Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Regering van de Verenigde Arabische Emiraten inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden
de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten (hierna te noemen de „verdragsluitende partijen”);
en
De Regering van de Verenigde Arabische Emiraten,
Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944 (hierna te noemen te noemen „het Verdrag van Chicago”);
Geleid door de wens een verdrag te sluiten, in overeenstemming met en ter aanvulling van het voornoemde Verdrag van Chicago, ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden;
Erkennend het belang van luchtvervoer als middel om vriendschap, begrip en samenwerking tussen de volkeren van beide landen tot stand te brengen en te bevorderen;
Geleid door de wens de uitbreiding van de mogelijkheden voor het internationaal luchtvervoer te vergemakkelijken;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a. wordt onder „luchtvaartautoriteit” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, betreft, de minister van Toerisme, Economische Zaken, Vervoer en Telecommunicatie, verantwoordelijk voor burgerluchtvaart; wat de Verenigde Arabische Emiraten betreft, de Algemene Burgerluchtvaartautoriteit; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen waar dit Verdrag betrekking op heeft;
- b. wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan geregelde internationale luchtdiensten tussen en via de onderscheiden grondgebieden van Sint Maarten en de Verenigde Arabische Emiraten voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht, met inbegrip van post, afzonderlijk of gecombineerd;
- c. wordt onder „Verdrag“ verstaan dit Verdrag en de Bijlage erbij opgesteld voor de toepassing ervan, alsmede elke wijziging van het Verdrag of van de Bijlage;
- d. hebben „luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij”, „internationale luchtdienst” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in artikel 96 van het Verdrag van Chicago respectievelijk wordt toegekend;
- e. omvat de „Bijlage” de routetabel die als bijlage bij het Verdrag is gevoegd en alle clausules of noten die in deze Bijlage zijn vervat alsmede elke wijziging daarvan gedaan in overeenstemming met de bepalingen van artikel 20 van dit Verdrag;
- f. wordt onder „vracht” tevens post begrepen;
- g. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944, met inbegrip van: i. elke overeenkomstig artikel 94, onderdeel a, van het Verdrag van Chicago in werking getreden wijziging die door beide verdragsluitende partijen is bekrachtigd; en ii. elke overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlage of elke wijziging daarvan, voor zover die Bijlage of wijziging op enig moment van kracht is voor beide verdragsluitende partijen;
- h. wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappijen” verstaan een luchtvaartmaatschappij die is of luchtvaartmaatschappijen die zijn aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag;
- i. wordt onder „onderdanen” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, betreft, onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden die officieel bij de burgerlijke stand van Sint Maarten als lokale inwoner met de Nederlandse nationaliteit zijn ingeschreven en, wat de VAE betreft, alle onderdanen van de Verenigde Arabische Emiraten;
- j. wordt onder „tarieven” verstaan de prijzen die in rekening worden gebracht voor het vervoer van passagiers, bagage en vracht en de voorwaarden waaronder deze prijzen van toepassing zijn, evenwel met uitzondering van de vergoedingen en voorwaarden voor het vervoeren van post;
- k. heeft „grondgebied” met betrekking tot een staat de betekenis die eraan wordt toegekend in artikel 2 van het Verdrag van Chicago;
- l. wordt onder „gebruikersheffingen” verstaan heffingen die door de bevoegde autoriteiten worden opgelegd of mogen worden opgelegd aan luchtvaartmaatschappijen voor de levering van luchthavenvoorzieningen of -eigendommen en/of van luchtvaartvoorzieningen, met inbegrip van daarmee verband houdende diensten en voorzieningen voor luchtvaartuigen, hun bemanningen, passagiers, bagage en vracht.
De Bijlage bij dit Verdrag maakt een integrerend onderdeel daarvan uit.
Bij de uitvoering van dit Verdrag handelen de verdragsluitende partijen in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van Chicago, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op internationale luchtdiensten.
Artikel 2. Verlening van rechten
Elke verdragsluitende partij verleent de andere verdragsluitende partij de in dit Verdrag omschreven rechten teneinde haar aangewezen luchtvaartmaatschappijen in staat te stellen de overeengekomen diensten in te stellen en te exploiteren.
De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke verdragsluitende partij genieten de volgende rechten:
- a. het recht zonder te landen over het grondgebied van de andere verdragsluitende partij te vliegen;
- b. het recht op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij te landen anders dan voor verkeersdoeleinden; en
- c. het recht te landen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij ten behoeve van het opnemen en afzetten van internationaal verkeer in de vorm van passagiers, bagage en vracht, afzonderlijk of gecombineerd, terwijl zij de overeengekomen diensten exploiteren.
Bovendien geniet(en) de luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij, anders dan die aangewezen uit hoofde van artikel 3 van dit Verdrag, de rechten die omschreven zijn in het tweede lid, onderdelen a en b, van dit artikel.
Niets in dit artikel wordt geacht een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij het voorrecht te verlenen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij tegen vergoeding of beloning passagiers, bagage en vracht op te nemen bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij.
Indien vanwege een gewapend conflict, politieke strubbelingen of ontwikkelingen of bijzondere en ongewone omstandigheden een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitende partij niet in staat is een dienst op haar normale route te exploiteren, stelt de andere verdragsluitende partij alles in het werk om de voortgaande exploitatie van een dergelijke dienst te vergemakkelijken door een passende tijdelijke aanpassing van routes, zoals gezamenlijk overeen te komen door de verdragsluitende partijen.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) heeft (hebben) het recht gebruik te maken van alle beschikbare luchtwegen, luchthavens en overige faciliteiten die door de verdragsluitende partijen op basis van non-discriminatie worden aangeboden.
