Wet van 28 december 1935, houdende voorschriften betreffende de hoedanigheid en aanduiding van waren

Type Wet
Publication 2025-07-12
State In force
Source BWB
artikelen 78
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is in verband met de huidige omstandigheden gewijzigde wettelijke voorschriften vast te stellen ter bevordering van de goede hoedanigheid van waren, en regelen vast te stellen betreffende de aanduiding van waren;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van hetgeen geschiedt in de sfeer van de particuliere huishouding of van een daarmee bij algemene maatregel van bestuur gelijkgestelde andere huishouding, met dien verstande dat bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van technische voortbrengselen anders kan worden bepaald.

3.

Deze wet is ten aanzien van het voorhanden of in voorraad hebben van een waar niet van toepassing indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de waar niet voor aflevering en indien het een technisch voortbrengsel betreft, tevens niet voor gebruik bestemd is. Voorts is deze wet ten aanzien van het afleveren van een waar niet van toepassing indien aannemelijk kan worden gemaakt dat het afleveren geschiedt ter vernietiging van de waar of om de waar in overeenstemming te brengen met regels, bij of krachtens deze wet met betrekking tot die waar gesteld.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels kunnen een beperking inhouden tot daarbij omschreven categorieën van gevallen. Met betrekking tot het verhandelen van waren kunnen zij eveneens een beperking inhouden tot een of meer der in het eerste lid als verhandelen aangemerkte handelingen.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van verplichtingen voortvloeiende uit een internationaal verdrag voorts krachtens deze wet gestelde regels, bij de maatregel aangegeven, ten aanzien van waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, of voor bij de maatregel omschreven categorieën van gevallen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard. Van de plaatsing van de algemene maatregel van bestuur wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 2

1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 2a in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 2a

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Onze Minister van Defensie kan gebieden aanwijzen, waarin deze wet niet van toepassing is op voor militair gebruik bestemde waren.

Artikel 3

1.

Met betrekking tot waren kunnen ter uitvoering van de artikelen 1a en 4 tot en met 9, regels worden gesteld:

2.

Met betrekking tot producten, als bedoeld in artikel 3, onder punt 2, van richtlijn (EU) 2019/882, kunnen ter uitvoering van die richtlijn regels gesteld worden in het belang van de toegankelijkheid van die producten.

Artikel 4

1.

Ten behoeve van het weren van waren

kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te bereiden, te vervaardigen, te verhandelen of voor een bij het verbod aangegeven doel te verwerken of te bezigen, die niet voldoen aan de eisen, bij de maatregel gesteld met betrekking tot hun samenstelling of uitvoering of met betrekking tot hun hoedanigheid of eigenschappen.

2.

De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor wat betreft technische voortbrengselen onder meer betrekking hebben op:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan in de in het eerste lid aangegeven gevallen ten aanzien van technische voortbrengselen tevens het gebruik daarvan worden verboden.

4.

Met betrekking tot eet- of drinkwaren die een wezenlijk onderdeel van het gangbare voedingspakket uitmaken, kan bij algemene maatregel van bestuur aan het eerste lid overeenkomstige toepassing worden gegeven ter bevordering van de aanwezigheid in die waren van uit het oogpunt van gezondheid belangrijke voedingsstoffen. Bij zodanige maatregel wordt tevens voorzien in een vrijstelling voor de betrokken eet- of drinkwaren waarin de desbetreffende voedingsstoffen niet of in geringere mate aanwezig zijn, onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan bij die maatregel gestelde voorschriften met betrekking tot het bezigen van vermeldingen of voorstellingen betreffende de afwezigheid of de geringere mate van aanwezigheid van de desbetreffende voedingsstoffen.

5.

In de gevallen waarin ter zake van het verwerken of bezigen van een waar een krachtens het eerste of vierde lid gesteld verbod geldt, is het tevens verboden die waar voorhanden of in voorraad te hebben. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de waar niet voor een met het gestelde verbod strijdige toepassing bestemd is.

6.

Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid, wordt alvorens de voordracht wordt gedaan, aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen vanaf de dag, waarop de overlegging is geschied kan door een der Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers de wens worden te kennen gegeven dat het in het ontwerp te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 5

1.

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a, b en c, en vierde lid, kan voorts bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren, behorende tot een bij de algemene maatregel aangewezen categorie, te bereiden, te vervaardigen, te behandelen, te bewerken, te verwerken, te verpakken, te bewaren, te vervoeren te verhandelen of te gebruiken:

2.

