Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en IJsland (met Bijlagen)
Het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao,
en
IJsland (hierna te noemen „de partijen”);
Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944;
Geleid door de wens een bijdrage te leveren aan de vooruitgang van de regionale en internationale burgerluchtvaart;
Geleid door de wens een internationaal luchtvaartstelsel te bevorderen dat gebaseerd is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering;
Geleid door de wens een verdrag te sluiten ten behoeve van het instellen en exploiteren van luchtdiensten van, naar en via hun onderscheiden grondgebieden;
Geleid door de wens de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationale luchtvervoer te waarborgen;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. – INTRODUCTIE
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald:
-
- wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat IJsland betreft, het ministerie van Transport en Lokaal Bestuur; en wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, betreft, de minister verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die door de genoemde autoriteiten worden vervuld;
-
- wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan, luchtdiensten op de in Bijlage I bij dit Verdrag omschreven routes voor het vervoer van passagiers, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd;
-
- wordt onder „Verdrag” verstaan, dit Verdrag, de Bijlagen daarbij en alle wijzigingen daarvan;
-
- hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in artikel 96 van het Verdrag van Chicago respectievelijk wordt toegekend;
-
- wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” verstaan, een luchtvaartmaatschappij die is of luchtvaartmaatschappijen die zijn aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag;
-
- wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan, het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opengesteld voor ondertekening te Chicago op 7 december 1944, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago ingevolge de artikelen 90 en 94 daarvan, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen in werking zijn getreden voor, of zijn bekrachtigd door beide partijen;
-
- wordt onder „volledige kosten” verstaan, de kosten van het leveren van een dienst plus een redelijke heffing voor administratiekosten;
-
- wordt onder „onderdaan” verstaan, wat IJsland betreft, onderdanen van IJsland of onderdanen van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte; en, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, betreft, onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden die officieel als lokale inwoner met de Nederlandse nationaliteit bij de burgerlijke stand van Curaçao zijn ingeschreven;
-
- wordt onder „tarief” verstaan, alle prijzen, kosten of heffingen die luchtvaartmaatschappijen, agentschappen inbegrepen, in rekening brengen voor vervoer door de lucht van passagiers, hun bagage en/of vracht, met inbegrip van elke andere wijze van vervoer in verband daarmee, en de voor de beschikbaarheid van deze prijzen, kosten of heffingen geldende voorwaarden;
-
- heeft „grondgebied” voor elk van de partijen de betekenis die eraan wordt toegekend in artikel 2 van het Verdrag van Chicago;
-
- wordt onder „gebruikersheffing” verstaan, een heffing opgelegd aan luchtvaartmaatschappijen voor de levering van luchthaven-, luchtnavigatie- of luchtvaartbeveiligingsvoorzieningen of -diensten met inbegrip van daarmee verband houdende diensten en voorzieningen; en
-
- wordt onder „Europese Economische Ruimte” (EER) verstaan, de uitgebreide vrijhandelszone die tot stand kwam krachtens de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gedaan te Oporto op 2 mei 1992, tussen enerzijds de Europese Unie en haar lidstaten en anderzijds de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), uitgezonderd Zwitserland, waarvan IJsland een lidstaat is.
HOOFDSTUK II. – DOELSTELLINGEN
Artikel 2. Verlening van rechten
Elk van de partijen verleent de andere partij de volgende rechten voor het verrichten van internationale luchtdiensten door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij:
- a. het recht zonder te landen over haar grondgebied te vliegen;
- b. het recht op haar grondgebied te landen anders dan voor verkeersdoeleinden;
- c. het recht volledige derde- en vierde vrijheidsverkeersrechten uit te oefenen; en
- d. de rechten die elders zijn omschreven in dit Verdrag.
De luchtvaartmaatschappijen van elk van de partijen, anders dan die aangewezen uit hoofde van artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag genieten tevens de rechten die omschreven zijn in het eerste lid, onderdelen a en b, van dit artikel.
Geen van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel wordt geacht de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene partij het recht te geven op het grondgebied van de andere partij tegen vergoeding of beloning passagiers, vracht of post op te nemen bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere partij.
Artikel 3. Aanwijzing en verlening van vergunningen
Elk van de partijen heeft het recht een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op elk van de in Bijlage I bij dit Verdrag omschreven routes en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen. Dergelijke aanwijzingen geschieden schriftelijk en worden de andere partij langs diplomatieke weg toegezonden.
Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van aanvragen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen en technische vergunningen, verleent de andere partij de desbetreffende exploitatievergunningen en vergunningen met een zo gering mogelijke procedurele vertraging, op voorwaarde dat:
- a. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door IJsland:
- i. de luchtvaartmaatschappij gevestigd is op het grondgebied van IJsland overeenkomstig de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en de luchtvaartmaatschappij beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met het nationale recht aangenomen in overeenstemming met de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; en
- ii. de lidstaat van de Europese Economische Ruimte die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de desbetreffende luchtvaartautoriteit duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; en
- iii. de luchtvaartmaatschappij rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is en blijft van lidstaten van de Europese Economische Ruimte en/of onderdanen van lidstaten van de Europese Economische Ruimte en te allen tijde onder daadwerkelijke zeggenschap staat van die staten en/of onderdanen;
- b. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door Curaçao:
- i. de luchtvaartmaatschappij gevestigd is op het grondgebied van Curaçao en de luchtvaartmaatschappij beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van Curaçao; en
- ii. Curaçao daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de desbetreffende luchtvaartautoriteit duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; en
- iii. de luchtvaartmaatschappij rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is en blijft van Curaçao en/of onderdanen van Curaçao, en te allen tijde onder daadwerkelijke zeggenschap staat van Curaçao en/of van onderdanen van Curaçao;
- c. de aangewezen luchtvaartmaatschappij in staat is te voldoen aan de in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de partij die de aanvraag of aanvragen ontvangt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten; en
- d. de aangewezen luchtvaartmaatschappij de in artikel 13 (Veiligheid) en artikel 14 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag vervatte bepalingen handhaaft en toepast.
Wanneer een luchtvaartmaatschappij aldus is aangewezen en gemachtigd, kan zij beginnen met de exploitatie van de overeengekomen diensten op de in Bijlage I bij dit Verdrag omschreven routes, mits zij alle toepasselijke bepalingen van dit Verdrag naleeft.
Artikel 4. Intrekking of opschorting van vergunningen
Elke partij kan de exploitatievergunning of technische vergunning van een door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij weigeren, intrekken, opschorten, beperken of er voorwaarden aan verbinden wanneer:
- a. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door IJsland:
- i. de luchtvaartmaatschappij niet gevestigd is op het grondgebied van IJsland overeenkomstig de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of de luchtvaartmaatschappij niet beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met het nationale recht aangenomen in overeenstemming met de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; of
- ii. de lidstaat van de Europese Economische Ruimte die verantwoordelijk is voor de afgifte van het bewijs luchtvaartexploitant niet daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft of de desbetreffende luchtvaartautoriteit niet duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; of
- iii. de luchtvaartmaatschappij niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is van lidstaten van de Europese Economische Ruimte en/of onderdanen van lidstaten van de Europese Economische Ruimte of niet te allen tijde onder daadwerkelijke zeggenschap staat van die staten en/of onderdanen;
- b. in het geval van een luchtvaartmaatschappij aangewezen door Curaçao:
- i. de luchtvaartmaatschappij niet is gevestigd op het grondgebied van Curaçao of de luchtvaartmaatschappij niet beschikt over een geldige exploitatievergunning in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van Curaçao; of
- ii. Curaçao niet daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft of de luchtvaartautoriteit van Curaçao niet duidelijk wordt vermeld in de aanwijzing; of
- iii. de luchtvaartmaatschappij niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang eigendom is en blijft van Curaçao en/of onderdanen van Curaçao of niet te allen tijde onder daadwerkelijke zeggenschap staat van Curaçao en/of van onderdanen van Curaçao;
- c. de aangewezen luchtvaartmaatschappij niet in staat is te voldoen aan de in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de partij die de aanvraag of aanvragen ontvangt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten; of
- d. de aangewezen luchtvaartmaatschappij de in artikel 13 (Veiligheid) en artikel 14 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag vervatte bepalingen niet handhaaft en toepast.
Tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting van de exploitatievergunning of technische vergunning genoemd in het eerste lid van dit artikel, of oplegging van de voorwaarden daarvan, van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de wetten en voorschriften, wordt dit recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere partij.
Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten van een partij de exploitatievergunning of technische vergunning van een of meerdere luchtvaartmaatschappijen van de andere partij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13 (Veiligheid) en artikel 14 (Beveiliging van de luchtvaart) te weigeren, in te trekken, op te schorten, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.
