Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, en 21 van de Kernenergiewet
Op de voordracht van Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 8 mei 1968, no. 668/372 W.J.A., gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Centrale Raad voor de Kernenergie gehoord;
Gelet op de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, 21, 26, 73 en 76, eerste lid, van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82);
De Raad van State gehoord (advies van 10 juli 1968, no. 42);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 3 september 1969, no. 669/609 W.J.A., uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- beheer van verbruikte splijtstoffen: alle activiteiten die te maken hebben met het hanteren, de voorbehandeling, de behandeling, het conditioneren, de opslag, de opwerking of de eindberging van verbruikte splijtstoffen, met uitzondering van het vervoer buiten het terrein van de faciliteit;
- bron: splijtstof of erts;
- buiten-ontwerpongeval: ongeval waarvan de kans dat het zich voordoet geringer is dan elk van de gepostuleerde begin-gebeurtenissen en waarbij niet is uit te sluiten dat door het vrijkomen van splijtstoffen of radioactieve stoffen de bij artikel 18 vastgestelde limietwaarden voor de gepostuleerde begin-gebeurtenissen worden overschreden;
- categorie I-, II- of III-materiaal: met het oog op beveiliging op grond van artikel 22, zevende of achtste lid, als categorie I-, II- of III- materiaal aangewezen splijtstoffen of ertsen als genoemd in bijlage 1;
- compenserende maatregelen: maatregelen van tijdelijke aard die het niet-beschikbaar zijn van structurele maatregelen volledig compenseren;
- gehalte: massagehalte van de elementen uranium, thorium en plutonium in splijtstoffen;
- gepostuleerde begin-gebeurtenissen: redelijkerwijs mogelijk te achten voorvallen die bij juist functioneren van de daartoe speciaal ontworpen veiligheidssystemen tot voorzienbare bedrijfsgevolgen of ongevalsomstandigheden leiden die een besmetting of een blootstelling van de omgeving kunnen veroorzaken;
- gevaarlijke stof: gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn;
- handeling: handeling als genoemd in artikel 15 van de wet, niet zijnde het vervoeren van, het voorhanden hebben bij opslag in verband met vervoer, of het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen, uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische noodsituatie;
- hoogactieve bron: hoogactieve bron als bedoeld in artikel 1.2 in samenhang met bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- ingekapselde bron: splijtstoffen of ertsen welke permanent in een omhulsel zijn ingekapseld, dan wel gebonden zijn in vaste vorm teneinde onder normale gebruiksomstandigheden iedere verspreiding van splijtstoffen of ertsen te voorkomen;
- lid van de bevolking: een persoon uit de bevolking binnen of buiten een locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn werktijd of een persoon die een medische blootstelling ondergaat;
- locatie: inrichting of uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet, locatie waarop een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht of plaats waar een handeling wordt verricht;
- natuurlijk uranium: door een chemisch scheidingsproces verkregen uranium waarin de uraniumisotopen zich in de natuurlijke verhouding bevinden;
- nucleaire drukapparatuur: speciaal voor nucleair gebruik in inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet ontworpen drukapparatuur die bij defecten de verspreiding van radioactiviteit kan veroorzaken, met uitzondering van splijtstofstaven en opslag- en transportverpakkingen;
- Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities: Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities (INFCIRC/225/revision 5, Nuclear Security Series-13, http://www.pub.iaea.org/MTCD/publications/PDF/Pub1481_web.pdf), International Atomic Energy Agency, Vienna, 2011, of een bij verordening van de Autoriteit aangewezen revisie daarvan, met de ingangsdatum;
- ondernemer: natuurlijke persoon, rechtspersoon of bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid een handeling wordt verricht of maatregel wordt uitgevoerd;
- ontmantelingsplan: plan met een beschrijving van de wijze waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet buiten gebruik wordt gesteld en ontmanteld;
- Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
- referentiedreiging: langetermijnanalyse van dreigingen van diefstal of sabotage van de in bijlage 1 genoemde splijtstoffen of ertsen, of sabotage van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, met inbegrip van de op die splijtstoffen of ertsen dan wel inrichtingen betrekking hebbende informatie en processen;
- schade: nadelige gevolgen van ioniserende straling voor mensen, dieren, planten en goederen;
- Seveso-richtlijn: Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PbEU 2012, L 197);
- splijtstof of erts bevattende afvalstof: splijtstof die, of erts dat krachtens artikel 19 van dit besluit in samenhang met artikel 10.7, eerste en tweede lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming als zodanig is aangemerkt en niet wordt geloosd;
- verbruikte splijtstof: kernsplijtstof die bestraald is en permanent uit een reactorkern is verwijderd;
- verrijkingsgraad: massagehalte van uranium-235 en uranium-233 tezamen in verrijkt uranium;
- verrijkt uranium: uranium met een hoger massapercentage uranium-235 dan in natuurlijk uranium;
- wet: Kernenergiewet.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «activiteit», «blootstelling», «deskundige», «effectieve dosis» «eindberging», «equivalente dosis», «gezondheidsschade», «omgevingsdosisequivalent», «radiotoxiciteitsequivalent», »richtlijn 2011/77/Euratom» en «wet» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.2 in samenhang met bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «besmetting», «lozing in de lucht», «lozing in het openbare riool» en «lozing in het oppervlaktewater» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.2 in samenhang met bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, met dien verstande dat in plaats van «radioactieve stoffen» telkens «splijtstoffen of ertsen» wordt gelezen.
