Wet van 2 februari 1967, houdende overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake overgangsrecht met betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
- a. Wet: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- b. Interimwet invaliditeitsrentetrekkers: de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers, zoals deze wet luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij werd ingetrokken;
- c. Ongevallenwet 1921, Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en Zeeongevallenwet 1919: de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk de Zeeongevallenwet 1919, zoals deze wetten luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop zij werden ingetrokken;
- d. ongeval: een ongeval, in verband met de dienstbetrekking of de uitoefening van een verzekeringsplichtig bedrijf overkomen, als bedoeld in de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919, alsmede hetgeen in die wetten mede als ongeval, in verband met de dienstbetrekking overkomen, werd beschouwd, dan wel daarmede werd gelijkgesteld.
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt met lichamelijk letsel, gevolg van een ongeval, gelijkgesteld lichamelijk letsel in een betrekkelijk korte tijd ontstaan als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Ongevallenwet 1921 en artikel 2, vierde lid, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
Artikel 2
De beslissingen en verstrekkingen ingevolge deze wet worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften geacht beslissingen en verstrekkingen te zijn ingevolge de Wet.
De bepalingen van de Wet en van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, alsmede de uitvoeringsbesluiten van die wetten zijn met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert, en voor zover deze wet en haar uitvoeringsbesluiten daarvan niet afwijken, van kracht ten aanzien van de in deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vervatte regeling.
Hoofdstuk II. Arbeidsongeschiktheidsuitkering
§ 1. Arbeidsongeschiktheidsuitkering in aansluiting op bijslag ingevolge de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers
Artikel 3
Degene, die over de maand, voorafgaande aan de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, recht heeft op een bijslag als bedoeld in artikel 3 van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers en op genoemde dag ten minste 15% arbeidsongeschikt is, heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene, die over de in dat lid bedoelde maand geen recht heeft op een bijslag als daar bedoeld, uitsluitend in verband met het bepaalde bij of krachtens artikel 10, eerste lid, onder a, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers in verbinding met het derde lid, onder d, van dat artikel.
Artikel 4
Degene, die ter zake van invaliditeit, welke is ingetreden vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, eerst op of na die dag op grond van het bepaalde in artikel 1, onder c, dan wel artikel 2, eerste lid, onder a, b, c of d, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers als rentetrekker zou zijn aangemerkt, indien die wet niet zou zijn ingetrokken, heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, wanneer hij op het tijdstip, met ingang waarvan hij, indien de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn ingetrokken, als rentetrekker zou zijn aangemerkt, recht op bijslag als bedoeld in artikel 3 van die wet zou hebben gehad.
Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid blijft het bepaalde bij of krachtens artikel 10, eerste lid, onder a, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met het derde lid, onder d, van dat artikel, buiten beschouwing.
Het bepaalde in de vorige leden blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die op de dag met ingang van welke hij als rentetrekker zou zijn aangemerkt, aan deze wet een vóór die dag ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
Artikel 5
Bij toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in artikel 3 of 4 wordt het daaraan ten grondslag te leggen dagloon gesteld op het hoogste van de bedragen, welke worden verkregen door het produkt van 106/80, 106/65, 106/50 onderscheidenlijk 106/40 maal onderscheidenlijk de in artikel 5, onder a, b, c en d, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers bedoelde bedragen, zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld, te delen door 260.
Zolang degene, aan wie arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend op grond van het bepaalde in artikel 3 of 4, niet gehuwd, noch gehuwd geweest is en de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, wordt het in het vorige lid bedoelde dagloon, eventueel verhoogd of verlaagd overeenkomstig de artikelen 23, 24, 25 en 27 van deze wet en/of artikel 15 van de Wet, met 10% verminderd voor elk jaar of gedeelte daarvan, dat de betrokkene jonger is dan 23 jaar.
Onze Minister kan regelen stellen ingevolge welke kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van gehuwde vrouwen.
Artikel 6
Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend op grond of mede op grond van het bepaalde in artikel 3,4 of 12, recht heeft op een overheidspensioen of een uitkering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met het tweede en het derde lid, onder a, b, c, e, f, g en h, van dat artikel, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover deze het gezamenlijke bedrag van het overheidspensioen en de op dat pensioen verleende wettelijke toeslagen en bijslagen onderscheidenlijk het bedrag van de vorengenoemde uitkering, overtreft.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering mede verstaan de vakantie-uitkering als bedoeld in Hoofdstuk II, § 2a, van de Wet.
Het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend op grond of mede op grond van het bepaalde in artikel 3 of 4, doch zonder toepassing van artikel 12, recht heeft op een vóór de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingegaan weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het bedrag van het weduwenpensioen overtreft.
