Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Republiek San Marino, hierna te noemen de „verdragsluitende staten”,
Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren,
Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het oneigenlijk gebruik van verdragen door middel van constructies gericht op de verkrijging van in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen tot indirect voordeel van inwoners van derde staten),
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Personen op wie het verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat.
Dit Verdrag laat onverlet de belastingheffing, door een verdragsluitende staat, van zijn inwoners, behalve waar het de voordelen betreft die worden toegekend op grond van artikel 7, derde lid, artikel 9, tweede lid, en de artikelen 18, 20, 22, 23, 24 en 26 van dit Verdrag.
Artikel 2. Belastingen waarop het verdrag van toepassing is
Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat of van de staatkundige of bestuursrechtelijke onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, ongeacht de wijze van heffing.
Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar inkomensbestanddelen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn met name:
- a. in het geval van San Marino: de algemene inkomstenbelasting die geheven wordt bij: zelfs wanneer deze wordt geïnd door middel van bronbelasting (hierna te noemen „San Marinese belasting”);
- i. natuurlijke personen;
- ii. rechtspersonen en eenmanszaken;
- b. in het geval van Curaçao: (hierna te noemen: „Curaçaose belasting”).
- i. de inkomstenbelasting;
- ii. de loonbelasting;
- iii. de winstbelasting;
- iv. de dividendbelasting;
Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van dit Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwetgeving zijn aangebracht.
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
- a. betekent het begrip „San Marino” het grondgebied van de Republiek San Marino, met inbegrip van elk ander gebied waarin de Republiek San Marino, in overeenstemming met het internationale recht, soevereine rechten uitoefent of rechtsmacht heeft;
- b. betekent het begrip „Curaçao” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat is gelegen in de Caribische Zee en bestaat uit het grondgebied van Curaçao, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarin het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent, evenwel met uitzondering van het deel dat betrekking heeft op Aruba en Bonaire;
- c. betekenen de begrippen „een verdragsluitende staat” en „de andere verdragsluitende staat”, San Marino of Curaçao, al naargelang de context vereist;
- d. omvat het begrip „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e. betekent het begrip „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- f. betekenen de begrippen „onderneming van een verdragsluitende staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende staat” onderscheidenlijk elk bedrijf uitgeoefend door een inwoner van een verdragsluitende staat en een bedrijf uitgeoefend door een inwoner van de andere verdragsluitende staat;
- g. betekent het begrip „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in een verdragsluitende staat zijn gelegen en de onderneming die het schip of luchtvaartuig exploiteert geen onderneming van die staat is;
- h. wordt verstaan onder het begrip „onderdaan”,
- i. elke natuurlijke persoon die de nationaliteit of het staatsburgerschap van een verdragsluitende staat bezit;
- ii. elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat of elke vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in een verdragsluitende staat van kracht is;
- i. betekent het begrip „bevoegde autoriteit”:
- i. in San Marino, het ministerie van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger, en, ten behoeve van artikel 25 „Uitwisseling van informatie” van dit Verdrag, de Ufficio Centrale di Collegamento – het Centraal Verbindingsbureau van de Republiek San Marino;
- ii. in Curaçao, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- j. omvat het begrip „uitoefenen van een bedrijf” mede het uitoefenen van een vrij beroep en het verrichten van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;
- k. betekent het begrip „erkend pensioenfonds” van een staat een in die staat opgerichte entiteit of constructie die op grond van de belastingwetgeving van die staat als een afzonderlijke persoon behandeld wordt en:
- i. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is opgericht en wordt geëxploiteerd ten behoeve van het beheren of het voorzien in oudedagsvoorzieningen en ondergeschikte of bijkomstige voorzieningen aan natuurlijke personen en als zodanig gereguleerd wordt door die staat of door een van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan; of
- ii. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend opgericht en werkzaam is om gelden te beleggen ten voordele van entiteiten of constructies zoals bedoeld in onderdeel i.
Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elk daarin niet omschreven begrip, tenzij de context anders vereist of de bevoegde autoriteiten een andere betekenis overeenkomen ingevolge de bepalingen van artikel 24 van dit Verdrag, de betekenis welke het op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan dat begrip wordt gegeven.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent het begrip „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid, en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig of bestuursrechtelijk onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan alsmede een erkend pensioenfonds van die verdragsluitende staat. Dit begrip omvat echter niet een persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomen uit bronnen in die staat.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid van dit artikel inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- a. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welke staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
- c. indien hij in beide staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarvan hij onderdaan is;
- d. indien hij onderdaan is van beide staten of van geen van beide staten, regelen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de aangelegenheid in onderling overleg.
Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van het eerste lid van dit artikel inwoner van beide verdragsluitende staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderling overleg te bepalen van welke verdragsluitende staat die persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van het Verdrag, daarbij rekening houdend met zijn plaats van werkelijke leiding, de plaats waar hij is opgericht of anderszins tot stand is gekomen en alle andere relevante factoren. Wanneer dergelijke overeenstemming ontbreekt, is die persoon niet gerechtigd tot enige belastingvermindering of -vrijstelling waarin dit Verdrag voorziet, behalve in de mate waarin en de wijze waarop dat wordt overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten.
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent het begrip „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.
Het begrip „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
- a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b. een filiaal;
- c. een kantoor;
- d. een fabriek;
- e. een werkplaats; en
- f. een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
Het begrip „vaste inrichting” omvat eveneens:
- a. een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee verband houden, maar alleen indien een dergelijke plaats van uitvoering of project blijft voortbestaan of dergelijke werkzaamheden blijven voortduren gedurende meer dan 12 maanden;
- b. het verlenen van diensten, daaronder begrepen diensten van adviserende aard, door een onderneming van een verdragsluitende staat door middel van werknemers die of ander personeel dat door de onderneming daartoe is aangesteld, maar alleen indien dergelijke werkzaamheden (voor hetzelfde of een daarmee samenhangend project) in de andere verdragsluitende staat voor een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van 12 maanden in totaal meer dan 300 dagen voortduurt of voortduren.
