overleg kan worden beslecht, kan de eiser een schriftelijk bericht sturen van zijn voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen, met vermelding van de volgende informatie:

  • a. de naam en het adres van de eiser en, indien het verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van oprichting van de plaatselijk gevestigde onderneming;
  • b. de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) die zouden zijn geschonden;
  • c. de wettelijke en feitelijke basis van het geschil, met inbegrip van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt; en
  • d. de gevraagde maatregel(en) en het geraamde verlies of de geraamde schade die de eiser of zijn plaatselijk gevestigde onderneming door die schending zou hebben geleden.

Het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen wordt gezonden aan de Unie of aan Singapore, naar gelang het geval.

2.

Wanneer een bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen aan de Unie is gezonden, bepaalt deze binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het bericht wie de verweerder is. De Unie brengt de eiser onverwijld op de hoogte van haar beslissing dienaangaande, op basis waarvan de eiser een verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) kan indienen.

3.

Wanneer geen verweerder is bepaald overeenkomstig lid 2, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a. ingeval het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen uitsluitend betrekking heeft op de behandeling door een lidstaat van de Unie, treedt die lidstaat als verweerder op;
  • b. ingeval het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen betrekking heeft op de behandeling door een instelling, orgaan of agentschap van de Unie, treedt de Unie als verweerder op.
4.

Wanneer de Unie of een lidstaat als verweerder optreedt, stelt de Unie noch de betrokken lidstaat dat een geschil niet-ontvankelijk is of anderszins dat een geschil ongegrond of een uitspraak ongeldig is, op grond dat de verweerder eigenlijk de Unie en niet de lidstaat moet of had moeten zijn, of omgekeerd.

5.

Voor alle duidelijkheid: niets in deze overeenkomst of de toepasselijke geschillenbeslechtingsregels vormt een beletsel voor de uitwisseling van alle op een geschil betrekking hebbende informatie tussen de Unie en de betrokken lidstaat.

Artikel 3.6. Indiening van verzoeken bij het Gerecht

1.

Ten vroegste drie maanden na de datum van het overeenkomstig artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen) toegezonden bericht kan de eiser op grond van een van de volgende geschillenbeslechtingsregels een verzoek indienen bij het Gerecht27)Voor alle duidelijkheid:a.de regels van de betrokken geschillenbeslechtingsmechanismen zijn van toepassing onverminderd de specifieke regels in deze afdeling, en aangevuld door de overeenkomstig artikel 4.1 (Comité), lid 4, onder g), genomen besluiten, enb.geschillen die namens een uit een onbepaald aantal niet-geïdentificeerde eisers bestaande groep worden voorgelegd door een vertegenwoordiger die voornemens is de belangen van die eisers tijdens de procedure te behartigen en alle beslissingen betreffende het geschil namens hen te nemen, zijn niet-ontvankelijk.:

  • b. het Icsid-Verdrag in overeenstemming met de Bepalingen betreffende de opening van aanvullende mogelijkheden voor het verlenen van administratieve diensten bij geschillen door het secretariaat van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen (hierna „Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden” genoemd), mits de verweerder of de staat van de eiser partij is bij het Icsid-Verdrag28)Voor de toepassing van het bepaalde onder a) en b) wordt het woord „staat“, indien de Unie toetreedt tot het Icsid-Verdrag, geacht mede de Unie te omvatten.;
  • c. de arbitragevoorschriften van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (Uncitral), of
  • d. enige andere regeling indien de partijen bij het geschil zulks overeenkomen.
2.

Lid 1 van dit artikel geldt als instemming van de verweerder om een verzoek in te dienen overeenkomstig deze afdeling. De instemming krachtens lid 1 en de indiening van een verzoek overeenkomstig deze afdeling worden geacht te voldoen aan de voorschriften van:

  • a. hoofdstuk II van het Icsid-Verdrag en de Icsid-bepalingen betreffende aanvullende mogelijkheden, wat de schriftelijke instemming van de partijen bij het geschil betreft; en

Artikel 3.7. Voorwaarden voor indiening van verzoek

1.