Indien artikel 30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet toepassing vindt, wordt voor de toepassing van het vorige lid als weduwenpensioen in aanmerking genomen het bedrag van het weduwenpensioen vóórdat de in artikel 30, eerste lid, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet voorziene vermindering heeft plaatsgevonden.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk weduwenpensioen tevens verstaan de vakantie-uitkering, waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk dat weduwenpensioen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen over dezelfde perioden zijn berekend.
Artikel 8
In de gevallen, waarin over een tijdvak, waarover reeds arbeidsongeschiktheidsuitkering is uitbetaald, naderhand pensioen of uitkering als bedoeld in artikel 6 of 7 wordt toegekend of een zodanig reeds toegekend pensioen of toegekende uitkering wordt verhoogd, kan hetgeen als gevolg van het bepaalde in die artikelen aan arbeidsongeschiktheidsuitkering teveel of ten onrechte is uitbetaald worden teruggevorderd dan wel in mindering worden gebracht op de nog uit te betalen bedragen aan pensioen of uitkering en de daarop verleende wettelijke toeslagen en bijslagen of op de later uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Indien na toepassing van artikel 6 of 7 blijkt, dat pensioen of uitkering, bedoeld in die artikelen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is uitbetaald, als gevolg waarvan alsnog arbeidsongeschiktheidsuitkering of meer arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden uitbetaald, kan hetgeen aan pensioen of uitkering ten onrechte of teveel is uitbetaald in mindering worden gebracht op de alsnog uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering of meerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk pensioen als bedoeld in artikel 7 tevens verstaan de vakantie-uitkering, welke uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk dat pensioen is verleend.
Artikel 9
Indien degene, die recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent dan wel mede ontleent aan artikel 3, 4 of 12, in het genot is van een invaliditeitsuitkering, ontleend aan artikel 59 bis van het op 31 december 1935 geldende reglement van het Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het bedrag van die invaliditeitsuitkering overtreft.
Aan degene, die recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent dan wel mede ontleent
hetzij aan artikel 3, terwijl hem het recht op bijslag als in dat artikel bedoeld was toegekend met toepassing van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers,
hetzij aan artikel 4 of 12, terwijl hij, indien de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn ingetrokken, op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van die wet als rentetrekker zou zijn aangemerkt,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze overtreft het bedrag, dat de invaliditeitsrente als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, en tweede lid, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers, in verbinding met artikel 8, eerste lid, onder b, en tweede lid, van die wet, geacht zou worden te bedragen, indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
Het bepaalde in de vorige leden blijft buiten toepassing, indien het Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg, onderscheidenlijk het fonds, waarin is ondergebracht een pensioenregeling ten aanzien waarvan een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 39 van de Invaliditeitswet, gebruik maakt van de in artikel 54, tweede lid, van de Liquidatiewet invaliditeitswetten gegeven bevoegdheid.
Artikel 10
Bij scheiding van tafel en bed, alsmede wanneer de echtgenoten duurzaam gescheiden leven, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aan de uitkeringsgerechtigde toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is toegekend op grond of mede op grond van het bepaalde in artikel 3, geheel of gedeeltelijk aan diens echtgenote onderscheidenlijk haar echtgenoot betaalbaar stellen.
Het bepaalde in het vorige lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering als bedoeld in hoofdstuk II, § 2a, van de Wet.
Artikel 11
Ten aanzien van degene, bedoeld in artikel 3, op wie het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers van toepassing was op de dag, voorafgaande aan die, met ingang waarvan die wet is ingetrokken, terwijl op eerstbedoelde dag de in het tweede lid van laatstgenoemd artikel gestelde termijn van acht weken nog niet was verstreken, wordt, zolang vorengenoemde termijn nog niet is verstreken en behoudens in het geval, dat artikel 28 van toepassing is, bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheid slechts in aanmerking genomen, voor zover zij voor de toepassing van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers bij de indeling in een invaliditeitsklasse reeds in aanmerking is genomen.