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en b, kan ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen technische voortbrengselen, tevens bij algemene maatregel van bestuur worden verboden die technische voortbrengselen te gebruiken, te installeren, te monteren, te herstellen, te onderhouden, na te zien of ten toon te stellen:

3.

Onze Minister kan in gevallen waarin bij toepassing van het eerste lid, onder b, de bevoegdheid tot verlening van vergunning is toegekend aan een ander bestuursorgaan, niet zijnde een of meer van Onze Ministers, ten aanzien van de uitoefening van die bevoegdheid regels stellen.

4.

Een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan slechts worden geweigerd indien gegronde vrees bestaat dat de uitoefening van de werkzaamheid waarvoor zij is gevraagd, niet zal voldoen aan hetgeen met betrekking tot de onderwerpen, in het eerste lid, onder a, en het tweede lid, omschreven, voor de in de aanhef van die leden bedoelde doeleinden moet worden verlangd. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, betrekking hebbende op de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, kan een verleende vergunning worden gewijzigd of ingetrokken.

5.

Bij toepassing van het eerste lid, onder b, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld betreffende de wijze waarop de aanvrage om een vergunning dient te geschieden, en de gegevens die van de aanvrager kunnen worden verlangd.

6.

In gevallen waarin toepassing is gegeven aan het eerste of het tweede lid, kan bij algemene maatregel van bestuur tevens worden verboden waren te verhandelen, met betrekking tot welke in afwijking van de bij of krachtens de voorgaande leden gestelde voorschriften is gehandeld.

Artikel 6

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, kan eveneens bij algemene maatregel van bestuur worden verboden:

Artikel 7

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden technische voortbrengselen, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, te verhandelen of te gebruiken, indien ten aanzien van die technische voortbrengselen bij of krachtens die maatregel voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen.

Artikel 8

1.

Ten behoeve van de duidelijkheid voor de afnemers van waren kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan zich tevens uitstrekken tot het gebruik van technische voortbrengselen.

Artikel 9

Voor de doeleinden, omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a en b, en in artikel 8, aanhef, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie:

Artikel 10

De krachtens de artikelen 1a en 4 tot en met 9 ten aanzien van waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, gestelde eisen of voorschriften kunnen betrekking hebben op een bij die maatregel omschreven groep van waren.

Artikel 11

1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat degenen die zich bezighouden met het verhandelen van waren, behorende tot een daartoe bij de maatregel aangewezen categorie, verplicht zijn de daarbij omschreven maatregelen te treffen, strekkende ter bevordering van een goede naleving van het ten aanzien van die waren bij of krachtens deze wet bepaalde. Tot deze maatregelen kunnen behoren het onderwerpen van waren aan een onderzoek, het toetsen van waren aan de hand van een onderzoek van uit die waren genomen steekproeven, al dan niet met toepassing van een erkend bedrijfscontrole-systeem, het voeren van een administratie en het aanbrengen of het aangebracht houden van kentekens of vermeldingen ten behoeve van een doelmatig toezicht dan wel een doelmatige douanecontrole als bedoeld in de Algemene douanewet op bedoelde naleving, een en ander overeenkomstig de voorschriften, bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent gesteld.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het degene voor wie een krachtens het eerste lid gestelde verplichting geldt, verboden is waren te verhandelen, ten aanzien waarvan de vereiste maatregelen niet zijn genomen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald, dat het degene voor wie krachtens het eerste lid de verplichting geldt tot het toetsen van waren aan de hand van een onderzoek van een uit die waren genomen steekproef, is verboden waren met betrekking waartoe bij zodanige toetsing een ongunstig resultaat wordt verkregen, te verhandelen, dan wel te verhandelen alvorens ten aanzien van die waren de maatregelen zijn genomen die bij die algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven.

4.

Bij een algemene maatregel van bestuur, waarbij met toepassing van het eerste lid de verplichting is opgelegd tot het toetsen van waren met toepassing van een erkend bedrijfscontrolesysteem, worden regelen gesteld omtrent de aanvrage tot erkenning van een zodanig systeem, de hoogte van het bedrag dat voor de werkzaamheden, voortvloeiende uit de behandeling van de aanvrage, is verschuldigd, de betaling van dat bedrag, de wijze van mededeling van een besluit inzake erkenning en omtrent de weigering of intrekking van een erkenning. Bij een zodanige maatregel kan aan Onze Minister de bevoegdheid of de verplichting worden opgelegd de instantie aan te wijzen die de erkenning van een bedrijfscontrolesysteem kan verlenen en intrekken.

5.

