Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne
De begeleidingsbrief bevat ten minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde gegevens.
Artikel 10.40
Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, aan wie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte, aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie:
- a. de datum van afgifte;
- b. de naam en het adres van degene van wie de afvalstoffen afkomstig zijn;
- c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de afvalstoffen;
- d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven;
- e. de wijze waarop de afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd;
- f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht had de afvalstoffen naar hem te vervoeren: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.
Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b, worden verstrekt.
Op verzoek van gedeputeerde staten van een provincie of burgemeester en wethouders van een gemeente die terzake bevoegd gezag zijn, worden de gegevens, als bedoeld in het eerste lid, aan gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders gezonden.
Artikel 10.41
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de artikelen 10.38 tot en met 10.40 uitvoering wordt gegeven.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of de melding, bedoeld in de artikelen 10.38, derde lid, en 10.40, voorafgaand aan de afgifte, onderscheidenlijk de ontvangst van afvalstoffen plaatsvindt of erna. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt naar categorie van afvalstoffen.
Artikel 10.42
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aan in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde personen de verplichting worden opgelegd de in dat artikel bedoelde gegevens te melden aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie.
De artikelen 10.40, derde lid, en 10.41 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 9.2.2. Maatregelen
Artikel 10.44b
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
Artikel 10.44b
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
§ 10.6.3. De inzameling van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.48
Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden bepaald dat voor het inzamelen van daarbij aangewezen categorieën van zodanige afvalstoffen een vergunning van Onze Minister is vereist.
Het voor milieubelastende activiteiten bij of krachtens de artikelen 4.5, tweede lid, 5.18. 5.19, 5.26, 5.31, 5.34, eerste en vierde lid, 5.37, 5.38, 5.39, aanhef en onder a, 5.40, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a tot en met e, 5.41, 5.42, tweede lid, 13.5, 16.15, 16.16, 16.55, eerste, derde en vierde lid, 16.65 tot en met 16.68 en 16.139 van de Omgevingswet bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor de toepassing van genoemde artikelen het belang van de bescherming van het milieu beperkt wordt tot het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen.
Onze Minister kan in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen de tarieven vaststellen, die ten minste dan wel ten hoogste in rekening worden gebracht bij het in ontvangst nemen van afvalstoffen door de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10.49
De aan de vergunning, bedoeld in artikel 10.48, eerste lid, te verbinden voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:
- a. dat in daarbij aangewezen categorieën van gevallen afvalstoffen niet mogen worden ingezameld zonder afzonderlijke toestemming van Onze Minister;
- b. de verplichting, daarbij aangewezen afvalstoffen, wanneer zij aan de inzamelaar worden aangeboden, in ontvangst te nemen;
- c. de verplichting, daarbij aangewezen categorieën van afvalstoffen die gescheiden worden afgegeven, afzonderlijk in te zamelen;
- d. de verplichting, daarbij aangewezen afvalstoffen, wanneer zij aan de inzamelaar worden aangeboden, op te halen;
- e. de verplichting afvalstoffen af te geven aan daarbij aangewezen personen.
Een vergunning geldt slechts voor degene aan wie zij is verleend. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.
§ 10.6.1. De afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 10.50
Onze Minister kan, indien voor het beheer van de betrokken stoffen, mengsels of voorwerpen een verplichting deze in te nemen als bedoeld in artikel 9.5.2 of een daaraan gelijkwaardige vrijwillige inname bestaat, bij ministeriële regeling categorieën van gevallen aangeven waarin de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38 tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48 niet gelden.
Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid omvat de verplichting tot het registreren van daarbij aan te geven gegevens op een daarbij aan te geven wijze.
Artikel 10.51
Vervallen
Artikel 10.52
Vervallen
Artikel 10.53
Vervallen
Artikel 10.54
Het is verboden gevaarlijke afvalstoffen tijdens het inzamelen of vervoeren daarvan:
- a. anders dan handmatig te scheiden, of
- b. te mengen, daaronder mede begrepen verdunnen, met andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van afvalstoffen of met andere stoffen dan afvalstoffen.