Behoudens in het geval dat artikel 28 van toepassing is, wordt, wanneer in de gevallen, bedoeld in het vorige lid, de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken acht weken heeft geduurd, bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid met de toegenomen arbeidsongeschiktheid rekening gehouden met ingang van de dag, met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
§ 2. Arbeidsongeschiktheidsuitkering in aansluiting op ziekengeld krachtens de Ziektewet of een daarmede overeenkomende uitkering
Artikel 12
Degene, wiens ziekengeld krachtens de Ziektewet ter zake van ongeschiktheid tot werken, welke is ingetreden vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, bij of na het in werking treden van genoemd artikel, anders dan door herstel van de geschiktheid tot werken,
- 1°. eindigt;
- 2°. zou zijn geëindigd, indien hij niet op grond van het bepaalde in artikel 1, onder c, in verbinding met artikel 1a, van de Ziektewet, in de artikelen 1, onder d,20 en 21 van die wet of de artikelen 1a of 1b van het Koninklijk besluit van 28 januari 1931 (Stb. 24) - zoals die bepalingen luidden op de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt - van de verzekering ingevolge de Ziektewet zou zijn uitgezonderd;
heeft, indien hij op de dag, volgende op die, waarop dat ziekengeld eindigt, onderscheidenlijk zou zijn geëindigd, ten minste 15% arbeidsongeschikt is, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Voor de toepassing van het in het vorige lid bepaalde wordt de betrokkene geacht nog aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet, indien hem in verband met het bepaalde in de artikelen 42 en 44 van die wet, dan wel in verband met het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, van de Wet overgangsregeling Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd.
Het bepaalde in het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die bij het intreden van de in dat lid bedoelde ongeschiktheid tot werken in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, van de Wet niet verzekerd zou zijn geweest, indien de Wet toen reeds in werking was geweest.
Het bepaalde in het eerste lid blijft voorts buiten toepassing ten aanzien van degene, die op de dag, volgende op die, waarop het in dat lid bedoelde ziekengeld eindigt of zou zijn geëindigd, aan deze wet een vóór eerstbedoelde dag ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent.
§ 3. Arbeidsongeschiktheidsuitkering in aansluiting op uitkering ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919
Artikel 13
Degene, die op de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 en die op laatstbedoelde dag dat recht zou hebben behouden indien die wetten niet zouden zijn ingetrokken, heeft, tenzij het recht op die uitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de Liquidatiewet ongevallenwetten blijft behouden dan wel overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van die wet wordt afgekocht, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 14
Degene, die op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten, geen recht meer heeft op een uitkering, ontleend aan artikel 4, 5 of 6 van die wet, heeft, tenzij het recht op die uitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van die wet wordt afgekocht, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 15
Degene, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 heeft, tenzij het recht op die uitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van de Liquidatiewet ongevallenwetten wordt afgekocht, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 16
Bij toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in artikel 13 wordt daaraan ten grondslag gelegd een dagloon ter hoogte van 6/5 maal het dagloon, waarnaar de in artikel 13 bedoelde uitkering was berekend.
Bij toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in artikel 14 of 15, dan wel terwijl artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten van toepassing is, wordt daaraan ten grondslag gelegd een dagloon ter hoogte van 6/5 maal het dagloon, dat aan de aan artikel 4, 5, 6 of 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten ontleende uitkering ingevolge die wet ten grondslag zou zijn gelegd zonder toepassing van artikel 8, vijfde lid, van die wet.
Artikel 17
Het in artikel 16, eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon wordt, indien het ongeval ter zake waarvan recht op uitkering werd ontleend aan artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, onderscheidenlijk aan artikel 4, 5, 6 of 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten, plaatsvond in een van de hierna genoemde tijdvakken, verhoogd tot het percentage van dat dagloon, hetwelk achter dat tijdvak is vermeld:
| vóór 1 januari 1932 | 603 |
|---|---|
| 1 januari 1932 tot 1 januari 1941 | 685 |
| 1 januari 1941 tot 1 januari 1943 | 584 |
| 1 januari 1943 tot 1 januari 1945 | 531 |
| 1 januari 1945 tot 1 januari 1946 | 445 |
| 1 januari 1946 tot 1 januari 1947 | 383 |
| 1 januari 1947 tot 1 januari 1949 | 349 |
| 1 januari 1949 tot 1 januari 1951 | 318 |
| 1 januari 1951 tot 1 januari 1952 | 283 |