Artikel 3. Aanwijzing en verlening van vergunningen
De luchtvaartautoriteit van elke verdragsluitende partij heeft het recht een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het exploiteren van de overeengekomen diensten en de aanwijzing van een luchtvaartmaatschappij in te trekken of te veranderen of een eerder aangewezen luchtvaartmaatschappij te vervangen door een andere luchtvaartmaatschappij. In een dergelijke aanwijzing kan de reikwijdte zijn gespecificeerd van de vergunning die aan elke luchtvaartmaatschappij is verleend met betrekking tot de exploitatie van de overeengekomen diensten. Aanwijzingen en veranderingen daarvan worden schriftelijk langs diplomatieke weg door de luchtvaartautoriteit van de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen ter kennis gebracht van de luchtvaartautoriteit van de andere verdragsluitende partij.
Na ontvangst van een kennisgeving van aanwijzing, vervanging of wijziging daarvan en van de aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven, verleent de andere verdragsluitende partij, met inachtneming van de bepalingen van het derde en vierde lid van dit artikel, de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) onverwijld de desbetreffende exploitatievergunningen.
De luchtvaartautoriteit van de ene verdragsluitende partij kan van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij verlangen te bewijzen dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden uit hoofde van de wetten en voorschriften die door deze autoriteit gewoonlijk en redelijkerwijze worden toegepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag van Chicago.
Elke verdragsluitende partij heeft het recht de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunningen te weigeren of hieraan de voorwaarden te verbinden die zij noodzakelijk acht voor de uitoefening door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van dit Verdrag bedoelde rechten, in elk geval waarin zij er niet van overtuigd is dat een wezenlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst of bij haar onderdanen, met inachtneming van een eventuele bijzondere overeenkomst tussen de verdragsluitende partijen.
Wanneer een luchtvaartmaatschappij aldus is aangewezen en gemachtigd kan zij op elk moment, geheel of gedeeltelijk, beginnen met de exploitatie van de overeengekomen diensten, op voorwaarde dat er een dienstregeling is vastgesteld in overeenstemming met artikel 15 van dit Verdrag met betrekking tot deze diensten.
Artikel 4. Intrekking en beperking van exploitatievergunningen
De luchtvaartautoriteit van elke verdragsluitende partij heeft, met betrekking tot een door de andere verdragsluitende partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening van de in artikel 2 van dit Verdrag vermelde rechten te schorsen of hieraan de door haar nodig geachte voorwaarden te verbinden, hetzij tijdelijk, hetzij permanent:
- a. ingeval deze luchtvaartmaatschappij nalaat de wetten en voorschriften na te leven die de luchtvaartautoriteit van de verdragsluitende partij die deze rechten in overeenstemming met het Verdrag van Chicago heeft toegekend gewoonlijk en redelijkerwijze toepast; of
- b. ingeval de luchtvaartmaatschappij anderszins nalaat de exploitatie uit te voeren in overeenstemming met de ingevolge dit Verdrag gestelde voorwaarden; of
- c. in elk geval waarin zij er niet van overtuigd is dat een wezenlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst of bij haar onderdanen, met inachtneming van een eventuele bijzondere overeenkomst tussen de verdragsluitende partijen; of
- d. in overeenstemming met het zesde lid van artikel 10 van dit Verdrag; of
- e. ingeval de andere verdragsluitende partij nalaat passende maatregelen te nemen om de veiligheid te verbeteren in overeenstemming met het tweede lid van artikel 10 van dit Verdrag; of
- f. in elk geval waarin de andere verdragsluitende partij nalaat te voldoen aan enig besluit of enige bepaling die voortvloeit uit de toepassing van artikel 19 van dit Verdrag.
Tenzij onmiddellijke intrekking, schorsing of oplegging van de voorwaarden genoemd in het eerste lid van dit artikel essentieel is om verdere inbreuken op de wetten of voorschriften te voorkomen, worden dergelijke rechten slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteit van de andere verdragsluitende partij, zoals voorzien in artikel 18 van dit Verdrag.
Maatregelen die de ene verdragsluitende partij ingevolge dit artikel mocht nemen, laten de rechten van de andere verdragsluitende partij ingevolge artikel 19 van dit Verdrag onverlet.
Artikel 5. Beginselen met betrekking tot de exploitatie van overeengekomen diensten
Elke verdragsluitende partij staat op basis van wederkerigheid toe dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide verdragsluitende partijen vrijelijk in de gelegenheid worden gesteld te concurreren bij het verzorgen van de internationale luchtdiensten waarop dit Verdrag betrekking heeft.
Elke verdragsluitende partij treft alle passende maatregelen binnen haar rechtsmacht ter bestrijding van alle vormen van discriminatie en concurrentiebelemmerende of markt ondermijnende praktijken bij de uitoefening van de rechten en aanspraken vervat in dit Verdrag.
Er zijn geen beperkingen ten aanzien van de capaciteit en frequentie en/of het type of de typen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide verdragsluitende partijen te exploiteren luchtvaartuigen bij elk type dienst (passagiers, vracht, afzonderlijk of gecombineerd). Het is elke aangewezen luchtvaartmaatschappij toegestaan de capaciteit en frequentie van haar overeengekomen diensten te bepalen.
Geen van de verdragsluitende partijen beperkt eenzijdig de omvang van het verkeer, de frequentie, de regelmaat van een dienst of het type of de typen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij geëxploiteerde luchtvaartuigen, tenzij dit nodig mocht zijn vanwege vereisten op het gebied van douane, techniek, exploitatie of milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.