- c. een server of ander soort elektronische apparatuur van een onderneming van een verdragsluitende staat die zich in de andere verdragsluitende staat bevindt, mits aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- i. de server of ander type elektronische apparatuur staat op een vaste plaats in de andere verdragsluitende staat;
- ii. de server of ander type elektronische apparatuur en de locatie ervan staan ter beschikking van de onderneming;
- iii. de bedrijfsactiviteiten van de onderneming van de eerstgenoemde verdragsluitende staat worden geheel of gedeeltelijk uitgevoerd door middel van de server of ander type elektronische apparatuur.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt het begrip „vaste inrichting” niet geacht te omvatten:
- a. het gebruikmaken van inrichtingen uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;
- c. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of informatie in te winnen;
- e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid te verrichten;
- f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden,
op voorwaarde dat die werkzaamheid, of, in het geval van onderdeel f, het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Het vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende staat bedrijfsactiviteiten verricht, en
- a. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting vormt op grond van de bepalingen van dit artikel; of
- b. het geheel van de activiteiten dat voortvloeit uit de combinatie van de activiteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft,
op voorwaarde dat de bedrijfsactiviteiten die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen, worden uitgeoefend aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, maar onder voorbehoud van de bepalingen van het zevende lid van dit artikel, indien een persoon namens een onderneming optreedt in een verdragsluitende staat en daarbij gewoonlijk overeenkomsten sluit, of gewoonlijk de voornaamste rol speelt die leidt tot het sluiten van overeenkomsten die stelselmatig zonder materiële wijziging door de onderneming gesloten worden, en die overeenkomsten gesloten zijn
- a. in naam van de onderneming; of
- b. voor de eigendomsoverdracht of voor het verlenen van het gebruiksrecht van goederen die aan die onderneming toebehoren of ter zake waarvan de onderneming het gebruiksrecht heeft; of
- c. voor het verlenen van diensten door die onderneming;
wordt die onderneming geacht in die staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot alle werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van een dergelijke persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het vierde lid van dit artikel, die, indien zij zouden worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting (anders dan een vaste bedrijfsinrichting waarop het vijfde lid van dit artikel van toepassing zou zijn), deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
Het zesde lid van dit artikel is niet van toepassing indien de persoon die in een verdragsluitende staat optreedt voor een onderneming van de andere verdragsluitende staat, in de eerstgenoemde staat een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke vertegenwoordiger en voor de onderneming handelt in de normale uitoefening van dat bedrijf. Wanneer een persoon evenwel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend optreedt voor een of meer ondernemingen waarmee hij nauw verbonden is, wordt die persoon ten opzichte van elke dergelijke onderneming niet geacht een onafhankelijke vertegenwoordiger te zijn in de zin van dit lid.
De omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat of dat in die andere staat zijn bedrijf uitoefent (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), bestempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
Ten behoeve van de toepassing van dit artikel, wordt een persoon of onderneming geacht nauw te zijn verbonden met een onderneming indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft over de andere of dat beide onder zeggenschap staan van dezelfde persoon of ondernemingen. In elk geval wordt een persoon of onderneming geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien de ene direct of indirect meer dan 50 procent bezit van het uiteindelijke belang in de andere persoon (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 procent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) of indien een andere persoon of onderneming direct of indirect meer dan 50 procent bezit van het uiteindelijke belang (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 procent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) in de persoon en in de onderneming of de twee ondernemingen.
Artikel 6. Inkomen uit onroerende zaken
Inkomen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit onroerende zaken (waaronder begrepen inkomen uit landbouw- of bosbedrijven) gelegen in de andere verdragsluitende staat, mag in die andere staat worden belast.
Het begrip „onroerende zaken” heeft de betekenis die dat begrip heeft volgens de wetgeving van de verdragsluitende staat waar de desbetreffende zaken zijn gelegen. Het begrip omvat in ieder geval de zaken die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op variabele of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende zaken beschouwd.
De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op inkomen verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit een andere vorm van exploitatie van onroerende zaken.
De bepalingen van het eerste en derde lid zijn eveneens van toepassing op inkomen uit onroerende zaken van een onderneming en op inkomen uit onroerende zaken die worden gebruikt voor het verrichten van zelfstandige arbeid.
Artikel 7. Winst uit onderneming
De winst van een onderneming van een verdragsluitende staat is slechts in die staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere verdragsluitende staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mag de winst die in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van dit artikel aan de vaste inrichting kan worden toegerekend in die andere staat worden belast.
Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 22 van dit Verdrag is de winst die in elk van de verdragsluitende staten kan worden toegerekend aan de vaste inrichting bedoeld in het eerste lid van dit artikel, de winst die zij naar verwachting zou behalen, in het bijzonder via haar handelen met andere onderdelen van de onderneming, indien zij een afzonderlijke en onafhankelijke onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou verrichten onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden, rekening houdend met de door de onderneming via de vaste inrichting en andere onderdelen van de onderneming uitgeoefende functies, gebruikte vermogensbestanddelen en genomen risico’s.
Indien een verdragsluitende staat, in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel, de winst corrigeert die kan worden toegerekend aan een vaste inrichting van een onderneming van een van de verdragsluitende staten en de winst van de onderneming die in de andere staat is belast, dienovereenkomstig belast, brengt de andere staat, voor zover nodig om dubbele belastingheffing over deze winst te vermijden, een passende correctie aan van het bedrag aan belasting dat over deze winst is geheven. Voor het vaststellen van de correctie plegen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten zo nodig overleg.
Indien de winst inkomensbestanddelen bevat die afzonderlijk in andere artikelen van dit Verdrag worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.
Artikel 8. Internationale scheep- en luchtvaart
Winst van een onderneming van een verdragsluitende staat uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer zijn slechts in die verdragsluitende staat belastbaar.
De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op winst uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal opererend agentschap.
Artikel 9. Gelieerde ondernemingen
Indien
- a. een onderneming van een verdragsluitende staat direct of indirect deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere verdragsluitende staat, of
- b. dezelfde personen direct of indirect deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een verdragsluitende staat en een onderneming van de andere verdragsluitende staat,
en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mag alle winst die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.