Een verzoek op grond van deze afdeling kan alleen worden ingediend indien:

  • a. de eiser bij het desbetreffende verzoek een schriftelijke verklaring voegt dat hij instemt met geschillenbeslechting overeenkomstig de procedures van deze afdeling en de eiser een van de regels als bedoeld in artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht), lid 1, aanwijst als de regel voor de geschillenbeslechting;
  • b. ten minste zes maanden zijn verstreken sinds de indiening van het verzoek om overleg overeenkomstig artikel 3.3 (Overleg) en ten minste drie maanden zijn verstreken sinds de indiening van het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen overeenkomstig artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen);
  • d. over de wettelijke en feitelijke basis van het geschil voorafgaand overleg is gepleegd overeenkomstig artikel 3.3 (Overleg);
  • e. alle maatregelen gevraagd in het verzoek om onderwerping van het geschil aan geschillenbeslechting in de zin van artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) zijn gebaseerd op de behandeling bedoeld in het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen in de zin van artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen);
  • f. de eiser:
  • i. elke bij het Gerecht of enige andere nationale of internationale rechter op grond van nationaal of internationaal recht aanhangig gemaakte zaak met betrekking tot dezelfde behandeling als die waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt, intrekt,
  • ii. verklaart dat hij in de toekomst geen dergelijke zaak aanhangig zal maken, en
  • iii. verklaart dat hij een uitspraak op grond van deze afdeling niet ten uitvoer zal leggen alvorens die definitief is geworden, en bij een nationale of internationale rechter niet in hoger beroep zal gaan tegen of niet zal verzoeken om toetsing van, vernietiging van, nietigverklaring van, herziening van of inleiding van een andere soortgelijke procedure met betrekking tot een uitspraak op grond van deze afdeling.
2.

Voor de toepassing van lid 1, onder f), wordt met het begrip „eiser” de investeerder en in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming bedoeld. Voorts heeft het begrip „eiser” voor de toepassing van lid 1, onder f), i), ook betrekking op alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een eigendomsbelang hebben in de investeerder of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming dan wel onder zeggenschap staan van de investeerder of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming.

3.

Op verzoek van de verweerder verklaart het Gerecht zich onbevoegd indien de eiser de in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften niet in acht neemt of de daarin bedoelde verklaringen niet verstrekt.

4.

Lid 1, onder f), belet de eiser niet om vóór de inleiding van een procedure bij of gedurende de behandeling van een zaak door een van de fora voor geschillenbeslechting als bedoeld in artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) de gerechtelijke of administratieve instanties van de verweerder om voorlopige beschermingsmaatregelen te verzoeken. Voor de toepassing van dit artikel hebben de voorlopige beschermingsmaatregelen uitsluitend ten doel de rechten en belangen van de eiser te beschermen en houden zij geen betaling van schadevergoeding of een oplossing met betrekking tot de grond van het geschil in.

5.

Voor alle duidelijkheid: het Gerecht verklaart zich onbevoegd wanneer het geschil is gerezen, of het zeer aannemelijk was dat het zou rijzen, op het tijdstip waarop de eiser de eigendom van of de zeggenschap over de in geschil zijnde investering verkreeg, en het Gerecht op basis van de feiten vaststelt dat de eiser de eigendom van of de zeggenschap over de investering heeft verkregen met als hoofddoel overeenkomstig deze afdeling een verzoek in te dienen. Dit laat eventuele andere voor het Gerecht aangevoerde bezwaren ten aanzien van de bevoegdheid onverlet.

Artikel 3.8. Financiering door derden

1.

Een bij het geschil betrokken partij die van derden financiering ontvangt, deelt aan de andere bij het geschil betrokken partij en het Gerecht de naam en het adres van de derde financier mee.

2.

Die mededeling geschiedt ten tijde van de indiening van een verzoek of zodra de financiering door derden, naar gelang van het geval, is overeengekomen, gedoneerd of verstrekt.

Artikel 3.9. Gerecht van eerste aanleg

1.

Er wordt een Gerecht van eerste aanleg („Gerecht”) ingesteld voor de behandeling van overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) ingediende verzoeken.

2.

Het Comité wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst zes leden van het Gerecht aan. Met het oog op die aanwijzing:

  • a. draagt de EU-partij twee leden voor;
  • b. draagt Singapore twee leden voor; en
  • c. dragen de EU-partij en Singapore gezamenlijk twee leden voor, die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Unie of van Singapore.
3.

Het Comité kan besluiten het aantal leden van het Gerecht met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2.

4.

De leden voldoen aan alle gestelde eisen om in hun onderscheiden landen rechterlijke ambten te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij met name op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht of geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken.

5.

De leden worden benoemd voor een ambtstermijn van acht jaar. De eerste ambtstermijn van drie van de zes leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel twaalf jaar. De ambtstermijn van een lid kan bij het verstrijken ervan bij een besluit van het Comité worden verlengd. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een persoon die wordt aangewezen ter vervanging van een persoon wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een persoon die bij het verstrijken van zijn ambtstermijn zitting heeft in een formatie van het Gerecht kan met toestemming van de president van het Gerecht aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van het Gerecht.