Het verbod geldt niet voor handelingen die aan degene die gevaarlijke afvalstoffen inzamelt, uitdrukkelijk zijn toegestaan krachtens artikel 10.47 of 10.48.
Artikel 10.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.55
Het is verboden:
- a. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding te vervoeren,
- b. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te verhandelen,
- c. ten behoeve van anderen te bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen,
zonder vermelding als respectievelijk vervoerder, handelaar of bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet voor degene die krachtens artikel 10.45 bevoegd is tot het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
Onze Minister wijst een instantie aan die namens hem zorg draagt voor de vermelding van vervoerders, handelaars en bemiddelaars op de lijst, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de vermelding van vervoerders, handelaars en bemiddelaars op de lijst, bedoeld in het eerste lid. Deze regels bevatten in ieder geval criteria voor vermelding op de lijst en voor beëindiging daarvan.
Een vervoerder, handelaar of bemiddelaar als bedoeld in het eerste lid registreert met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens:
- a. de naam en het adres van degene:
- 1°. van wie de afvalstoffen afkomstig zijn,
- 2°. aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;
- b. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van de afvalstoffen.
Artikel 10.38, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister stelt regels inhoudende de verplichting dat een vervoerder als bedoeld in het eerste lid tijdens het vervoeren daarbij aan te geven bescheiden aanwezig heeft, waaruit blijkt dat hij staat vermeld op de lijst van vervoerders.
Artikel 10.56
Onze Minister stelt regels ter uitvoering van artikel 6 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Ter uitvoering van andere artikelen dan het in het eerste lid genoemde artikel van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen kan Onze Minister regels stellen.
Artikel 10.57
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de titels II en VII van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen binnen Nederland.
Artikel 10.58
Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 53 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Artikel 10.59
Op een kennisgeving als bedoeld in de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen is artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 10.60
Het is verboden afvalstoffen waarop de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van toepassing is, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, indien de voorgenomen overbrenging, nuttige toepassing of verwijdering, naar het oordeel van Onze Minister in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.
Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Het is verboden te handelen in strijd met artikel 49, eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften als bedoeld in de artikelen 35, vijfde lid, 37, vierde lid, of 38, zesde lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met een voorschrift gesteld bij:
- a. artikel 13, tweede lid, 15, onder c, 16, onder a, b, c, eerste of tweede volzin, of d, 18, eerste of tweede lid, of 19 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- b. artikel 35, eerste lid, 38, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45 in verbinding met 42, eerste lid, 46, eerste lid, 47 in verbinding met 42, eerste lid, of 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42, eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, telkens in verbinding met één of meer van de onder a genoemde bepalingen;
- c. artikel 55, laatste volzin, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met een voorwaarde gesteld krachtens:
- a. artikel 10, eerste of tweede lid, of 13, derde lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- b. artikel 35, eerste lid, 38, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45 in verbinding met 42, eerste lid, 46, eerste lid, 47 in verbinding met 42, eerste lid, of 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42, eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, telkens in verbinding met één of meer van de onder a genoemde bepalingen.
Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met een voorschrift gesteld bij:
- a. artikel 15, onder d of e, laatste volzin, 16, onder c, laatste volzin, of onder e, of 20 van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- b. artikel 35, eerste lid, 38, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 45 in verbinding met 42, eerste lid, 46, eerste lid, 47 in verbinding met 42, eerste lid, of 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42, eerste lid, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, telkens in verbinding met één of meer van de onder a genoemde bepalingen;
- c. artikel 35, derde lid, onder c, 38, derde lid, onder b, 42, derde lid, onder c, 44, derde lid, in verbinding met 42, derde lid, onder c, 45 in verbinding met artikel 42, derde lid, onder c, 47 in verbinding met 42, derde lid, onder c, 48, eerste lid, in verbinding met 47 en 42, derde lid, onder c, of 48, tweede lid, aanhef, in verbinding met 44, derde lid, en 42, derde lid, onder c, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Titel 9.4. De EG-richtlijn ecologisch ontwerp energiegerelateerde producten
Artikel 10.61
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, regels worden gesteld met betrekking tot het opnemen in de afvalstoffenverordening of het omgevingsplan van regels als bedoeld in de artikelen 10.21, 10.24, 10.25 en 10.26.
Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt aangegeven binnen welke termijn en, indien nodig, op welke wijze die regels moeten zijn opgenomen in de verordening.
Artikel 10.62
Vervallen
Artikel 10.63
Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om huishoudelijke afvalstoffen te verbranden, voorzover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Op de ontheffing, bedoeld in de vorige volzin, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Gedeputeerde staten kunnen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om huishoudelijke afvalstoffen te storten of anderszins op of in de bodem te brengen, voorzover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft, en, indien het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van de in de artikelen 10.37 en 10.54 gestelde verboden.
Onze Minister kan, indien het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het bepaalde in een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 10.28, 10.29, 10.47 en, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, van het bepaalde bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43, eerste lid, 10.44, derde lid, en 10.46, eerste lid, alsmede van het bepaalde in de artikelen 10.23, derde lid, en 10.48.
Artikel 10.64
Het voor milieubelastende activiteiten bij of krachtens de artikelen 4.5, tweede lid, 5.18, 5.19, 5.26, 5.31, 5.34, eerste en vierde lid, 5.37, 5.38, 5.39, aanhef en onder a, 5.40, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a tot en met e, 5.41, 5.42, tweede lid, 13.5, 16.15, 16.55, eerste, derde en vierde lid, 16.65 tot en met 16.68 en 16.139 van de Omgevingswet bepaalde is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, met dien verstande dat – behalve ten aanzien van een ontheffing van de in artikel 10.2, eerste lid, en artikel 10.54, eerste lid, gestelde verboden –, voor die toepassing het belang van de bescherming van het milieu wordt beperkt tot het belang van een doelmatig beheer van de betrokken categorie van afvalstoffen.
In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, eerste lid.
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten
Artikel 10.16b
Vervallen
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Afdeling 13.1. Algemeen
Afdeling 13.1. Algemeen
Artikel 10.16a
Vervallen
Artikel 10.16a
Vervallen
§ 13.2.3. Adviezen en bezwaren
§ 9.7.4. Inboeken hernieuwbare energie
§ 9.7.4. Inboeken hernieuwbare energie vervoer
Afdeling 13.3. Beschikkingen inzake wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing
Afdeling 13.3. Beschikkingen inzake wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
§ 9.7.5. Register hernieuwbare energie vervoer
§ 10.6.2. Het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Titel 15.2. Verbruiksbelastingen van brandstoffen
§ 9.8.3. Hernieuwbare brandstofeenheden
§ 9.8.3a. Inboeken brandstof en energie
§ 10.6.4. Verdere bepalingen omtrent het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
§ 9.8.5. Naleving van de broeikasgasemissiereductiecriteria en broeikasgasemissiereductiedrempels
§ 15.2.1. Grondslag en maatstaf
§ 9.8.5. Overgangsbepalingen
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Titel 12.3. De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol
Titel 15.1
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Artikel 17.5
Vervallen
Hoofdstuk 14. Coördinatie
Artikel 18.2b
Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens:
- a. de titels 9.2 tot en met 9.5 en de artikelen 17.19 en 18.21, derde lid;
- b. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- c. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
- d. de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- e. de EG-verordening EU-milieukeur.
Onverminderd het eerste lid hebben Onze Minister van Klimaat en Groene Groei, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de titels 9.2, 9.3 en 9.3a, de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels voor zover het bepaalde bij of krachtens genoemde titels of verordeningen betrekking heeft op beleid dat tot hun verantwoordelijkheid behoort.
In afwijking van het eerste lid kan bij een maatregel als bedoeld in artikel 9.2.2.1, eerste lid, worden bepaald dat gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders in plaats van Onze Minister of Onze betrokken Minister tot taak hebben zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van bij de maatregel gestelde regels of van daaromtrent gestelde nadere regels.
Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:
- a. overbrengen van afvalstoffen als bedoeld in titel 10.7;
- b. het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.45;
- c. verhandelen, bemiddelen of vervoeren als bedoeld in artikel 10.55.