| 1 januari 1952 tot 1 januari 1954 | 274 |
| 1 januari 1954 tot 1 april 1954 | 266 |
| 1 april 1954 tot 1 juli 1954 | 260 |
| 1 juli 1954 tot 1 oktober 1954 | 252 |
| 1 oktober 1954 tot 1 januari 1955 | 242 |
| 1 januari 1955 tot 1 oktober 1956 | 227 |
| 1 oktober 1956 tot 1 april 1957 | 214 |
| 1 april 1957 tot 1 juli 1957 | 205 |
| 1 juli 1957 tot 1 oktober 1957 | 199 |
| 1 oktober 1957 tot 1 januari 1958 | 195 |
| 1 januari 1958 tot 1 april 1960 | 185 |
| 1 april 1960 tot 1 juli 1960 | 183 |
| 1 juli 1960 tot 1 oktober 1960 | 177 |
| 1 oktober 1960 tot 1 januari 1961 | 173 |
| 1 januari 1961 tot 1 januari 1962 | 166 |
| 1 januari 1962 tot 1 januari 1963 | 159 |
| 1 januari 1963 tot 1 april 1963 | 154 |
| 1 april 1963 tot 1 juli 1963 | 151 |
| 1 juli 1963 tot 1 oktober 1963 | 148 |
| 1 oktober 1963 tot 1 maart 1964 | 146 |
| 1 maart 1964 tot 1 mei 1964 | 143 |
| 1 mei 1964 tot 1 juli 1964 | 140 |
| 1 juli 1964 tot 1 september 1964 | 136 |
| 1 september 1964 tot 1 oktober 1964 | 131 |
| 1 oktober 1964 tot 1 november 1964 | 128 |
| 1 november 1964 tot 1 december 1964 | 126 |
| 1 december 1964 tot 1 februari 1965 | 123 |
| 1 februari 1965 tot 1 april 1965 | 121 |
| 1 april 1965 tot 1 juli 1965 | 119 |
| 1 juli 1965 tot 1 november 1965 | 116 |
| 1 november 1965 tot 1 januari 1966 | 114 |
| 1 januari 1966 tot 1 april 1966 | 112 |
| 1 april 1966 tot 1 juli 1966 | 110 |
| 1 juli 1966 tot 1 oktober 1966 | 108 |
| 1 oktober 1966 tot 1 januari 1967 | 106 |
| 1 januari 1967 tot 1 april 1967 | 104 |
| 1 april 1967 tot 1 juli 1967 | 102 |
In de gevallen, waarin het dagloon, waarnaar de uitkering, welke werd ontleend aan artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, onderscheidenlijk aan artikel 4, 5, 6 of 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten, was berekend, werd vastgesteld met toepassing van het bepaalde bij artikel 7, lid 1a, van de Ongevallenwet 1921, artikel 7, lid 1a, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, zevende lid, tweede alinea, van de Zeeongevallenwet 1919, wordt voor de toepassing van het vorige lid het ongeval geacht te hebben plaatsgevonden op de dag, welke krachtens vorengenoemde bepalingen in aanmerking werd genomen als de dag, waarop de gevolgen van het ongeval zich opnieuw hebben geopenbaard.
Voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in de vorige leden wordt het in artikel 16, eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon ten hoogste gesteld op het in het eerste lid van artikel 9 der Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde maximum dagloon, eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 9a van die wet.
Artikel 18
Indien met ingang van een dag, gelegen na 1 oktober 1966, doch vóór de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, de wettelijke bijslagen op renten bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of op uitkeringen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, worden gewijzigd in verband met wijziging van het loonpeil, worden de in artikel 17, eerste lid, genoemde percentages bij algemene maatregel van bestuur dienovereenkomstig gewijzigd.
Artikel 19
Indien het in artikel 16, eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon, eventueel verhoogd ingevolge de artikelen 17 en 18, minder bedraagt dan het bedrag, dat als dagloon zou gelden, indien ten aanzien van de betrokkene het bepaalde bij artikel 5, eerste of tweede lid, toepassing zou vinden, wordt het dagloon verhoogd tot laatstbedoeld bedrag. Het bepaalde in de vorige volzin blijft buiten toepassing ten aanzien van de vrouw, die bij het in werking treden van artikel 19 van de Wet gehuwd is.
Artikel 20
De verhoging van het dagloon ingevolge het bepaalde in de artikelen 17, 18 en 19 vindt niet plaats ten aanzien van:
- a. degene, die op de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, niet binnen het Rijk woont;
- b. degene, die het recht op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk in artikel 4, 5, 6 of 7 van de Liquidatiewet ongevallenwetten, ontleent aan een vrijwillige verzekering ingevolge de Ongevallenwet 1921 of de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922.
Met inachtneming zoveel mogelijk van het beginsel der wederkerigheid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, dat het in het eerste lid, onder a, bepaalde geen toepassing vindt ten aanzien van bij die maatregel aan te wijzen personen, die op de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, op het grondgebied van een andere Mogendheid wonen.
Indien een persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a, op de dag, voorafgaande aan die, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers aanspraak heeft op een bijslag op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, wordt het in artikel 16, eerste en tweede lid, eerstbedoelde dagloon verhoogd met het voor die bijslag geldende percentage.
§ 4. Bepalingen aan meer dan één van de in de paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gemeen, alsmede garantiebepalingen
Artikel 21
Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3 geschiedt voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in artikel 20 van de Wet.