HOOFDSTUK III. – COMMERCIËLE BEPALINGEN
Artikel 5. Commerciële activiteiten
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elk van de partijen heeft/hebben het recht op het grondgebied van de andere partij zowel online als offline kantoren te vestigen ten behoeve van de bevordering en verkoop van luchtdiensten.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elk van de partijen heeft/hebben het recht, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere partij inzake binnenkomst, verblijf en werk, leidinggevend, commercieel, technisch, operationeel alsmede ander gespecialiseerd personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere partij voor de exploitatie van de overeengekomen diensten.
In deze personeelsbehoefte kan naar keuze van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene partij worden voorzien door haar/hun eigen personeel of door gebruikmaking van de diensten van een andere organisatie, onderneming of luchtvaartmaatschappij die werkzaam is op het grondgebied van de andere partij en die gemachtigd is dergelijke diensten te verlenen voor andere aangewezen luchtvaartmaatschappijen.
De geldende wet- en regelgeving van de andere partij is op de vertegenwoordigers en het personeel van toepassing en in overeenstemming met deze wet- en regelgeving:
- a. verleent elk van de partijen, op basis van wederkerigheid en met een zo gering mogelijke vertraging, de noodzakelijke werkvergunningen, bezoekersvisa of overige soortgelijke documenten aan de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vertegenwoordigers en personeelsleden; en
- b. vergemakkelijkt en bespoedigt elk van de partijen de vereiste werkvergunningen voor medewerkers die bepaalde tijdelijke taken verrichten.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) heeft/hebben het recht zelf haar/hun gronddiensten te verrichten op het grondgebied van de andere partij („self-handling”) of, naar keuze, voor al deze diensten of een deel daarvan een keuze te maken uit concurrerende agenten. Deze rechten zijn uitsluitend onderworpen aan fysieke beperkingen die voortvloeien uit overwegingen op het gebied van de veiligheid van luchthavens. Wanneer dergelijke overwegingen self-handling uitsluiten, dienen gronddiensten op basis van gelijkheid beschikbaar te zijn voor alle luchtvaartmaatschappijen, heffingen dienen gebaseerd te zijn op de kosten van de verleende diensten, en de aard en kwaliteit van deze diensten dienen vergelijkbaar te zijn met die van diensten als self-handling wel mogelijk zou zijn.
De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) mag/mogen zich rechtstreeks en, naar eigen goeddunken, via haar/hun agenten bezighouden met de verkoop van luchtdiensten op het grondgebied van de andere partij. Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij heeft het recht dit luchtvervoer te verkopen in de valuta van dat grondgebied of in vrij omwisselbare valuta en het staat iedere persoon vrij deze te kopen.
Het is elke aangewezen luchtvaartmaatschappij toegestaan voor lokale uitgaven, met inbegrip van de inkoop van brandstof, op het grondgebied van de andere partij te betalen in lokale valuta. Naar hun goeddunken kan of kunnen de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elk van de partijen deze uitgaven op het grondgebied van de andere partij betalen in vrij omwisselbare valuta's volgens de lokale valutavoorschriften.
Bij de exploitatie of het onderhouden van de overeengekomen diensten op de in Bijlage I bij dit Verdrag omschreven routes, kan elke aangewezen luchtvaartmaatschappij samenwerkingsregelingen op het gebied van de verkoop aangaan, zoals vast af te nemen plaatsen, code-sharing, joint ventures of lease-regelingen, met
- a. een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elk van de partijen; en
- b. een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een derde staat,
mits deze derde staat soortgelijke regelingen tussen de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij en andere luchtvaartmaatschappijen inzake diensten naar, van en via deze derde staat toestaat of daarin toestemt, op voorwaarde dat alle luchtvaartmaatschappijen die aan dergelijke regelingen deelnemen
-
- de vereiste bevoegdheden hebben; en
-
- voldoen aan de eisen die gewoonlijk op dergelijke regelingen van toepassing zijn.
Artikel 6. Gebruikersheffingen
Gebruikersheffingen die aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van elk van de partijen kunnen worden opgelegd door de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van de andere partij dienen rechtvaardig, redelijk en niet discriminatoir te zijn en naar billijkheid te worden verdeeld tussen de categorieën gebruikers. In alle gevallen worden deze gebruikersheffingen opgelegd aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die op het tijdstip waarop de heffingen worden opgelegd gelden voor een andere luchtvaartmaatschappij.