Artikel 18.2c
Gedeputeerde staten hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op het aanwezig hebben van een begeleidingsbrief bij het vervoer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.44.
Gedeputeerde staten hebben tevens tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de krachtens artikel 17.4 opgelegde verplichtingen.
Artikel 18.2d
Voor zover artikel 18.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet niet van toepassing is, hebben burgemeester en wethouders tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens:
- a. de afvalstoffenverordening of het omgevingsplan voor zover het verplichtingen krachtens de artikelen 10.24 tot en met 10.28 betreft;
- b. artikel 10.29.
Burgemeester en wethouders hebben tevens tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 10 gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.37.
Artikel 18.2e
Vervallen
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 11. Geluid
§ 15.2.1. Grondslag en maatstaf
§ 11.2.2. Geluidsbelastingkaarten
§ 11.2.1. Algemeen
§ 11.2.2. Geluidsbelastingkaarten
§ 15.2.6. Heffing en invordering
Hoofdstuk 21. Verdere bepalingen
Artikel 21.4
Vervallen
Hoofdstuk 22. Slotbepalingen
Bijlage. bij de Wet milieubeheer
Wetten, als bedoeld in de artikelen 4.6, derde lid, 4.12, derde lid, en 4.19, derde lid, van de Wet milieubeheer:
Wet inzake de luchtverontreiniging
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Interimwet bodemsanering
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
Wet energiebesparing toestellen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Stb. 1995, 525)
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.16b
Vervallen
Artikel 2.16c
Vervallen
§ 2.2. De Commissie voor de milieu-effectrapportage
§ 2.3. De Commissie genetische modificatie
§ 2.4. De provinciale milieucommissie
Hoofdstuk 4. Plannen
§ 4.1. Algemeen
§ 4.1. Algemeen
§ 4.2. Het nationale milieubeleidsplan
§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan
§ 4.4. Het provinciale milieubeleidsplan
§ 4.5. Het provinciale milieuprogramma
§ 4.5b. Het regionale milieuprogramma
§ 4.8. Het gemeentelijke rioleringsplan
Hoofdstuk 5. Milieukwaliteitseisen
Hoofdstuk 7. Milieu-effectrapportage
§ 5.2.1. Algemene bepalingen
§ 5.2.2. Plannen
§ 5.2.4. Uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften
§ 5.2.4. Uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften
§ 5.2.4. Uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften
§ 7.1. Algemeen
§ 7.4. De voorbereiding van een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan
§ 7.5. Het plan
Hoofdstuk 8. Inrichtingen
Titel 8.1. Vergunningen
Afdeling 8.1.1. Algemeen
Afdeling 8.1.2. Wijziging of intrekking van vergunningen
Afdeling 8.1.3. Bijzondere gevallen
§ 7.12. Evaluatie
§ 8.1.3.3. Gevallen waarin afvalstoffen op een bepaalde wijze nuttig worden toegepast of worden verwijderd
Titel 8.2. Algemene regels
§ 8.2.1. Regels voor niet-vergunningplichtige inrichtingen
Artikel 8.43
Vervallen
§ 8.1.3.3. Gevallen waarin afvalstoffen op een bepaalde wijze nuttig worden toegepast of worden verwijderd
Hoofdstuk 9. Stoffen en produkten
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 8.2. Algemene regels
Artikel 10.1a
Vervallen
Titel 10.2. Het afvalbeheersplan
Titel 10.3. Preventie en nuttige toepassing
Artikel 8.39b
Vervallen
Artikel 8.39c
Vervallen
Titel 10.1. Algemeen
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Titel 9.2. Stoffen, mengsels en genetisch gemodificeerde organismen
§ 9.2.1. Algemeen
Paragraaf 9.2.3. Verpakking en aanduiding
Artikel 10.44b
Vervallen
Artikel 10.44a
Vervallen
§ 9.2.3. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
§ 10.6.3. De inzameling van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Titel 9.3a. De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels
Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten
Hoofdstuk 10. Afvalstoffen
Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten
Hoofdstuk 13. Procedures voor vergunningen en ontheffingen
Afdeling 13.1. Algemeen
Artikel 10.16b
Vervallen
Artikel 10.16c
Vervallen
§ 9.7.4. Inboeken hernieuwbare energie
§ 13.2.4. Beschikking op de aanvraag
§ 13.2.3. Adviezen en bezwaren
Afdeling 13.3. Beschikkingen inzake wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing
Afdeling 13.1. Algemeen
Hoofdstuk 14. Coördinatie
§ 9.8.1. Algemeen
§ 9.7.6. Naleving van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria en broeikasgasemissiereductiedrempels
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Titel 10.3. Hergebruik, preventie en recycling en andere nuttige toepassing
§ 9.8.4. Register raffinagereductie-eenheden
§ 9.8.4. Register rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies
§ 14.1. Coördinatie bij aanvragen om een beschikking
Titel 10.2. Het circulair materialenplan
Titel 12.3. De EG-verordening PRTR en het PRTR-protocol
Titel 10.4. Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Titel 10.6. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Titel 10.5. Het zich ontdoen, de inzameling en het transport van afvalwater
Afdeling 13.1. Algemeen
Artikel 16.2
Een emissie van een broeikasgas wordt uitgedrukt in tonnen kooldioxide-equivalent.
Artikel 16.3
Onder broeikasgasinstallaties worden mede begrepen broeikasgasinstallaties binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.
Artikel 16.4
Een wijziging van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten of van een bijlage bij die richtlijn gaat voor de toepassing van deze titel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Afdeling 13.3. Afvalvoorzieningen categorie A met mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen
Afdeling 16.2.1. Algemeen
§ 10.6.1. De afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 16.23
Overeenkomstig artikel 10 en, in voorkomend geval, artikel 29bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten worden broeikasgasemissierechten die niet overeenkomstig deze paragraaf kosteloos worden toegewezen, geveild.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van de Verordening inzake tijdstippen, beheer en andere aspecten van veiling van broeikasgasemissierechten.
Artikel 16.24
Onverminderd artikel 16.31 beslist het bestuur van de emissieautoriteit per handelsperiode over de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten.
De kosteloze toewijzing geschiedt overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen die de Europese Commissie op grond van artikel 10bis, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, ter implementatie van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en de totstandkoming van het nationale toewijzingsbesluit.
Artikel 16.25
De berekening van de aantallen broeikasgasemissierechten met het oog op kosteloze toewijzing geschiedt overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen die de Europese Commissie op grond van artikel 10bis, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Artikel 16.26
Bij de in artikel 16.25 bedoelde berekening wordt de in artikel 9 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten bedoelde lineaire factor toegepast, voor zover de in artikel 16.25 bedoelde uitvoeringsmaatregelen daartoe nopen.
Artikel 16.27
In geval een bedrijfstak of een deeltak die overeenkomstig artikel 10ter, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten geacht wordt te zijn blootgesteld aan een significant weglekrisico wordt voor de handelsperiode die aanvangt op 1 januari 2021 van de voor dat geval berekende aantallen broeikasgasemissierechten 100% kosteloos toegewezen.
In afwijking van het eerste lid wordt van de aantallen broeikasgasemissierechten die voor een handelsperiode zijn berekend voor broeikasgasinstallaties als bedoeld in artikel 16.2b, eerste lid, 0% kosteloos toegewezen.
Andere bedrijfstakken en deeltakken krijgen tot 2026 kosteloze emissierechten toegewezen ten belope van 30% van de hoeveelheid die op grond van artikel 10bis van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten is bepaald. Na 2026 worden kosteloze toewijzingen met gelijke hoeveelheden verminderd om in 2030 een hoeveelheid kosteloze toewijzing van 0% te bereiken.
Artikel 16.28
Geen kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten vindt plaats voor:
- a. het opwekken van elektriciteit, tenzij de elektriciteit met restgassen wordt geproduceerd;
- b. broeikasgasinstallaties in bedrijfstakken en deeltakken voor zover deze onder andere maatregelen vallen die het risico op koolstoflekkage aanpakken;
- c. de verbranding van brandstoffen in broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval.