Artikel 22
Indien op grond van de regelen inzake dagloon, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens de Wet, meer dan één dagloon in aanmerking komt om aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te worden gelegd, wordt daaraan ten grondslag gelegd het hoogste van die daglonen.
Artikel 23
Indien met ingang van de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, ingevolge het bepaalde in artikel 6, tweede of derde lid, van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers herziening van de in die leden bedoelde bedragen zou hebben plaatsgevonden, indien laatstgenoemde wet niet zou zijn ingetrokken, worden de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde daglonen bij algemene maatregel van bestuur met ingang van vorenbedoelde dag herzien.
Bij de in het vorige lid bedoelde herziening worden de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde daglonen verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede het indexcijfer der lonen op de laatste dag van de maand, voorafgaande aan die, waarin artikel 19 van de Wet in werking treedt, afwijkt van het indexcijfer, waarop de laatstelijk vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
Artikel 15, zesde, elfde en twaalfde lid, van de Wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24
Indien het bepaalde in het eerste lid van het vorige artikel geen toepassing vindt, wordt voor de eerste maal, dat artikel 15 van de Wet, anders dan op grond van het bepaalde in het zevende lid van dat artikel, wordt toegepast, in het vierde lid van artikel 15 van de Wet met betrekking tot herziening van de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde daglonen in plaats van "het indexcijfer op de laatste dag van de maand, voorafgaande aan die, waarin artikel 19 in werking is getreden, onderscheidenlijk van het indexcijfer, waarop de laatste herziening is gebaseerd" gelezen: het indexcijfer, waarop de laatstelijk vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
Artikel 25
Indien met ingang van de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, artikel 15, zevende lid, van de Wet wordt toegepast, wordt met betrekking tot de herziening van de overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, eerste en derde lid, 16, 17, 18 en 19 vastgestelde daglonen in het achtste lid van artikel 15 van de Wet in plaats van "het indexcijfer op de laatste dag van de maand, voorafgaande aan die, waarin artikel 19 in werking is getreden, onderscheidenlijk van het indexcijfer, waarop de laatste herziening is gebaseerd" gelezen: het indexcijfer, waarop de laatstelijk vastgestelde bedragen als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers zijn gebaseerd.
Bij toepassing van het bepaalde in het vorige lid blijft artikel 24 buiten toepassing.
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
Bij toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het bepaalde in artikel 4, onderscheidenlijk in de artikelen 14 of 15, dan wel terwijl artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten van toepassing is, vindt het bepaalde bij of krachtens de artikelen 23, 24 en 25 van deze wet en artikel 15 van de Wet voor zoveel deze artikelen toepassing hebben gevonden met ingang van een tijdstip, gelegen vóór de dag, met ingang waarvan vorenbedoelde uitkering wordt toegekend, overeenkomstige toepassing met betrekking tot het ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 5, onderscheidenlijk de artikelen 16, tweede lid, 17, 18 en 19, aan die uitkering ten grondslag te leggen dagloon.
Artikel 28
Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van degene, die aan deze wet arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent, wordt zolang de betrokkene tevens op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste of tweede lid, of artikel 6, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 15 van de Ongevallenwet 1921 of artikel 36 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, de mate van arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan hij recht op laatstgenoemde uitkering heeft, buiten aanmerking gelaten. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt de betrokkene geacht recht te hebben op de in die volzin laatstbedoelde uitkering, indien door zijn toedoen die uitkering niet wordt uitbetaald.
Artikel 29
De arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, wordt, zo nodig in afwijking van het bepaalde in de artikelen 37, 38, 39 en 39c van de Wet, zo nodig herzien met ingang van de dag, met ingang waarvan het in aanmerking komende van de eerstgenoemde artikelen toepassing vindt.
Bij herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met het bepaalde in het vorige lid wordt daaraan ten grondslag gelegd een dagloon ter hoogte van 6/5 maal het dagloon, dat aan de uitkering, waarop degene, ten aanzien van wie artikel 6, vierde lid, of artikel 7, tweede lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, op grond van het bepaalde in dat artikel recht zou hebben gehad, indien genoemd vierde lid of genoemd tweede lid niet op hem van toepassing zou zijn geweest, onderscheidenlijk dat aan de uitkering, ten aanzien waarvan artikel 11, eerste lid, van genoemde wet toepassing vindt, ingevolge die wet ten grondslag zou zijn gelegd zonder toepassing van artikel 8, vijfde lid, van die wet. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19, 20, 23, 24 en 25 van deze wet en artikel 15 van de Wet vindt met betrekking tot het in de vorige volzin eerstbedoelde dagloon overeenkomstige toepassing. Het bepaalde in de vorige twee volzinnen vindt slechts toepassing, indien dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon, dat laatstelijk aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd.