Geen van de verdragsluitende partijen legt de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij een verplichting tot voorrangsverlening, proportionele beperkingen, een vergoeding wegens afzien van bezwaar of enige andere verplichting ten aanzien van capaciteit, frequentie of verkeer op die niet zou stroken met de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel 6. Douanerechten en andere heffingen
Elke verdragsluitende partij stelt de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij vrij van importbeperkingen, douanerechten, directe of indirecte belastingen, inspectiekosten en alle andere nationale en/of lokale belastingen en heffingen op luchtvaartuigen alsmede hun normale uitrustingsstukken, brandstof, smeermiddelen, onderhouds- en vliegtuiggereedschappen, technische verbruiksvoorraden, reserveonderdelen waaronder motoren, boordproviand, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, etenswaren, dranken, tabaksartikelen, alsmede overige producten bestemd voor de verkoop aan passagiers of voor het consumeren daarvan tijdens de vlucht en andere artikelen die uitsluitend worden gebruikt of verbruikt in verband met de exploitatie of het onderhoud van luchtvaartuigen die door deze aangewezen luchtvaartmaatschappij worden gebruikt bij het uitvoeren van de overeengekomen diensten, alsmede voorraden gedrukte tickets, luchtvrachtbrieven, personeelsuniformen, computers en ticketprinters die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij worden gebruikt voor reserveringen en ticketuitgifte, drukwerk waarop het embleem van de aangewezen luchtvaartmaatschappij voorkomt en gebruikelijk reclamemateriaal dat door die aangewezen luchtvaartmaatschappij gratis wordt verspreid.
De in dit artikel toegekende vrijstellingen zijn van toepassing op de in het eerste lid van dit artikel genoemde goederen:
- a. die door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij zijn binnengebracht;
- b. die aan boord blijven van de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij tussen de aankomst op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij en het vertrek daaruit en/of die tijdens de vlucht over dat grondgebied worden verbruikt; of
- c. die aan boord worden genomen van de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij en die bestemd zijn voor gebruik tijdens de exploitatie van de overeengekomen diensten,
ongeacht of dergelijke goederen geheel of gedeeltelijk worden gebruikt of verbruikt op het grondgebied van de verdragsluitende partij die de vrijstelling verleent, mits dergelijke goederen niet op het grondgebied van genoemde partij worden vervreemd.
Normale boorduitrustingsstukken alsmede de materialen, voorraden en verbruiksvoorraden die gewoonlijk aan boord blijven van het luchtvaartuig gebruikt door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een van de verdragsluitende partijen, mogen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die andere verdragsluitende partij. In een dergelijk geval zijn op dergelijke uitrustingsstukken en goederen de in het eerste lid van dit artikel voorziene vrijstellingen van toepassing, met dien verstande dat deze uitrustingsstukken en goederen onder het toezicht van voornoemde autoriteiten kunnen worden geplaatst, totdat deze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.
De in dit artikel voorziene vrijstellingen zijn ook beschikbaar in situaties waarin de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een van de verdragsluitende partijen met (een) andere luchtvaartmaatschappij(en) regelingen zijn aangegaan voor het op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij lenen of overdragen van de normale uitrustingsstukken en de overige in het eerste lid van dit artikel bedoelde goederen, mits de andere luchtvaartmaatschappij dezelfde vrijstelling(en) geniet van de andere verdragsluitende partij.
Artikel 7. Toepassing van nationale wetten en voorschriften
De wetten, voorschriften en procedures van de ene verdragsluitende partij met betrekking tot de toelating tot, het verblijf op of het vertrek vanuit haar grondgebied van luchtvaartuigen die voor internationale luchtdiensten worden ingezet, of met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met deze luchtvaartuigen die zich op haar grondgebied bevinden, worden, zonder onderscheid naar nationaliteit op dezelfde wijze toegepast op luchtvaartuigen geëxploiteerd door de luchtvaartmaatschappij(en) van de andere verdragsluitende partij als op haar eigen luchtvaartuigen en worden door de exploiterende luchtvaartmaatschappij(en) nageleefd wanneer deze luchtvaartuigen op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij binnenkomen, erop verblijven en het verlaten.
De wetten, voorschriften en procedures van de ene verdragsluitende partij inzake de toelating tot, het verblijf op of het vertrek vanuit haar grondgebied van passagiers, bagage, bemanning en vracht aan boord van luchtvaartuigen, zoals voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, veiligheid van de luchtvaart, immigratie, paspoorten, douane, valuta, gezondheid, quarantaine en sanitaire maatregelen of, in het geval van post, postwetten en postale voorschriften, worden nageleefd door of namens deze passagiers, bagage, bemanning en vracht wanneer zij op het grondgebied van de eerstgenoemde verdragsluitende partij binnenkomen, erop verblijven en het verlaten.
Geen van de verdragsluitende partijen mag haar eigen of enige andere luchtvaartmaatschappij(en) begunstigen ten opzichte van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere verdragsluitende partij bij de toepassing van de wetten en voorschriften zoals bedoeld in dit artikel.
Passagiers, bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer via het grondgebied van een van de verdragsluitende partijen die de daarvoor gereserveerde zones van de luchthaven niet verlaten, worden, behalve wat de veiligheidsmaatregelen tegen geweld, luchtpiraterij en narcotica betreft, slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen. Dergelijke bagage en vracht zijn vrijgesteld van douanerechten, accijnzen en andere soortgelijke nationale en/of lokale kosten en heffingen.
Artikel 8. Codesharing
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van beide verdragsluitende partijen kunnen, hetzij als verkopende luchtvaartmaatschappij, hetzij als exploiterende luchtvaartmaatschappij, vrijelijk samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van de verkoop aangaan, met inbegrip van maar niet beperkt tot vast af te nemen plaatsen en/of codesharingregelingen (met inbegrip van codesharingregelingen met derde landen), met elke andere luchtvaartmaatschappij of andere luchtvaartmaatschappijen.
Alvorens codesharingdiensten te verzorgen, komen de codesharingpartners overeen welke partij verantwoordelijk is ter zake van de aansprakelijkheid en wat betreft consumentenaangelegenheden, beveiliging, veiligheid en facilitatie. De regeling waarin deze voorwaarden zijn opgenomen wordt ingediend bij beide luchtvaartautoriteiten alvorens de codesharingregelingen ten uitvoer worden gelegd.