Bij een algemene maatregel van bestuur waarbij met toepassing van het eerste lid de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen of het aangebracht houden van kentekens of vermeldingen, kan worden bepaald dat het verboden is waren die niet behoren tot de categorie waarop de kentekens of vermeldingen moeten zijn aangebracht, te verhandelen met gebruikmaking van die - of daarop gelijkende - kentekens of vermeldingen.

Artikel 12

Bij algemene maatregel van bestuur kan een daartoe omschreven methode van onderzoek worden aangewezen, die bij uitsluiting beslissend is voor de vaststelling of met betrekking tot een waar, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, al dan niet is voldaan aan bij of krachtens deze wet gestelde regels, bij de maatregel aangegeven.

Artikel 13

1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld ter uitvoering van een met betrekking tot waren tot stand gekomen bindend besluit van de Europese Unie dat betrekking heeft op een van de in artikel 3, eerste lid, bedoelde belangen alsmede het bijkomende belang van de bescherming van het milieu.

2.

De bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd in verband met aanpassingen van verwijzingen naar bindende EU-rechtshandelingen of onderdelen daarvan, voor zover de aanpassingen niet inhoudelijk van aard zijn.

Artikel 13a

1.

Ter uitvoering van een met betrekking tot waren tot stand gekomen bindend besluit van de Europese Unie, kan Onze Minister, voor zover van toepassing in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, op aanvraag een instantie aanwijzen die belast zal zijn met:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan worden gegeven, geschorst, ingetrokken dan wel gewijzigd.

3.

Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

4.

Op de ingevolge het eerste lid aangewezen instantie is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald.

Artikel 14

Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1a of de artikelen 4 tot en met 13a kan worden bepaald dat Onze Minister, met betrekking tot onderwerpen die in de maatregel zijn geregeld, nadere regels kan dan wel moet stellen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat het stellen van zodanige regels geschiedt in overeenstemming met een of meer van Onze daarbij aangewezen andere Ministers, dan wel door Onze daarbij aangewezen Ministers gezamenlijk.

Artikel 15

1.

In gevallen waarin een spoedige voorziening krachtens de artikelen 1 of 1a, dan wel krachtens de artikelen 4 tot en met 14 in het belang van de volksgezondheid of de veiligheid en indien het technische voortbrengselen betreft tevens in het belang van de gezondheid van de mens of de veiligheid van zaken, dan wel op grond van een regeling als bedoeld in artikel 13 zo dringend geboden is dat de totstandkoming van een daartoe strekkende algemene maatregel van bestuur niet kan worden afgewacht, kan Onze Minister ter zake bij ministeriële regeling voorlopig geldende regels stellen en daarbij bepalingen van op die artikelen berustende algemene maatregelen van bestuur zo nodig buiten toepassing verklaren.

2.

Het besluit vervalt een jaar nadat het in werking is getreden, of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van dat besluit in werking is getreden, op het tijdstip waarop de maatregel in werking treedt. De termijn kan door Onze Minister eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.

Artikel 16

1.

Onze Minister kan met betrekking tot waren, behorende tot een bij zijn besluit aangewezen categorie, van regels, geldende ingevolge toepassing van artikel 1a of van de artikelen 4 tot en met 15, vrijstelling verlenen.

2.

Door Onze Minister kan voorts met betrekking tot waren, behorende tot een bij het desbetreffende besluit aangewezen categorie, van zodanige regels op aanvrage ontheffing worden verleend. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid tot verlening van ontheffing in bij de maatregel omschreven categorieën van gevallen aan een ander bestuursorgaan worden overgedragen. Onze Minister kan ten aanzien van de uitoefening van een aldus overgedragen bevoegdheid regels stellen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid. Aan de aanvrager van een ontheffing kunnen de kosten ten laste worden gebracht die samenhangen met de aanvraag om ontheffing.

4.

De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat:

5.

Een vrijstelling of ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een verleende vrijstelling of ontheffing kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken.

6.

Tot de voorschriften die aan een ontheffing worden verbonden, kan een voorschrift behoren, inhoudende dat de houder van de ontheffing verplicht is bij het verhandelen van waren waarvoor de ontheffing geldt, op of bij de waar of op haar verpakking ten behoeve van degenen die haar verder verhandelen, aanwijzingen op te nemen met betrekking tot het bewaren, vervoeren of behandelen van de waar.

Artikel 17

1.