6.

Een president en een vicepresident van het Gerecht zijn verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden. Zij worden door middel van loting voor vier jaar aangewezen uit de leden die zijn aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de voorzitter van het Comité. De vicepresident vervangt de president bij diens verhindering.

7.

Het Gerecht behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden, van wie telkens één is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder a), b) en c). De formatie wordt voorgezeten door het lid dat is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c).

8.

Binnen negentig dagen na de indiening van een verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) wijst de president van het Gerecht beurtelings de leden aan die deel uitmaken van de formatie van het Gerecht die de zaak behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van elke formatie willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren.

9.

Onverminderd lid 7 kunnen de partijen bij het geschil overeenkomen dat een zaak wordt behandeld door één lid. Dat lid wordt door de president van het Gerecht gekozen uit de leden die zijn aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). De verweerder neemt een daartoe strekkend verzoek van de eiser in welwillende overweging, in het bijzonder wanneer de eiser een kleine of middelgrote onderneming is of wanneer de gevorderde schadeloosstelling of schadevergoeding betrekkelijk gering is. Een dergelijk verzoek wordt tegelijk met het verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) ingediend.

10.

Het Gerecht stelt zijn eigen werkmethoden vast.

11.

De leden van het Gerecht zorgen ervoor dat zij beschikbaar zijn en in staat zijn om de in deze afdeling beschreven taken uit te voeren.

12.

Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden een maandelijks voorschot waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij besluit van het Comité. De president van het Gerecht en in voorkomend geval de vicepresident ontvangen voor elke dag dat zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van het Gerecht uitoefenen een dagvergoeding die gelijk is aan de dagvergoeding die krachtens artikel 3.10 (Beroepsinstantie), lid 11, wordt vastgesteld.

13.

Het voorschot en de dagvergoedingen die de president en de vicepresident van het Gerecht ontvangen wanneer zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van het Gerecht vervullen, worden door beide partijen bij de overeenkomst voor gelijke delen gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de partijen bij de overeenkomst het voorschot of de dagvergoedingen niet, dan kan de andere partij bij de overeenkomst ervoor kiezen die te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen door een partij bij de overeenkomst blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding.

14.

Tenzij het Comité een besluit neemt op grond van lid 15, worden de andere honoraria en kostenvergoedingen van de leden van het Gerecht die zitting hebben in een formatie vastgesteld overeenkomstig artikel 14, lid 1, van het administratief en financieel reglement van het Icsid-Verdrag zoals dit geldt op de datum van indiening van het verzoek en door het Gerecht overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten) verdeeld over de partijen bij het geschil.

15.

Bij besluit van het Comité kunnen het voorschot en andere honoraria en kostenvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden voltijds en stelt het Comité hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden geen andere beroepswerkzaamheid verrichten, al dan niet tegen beloning, tenzij de president van het Gerecht dit bij uitzondering toestaat.

16.

Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor het Gerecht en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door het Gerecht overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten) verdeeld over de partijen bij het geschil.

Artikel 3.10. Beroepsinstantie

1.

Er wordt een permanente Beroepsinstantie ingesteld die hogere beroepen tegen voorlopige uitspraken van het Gerecht behandelt.

2.

Het Comité wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst zes leden van de Beroepsinstantie aan. Met het oog op die aanwijzing:

  • a. draagt de EU-partij twee leden voor;
  • b. draagt Singapore twee leden voor; en
  • c. dragen de EU-partij en Singapore gezamenlijk twee leden voor, die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Unie of van Singapore.
3.

Het Comité kan besluiten het aantal leden van de Beroepsinstantie met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2.

4.

De leden van de Beroepsinstantie voldoen aan alle gestelde eisen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij met name op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht of geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken.

5.

De leden van de Beroepsinstantie worden benoemd voor een ambtstermijn van acht jaar. De eerste ambtstermijn van drie van de zes leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel twaalf jaar. De ambtstermijn van een lid kan bij het verstrijken ervan bij besluit van het Comité worden verlengd. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een persoon die wordt aangewezen ter vervanging van een persoon wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een persoon die bij het verstrijken van zijn ambtstermijn zitting heeft in een formatie van de Beroepsinstantie kan met toestemming van de president van de Beroepsinstantie aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van de Beroepsinstantie.

6.