Dergelijke regelingen worden door de betrokken luchtvaartautoriteiten aanvaard, mits alle bij deze regelingen betrokken luchtvaartmaatschappijen over de onderliggende verkeersrechten en/of vergunningen beschikken.
In het geval van een codesharingregeling maakt de verkopende luchtvaartmaatschappij ten aanzien van elk door haar verkocht ticket aan de koper op de plaats van verkoop duidelijk welke luchtvaartmaatschappij welke sector van de dienst feitelijk verzorgt en met welke luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen de koper een contractuele verbintenis aangaat.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij kunnen ook codesharingdiensten aanbieden tussen elk punt of alle punten op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, op voorwaarde dat deze diensten worden uitgevoerd door een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij.
Artikel 9. Bewijzen van luchtwaardigheid en bevoegdheid
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene verdragsluitende partij zijn uitgereikt of geldig zijn verklaard en nog van kracht zijn, worden door de andere verdragsluitende partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits deze bewijzen of vergunningen altijd werden uitgereikt of geldig verklaard ingevolge en in overeenstemming met de minimumnormen vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.
Elke verdragsluitende partij behoudt zich evenwel het recht voor om voor vluchten boven haar eigen grondgebied de erkenning te weigeren van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt door de andere verdragsluitende partij.
Indien de voorrechten of voorwaarden van de vergunningen of bewijzen, afgegeven of geldig verklaard door een verdragsluitende partij een afwijking toestaan van de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde normen, ongeacht of deze afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, kan de luchtvaartautoriteit van andere verdragsluitende partij, onverminderd de rechten van de eerstgenoemde verdragsluitende partij ingevolge het tweede lid van artikel 10 van dit Verdrag, verzoeken om overleg met de luchtvaartautoriteit van de andere verdragsluitende partij in overeenstemming met artikel 18 van dit Verdrag, teneinde zich ervan te vergewissen dat het gebruik in kwestie voor haar aanvaardbaar is. Indien zij er niet in slagen tot een bevredigende oplossing te komen, kan dit een grond vormen voor de toepassing van het eerste lid van artikel 4 van dit Verdrag.
Artikel 10. Veiligheid
Elke verdragsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om overleg inzake door de andere verdragsluitende partij aanvaarde veiligheidsnormen op elk gebied met betrekking tot bemanning, luchtvaartuigen of hun exploitatie. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.
Indien een verdragsluitende partij na dergelijk overleg oordeelt dat de andere verdragsluitende partij op een willekeurig gebied niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld, stelt de eerstgenoemde verdragsluitende partij de andere verdragsluitende partij daarvan in kennis en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen en neemt die andere verdragsluitende partij passende corrigerende maatregelen. Indien de andere verdragsluitende partij nalaat binnen vijftien (15) dagen, of binnen een langere termijn als overeen te komen, passende maatregelen te nemen, is dit aanleiding voor de toepassing van het eerste lid van artikel 4 van dit Verdrag.
Overeengekomen wordt dat elk luchtvaartuig dat door een luchtvaartmaatschappij van de ene verdragsluitende partij wordt gebruikt voor luchtdiensten naar of vanuit het grondgebied van de andere verdragsluitende partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere verdragsluitende partij, aan boord en rond het luchtvaartuig, om zowel de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig als die van zijn bemanning en de kennelijke toestand van het luchtvaartuig en zijn uitrusting te controleren (in dit artikel aangeduid als “platforminspectie”), mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging.
Indien een dergelijke platforminspectie of reeks platforminspecties leidt tot:
- a. ernstige bezorgdheid dat een luchtvaartuig of de exploitatie van een luchtvaartuig niet voldoet aan de op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen; of
- b. ernstige bezorgdheid dat de op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago vastgestelde veiligheidsnormen onvoldoende worden gehandhaafd en vastgelegd,
staat het de verdragsluitende partij die de inspectie verricht vrij, voor de toepassing van artikel 33 van het Verdrag van Chicago, de conclusie te trekken dat de vereisten krachtens welke het bewijs of de vergunningen ten aanzien van dat luchtvaartuig of ten aanzien van de bemanning van dat luchtvaartuig zijn afgegeven of geldig verklaard, of dat de vereisten uit hoofde waarvan dat luchtvaartuig wordt geëxploiteerd, niet gelijk zijn aan of zwaarder zijn dan de minimumnormen die zijn vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.
Ingeval toegang ten behoeve van de uitvoering van een platforminspectie in overeenstemming met het derde lid van dit artikel van een door een luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitende partij geëxploiteerd luchtvaartuig door de vertegenwoordiger van die luchtvaartmaatschappij wordt geweigerd, staat het de andere verdragsluitende partij vrij daaruit af te leiden dat er aanleiding is voor ernstige bezorgdheid als bedoeld in het vierde lid van dit artikel en de conclusies te trekken zoals bedoeld in dat lid.
Elke verdragsluitende partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij onmiddellijk te schorsen of daarvan af te wijken ingeval de eerstgenoemde verdragsluitende partij concludeert, hetzij naar aanleiding van een platforminspectie of reeks platforminspecties, weigering van toegang voor platforminspectie, overleg of anderszins, dat onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van de exploitatie van de luchtvaartmaatschappij.
Een maatregel door een verdragsluitende partij in overeenstemming met het tweede of zesde lid van dit artikel wordt beëindigd zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.
Artikel 11. Gebruikersheffingen
Elke verdragsluitende partij stelt al het mogelijke in het werk om te waarborgen dat de gebruikersheffingen die door haar bevoegde inningslichamen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere verdragsluitende partij worden of kunnen worden opgelegd voor het gebruik van luchthavens en andere luchtvaartvoorzieningen rechtvaardig en redelijk zijn. Deze heffingen dienen gebaseerd te zijn op gedegen economische beginselen en dienen niet hoger te zijn dan de heffingen die door andere luchtvaartmaatschappijen voor dergelijke diensten worden betaald.
