Besluit van 4 september 1969, tot uitvoering van de artikelen 16, 17, 19, eerste lid, en 21 van de Kernenergiewet
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de bewaring en bewaking van splijtstoffen en ertsen verbonden, indien en voor zover zulks nodig is voor de bescherming van de in artikel 15b, eerste lid, van de wet, onder a, b, d of f bedoelde belangen.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid kunnen de verplichting inhouden:
- a. splijtstoffen of ertsen te bewaren op een zodanige bij het voorschrift aan te geven plaats en wijze, dat er geen stralings- of besmettingsgevaar voor mensen, dieren, planten of goederen kan optreden;
- b. splijtstoffen of ertsen zodanig te bewaren, dat zij zo veel mogelijk zijn beveiligd tegen brand, diefstal of het op andere wijze verloren gaan;
- c. terreinen, gebouwen en ruimten, waar splijtstoffen of ertsen worden bewaard, op een bij dat voorschrift aan te geven wijze te bewaken;
- d. een of meer aan de onderneming of instelling verbonden functionarissen aan te wijzen, speciaal belast met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met het oog op de bewaring en bewaking aan de vergunning verbonden voorschriften, alsmede met het toezicht op de naleving van die maatregelen.
§ 6. Ontmantelingsplan
Artikel 37
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet worden voorschriften met het oog op de energievoorziening verbonden, indien een geregelde voorziening met splijtstoffen of ertsen niet in voldoende mate is gewaarborgd.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid kunnen de verplichting inhouden splijtstoffen of ertsen uitsluitend van bij het voorschrift aan te wijzen leveranciers te betrekken dan wel aan daarbij aan te wijzen afnemers te leveren.
Artikel 38
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet ten aanzien van een inrichting, bestemd voor de opwekking van thermische of elektrische energie voor de openbare energievoorziening, worden voorschriften met het oog op de energievoorziening verbonden, indien:
- a. een geregelde voorziening van voor die inrichting vereiste splijtstoffen niet in voldoende mate is gewaarborgd, dan wel
- b. het ononderbroken in bedrijf houden van de inrichting niet in voldoende mate is gewaarborgd.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder a, kunnen de verplichting inhouden tot het aanhouden van een voorraad splijtstoffen van bij het voorschrift te bepalen aard en samenstelling, in een daarbij te bepalen omvang, gedurende daarbij te bepalen tijdvakken.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder b, kunnen de verplichting inhouden om de inrichting op een landelijk koppelnet te doen aansluiten dan wel op een andere wijze te beschikken over een zodanig reservevermogen, dat de energievoorziening gedurende een bij het voorschrift te bepalen tijdvak is gewaarborgd.
§ 5. Het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade of letsel, hun toegebracht
Artikel 39
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet, welke uitsluitend of mede betrekking heeft op een inrichting of uitrusting, waarop de Wet aansprakelijkheid kernongevallen dan wel de wet van 24 oktober 1973, houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen (Stb. 536), van toepassing is, wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade of letsel, hun toegebracht, het voorschrift verbonden tot het hebben en in stand houden van een zodanige verzekering of andere financiële zekerheid als waartoe de houder van de vergunning ingevolge die wettelijke regeling gehouden is.
§ 2. Veiligheid van de staat
Artikel 40
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de nakoming van internationale verplichtingen verbonden, indien die vergunning uitsluitend of mede strekt tot het verrichten van handelingen met gebruikmaking van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of uitrusting ten aanzien waarvan internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, welke voor Nederland verbindend zijn en geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op het gebied van de kernenergie of van de ioniserende straling, de staat verplichtingen opleggen.
Voorschriften als in het eerste lid bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
- a. ten aanzien van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld de geheimhouding te verzekeren of deze met inachtneming van in het voorschrift aangegeven beperkingen te gebruiken;
- b. aan bij het voorschrift aangewezen organen, waaraan een taak is opgedragen ter zake van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten of besluiten, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond.
Hoofdstuk V. Vrijstellingen van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod
§ 4. Energievoorziening
Artikel 41
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben in een inrichting van onbestraalde splijtstoffen, welke uitsluitend natuurlijk of verarmd uranium tot ten hoogste 100 gram van elk dezer elementen en geen plutonium bevatten.
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt voorts niet voor het voorhanden hebben van onbestraalde splijtstoffen, welke uitsluitend natuurlijk thorium in de vorm van gloeikousen bevatten.
Het eerste lid geldt niet, indien de splijtstoffen, behalve uranium en de natuurlijke vervalprodukten daarvan, nog andere radioactieve nucliden bevatten en uit dien hoofde, bij overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 25 van het Besluit stralingsbescherming, daarvoor het in dat artikel bedoelde verbod zou gelden.
Artikel 42
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van:
- a. ertsen, indien zij verpakt zijn in waterdichte metalen vaten;
- b. niet of op andere wijze dan onder a bedoeld verpakte ertsen, indien de specifieke activiteit van de betrokken ertsen niet meer bedraagt dan 500 becquerel per gram;
- c. ertsen, die uitsluitend voorhanden worden gehouden voor onderwijs- of tentoonstellingsdoeleinden.