De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 16, tweede lid, is verplicht bij het verhandelen van waren waarvoor de ontheffing geldt, op of bij de waar of op haar verpakking een vermelding met betrekking tot het besluit waarbij de ontheffing werd verleend, te plaatsen. Ingeval bij het verlenen van de ontheffing toepassing is gegeven aan artikel 16, zesde lid, is hij voorts verplicht zulks bij de aldaar bedoelde aanwijzingen te vermelden.

2.

Voor degenen die waren waarvoor een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 16, verder verhandelen, geldt met betrekking tot die waren vrijstelling van de voorschriften waarvan de ontheffing is verleend.

3.

Degenen die waren waarvoor een ontheffing is verleend, verder verhandelen, zijn verplicht ervoor zorg te dragen dat op of bij zodanige waren of op haar verpakking een vermelding met betrekking tot het besluit waarbij de ontheffing werd verleend, is geplaatst. Ingeval bij het verlenen van de ontheffing toepassing is gegeven aan artikel 16, zesde lid, zijn zij voorts verplicht de aldaar bedoelde aanwijzingen in acht te nemen.

4.

Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de in het eerste en derde lid bedoelde vermeldingen.

Artikel 18

1.

Onverminderd het bij of krachtens de voorgaande artikelen bepaalde is het verboden:

2.

Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op producten die onder Verordening (EU) 2023/988 vallen.

Artikel 19

1.

Het is een ieder voorts verboden waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, te verhandelen met gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met betrekking tot de veiligheid van de waar of de uitwerking van de waar op de gezondheid van de mens, die, doordat zij onjuist zijn of een onjuiste indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat de veiligheid of gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht.

2.

Onverminderd het eerste lid is het verboden technische voortbrengselen te verhandelen met gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met betrekking tot de uitwerking van het technisch voortbrengsel op de veiligheid van zaken die, doordat zij onjuist zijn of een onjuiste indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat die veiligheid in gevaar wordt gebracht.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vermeldingen of voorstellingen worden aangewezen, die in elk geval worden beschouwd als vermeldingen of voorstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 20

1.

Het is een ieder verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf een waar aan te prijzen op een wijze waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij strijdig is met het ter zake van het verhandelen van die waar, met betrekking tot het daarbij bezigen van aanduidingen, vermeldingen of voorstellingen, krachtens artikel 8, eerste lid, onder a tot en met e, bepaalde.

2.

Het is een ieder voorts verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, aan te prijzen met gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met betrekking tot de veiligheid van de waar of de uitwerking van de waar op de gezondheid van de mens, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat zij, doordat zij onjuist zijn of een onjuiste indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat de veiligheid of gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht.

3.

Onverminderd het tweede lid is het verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf technische voortbrengselen aan te prijzen met gebruikmaking van vermeldingen of voorstellingen met betrekking tot de uitwerking van het technisch voortbrengsel op de veiligheid van zaken, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat zij, doordat zij onjuist zijn of een onjuiste indruk wekken, tot gevolg kunnen hebben dat die veiligheid in gevaar wordt gebracht.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vermeldingen of voorstellingen worden aangewezen, die in elk geval worden beschouwd als vermeldingen of voorstellingen, bedoeld in het tweede of derde lid.

5.

Ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de mens, alsmede ter uitvoering van internationale verplichtingen kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden waren, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, met betrekking waartoe krachtens artikel 8, eerste lid, onder a tot en met e, voorschriften zijn gegeven, in de uitoefening van een beroep of bedrijf op een bij de maatregel aangewezen wijze aan te prijzen, anders dan met gebruikmaking van bij de maatregel aangewezen aanduidingen, vermeldingen of voorstellingen.

Artikel 21

1.

Indien waren naar het oordeel van Onze Minister gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens, of indien het technische voortbrengselen betreft, tevens gevaar opleveren voor de veiligheid van zaken, kan hij met het oog op de bescherming van die belangen degene die de waar of het voortbrengsel verhandelt of heeft verhandeld, gelasten om de houders dan wel de vermoedelijke houders van die waar onverwijld en op doeltreffende wijze op de hoogte te stellen van het gevaar. Degene tot wie de last is gericht, geeft daaraan onverwijld gevolg.

2.

Indien waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, naar het oordeel van Onze Minister gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens, of gevaar opleveren voor de veiligheid van zaken, kan hij met het oog op de bescherming van die belangen degene die de waar verhandelt of heeft verhandeld, gelasten de verhandeling daarvan te staken dan wel al de noodzakelijke maatregelen te treffen om die waar terug te nemen. Degene tot wie de last is gericht, geeft daaraan onverwijld gevolg.

3.