Vervallen.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder «voorhanden hebben» mede verstaan: in bezit hebben, beheren, bewaren of anderszins feitelijk onder zich hebben, of het vervaardigen, bewerken, hanteren en opslaan, met uitzondering van het voorhanden hebben bij de opslag in verband met vervoer.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Warenwetbesluit drukapparatuur.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen.
Hoofdstuk II. Aanvragen om vergunningen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 3
De aanvraag om een vergunning voor handelingen binnen een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, of op een locatie waarop een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht, wordt ingediend door degene die de inrichting drijft of de milieubelastende activiteit verricht.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betreft niet de handelingen die worden verricht door een persoon die in het bezit is van een vergunning voor het op steeds wisselende plaatsen verrichten van zodanige handelingen.
De aanvraag bevat:
- a. naam en adres van de aanvrager;
- b. een feitelijke omschrijving van hetgeen de aanvrager met de betrokken splijtstoffen of ertsen wenst te doen onderscheidenlijk een aanduiding van de betrokken inrichting, uitrusting of locatie, onder vermelding van het gebruik, dat de aanvrager van die inrichting, uitrusting of locatie wenst te maken;
- c. voor zover een of meer der in de artikelen 4 tot en met 11 vervatte bepalingen op de betrokken aanvraag van toepassing zijn, de gegevens, welke de aanvraag uit dien hoofde in het bijzonder dient te bevatten dan wel, ingeval zodanige gegevens in een bij de aanvraag behorende bijlage zijn vermeld, een korte aanduiding van de aard en de inhoud dezer gegevens met verwijzing naar de betrokken bijlage;
- d. een opgave van de tijdsduur, waarvoor de vergunning wordt verlangd;
- e. indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die in de krachtens artikel 19 in samenhang met artikel 2.3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming geldende regeling, als gerechtvaardigd is bekendgemaakt, een verwijzing naar die bekendmaking;
- f. indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt in de krachtens artikel 19 in samenhang met artikel 2.3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming geldende regeling, een verzoek om rechtvaardiging van die handeling en tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.
Aanvragen om een vergunning, welke vallen onder verschillende bepalingen van de paragrafen 2 en 3, kunnen, voor zover die aanvragen betrekking hebben op dezelfde inrichting, uitrusting of locatie dan wel op inrichtingen, uitrustingen of locaties, die tezamen een geheel vormen en die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, in de vorm van een enkele, samengestelde aanvraag worden ingediend. Op zodanige aanvraag zijn alle bepalingen van toepassing, welke betrekking hebben op de afzonderlijke aanvragen, waaruit zij is samengesteld, met dien verstande dat in gevallen, waarin onverkorte toepassing dezer bepalingen zou leiden tot meervoudige vermelding van eenzelfde gegeven, met een enkelvoudige vermelding kan worden volstaan.
Indien een aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een inrichting, uitrusting of locatie, ten aanzien waarvan reeds eerder een aanvraag is ingediend, kan, voor zover bepaalde gegevens reeds bij de eerdere aanvraag zijn verstrekt en geen wijziging hebben ondergaan, naar die eerdere aanvraag worden verwezen.
De Autoriteit kan de indiening van verdere afschriften van de aanvraag of van daarbij behorende bijlagen verlangen.
§ 2. Aanvragen om een vergunning voor het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen
Artikel 4
De aanvraag om een vergunning voor het voorhanden hebben van splijtstoffen bevat in ieder geval:
- a. een opgave van de hoeveelheden, de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad, zomede, voor wat bestraalde splijtstoffen betreft, een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de activiteit der splijtstoffen;
- b. een opgave van het doel, waarvoor de aanvrager de splijtstoffen voorhanden wenst te hebben;
- c. een opgave en beschrijving van de plaats, waar de splijtstoffen voorhanden worden gehouden, dan wel, indien ten aanzien van de inrichting of uitrusting, waarin de splijtstoffen voorhanden worden gehouden, een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet is vereist, een opgave van die inrichting of uitrusting, onder verwijzing naar de ten aanzien daarvan verleende vergunning, dan wel naar de aanvraag om een zodanige vergunning;
- d. een beschrijving van de maatregelen die door of vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van schade;
- e. een risicoanalyse van de schade van het voorhanden hebben van de onder a bedoelde splijtstoffen buiten de onder c bedoelde plaats, inrichting of uitrusting;
- f. een opgave van alle handelingen met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen en toestellen binnen de locatie die kennisgevingsplichtig, registratieplichtig of vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een ingekapselde bron, bevat zij voorts een opgave van de chemische en fysische toestand en vorm waardoor deze splijtstoffen een ingekapselde bron vormen alsmede een aanduiding van de constructie en de kwaliteit van de bron.
