Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Verenigde Arabische Emiraten
hierna te noemen „de Partijen”,
Verwijzend naar de internationale instrumenten die bepalingen inzake uitlevering bevatten die tussen de Partijen van kracht zijn;
Geleid door de wens de effectiviteit van hun samenwerking bij criminaliteitsbestrijding verder te verbeteren en, met name, uitlevering te vergemakkelijken;
Met zorgvuldige inachtneming van hun verplichtingen om de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Verplichting tot uitlevering
Elke Partij verbindt zich tot de uitlevering aan de andere Partij, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, van elke persoon op zijn grondgebied die wordt gezocht met het oog op strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder vonnis verstaan: elke vrijheidsstraf of elke tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die door een rechter wegens een strafbaar feit in een strafrechtelijke procedure is opgelegd voor bepaalde of onbepaalde duur.
Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden
In overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag wordt uitlevering toegestaan wanneer:
- a. het verzoek tot uitlevering wordt gedaan met het oog op strafvervolging en het feit krachtens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld met een straf van ten minste één jaar;
- b. het verzoek tot uitlevering is gedaan met het oog op de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis wegens een feit dat krachtens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld en, op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, het gedeelte van het vonnis dat nog niet is ondergaan ten minste zes maanden bedraagt.
Bij de vaststelling of een strafbaar feit volgens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld, doet het niet ter zake of:
- a. in de wetgeving van de Partijen het handelen of nalaten dat het strafbaar feit vormt binnen dezelfde categorie strafbare feiten valt of met dezelfde termen wordt omschreven;
- b. ingevolge de wetgeving van de Partijen de bestanddelen van het strafbaar feit verschillen, met dien verstande dat het geheel van het handelen of nalaten zoals voorgelegd door de verzoekende Partij in aanmerking wordt genomen.
Indien het verzoek tot uitlevering verschillende afzonderlijke strafbare feiten bevat die elk strafbaar zijn ingevolge de wetgeving van de Partijen, maar waarvan er een aantal niet voldoen aan de voorwaarden vervat in het eerste lid van dit artikel, kan de aangezochte Partij uitlevering toestaan wegens de laatstgenoemde strafbare feiten mits de persoon uitgeleverd wordt wegens ten minste een ander feit dat tot uitlevering kan leiden.
Ten behoeve van het eerste lid van dit artikel, wordt uitlevering eveneens toegestaan indien het strafbaar feit waarvoor om uitlevering is gevraagd gepleegd is buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, op voorwaarde dat de wetgeving van de aangezochte Partij de vervolging toestaat van een strafbaar feit van soortgelijke aard dat buiten haar grondgebied is gepleegd.
Artikel 3. Weigeringsgronden
Uitlevering wordt geweigerd indien:
- a. het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd door de aangezochte Partij beschouwd wordt als een politiek delict. De volgende strafbare feiten worden niet als politieke delicten beschouwd:
- –. voor de Verenigde Arabische Emiraten: een aanslag gericht tegen de President van de Staat of zijn plaatsvervanger, de regeringsleider, of elk lid van hun gezin, of elk lid van de Opperste Raad of elk lid van hun gezin;
- –. voor het Koninkrijk der Nederlanden: een aanslag gericht tegen de Koning of elk lid van zijn gezin;
- –. terroristische misdrijven, financiering van terrorisme of elk ander strafbaar feit dat niet als een politiek delict wordt beschouwd ingevolge elk internationaal verdrag waar beide Partijen partij bij zijn;
- b. het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd een strafbaar feit krachtens het militaire recht is en daarnaast geen strafbaar feit krachtens het commune strafrecht van de aangezochte Partij is;
- c. het handelen of nalaten dat het vermeende strafbaar feit zou opleveren waarop het verzoek betrekking heeft, zou, indien het zou hebben plaatsgevonden binnen de rechtsmacht van de aangezochte Partij, geen strafbaar feit hebben opgeleverd;