Het niet uitvoeren van een door Onze Minister gegeven last als bedoeld in het tweede lid is een misdrijf.

4.

Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op producten die onder Verordening (EU) 2023/988 vallen.

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

1.

Een tatoeage of piercing, anders dan in een oorlel, wordt niet aangebracht bij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en bij het aanbrengen van de tatoeage of piercing wordt vergezeld van zijn wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan de naleving van bij of krachtens dit artikel gestelde regels, als voorschrift worden verbonden aan een vergunning, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder 2°, onderdeel b.

5.

Het aanprijzen van het aanbrengen van een tatoeage of piercing is verboden, tenzij:

Artikel 25

1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, van het bepaalde bij of krachtens bindende EU-rechtshandelingen die bij of krachtens deze wet zijn geïmplementeerd of van het bepaalde bij of krachtens deze wet met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van waren zijn belast:

2.

Onze Minister regelt in overeenstemming met Onze betrokken Ministers de taakverdeling tussen de ambtenaren, behorende tot de onderscheidene in het eerste lid bedoelde categorieën, en de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet.

3.

Bij de taakverdeling, bedoeld in het tweede lid, kan tevens worden bepaald op welke wijze het toezicht dan wel de douanecontrole wordt uitgeoefend. De wijze waarop het toezicht dan wel de douanecontrole wordt uitgeoefend kan inhouden dat de toezichthouder onderscheidenlijk de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet, op door Onze Minister vast te stellen tijdstippen en in door hem vast te stellen gevallen, onderzoek doet naar de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels en in daarbij aan te geven gevallen rapporteert aan door Onze Minister aan te wijzen personen of instanties.

4.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

5.

De minister die op grond van artikel 21c bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen, komt de bevoegdheid toe, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, voor zover het betreft de bij die maatregel aangewezen waren en voor zover die waren in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt. In het geval op grond van artikel 21c een ander bestuursorgaan is aangewezen, kan in afwijking van het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat door een andere minister dan Onze Minister ten aanzien van de waren, bedoeld in de eerste volzin, de onder dat bestuursorgaan ressorterende ambtenaren met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 21b worden belast. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26

1.

Van elke krachtens artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht onderzochte zaak, wordt aan de belanghebbende op diens verzoek een vergoeding gegeven ter grootte van het bedrag waarmee haar verkoopwaarde ten gevolge van het onderzoek is verminderd.

2.

Onze Minister kan ten aanzien van het bepaalde in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover van belang voor deze wet, en ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid regels stellen.

Artikel 27

1.

De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd technische voortbrengselen te beproeven, te onderzoeken, te doen beproeven of te doen onderzoeken. Onze Minister kan schriftelijk herstelling of behandeling binnen een daarbij vast te stellen termijn van het technische voortbrengsel gelasten of besluiten dat een voor een technisch voortbrengsel afgegeven certificaat van goedkeuring of overeenstemming of een op een technisch voortbrengsel aangebracht merk van goedkeuring of overeenstemming zijn geldigheid verliest indien bij een beproeving of onderzoek blijkt dat het voortbrengsel niet aan de krachtens deze wet gestelde regels voldoet. De in artikel 25 bedoelde ambtenaar brengt ten bewijze van de afkeuring een merk van afkeuring aan op het technische voortbrengsel. Een krachtens de tweede zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene aan wie hij is gesteld.

2.

Het is verboden een op een technisch voortbrengsel aangebracht merk van afkeuring te verwijderen, te beschadigen of onleesbaar te maken. Dit verbod geldt niet ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.

3.

Overtreding van het verbod, bedoeld in het tweede lid, is een misdrijf.

Artikel 28

De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen der personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bedenkingen te hebben.

Artikel 29

De in artikel 25 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover deze bevoegdheid strekt tot het zich begeven naar en het betreden van in de woning aanwezige bedrijfsruimten.

Artikel 30

1.

Onze Minister kan besluiten een technisch voortbrengsel buiten gebruik te stellen indien het gebruik van dat voortbrengsel gevaar oplevert of indien de op grond van artikel 7 voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures niet in acht zijn genomen dan wel de documenten die krachtens artikel 5, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, voor het gebruik zijn vereist, niet aanwezig zijn. De in artikel 25 bedoelde ambtenaar verzegelt het technische voortbrengsel ten bewijze van de buitengebruikstelling.

2.

Onze Minister besluit tot opheffing van de buitengebruikstelling indien het gevaar is weggenomen, de buitengebruikstelling ongegrond is gebleken of indien de in artikel 7 voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures in acht zijn genomen dan wel de documenten die krachtens artikel 5, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, voor het gebruik zijn vereist, aanwezig zijn.