Wat betreft gebruikersheffingen begunstigt geen van de verdragsluitende partijen haar eigen of enige andere luchtvaartmaatschappij(en) die soortgelijke internationale luchtdiensten uitvoert (uitvoeren) en legt geen hogere gebruikersheffingen op, of staat toe dat deze worden opgelegd, aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere verdragsluitende partij dan die worden opgelegd aan haar eigen aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) die soortgelijke internationale luchtdiensten uitvoert (uitvoeren) met soortgelijke luchtvaartuigen en daarmee verband houdende voorzieningen en diensten.
Elke verdragsluitende partij moedigt overleg aan tussen de bevoegde inningsinstanties op haar grondgebied en de aangewezen luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van de diensten en voorzieningen. Deze gebruikers worden binnen een redelijke termijn in kennis gesteld van voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen, tezamen met relevante ondersteunende informatie en gegevens, zodat de gebruikers hun mening kenbaar kunnen maken voordat de heffingen worden herzien.
Artikel 12. Beveiliging van de luchtvaart
Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de verdragsluitende partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van dit Verdrag.
Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken, handelen de verdragsluitende partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te ’s-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971 en het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, tot aanvulling van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart dat voor beide verdragsluitende partijen bindend wordt.
De verdragsluitende partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere relevante bedreiging voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.
De verdragsluitende partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago, voor zover deze bepalingen inzake beveiliging van toepassing zijn op de verdragsluitende partijen.
Daarnaast verlangen de verdragsluitende partijen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of exploitanten van luchtvaartuigen die op hun grondgebied hun voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening hebben of zijn gevestigd en exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart die op de verdragsluitende partijen van toepassing zijn.
Elke verdragsluitende partij stemt ermee in dat van haar exploitanten van luchtvaartuigen kan worden verlangd dat deze de in het vierde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart in acht nemen die door de andere verdragsluitende partij worden toegepast voor binnenkomst op, vertrek vanuit of verblijf op het grondgebied van die andere partij.
Elke verdragsluitende partij waarborgt dat op haar grondgebied maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en passagiers, bemanning en handbagage te controleren en dat bagage, vracht en proviand vóór het aan boord gaan of het laden worden onderworpen aan passende veiligheidscontroles. Elke verdragsluitende partij neemt tevens elk verzoek van de andere verdragsluitende partij om binnen redelijke grenzen bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.
Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van een dergelijk luchtvaartuig, zijn passagiers en bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de verdragsluitende partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde zo snel mogelijk en met zo min mogelijk risico's voor mensenlevens een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.
Elke verdragsluitende partij neemt de maatregelen die zij mogelijk acht om te waarborgen dat een luchtvaartuig van de andere verdragsluitende partij dat getroffen wordt door een gedraging van het wederrechtelijk in zijn macht brengen of andere gedragingen van wederrechtelijke inmenging dat op haar grondgebied geland is aan de grond wordt gehouden tenzij het vertrek hiervan wordt genoodzaakt door de allesoverheersende plicht de levens van haar passagiers en bemanningsleden te beschermen.
Wanneer een verdragsluitende partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere verdragsluitende partij is afgeweken van de bepalingen in dit artikel, kan de luchtvaartautoriteit van de eerstgenoemde verdragsluitende partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteit van de andere verdragsluitende partij. Indien er binnen vijftien (15) dagen na de datum van een dergelijk verzoek geen bevredigende oplossing is bereikt, vormt dit een grond voor de toepassing van het eerste lid van artikel 4 van dit Verdrag. Indien zulks noodzakelijk is vanwege een noodgeval, kan een verdragsluitende partij voor het verstrijken van vijftien (15) dagen tussentijdse maatregelen nemen uit hoofde van het eerste lid van artikel 4 van dit Verdrag. Maatregelen die in overeenstemming met dit lid zijn genomen, worden beëindigd zodra de andere verdragsluitende partij de beveiligingsbepalingen van dit artikel naleeft.
Artikel 13. Commerciële activiteiten
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij heeft (hebben) het recht kantoren te vestigen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij ten behoeve van de bevordering van luchtvervoer en de verkoop van vervoersdocumenten alsmede andere aanvullende producten en voorzieningen die nodig zijn voor het verzorgen van luchtvervoer.
Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van beide verdragsluitende partijen toegestaan hun in verband met het verzorgen van luchtvervoer benodigde leidinggevend, commercieel, operationeel en technisch personeel alsmede verkoopmedewerkers, overige personeelsleden en vertegenwoordigers, te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.
In deze behoefte aan personeelsleden en vertegenwoordigers, zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel, kan naar keuze van de luchtvaartmaatschappij(en) worden voorzien door haar eigen personeel van elke nationaliteit of door gebruikmaking van de diensten van een andere luchtvaartmaatschappij, organisatie of onderneming die werkzaam is op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij en die gemachtigd is dergelijke diensten te verrichten op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij heeft (hebben) het recht zich rechtstreeks en/of naar (haar) hun goeddunken, via agenten, bezig te houden met de verkoop van luchtvervoer en bijkomende producten en voorzieningen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij. Hiertoe heeft (hebben) de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) het recht gebruik te maken van haar (hun) eigen vervoersdocumenten. De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij heeft (hebben) het recht dit vervoer en bijkomende producten en voorzieningen in lokale of elke vrij inwisselbare valuta te verkopen en het staat iedere persoon vrij deze te kopen.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene verdragsluitende partij heeft (hebben) het recht lokale uitgaven op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij te betalen in lokale valuta of, mits dit in overeenstemming is met de lokale valutavoorschriften, in elke vrij inwisselbare valuta.