Indien een verdragsluitende staat in de winst van een onderneming van die staat winst begrijpt – en dienovereenkomstig belast – ter zake waarvan een onderneming van de andere verdragsluitende staat in die andere staat in de belastingheffing is betrokken en deze winst bestaat uit winst welke de onderneming van de eerstgenoemde staat zou hebben behaald indien tussen de twee ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, past die andere staat het bedrag aan belasting aan dat aldaar over die winst is geheven. Bij de vaststelling van een dergelijke aanpassing worden de overige bepalingen van dit Verdrag naar behoren in acht genomen en plegen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten zo nodig met elkaar overleg.
Artikel 10. Dividenden
Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.
Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner van de andere verdragsluitende staat is, mag de aldus geheven belasting niet overschrijden:
- a. 0 procent van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk gerechtigde een lichaam is dat direct ten minste 25 procent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt gedurende een periode van 365 dagen waarin de dag valt waarop de dividenden betaald worden (voor het berekenen van die periode wordt geen rekening gehouden met veranderingen van eigenaarschap die rechtstreeks voortvloeien uit een bedrijfsreorganisatie zoals een fusie of een splitsing, van het lichaam dat de aandelen bezit of de dividenden betaalt); en
- b. 5 procent van de brutobedragen van de dividenden in alle andere gevallen.
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten regelen in onderling overleg de wijze van toepassing van deze beperkingen.
De bepalingen van dit lid laten de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet.
Het begrip „dividenden” zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomen uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, niet zijnde schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst alsmede inkomen uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomen uit aandelen.
De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag van toepassing.
Indien een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat, winst of inkomen verkrijgt uit de andere verdragsluitende staat, mag die andere staat geen belasting heffen over de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover dergelijke dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere staat of voor zover het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van een in die andere staat gelegen vaste inrichting behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit winst of inkomen dat uit die andere staat afkomstig is.
Artikel 11. Interest
Interest afkomstig uit een verdragsluitende staat en betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, mag in die andere staat worden belast.
Deze interest mag echter ook in de verdragsluitende staat waaruit hij afkomstig is overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest een inwoner van de andere verdragsluitende staat is, mag de aldus geheven belasting 10 procent van het brutobedrag van de interest niet overschrijden. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten regelen in onderling overleg de wijze van toepassing van deze beperking.
Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, is interest afkomstig uit een verdragsluitende staat en betaald aan de regering van de andere verdragsluitende staat of aan een agentschap of een instantie daarvan vrijgesteld van belasting in de eerstbedoelde verdragsluitende staat. Voor de toepassing van dit lid omvat het begrip „regering” de Centrale Bank van San Marino, de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, een publiekrechtelijk lichaam en elke andere soortgelijke instelling, zoals van tijd tot tijd gezamenlijk kan worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten.
Het begrip „interest” zoals gebezigd in dit artikel betekent inkomen uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomen uit overheidsleningen en inkomen uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan dergelijke leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. Opgelegde boetes voor te late betaling worden voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.
De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waaruit de interest afkomstig is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en de schuldvordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag van toepassing.
Interest wordt geacht afkomstig te zijn uit een verdragsluitende staat indien deze wordt betaald door een inwoner van die staat. Indien evenwel de persoon die de interest betaalt, of hij inwoner van een verdragsluitende staat is of niet, in een verdragsluitende staat een vaste inrichting heeft, waarvoor de verplichting, ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de staat waarin de vaste inrichting gelegen is.
Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder een dergelijke verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de overige bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 12. Royalty’s
Royalty’s afkomstig uit een verdragsluitende staat en betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat mogen uitsluitend in die andere staat worden belast. Deze royalty's mogen echter ook in de verdragsluitende staat waaruit zij afkomstig zijn, overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's een inwoner is van de andere verdragsluitende staat, mag de aldus geheven belasting 10 procent van het brutobedrag van de royalty's niet overschrijden.
Het begrip “royalty’s” zoals gebezigd in dit artikel betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht op het gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, waaronder begrepen software, bioscoopfilms, opnamen voor radio- en televisie-uitzendingen, een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, en voor het gebruik van, of voor het recht op het gebruik van, industriële, commerciële of wetenschappelijke apparatuur, of voor informatie omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waaruit de royalty's afkomstig zijn, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag van toepassing.
Royalty's worden geacht uit een verdragsluitende staat afkomstig te zijn indien zij worden betaald door een inwoner van die staat. Indien evenwel de persoon die de royalty’s betaalt, of hij inwoner van een verdragsluitende staat is of niet, in een verdragsluitende staat een vaste inrichting heeft, en het recht of het bezit uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald tot het vermogen van die vaste inrichting behoort, worden deze royalty’s geacht afkomstig te zijn uit de staat waar de vaste inrichting is gelegen.
Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty’s, gelet op het gebruik, het recht of de informatie waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder een dergelijke verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de overige bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 13. Vermogenswinsten
Voordelen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit de vervreemding van onroerende zaken, zoals bedoeld in artikel 6 van dit Verdrag en gelegen in de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.
Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het vermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat heeft, waaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van die vaste inrichting (afzonderlijk of met de gehele onderneming), mogen in die andere staat worden belast.
Voordelen verkregen door een onderneming van een verdragsluitende staat, die schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer exploiteert, uit de vervreemding van dergelijke schepen of luchtvaartuigen, of van roerende zaken die worden gebruikt voor de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen, zijn slechts in die staat belastbaar.
Voordelen die een inwoner van een verdragsluitende staat verkrijgt uit de vervreemding van aandelen of van vergelijkbare belangen, zoals belangen in een samenwerkingsverband (partnership) of een trust, mogen in de andere verdragsluitende staat worden belast indien, op enig tijdstip gedurende de periode van 365 dagen voorafgaand aan de vervreemding, meer dan 50 procent van de waarde van die aandelen of vergelijkbare belangen direct of indirect bepaald wordt door onroerende zaken zoals omschreven in artikel 6, die in die andere verdragsluitende staat gelegen zijn.