De aanvraag om een vergunning voor het voorhanden hebben van ertsen bevat in ieder geval:
- a. een opgave van de aard, de hoeveelheid en het gemiddelde uranium- of thoriumgehalte der ertsen;
- b. een opgave van het doel, waarvoor de aanvrager de ertsen voorhanden wenst te hebben;
- c. een opgave en beschrijving van de plaats, waar de ertsen voorhanden zullen worden gehouden;
- d. een beschrijving van de maatregelen, die door of vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van schade;
- e. een risicoanalyse van de schade van het voorhanden hebben van ertsen buiten de onder c bedoelde plaats;
- f. een opgave van alle handelingen met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen en toestellen binnen de locatie die kennisgevingsplichtig, registratieplichtig of vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een hoogactieve bron, bevat de aanvraag voorts:
- a. informatie over het volume van de bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;
- b. schriftelijk bewijs dat de krachtens artikel 19 in samenhang met artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vereiste financiële zekerheid is gesteld.
Artikel 5
De aanvraag om een vergunning voor het zich ontdoen van splijtstoffen bevat in ieder geval:
- a. een opgave van de hoeveelheden, de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad, zomede een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de activiteit der splijtstoffen;
- b. een opgave en beschrijving van de plaats, waar en de wijze, waarop de aanvrager zich van de splijtstoffen wenst te ontdoen;
- c. een beschrijving van de maatregelen, welke door of vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van schade;
- d. een risicoanalyse van de schade buiten de onder b bedoelde plaats als gevolg van de handeling waarvoor vergunning wordt gevraagd;
- e. een opgave van alle handelingen met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen en toestellen binnen de locatie die kennisgevingsplichtig, registratieplichtig of vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
De aanvraag om een vergunning voor het zich ontdoen van ertsen bevat in ieder geval:
- a. een opgave van de aard, de hoeveelheid en het gemiddelde uranium- of thoriumgehalte der ertsen;
- b. een opgave en beschrijving van de plaats, waar en de wijze, waarop de aanvrager zich van de ertsen wenst te ontdoen;
- c. een beschrijving van de maatregelen, welke door of vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van schade;
- d. een risicoanalyse van de schade buiten de onder b bedoelde plaats als gevolg van de handeling waarvoor vergunning wordt gevraagd;
- e. een opgave van alle handelingen met splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen en toestellen binnen de locatie die kennisgevingsplichtig, registratieplichtig of vergunningplichtig zijn krachtens dit besluit, het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming of het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.
§ 3. Aanvragen om een vergunning ten aanzien van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet
Artikel 6
De aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, bevat in ieder geval:
- a. een opgave en beschrijving van de plaats, waar de inrichting zal worden gevestigd, onder vermelding van alle terzake doende omstandigheden van geografische, geologische, klimatologische, demografische, hydrologische, ecologische en andere aard;
- b. een beschrijving van de inrichting met inbegrip van de daarin te bezigen installaties, alsmede van de werking van die inrichting en installaties, met opgave van de leveranciers van die onderdelen, welke voor de beoordeling van de veiligheid van belang zijn, en onder vermelding van het hoogste vermogen, waarop de inrichting zal werken;
- c. een opgave van de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad der splijtstoffen, welke in de inrichting zullen worden gebruikt, onder vermelding van de hoeveelheid der onderscheidene splijtstoffen, welke ten hoogste te eniger tijd in de inrichting aanwezig zal zijn;
- d. een beschrijving van de wijze, waarop de onder c bedoelde splijtstoffen in de inrichting zullen worden gebruikt, en van de wijze, waarop de splijtstoffen voor en na het gebruik zullen worden bewaard;
- e. een globale opgave van het totaal aantal personen, dat bij normaal bedrijf in de inrichting werkzaam zal zijn, alsmede een opgave van het aantal deskundigen en het aantal andere leden van het personeel, dat rechtstreeks bij het vrijmaken van kernenergie betrokken zal zijn, en van de onderlinge taakverdeling tussen die personeelsleden, zomede - voor wat betreft toezichthoudend personeel - van de gronden, waarop zij geacht kunnen worden voldoende deskundigheid voor het verrichten van hun taak te bezitten;
- f. een beschrijving van de wijze, waarop de aanvrager voornemens is zich na gebruik te ontdoen van de onder c bedoelde splijtstoffen;
- g. een beschrijving van de wijze, waarop de aanvrager voornemens is zich te ontdoen van radioactieve stoffen, welke tijdens het gebruik van de onder c bedoelde splijtstoffen zullen ontstaan;
- h. een veiligheidsrapport, inhoudende een beschrijving van de maatregelen, die door of vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van schade, of ter beperking van de kans op schade, waaronder begrepen de maatregelen ter voorkoming van schade buiten de inrichting, tijdens normaal bedrijf, en ter voorkoming van schade voortvloeiende uit de in die beschrijving te vermelden gepostuleerde begin-gebeurtenissen, alsmede een risicoanalyse van de schade buiten de inrichting als gevolg van die gebeurtenissen;
- i. een risicoanalyse van de schade buiten de inrichting als gevolg van buiten-ontwerpongevallen;
- j. een opgave van de verzekering of andere financiële zekerheid, welke de aanvrager ter voldoening aan de Wet aansprakelijkheid kernongevallen zal hebben en in stand houden, onder vermelding van alle ter zake doende gegevens.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat lid bedoeld.
