Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting
Voor de toepassing van het Verdrag wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat of in een derde staat en die een onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, indien hij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen is onderworpen als inwoners van die staat.
Het Verdrag is niet van toepassing op internationale organisaties, op hun organen of functionarissen, noch op leden van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van een derde staat, die in een verdragsluitende staat verblijven, indien zij in die staat niet aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen zijn onderworpen als inwoners van die staat.
Artikel 29. Uitbreiding tot andere gebieden
Dit Verdrag kan, hetzij in zijn geheel, hetzij met noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot Aruba, Curaçao of Sint Maarten, indien Aruba, Curaçao of Sint Maarten belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Een dergelijke uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling of op andere wijze in overeenstemming met hun grondwettelijke procedures.
Tenzij anders is overeengekomen, brengt de beëindiging van dit Verdrag niet met zich dat tevens het Verdrag voor het deel of de delen van het Koninkrijk der Nederlanden waartoe het ingevolge dit artikel is uitgebreid, eindigt.
HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 30. Inwerkingtreding
Elk van de verdragsluitende staten stelt de andere in kennis van de voltooiing van de op grond van zijn wetgeving vereiste procedures voor het in werking doen treden van dit Verdrag. Dit Verdrag treedt in werking op de laatste dag van de maand die volgt op de maand van ontvangst van de laatste van de kennisgevingen waarin de onderscheiden verdragsluitende staten elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat hun grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld.
De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing:
- a. met betrekking tot aan de bron geheven belastingen voor bedragen die betaald of verrekend zijn op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt;
- b. met betrekking tot andere belastingen, ter zake van belastingjaren beginnend op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt.
Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag houdt de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gedaan te Sofia op 6 juli 1990, op van toepassing te zijn:
- a. met betrekking tot aan de bron geheven belastingen voor bedragen die betaald of verrekend zijn op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt;
- b. met betrekking tot andere belastingen, ter zake van belastingjaren beginnend op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt.
Niettegenstaande de voorgaande leden wanneer een inwoner van een van de verdragsluitende staten vóór de datum waarop dit Verdrag in werking treedt een pensioen of andere soortgelijke beloning afkomstig uit de andere verdragsluitende staat ontvangt en na die datum dit pensioen of deze beloning blijft ontvangen, blijven de bepalingen van artikel 18, eerste lid, van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gedaan te Sofia op 6 juli 1990, van toepassing op dit pensioen of deze beloning na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Indien dit pensioen of deze beloning die uit de andere verdragsluitende staat afkomstig is echter in de eerstbedoelde verdragsluitende staat niet aan belasting is onderworpen, zijn de bepalingen van artikel 17 van dit Verdrag van toepassing.
Artikel 31. Beëindiging
Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een verdragsluitende staat wordt beëindigd. Een verdragsluitende staat kan het Verdrag langs diplomatieke weg beëindigen door middel van een kennisgeving van beëindiging.
In een dergelijk geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken beginnend en belastbare gebeurtenissen die zich voordoen na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan, indien de kennisgeving is gedaan in de eerste zes maanden van een kalenderjaar. Indien kennisgeving van beëindiging is gedaan in de laatste zes maanden van een kalenderjaar, houdt het Verdrag op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen na het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.
Kennisgeving van beëindiging wordt geacht door een verdragsluitende staat te zijn gedaan op de datum van ontvangst van een dergelijke kennisgeving door de andere verdragsluitende staat.
Ter zake van het Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Bulgarije, zijn de ondergetekenden overeengekomen dat de volgende bepalingen een integrerend deel van het Verdrag vormen.
I. ALGEMEEN
Het is wel te verstaan dat alle bepalingen van dit Verdrag die gelijk of in wezen gelijksoortig zijn aan de bepalingen van het OESO-modelverdrag met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, worden geïnterpreteerd overeenkomstig het OESO-commentaar daarop op het moment van de toepassing van dit Verdrag.
II. AD ARTIKELEN 1, 4, 10, 11, 12, 13 EN 21
-
- Een lichaam dat inwoner is van Nederland en voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt behandeld als een „vrijgestelde beleggingsinstelling“ is niet gerechtigd tot de voordelen van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 21 en de daarmee verband houdende artikelen van het Protocol bij het Verdrag.