Artikel 14. Inkomen uit dienstbetrekking
Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 15, 17, 18 en 19 van dit Verdrag zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit hoofde van een dienstbetrekking slechts in die staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere verdragsluitende staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de daaruit verkregen beloning in die andere staat worden belast.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit hoofde van een in de andere verdragsluitende staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstgenoemde staat belastbaar, indien:
- a. de genieter in de andere staat verblijft gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaat of gaan; en
- b. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere staat is; en
- c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever in de andere staat heeft.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit hoofde van een dienstbetrekking, als lid van de reguliere bemanning van een schip of luchtvaartuig, die wordt uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in het internationale verkeer wordt geëxploiteerd, anders dan aan boord van een schip of luchtvaartuig dat uitsluitend wordt geëxploiteerd in de andere verdragsluitende staat, slechts in de eerstgenoemde staat belastbaar.
Artikel 15. Directeursbeloningen
Directeursbeloningen en andere soortgelijke betalingen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer of accountantscommissie van een lichaam dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.
Artikel 16. Artiesten en sportbeoefenaars
Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7 en 14 van dit Verdrag mag inkomen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat in de hoedanigheid van artiest, zoals een toneelspeler, een film-, radio- of televisie-artiest of een musicus, of in de hoedanigheid van sportbeoefenaar, uit de persoonlijke werkzaamheden van die inwoner als zodanig die worden verricht in de andere verdragsluitende staat, worden belast in die andere staat.
Indien inkomen uit persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of sportbeoefenaar zelf toekomt, maar aan een andere persoon, mag dat inkomen, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7 en 14, worden belast in de verdragsluitende staat waarin de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht.
Artikel 17. Pensioenen
Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 18, tweede lid, van dit Verdrag zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende staat uit hoofde van een vroegere dienstbetrekking slechts in die staat belastbaar.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, en onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, tweede lid, zijn pensioenen en andere uitkeringen betaald krachtens de socialezekerheidswetgeving van een verdragsluitende staat, ongeacht of deze als periodieke uitkeringen of als uitkering ineens worden betaald, slechts in die staat belastbaar.
Artikel 18. Overheidsfuncties
- a. Salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een verdragsluitende staat of een staatkundig of bestuursrechtelijk onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van het verlenen van diensten aan die staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijke lichaam, zijn slechts in die staat belastbaar.
- b. Dergelijke salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen zijn echter slechts in de andere verdragsluitende staat belastbaar, indien de diensten in die staat worden verleend en de natuurlijke persoon een inwoner is van die staat en:
- i. onderdaan is van die staat; of
- ii. niet uitsluitend voor het verlenen van de diensten inwoner van die staat is geworden.
- a. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald door, of uit fondsen gecreëerd door een verdragsluitende staat of een staatkundig of bestuursrechtelijk onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten verleend aan die staat of dat onderdeel of dat lichaam, slechts in die staat belastbaar.
- b. Deze pensioenen en andere soortgelijke beloningen zijn echter slechts in de andere verdragsluitende staat belastbaar, indien de natuurlijke persoon inwoner en onderdaan is van die staat.
De bepalingen van de artikelen 14, 15, 16 en 17 van dit Verdrag zijn van toepassing op salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen ter zake van diensten verleend in het kader van een bedrijf, uitgeoefend door een verdragsluitende staat of een staatkundig of bestuursrechtelijk onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.
Artikel 19. Hoogleraren, docenten en onderzoekers
Een hoogleraar, docent of onderzoeker die een bezoek aflegt aan een verdragsluitende staat gedurende ten hoogste twee jaar met het doel onderwijs te geven of onderzoek te verrichten aan een universiteit, hogeschool, school of andere soortgelijke instelling voor onderwijs en die inwoner is, of onmiddellijk voorafgaand aan dat bezoek inwoner was, van de andere verdragsluitende staat, is in de eerstgenoemde staat vrijgesteld van belasting ter zake van de beloning voor dergelijk onderwijs of onderzoek.
Artikel 20. Studenten en stagiairs
Betalingen die een student of een stagiair die inwoner is, of onmiddellijk voorafgaand aan zijn bezoek aan een verdragsluitende staat inwoner was, van de andere verdragsluitende staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die staat niet belastbaar, mits dergelijke betalingen afkomstig zijn uit bronnen buiten die staat.
Artikel 21. Overig inkomen
Inkomensbestanddelen van een inwoner van een verdragsluitende staat, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van dit Verdrag zijn behandeld, zijn slechts in die staat belastbaar.
De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op inkomen, niet zijnde inkomen uit onroerende zaken zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, van dit Verdrag indien de ontvanger van dat inkomen, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het recht of de zaak ter zake waarvan het inkomen wordt betaald tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag van toepassing.
Artikel 22. Vermijden van dubbele belasting
Indien een inwoner van een verdragsluitende staat inkomen verkrijgt dat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in de andere staat mag worden belast (behalve voor zover deze bepalingen belastingheffing door de andere staat toestaan met als enige reden dat dat inkomen ook inkomen is dat door een inwoner van die staat verkregen is), staat de eerstgenoemde staat een aftrek van de belasting naar het inkomen toe van die inwoner gelijk aan het bedrag van de in de andere staat betaalde belasting naar het inkomen.
Deze aftrek bedraagt echter niet meer dan het gedeelte van de belasting naar het inkomen, zoals berekend voordat de aftrek is verleend, dat is toe te rekenen aan het inkomen dat in de andere staat mag worden belast.
Indien door een inwoner van een verdragsluitende staat verkregen inkomen volgens een bepaling van het Verdrag in die staat van belasting is vrijgesteld, mag deze staat desalniettemin bij de berekening van het bedrag van de belasting over het resterende inkomen van die inwoner het vrijgestelde inkomen in aanmerking nemen.