Artikel 43
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van:
- a. splijtstoffen in de gevallen, waarin deze overeenkomstig artikel 41 zonder vergunning voorhanden worden gehouden;
- b. ertsen, waarvan de specifieke activiteit niet meer bedraagt dan 500 becquerel per gram;
- c. splijtstoffen of ertsen, voor zover dit geschiedt door afgifte aan een persoon, die krachtens de wet bevoegd is die stoffen voorhanden te hebben, dan wel aan een persoon, die krachtens de wet bevoegd is die stoffen te vervoeren, en de stoffen bestemd zijn voor een persoon, die krachtens de Nederlandse, Belgische of Luxemburgse wet bevoegd is die stoffen voorhanden te hebben, of voor een persoon in een ander land dan Nederland, België of Luxemburg;
- d. splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen door afgifte aan een door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen.
Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing ten aanzien van het zich ontdoen van splijtstoffen door lozing in lucht of water indien:
- a. bij lozing in lucht de concentratie van de betrokken splijtstoffen bij het verlaten van het lozingskanaal hoger is dan 0,05 becquerel per kubieke meter;
- b. bij lozing in water de concentratie van uranium onderscheidenlijk thorium bevattende splijtstoffen bij het verlaten van het lozingskanaal hoger is dan 500 becquerel onderscheidenlijk 50 becquerel per liter.
Degene, die zich in een geval als in het eerste lid bedoeld van splijtstoffen of ertsen ontdoet door afgifte ten vervoer, dient ervoor zorg te dragen, dat aan de voor het betrokken vervoer geldende voorschriften met betrekking tot de verpakking en de daarop aan te brengen opschriften en gevaarsetiketten wordt voldaan.
§ 7. Voorziening voor de opslag van splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en radioactieve afvalstoffen
Artikel 44
Het in artikel 15, onder b, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het oprichten, in werking brengen, in werking houden of wijzigen van een inrichting, waarin splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen, in het geval, dat die inrichting niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor een met de splijtstoffenkringloop verband houdend vervaardigingsproces of voor het voorhanden hebben van andere dan onbestraalde splijtstoffen en:
- a. de voorhanden splijtstoffen geen plutonium of verrijkt uranium bevatten, dan wel
- b. de grootste hoeveelheid splijtstoffen, die te eniger tijd in de inrichting voorhanden wordt gehouden, niet meer bevat dan 375 gram plutonium-239, plutonium-241 of uranium-233, dan wel niet meer dan 600 gram uranium-235, met dien verstande, dat bij aanwezigheid van meer dan een van deze nucliden de som van de breuken, verkregen door het aantal grammen van ieder dier nucliden te delen door de voor dat nuclide hiervoor vastgestelde maximale hoeveelheid, niet groter mag zijn dan 1.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 45
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Artikel 1a
Het in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet bedoelde percentage van in splijtstoffen aanwezig uranium, plutonium of thorium is onderscheidenlijk een tiende, een tiende en drie, gerekend naar het gewicht.
Hoofdstuk II. Aanvragen om vergunningen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 3a
Indien binnen een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet of op een locatie waarop een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht reeds splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen voorhanden zijn, of toestellen worden gebruikt, heeft de risicoanalyse, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onder e, en derde lid, onder e, 5, eerste lid, onder d, en tweede lid, onder d, 6, eerste lid, onder h, en 9, eerste lid, onder f, betrekking op de totaal ten gevolge van die inrichting of die locatie ontvangen effectieve dosis. De berekening van de effectieve dosis, bedoeld in de eerste volzin, heeft geen betrekking op de effectieve dosis ten gevolge van handelingen van een persoon als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de risicoanalyses, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onder e, en derde lid, onder e, 5, eerste lid, onder d, en tweede lid, onder d, 6, eerste lid, onder h en i, 9, eerste lid, onder f, en 10, tweede lid, onder b, ten 6°.
§ 2. Aanvragen om een vergunning voor het voorhanden hebben of het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen
§ 3. Aanvragen om een vergunning ten aanzien van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet
Artikel 10
Indien een aanvraag om een vergunning tot wijziging van een inrichting als bedoeld in de artikelen 6, 7, 8 of 9 mede strekt tot het buiten gebruik stellen of ontmantelen van de inrichting of een deel daarvan, bevat de aanvraag in ieder geval:
- a. een opgave van de vergunning krachtens welke de betrokken inrichting is opgericht dan wel in werking gebracht of gehouden;
- b. een ontmantelingsplan.
Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid bevat tevens, indien het betrekking heeft op een inrichting:
- a. als bedoeld in de artikelen 6, 7 of 8: een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, en een risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder i,
- b. als bedoeld in artikel 9: een beschrijving van maatregelen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder e, en een risicoanalyse als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, met dien verstande dat het veiligheidsrapport, de beschrijving van maatregelen en de risicoanalyses betrekking hebben op de buitengebruikstelling of de ontmanteling.