- d. het recht om tot strafvervolging over te gaan of het vonnis waarvoor om uitlevering wordt gevraagd uit te voeren, is vervallen door verjaring ingevolge de wetgeving van de aangezochte Partij of de verzoekende Partij;
- e. de aangezochte Partij ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische herkomst, politieke overtuiging, geslacht of status of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden;
- f. op het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd krachtens de wetgeving van de verzoekende Partij de doodstraf of een lijfstraf is gesteld, tenzij de verzoekende Partij de garantie geeft, die door de aangezochte Partij als afdoende worden beschouwd, dat er geen doodstraf of lijfstraffen worden opgelegd, en, indien deze wel worden opgelegd, dat zij niet ten uitvoer worden gelegd;
- g. de aangezochte Partij de uitvoering van het verzoek schadelijk acht voor haar soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere vitale belangen;
- h. het vonnis is gewezen bij verstek overeenkomstig de wetgeving van de verzoekende Partij en de veroordeelde persoon niet tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting of niet in de gelegenheid is gesteld zijn of haar verdediging te regelen en niet de gelegenheid heeft gehad of zal krijgen om de zaak opnieuw te laten behandelen in zijn of haar aanwezigheid;
- i. de aangezochte Partij politiek asiel heeft verleend aan de gezochte persoon;
- j. de uitvoering van het verzoek zou indruisen tegen het beginsel van ne bis in idem.
Uitlevering kan worden geweigerd indien:
- a. de gezochte persoon door de aangezochte Partij wordt vervolgd voor het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd of indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij besloten hebben, in overeenstemming met de wetgeving van die Partij, geen vervolging in te stellen of de reeds ingestelde vervolging te beëindigen;
- b. de aangezochte Partij, gezien de aard van het strafbaar feit en het belang van de verzoekende Partij, de uitlevering van de gezochte persoon onverenigbaar beschouwt met humanitaire overwegingen, in het bijzonder gezien de leeftijd of gezondheid van die persoon.
Artikel 4. Uitlevering van onderdanen
De Partijen behouden zich het recht voor te weigeren hun onderdanen uit te leveren in overeenstemming met de nationale wetgeving.
In geval van weigering van de uitlevering legt de aangezochte Partij, op verzoek van de verzoekende Partij, de zaak aan haar bevoegde autoriteit voor ten behoeve van het instellen van strafvervolging in overeenstemming met haar nationale wetgeving. De verzoekende Partij voorziet de aangezochte Partij daartoe van documenten en bewijsmateriaal met betrekking tot de zaak. De verzoekende Partij wordt in kennis gesteld van elke actie die in dit opzicht wordt ondernomen, op haar verzoek.
Artikel 5. Centrale autoriteiten
De centrale autoriteiten van de partijen behandelen verzoeken tot uitlevering overeenkomstig dit Verdrag.
De centrale autoriteit van de Verenigde Arabische Emiraten is het ministerie van Justitie.
De centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden is:
- –. voor Nederland: het ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland;
- –. voor Aruba: het ministerie van Justitie van Aruba;
- –. voor Curaçao: het ministerie van Justitie van Curaçao;
- –. voor Sint Maarten: het ministerie van Justitie van Sint Maarten.
De Partijen stellen elkaar langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis van elke verandering van de autoriteit die als centrale autoriteit is aangewezen.
Artikel 6. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan
Alle verzoeken tot uitlevering worden schriftelijk gedaan langs diplomatieke weg. In dringende omstandigheden of noodgevallen kan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij het verzoek aanvaarden per fax, e-mail of een ander middel waarmee een schriftelijk document kan worden geproduceerd, in welk geval het binnen zestig (60) dagen wordt bevestigd door middel van een formeel verzoek langs diplomatieke weg.
De centrale autoriteiten kunnen rechtstreeks met elkaar communiceren zodra het verzoek formeel is verzonden. Elk van de centrale autoriteiten kan een contactpunt aanwijzen om de uitvoering van een verzoek te volgen.