Elke verdragsluitende partij past de door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie opgestelde gedragscode toe voor de regelgeving inzake en exploitatie van geautomatiseerde boekingssystemen op haar grondgebied, overeenkomstig andere van toepassing zijnde voorschriften en verplichtingen voor geautomatiseerde boekingssystemen.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) heeft (hebben) het recht op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij haar (hun) eigen gronddiensten te verrichten bij het inchecken van passagiers. Dit recht omvat niet de gronddiensten aan de luchtzijde en is slechts onderworpen aan beperkingen die het gevolg zijn van vereisten op het gebied van luchthavenveiligheid, -beveiliging en -infrastructuur. Wanneer veiligheids- en beveiligingsoverwegingen het uitoefenen van het in dit lid genoemde recht uitsluiten, worden dergelijke gronddiensten zonder voorkeur of onderscheid beschikbaar gesteld aan elke luchtvaartmaatschappij die soortgelijke internationale luchtdiensten uitvoert.
Op basis van wederkerigheid en in aanvulling op het uit hoofde van het zevende lid van dit artikel toegekende recht, heeft elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitende partij het recht op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij elke agent te selecteren uit de concurrerende agenten die door de bevoegde autoriteiten van die andere verdragsluitende partij gemachtigd zijn alle of een deel van de gronddiensten te verrichten.
Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) en indirecte aanbieders van luchtvrachtvervoer van beide verdragsluitende partijen onverminderd toegestaan ten behoeve van internationaal luchtvervoer gebruik te maken van vervoer over land en/of water voor luchtvracht naar of vanuit punten op de grondgebieden van de verdragsluitende partijen of in derde landen, met inbegrip van vervoer naar en vanaf alle luchthavens met douanevoorzieningen en waar van toepassing met inbegrip van het recht luchtvracht onder douanetoezicht met inachtneming van de toepasselijke wetten en voorschriften te vervoeren. Deze luchtvracht, ongeacht of deze over land en/of water of door de lucht wordt vervoerd, wordt toegelaten tot de douaneafhandeling en douanevoorzieningen op de luchthaven. De aangewezen luchtvaartmaatschappijen kunnen ervoor kiezen zelf hun vervoer over land en/of water te verrichten of door middel van regelingen met andere vervoerders over land en/of water, met inbegrip van vervoer over land en/of water geëxploiteerd door andere luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van luchtvrachtvervoer. Deze intermodale vrachtdiensten kunnen worden aangeboden tegen een allesomvattende prijs voor het vervoer door de lucht en over land en/of water tezamen, mits de vervoerders niet worden misleid ten aanzien van de feiten aangaande dergelijk vervoer.
Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij toegestaan in verband met internationaal luchtvervoer passagiersdiensten onder eigen naam aan te bieden door middel van samenwerkingsregelingen met vervoerders over land en/of water die over de juiste machtiging beschikken om dergelijk vervoer over land en/of water te verrichten naar of vanuit punten op de grondgebieden van de verdragsluitende partijen en verder. Aanbieders van vervoer over land en/of water zijn niet onderworpen aan de wetten en voorschriften die van toepassing zijn op luchtvervoer enkel vanwege het feit dat dit vervoer over land en/of water door een luchtvaartmaatschappij onder eigen naam wordt aangeboden. Deze intermodale diensten kunnen worden aangeboden tegen een allesomvattende prijs voor het vervoer door de lucht en over land en/of water tezamen, mits de passagiers niet worden misleid ten aanzien van de feiten aangaande dergelijk vervoer. Het staat aanbieders van vervoer over land en/of water vrij naar eigen goeddunken te beslissen of zij de bovenbedoelde samenwerkingsregelingen willen aangaan. Bij de beslissing een bepaalde samenwerkingsregeling aan te gaan kunnen aanbieders van vervoer over land en/of water onder andere rekening houden met consumentenbelangen en beperkingen op het gebied van techniek, economie, ruimte of capaciteit.
Alle bovengenoemde activiteiten worden verricht in overeenstemming met de wetten en voorschriften die van toepassing zijn op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij.
Artikel 14. Overmaking van gelden
Elke verdragsluitende partij verleent de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere verdragsluitende partij het recht het batig saldo van de inkomsten en uitgaven die door dergelijke luchtvaartmaatschappijen op haar grondgebied worden verdiend in verband met de verkoop van luchtvervoer, overige bijkomende producten en diensten alsmede de handelsrente die over deze inkomsten wordt ontvangen (met inbegrip van rente over inkomsten die in afwachting van overmaking in deposito worden gegeven) vrijelijk over te maken. Deze overmakingen geschieden in elke vrij inwisselbare valuta in overeenstemming met de van toepassing zijnde regelgeving inzake valutatransacties van de verdragsluitende partij op het grondgebied waarvan de inkomsten zijn behaald. Deze overmakingen geschieden op basis van de officiële wisselkoers of indien er geen officiële wisselkoers is, op basis van de op de dag van overmaking geldende marktwisselkoers.
Indien een verdragsluitende partij beperkingen oplegt aan de overmaking van het batig saldo van de inkomsten en uitgaven door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere verdragsluitende partij, heeft laatstbedoelde het recht op basis van wederkerigheid beperkingen op te leggen aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de eerstgenoemde verdragsluitende partij.
Indien er een bijzondere overeenkomst is tussen de verdragsluitende partijen ter vermijding van dubbele belasting, of indien er een bijzondere overeenkomst is inzake de overmaking van gelden tussen de twee verdragsluitende partijen, heeft een dergelijke overeenkomst voorrang.
Artikel 15. Goedkeuring van dienstregelingen
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elke verdragsluitende partij dient (dienen) voor aanvang van de exploitatie van haar (hun) diensten haar (hun) voorgenomen dienstregeling, onder vermelding van de frequentie, het type luchtvaartuig en de geldigheidsduur, ter goedkeuring in bij de luchtvaartautoriteit van de andere verdragsluitende partij. Dit vereiste is eveneens van toepassing bij eventuele wijzigingen daarvan.