De aanvraag voor het wijzigen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:
- a. een opgave van de vergunning krachtens welke de betrokken inrichting buiten gebruik is gesteld of wordt ontmanteld;
- b. een beschrijving van de voorgenomen wijziging;
- c. indien de voorgenomen wijziging van invloed is op een of meer gegevens als vermeld in het ontmantelingsplan genoemd in het eerste lid, onder b, een desbetreffende aanvulling van dat plan.
Gelijktijdig met de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen van een inrichting als bedoeld in het eerste lid, wordt een aanvraag ingediend om een vergunning voor het ontmantelen van die inrichting.
§ 4. Aanvragen om een vergunning ten aanzien van een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, van de wet
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende beschikkingen ter zake van vergunningen als bedoeld in hoofdstuk II
§ 2. Beschikkingen op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing zijn
§ 3. Weigering van vergunningen
Hoofdstuk IIIa. Algemene regels
Artikel 20
Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet regels stellen waaraan het ontwerp en de bedrijfsvoering in verband met de voorkoming van schade moeten voldoen.
Hoofdstuk IV. Regelen betreffende aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet te verbinden voorschriften
§ 1. Voorkoming van schade.
Artikel 36
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de bewaring en bewaking van splijtstoffen en ertsen verbonden, indien en voor zover zulks nodig is voor de bescherming van de in artikel 15b, eerste lid, van de wet, onder a, b, d of f bedoelde belangen.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid kunnen de verplichting inhouden:
- a. splijtstoffen of ertsen te bewaren op een zodanige bij het voorschrift aan te geven plaats en wijze, dat er geen schade kan optreden;
- b. splijtstoffen of ertsen zodanig te bewaren, dat zij zo veel mogelijk zijn beveiligd tegen brand, diefstal of het op andere wijze verloren gaan;
- c. terreinen, gebouwen en ruimten, waar splijtstoffen of ertsen worden bewaard, op een bij dat voorschrift aan te geven wijze te bewaken;
- d. een of meer aan de onderneming of instelling verbonden functionarissen aan te wijzen, speciaal belast met het treffen van maatregelen ter uitvoering van de met het oog op de bewaring en bewaking aan de vergunning verbonden voorschriften, alsmede met het toezicht op de naleving van die maatregelen.
§ 4. Energievoorziening
Artikel 37
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder a, van de wet worden voorschriften met het oog op de energievoorziening verbonden, indien een geregelde voorziening met splijtstoffen of ertsen niet in voldoende mate is gewaarborgd.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid kunnen de verplichting inhouden splijtstoffen of ertsen uitsluitend van bij het voorschrift aan te wijzen leveranciers te betrekken dan wel aan daarbij aan te wijzen afnemers te leveren.
Artikel 38
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet ten aanzien van een inrichting, bestemd voor de opwekking van thermische of elektrische energie voor de openbare energievoorziening, worden voorschriften met het oog op de energievoorziening verbonden, indien:
- a. een geregelde voorziening van voor die inrichting vereiste splijtstoffen niet in voldoende mate is gewaarborgd, dan wel
- b. het ononderbroken in bedrijf houden van de inrichting niet in voldoende mate is gewaarborgd.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder a, kunnen de verplichting inhouden tot het aanhouden van een voorraad splijtstoffen van bij het voorschrift te bepalen aard en samenstelling, in een daarbij te bepalen omvang, gedurende daarbij te bepalen tijdvakken.
Voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder b, kunnen de verplichting inhouden om de inrichting op een landelijk koppelnet te doen aansluiten dan wel op een andere wijze te beschikken over een zodanig reservevermogen, dat de energievoorziening gedurende een bij het voorschrift te bepalen tijdvak is gewaarborgd.
Artikel 39
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b of c, van de wet, welke uitsluitend of mede betrekking heeft op een inrichting of uitrusting, waarop de Wet aansprakelijkheid kernongevallen dan wel de wet van 24 oktober 1973, houdende regelen inzake wettelijke aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen (Stb. 536), van toepassing is, wordt met het oog op het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade, hun toegebracht, het voorschrift verbonden tot het hebben en in stand houden van een zodanige verzekering of andere financiële zekerheid als waartoe de houder van de vergunning ingevolge die wettelijke regeling gehouden is.
§ 3. Bewaring van splijtstoffen en ertsen
Artikel 40
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet worden voorschriften met het oog op de nakoming van internationale verplichtingen verbonden, indien die vergunning uitsluitend of mede strekt tot het doen van verrichtingen met gebruikmaking van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel van een inrichting of uitrusting ten aanzien waarvan internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, welke voor Nederland verbindend zijn en geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op het gebied van de kernenergie of van de ioniserende straling, de staat verplichtingen opleggen.