Artikel 7
De aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting, waarin splijtstoffen, welke plutonium of verrijkt uranium bevatten, of bestraalde splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, met dien verstande dat:
- a. onder b in plaats van "het hoogste vermogen, waarop de inrichting zal werken" wordt gelezen: "de grootste hoeveelheid der onderscheidene splijtstoffen, welke in een bepaald tijdvak in de inrichting kan worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt";
- b. telkens in plaats van "gebruikt" onderscheidenlijk "het gebruik" of "het vrijmaken van kernenergie" wordt gelezen: "vervaardigd, bewerkt of verwerkt" onderscheidenlijk "de vervaardiging, bewerking of verwerking".
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat lid bedoeld.
Artikel 8
De aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting, waarin splijtstoffen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, worden opgeslagen, bevat in ieder geval:
- a. een opgave en beschrijving van de plaats, waar de inrichting zal worden gevestigd, onder vermelding van alle terzake doende omstandigheden van geografische, geologische, klimatologische, demografische, hydrologische, ecologische en andere aard;
- b. een opgave van de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad, zomede, voor wat bestraalde splijtstoffen betreft, een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de activiteit der splijtstoffen, onder vermelding van de hoeveelheid der onderscheidene splijtstoffen, welke ten hoogste te eniger tijd in de inrichting aanwezig zal zijn;
- c. een globale opgave van het totaal aantal personen, dat bij normaal bedrijf in de inrichting werkzaam zal zijn, alsmede een opgave van het aantal leden van het personeel, dat rechtstreeks bij de opslag van splijtstoffen betrokken zal zijn, en van de onderlinge taakverdeling tussen die personeelsleden, zomede - voor wat betreft het toezichthoudend personeel - van de gronden, waarop zij geacht kunnen worden voldoende deskundigheid voor het verrichten van hun taak te bezitten;
- d. een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h;
- e. een risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i;
- f. een opgave van de verzekering of andere financiële zekerheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder j.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat lid bedoeld.
Artikel 9
De aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting, waarin onbestraalde splijtstoffen, welke geen plutonium of verrijkt uranium bevatten, kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, bevat in ieder geval:
- a. een opgave en beschrijving van de plaats, waar de inrichting zal worden gevestigd;
- b. een beschrijving van de inrichting;
- c. een opgave van de chemische en fysische toestand, de vorm en het gehalte der splijtstoffen, onder vermelding van de hoeveelheid der onderscheidene splijtstoffen, welke ten hoogste te eniger tijd in de inrichting aanwezig zal zijn;
- d. een opgave van het aantal personeelsleden, dat verantwoordelijk zal zijn voor het op deskundige wijze vervaardigen, bewerken, of verwerken van splijtstoffen, met vermelding van de gronden, waarop zij geacht kunnen worden voldoende deskundigheid te bezitten;
- e. een beschrijving van de maatregelen, welke door of vanwege de aanvrager zullen worden getroffen ter voorkoming van schade, waaronder begrepen de maatregelen ter voorkoming van schade buiten de inrichting;
- f. een risicoanalyse van de schade buiten de inrichting, welke is verbonden aan het vervaardigen, bewerken of verwerken in de inrichting van de onder c bedoelde splijtstoffen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning voor het in werking brengen of in werking houden van een inrichting als in dat lid bedoeld.
Artikel 16
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen ter zake van het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen:
- a. indien het betreft plutonium met een maximale activiteit van 37 gigabecquerel, mits dit plutonium op zodanige wijze is opgenomen in een omhulsel dat daardoor redelijkerwijze voldoende weerstand wordt geboden om elke verspreiding van of besmetting met dit plutonium te voorkomen;
- b. indien het betreft verarmd uranium, natuurlijk uranium of natuurlijk thorium.
Artikel 11
- a. een opgave van de vergunning, krachtens welke de betrokken inrichting is opgericht dan wel in werking gebracht of gehouden;
- b. een beschrijving van de voorgenomen wijziging;
- c. indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 en de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens als vermeld in het ter verkrijging van de onder a bedoelde vergunning overgelegde veiligheidsrapport of de risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, onder h, een desbetreffende aanvulling hiervan;
- d. indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 en de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens als vermeld in de ter verkrijging van de onder a bedoelde vergunning overgelegde risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i, een desbetreffende aanvulling van die risicoanalyse;
- e. indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 9 en de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens als vermeld in de ter verkrijging van de onder a bedoelde vergunning overgelegde risicoanalyse als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, een desbetreffende aanvulling van die risicoanalyse.