Gebruikersheffingen die worden opgelegd aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij mogen overeenkomen met maar niet hoger zijn dan de volledige kosten voor de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen van het verstrekken van passende luchthaven-, luchthavenmilieu-, luchtvaartnavigatie-, en luchtvaartbeveiligingsvoorzieningen en -diensten op de luchthaven of binnen het luchthavensysteem. Deze volledige kosten kunnen een redelijk rendement op vermogensbestanddelen na afschrijving omvatten. De voorzieningen en diensten waarvoor heffingen worden opgelegd, worden op efficiënte en economische wijze verstrekt.
Elk van de partijen moedigt overleg aan tussen de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen op haar grondgebied en de aangewezen luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van de diensten en voorzieningen, en moedigt de bevoegde inningsautoriteiten of -lichamen en de aangewezen luchtvaartmaatschappijen aan de informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor accurate toetsing van de redelijkheid van de heffingen in overeenstemming met de beginselen van het eerste en tweede lid van dit artikel. Elk van de partijen moedigt de bevoegde inningsautoriteiten aan de gebruikers binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen zodat de gebruikers hun mening kenbaar kunnen maken voordat de wijzigingen plaatsvinden.
Geen van de partijen wordt bij procedures ter regeling van geschillen ingevolge artikel 18 (Regeling van geschillen) van dit Verdrag geacht inbreuk te maken op een bepaling van dit artikel, tenzij 1. zij nalaat een gebruikersheffing of praktijk waarop de klacht van de andere partij betrekking heeft binnen een redelijke termijn te toetsen; of 2. zij na deze toetsing nalaat alle maatregelen te nemen die in haar vermogen liggen om een gebruikersheffing of praktijk die onverenigbaar is met dit artikel ongedaan te maken.
Artikel 7. Eerlijke concurrentie
Elk van de partijen staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij op eerlijke en gelijke wijze in de gelegenheid wordt gesteld te concurreren bij het verzorgen van de internationale luchtdiensten waarop dit Verdrag betrekking heeft.
Elk van de partijen staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij de frequentie en capaciteit van de overeengekomen diensten die zij aanbiedt, bepaalt op basis van de commerciële marktoverwegingen van de luchtvaartmaatschappij. Geen van de partijen schrijft aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij derhalve enige andere eis voor ten aanzien van capaciteit, frequentie of verkeer indien zulks niet verenigbaar zou zijn met de doelstellingen van dit Verdrag. Geen van de partijen beperkt eenzijdig de omvang van het verkeer, de frequentie of regelmaat van een dienst, of het type of de typen door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij geëxploiteerde luchtvaartuigen, tenzij dit nodig mocht zijn vanwege redenen op het gebied van douane en andere inspectiediensten van de overheid, techniek of exploitatie uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.
Geen van de partijen legt de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij een verplichting tot voorrangsverlening, proportionele beperkingen, een vergoeding wegens afzien van bezwaar of enige andere verplichting ten aanzien van capaciteit, frequentie of verkeer op die niet verenigbaar zou zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.
De partijen komen overeen dat de volgende handelwijzen van luchtvaartmaatschappijen beschouwd kunnen worden als mogelijk oneerlijke concurrentiepraktijken die aan een nader onderzoek onderworpen kunnen worden:
- a. er worden op routes prijzen en kosten berekend op een niveau dat, alles bij elkaar genomen, ontoereikend is om de kosten van het verlenen van de diensten waarop zij betrekking hebben te dekken;
- b. er vindt een buitensporige uitbreiding van de capaciteit of de frequentie van diensten plaats;
- c. de bedoelde praktijken hebben eerder een blijvend dan een tijdelijk karakter;
- d. de bedoelde praktijken hebben ernstige negatieve economische gevolgen voor of berokkenen aanzienlijke schade aan een andere luchtvaartmaatschappij;
- e. de bedoelde praktijken geven blijk van de kennelijke intentie de mededinging op de markt te verstoren, of hebben dit hoogstwaarschijnlijk tot gevolg; en
- f. er is sprake van gedragingen die duiden op misbruik van een dominante positie op de route.
Luchthavens, luchtwegen en luchtverkeersdiensten, beveiliging van de luchtvaart en andere daarmee verband houdende voorzieningen en diensten die worden geleverd op het grondgebied van de ene partij zijn beschikbaar voor gebruik door de luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan de gunstigste voorwaarden die op het tijdstip waarop de afspraken voor gebruik worden gemaakt gelden voor andere luchtvaartmaatschappijen die vergelijkbare internationale luchtdiensten uitvoeren.