3.

Het is verboden een technisch voortbrengsel te gebruiken dat op grond van het eerste lid buiten gebruik is gesteld.

4.

Overtreding van het verbod, bedoeld in het derde lid is, een misdrijf.

Artikel 31

1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat, ingeval aan artikel 10 toepassing is gegeven of in andere bij die maatregel aangewezen categorieën van gevallen, de krachtens artikel 25 aangewezen ambtenaren volgens bij of krachtens die maatregel gestelde regels aan de hand van een onderzoek van een deel, dat als steekproef is genomen uit een bij die maatregel omschreven groep of partij waren, kunnen vaststellen of die groep of partij voldoet aan de bij die maatregel aangewezen eisen of voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 1a en 4 tot en met 9.

2.

Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval regels gegeven omtrent de grootte van de steekproef, de maatstaven aan de hand waarvan de uitslag van het onderzoek van de steekproef als gunstig of ongunstig voor de betrokken groep of partij wordt aangemerkt, en omtrent de mededeling van de voor de betrokken groep of partij vastgestelde uitslag van het onderzoek dat met toepassing van het krachtens het eerste lid bepaalde is verricht, aan degene die bij het nemen van de steekproef alle tot die steekproef behorende waren onder zich had, en omtrent de wijze waarop die mededeling wordt gedaan.

3.

Bij een maatregel als in het eerste lid bedoeld kunnen tevens regels worden gesteld:

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat, ingeval met toepassing van het krachtens het eerste lid bepaalde wordt vastgesteld, dat de betrokken groep of partij waren niet aan de bij die maatregel aangewezen eisen of voorschriften, bedoeld in het eerste lid voldoet:

Artikel 32

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 32a

1.

Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1a, 4 tot en met 7, 8 tot en met 11, 13 tot en met 20, 21b, 24, 26, 27, eerste lid, laatste volzin, en tweede lid, 31, 32c of 32k.

2.

De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedraagt.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien:

Artikel 32b

1.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de daarvoor op te leggen boete bepaalt, waarbij de hoogte van het bedrag mede gebaseerd kan worden op het aantal werknemers, de mate van verwijtbaarheid, de omzet of een gedeelte van de omzet van de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de boetehoogte wordt bepaald.

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt, indien de maatregel niet voortvloeit uit een bindend besluit van de Europese Unie, niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 32c

De ingevolge artikel 25 aangewezen ambtenaren zijn bevoegd ten dienste van het onderzoek een ieder staande te houden en te vorderen, dat hij zijn naam, voornamen, geboortedatum, geboortejaar, geboorteplaats en adres opgeeft.

Artikel 32d

1.

Een krachtens artikel 25, eerste lid, aangewezen ambtenaar is in afwijking van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdelen a, d en e, van Verordening (EU) 2019/1020.

2.

Voor het uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is een voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

3.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het tweede lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.

4.

Artikel 32e

1.

Een krachtens artikel 25, eerste lid, aangewezen ambtenaar is bevoegd om ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1020 en Verordening (EU) 2023/988, onder verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens met betrekking tot zijn identiteit en hoedanigheid, waren te verkrijgen en hieraan gerelateerde handelingen te verrichten voor zover dat voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Artikel 5:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2.

De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maakt daarvan een schriftelijk verslag op waarin diegene vermeldt:

Artikel 32f

Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing voor zover een krachtens artikel 25, eerste lid, aangewezen ambtenaar bijstand verleent aan een markttoezichtautoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van Verordening (EU) 2019/1020 uit een lidstaat van de Europese Unie op grond van de artikelen 22 en 23 van Verordening (EU) 2019/1020.

Artikel 32g

1.

Ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1020 en Verordening (EU) 2023/988 kan Onze Minister, indien er geen andere doeltreffende middelen voorhanden zijn om een ernstig risico als bedoeld in artikel 3, onderdeel 20, van Verordening (EU) 2019/1020, gevormd door een waar, of specifieke inhoud die verwijst naar een aanbod van een gevaarlijk product als bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van Verordening (EU) 2023/988, weg te nemen, een zelfstandige last opleggen aan:

2.

Degene tot wie een zelfstandige last als bedoeld in het eerste lid is gericht, handelt overeenkomstig die last. Het niet uitvoeren van de zelfstandige last is een misdrijf.

3.

Op grond van het eerste lid kan geen zelfstandige last worden opgelegd die leidt tot het blokkeren of filteren van internetverkeer.