Artikel 30
Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van degene, die uitsluitend aan artikel 13, 14 of 15 arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent, wordt, indien de betrokkene op en sedert de dag, met ingang waarvan hij recht op genoemde uitkering heeft, aanspraak heeft op ziekengeld krachtens de Ziektewet en dat ziekengeld binnen een maand na genoemde dag eindigt, de mate van arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan hij aanspraak heeft op ziekengeld, buiten aanmerking gelaten.
Het bepaalde in artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
Aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie artikel 12, vierde lid, toepassing vindt, wordt met ingang van de dag, met ingang van welke dat lid toepassing vindt, ten grondslag gelegd het dagloon, dat ten grondslag zou zijn gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop hij recht zou hebben gehad, indien artikel 12, eerste lid, op hem van toepassing zou zijn geweest, doch slechts indien laatstbedoeld dagloon hoger is dan het dagloon, dat laatstelijk aan eerstbedoelde uitkering ten grondslag werd gelegd.
Artikel 32
Het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is ontleend dan wel mede is ontleend aan artikel 13, wordt, zolang de uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919, waarop de betrokkene op de dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken, recht had, niet in verband met verandering in zijn toestand zou zijn verlaagd, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, niet lager gesteld dan het bedrag van laatstgenoemde uitkering, verhoogd met de bijslagen, welke daarop krachtens de wettelijke regelingen inzake het verlenen van bijslagen op de uitkeringen ingevolge eerstgenoemde wetten zijn verleend.
Indien op de dag, voorafgaande aan die, waarop de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 werden ingetrokken, de termijn van 312 dagen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder a, in verbinding met het derde lid, van de Ongevallenwet 1921, artikel 37, derde lid, onder a, in verbinding met het bepaalde onder c en d, van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, eerste lid, onder a, sub I, van de Zeeongevallenwet 1919, nog niet was verstreken, geldt met ingang van de eerste dag, liggende na die termijn, voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid als bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene op de dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken, recht had, verhoogd met de bijslagen, welke daarop zijn verleend, het bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene, ingeval genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, op de eerste dag na genoemde termijn recht zou hebben gehad, verhoogd met de bijslagen, welke daarop krachtens de wettelijke regelingen inzake het verlenen van bijslagen op de uitkeringen ingevolge genoemde wetten, zo die regelingen niet waren ingetrokken, zouden zijn verleend.
Onder verandering in de toestand van de betrokkene als in het eerste lid bedoeld wordt aangemerkt hetgeen daaronder in artikel 75, eerste lid, van de Ongevallenwet 1921, artikel 72 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 6 van het Reglement der Zeeongevallenregeling als bedoeld in artikel 2 van de statuten van de Vereeniging "Zee-Risico", zoals dat Reglement luidde op de dag, voorafgaande aan die, waarop de Zeeongevallenwet 1919 werd ingetrokken, werd verstaan of mede begrepen, met dien verstande, dat onder het verwerven van nieuwe bekwaamheden ten gevolge van een opleiding mede wordt begrepen het verwerven van nieuwe bekwaamheden ten gevolge van een opleiding, welke is gegeven op de voet van het bepaalde in § 3 van hoofdstuk II van de Wet. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin wordt als verandering in de toestand van de betrokkene niet beschouwd de wijziging van de omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Ongevallenwet 1921, artikel 38 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 2, eerste lid, onder c, van de Zeeongevallenwet 1919.
Indien de uitkering als bedoeld in het eerste lid, waarop de betrokkene op de dag, voorafgaande aan die, waarop de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 werden ingetrokken, recht had, na die dag uitsluitend in verband met de wijziging van de omstandigheden als in de laatste volzin van het vorige lid bedoeld zou zijn verlaagd ingeval genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, geldt met ingang van de dag, waarop die verlaging zou zijn ingegaan, voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid als bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene op de dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken, recht had, verhoogd met de bijslagen, welke daarop zijn verleend, het bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene, ingeval genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, met ingang van de dag, waarop bedoelde verlaging zou zijn ingegaan, recht zou hebben gehad, verhoogd met de bijslagen, welke daarop krachtens de wettelijke regelingen inzake het verlenen van bijslagen op uitkeringen ingevolge genoemde wetten, zo die regelingen niet waren ingetrokken, zouden zijn verleend.