Indien de luchtvaartautoriteiten van de ene partij van mening zijn dat de door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij beoogde of uitgevoerde operatie of operaties oneerlijke concurrentie zou(den) kunnen vormen
overeenkomstig het vierde of vijfde lid van dit artikel, kunnen zij verzoeken om overleg in overeenstemming met artikel 17 (Overleg) van dit Verdrag om tot een oplossing van het probleem te komen. Een dergelijk verzoek gaat vergezeld van een kennisgeving met de redenen voor het verzoek en het overleg vangt aan binnen dertig (30) dagen na ontvangst van het verzoek.
Indien de partijen er niet in slagen door middel van overleg tot een oplossing van het probleem te komen, kan elk van de partijen een beroep doen op de geschillenregeling uit hoofde van artikel 18 (Regeling van geschillen) van dit Verdrag teneinde tot een oplossing van het geschil te komen.
Artikel 8. Tarieven
Tarieven die uit hoofde van dit Verdrag voor internationale luchtdiensten worden berekend mogen door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) vrij worden vastgesteld en hoeven niet te worden goedgekeurd.
Elk van de partijen kan verlangen dat in rekening te brengen tarieven voor vervoer van of naar haar grondgebied door (de) aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij ter kennis worden gebracht van of worden ingediend bij de luchtvaartautoriteiten.
Niettegenstaande het eerste en tweede lid van dit artikel is op de tarieven die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van Curaçao voor vervoer dat geheel binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvindt in rekening dienen te worden gebracht, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing.
HOOFDSTUK IV. – FINANCIËLE BEPALINGEN
Artikel 9. Douanerechten
Elk van de partijen stelt op basis van wederkerigheid de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij in de ruimst mogelijke mate die haar nationale wetgeving toestaat vrij van importbeperkingen, douanerechten, accijnzen, inspectiekosten en andere nationale rechten en lasten, die niet gebaseerd zijn op de kosten van de bij aankomst verleende diensten, op luchtvaartuigen, brandstof, smeermiddelen, technische verbruiksvoorraden, reserveonderdelen met inbegrip van motoren, normale uitrustingsstukken, boordproviand en andere goederen zoals voorraden gedrukte tickets, luchtvrachtbrieven en drukwerk waarop het embleem van de maatschappij voorkomt en gebruikelijk reclamemateriaal dat door die aangewezen luchtvaartmaatschappij gratis wordt verspreid en bestemd is voor gebruik of uitsluitend wordt gebruikt in verband met de exploitatie of het onderhoud van luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van deze andere partij die de overeengekomen diensten exploiteert.
Met betrekking tot normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden brandstof en smeermiddelen en boordproviand die worden ingevoerd in het grondgebied van de ene partij door of ten behoeve van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij, of aan boord van de door deze luchtvaartmaatschappij geëxploiteerde luchtvaartuigen worden genomen uitsluitend voor gebruik aan boord van die luchtvaartuigen bij de exploitatie van internationale luchtdiensten, behoeven geen heffingen en belastingen te worden betaald, met inbegrip van douaneheffingen en inspectiekosten die verschuldigd zijn op het grondgebied van de eerste partij, zelfs indien deze voorraden zullen worden gebruikt tijdens de gedeelten van de vlucht die worden afgelegd boven het grondgebied van de partij waar zij aan boord zijn genomen. Ten aanzien van bovengenoemde goederen kan worden verlangd dat deze onder toezicht en beheer van de douane blijven. De bepalingen van dit lid mogen niet zodanig worden uitgelegd dat een partij kan worden verplicht tot terugbetaling van de douanerechten die reeds op de in het eerste lid van dit artikel genoemde goederen zijn geheven.
De in dit artikel toegekende vrijstellingen zijn van toepassing op de in het eerste lid van dit artikel genoemde goederen:
- a. die door of namens de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij op het grondgebied van de partij zijn binnengebracht;
- b. die bij aankomst op of vertrek uit het grondgebied van de andere partij aan boord van het luchtvaartuig van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij blijven; of
- c. die aan boord worden genomen van het luchtvaartuig van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij op het grondgebied van de andere partij en die bestemd zijn voor gebruik tijdens de exploitatie van de overeengekomen diensten,
ongeacht of dergelijke goederen geheel worden gebruikt of verbruikt op het grondgebied van de partij die de vrijstelling verleent, mits de eigendom van dergelijke goederen niet op het grondgebied van genoemde partij wordt overgedragen.
Normale boorduitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden brandstof en smeermiddelen en proviand aan boord van luchtvaartuigen van een van beide partijen mogen op het grondgebied van de andere partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die partij, die kunnen verlangen dat deze goederen onder hun toezicht worden geplaatst, totdat deze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.