De kosteloos toegewezen rechten worden met 20 procent verminderd in de volgende gevallen:
- a. indien voor een installatie de verplichting geldt om een energie-audit uit te voeren op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie en de aanbevelingen van het verslag van de energie-audit of van het energiebeheersysteem, bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie, niet worden uitgevoerd, tenzij de terugverdientijd voor de betrokken investeringen meer dan drie jaar bedraagt of de kosten van die investeringen onevenredig zijn; of
- b. exploitanten van broeikasgasinstallaties waarvan de broeikasgasemissieniveaus hoger zijn dan 80 procent van de emissieniveaus voor de relevante productbenchmarks, die uiterlijk op 1 mei 2024 geen klimaatneutraliteitsplan voor elk van die installaties hebben opgesteld of de intermediaire streefdoelen en mijlpalen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, niet zijn geverifieerd of verwezenlijkt.
De hoeveelheid kosteloos toegewezen emissierechten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt niet verminderd als een exploitant aantoont dat hij andere maatregelen heeft uitgevoerd die resulteren in broeikasgasemissiereducties die gelijkwaardig zijn aan de in het verslag van de energie-audit of door het energiebeheersysteem voor de betrokken installatie aanbevolen emissiereducties.
Het klimaatneutraliteitsplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in ieder geval:
- a. maatregelen en investeringen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken op installatie- of bedrijfsniveau, met uitzondering van het gebruik van koolstofcompensatiekredieten;
- b. intermediaire streefdoelen en mijlpalen om uiterlijk op 31 december 2025 en vervolgens uiterlijk op 31 december van elke volgende vijf jaar de vooruitgang te meten die is geboekt bij het bereiken van klimaatneutraliteit als bedoeld in onderdeel a;
- c. een raming van het effect van elk van de in onderdeel a bedoelde maatregelen en investeringen met betrekking tot de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt bij ministeriële regeling de hoeveelheid kosteloze emissierechten voor de productie van producten in Annex I van de Verordening koolstofcorrectie aan de grens vastgesteld overeenkomstig de percentages genoemd in artikel 10bis, lid 1a, tweede paragraaf, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.
§ 14.1. Coördinatie bij aanvragen om een beschikking
Artikel 16.29
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten;
- b. het aanleveren van gegevens met het oog op die toewijzing;
- c. de verificatie van de aan te leveren gegevens;
- d. de berekening van de aantal broeikasgasemissierechten met het oog op die toewijzing;
- e. de uitvoering van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die de Europese Commissie op grond van artikel 10bis, eerste en eenentwintigste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten heeft vastgesteld.
Artikel 16.30
Op de voorbereiding van het nationale toewijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
In afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het nationale toewijzingsbesluit uiterlijk 9 maanden na de dag waarop de aanvraag uiterlijk moet worden ingediend vastgesteld.
In afwijking van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het vastgestelde nationale toewijzingsbesluit bekendgemaakt in de Staatscourant. Het nationale toewijzingsbesluit wordt tevens toegezonden aan de Europese Commissie.
Artikel 16.31
Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 20.5a een tussenuitspraak heeft gedaan, wijzigt het bestuur van de emissieautoriteit het nationale toewijzingsbesluit met inachtneming van die uitspraak. Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging van het nationale toewijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Het besluit tot wijziging van het nationale toewijzingsbesluit wordt genomen binnen tien weken na de dag waarop de tussenuitspraak, bedoeld in artikel 20.5a, in het openbaar is uitgesproken.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk vervangt een met toepassing van het eerste lid gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit.
Artikel 16.32
De exploitant van de broeikasgasinstallatie, die kan worden aangemerkt als nieuwkomer als bedoeld in artikel 3, onder h, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, kan het bestuur van de emissieautoriteit verzoeken om kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten. De toewijzing geschiedt overeenkomstig artikel 10bis, zevende lid, en de op grond van artikel 10bis, eerste lid, door de Europese Commissie gestelde regels en, indien het betreft een activiteit die op grond van artikel 24 van genoemde richtlijn in het systeem van handel in broeikasgasemissierechten is opgenomen, overeenkomstig artikel 24, tweede lid, van genoemde richtlijn.