Artikel 23. Non-discriminatie
Onderdanen van een verdragsluitende staat worden in de andere verdragsluitende staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere staat onder dezelfde omstandigheden, in het bijzonder met betrekking tot woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande de bepalingen van in artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.
De belastingheffing ter zake van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat heeft, is in die andere staat niet ongunstiger dan de belastingheffing over ondernemingen van die andere staat die dezelfde werkzaamheden verrichten. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat zij een verdragsluitende staat verplicht aan inwoners van de andere verdragsluitende staat bij de belastingheffing alle persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de burgerlijke staat, de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde verdragsluitende staat aan zijn eigen inwoners verleent.
Behalve indien de bepalingen van artikel 9, eerste lid, artikel 11, zevende lid, of artikel 12, vijfde lid, van dit Verdrag van toepassing zijn, zijn interest, royalty’s en andere uitgaven betaald door een onderneming van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstgenoemde staat.
Ondernemingen van een verdragsluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat, worden in de eerstbedoelde staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan andere soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde staat zijn of kunnen worden onderworpen.
De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 van dit Verdrag, van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.
Artikel 24. Procedure voor onderling overleg
Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten voor die persoon leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, kan die persoon, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die staten voorziet, de zaak voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat waarvan hij inwoner of onderdaan is. De zaak dient te worden voorgelegd binnen drie jaar na de eerste kennisgeving van de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag.
De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de zaak in onderling overleg met de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat op te lossen teneinde belastingheffing die niet in overeenstemming is met het Verdrag te vermijden. Elke bereikte overeenstemming wordt uitgevoerd niettegenstaande eventuele termijnen waarin de nationale wetgeving van de verdragsluitende staten voorziet.
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van het Verdrag in onderling overleg op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting te vermijden in gevallen die niet in het Verdrag zijn geregeld.
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen zich rechtstreeks, waaronder via een gezamenlijke commissie bestaande uit henzelf of hun vertegenwoordigers, met elkaar in verbinding stellen teneinde overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.
Indien:
- a. een persoon op grond van het eerste lid van dit artikel een zaak heeft voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat omdat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten ertoe hebben geleid dat de belastingheffing voor die persoon niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, en
- b. de bevoegde autoriteiten er niet in slagen overeenstemming te bereiken om die zaak op te lossen overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, binnen twee jaar na de datum waarop de door de bevoegde autoriteiten benodigde informatie om de zaak te beoordelen aan beide bevoegde autoriteiten is verstrekt;
wordt elke onopgeloste kwestie die voortvloeit uit de zaak op schriftelijk verzoek van de persoon voorgelegd voor arbitrage. Deze onopgeloste kwesties worden evenwel niet voorgelegd voor arbitrage indien een rechterlijke instantie of administratieve rechtbank van een van beide staten reeds over deze kwesties heeft beslist. Tenzij een rechtstreeks bij de zaak betrokken persoon de gezamenlijke regeling voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt, is de arbitrale uitspraak bindend voor beide verdragsluitende staten en wordt deze ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in het nationale recht van de staten. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten regelen in onderling overleg de wijze van toepassing van dit lid.
Artikel 25. Uitwisseling van informatie
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten wisselen de informatie uit die naar verwachting van belang is voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de verdragsluitende staten, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de heffing ingevolge die wetgeving niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door artikelen 1 en 2 van dit Verdrag.
Alle uit hoofde van het eerste lid van dit artikel door een verdragsluitende staat ontvangen informatie wordt op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor dergelijke doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande het voorgaande mag de informatie ontvangen door een verdragsluitende staat voor andere doeleinden worden gebruikt, indien dergelijke informatie ingevolge de wetgeving van beide staten voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van de staat die haar heeft verstrekt met dergelijk gebruik instemt.
In geen geval worden de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zo uitgelegd dat zij een verdragsluitende staat de verplichting opleggen:
- a. bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of bestuurlijke praktijk van die of van de andere verdragsluitende staat;
- b. informatie te verstrekken die niet verkrijgbaar is volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in het bestuur van die of van de andere verdragsluitende staat;
- c. informatie te verstrekken die een handelsgeheim, zakelijk geheim, industrieel geheim, commercieel geheim of beroepsgeheim of een handelsproces openbaar zou maken, dan wel informatie waarvan openbaarmaking in strijd zou zijn met de openbare orde (ordre public).
Indien informatie wordt verzocht door een verdragsluitende staat in overeenstemming met dit artikel, wendt de andere verdragsluitende staat zijn maatregelen inzake het verzamelen van informatie aan om de verzochte informatie te verkrijgen, ook indien de andere staat ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke informatie zou beschikken. Op de in de vorige volzin vervatte verplichting zijn de beperkingen van het derde lid van dit artikel van toepassing, maar deze beperkingen mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een verdragsluitende staat toegestaan is uitsluitend op grond van het feit dat hij geen nationaal belang heeft bij dergelijke informatie te weigeren dergelijke informatie te verstrekken.
De bepalingen van het derde lid van dit artikel mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een verdragsluitende staat toegestaan is het verstrekken van informatie te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat de informatie berust bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde, of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking heeft op eigendomsbelangen in een persoon.
Artikel 26. Leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten
Niets in dit Verdrag tast de fiscale voorrechten aan die leden van diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.
Artikel 27. Recht op voordelen
Behoudens indien anders bepaald in dit artikel, heeft een inwoner van een verdragsluitende staat geen recht op een voordeel dat anders door dit Verdrag zou worden toegekend (anders dan een voordeel uit hoofde van artikel 4, derde lid, artikel 9, tweede lid, of artikel 23 van dit Verdrag) tenzij die inwoner op het tijdstip dat het voordeel anders zou worden toegekend een „gekwalificeerde persoon” is zoals omschreven in het tweede lid van dit artikel.