Een president en een vicepresident van de Beroepsinstantie zijn verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden. Zij worden door middel van loting voor vier jaar aangewezen uit de leden van de Beroepsinstantie die zijn aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de voorzitter van het Comité. De vicepresident vervangt de president bij diens verhindering.

7.

De Beroepsinstantie behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden, van wie telkens één is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder a), b) en c). De formatie wordt voorgezeten door het lid dat is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c).

8.

De president van de Beroepsinstantie wijst beurtelings de leden aan die deel uitmaken van de formatie van de Beroepsinstantie die het hoger beroep behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van elke formatie willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren.

9.

De Beroepsinstantie stelt zijn eigen werkmethoden vast.

10.

De leden van de Beroepsinstantie zorgen ervoor dat zij beschikbaar zijn en in staat zijn om de in deze afdeling beschreven taken uit te voeren.

11.

Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden een maandelijks voorschot en een dagvergoeding voor elke dag dat zij als lid fungeren; de hoogte daarvan wordt vastgesteld bij besluit van het Comité. De president van de Beroepsinstantie en in voorkomend geval de vicepresident ontvangen voor elke dag dat zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van de Beroepsinstantie uitoefenen een dagvergoeding.

12.

Het voorschot en de dagvergoedingen die de president en de vicepresident van de Beroepsinstantie ontvangen wanneer zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van de Beroepsinstantie vervullen, worden door beide partijen bij de overeenkomst voor gelijke delen gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de partijen bij de overeenkomst het voorschot of de dagvergoedingen niet, dan kan de andere partij bij de overeenkomst ervoor kiezen die te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen door een partij bij de overeenkomst blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding.

13.

Bij besluit van het Comité kunnen het voorschot en de dagvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden van de Beroepsinstantie voltijds en stelt het Comité hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden van de Beroepsinstantie geen andere beroepswerkzaamheid verrichten, al dan niet tegen beloning, tenzij van deze bepaling door de president van de Beroepsinstantie bij uitzondering afwijking is toegestaan.

14.

Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor de Beroepsinstantie en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door het Gerecht overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten) verdeeld over de partijen bij het geschil.

Artikel 3.11. Ethische code

1.

De leden van het Gerecht en van de Beroepsinstantie worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. Zij zijn niet verbonden aan enige overheid29)Voor alle duidelijkheid: het feit dat een persoon van een overheid een inkomen ontvangt, vroeger voor de overheid werkte of familiebanden heeft met een persoon die van een overheid een inkomen ontvangt, betekent op zichzelf niet dat hij niet als lid van het Gerecht of de Beroepsinstantie in aanmerking komt. en zij nemen inzonderheid geen instructies van enige overheid of organisatie aan met betrekking tot het voorwerp van het geschil. Zij nemen niet deel aan de behandeling van geschillen die rechtstreeks of onrechtstreeks tot een belangenconflict zouden kunnen leiden. Daarbij voldoen zij aan de voorschriften van bijlage 7 (Gedragscode voor leden van het Gerecht, leden van de Beroepsinstantie en bemiddelaars). Daarnaast treden zij na hun aanwijzing niet op als raadsman of als door een partij bij het geschil aangewezen deskundige of getuige in het kader van lopende of nieuwe investeringsgeschillen uit hoofde van deze of enige andere internationale overeenkomst of nationaal recht.

2.

Wanneer een partij bij het geschil van mening is dat een lid in een belangenconflict verkeert, zendt zij de president van het Gerecht of de president van de Beroepsinstantie, naar gelang van het geval, een bericht van wraking van dat lid. Het bericht van wraking wordt verzonden binnen vijftien dagen na de datum waarop de samenstelling van de formatie van het Gerecht of de Beroepsinstantie is meegedeeld aan de partij bij het geschil, dan wel binnen vijftien dagen na de datum waarop de partij bij het geschil kennis heeft gekregen van de relevante feiten, indien die redelijkerwijs niet bekend konden zijn geweest op het tijdstip van de samenstelling van de formatie. In het bericht van wraking worden de gronden voor wraking vermeld.

3.

Indien het gewraakte lid er binnen vijftien dertig dagen na de datum van het bericht van wraking voor kiest zijn functie in de formatie niet neer te leggen, neemt de president van het Gerecht, respectievelijk de president van de Beroepsinstantie, na de partijen bij het geschil te hebben gehoord en na het lid in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen in te dienen, binnen 45 dagen na ontvangst van het bericht van wraking een besluit en stelt hij de partijen bij het geschil en de andere leden van de formatie daarvan onverwijld in kennis.