Indien de vergunning met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 is verkregen op een tijdstip waarop ter verkrijging van die vergunning geen risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i, behoefde te worden overgelegd, wordt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer van de gegevens die doorgaans worden vermeld in een zodanige risicoanalyse, een risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i, gevoegd, die niet alleen betrekking heeft op de wijziging, maar ook op het in werking zijn van de inrichting.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 10.
Artikel 11a
In gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of wijzigen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, dat tevens is aan te merken als een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit een bouwactiviteit of het in stand houden van een bouwwerk, of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, verstrekt de aanvrager:
- a. indien de aanvraag om die omgevingsvergunning tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet is ingediend, een afschrift van die aanvraag bij zijn aanvraag;
- b. indien de aanvraag om die omgevingsvergunning niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet is ingediend, een afschrift van die aanvraag aan het bevoegd gezag gelijktijdig met de indiening van die aanvraag.
§ 4. Aanvragen om een vergunning ten aanzien van een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet
Artikel 12
Vervallen
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Vervallen
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende beschikkingen ter zake van vergunningen als bedoeld in hoofdstuk II
§ 1. Beschikkingen met betrekking tot de totstandkoming waarvan de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is
Artikel 15
Bij de voorbereiding van beschikkingen met betrekking waartoe op grond van artikel 17 of 20, eerste lid, van de wet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, worden – anders dan als adviseurs – betrokken:
- a. in gevallen waarin de beschikking een inrichting als bedoeld in artikel 6 betreft, voor zover die inrichting is bestemd voor de productie van elektriciteit:
- 1°. het college van gedeputeerde staten van de provincie, het bestuur van de veiligheidsregio en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen;
- 2°. de colleges van gedeputeerde staten van de provincies, de besturen van de veiligheidsregio’s en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het gebied is gelegen op minder dan twintig kilometer van de plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn, en
- 3°. de bestuursorganen die belast zijn met het waterkwaliteitsbeheer van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet dat gelegen is op minder dan twintig kilometer van de plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn;
- b. in gevallen waarin de beschikking een inrichting betreft als bedoeld in artikel 6, voor zover die inrichting niet is bestemd voor de productie van elektriciteit, of als bedoeld in artikel 7 of 8:
- 1°. het college van gedeputeerde staten van de provincie, het bestuur van de veiligheidsregio en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen;
- 2°. de colleges van gedeputeerde staten van de provincies, de besturen van de veiligheidsregio’s en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het gebied is gelegen op minder dan tien kilometer van de plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn, en
- 3°. de bestuursorganen die belast zijn met het waterkwaliteitsbeheer van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet dat gelegen is op minder dan tien kilometer van de plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn;
- c. in gevallen waarin de beschikking een inrichting als bedoeld in artikel 9 betreft: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten, waar de inrichting gelegen is of zal zijn.
§ 1. Beschikkingen op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is
Artikel 16
De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van beschikkingen ter zake van het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen:
- a. indien het betreft plutonium met een maximale activiteit van 37 gigabecquerel (1 curie), mits dit plutonium op zodanige wijze is opgenomen in een omhulsel dat daardoor redelijkerwijze voldoende weerstand wordt geboden om elke verspreiding van of besmetting met dit plutonium te voorkomen;
- b. indien het betreft verarmd uranium, natuurlijk uranium of natuurlijk thorium.
Artikel 17
Van het geven van een beschikking op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
§ 3. Weigering van vergunningen
Artikel 18
Geen vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt verleend indien:
- a. niet is voldaan aan de krachtens artikel 19 in samenhang met de hierna genoemde artikelen van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming gestelde voorwaarden betreffende:
- 1°. rechtvaardiging: de artikelen 2.1 tot en met 2.5;
- 3°. dosislimieten: de artikelen 2.1, 2.9, 7.3, 7.4, 7.34, 7.35, 7.36, 9.1 en 9.2, eerste lid;
- 4°. deskundigheid: de artikelen 5.4 tot en met 5.9, 7.1 en 7.2;
- b. voor een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie bevindt, als gevolg van de handeling waarvoor de vergunning is aangevraagd en ten gevolge van andere handelingen binnen en buiten deze locatie, een van de volgende doses wordt overschreden of kan worden overschreden:
-
- een effectieve dosis van 1 mSv in een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:
-
- een equivalente dosis van 50 mSv in een kalenderjaar voor de huid gemiddeld over enig huidoppervlak van 1 cm2;
- c. de handeling waarvoor de vergunning is aangevraagd behoort tot een categorie of soort, die in de krachtens artikel 19 in samenhang met de krachtens artikel 2.3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde regeling is gerechtvaardigd, maar het specifieke karakter van deze handeling op grond van het eerste of tweede lid van dat artikel niet gerechtvaardigd is.
Een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet wordt geweigerd, indien:
- a. de waarden van de gegevens in de risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, niet voldoen aan de in onderstaande tabel opgenomen grenswaarden;
| Gebeurtenisfrequentie F per jaar | Maximaal toegestane effectieve dosis | Maximaal toegestane effectieve dosis |
|---|---|---|
| personen vanaf 16 jaar | personen tot 16 jaar | |
| F ≥ 10–1 | 0,1 mSv | 0,04 mSv |
| 10–1 > F ≥ 10–2 | 1 mSv | 0,4 mSv |
| 10–2 > F ≥ 10–4 | 10 mSv | 4 mSv |
| F < 10–4 | 100 mSv | 40 mSv |
- b. dan wel uit die risico-analyse blijkt dat de effectieve schildklierdosis niet beperkt blijft tot 500 mSv.