Niets in dit Verdrag belet een partij op basis van non-discriminatie belastingen, toeslagen, rechten, lasten of heffingen te heffen over brandstof geleverd op zijn grondgebied voor gebruik in een luchtvaartuig van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij dat vliegt tussen een punt op het grondgebied van die partij of een punt op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een lidstaat van de Europese Vrijhandelsassociatie.
Artikel 10. Belastingheffing
Winsten of inkomsten uit de exploitatie van de luchtvaartuigen in internationaal verkeer die door aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een partij worden behaald, met inbegrip van deelname aan commerciële overeenkomsten tussen luchtvaartmaatschappijen of gemeenschappelijke ondernemingen, zijn vrijgesteld van belasting over winsten of inkomsten geheven door de andere partij.
Kapitaal en vermogensbestanddelen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij die worden gebruikt bij de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn vrijgesteld van belasting over kapitaal en vermogensbestanddelen geheven door de andere partij.
Voordelen uit de vervreemding van luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd of van roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van dergelijke luchtvaartuigen die worden verkregen door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij zijn vrijgesteld van belasting over voordelen geheven door de andere partij.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a. „winsten of inkomsten” de bruto ontvangsten en opbrengsten die direct worden verkregen uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer, met inbegrip van:
- i. de charter of verhuur van luchtvaartuigen;
- ii. de verkoop van luchtvervoer, hetzij voor de luchtvaartmaatschappij zelf, hetzij voor een andere luchtvaartmaatschappij; en
- iii. interest over de bedragen die direct worden verkregen uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer, mits dergelijke interest voortvloeit uit de exploitatie;
- b. „internationaal verkeer” het vervoer van personen en/of vracht, met inbegrip van post, behalve wanneer dergelijk vervoer hoofdzakelijk tussen punten op het grondgebied van een partij plaatsvindt.
Dit artikel is niet van kracht indien er een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen tussen de partijen van kracht is.
Artikel 11. Overmaking van gelden
Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij heeft het recht, op verzoek, het na aftrek van plaatselijke uitgaven overblijvende bedrag van de plaatselijk verkregen inkomsten uit de verkoop van luchtdiensten en daarmee samenhangende activiteiten die rechtstreeks verband houden met luchtdiensten te wisselen en naar haar land over te maken. Inwisseling en overmaking worden onverwijld en zonder beperkingen of belastingheffing toegestaan, tegen de wisselkoers die van toepassing is op lopende transacties op de datum waarop de luchtvaartmaatschappij de eerste aanvraag tot overmaking doet.
HOOFDSTUK V. – BEPALINGEN BETREFFENDE REGELGEVING
Artikel 12. Toepassing van wetten
Bij binnenkomst op, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene partij dienen de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij te voldoen aan de wetten en voorschriften van de eerstgenoemde partij met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met luchtvaartuigen.
Bij binnenkomst op, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene partij, dienen haar wetten en voorschriften inzake de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning of vracht aan boord van luchtvaartuigen (met inbegrip van voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, beveiliging van de luchtvaart, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine of, in het geval van post, de postreglementen) te worden nageleefd door of namens die passagiers, bemanning of met betrekking tot de vracht van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij.
Geen van de partijen begunstigt haar eigen of elke andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van een luchtvaartmaatschappij van de andere partij die soortgelijke internationale luchtdiensten verricht bij de toepassing van haar voorschriften inzake immigratie, douane, quarantaine en soortgelijke voorschriften.
Passagiers, bagage, vracht en post in rechtstreeks doorgaand verkeer worden slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen. Bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en andere vergelijkbare belastingen.
Artikel 13. Veiligheid
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene partij zijn uitgereikt of geldig zijn verklaard en nog van kracht zijn, worden door de andere partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten zoals voorzien in dit Verdrag, mits de eisen op grond waarvan deze bewijzen en vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard ten minste gelijk zijn aan of zwaarder dan de minimumnormen die kunnen worden vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago. Elk van de partijen kan evenwel voor vluchten boven of landingen op haar eigen grondgebied weigeren de geldigheid te erkennen van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de andere partij ten behoeve van haar eigen onderdanen zijn afgegeven of geldig verklaard.
Elk van de partijen kan verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door de andere partij worden gehandhaafd met betrekking tot luchtvaartvoorzieningen, bemanning, luchtvaartuigen en de exploitatie van de luchtvaartuigen. Dergelijk overleg vindt plaats overeenkomstig artikel 17 (Overleg) van dit Verdrag.