De volgende documenten worden ingediend ter ondersteuning van een verzoek tot uitlevering:
- a. de naam van de verzoekende autoriteit;
- b. de volledige naam van de voor uitlevering gezochte persoon en, indien beschikbaar, details over zijn of haar staatsburgerschap, woon- of verblijfplaats en beschrijving van zijn of haar uiterlijk met foto's, vingerafdrukken en andere bijzonderheden, die de opsporing en identificatie van deze persoon mogelijk maken;
- c. een verklaring omtrent de gedragingen die het strafbaar feit opleveren waarvoor om uitlevering wordt gevraagd, onder vermelding van de plaats en tijd waarop het heeft plaatsgevonden en een omschrijving van het strafbaar feit;
- d. een gewaarmerkte afschrift van de relevante wetstekst(en) waarin de essentiële onderdelen worden omschreven van het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd;
- e. een gewaarmerkte afschrift van de relevante wetstekst(en) waarin de straf wordt voorgeschreven die staat op het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd;
- f. een gewaarmerkt afschrift van de relevante wetstekst(en) waarin de verjaringstermijn wordt voorgeschreven van het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd;
- g. indien het verzoek tot uitlevering wordt gedaan met het oog op strafvervolging, wordt het verzoek tevens ondersteund door een afschrift van het aanhoudingsbevel afgegeven door een rechter of andere bevoegde autoriteit;
- h. indien het verzoek tot uitlevering betrekking heeft op een persoon die veroordeeld is voor het strafbaar feit waarvoor om uitlevering wordt gevraagd, wordt het verzoek tevens ondersteund door:
- i. een afschrift van het opgelegde vonnis of de opgelegde veroordeling;
- ii. een verklaring waarin wordt vermeld in welke mate het vonnis of de veroordeling is uitgevoerd en welk gedeelte ervan nog dient te worden ondergaan.
Alle verzoeken en ondersteunende documenten die door de Partijen in overeenstemming met dit Verdrag worden verstrekt, gaan vergezeld van een vertaling in de officiële taal van de aangezochte Partij of in de Engelse taal. Alle documenten worden door de centrale autoriteit ondertekend en van een stempel voorzien.
Artikel 7. Aanvullende informatie
Indien de informatie die door de verzoekende Partij wordt verstrekt ter ondersteuning van een verzoek tot uitlevering onvoldoende is om de aangezochte Partij in staat te stellen tot een beslissing te komen ingevolge dit Verdrag, kan laatstgenoemde Partij verzoeken dat de noodzakelijke aanvullende informatie binnen vijfenveertig (45) dagen wordt verstrekt. Indien de aanvullende informatie niet binnen die termijn wordt verstrekt, kan van het verzoek worden afgezien in overeenstemming met de nationale wetgeving.
Artikel 8. Voorlopige maatregelen
In urgente gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij verzoeken om de gezochte persoon aan te houden of elke andere maatregel te nemen om te waarborgen dat de gezochte persoon op het grondgebied van de aangezochte Partij blijft.
Een verzoek tot een voorlopige maatregel wordt rechtstreeks gezonden naar de centrale autoriteit van de aangezochte Partij, via de Internationale Criminele Politie Organisatie (Interpol), of langs elke andere weg die beide partijen overeenkomen. De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij onverwijld in over de ingevolge het verzoek ondernomen actie.
Het verzoek tot een voorlopige maatregel dient het volgende te bevatten:
- a. de volledige naam van de voor uitlevering gezochte persoon en, indien beschikbaar, details over zijn of haar staatsburgerschap, woon- of verblijfplaats en beschrijving van zijn of haar uiterlijk met foto’s, vingerafdrukken en andere bijzonderheden, die de opsporing en identificatie van deze persoon mogelijk maken;
- b. een verklaring dat uitlevering verzocht wordt;
- c. een beknopte uiteenzetting van de feiten van de zaak;
- d. een verklaring waaruit het bestaan en de voorwaarden van een aanhoudingsbevel of een onherroepelijk vonnis blijkt;
- e. een verklaring ten aanzien van de maximumstraf die kan worden opgelegd of het vonnis dat is opgelegd wegens het strafbaar feit, met inbegrip van de tijd die nog dient te worden ondergaan.