Artikel 33
Indien artikel 32 van toepassing is ten aanzien van een persoon, die recht had op meer dan één uitkering als bedoeld in artikel 16 van de Ongevallenwet 1921, artikel 37 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of artikel 2, eerste lid, onder a, van de Zeeongevallenwet 1919 op de dag, voorafgaande aan die, waarop genoemde wetten werden ingetrokken, geldt de garantie, vervat in artikel 32, zolang geen van die uitkeringen in verband met verandering in de toestand als in dat artikel bedoeld, zou zijn verlaagd, indien genoemde wetten niet zouden zijn ingetrokken, tot de som van die uitkeringen en de in dat artikel bedoelde bijslagen.
Artikel 34
Het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke is ontleend dan wel mede is ontleend aan artikel 14 of 15, onderscheidenlijk het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, wordt, zolang de uitkering als bedoeld in artikel 4, 5, 6 of 7 van die wet, waarop de betrokkene op de dag, met ingang van welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van die wet toepassing vindt, recht zou hebben gehad, indien dat artikel niet van toepassing zou zijn geweest, niet in verband met verandering in zijn toestand zou zijn verlaagd, niet lager gesteld dan het bedrag van die uitkering.
Indien op de dag, met ingang van welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, de termijn, bedoeld in artikel 32, tweede lid, nog niet is verstreken, geldt met ingang van de eerste dag, liggende na die termijn, voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid als bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene op eerstgenoemde dag recht zou hebben gehad, indien artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten niet van toepassing zou zijn geweest, het bedrag, waarop de betrokkene, indien dat artikel niet op hem van toepassing zou zijn geweest, op de eerste dag na genoemde termijn recht zou hebben gehad.
Artikel 32, derde lid, is van toepassing.
Indien de uitkering als bedoeld in het eerste lid, waarop de betrokkene op de dag, met ingang van welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, recht zou hebben gehad, indien dat artikel niet van toepassing zou zijn geweest, na die dag uitsluitend in verband met de wijziging van de omstandigheden als in de laatste volzin van het derde lid van artikel 32 bedoeld zou zijn verlaagd, indien artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten niet van toepassing zou zijn geweest, geldt met ingang van de dag, waarop die verlaging zou zijn ingegaan, voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid als bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene op de dag, met ingang van welke artikel 10, eerste of tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, recht zou hebben gehad, indien dat artikel niet van toepassing zou zijn geweest, het bedrag van de uitkering, waarop de betrokkene, indien dat artikel niet van toepassing zou zijn geweest, met ingang van de dag, waarop bedoelde verlaging zou zijn ingegaan, op grond van het bepaalde in artikel 4, 5, 6 of 7 van genoemde wet recht zou hebben gehad.
Artikel 35
Indien artikel 34 van toepassing is ten aanzien van een persoon, die op de dag, met ingang van welke artikel 6, vierde lid, 7, tweede lid, 10, eerste of tweede lid, of 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, indien geen van laatstgenoemde artikelen ten aanzien van hem toepassing zou hebben gevonden, recht op meer dan één uitkering als bedoeld in artikel 4, 5, 6 of 7 van die wet zou hebben gehad, geldt de garantie, vervat in artikel 34, zolang geen van die uitkeringen in verband met verandering in de toestand als in dat artikel bedoeld, zou zijn verlaagd, indien geen van de artikelen 6, vierde lid, 7, tweede lid, 10, eerste of tweede lid, en 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten ten aanzien van hem toepassing zou hebben gevonden, tot de som van die uitkeringen.
Artikel 36
Indien zowel artikel 32, al dan niet in verbinding met artikel 33, als artikel 34, al dan niet in verbinding met artikel 35, van toepassing zijn, gelden de garanties, vervat in die artikelen, met ingang van de dag, met ingang van welke genoemde artikelen gelijktijdig van toepassing zijn en zolang geen van de aldaar bedoelde uitkeringen in verband met verandering in de toestand als in artikel 32 onderscheidenlijk artikel 34 bedoeld zou zijn verlaagd, indien de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 of de Zeeongevallenwet 1919 niet zouden zijn ingetrokken, onderscheidenlijk indien artikel 10, eerste of tweede lid, dan wel artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten niet van toepassing zou zijn geweest, tot de som van de in artikel 32 bedoelde uitkering(en) en bijslagen en de in artikel 34 bedoelde uitkering(en).
Het bepaalde in de artikelen 32, 33, 34 en 35 en in het eerste lid laat onverlet de bevoegdheid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als omschreven in de artikelen 25 en 28 van de Wet.