-
- Het is wel te verstaan dat artikel 10, derde lid, onderdeel a, niet van toepassing is op een persoon die inwoner is van Nederland en die voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt behandeld als een „fiscale beleggingsinstelling”.
-
- Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid en de bepalingen van artikel 1 en artikel 4 beslissen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderling overleg in hoeverre een andere inwoner van een verdragsluitende staat die onder een bijzondere regeling valt geen aanspraak kan maken op de voordelen van dit Verdrag.
III. AD ARTIKELEN 1, 2 EN 4
Het is wel te verstaan dat met betrekking tot het Caribische deel van Nederland dit Verdrag uitsluitend van toepassing is op inwoners die natuurlijke personen zijn.
IV. AD ARTIKEL 4, EERSTE LID
Het is wel te verstaan dat in het geval van een natuurlijke persoon die aan boord van een schip woont „enige andere soortgelijke omstandigheid” mede omvat de thuishaven van dat schip.
V. AD ARTIKELEN 5, 6, 7 EN 13
Het is wel te verstaan dat rechten tot de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen worden beschouwd als onroerende zaken die zijn gelegen in de verdragsluitende staat op wiens territoriale zee, en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarin deze staat, in overeenstemming met internationaal recht, rechtsmacht of soevereine rechten uitoefent, met inbegrip van de zeebodem en ondergrond daarvan, deze rechten van toepassing zijn en dat deze rechten geacht worden te behoren tot de activa van een vaste inrichting in die staat. Voorts is het wel te verstaan dat de hiervoor genoemde rechten ook omvatten rechten op belangen bij of voordelen uit vermogensbestanddelen die voortvloeien uit die exploratie of exploitatie.
VI. AD ARTIKELEN 6, 10, 11, 12 EN 13
-
- Inkomen en voordelen uit collectieve beleggingen via besloten fondsen voor gezamenlijke rekening gevestigd in een van de verdragsluitende staten (besloten FGR's) of paraplufondsen bestaande uit diverse besloten FGR's worden toegewezen aan de deelnemers die via de besloten FGR’s investeren en wel naar rato van de omvang van hun deelneming in het fonds.
-
- Een besloten FGR die in een van de verdragsluitende staten gevestigd is en inkomen of voordelen ontvangt afkomstig uit de andere verdragsluitende staat kan zelf, via vertegenwoordiging door de manager van het fonds of diens depositaris in plaats van de deelnemers in de besloten FGR aanspraak maken op de voordelen uit een overeenkomst ten behoeve van het vermijden van dubbele belasting waarbij de andere staat partij is en die specifiek van toepassing is op een van de betrokken deelnemers, namens die deelnemer in de besloten FGR. Deze vorderingen kunnen het voorwerp zijn van een onderzoek en desgevraagd verstrekt een manager van het fonds of diens depositaris relevante informatie, die een overzicht kan omvatten van deelnemers en het, respectievelijk de, voor een vordering relevante toegewezen inkomen of voordelen, alsmede specifieke overeenkomsten ter vermijding van dubbele belasting uit hoofde waarvan door de FGR aanspraak wordt gemaakt op voordelen.
-
- Niettegenstaande het tweede lid mag een besloten FGR geen aanspraak maken op voordelen uit het Verdrag namens een deelnemer van de besloten FGR, indien de deelnemer zelf aanspraak heeft gemaakt op voordelen ter zake van hetzelfde inkomen of dezelfde voordelen.
VII. AD ARTIKEL 7
Indien Bulgarije in een toekomstig verdrag inzake dubbele belasting met een lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling instemt met de versie uit 2010 van artikel 7 van het OESO-modelverdrag met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, of een latere versie, begint Bulgarije onverwijld onderhandelingen met Nederland teneinde voornoemde versie van artikel 7 in het Verdrag op te nemen.
VIII. AD ARTIKEL 7
Het is wel te verstaan dat met betrekking tot artikel 7, eerste en tweede lid, geldt dat, indien een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat goederen of koopwaar verkoopt of een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, de winst van die vaste inrichting niet wordt bepaald op basis van het totale door de onderneming ontvangen bedrag, doch slechts op basis van dat deel van het inkomen van de onderneming dat aan de feitelijke werkzaamheden van de vaste inrichting voor die verkopen of die bedrijfsuitoefening is toe te rekenen.