De voorlopige aanhouding kan worden beëindigd indien, binnen een termijn van zestig (60) dagen na de aanhouding, de aangezochte Partij het verzoek tot uitlevering en de ondersteunende documenten, bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag, niet heeft ontvangen en de gezochte persoon nog steeds in hechtenis zit op basis van een voorlopig aanhoudingsbevel. Andere voorlopige maatregelen kunnen worden beëindigd in overeenstemming met de nationale wetgeving.
Beëindiging van de voorlopige aanhouding aan het einde van de termijn, bedoeld in het vierde lid van dit artikel, vormt geen beletsel voor daaropvolgende aanhouding en uitlevering indien het verzoek tot uitlevering en de ondersteunende documenten, bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag, alsnog worden ontvangen.
Artikel 9. Samenloop van verzoeken
Indien uitlevering van dezelfde persoon door meer dan één partij wordt verzocht, hetzij vanwege hetzelfde strafbaar feit of vanwege verschillende strafbare feiten, beslist de aangezochte Partij of en aan welke partij wordt uitgeleverd, rekening houdend met alle omstandigheden, met inbegrip van de relatieve ernst van het strafbare feit of de strafbare feiten en de plaats waar ze gepleegd zijn, de respectievelijke data van de verzoeken, de data waarop de verzoeken ontvangen zijn, de data waarop de strafbare feiten zijn gepleegd en of de persoon is beschuldigd of veroordeeld.
Artikel 10. Beslissing en overlevering
De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij onverwijld in kennis van haar beslissing over het verzoek tot uitlevering.
Indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd dient dit met redenen te worden omkleed.
Indien de uitlevering wordt toegestaan, komen de Partijen onverwijld de datum en plaats van de overlevering overeen. De gezochte persoon wordt overgeleverd binnen dertig (30) dagen na de datum waarop de verzoekende Partij ervan in kennis is gesteld dat de uitlevering wordt toegestaan.
Indien omstandigheden buiten de macht van een Partij de uitvoering van de overlevering verhinderen, stelt deze Partij de andere Partij daarvan in kennis. De twee Partijen komen onverwijld een nieuwe datum overeen voor de overlevering van de persoon binnen dertig (30) dagen na ontvangst van de kennisgeving.
Indien, binnen de in het vierde lid van dit artikel geregelde termijn, de verzoekende Partij de uit te leveren persoon niet overneemt, kan de aangezochte Partij hem of haar onmiddellijk in vrijheid stellen en een nieuw verzoek tot uitlevering van de verzoekende Partij voor hetzelfde strafbaar feit weigeren.
De tijd die de uitgeleverde persoon in hechtenis heeft doorgebracht, ook als dat huisarrest was, tussen de datum van aanhouding en de datum van overlevering, wordt door de verzoekende Partij meegeteld ten behoeve van de straf die dient te worden ondergaan in de gevallen voorzien in artikel 2, eerste lid, van dit Verdrag.
Artikel 11. Uitgestelde of tijdelijke overlevering
Indien de gezochte persoon vervolgd wordt of een straf ondergaat in de aangezochte Partij wegens een strafbaar feit anders dan waarvoor om uitlevering wordt gevraagd, kan de aangezochte Partij, na te hebben beslist uitlevering toe te staan, de overlevering uitstellen totdat de strafrechtelijke procedure is afgerond of de straf volledig is uitgezeten. De aangezochte Partij stelt de verzoekende Partij onverwijld in kennis van dit uitstel.
Op verzoek van de verzoekende Partij kan de aangezochte Partij echter, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, de gezochte persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren opdat deze de lopende strafrechtelijke procedure kan uitvoeren, en komen de Partijen samen het tijdstip en de modaliteiten van deze tijdelijke overlevering overeen. De aldus overgeleverde persoon wordt in hechtenis gehouden tijdens zijn verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij en wordt binnen de afgesproken termijn teruggezonden naar de aangezochte Partij. De tijd die in hechtenis wordt doorgebracht wordt berekend ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de straf die in de aangezochte Partij dient te worden ondergaan.