Een vergunning voor het oprichten, in werking brengen of houden of wijzigen van een inrichting, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, kan worden geweigerd, indien de waarden in de krachtens artikel 6, eerste lid, onder i, verrichte risicoanalyse een van de volgende waarden overschrijden:
- a. een kans van 10–6 per jaar dat een persoon, die zich permanent en onbeschermd buiten de desbetreffende inrichting zou bevinden, overlijdt als gevolg van een buiten-ontwerpongeval;
- b. een kans van 10–5 per jaar dat buiten de desbetreffende inrichting een groep van ten minste 10 personen direct dodelijk slachtoffer is van een buiten-ontwerpongeval, of voor n maal meer direct dodelijke slachtoffers een kans die n2 maal kleiner is.
Hoofdstuk IIIa. Algemene regels
Artikel 19
Het bepaalde bij of krachtens de in het tweede lid genoemde hoofdstukken, paragrafen en artikelen van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstukken, paragrafen en artikelen als bedoeld in het eerste lid zijn:
- a. hoofdstuk 2;
- b. de artikelen 3.4, vierde en vijfde lid, en 3.14;
- c. hoofdstuk 4, met uitzondering van de artikelen 4.21 tot en met 4.28;
- d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.3;
- e. hoofdstuk 6, met uitzondering van artikel 6.21;
- f. hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.5;
- g. hoofdstuk 8, met uitzondering van de artikelen 8.14, eerste, derde en vierde lid, 8.15, 8.16 en 8.17;
- h. hoofdstuk 9;
- i. hoofdstuk 10, met uitzondering van de artikelen 10.1, 10.3, 10.4, 10.5, 10.6, 10.10;
- j. de artikelen 11.6 en 11.7;
- k. artikel 14.1, met dien verstande dat in plaats van «die van dit besluit afwijken» in dat artikel wordt gelezen: die van de van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen afwijken.
Artikel 33
Ter voorkoming van schade of ter beperking van de kans op schade buiten de inrichting kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet ook andere voorschriften worden verbonden dan bedoeld in artikel 31, eerste lid.
Artikel 34
Vervallen
Artikel 35
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de veiligheid van de staat verbonden, indien de vergunning uitsluitend of mede betrekking heeft op het doen van verrichtingen:
- a. met gebruikmaking van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of een uitrusting, ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Autoriteit het belang van de veiligheid van de staat het opleggen van een verplichting tot geheimhouding of een beperking ten aanzien van het gebruik vereist, of
- b. waarbij onderzoekingen worden verricht of werkmethoden worden toegepast, ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Autoriteit het belang van de veiligheid van de staat het opleggen van een verplichting tot geheimhouding vereist, of
- c. welke blijkens een verklaring van de Autoriteit van vitaal belang zijn voor de militaire of civiele verdediging.
Voorschriften als in het eerste lid bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
- a. ten aanzien van gegevens, hulpmiddelen, materialen, een inrichting of een uitrusting dan wel onderzoekingen of werkmethoden als in het eerste lid bedoeld de geheimhouding te verzekeren;
- b. gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld met inachtneming van in het voorschrift aangegeven beperkingen te gebruiken;
- c. terreinen, gebouwen en ruimten, waar verrichtingen als in het eerste lid bedoeld plaatsvinden dan wel gegevens, hulpmiddelen of materialen, met gebruikmaking waarvan zodanige verrichtingen plaatsvinden, worden bewaard, op een bij het voorschrift bepaalde wijze te beveiligen;
- d. het gebruik van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede het aanwenden van uit zodanig gebruik voortvloeiende kennis op een bij het voorschrift bepaalde wijze te regelen;
- e. de Autoriteit of in het voorschrift aangewezen Nederlandse controle-organen tijdig in kennis te stellen van een voorgenomen vervanging van de met de leiding van de onderneming of instelling, waaraan de vergunning is verleend, belaste persoon of personen;
- f. alle of bepaalde verrichtingen uitsluitend te laten plaatsvinden door personen, ten aanzien van wie de Autoriteit heeft verklaard, dat naar zijn oordeel voldoende waarborgen aanwezig kunnen worden geacht, dat zij de verplichting met betrekking tot de geheimhouding naar behoren zullen vervullen;
- g. bij het voorschrift aangewezen organen, waaraan een taak is opgedragen terzake van de uitvoering van de wet, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen, dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond;
- h. de Autoriteit of bij het voorschrift aangewezen Nederlandse controle-organen onverwijld in te lichten, indien ernstige inbreuken op de naleving van de met het oog op de veiligheid van de staat gegeven voorschriften dan wel spionage worden vermoed of ontdekt;
- i. een aan de onderneming of instelling verbonden functionaris aan te wijzen, speciaal belast met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met het oog op de veiligheid van de staat aan de vergunning verbonden voorschriften, alsmede met het toezicht op de naleving van die maatregelen.