Voorschriften als in het eerste lid bedoeld kunnen de verplichting inhouden:
- a. ten aanzien van gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld de geheimhouding te verzekeren of deze met inachtneming van in het voorschrift aangegeven beperkingen te gebruiken;
- b. aan bij het voorschrift aangewezen organen, waaraan een taak is opgedragen ter zake van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten of besluiten, in het voorschrift omschreven inlichtingen te doen toekomen betreffende gegevens, hulpmiddelen of materialen dan wel een inrichting of uitrusting als in het eerste lid bedoeld, alsmede een op het verstrekken van zodanige inlichtingen gerichte administratie te voeren, aan de hand waarvan de juistheid van de verstrekte inlichtingen op eenvoudige wijze kan worden aangetoond.
Hoofdstuk V. Vrijstellingen van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
Artikel 41
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen, indien binnen een locatie:
- a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstof of erts lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming genoemde waarde; of
- b. de activiteitsconcentratie van die stof of dat erts lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming genoemde waarde.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
- a. splijtstoffen of ertsen worden toegediend aan personen en, voorzover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor:
- 1°. het stellen van medische of veterinaire diagnoses;
- 2°. therapie of (bio)medisch onderzoek;
- b. splijtstoffen of ertsen worden toegevoegd aan producten, bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen.
Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
Artikel 41a
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor handelingen met apparaten die een ingekapselde bron bevatten waarbij de bij of krachtens artikel 3.17 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgestelde waarde voor de activiteit en de activiteitsconcentratie wordt overschreden, op voorwaarde dat:
- 1°. het apparaat behoort tot een bij verordening of beschikking van de Autoriteit goedgekeurd type;
- 2°. het apparaat onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 m van enige bereikbare buitenzijde daarvan geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 microsievert per uur, en
- 3°. de Autoriteit voorwaarden voor recycling of verwijdering heeft vastgesteld.
Artikel 42
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen, indien:
- a. de activiteit van de radionucliden in de betrokken splijtstoffen of ertsen in een kalenderjaar lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming genoemde waarde of
- b. de activiteitsconcentratie van die stof of dat erts lager is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming genoemde waarde.
Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming en artikel 41, vierde lid, van dit besluit bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen voor product- of materiaalhergebruik of van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen, indien het betreft:
- a. ingekapselde bronnen die worden teruggenomen door degene die de bron heeft vervaardigd of geleverd;
- b. een feitelijke levering van splijtstoffen of ertsen door enkele overgave aan een derde met het oog op:
- 1°. gebruik, product- of materiaalhergebruik van splijtstoffen of ertsen,
- 2°. inzameling van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen;
- c. een afgifte aan een krachtens artikel 22, vierde lid, van de wet aangewezen instelling voor ontvangst van in bezit genomen splijtstoffen of ertsen;
- d. het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen door afgifte aan een door Onze Ministers erkende ophaaldienst van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen;
- e. een afgifte aan een door Onze Ministers aangewezen instelling voor de ontvangst van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen.
Het derde lid geldt alleen indien de ondernemer zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger in het bezit is van een vergunning voor de desbetreffende handeling of anderszins gerechtigd is de stoffen te ontvangen.
Artikel 43
Het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen door middel van lozing in de lucht, in het openbare riool of in het oppervlaktewater, indien:
- a. bij lozing in de lucht, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 1 radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie, als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit stralingsbescherming;
- b. bij lozing in het openbare riool, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 10 radiotoxiciteitsequivalenten voor ingestie, als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit stralingsbescherming;
- c. bij lozing in het oppervlaktewater, de activiteit van de in totaal in een kalenderjaar geloosde hoeveelheid splijtstoffen of ertsen bij het verlaten van de locatie via een lozingspunt lager is dan 0,1 radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie, als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit stralingsbescherming.
De geloosde hoeveelheden, uitgedrukt in radiotoxiciteitsequivalenten, worden gecorrigeerd voor fysisch verval door middel van de correctiefactoren zoals aangegeven in bijlage 2 bij het Besluit stralingsbescherming.
§ 2. Inrichtingen
Artikel 44
Het in artikel 15, onder b, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het oprichten, in werking brengen, in werking houden of wijzigen van een inrichting, waarin splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen, in het geval, dat die inrichting niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor een met de splijtstoffenkringloop verband houdend vervaardigingsproces of voor het voorhanden hebben van andere dan onbestraalde splijtstoffen en:
- a. de voorhanden splijtstoffen geen plutonium of verrijkt uranium bevatten, dan wel
- b. de grootste hoeveelheid splijtstoffen, die te eniger tijd in de inrichting voorhanden wordt gehouden, niet meer bevat dan 375 gram plutonium-239, plutonium-241 of uranium-233, dan wel niet meer dan 600 gram uranium-235, met dien verstande, dat bij aanwezigheid van meer dan een van deze nucliden de som van de breuken, verkregen door het aantal grammen van ieder dier nucliden te delen door de voor dat nuclide hiervoor vastgestelde maximale hoeveelheid, niet groter mag zijn dan 1.
Hoofdstuk V. Vrijstellingen van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod
Artikel 45
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Artikel 21
Het is verboden in een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, nucleaire drukapparatuur te gebruiken die niet is goedgekeurd door een daartoe door de Autoriteit aangewezen instelling.