Een inwoner van een verdragsluitende staat is een gekwalificeerde persoon op een tijdstip waarop een voordeel anders zou worden toegekend door dit Verdrag indien, op dat tijdstip, de inwoner:
- a. een natuurlijke persoon is;
- b. die verdragsluitende staat is, of een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, of een agentschap of instantie van die staat, of staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam;
- c. een lichaam of een andere entiteit is, indien de voornaamste soort van de aandelen daarvan regelmatig verhandeld wordt op een of meer erkende effectenbeurzen;
- d. een lichaam is, indien:
- i. gedurende het belastingtijdvak waaronder dat tijdstip valt, ten minste 50 procent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen (en ten minste 50 procent van het totale aantal stemmen en de waarde van elke disproportionele soort van aandelen) van het lichaam direct of indirect in het bezit zijn van vijf of minder lichamen of entiteiten die recht hebben op voordelen overeenkomstig onderdeel c van dit lid, mits, in het geval van indirect eigendom, elke tussenliggende eigenaar inwoner is van de verdragsluitende staat waaruit een voordeel krachtens dit Verdrag wordt gevraagd of een gekwalificeerde tussenliggende eigenaar is; en
- ii. met betrekking tot voordelen ingevolge dit Verdrag anders dan krachtens artikel 10, minder dan 50 procent van het bruto-inkomen van het lichaam, en minder dan 50 procent van het bruto-inkomen van de getoetste groep, voor het belastingtijdvak waaronder dat tijdstip valt, direct of indirect wordt betaald of toerekenbaar is in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn in dat belastingtijdvak ten behoeve van de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam inwoner is (maar met uitzondering van betalingen tussen willekeurige derden bij de gewone gang van zaken voor diensten of zaken, en in het geval van een getoetste groep, met uitzondering van transacties tussen dochterondernemingen) aan personen die geen inwoner zijn van een van de verdragsluitende staten die recht hebben op de voordelen van dit Verdrag ingevolge de onderdelen a, b, c of e;
- e. een persoon is, niet zijnde een natuurlijke persoon, indien op dat tijdstip en op ten minste de helft van het aantal dagen van een periode van twaalf maanden, waarbinnen dat tijdstip valt, personen die inwoner zijn van die verdragsluitende staat en die gerechtigd zijn tot de voordelen van dit Verdrag op grond van de onderdelen a tot en met d, direct of indirect ten minste 50 procent bezitten van de aandelen van die persoon.
- a. Een inwoner van een verdragsluitende staat is gerechtigd tot voordelen van dit Verdrag ter zake van een inkomensbestanddeel verkregen uit de andere verdragsluitende staat, ongeacht of de inwoner een gekwalificeerde persoon is, indien de inwoner betrokken is bij de actieve uitoefening van een bedrijf in de eerstgenoemde staat en het uit de andere staat verkregen inkomen voortkomt uit, of bijkomstig is aan, dat bedrijf. Voor de toepassing van dit artikel omvat het begrip „actieve uitoefening van een bedrijf” niet de volgende activiteiten of een combinatie daarvan:
- i. het optreden als een houdstermaatschappij;
- ii. het zorgdragen voor het algemeen toezicht op of het bestuur van een groep van lichamen;
- iii. het verzorgen van groepsfinanciering (daaronder begrepen cash pooling); of
- iv. het doen of beheren van beleggingen, tenzij die activiteiten uitgeoefend worden door een bank, andere financiële instellingen, een verzekeringsmaatschappij of een geregistreerde effectenhandelaar in de normale uitoefening van hun bedrijf als zodanig.
- b. Indien een inwoner van een verdragsluitende staat een inkomensbestanddeel verkrijgt uit een bedrijfsactiviteit welke die inwoner uitoefent in de andere verdragsluitende staat, of een uit de andere staat afkomstig inkomensbestanddeel verkrijgt van een verbonden persoon, wordt alleen dan aangenomen dat de in onderdeel a genoemde voorwaarden vervuld zijn met betrekking tot dat inkomensbestanddeel indien de door de inwoner in de eerstgenoemde verdragsluitende staat uitgeoefende bedrijfsactiviteit waarmee het inkomensbestanddeel verband houdt substantieel is ten opzichte van dezelfde activiteit of van een aanvullende bedrijfsactiviteit die door de inwoner of die verbonden persoon in de andere verdragsluitende staat uitgeoefend wordt. Of een bedrijfsactiviteit voor de toepassing van dit lid substantieel is, wordt bepaald op grond van alle feiten en omstandigheden.
- c. Voor de toepassing van dit lid worden, met betrekking tot een inwoner van een verdragsluitende staat, bedrijfsactiviteiten die verbonden personen uitoefenen in die verdragsluitende staat geacht door die inwoner te worden uitgeoefend.
Een inwoner van een verdragsluitende staat die geen gekwalificeerde persoon is, is evenwel gerechtigd tot een voordeel dat anders door dit Verdrag ter zake van een inkomensbestanddeel zou worden toegekend indien, op het tijdstip waarop het voordeel anders zou zijn toegekend en op ten minste de helft van het aantal dagen van een tijdvak van twaalf maanden, waarbinnen dat tijdstip valt, personen die gelijkwaardige gerechtigden (equivalent beneficiaries) zijn, direct of indirect, ten minste 75 procent bezitten van de aandelen van de inwoner.