In aanvulling op het geval voorzien in het eerste lid van dit artikel, kan overlevering worden uitgesteld wanneer het overbrengen gezien de gezondheidstoestand van de gezochte persoon, zijn of haar leven in gevaar kan brengen.
Artikel 12. Inbeslagname en overdracht van goederen
Op verzoek van de verzoekende Partij neemt de aangezochte Partij voor zover zulks krachtens haar nationale wetgeving is toegestaan en onverminderd de rechten van anderen, de onderstaande voorwerpen in beslag en draagt deze over aan de verzoekende Partij op het moment van overlevering van de persoon of onmiddellijk daarna:
- a. voorwerpen gebruikt bij het plegen van het strafbaar feit of die bewijsmateriaal van het strafbaar feit vormen;
- b. voorwerpen verkregen tijdens het plegen van het strafbaar feit indien deze in bezit zijn van de gezochte persoon ten tijde van de aanhouding.
De overdracht van een van de in het eerste lid van dit artikel aangegeven voorwerpen vindt plaats zelfs al kan de uitlevering, die al is goedgekeurd, niet doorgaan vanwege het overlijden, verdwijnen of ontsnappen van de gezochte persoon.
Indien de in beslag genomen voorwerpen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, nodig zijn voor een onderzoek of vervolging van een strafbaar feit in de aangezochte Partij, dan kan de overdracht van deze materialen uitgesteld worden, of kunnen zij worden overgedragen op voorwaarde dat ze worden teruggezonden na afronding van de procedure in de verzoekende Partij.
Wanneer de wetgeving van de aangezochte Partij of de bescherming van de rechten van derden dit vereist, worden de aldus overgedragen voorwerpen zonder kosten naar de aangezochte partij teruggezonden na afronding van de procedure, indien die Partij daarom verzoekt.
Artikel 13. Specialiteitsbeginsel
De overeenkomstig dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis genomen met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf in de verzoekende Partij, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen, wegens enig voor de overlevering begaan strafbaar feit dat anders is dan het strafbare feit dat de reden tot uitlevering is geweest, tenzij:
- a. de uitgeleverde persoon, na het grondgebied van de verzoekende Partij te hebben verlaten, hier vrijwillig naar terugkeert;
- b. de uitgeleverde persoon niet binnen vijfenveertig (45) dagen het grondgebied van de verzoekende Partij heeft verlaten, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had. Deze periode omvat niet de tijd waarin de persoon niet in staat is het grondgebied van de verzoekende Partij te verlaten vanwege redenen die buiten zijn of haar macht zijn gelegen;
- c. de aangezochte Partij hiermee instemt; in dit geval kan de aangezochte Partij op specifiek verzoek van de verzoekende Partij ermee instemmen de uitgeleverde persoon te vervolgen of een tegen hem of haar uitgesproken straf ten uitvoer te leggen voor een ander feit dan dat waarvoor het verzoek tot uitlevering is gedaan, in overeenstemming met de voorwaarden en beperkingen van dit Verdrag. Hiertoe kan de aangezochte Partij de verzoekende Partij vragen de in artikel 6, derde lid, van dit Verdrag bedoelde documenten en informatie te zenden.
Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon was uitgeleverd na de uitlevering wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of berecht, mits het strafbaar feit volgens de gewijzigde omschrijving:
- a. een strafbaar feit is dat tot uitlevering kan leiden; en
- b. in hoofdzaak is gebaseerd op hetzelfde samenstel van feiten dat is vervat in het verzoek tot uitlevering en de stukken ter ondersteuning daarvan; en
- c. op dat strafbaar feit eenzelfde maximumstraf is gesteld als of een lagere maximumstraf is gesteld dan op het strafbaar feit waarvoor die persoon was uitgeleverd.
Artikel 14. Verdere uitlevering aan een derde partij
Uitgezonderd in de gevallen voorzien in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en b, van dit Verdrag kan de verzoekende Partij niet zonder de instemming van de aangezochte Partij de persoon die aan haar is uitgeleverd en die door een derde partij wordt gezocht wegens strafbare feiten gepleegd vóór deze uitlevering, niet aan een derde partij uitleveren. De aangezochte Partij kan overlegging van de in artikel 6 van dit Verdrag bedoelde documenten en informatie verzoeken.