Artikel 37
Indien een persoon, ten aanzien van wie artikel 32, 33, 34, 35 of 36 van toepassing is, arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent of mede ontleent aan artikel 3 of 4, dan wel arbeidsongeschiktheidsuitkering aan laatstgenoemd artikel zou hebben ontleend of mede zou hebben ontleend, indien het tweede lid van dat artikel niet op hem van toepassing zou zijn geweest, wordt, indien ten aanzien van hem het bepaalde in artikel 53 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten van toepassing is, het in artikel 32, 33, 34, 35 of 36 gegarandeerde bedrag verhoogd met 1/260 van het jaarbedrag van de invaliditeitsrente, vrije invaliditeitsrente of invaliditeitsuitkering als bedoeld in artikel 53 van laatstgenoemde wet, zolang de arbeidsongeschiktheid sedert de dag, waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, ten minste 65% bedraagt.
Indien een fonds, als bedoeld in artikel 54, tweede lid, van de Liquidatiewet invaliditeitswetten, gebruik maakt van de in dat lid gegeven bevoegdheid, vindt de garantie, vervat in het vorige lid, ten aanzien van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, toegekend aan personen als bedoeld in artikel 54, tweede lid, van de Liquidatiewet invaliditeitswetten, overeenkomstige toepassing tot 1/260 van het jaarbedrag van de in laatstgenoemd lid bedoelde invaliditeitsuitkeringen, onderscheidenlijk invaliditeitsrenten.
Indien ten aanzien van degene, op wie het bepaalde in het eerste of het tweede lid van toepassing is, op de dag, voorafgaande aan die, met ingang van welke de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers werd ingetrokken, het bepaalde in artikel 52, zesde lid, van die wet toepassing vond, wordt het in de vorige leden gegarandeerde bedrag verhoogd met 1/260 van het jaarbedrag, waarop de betrokkene ingevolge laatstbedoelde bepaling aanspraak zou hebben gehad, indien de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers niet zou zijn ingetrokken.
Artikel 38
Indien het bepaalde bij artikel 6 of 7 van deze wet, dan wel het bepaalde bij of krachtens artikel 45, 46, 46a , 46b of 52 van de Wet toepassing vindt, wordt van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend aan een persoon ten aanzien van wie het bepaalde in artikel 53 van de Liquidatiewet invaliditeitswetten van toepassing is, zolang de arbeidsongeschiktheid sedert de dag, waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, ten minste 65% bedraagt, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot 1/260 van het jaarbedrag van de invaliditeitsrente, vrije invaliditeitsrente of invaliditeitsuitkering als bedoeld in laatstgenoemd artikel.
Het bepaalde in het tweede en het derde lid van het vorige artikel is van toepassing.
Artikel 39
Indien het bepaalde bij of krachtens artikel 46 van de Wet toepassing vindt, wordt van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend of mede ontleend aan artikel 3, zolang de arbeidsongeschiktheid sedert de dag, waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan, ten minste 45% bedraagt en de betrokkene op en sedert die dag is opgenomen in een sociale werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel 46 van de Wet, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot 1/260 van het jaarbedrag, waarop de betrokkene laatstelijk ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 23 van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers aan bijslag en invaliditeitsrente tezamen aanspraak had.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, zolang de belangen van de betrokkene daardoor niet worden geschaad, indeling in een der in artikel 21 van de Wet genoemde invaliditeitsklassen achterwege te laten ten aanzien van degene, die arbeidsongeschiktheidsuitkering ontleent aan artikel 3 en die op en sedert de dag, waarop artikel 19 van de Wet in werking treedt, is opgenomen in een sociale werkvoorzieningsregeling als bedoeld in artikel 46 van de Wet.
Bij toepassing van het vorige lid wordt de arbeidsongeschiktheid van de betrokkene geacht 80% of meer te bedragen.
Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in dit artikel en in artikel 41 nadere en, voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkende regelen stellen.
Artikel 40
Indien het bepaalde bij artikel 6 of 7 van deze wet, dan wel het bepaalde bij of krachtens artikel 45, 46a, 46b of 52 van de Wet toepassing vindt, wordt van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontleend of mede ontleend aan artikel 13, 14 of 15 van deze wet, onderscheidenlijk van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, ten aanzien van wie artikel 6, vierde lid, artikel 7, tweede lid, of artikel 11, eerste lid, van de Liquidatiewet ongevallenwetten toepassing vindt, de uitbetaling niet verder beperkt dan tot het bedrag, waarop de betrokkene krachtens het bepaalde bij artikel 32,33, 34, 35 of 36 aanspraak zou hebben, indien het bepaalde bij artikel 6 of 7 van deze wet, dan wel het bepaalde bij artikel 45, 46a, 46b of 52 van de Wet niet van toepassing zou zijn.
Het bepaalde bij artikel 37 is mede van toepassing op het in het eerste lid gegarandeerde bedrag.
Artikel 41
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)