Een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat en functioneert als het hoofdkantoor van een multinationale groep van vennootschappen die bestaat uit dit lichaam en zijn directe of indirecte dochterondernemingen, is gerechtigd tot voordelen van dit Verdrag ter zake van dividenden en interest betaald door leden van zijn multinationale groep van vennootschappen, ongeacht of de inwoner een gekwalificeerd persoon is of niet. Een lichaam wordt voor dit doel uitsluitend als hoofdkantoor beschouwd indien:
- a. de voornaamste plaats van dit lichaam waar leiding wordt gegeven en toezicht wordt uitgeoefend gelegen is in de verdragsluitende staat waarvan hij inwoner is;
- b. de multinationale groep van vennootschappen bestaat uit lichamen die inwoner zijn van ten minste vier staten en zich aldaar actief bezighoudt met het uitoefenen van een bedrijf en deze bedrijfsactiviteiten in elk van de vier staten (of vier groeperingen van staten) ten minste 10 procent van het bruto-inkomen van de groep genereren;
- c. de bedrijfsactiviteiten van de multinationale groep van vennootschappen die worden uitgeoefend in een andere staat dan de verdragsluitende staat waarvan dit lichaam inwoner is minder dan 50 procent van het bruto-inkomen van de groep geneert;
- d. ten hoogste 25 procent van het bruto-inkomen van het lichaam afkomstig is uit de andere verdragsluitende staat;
- e. op dit lichaam in de verdragsluitende staat waarvan hij inwoner is dezelfde regels met betrekking tot belastingen naar het inkomen van toepassing zijn als op de personen omschreven in het derde lid van dit artikel; en
- f. minder dan 50 procent van het bruto-inkomen van dit lichaam, en minder dan 50 procent van het bruto-inkomen van de getoetste groep, direct of indirect wordt betaald of toerekenbaar is in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn ten behoeve van de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam inwoner is, (maar met uitzondering van betalingen tussen willekeurige derden bij de gewone gang van zaken voor diensten of zaken, of betalingen met betrekking tot financiële verplichtingen aan een bank die geen verbonden persoon is ter zake van een dergelijk lichaam, en in het geval van een getoetste groep, met uitzondering van transacties tussen dochterondernemingen) aan personen die geen inwoner zijn van een van de verdragsluitende staten die recht hebben op de voordelen van dit Verdrag ingevolge de onderdelen a, b, c of e van het tweede lid van dit artikel;
Indien niet aan de vereisten van de onderdelen b, c of d van dit lid wordt voldaan voor het betreffende belastingtijdvak, wordt eraan geacht te zijn voldaan indien aan de vereiste ratio’s wordt voldaan bij het berekenen van het gemiddelde van het bruto-inkomen over de voorafgaande vier belastingtijdvakken.
Indien een inwoner van een verdragsluitende staat geen gekwalificeerde persoon is ingevolge de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, en ook niet gerechtigd is tot voordelen ingevolge het derde of vierde lid van dit artikel, mag de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat waarin de voordelen worden geweigerd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit artikel, niettemin de voordelen van dit Verdrag of voordelen ter zake van een specifiek inkomensbestanddeel toekennen, rekening houdend met het voorwerp en doel van het Verdrag, maar uitsluitend wanneer die inwoner naar tevredenheid van die bevoegde autoriteit kan aantonen dat het verkrijgen van deze voordelen niet een van de voornaamste doelen was, noch van de oprichting, het verwerven of het in stand houden van die persoon noch van het verrichten van zijn werkzaamheden. De bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat bij wie een verzoek werd ingediend door een inwoner van de andere staat op grond van dit lid, raadpleegt, alvorens het verzoek in te willigen of af te wijzen, de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat.
Ten behoeve van dit lid en voorgaande leden van dit artikel:
- a. betekent het begrip „erkende effectenbeurs”:
- i. elke effectenbeurs die gevestigd is in en als zodanig gereguleerd wordt door de wetgeving van een van de verdragsluitende staten; en
- ii. elke andere effectenbeurs die de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten overeenkomen;
- b. betekent met betrekking tot entiteiten die geen lichamen zijn, het begrip „aandelen” belangen die vergelijkbaar zijn met aandelen;
- c. betekent het begrip „voornaamste aandelencategorie” de categorie(ën) aandelen van een lichaam die de meerderheid van het totale aantal stemmen en de waarde van het lichaam vertegenwoordigen of de categorie(ën) uiteindelijke belangen van een entiteit die in totaal een meerderheid van het totale aantal stemmen en de waarde van de entiteit vertegenwoordigen;
- d. twee personen zijn „verbonden personen” indien een van hen direct of indirect ten minste 50 procent bezit van het uiteindelijke belang in de ander (of, in het geval van een lichaam, ten minste 50 procent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam) of indien een andere persoon direct of indirect ten minste 50 procent bezit van het uiteindelijke belang (of, in het geval van een lichaam, ten minste 50 procent van het totale aantal stemmen en van de waarde van de aandelen van het lichaam) in elke persoon. In elk geval is een persoon verbonden met een andere persoon indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft over de andere of dat ze beide onder zeggenschap staan van dezelfde persoon of personen;
- e. betekent het begrip „gelijkwaardige gerechtigde” (equivalent beneficiary) elke persoon die ter zake van een inkomensbestanddeel gerechtigd zou zijn tot de voordelen die door een verdragsluitende staat ingevolge de nationale wetgeving van die verdragsluitende staat, ingevolge dit Verdrag, of ingevolge elk ander internationaal verdrag worden toegekend, en die gelijkwaardig zijn aan, of gunstiger zijn dan, de voordelen die ingevolge dit Verdrag ter zake van dat inkomensbestanddeel dienen te worden toegekend. Om te bepalen of een persoon een gelijkwaardige gerechtigde is ter zake van dividenden die door een lichaam worden ontvangen, wordt de persoon geacht een lichaam te zijn en hetzelfde kapitaal te bezitten in het lichaam dat de dividenden betaalt als het kapitaal dat in het bezit is van het lichaam dat aanspraak maakt op de voordelen ter zake van de dividenden;
- f. betekent het begrip „disproportionele categorie aandelen” elke categorie aandelen van een lichaam dat of entiteit die inwoner is van een van de verdragsluitende staten die de aandeelhouder recht geven op een onevenredig hoger aandeel, door middel van dividenden, afkoopsommen of op andere wijze, van het inkomen dat in de andere verdragsluitende staat wordt gegenereerd door bepaalde activa of activiteiten van het lichaam;
- g. is de „voornaamste plaats van een lichaam of entiteit waar leiding wordt gegeven en toezicht wordt uitgeoefend” alleen gelegen in de verdragsluitende staat waarvan hij of zij inwoner is:
- i. indien uitvoerende bestuurders en senior managers van het lichaam of de entiteit de dagelijkse verantwoordelijkheid voor meer van de strategische, financiële en operationele besluitvorming voor het lichaam en zijn of de entiteit en haar directe en indirecte dochterondernemingen in die staat dan in enige andere staat dragen en het personeel van deze personen de dagelijkse werkzaamheden die noodzakelijk zijn ter voorbereiding van deze besluiten meer in die verdragsluitende staat verrichten dan in enige andere staat; en
- ii. indien dergelijke uitvoerende bestuurders en senior managers de dagelijkse verantwoordelijkheid voor meer van de strategische, financiële en operationele besluitvorming voor het lichaam en zijn of de entiteit en haar directe en indirecte dochterondernemingen dragen en het personeel van deze personen meer van de dagelijkse werkzaamheden die noodzakelijk zijn ter voorbereiding van deze besluiten verrichten, dan de bestuurders of het personeel van een ander lichaam of andere entiteit;
- h. betekent het begrip „gekwalificeerde tussenliggende eigenaar” een tussenliggende eigenaar die ofwel:
- i. een inwoner van een staat is die met de verdragsluitende staat waaruit een voordeel krachtens dit Verdrag wordt gevraagd, een alomvattend verdrag tot het vermijden van dubbele belasting heeft; of
- ii. een inwoner van dezelfde verdragsluitende staat is als het lichaam dat de toets uit hoofde van het tweede lid, onderdeel d, of het vierde lid toepast om te bepalen of het in aanmerking komt voor voordelen krachtens het Verdrag;
- i. betekent het begrip „getoetste groep” de inwoner van een verdragsluitende staat die de toets uit hoofde van het tweede lid, onderdeel d, van dit artikel of uit hoofde van het vierde of vijfde lid van dit artikel toepast om te bepalen of hij in aanmerking komt voor voordelen krachtens het Verdrag (de „getoetste inwoner”), en elk lichaam dat of elke vaste inrichting die:
- i. deelneemt als een lid samen met de getoetste inwoner in een regime voor belastingconsolidatie, van fiscale eenheid of een soortgelijke regeling dat of die van leden van de groep vereist dat zij winsten of verliezen delen; of
- ii. verliezen deelt met de getoetste inwoner ingevolge een horizontale verliesverrekening of ander regime waarbij verliezen gedeeld worden in het relevante belastingtijdvak;
- j. betekent het begrip „bruto-inkomen” bruto-ontvangsten zoals bepaald in de verdragsluitende staat waarvan de persoon inwoner is voor het belastingtijdvak waaronder het tijdstip valt waarop het voordeel zou worden toegekend, met dien verstande dat wanneer een persoon betrokken is bij de uitoefening van een bedrijf dat de vervaardiging, productie of verkoop van goederen omvat, „bruto-inkomsten” deze bruto-ontvangsten betekent verminderd met de kosten van de verkochte goederen, en dat wanneer een persoon betrokken is bij de uitoefening van een bedrijf waarbij niet-financiële diensten worden geleverd, „bruto-inkomen” dergelijke bruto-ontvangsten betekent verminderd met de directe kosten van het genereren van dergelijke ontvangsten, op voorwaarde dat:
- i. behalve wanneer relevant voor het vaststellen van voordelen uit hoofde van artikel 10 van dit Verdrag, dit bruto-inkomen niet het deel van mogelijke dividenden omvat die effectief zijn vrijgesteld in de verdragsluitende staat waarvan de persoon inwoner is, door aftrek of anderszins; en
- ii. behalve met betrekking tot het deel van mogelijk dividend dat belastbaar is, het bruto-inkomen van een getoetste groep geen rekening houdt met transacties tussen lichamen binnen de getoetste groep.
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen in onderling overleg de wijze van toepassing van dit artikel regelen.
Niettegenstaande de overige bepalingen van dit Verdrag, wordt een voordeel uit hoofde van dit Verdrag niet toegekend met betrekking tot een inkomensbestanddeel indien, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het verkrijgen van dat voordeel een van de voornaamste doelen was van een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat het toekennen van dat voordeel in die omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het voorwerp en doel van de relevante bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 28. Territoriale toepasselijkheid en uitbreiding
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Curaçao.
Dit Verdrag kan, hetzij in zijn geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot elk ander deel van het Koninkrijk der Nederlanden, indien het desbetreffende deel belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Een dergelijke uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.
De beëindiging van het Verdrag brengt niet met zich mee dat tevens de uitbreiding van het Verdrag tot enig deel waartoe het ingevolge dit artikel is uitgebreid, wordt beëindigd, noch brengt de beëindiging van een dergelijke uitbreiding de beëindiging van dit Verdrag met zich mee, tenzij anderszins bepaald in de kennisgeving van beëindiging.
Artikel 29. Inwerkingtreding
De verdragsluitende staten stellen elkaar er langs diplomatieke weg van in kennis dat aan alle wettelijke vereisten voor de inwerkingtreding van dit Verdrag is voldaan.
Dit Verdrag treedt in werking op de laatste dag van de eerste maand na de datum van ontvangst van de laatste in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgevingen, en de bepalingen ervan zijn van toepassing:
- a. met betrekking tot geheven belastingen, op bedragen die op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt zijn geïnd; en
- b. met betrekking tot de andere belastingen naar het inkomen, op belastingen die betrekking hebben op belastingtijdvakken op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt.
Artikel 30. Beëindiging
Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een verdragsluitende staat wordt beëindigd. Elk van de verdragsluitende staten kan het Verdrag niet eerder dan tien jaar na de inwerkingtreding ervan langs diplomatieke weg beëindigen, door daarvan ten minste zes maanden voor het einde van het kalenderjaar kennis te geven. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn:
-
- met betrekking tot geheven belastingen, op bedragen die op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan zijn geïnd; en
-
- met betrekking tot de andere belastingen naar het inkomen, op belastingen die betrekking hebben op belastingtijdvakken op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto, have signed this Convention.
DONE at San Marino this twentieth day of November 2023, in duplicate, in the Dutch, Italian and English languages, all texts being equally authentic. In case of divergence of interpretation the English text shall prevail.
For the Kingdom of the Netherlands,
J.F.A. SILVANIA
For the Republic of San Marino,
L. BECCARI
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)