IX. AD ARTIKEL 7
Het is wel te verstaan dat betalingen ontvangen als vergoeding voor technische diensten, waaronder begrepen studies of onderzoeken van wetenschappelijke, geologische of technische aard, of voor diensten van adviserende of toezichthoudende aard, worden aangemerkt als vergoedingen waarop de bepalingen van artikel 7 van toepassing zijn.
X. AD ARTIKEL 8
Het is wel te verstaan dat de bepalingen van artikel 8 tevens van toepassing zijn op belastingen geheven op basis van bruto-ontvangsten ter zake van vervoer van passagiers en vracht in internationaal verkeer.
XI. AD ARTIKEL 15
Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „lid van de raad van beheer“ mede omvat:
-
- in het geval van Nederland, een „bestuurder” of „commissaris”;
-
- in het geval van Bulgarije, een lid van een toezichthoudende of leidinggevende raad.
XII. AD ARTIKEL 25
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen, zo nodig in strijd met hun respectieve nationale wetgeving, ter zake van een overeengekomen regeling in het kader van een procedure voor onderling overleg als bedoeld in artikel 25, tevens overeenkomen dat de staat, waar ingevolge eerdergenoemde regeling sprake is van een additionele belastingheffing, met betrekking tot deze additionele belastingheffing geen belastingverhogingen, toeslagen, interest en kosten zal opleggen, indien de andere staat, waarin ingevolge de regeling sprake is van een overeenkomstige vermindering van belasting, afziet van de betaling van interest verschuldigd met betrekking tot een dergelijke vermindering van belasting.
XIII. AD ARTIKELEN 25 EN 26
Indien Bulgarije in een toekomstig verdrag inzake dubbele belasting met een derde staat instemt met een arbitrageclausule worden de volgende nieuwe bepalingen onmiddellijk na het vierde lid van artikel 25 ingevoegd en worden deze tussen Bulgarije en Nederland van toepassing vanaf de datum waarop het verdrag tussen Bulgarije en deze derde staat van toepassing wordt:
- „5. Wanneer: wordt elke onopgeloste kwestie die voortvloeit uit de zaak op verzoek van de persoon aan arbitrage onderworpen. Deze onopgeloste kwesties worden evenwel niet aan arbitrage onderworpen indien een rechterlijke instantie of administratiefrechtelijk lichaam van een van beide staten reeds over deze kwesties heeft beslist. Tenzij een rechtstreeks bij de zaak betrokken persoon de gezamenlijke regeling voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt, is de arbitrale uitspraak bindend voor beide verdragsluitende staten en wordt deze ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in het nationale recht van de staten. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten regelen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van dit lid. De verdragsluitende staten kunnen aan de arbitragecommissie, ingesteld volgens de bepalingen van dit lid, de informatie verstrekken die nodig is om de arbitrageprocedure uit te voeren. De leden van de arbitragecommissie zijn met betrekking tot de aldus verstrekte informatie onderworpen aan de beperkingen ten aanzien van openbaarmaking als omschreven in artikel 26, tweede lid.
- a. een persoon op grond van het eerste lid een zaak heeft voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat omdat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten ertoe hebben geleid dat de belastingheffing voor die persoon niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag; en
- b. de bevoegde autoriteiten er binnen twee jaar nadat de zaak is voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat niet inslagen overeenstemming te bereiken om deze zaak op te lossen overeenkomstig het tweede lid,
-
- De bepalingen van het vijfde lid zijn niet van toepassing op zaken waarop artikel 5, vierde lid, van dit Verdrag van toepassing is.
-
- Bij zaken waarin procedures zijn gestart voor de datum waarop het vijfde lid van toepassing wordt, begint het in het vijfde lid, onderdeel b, genoemde tijdvak van twee jaar op deze datum.”
XIV. AD ARTIKELEN 26 EN 27
De bepalingen van de artikelen 26 en 27 zijn van dienovereenkomstige toepassing op de Nederlandse inkomensgerelateerde regelingen.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Sofia in duplicate, this 14th day of September 2020, in the Dutch, Bulgarian and English languages, all texts being equally authentic. In case of divergence of interpretation, the English text shall prevail.
For the Kingdom of the Netherlands,
BEA TEN TUSSCHER
For the Republic of Bulgaria,
KIRIL ANANIEV
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)