Indien, na dergelijk overleg, een partij oordeelt dat de andere partij op de gebieden bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen en eisen handhaaft en toepast die ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago kunnen zijn vastgesteld, wordt de andere partij in kennis gesteld van dit oordeel en van de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die minimumnormen, en neemt die andere partij passende corrigerende maatregelen binnen een overeengekomen termijn. Elk van de partijen behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning van een door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen te weigeren en deze in te trekken, op te schorten, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden, in het geval de andere partij nalaat binnen een redelijke termijn passende corrigerende maatregelen te nemen.
Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door of namens een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij wordt gebruikt voor diensten naar of vanuit het grondgebied van de andere partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere partij bevindt, mag worden onderworpen aan een platforminspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere partij, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig. Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag van Chicago wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en de vergunningen van de bemanning te controleren en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de normen die op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld.
Wanneer onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij behoudt elk van de partijen zich het recht voor de exploitatievergunning van een aangewezen luchtvaartmaatschappij of van aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij onmiddellijk op te schorten of daarvan af te wijken.
Een maatregel door een partij in overeenstemming met het vijfde lid van dit artikel wordt beëindigd zodra de aanleiding voor de maatregel ophoudt te bestaan.
Onder verwijzing naar het derde lid van dit artikel, dient, indien wordt vastgesteld dat een partij nadat de afgesproken termijn is verstreken nog steeds niet voldoet aan de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, de secretaris-generaal van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie daarvan in kennis te worden gesteld. Laatstgenoemde dient tevens in kennis te worden gesteld wanneer vervolgens tot een bevredigende oplossing van de situatie is gekomen.
Indien een partij een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en een derde staat controleert of deze de regelgeving naleeft, zijn de rechten van de andere partij uit hoofde van dit artikel op dezelfde wijze van toepassing op de aanneming, uitoefening of handhaving van veiligheidsnormen door die derde staat en op de exploitatievergunning van die luchtvaartmaatschappij.
Artikel 14. Beveiliging van de luchtvaart
Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van dit Verdrag. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, gedaan te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, gedaan te 's-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988 en het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, gedaan te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart die beide partijen naleven.
De partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, zijn passagiers en bemanning, van luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.
Elk van de partijen handelt, in haar onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de normen voor de beveiliging van de luchtvaart en de passende aanbevolen werkwijzen vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago. Elk van de partijen verlangt dat exploitanten van luchtvaartuigen die in haar land geregistreerd zijn of die op haar grondgebied zijn gevestigd en de exploitanten van luchthavens op haar grondgebied handelt in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart. Elk van de partijen stelt de andere partij in kennis van verschillen tussen haar nationale voorschriften en praktijken en de normen inzake de beveiliging van de luchtvaart van de Bijlagen bij het Verdrag van Chicago. Elk van de partijen kan te allen tijde verzoeken om onmiddellijk overleg met de andere partij over dergelijke verschillen.
Elk van de partijen stemt ermee in dat van deze exploitanten kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake beveiliging in acht nemen die door de andere partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit en het verblijf op het grondgebied van die andere partij. Elk van de partijen waarborgt dat op haar grondgebied adequate maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en dat passagiers, bemanning en hun handbagage en bagage, alsmede vracht en boordproviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden aan controles worden onderworpen. Elk van de partijen neemt tevens elk verzoek van de andere partij bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.
Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van passagiers, bemanning, luchtvaartuigen, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.
Elk van de partijen heeft het recht, binnen zestig (60) dagen na een kennisgeving, haar luchtvaartautoriteiten op het grondgebied van de andere partij onderzoek te laten doen naar de beveiligingsmaatregelen die worden uitgevoerd of die volgens plan zullen worden uitgevoerd, door exploitanten van luchtvaartuigen ten aanzien van vluchten afkomstig van of vertrekkend naar het grondgebied van de eerstgenoemde partij. De administratieve regelingen voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten en worden zonder vertraging uitgevoerd teneinde te waarborgen dat de onderzoeken voortvarend worden uitgevoerd.
Wanneer een partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere partij is afgeweken van de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart in dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten van die partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Dergelijk overleg vangt aan binnen vijftien (15) dagen na de ontvangst van een dergelijk verzoek van een van de partijen. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na de datum van een dergelijk verzoek tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, opschorten, beperken of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de exploitatievergunning van een aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van die andere partij. Indien zulks gerechtvaardigd is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan een partij te allen tijde voor het verstrijken van vijftien (15) dagen tussentijdse maatregelen nemen.