De artikelen 16.24, tweede lid, en 16.25 tot en met 16.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
Een op grond van het eerste lid genomen besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten wordt toegezonden aan de Europese Commissie.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de procedure met betrekking tot de behandeling van een dergelijk verzoek.
Artikel 16.33
Vervallen
Artikel 16.34
Vervallen
Artikel 16.35
Broeikasgasemissierechten worden overeenkomstig de Verordening EU-register handel in emissierechten verleend aan de exploitant van de broeikasgasinstallatie. Verlening van broeikasgasemissierechten vindt slechts plaats, indien voor de betrokken broeikasgasinstallatie een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, is verleend.
Het bestuur van de emissieautoriteit verleent voor een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.32, eerste lid, het aantal broeikasgasemissierechten dat overeenkomstig dat lid aan die broeikasgasinstallatie is toegewezen. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 16.2.4. De geldigheid, inlevering en intrekking van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
Afdeling 11.3.5. Overschrijding van de maximale waarde
Afdeling 11.3.5. Overschrijding van de maximale waarde
Hoofdstuk 15. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 18. Handhaving
Artikel 18.1a
De artikelen 18.2, vijfde lid, 18.4, 18.4a, 18.6, 18.6a, eerste en tweede lid, 18.7, 18.10, de paragrafen 18.3.2 tot en met 18.3.4 en artikel 19.4, vierde lid, van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens:
- a. deze wet;
- b. de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- c. de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- d. de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
- e. de EG-verordening EU-milieukeur.
In afwijking van het eerste lid is artikel 18.4 van de Omgevingswet niet van toepassing voor zover het betreft de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde.
Tot de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang krachtens artikel 18.3 of 18.4 van de Omgevingswet behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht.
Artikel 18.2f
De emissieautoriteit draagt zorg voor de handhaving van de bij of krachtens hoofdstukken 16, 16a, 16b en 16c, titels 16c.1 en 16c.2, gestelde verplichtingen.
Onverminderd artikel 18.2b, eerste lid, draagt de emissieautoriteit zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens titels 9.7 en 9.8.
Artikel 18.4a
Vervallen
Artikel 18.6a
In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16.5, 16.6, 16.12, 16.12 in verbinding met 16.39h, 16.12 in verbinding met 16.39ab, vierde lid, 16.12 in verbinding met 16.39ae, 16.13, 16.13 in verbinding met 16.39h, 16.13a, 16.14, 16.14 in verbinding met 16.39h, 16.14 in verbinding met 16.39ae, derde lid, 16.19, 16.20c, tweede lid, 16.21, 16.21 in verbinding met 16.39h, 16.21, eerste lid, in verbinding met 16.39ak, 16.23, tweede lid, in verbinding met 16.39ai, 16.29, onderdelen b en c, 16.39z, 16.39aa, 16.39ab, derde lid, 16.39ad, 16.39ae, eerste en tweede lid, derde lid, 16.39af, 16.39ag, of van de artikelen 18.5, 18.5a, 18.5b, 18.5c, 18.5d en 18.6 of van 18.18 voor zover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, of van artikel 56, eerste lid, van de Verordening EU-register handel in emissierechten, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16a.3, eerste of tweede lid, dan wel het derde lid in verbinding met de artikelen 16.6, eerste en derde lid, 16.12, of 16.19, of de artikelen 16a.5, 16a.6 of 16a.9, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
In geval van het niet tijdig terug leveren van teruggevorderde emissierechten als bedoeld in artikel 16.35c, eerste lid, eerste volzin, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16b.3, 16b.5, tweede lid, 16b.7, 16b.8, 16b.10, 16b.17, eerste en tweede lid, 16b.19, 16b.20, 16b.22, 16b.23, 16c.1 of artikel 16c.3 kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
Artikel 18.7a
Vervallen
Artikel 18.16a
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)