Artikel 15. Vereenvoudigde uitleveringsprocedure
Wanneer de persoon om wiens uitlevering is verzocht, verklaart hiermee in te stemmen, kan uitlevering worden toegestaan uitsluitend op grond van het verzoek tot voorlopige aanhouding zonder dat het nodig is de in artikel 6 van dit Verdrag genoemde documenten te overleggen. De aangezochte Partij kan echter om nadere informatie verzoeken die zij nodig acht om de uitlevering toe te staan.
De verklaring van instemming door de gezochte persoon is geldig indien deze is gedaan ten overstaan van een bevoegde autoriteit van de aangezochte partij, die verplicht is de gezochte persoon in kennis te stellen van het recht gebruik te maken van een formele uitleveringsprocedure, het recht gebruik te maken van de bescherming die geboden wordt door het specialiteitsbeginsel en van de onherroepelijkheid van deze verklaring. De gezochte persoon kan worden bijgestaan door een raadsman, in overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Partij.
De verklaring wordt opgenomen in een door een justitiële autoriteit opgemaakt proces-verbaal en er wordt in bevestigd dat aan de voorwaarden voor de geldigheid ervan is voldaan.
Artikel 16. Doortocht
Elke Partij kan de doortocht door haar grondgebied toestaan van een persoon die aan de andere Partij is overgeleverd door een derde partij in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en de nationale wetgeving, tenzij dit in strijd is met het algemeen belang.
De Partij die om doortocht verzoekt dient via de centrale autoriteiten, of in bijzonder dringende gevallen via de Internationale Criminele Politie Organisatie (Interpol), een verzoek in met de identiteitsgegevens van de persoon in doortocht en een beknopte uiteenzetting van de feiten van het geval. Het verzoek tot doortocht gaat vergezeld van een afschrift van het document waarin de uitlevering wordt toegestaan.
De Staat van doortocht houdt de persoon in hechtenis zolang genoemde persoon zich op zijn grondgebied bevindt.
Er is geen toestemming vereist in geval van vervoer door de lucht, waarbij geen landing op het grondgebied van de Staat van doortocht is voorzien. Indien een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de voornoemde Staat, stelt de Partij die om de doortocht verzoekt onmiddellijk de Staat van doortocht daarvan in kennis en laatstgenoemde houdt de persoon die vervoerd dient te worden maximaal 48 uur vast in afwachting van het verzoek tot doortocht, bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
Artikel 17. Vertrouwelijkheid
De Partijen komen overeen alle documenten en informatie die worden gebruikt in de uitleveringsprocedure geheim te houden, behalve voor zover nodig om het verzoek uit te voeren.
Artikel 18. Bescherming van gegevens
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gegevens verstaan: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.
De Partijen waarborgen dat de gegevens die van de ene Partij naar de andere Partij worden gezonden uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van de uitvoering van een verzoek ingevolge dit Verdrag. Gegevens worden niet voor enig ander doel gebruikt en niet naar een derde land gezonden zonder de voorafgaande toestemming van de Partij die de gegevens heeft doorgegeven.
De Partijen waarborgen de juistheid van de ingevolge dit Verdrag verzonden persoonsgegevens en waarborgen tevens dat er passende maatregelen genomen worden om de doorgegeven gegevens te beschermen tegen onbedoelde of ongeoorloofde vernietiging of verlies, alsmede tegen ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding.
De Partijen raadplegen elkaar over de gewenste bewaartermijnen, de noodzaak van langere bewaring, alsmede de noodzaak onjuiste, onvolledige of onbetrouwbare gegevens te rectificeren of de wens of noodzaak gegevens te wissen of het gebruik van gegevens te beperken.
Voor zover dat in de nationale wetgeving van de Partijen is geregeld kan de betrokkene voorzien worden van informatie over de categorieën gegevens die zijn doorgegeven en het doel van de doorgifte van gegevens. De betreffende Partij mag de betrokkene niet in kennis stellen indien dit noodzakelijk is om belemmering van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke onderzoeken, vervolgingen of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen, de openbare veiligheid en de nationale veiligheid te beschermen of de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.