HOOFDSTUK VI. – PROCEDURELE BEPALINGEN
Artikel 15. Goedkeuring van schema's
De aangewezen luchtvaartmaatschappij van elk van de partijen kan haar voorgenomen vluchtschema's ten minste vijfenveertig (45) dagen voor aanvang van de exploitatie van de overeengekomen diensten ter goedkeuring indienen bij de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Dezelfde procedure is van toepassing bij eventuele wijzigingen daarvan.
Voor extra vluchten die de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij wenst uit te voeren op de overeengekomen diensten buiten de goedgekeurde dienstregeling, dient deze luchtvaartmaatschappij vooraf toestemming te vragen van de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Dergelijke verzoeken dienen ten minste vijftien (15) dagen voor het uitvoeren van dergelijke vluchten te worden ingediend.
Artikel 16. Statistieken
De luchtvaartautoriteiten van elk van de partijen voorzien de luchtvaartautoriteiten van de andere partij op verzoek van de periodieke of andere statistische gegevens die redelijkerwijs verlangd kunnen worden.
Artikel 17. Overleg
Elke partij mag te allen tijde verzoeken om schriftelijk overleg over de uitlegging, toepassing, tenuitvoerlegging, wijziging of naleving van dit Verdrag of de Bijlagen daarbij. Dergelijk overleg vangt zo spoedig mogelijk aan, maar niet later dan zestig (60) dagen te rekenen vanaf de datum waarop de andere partij het verzoek ontvangt, tenzij anders wordt overeengekomen.
Artikel 18. Regeling van geschillen
Elk geschil dat tussen de partijen mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, uitgezonderd geschillen die ontstaan ingevolge de artikelen 13 (Veiligheid) en 14 (Veiligheid van de luchtvaart), trachten de luchtvaartautoriteiten van beide partijen in de eerste plaats door overleg en onderhandeling te regelen.
Indien de partijen er niet in slagen het geschil door middel van onderhandeling te regelen, wordt het geschil langs diplomatieke weg geregeld.
Artikel 19. Wijziging
Elke wijziging van dit Verdrag wordt overeengekomen tussen de partijen en geschiedt bij diplomatieke notawisseling. Een dergelijke wijziging treedt in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 24 (Inwerkingtreding) van dit Verdrag.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, kunnen wijzigingen van Bijlage I bij dit Verdrag tussen de luchtvaartautoriteiten van de partijen worden overeengekomen en bij diplomatieke notawisseling worden bevestigd. Een dergelijke wijziging treedt in werking op een in de diplomatieke notawisseling te bepalen datum. Deze uitzondering op het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien er verkeersrechten worden toegevoegd aan bovengenoemde Bijlage.
HOOFDSTUK VII. – SLOTBEPALINGEN
Artikel 20. Multilaterale verdragen
Indien ten aanzien van beide partijen een algemeen multilateraal luchtvaartverdrag in werking treedt, hebben de bepalingen van een dergelijk verdrag voorrang. Overleg teneinde te bepalen in welke mate de bepalingen van het multilaterale verdrag van invloed zijn op dit Verdrag vinden plaats in overeenstemming met artikel 17 (Overleg) van dit Verdrag.
Artikel 21. Beëindiging
Elk van de partijen kan te allen tijde de andere partij langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis stellen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Een dergelijke kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Dit Verdrag treedt een (1) jaar na de datum waarop de kennisgeving door de andere partij is ontvangen om middernacht op de locatie waar de kennisgeving is ontvangen buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging vóór het verstrijken van deze termijn met wederzijdse instemming wordt ingetrokken. Indien de andere partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Artikel 22. Registratie bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie
Dit Verdrag en eventuele wijzigingen daarvan worden geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.
Artikel 23. Territoriale toepassing
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Curaçao.
Artikel 24. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van de laatste schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg waarin de partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat alle vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn voltooid.
Bij inwerkingtreding vervangt dit Verdrag, in de relatie tussen Curaçao en IJsland, de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek IJsland betreffende luchtvervoer, ondertekend te ‘s-Gravenhage op 22 maart 1950.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.
DONE at Brussels, on this 20th day of September 2021, in duplicate, in the English language.
For the Kingdom of the Netherlands, in respect of Curacao,
PIETER JAN KLEIWEG DE ZWAAN
For Iceland,
KRISTJÁN ANDRI STEFÁNSSON
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)