Indien een aangewezen luchtvaartmaatschappij ad-hoc vluchten wil uitvoeren in aanvulling op de vluchten vermeld in de goedgekeurde dienstregelingen, dient deze luchtvaartmaatschappij voorafgaand toestemming te vragen aan de luchtvaartautoriteit van de betreffende verdragsluitende partij, die dit verzoek in positieve en welwillende overweging neemt.
Artikel 16. Tarieven
Elke verdragsluitende partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij op basis van commerciële marktoverwegingen tarieven vaststelt. Geen van de verdragsluitende partijen verlangt van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen dat zij andere luchtvaartmaatschappijen raadplegen over de tarieven die zij in rekening brengen of voorstellen in rekening te brengen.
Elke verdragsluitende partij kan verlangen dat de tarieven die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide verdragsluitende partijen worden berekend voor vluchten naar of vanuit haar grondgebied vooraf bij haar luchtvaartautoriteiten worden ingediend. Deze indiening door of namens de aangewezen luchtvaartmaatschappijen kan ten hoogste dertig (30) dagen voor de voorgestelde datum van ingang worden verlangd. In afzonderlijke gevallen kan indiening binnen een kortere termijn dan gewoonlijk wordt verlangd, worden toegestaan. Indien een verdragsluitende partij een luchtvaartmaatschappij toestaat een tarief op korte termijn in te dienen, treedt het tarief in werking op de voorgestelde datum voor verkeer afkomstig uit het grondgebied van die verdragsluitende partij.
Tenzij anderszins in dit artikel wordt voorzien, neemt geen van de verdragsluitende partijen unilaterale maatregelen ter voorkoming van het invoeren of handhaven van een tarief dat wordt voorgesteld te worden berekend of dat wordt berekend door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van elke verdragsluitende partij ten behoeve van internationaal luchtvervoer.
Het ingrijpen door de verdragsluitende partijen is beperkt tot:
- a. het voorkomen van tarieven waarvan de toepassing concurrentiebeperkend gedrag vormt dat een concurrent ontwricht of buiten een route houdt, of dit hoogstwaarschijnlijk tot gevolg heeft of ten doel heeft;
- b. het beschermen van consumenten tegen tarieven die onredelijk hoog of beperkend zijn als gevolg van misbruik van een dominante positie; en
- c. het beschermen van aangewezen luchtvaartmaatschappijen tegen tarieven die kunstmatig laag zijn.
Wanneer een verdragsluitende partij van mening is dat een tarief dat een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij voorstelt in rekening te brengen voor internationaal luchtvervoer onverenigbaar is met overwegingen vervat in het vierde lid van dit artikel, verzoekt zij om overleg en stelt zij de andere verdragsluitende partij zo spoedig mogelijk in kennis van de redenen voor haar ongenoegen. Dit overleg vindt plaats uiterlijk dertig (30) dagen na ontvangst van het verzoek en de verdragsluitende partijen werken samen om de gegevens te verkrijgen die nodig zijn voor een beredeneerde oplossing van de kwestie. Indien de verdragsluitende partijen overeenstemming bereiken over een tarief waarover kennisgeving van ongenoegen is gedaan, stelt elke verdragsluitende partij al het mogelijke in het werk om deze afspraak na te komen. Bij gebreke van een dergelijke wederzijdse overeenstemming daarentegen blijft het bestaande tarief van kracht.
Artikel 17. Uitwisseling van informatie
De luchtvaartautoriteiten van beide verdragsluitende partijen wisselen zo spoedig mogelijk informatie uit over de huidige vergunningen die aan hun respectieve aangewezen luchtvaartmaatschappijen zijn afgegeven voor het verzorgen van diensten naar, via en vanaf het grondgebied van de andere verdragsluitende partij. Deze informatie omvat onder meer afschriften van huidige bewijzen en vergunningen voor diensten op de voorgestelde routes, tezamen met wijzigingen of vrijstellingen.
De luchtvaartautoriteiten van de ene verdragsluitende partij voorzien de luchtvaartautoriteiten van de andere verdragsluitende partij, op hun verzoek, de periodieke of andere statistische gegevens over verkeer dat vertrekt van of wordt afgehandeld op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij die redelijkerwijs vereist kunnen zijn.
Artikel 18. Overleg
In een geest van nauwe samenwerking plegen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen van tijd tot tijd met elkaar overleg teneinde te verzekeren dat de bepalingen van dit Verdrag worden uitgevoerd en naar tevredenheid worden nageleefd, en elke verdragsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om overleg over de tenuitvoerlegging, uitlegging, toepassing of wijziging van dit Verdrag.
Met inachtneming van de artikelen 4, 10 en 12 van dit Verdrag begint een dergelijk overleg, dat in de vorm van een gesprek of correspondentie kan plaatsvinden, binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van een dergelijk verzoek, tenzij beide verdragsluitende partijen anderszins overeenkomen.
Artikel 19. Regeling van geschillen
Indien er tussen de verdragsluitende partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de verdragsluitende partijen hun geschil in de eerste plaats te regelen door middel van onderhandelingen.
Indien de verdragsluitende partijen er niet in slagen het geschil te regelen door middel van onderhandeling, kunnen zij overeenkomen het geschil ter beslissing voor te leggen aan een persoon of instantie ten behoeve van bemiddeling.