4.

Over de wraking van de president van het Gerecht als lid van een formatie beslist de president van de Beroepsinstantie, en omgekeerd.

5.

De partijen bij de overeenkomst kunnen op grond van een met redenen omklede aanbeveling van de president van de Beroepsinstantie, bij besluit van het Comité, een lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie van zijn mandaat ontheffen wanneer zijn of haar gedrag in strijd is met de in lid 1 bedoelde verplichtingen en onverenigbaar is met de voortzetting van het mandaat van lid van het Gerecht of van de Beroepsinstantie. Indien wordt gesteld dat het gedrag in kwestie dat is van de president van de Beroepsinstantie, doet de president van het Gerecht de met redenen omklede aanbeveling. Artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg), lid 5, en artikel 3.10 (Beroepsinstantie), lid 5, zijn van overeenkomstige toepassing voor het opvullen van vacatures die op grond van dit lid ontstaan.

Artikel 3.12. Multilateraal geschillenbeslechtingsmechanisme

De partijen bij de overeenkomst streven onderling en samen met andere belanghebbende handelspartners naar de oprichting van een multilateraal investeringsgerecht en de instelling van een multilaterale beroepsmogelijkheid voor de beslechting van internationale investeringsgeschillen. Bij de instelling van een dergelijke multilaterale beroepsmogelijkheid neemt het Comité in overweging of een besluit moet worden genomen waarin wordt bepaald dat investeringsgeschillen in het kader van deze afdeling zullen worden beslecht met toepassing van die multilaterale beroepsmogelijkheid, en waarin wordt voorzien in passende overgangsregelingen.

Artikel 3.13. Toepasselijk recht en regels voor uitlegging

1.

Het Gerecht beslist of de in geschil zijnde behandeling een schending van een verplichting uit hoofde van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt.

2.

Onverminderd het bepaalde in lid 3 past het Gerecht deze overeenkomst toe zoals uitgelegd overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht en andere regels en beginselen van internationaal recht die in de betrekkingen tussen de partijen bij de overeenkomst van toepassing zijn30)Voor alle duidelijkheid: het interne recht van de partijen bij de overeenkomst maakt geen deel uit van het toepasselijke recht. Wanneer het Gerecht moet uitmaken welke betekenis een bepaling van het interne recht van een partij bij de overeenkomst heeft, volgt het de heersende uitlegging van die bepaling door de rechterlijke instanties of de autoriteiten van die partij bij de overeenkomst, en de rechterlijke instanties of de autoriteiten van de partijen bij de overeenkomst zijn niet gebonden aan de uitlegging die het Gerecht aan de interne wetgeving in kwestie geeft. Het Gerecht is niet bevoegd de wettigheid van een maatregel waarvan wordt gesteld dat hij een schending van deze overeenkomst vormt, te toetsen aan het interne recht van de partij bij het geschil..

3.

Wanneer ernstige bezorgdheid rijst over uitleggingskwesties die van invloed kunnen zijn op aangelegenheden in verband met deze overeenkomst, kan het Comité overeenkomstig artikel 4.1 (Comité), lid 4, onder f), uitleggingen van bepalingen van deze overeenkomst geven. Een door het Comité gegeven uitlegging is bindend voor het Gerecht en de Beroepsinstantie; uitspraken stroken met het desbetreffende besluit. Het Comité kan beslissen dat een uitlegging met ingang van een specifieke datum bindend karakter heeft.

Artikel 3.14. Kennelijk oneigenlijke verzoeken

1.

De verweerder kan, uiterlijk 30 dagen na de instelling van een formatie van het Gerecht overeenkomstig artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) en in elk geval vóór de eerste zitting van de formatie van het Gerecht, de exceptie opwerpen dat een verzoek kennelijk oneigenlijk is.

2.

De verweerder geeft de gronden voor de exceptie zo nauwkeurig mogelijk aan.

3.

Nadat het Gerecht de partijen bij het geschil in de gelegenheid heeft gesteld om hun opmerkingen over de exceptie te maken, neemt het op de eerste zitting van de formatie van het Gerecht of snel daarna een besluit over de exceptie of doet het voorlopig uitspraak op de exceptie.

4.

Deze procedure en elke beslissing van het Gerecht laten het recht van een verweerder om overeenkomstig artikel 3.15 (Rechtens ongegronde verzoeken) of tijdens de procedure aan te voeren dat een verzoek rechtens ongegrond is alsook de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken, onverlet.

Artikel 3.15. Rechtens ongegronde verzoeken

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)