De Autoriteit stelt in het belang van de veilige werking van nucleaire drukapparatuur in een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, bij verordening de voorschriften vast waaraan die apparatuur moet voldoen.
De Autoriteit stelt bij verordening regels met betrekking tot het aanwijzen van de in het eerste lid bedoelde instellingen, de eisen waar deze instellingen aan moeten voldoen met het oog op de aanwijzing en de duur van de aanwijzing.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet:
- a. laat voor de ingebruikneming van de nucleaire drukapparatuur in die inrichting verrichten:
- 1°. een beoordeling van het ontwerp van de nucleaire drukapparatuur;
- 2°. een keuring van de fabricage van de nucleaire drukapparatuur;
- 3°. een keuring voor de ingebruikneming van de nucleaire drukapparatuur;
- b. laat nucleaire drukapparatuur gedurende het gebruik keuren overeenkomstig een door de Autoriteit goedgekeurd keuringsprogramma.
De Autoriteit stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de wijze waarop de beoordelingen en keuringen, bedoeld in het vierde lid, worden verricht en goedkeuringen worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het in het eerste lid gestelde verbod mede geldt voor gebruik in een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, van bij of krachtens die regeling aangewezen andere drukapparatuur die bij defecten de verspreiding van radioactiviteit kan veroorzaken. Het tweede tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing voor zover dat bij of krachtens die regeling is bepaald.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet houdt met betrekking tot nucleaire drukapparatuur, die in zijn inrichting wordt of is geïnstalleerd, een administratie bij volgens bij verordening van de Autoriteit te stellen regels.
Goedkeuring van nucleaire drukapparatuur, die voor het in werking treden van dit artikel is verleend aan de hand van een keuring overeenkomstig het Stoombesluit, wordt gelijkgesteld met goedkeuring, verleend na een keuring overeenkomstig de krachtens het tweede lid bij verordening vastgestelde voorschriften.
Artikel 23
De artikelen 4.3, 4.4, 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, 4.9, 4.10, eerste en tweede lid, 4.11, eerste en tweede lid, 4.12, eerste lid,4.13, 4.14, eerste en tweede lid, 4.19, aanhef en onder d, 4.22, 4.23, eerste tot en met derde lid, 4.24, eerste tot en met derde lid, 4.25, 4.26, 4.27, en 4.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de artikelen 8.13, tweede lid, en 8.38 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 13.17, 13.20, 13.21, 13.22, derde lid, en 13.24 tot en met 13.28 van het Omgevingsbesluit zijn van overeenkomstige toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet waarin krachtens vergunning gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of mogen zijn of kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen, in een hoeveelheid van ten minste de drempelwaarde, bedoeld in bijlage I, deel 1 of deel 2, bij de Seveso-richtlijn, met inachtneming van de aantekeningen bij die bijlage.
Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot gevaarlijke stoffen die tevens radioactief zijn.
Artikel 24
Het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h, en het opgestelde preventiebeleid, bedoeld in artikel 4.10, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dan wel het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14, eerste en tweede lid, van dat besluit, kunnen tot één veiligheidsrapport worden gecombineerd.
Bijlage. behorende bij artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn:
-
- Onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
-
- Onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Bestraalde splijtstoffen
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Artikel 22
Een referentiedreiging of wijziging daarvan wordt door Onze Minister vastgesteld.
Een referentiedreiging wordt na vaststelling medegedeeld aan de houders van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet:
- a. treft de beveiligingsmaatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de inrichting of de in bijlage 1 genoemde splijtstoffen of ertsen, die krachtens het zevende of achtste lid zijn aangewezen als categorie I-, II- of III-materiaal, te beveiligen tegen de dreigingen zoals omschreven in de referentiedreiging. Daarbij handelt de vergunninghouder overeenkomstig het goedgekeurde beveiligingspakket, bedoeld in artikel 22a;
- b. treft in ieder geval de beveiligingsmaatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de in bijlage 2 genoemde maximale waarde voor de hoeveelheid radioactiviteit geëmitteerd naar de lucht, bepaald overeenkomstig die bijlage, of de maximale waarden voor de effectieve dosis ontvangen door een lid van de bevolking of een werknemer als bedoeld in artikel 1.2 juncto bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming, bepaald overeenkomstig bijlage 2 van dit besluit, worden overschreden.
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, stemt de combinatie en het niveau van de beveiligingsmaatregelen af op:
- 1°. de aard van het materiaal, bedoeld in het derde lid, onder a, en de inrichting, en
- 2°. de omvang van de mogelijke gevolgen door blootstelling aan straling van mensen, dieren, planten en goederen in het geval van diefstal of sabotage van categorie I-, II- of III-materiaal of sabotage van de inrichting.
De beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen worden door de houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, zodanig ontworpen en uitgevoerd dat deze elkaar complementeren en niet belemmeren. Hij treft zodanige maatregelen dat het ontstaan van mogelijke conflicten tussen de beveiligingsmaatregelen en nucleaire veiligheidsmaatregelen zoveel mogelijk wordt tegengegaan of, waar deze conflicten zich toch zouden voordoen, deze zo spoedig mogelijk worden opgeheven.
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, treft de organisatorische, bouwkundige, elektronische en informatiebeveiligingsmaatregelen die in samenhang ten minste weerstand bieden tegen de dreigingen uit de referentiedreiging en die zorgdragen voor een tijdige respons.
Bij verordening van de Autoriteit worden met het oog op de te treffen beveiligingsmaatregelen de in bijlage 1 genoemde splijtstoffen of ertsen aangewezen als categorie I-, II- of III-materiaal, overeenkomstig de Table of Categorization of nuclear material behorend bij de Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities.
De Autoriteit kan, in afwijking van de aanwijzing, bedoeld in het zevende lid, overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden zoals opgenomen in de Table of Categorization of nuclear material, bij verordening of besluit het daarbij aangewezen materiaal indelen in een andere categorie.
Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het derde tot en met zesde lid.
Artikel 44a
Een aanvraag om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld als bedoeld in artikel 15f, eerste lid, van de wet wordt ingediend bij Onze Minister met gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Minister van Financiën.
Een aanvraag om goedkeuring als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval de volgende gegevens:
- a. een overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de betrokken inrichting, bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarbij wordt uitgegaan van het laatst door de Autoriteit goedgekeurde ontmantelingsplan en de voorschriften die op grond van artikel 27, vierde lid, aan de goedkeuring van het ontmantelingsplan zijn verbonden;
- b. een berekening van de kosten behorende bij de onder a bedoelde kostenposten, bepaald aan de hand van een algemeen aanvaarde methode en op basis van het prijspeil op het moment van de indiening van de aanvraag;
- c. een omrekening van de overeenkomstig onderdeel b bepaalde kosten naar de kosten op het moment van de buitengebruikstelling en de ontmanteling, bepaald aan de hand van een algemeen aanvaarde indexeringsmethode;
- d. een overzicht waaruit blijkt dat het bedrag van de berekening van de kosten op het moment van de buitengebruikstelling en de ontmanteling is gedekt door financiële zekerheid.
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de aanvraag om goedkeuring.
Artikel 44b
De houder van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet actualiseert de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld nadat het ontmantelingsplan of een wijziging daarvan door de Autoriteit is goedgekeurd of wanneer Onze Minister of Onze Minister van Financiën dit nodig acht.
De vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, dient binnen zes maanden na goedkeuring van het ontmantelingsplan onderscheidenlijk binnen zes maanden nadat Onze Minister of Onze Minister van Financiën kenbaar heeft gemaakt actualisatie van de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld, nodig te achten, een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid in.
Artikel 44c
Gelijktijdig met de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet wordt een aanvraag ingediend om goedkeuring voor de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld.
Indien het eerste lid van toepassing is, wordt in afwijking van artikel 44a, tweede lid, onder a, bij het overzicht van de verschillende kostenposten voor de buitengebruikstelling en de ontmanteling uitgegaan van het ontmantelingsplan zoals dat is ingediend bij de aanvraag om een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van de inrichting.
Artikel 44d
De houder van een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet actualiseert de wijze waarop financiële zekerheid is gesteld na wijziging van die vergunning, voor zover die wijziging betrekking heeft op het ontmantelingsplan.
De vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, dient binnen zes maanden na wijziging van de vergunning een aanvraag om goedkeuring van de geactualiseerde financiële zekerheid in.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 45
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.
Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Bijlage. behorende bij artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn:
-
- Onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
-
- Onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Bestraalde splijtstoffen
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Artikel 25
De houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet beschikt over een ontmantelingsplan.
Artikel 26
Een ontmantelingsplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
- a. de periode waarin de buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden;
- b. de planning van de buitengebruikstelling en de ontmanteling, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in de verschillende fasen waarin de buitengebruikstelling en de ontmanteling plaatsvinden;
- c. de hoeveelheid en de activiteit van de splijtstoffen of radioactieve stoffen die zich in de verschillende fasen van de buitengebruikstelling en de ontmanteling in de inrichting zullen bevinden;
- d. de bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling betrokken medewerkers, hun deskundigheid en onderlinge taakverdeling;
- e. de bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling toe te passen technieken;
- f. de relevante milieuaspecten, in het bijzonder het beheer van radioactieve afvalstoffen die bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling vrijkomen.
Het ontmantelingsplan is gebaseerd op een wijze van buitengebruikstelling en ontmanteling die voldoet aan de artikelen 30 en 30a en de krachtens artikel 30b gestelde regels.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het ontmantelingsplan. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in de aangegeven categorieën van gevallen.
Artikel 27
Het ontmantelingsplan van de houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet en wijzigingen van dat plan behoeven goedkeuring van de Autoriteit.
Goedkeuring wordt geweigerd indien het ontmantelingsplan niet voldoet aan de eisen die bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
De Autoriteit beslist op de aanvraag om goedkeuring van het ontmantelingsplan binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
De Autoriteit kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden.