Artikel 36
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de bewaring van splijtstoffen en ertsen verbonden, indien en voor zover zulks nodig is voor de bescherming van de in artikel 15b, eerste lid, onder a, b of e, van de wet, bedoelde belangen.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid kunnen de verplichting inhouden:
- a. splijtstoffen of ertsen te bewaren op een zodanige bij het voorschrift aan te geven plaats en wijze, dat er geen schade kan optreden;
- b. splijtstoffen of ertsen zodanig te bewaren, dat zij zo veel mogelijk zijn beveiligd tegen brand of het op andere wijze verloren gaan;
- c. een of meer aan de onderneming of instelling verbonden functionarissen aan te wijzen, speciaal belast met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met het oog op de bewaring aan de vergunning verbonden voorschriften, alsmede met het toezicht op de naleving van die maatregelen.
Artikel 37
Vervallen
Artikel 38
Vervallen
Artikel 39
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet, welke uitsluitend of mede betrekking heeft op een inrichting of uitrusting, waarop de Wet aansprakelijkheid kernongevallen dan wel de wet van 24 oktober 1973, houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen (Stb. 536), van toepassing is, wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade, hun toegebracht, het voorschrift verbonden tot het hebben en in stand houden van een zodanige verzekering of andere financiële zekerheid als waartoe de houder van de vergunning ingevolge die wettelijke regeling gehouden is.
Artikel 40
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de nakoming van internationale verplichtingen verbonden, indien die vergunning uitsluitend of mede strekt tot het doen van verrichtingen met gebruikmaking van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of uitrusting ten aanzien waarvan internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, welke voor Nederland verbindend zijn en geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op het gebied van de kernenergie of van de ioniserende straling, de staat verplichtingen opleggen.
Voorschriften als in het eerste lid bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
- a. ten aanzien van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld de geheimhouding te verzekeren of deze met inachtneming van in het voorschrift aangegeven beperkingen te gebruiken;
- b. aan bij het voorschrift aangewezen organen, waaraan een taak is opgedragen ter zake van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten of besluiten, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond.
Artikel 41
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen, indien binnen een locatie:
- a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstof of erts lager is dan de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijstellingswaarde; of
- b. de activiteitsconcentratie van die stof of dat erts lager is dan de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijstellingswaarde.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
- a. splijtstoffen of ertsen worden toegediend aan personen en, voorzover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor:
- 1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
- 2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
- 3°. het toevoegen van splijtstoffen of ertsen aan consumentenproducten.
Het bij of krachtens artikel 3.17, tweede, derde en zesde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid, is een registratieplicht van toepassing. Artikel 3.9 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen, indien:
de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken splijtstoffen of ertsen lager is dan de desbetreffende bij of krachtens artikel 3.20 of 3.21, in samenhang met artikel 3.22, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde vrijgavewaarde.
Het bepaalde bij of krachtens artikel 3.17, tweede en zesde lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming en artikel 41, vierde lid, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen, indien het betreft:
- a. ingekapselde bronnen die worden teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of geleverd;
- b. een feitelijke levering van splijtstoffen of ertsen door enkele overgave aan een derde met het oog op:
- 1°. gebruik, product- of materiaalhergebruik van splijtstoffen of ertsen,
- 2°. inzameling van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen;
- c. een afgifte aan een krachtens artikel 22, vierde lid, van de wet aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen splijtstoffen of ertsen;
- d. het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen door afgifte aan een door de Autoriteit erkende ophaaldienst van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen;
- e. een afgifte aan een door de Autoriteit aangewezen instelling voor de ontvangst van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen.
Het derde lid geldt alleen indien de ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is van een vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins gerechtigd is de stoffen te ontvangen.
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een erkenning van een ophaaldienst of een aanwijzing van een instelling voor de ontvangst van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 43
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen door middel van lozing in de lucht, in het openbare riool of in het oppervlaktewater, indien:
- a. bij lozing in de lucht, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 1 radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie, als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- b. bij lozing in het openbare riool, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 10 radiotoxiciteitsequivalenten voor ingestie, als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
- c. bij lozing in het oppervlaktewater, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 0,1 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie, als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt in radiotoxiciteitsequivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch verval door middel van de correctiefactoren zoals aangegeven in bijlage 2 bij het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Hoofdstuk IV. Regelen betreffende aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet te verbinden voorschriften
§ 1. Bescherming van mensen, dieren, planten en goederen
Artikel 31
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden zodanige voorschriften verbonden, dat:
- schade, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
- in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, schade, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt beperkt;
- in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, het aantal aan ioniserende straling blootgestelde personen, met vermijding van een ontoelaatbaar te achten blootstelling of besmetting per persoon, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt beperkt.
Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften behoren voorschriften om te verzekeren dat de gebruikte installatie en alles wat daartoe behoort in goede staat van onderhoud verkeert.