Indien de verdragsluitende partijen niet instemmen met bemiddeling, of indien het geschil niet door middel van onderhandelingen wordt geregeld, wordt het geschil op verzoek van een van de verdragsluitende partijen ter beslissing voorgelegd aan een gerecht van drie (3) scheidsmannen, dat als volgt wordt samengesteld:
- a. binnen zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van een verzoek om arbitrage benoemt elke verdragsluitende partij een lid van het scheidsgerecht. Een onderdaan van een derde staat, die als voorzitter van het scheidsgerecht zal optreden, wordt door de twee benoemde scheidsmannen voorgedragen als derde scheidsman binnen zestig (60) dagen na de benoeming van de tweede scheidsman;
- b. indien er binnen de boven gestelde tijd geen benoeming heeft plaatsgevonden, kan elk van de verdragsluitende partijen de President van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie verzoeken de noodzakelijke benoeming binnen dertig (30) dagen te verrichten. Indien de President de nationaliteit van een van de partijen bezit, dient de Vicepresident met de hoogste anciënniteit die niet op diezelfde grond is uitgesloten de benoeming te verrichten. In dat geval dient de scheidsman of dienen de scheidsmannen die door voornoemde President of Vicepresident, naargelang van het geval, wordt of worden benoemd geen onderdanen of permanent ingezetenen van de verdragsluitende partijen zijn.
Uitgezonderd zoals hierna voorzien in dit artikel of anderszins door de verdragsluitende partijen overeengekomen, bepaalt het scheidsgerecht waar de procedure zal plaatsvinden alsmede de grenzen van zijn rechtsbevoegdheid in overeenstemming met dit Verdrag. Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast. Uiterlijk dertig (30) dagen na de volledige samenstelling van het scheidsgerecht vindt een bespreking plaats teneinde vast te stellen welke kwesties precies aan arbitrage worden onderworpen.
Tenzij anderszins door de verdragsluitende partijen overeengekomen of door het scheidsgerecht voorgeschreven brengt elke verdragsluitende partij verslag uit binnen vijfenveertig (45) dagen na de volledige samenstelling van het scheidsgerecht. De antwoorden dienen uiterlijk zestig (60) dagen daarna te worden ontvangen. Het scheidsgerecht houdt een zitting op verzoek van een van de verdragsluitende partijen of, op eigen initiatief, binnen dertig (30) dagen na afloop van de termijn voor de ontvangst van de antwoorden.
Het scheidsgerecht zal trachten schriftelijk uitspraak te doen binnen dertig (30) dagen na het afsluiten van de zitting, of, indien geen zitting plaatsvindt, dertig (30) dagen na het indienen van beide antwoorden. Er wordt beslist bij meerderheid van stemmen.
Binnen vijftien (15) dagen na het ontvangen van de uitspraak van het scheidsgerecht kunnen de verdragsluitende partijen verzoeken om een toelichting daarop en elke toelichting dient binnen vijftien (15) dagen na dat verzoek te worden gegeven.
De verdragsluitende partijen voldoen aan enige bepaling, voorlopige voorziening of definitieve uitspraak van het scheidsgerecht.
Met inachtneming van de definitieve uitspraak van het scheidsgerecht, draagt elke verdragsluitende partij de kosten van haar eigen scheidsman en een gelijk aandeel in de overige kosten van het scheidsgerecht, met inbegrip van de door de President of Vicepresident van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie gemaakte kosten bij het uitvoeren van de procedures in het derde lid, onderdeel b, van dit artikel.
Indien en zo lang een van de verdragsluitende partijen niet voldoet aan een uit hoofde van het achtste lid van dit artikel bedoelde uitspraak, kan de andere verdragsluitende partij alle rechten of voorrechten die zij uit hoofde van dit Verdrag heeft toegekend aan de in gebreke blijvende verdragsluitende partij beperken, opschorten of intrekken.
Artikel 20. Wijziging van het Verdrag
Indien een van de verdragsluitende partijen het wenselijk acht een bepaling van dit Verdrag te wijzigen, wordt deze wijziging overeengekomen tussen de verdragsluitende partijen in overeenstemming met de bepalingen van artikel 18 van dit Verdrag en wordt tot stand gebracht door een diplomatieke notawisseling. Een dergelijke wijziging treedt in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 24 van dit Verdrag.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, kunnen wijzigingen van de Bijlage bij dit Verdrag tussen de luchtvaartautoriteiten van de verdragsluitende partijen worden overeengekomen en bij diplomatieke notawisseling worden bevestigd. Dergelijke wijzigingen treden in werking op een in de diplomatieke notawisseling te bepalen datum. Deze uitzondering op het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien verkeersrechten worden toegevoegd aan de Bijlage.
Dit Verdrag wordt, met inachtneming van de nodige veranderingen, geacht te zijn gewijzigd door de bepalingen van internationale verdragen of multilaterale overeenkomsten die voor beide verdragsluitende partijen bindend worden.
Artikel 21. Registratie
Dit Verdrag en alle wijzigingen daarvan, uitgezonderd de wijzigingen van de Bijlage, worden door de verdragsluitende partijen ter registratie ingediend bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Artikel 22. Toepasselijkheid van dit Verdrag
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Sint Maarten.
Artikel 23. Beëindiging
Elk van de verdragsluitende partijen kan te allen tijde de andere verdragsluitende partij langs diplomatieke weg schriftelijk kennisgeving doen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Deze kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Dit Verdrag treedt twaalf (12) maanden na de datum waarop de kennisgeving door de andere verdragsluitende partij is ontvangen buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging vóór het verstrijken van deze termijn met wederzijdse instemming wordt ingetrokken.
Indien de andere verdragsluitende partij nalaat de ontvangst van een kennisgeving van beëindiging te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de ontvangst van de kennisgeving door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Artikel 24. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg waarin de verdragsluitende partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat alle vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn voltooid.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.
DONE at Dubai on this 17th day of August 2021, in duplicate, in the English, Dutch and Arabic languages, all texts being equally authentic. In the event of any divergence of interpretation, the English text shall prevail.
The Government of the Kingdom of the Netherlands, in respect of Sint Maarten,
LODY EMBRECHTS
The Government of the United Arab Emirates,
SAIF MOHAMMED AL SUWAIDI
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)