De Autoriteit kan de goedkeuring intrekken indien het ontmantelingsplan niet meer voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.
Artikel 28
De houder van een vergunning voor het oprichten, het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet handelt overeenkomstig het laatst goedgekeurde ontmantelingsplan.
Artikel 29
Vanaf het tijdstip waarop een vergunning voor het in werking brengen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet is verleend totdat een vergunning voor het buiten gebruik stellen van die inrichting is verleend, actualiseert de houder van de vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van die inrichting het ontmantelingsplan ten minste elke vijf jaar, of wanneer de Autoriteit dit nodig acht.
De actualisatie, bedoeld in het eerste lid, betreft in ieder geval:
- a. de planning van de buitengebruikstelling en de ontmanteling;
- b. de bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling toe te passen technieken;
- c. wijzigingen van de inrichting voor zover deze gevolgen kunnen hebben voor de buitengebruikstelling of de ontmanteling.
Artikel 30
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet vangt aan met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting onmiddellijk nadat de normale bedrijfsvoering is beëindigd.
De Autoriteit kan in bijzondere omstandigheden toestaan dat op een later tijdstip met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de inrichting wordt aangevangen.
De houder van een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet voltooit de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting zo snel als redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 30a
Bij de ontmanteling van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet worden de feitelijke beperkingen die in de weg staan aan de realisatie van elke volgende functie op het terrein waarop de inrichting was gevestigd, weggenomen voor zover die beperkingen het gevolg zijn van die inrichting.
Bij een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet kan de Autoriteit in bijzondere omstandigheden toestaan dat wordt afgeweken van het eerste lid.
Artikel 30b
Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de buitengebruikstelling en de ontmanteling van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet plaatsvinden.
Artikel 30c
De Autoriteit beslist op een aanvraag tot het intrekken van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 30d
Bij de aanvraag tot het intrekken van een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet toont de houder van die vergunning ten genoegen van de Autoriteit aan dat de ontmanteling is voltooid. Hierbij toont hij in ieder geval aan dat aan artikel 30a is voldaan.
De Autoriteit kan bij verordening regels stellen met betrekking tot de wijze waarop wordt aangetoond dat de ontmanteling is voltooid.
Artikel 30e
De in de artikelen 26, derde lid, 30b en 30d, tweede lid, bedoelde regels kunnen tevens betrekking hebben op radioactieve afvalstoffen.
Artikel 30f
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet treft tijdig bij een krachtens artikel 10.6, zevende lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming of artikel 42, derde lid, onder e, aangewezen instelling een voorziening voor de opslag van:
- a. de splijtstof of erts bevattende afvalstoffen die door het gebruik van die inrichting ontstaan,
- b. de splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en de radioactieve afvalstoffen die terugkomen na opwerking van de splijtstoffen die in die inrichting zijn gebruikt en
- c. de radioactieve afvalstoffen die vrijkomen bij de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting.
De Autoriteit kan bij verordening regels stellen over de te treffen voorziening.
Hoofdstuk IV. Regelen betreffende aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet te verbinden voorschriften
§ 2. Veiligheid van de staat
§ 3. Bewaring van splijtstoffen en ertsen
§ 5. Het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomend voor schade, hun toegebracht
§ 6. Nakoming van internationale verplichtingen
Hoofdstuk IV. Regelen betreffende aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet te verbinden voorschriften
§ 1. Voorkoming van schade.
§ 2. Veiligheid van de staat
Hoofdstuk Va. Aanvragen om goedkeuring van financiële zekerheid als bedoeld in artikel 15f van de wet
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn:
-
- Onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
-
- Onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Bestraalde splijtstoffen
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Artikel 30g
De vergunninghouder stelt de kosten die hij in rekening brengt voor het in werking houden van een inrichting waarin splijtstoffen worden opgeslagen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, die op grond van artikel 42, derde lid, onderdeel e, door de Autoriteit is aangewezen, vast op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze. Tot de kosten behoren ook kosten die de vergunninghouder maakt voor onderzoek en ontwikkeling voor het beheer van verbruikte splijtstoffen, zoals dit in het nationaal programma, bedoeld in artikel 40a, is opgenomen.
Hoofdstuk IV. Regelen betreffende aan een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de wet te verbinden voorschriften
§ 1. Voorkoming van schade.
§ 4. Energievoorziening
§ 6. Nakoming van internationale verplichtingen
Hoofdstuk IVa. Nationaal programma
Artikel 40a
Onze Minister stelt een programma als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2011/70/Euratom, vast voor het beheer van verbruikte splijtstoffen.