De Partijen raadplegen elkaar indien een bevoegde gerechtelijke autoriteit, ingevolge nationale wetgeving, een besluit neemt over de toelaatbaarheid van de doorgifte van gegevens van de ene Partij naar de andere Partij, ingevolge dit Verdrag.
Artikel 19. Kosten
De aangezochte Partij draag de kosten die op haar grondgebied worden gemaakt bij het aanhouden van de gezochte persoon en bij het in hechtenis houden van deze persoon tot de overlevering aan de verzoekende Partij, alsmede de kosten die verband houden met het in beslag nemen en bewaren van de in artikel 12 van dit Verdrag bedoelde voorwerpen.
De verzoekende Partij draagt de kosten van het vervoer van de uitgeleverde persoon en elk in beslag genomen voorwerp vanuit de aangezochte Partij naar de verzoekende Partij, alsmede de kosten van doortocht zoals vermeld in artikel 16 van dit Verdrag.
Indien blijkt dat met de uitvoering van het verzoek tot uitlevering kosten van buitengewone aard kunnen zijn gemoeid, plegen de Partijen overleg om te besluiten hoe deze kosten worden gedragen.
Artikel 20. Compatibiliteit met andere verdragen
Dit Verdrag doet geen afbreuk aan bestaande verplichtingen van de Partijen ingevolge andere verdragen en vormt ook geen belemmering voor de Partijen voor het verlenen van bijstand aan elkaar uit hoofde van andere verdragen of regelingen.
Artikel 21. Territoriale toepassing
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op het Europese deel van Nederland, het Caribische deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba) alsmede op Aruba, Curaçao en Sint Maarten, tenzij anders bepaald in de kennisgeving bedoeld in artikel 23 van dit Verdrag. In het laatste geval kan het Koninkrijk der Nederlanden de toepassing van dit Verdrag te allen tijde uitbreiden tot een of meer van zijn afzonderlijke delen door middel van een kennisgeving aan de Verenigde Arabische Emiraten langs diplomatieke weg.
Artikel 22. Overleg
De Partijen komen wanneer zij dit nodig achten bijeen om de toepassing van dit Verdrag te bespreken en kunnen tevens bijeenkomsten houden met de bevoegde autoriteiten van de Partijen teneinde de toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken, met name wat betreft kwesties als opleiding, het opstellen en gebruiken van standaardformulieren, het opstellen en uitvoeren van specifieke typen verzoeken of specifieke individuele verzoeken.
Artikel 23. Inwerkingtreding, wijziging en beëindiging
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na de datum van ontvangst van de laatste van de kennisgevingen waarin de Partijen elkaar langs diplomatieke weg mededelen dat aan de vereisten van hun nationale wetgeving is voldaan.
Dit Verdrag kan met wederzijdse instemming van beide Partijen worden gewijzigd en de wijzigingen treden in werking in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel.
Elke Partij kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door daarvan langs diplomatieke weg schriftelijk kennis te geven. De beëindiging wordt van kracht zes (6) maanden na de datum waarop de kennisgeving wordt gedaan. Dit Verdrag blijft echter van toepassing op procedures die al zijn aangevangen vóór de kennisgeving van beëindiging totdat deze volledig zijn afgerond.
Met inachtneming van het derde lid van dit artikel is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van elk van de samenstellende delen van het Koninkrijk der Nederlanden afzonderlijk te beëindigen.
Dit Verdrag is van toepassing op elk verzoek dat na de inwerkingtreding ervan wordt ingediend, zelfs al zijn de betreffende strafbare feiten begaan vóór de inwerkingtreding van het Verdrag.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement.
DONE at Abu Dhabi, on the 29th day of August 2021, in duplicate, in the English, Dutch and Arabic languages, all texts being equally authentic. In the event of any divergence of interpretation of this Agreement, the English text shall prevail.
For the Kingdom of the Netherlands,
F.B.J. GRAPPERHAUS
For the United Arab Emirates,
S. AL BADI
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)