4.

Voor een zelfstandige last als bedoeld in het eerste lid, is voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

5.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het vierde lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.

6.

Onze Minister maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in het eerste lid, bekend.

Artikel 32h

1.

Ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/988 kan Onze Minister een zelfstandige last opleggen aan marktdeelnemers, bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van Verordening (EU) 2023/988, om gevaarlijke producten, bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van Verordening (EU) 2023/988, uit de handel te nemen of terug te roepen, indien een marktdeelnemer verzuimt passende maatregelen te nemen. Degene tot wie de last is gericht, geeft daaraan onverwijld gevolg.

2.

Het niet uitvoeren van een door Onze Minister gegeven last als bedoeld in het eerste lid is een misdrijf.

Artikel 32i

Ten behoeve van het toezicht op het bepaalde in artikel 22 van Verordening (EU) 2023/988 is de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan de Autoriteit Consument en Markt voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taak.

Artikel 32j

Vervallen

Artikel 32k

1.

Onze Minister kan de verhandeling van waren, ten aanzien waarvan gerede aanwijzingen bestaan dat zij gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens, tijdelijk verbieden totdat het onderzoek bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 188 van Verordening (EU) nr. 952/2013 of artikel 1:24 van de Algemene douanewet met betrekking tot deze waren is afgerond.

2.

Onze Minister kan de bereiding, de vervaardiging, de behandeling, de bewerking, de verwerking, de verpakking of het vervoer van de in het eerste lid bedoelde waren tijdelijk verbieden, zodat deze waren het onderzoek bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 188 van Verordening (EU) nr. 952/2013 of artikel 1:24 van de Algemene douanewet kunnen ondergaan.

Artikel 32l

1.

Onze Minister kan de inbeslagneming van de in artikel 32k bedoelde waren gelasten.

2.

De ingevolge artikel 25 aangewezen ambtenaren zijn bevoegd tot inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid.

3.

Onze Minister wijst de locatie voor opslag van het inbeslaggenomene aan en bepaalt tevens de voorwaarden waaronder die opslag dient te geschieden.

Artikel 32m

1.

Onze Minister kan de vernietiging van gevaarlijk gebleken waren, gelasten.

2.

Onze Minister wijst de ambtenaren aan welke bevoegd zijn tot de vernietiging van de in het eerste lid bedoelde waren.

Artikel 32n

1.

De kosten verbonden aan de in artikel 32l bedoelde opslag en de in artikel 32m bedoelde vernietiging, zijn voor rekening van de overtreder.

2.

Onze Minister kan de in eerste lid bedoelde kosten invorderen bij dwangbevel.

Artikel 33

1.

Aan de aanvrager of de houder van de aanwijzing of erkenning, dan wel aan degene of degenen ten behoeve van wie de werkzaamheden worden verricht kunnen, voorzover dit niet reeds mogelijk is op grond van artikel 13b, de kosten ten laste worden gebracht die samenhangen met:

2.

De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat:

3.

Onze Minister kan de bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

Artikel 34

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Wij stellen vast op welk tijdstip deze wet in werking treedt. Op dat tijdstip vervalt de Warenwet (Stb. 1919, 581), zoals die wet is gewijzigd bij de wet van 29 juni 1925 (Stb. 308).

Artikel 37

Deze wet wordt aangehaald als: Warenwet.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1a

Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op:

Artikel 7a

1.

Onze Minister kan op aanvraag een of meerdere instellingen aanwijzen, die bevoegd zijn tot het uitvoeren van door hem aan te wijzen werkzaamheden ingevolge bij of krachtens deze wet voorgeschreven keurings- of beoordelingsprocedures.

2.

Een aangewezen instelling is bevoegd om met inachtneming van de door Onze Minister gegeven aanwijzingen, onderdelen van de door haar te verrichten werkzaamheden door anderen te doen verrichten.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan worden gegeven, geschorst, ingetrokken dan wel gewijzigd.

4.

Aan een aanwijzing krachtens het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

5.

Onze Minister kan voor de uitvoering van de in het eerste en tweede lid bedoelde werkzaamheden maximumtarieven vaststellen.

6.

Op de ingevolge het eerste lid aangewezen instellingen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald.

Artikel 7b

Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet door een krachtens artikel 7a aangewezen instelling.

Artikel 7c

1.

Een krachtens artikel 7a aangewezen instelling verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

2.

Een krachtens artikel 7a aangewezen instelling zendt Onze Minister jaarlijks een verslag betreffende de door de instelling krachtens de aanwijzing uitgevoerde werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden en de werkwijze in het afgelopen jaar. Onze Minister kan met betrekking tot dit verslag nadere regels stellen.