Artikel 31a
Vervallen
Artikel 32
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, is verplicht de lozingen van radioactief materiaal te controleren en deze te rapporteren aan de Autoriteit overeenkomstig bij verordening van de Autoriteit gestelde regels.
Artikel 33
Ter voorkoming van gevaar, schade of hinder buiten de inrichting kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet ook andere voorschriften worden verbonden dan bedoeld in artikel 31, eerste lid.
Artikel 34
Tot de in artikel 31, eerste lid, bedoelde voorschriften behoren, indien het betreft een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, een voorschrift omtrent de Nederlandse wateren, welke het vaartuig mag bevaren, en omtrent de havens, waar het vaartuig bij verblijf in Nederland ligplaats mag hebben.
Tot de in artikel 31, eerste lid, bedoelde voorschriften behoren, indien het betreft een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, niet zijnde een vergunning als bedoeld in artikel 14, voorschriften als bedoeld in artikel 33, eerste lid en tweede lid.
Tot de in artikel 31, eerste lid, bedoelde voorschriften kunnen, indien het betreft een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet, niet zijnde een vergunning als bedoeld in artikel 14, behoren:
- a. een voorschrift als bedoeld in artikel 33, derde lid;
- b. het voorschrift, dat het betrokken vaartuig daarbij aangewezen Nederlandse wateren slechts mag bevaren en in daarbij aangewezen Nederlandse havens slechts ligplaats mag kiezen, indien tenminste een bij het voorschrift bepaalde tijd van tevoren van het voornemen daartoe mededeling is gedaan aan daarbij aangewezen autoriteiten;
- c. het voorschrift, dat splijtstoffen in Nederland slechts in de uitrusting mogen worden aangebracht of uit de uitrusting mogen worden genomen op een door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen plaats;
- d. het voorschrift, dat de uitrusting, na het inbrengen van splijtstoffen, in Nederland slechts ter beproeving in werking mag worden gebracht op een in het voorschrift of door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaats.
§ 2. Veiligheid van de staat
Artikel 35
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de veiligheid van de staat verbonden, indien de vergunning uitsluitend of mede betrekking heeft op het verrichten van handelingen:
- a. met gebruikmaking van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of een uitrusting, ten aanzien waarvan naar het oordeel van Onze Ministers, in overeenstemming met Onze Ministers, wie het mede aangaat, het belang van de veiligheid van de staat het opleggen van een verplichting tot geheimhouding of een beperking ten aanzien van het gebruik vereist, of
- b. waarbij onderzoekingen worden verricht of werkmethoden worden toegepast, ten aanzien waarvan naar het oordeel van Onze Ministers, in overeenstemming met Onze Ministers, wie het mede aangaat, het belang van de veiligheid van de staat het opleggen van een verplichting tot geheimhouding vereist, of
- c. welke blijkens een verklaring van Onze Ministers, wie het mede aangaat, van vitaal belang zijn voor de militaire of civiele verdediging.
Voorschriften als in het eerste lid bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
- a. ten aanzien van gegevens, hulpmiddelen, materialen, een inrichting of een uitrusting dan wel onderzoekingen of werkmethoden als in het eerste lid bedoeld de geheimhouding te verzekeren;
- b. gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld met inachtneming van in het voorschrift aangegeven beperkingen te gebruiken;
- c. terreinen, gebouwen en ruimten, waar handelingen als in het eerste lid bedoeld worden verricht dan wel gegevens, hulpmiddelen of materialen, met gebruikmaking waarvan zodanige handelingen worden verricht, worden bewaard, op een bij het voorschrift bepaalde wijze te beveiligen;
- d. het gebruik van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede het aanwenden van uit zodanig gebruik voortvloeiende kennis op een bij het voorschrift bepaalde wijze te regelen;
- e. Onze Ministers of in het voorschrift aangewezen Nederlandse controle-organen tijdig in kennis te stellen van een voorgenomen vervanging van de met de leiding van de onderneming of instelling, waaraan de vergunning is verleend, belaste persoon of personen;
- f. alle of bepaalde werkzaamheden uitsluitend te doen verrichten door personen, ten aanzien van wie Onze bij het voorschrift aangewezen Minister heeft verklaard, dat naar zijn oordeel voldoende waarborgen aanwezig kunnen worden geacht, dat zij de verplichting met betrekking tot de geheimhouding naar behoren zullen vervullen;
- g. bij het voorschrift aangewezen organen, waaraan een taak is opgedragen terzake van de uitvoering van de wet, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen, dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond;
- h. Onze bij het voorschrift aangewezen Minister of bij het voorschrift aangewezen Nederlandse controle-organen onverwijld in te lichten, indien ernstige inbreuken op de naleving van de met het oog op de veiligheid van de staat gegeven voorschriften dan wel spionage worden vermoed of ontdekt;
- i. een aan de onderneming of instelling verbonden functionaris aan te wijzen, speciaal belast met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met het oog op de veiligheid van de staat aan de vergunning verbonden voorschriften, alsmede met het toezicht op de naleving van die maatregelen.
§ 1. Voorkoming van schade.
Artikel 36
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)