Het programma bevat een uitwerking van de volgende uitgangspunten:
- a. de beperking van het ontstaan van verbruikte splijtstoffen tot het praktisch haalbare minimum, zowel wat de activiteit als het volume betreft;
- b. de onderlinge afhankelijkheden van alle stappen in het ontstaan en het beheer van verbruikte splijtstoffen;
- c. het veilig beheer van verbruikte splijtstoffen;
- d. voor de lange termijn passieve veiligheidsmaatregelen;
- e. een graduele aanpak bij de uitvoering van de maatregelen;
- f. de kosten voor het beheer van verbruikte splijtstoffen komen ten laste van degene die deze afvalstoffen hebben laten ontstaan;
- g. een empirisch onderbouwd en gedocumenteerd besluitvormingsproces in alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstoffen.
Het programma bevat tevens:
- a. de beleidsdoelstelling ten aanzien van het beheer van alle typen verbruikte splijtstoffen;
- b. de mijlpalen die voor de uitvoering van het programma nodig zijn en het tijdpad voor het bereiken van deze mijlpalen;
- c. een inventarisatie van alle verbruikte splijtstoffen en ramingen van toekomstige hoeveelheden;
- d. concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van verbruikte splijtstoffen, van ontstaan tot eindberging;
- e. concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een inrichting voor eindberging;
- f. onderzoeks-, ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten die nodig zijn om oplossingen voor het beheer van verbruikte splijtstoffen toe te passen;
- g. de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma en de essentiële prestatie-indicatoren voor toezicht op de voortgang van de uitvoering van het programma;
- h. een beoordeling van de kosten van het nationale programma en de onderliggende basis en hypothesen voor deze beoordeling, met inbegrip van een tijdsprofiel;
- i. de financieringsregelingen ter uitvoering van het programma;
- j. het beleid ten aanzien van het verstrekken van informatie met betrekking tot het beheer van verbruikte splijtstoffen aan werknemers en het publiek;
- k. een overzicht van met andere lidstaten en derde landen gesloten overeenkomsten over het beheer van verbruikte splijtstoffen.
Hoofdstuk V. Vrijstellingen van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
§ 2. Inrichtingen
Hoofdstuk Va. Aanvragen om goedkeuring van financiële zekerheid als bedoeld in artikel 15f van de wet
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn:
-
- Onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
-
- Onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Bestraalde splijtstoffen
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
§ 1. Splijtstoffen en ertsen
§ 3. Bewaring van splijtstoffen en ertsen
Hoofdstuk Va. Aanvragen om goedkeuring van financiële zekerheid en aanwijzing van nucleaire inrichtingen zonder kernreactor als bedoeld in artikel 15f van de wet
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Bijlage. behorende bij artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
Splijtstoffen en ertsen als bedoeld in artikel 22 zijn:
-
- Onbestraald plutonium in hoeveelheden van meer dan 15 gram, tenzij het isotoopgehalte aan plutonium-238 meer bedraagt dan 80%
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 20% uranium-235 of meer, in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot 10% uranium-235 of meer, maar tot minder dan 20% uranium-235, in hoeveelheden van meer dan 1 kilogram
-
- Onbestraald uranium, verrijkt tot boven het natuurlijk gehalte, maar tot minder dan 10% uranium-235, in hoeveelheden van 10 kilogram of meer
-
- Onbestraald uranium-233 in hoeveelheden van meer dan 15 gram
-
- Bestraalde splijtstoffen
Onze Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Artikel 44e
Aangewezen overeenkomstig artikel 15f, achtste lid, van de wet, wordt de nucleaire inrichting van URENCO Nederland B.V. te Almelo.
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de inrichting, bedoeld in het eerste lid.
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. Nucleaire drukapparatuur
§ 3. De beveiliging van het voorhanden hebben en het zich ontdoen van splijtstoffen of ertsen en de beveiliging van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet
Artikel 22a
De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, beschikt over een overeenkomstig artikel 22b goedgekeurd beveiligingspakket met een beschrijving van de wijze waarop de inrichting of het categorie I-, II- en III-materiaal wordt beveiligd. Het beveiligingspakket bevat ten minste:
- a. de aanwijzing van een beveiligingsdeskundige en diens plaatsvervanger die belast zijn met de uitvoering en naleving van de beveiligingsmaatregelen en die voldoen aan bij verordening van de Autoriteit gestelde opleidingseisen;
- b. de aanwijzing van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsonderzoeken;
- c. een plan interne beveiligingsorganisatie dat ten minste een omschrijving bevat van de interne beveiligingsorganisatie en de daarmee verband houdende verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden, de getroffen beveiligingsmaatregelen voor daarbij genoemde gebeurtenissen en situaties, de aansluiting op een plan externe beveiligingsorganisatie en de eisen aan het management of managementsysteem;
- d. een omschrijving van de getroffen en te nemen beveiligingsmaatregelen;
- e. de aanwijzing van een alarmcentrale die de elektronische signaleringen ontvangt en beoordeelt en indien nodig assistentie vraagt aan de externe beveiligingsorganisatie, en de beveiliging daarvan;
- f. de aanwijzing van een bedrijfsbeveiligingsdienst;
- g. een evaluatieprogramma bestaande uit testen, controles, audits en oefeningen om de doeltreffendheid van de beveiligingsmaatregelen te kunnen beoordelen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)