Artikel 7d

1.

Onze Minister kan een krachtens artikel 7a aangewezen instelling algemene aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taak.

2.

De instelling is gehouden overeenkomstig de aanwijzingen te handelen.

Artikel 7e

1.

Indien naar het oordeel van Onze Minister een krachtens artikel 7a aangewezen instelling de werkzaamheden, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, niet of niet naar behoren vervult, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2.

De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de instelling in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog haar werkzaamheden naar behoren uit te voeren.

Artikel 11a

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat de eigenaar of houder van bij de maatregel aangewezen technische voortbrengselen, verplicht is aangifte te doen van elke aanleg, opbouw of plaatsing van die technische voortbrengselen bij Onze Minister dan wel bij een door Onze Minister aangewezen instelling, met inachtneming van de bij die algemene maatregel van bestuur bepaalde termijnen.

Artikel 35

1.

Ten behoeve van het weren van producten die niet voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van richtlijn (EU) 2019/882, kan bij algemene maatregel van bestuur worden verboden producten, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie, in de handel te brengen, indien deze niet voldoen aan de eisen, bij die maatregel gesteld.

2.

De eisen, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 18a

1.

Waren die voldoen aan bij regeling van Onze Minister aangewezen normen, worden voor wat betreft de risico’s geregeld in die normen vermoed geen gevaren op te leveren als bedoeld in artikel 18, onder a.

2.

Onze Minister wijst bij regeling normen aan die Europese normen omzetten waarvan de referenties door de Europese Commissie bekend zijn gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.

Onze Minister kan bij regeling andere dan de in het tweede lid bedoelde normen aanwijzen.

Artikel 21a

1.

Onze Minister stelt de hem beschikbare informatie over de risico’s van waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, betreffende de veiligheid of de gezondheid van de consument aan het publiek beschikbaar, onverminderd de beperkingen die daarbij voor controles en onderzoek noodzakelijk zijn. Indien de informatie veiligheidskenmerken van producten betreft die gelet op de omstandigheden openbaar moeten worden gemaakt om de gezondheid en de veiligheid van consumenten te beschermen, is artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

2.

Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald op welke wijze de informatie, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar wordt gesteld.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op producten die onder Verordening (EU) 2023/988 vallen.

Artikel 21b

1.

Degene die waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, verhandelt of heeft verhandeld waarvan hij weet, of op grond van de hem ter beschikking staande gegevens beroepshalve behoort te weten, dat die waren een gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens, stelt Onze Minister daarvan onmiddellijk op de hoogte en deelt daarbij Onze Minister tevens mede welke maatregelen door hem zijn genomen ter bescherming van de genoemde belangen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de in het kader van de in het eerste lid genoemde verplichting te verstrekken informatie.

3.

Degene die waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, verhandelt of heeft verhandeld, verleent Onze Minister desgevraagd, en binnen het bestek van zijn activiteiten, medewerking bij de acties die ondernomen zijn om de risico’s van die waren te vermijden. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de wijze waarop die medewerking wordt verleend.

4.

Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op producten die onder Verordening (EU) 2023/988 vallen.

Artikel 21c

Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a, 21b, 32 of 32a kan bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van bij die maatregel aan te wijzen waren, niet zijnde eet- of drinkwaren, voor zover die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt, een andere minister dan Onze Minister of ander bestuursorgaan worden aangewezen.

Artikel 25a

1.

Onverminderd artikel 25 kunnen bij regeling van Onze Minister personen in dienst van een privaatrechtelijke rechtspersoon worden belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde met betrekking tot bij die regeling aan te wijzen categorieën van waren.

2.

De last tot het houden van toezicht als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden opgelegd aan personen in dienst van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en zonder winstoogmerk, mits die rechtspersoon in ieder geval ten doel heeft, door middel van het uitoefenen van toezicht, de goede hoedanigheid, veiligheid, verpakking, vorm en etikettering van een of meer waren te bevorderen.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de organisatie, werkwijze, statuten, reglementen en de benoeming van bestuurders van de rechtspersoon alsmede met betrekking tot de kosten van het toezicht, bedoeld in het eerste lid.

4.

Onze Minister kan in overeenstemming met Onze betrokken Ministers nadere regels stellen over de taakverdeling tussen de ambtenaren, behorende tot de onderscheidene in artikel 25, eerste lid bedoelde categorieën, en de personen, bedoeld in het eerste lid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)