Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht

Type AMvB
Publication 2026-07-16
Laatst bijgewerkt 2026-07-18
State In force
Source BWB
artikelen 405
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • (2). in het tijdvak van 1 juni tot en met 31 augustus: op het in het vorige artikel bedoelde zomerverlof;
  • (3). in het tijdvak van 1 september tot en met 30 november: op het in het vorige artikel bedoelde zomerverlof alsmede op een derde deel van het in het vorige artikel bedoelde aantal uren winterverlof voor elke kalendermaand dat hij na 31 augustus in werkelijke dienst zal zijn;
  • (4). op of na 1 december: op het in het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;
  • c. op een twaalfde deel van het in het vorige artikel, eerste lid onder c, bedoelde vakantieverlof, voor elke maand dat hij in werkelijke dienst zal zijn.
2.

In afwijking van het eerste lid kan aan de militair niettemin het in artikel 68 bedoelde zomer- en winterverlof worden verleend, indien de eenheid waar hij metterdaad dienst verricht gedurende de verlofperiode wordt gesloten.

3.

Het tweede en derde lid van artikel 68 zijn van toepassing.

Artikel 70. Verandering van het aantal uren vakantieverlof

1.

Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine in het geheel geen arbeid verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine gedeeltelijk arbeid verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij feitelijk arbeid verricht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

  • a. in geval geen arbeid is verricht wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;
  • c. in geval geen arbeid is verricht wegens ziekte;
  • d. in andere gevallen, indien degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe aanleiding aanwezig acht.
3.

Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke marine ingevolge artikel 68 of 69 aanspraak maakt:

  • a. wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend zorgverlof als bedoeld in artikel 87c, of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 87d, is verleend;
4.

Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke marine ingevolge artikel 68 of 69 aanspraak maakt wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op grond van artikel 87f buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van vermeerdering van de arbeidsduur op grond van artikel 87f wordt de in de vorige volzin genoemde verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid vermeerderd.

Artikel 71. Niet verleend vakantieverlof

1.

Niet verleend vakantieverlof van de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine, wordt overgeboekt naar het volgende kalenderjaar.

2.

Het overgeboekte vakantieverlof, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op 31 december van dat volgende kalenderjaar. Deze vervaldatum wordt met een kalenderjaar uitgesteld indien operationele omstandigheden de commandant hebben verhinderd vakantieverlof te verlenen, of naar het oordeel van de commandant gewichtige persoonlijke omstandigheden, of medische redenen, de militair hebben verhinderd vakantieverlof te genieten.

3.

Indien medische redenen de militair hebben verhinderd om vakantieverlof op te nemen legt de militair een schriftelijke verklaring van de behandelend arts van de militair geneeskundige dienst, of een andere arts indien geen arts van de militaire geneeskundige dienst voorhanden is, over aan de commandant.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof.

5.

Het niet genoten vakantieverlof toegekend voor 1 januari 2019, wordt uiterlijk voor of op 31 december 2023 genoten. Op 1 januari 2024 vervalt de aanspraak op het niet genoten verlof van voor 1 januari 2019.

Artikel 71a. Vakantieverlof en ontslag

1.

Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de verhoogde bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.

2.

Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de verhoogde bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.

3.

Indien de militair uiterlijk veertien dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

4.

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.

Artikel 72. Afwijkende vakantieverlofbepalingen

Vervallen

§ 3. Vakantieverlof voor militairen van de landmacht, de luchtmacht en de marechaussee

Artikel 73. Aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar

1.

De militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee, die gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft over dat jaar aanspraak op het navolgende vakantieverlof:

  • a. een militair beneden de rang van majoor: 184 uren;
  • b. een militair met de rang van majoor of een hogere rang: 192 uren.
2.

Voor de toepassing van het vorige lid is bepalend de rang of de stand die de militair op 1 januari van het kalenderjaar bekleedt.

3.

De volgens het eerste lid vastgestelde aantallen uren vakantieverlof worden verhoogd volgens onderstaande tabel, afhankelijk van de leeftijd die de militair in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:

leeftijd verhoging
18 jaar en jonger 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren

Artikel 74. Aanspraak op vakantieverlof over een deel van een kalenderjaar

1.

De militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee die niet gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft - behalve indien hij in dienst is gekomen voor een periode van minder dan 85 dagen - over dat jaar aanspraak op het in het vorige artikel bedoelde vakantieverlof, vastgesteld naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hij in dat jaar in werkelijke dienst is.

2.

Voor de toepassing van het vorige lid is bepalend:

  • a. indien de militair in de loop van het kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst komt: de rang of stand die hij op het tijdstip van indiensttreding bekleedt;
  • b. indien de militair in de loop van het kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat: de rang of stand die hij op 1 januari van dat kalenderjaar bekleedt.

Artikel 75. Verandering van het aantal uren vakantieverlof

1.

Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee in het geheel geen arbeid verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee gedeeltelijk arbeid verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij feitelijk arbeid verricht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

  • a. in geval geen arbeid is verricht wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;
  • c. in geval geen arbeid is verricht wegens ziekte;
  • d. in andere gevallen, indien degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe aanleiding aanwezig acht.
3.

Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak maakt:

  • a. wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend zorgverlof als bedoeld in artikel 87c, of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 87d, is verleend;
4.

Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak maakt, wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op grond van artikel 87f buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van vermeerdering van de arbeidsduur op grond van artikel 87f wordt de in de vorige volzin genoemde verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid vermeerderd.

5.

Voor de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee aan wie ten hoogste veertien dagen voor het tijdstip waarop hij in werkelijke dienst komt, ontslag is verleend uit een andere overheidsbetrekking, wordt het aantal uren vakantieverlof waarop ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak bestaat vermeerderd met zoveel uren vakantieverlof als hij uit hoofde van die vorige betrekking over het lopende kalenderjaar nog tegoed had.

6.

De militair heeft geen aanspraak op vakantieverlof indien artikel 17, vijfde lid, onderdeel j van het Inkomstenbesluit militairen van toepassing is.

Artikel 76. Verlenen van vakantieverlof

1.

Vakantieverlof wordt aan een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee verleend:

  • a. op zijn aanvraag;
  • b. niet op zijn aanvraag, voor zover naar het oordeel van degene die het verlof verleent, de belangen van de dienst dat vorderen.
2.

Aan de militair dient in elk kalenderjaar ten minste 152 uren vakantieverlof te worden verleend, waarvan ten minste 76 uren aaneengesloten of tot in evenredigheid lagere getallen indien de militair buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid is verleend op grond van artikel 87f.

Artikel 77. Vakantieverlof op aanvraag

1.

Vakantieverlof wordt zoveel mogelijk opgenomen in aaneengesloten perioden van ten minste 4 uren.

2.

Indien voor een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee een periode of perioden is of zijn vastgesteld, gedurende welke hem vakantieverlof niet-op-aanvraag wordt verleend, wordt hem vakantieverlof op aanvraag zoveel mogelijk verleend voorafgaand aan of in aansluiting op die periode of perioden.

3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 79, wordt aan de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee op zijn aanvraag zoveel mogelijk een vakantieverlof in een door hem gekozen periode verleend van tenminste twee aaneengesloten weken.

Artikel 78. Beperking vakantieverlof op aanvraag

1.

Gedurende een bepaalde tijd, doch ten hoogste gedurende de eerste zes maanden nadat hij als zodanig in werkelijke dienst is gekomen, wordt aan een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee op zijn aanvraag slechts zoveel maal een twaalfde deel van het hem ingevolge artikel 73 of 74 toekomende vakantieverlof verleend als hij volle maanden in werkelijke dienst is.

2.

Het vorige lid blijft buiten toepassing, indien de militair onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop hij als zodanig in werkelijke dienst kwam - een onderbreking van veertien dagen of minder buiten beschouwing gelaten -:

  • a. reeds uit anderen hoofde in werkelijke dienst verbleef, dan wel
  • b. reeds gedurende ten minste zes maanden een andere overheidsbetrekking vervulde.
3.

Het eerste lid blijft eveneens buiten toepassing, indien aan de militair vakantieverlof niet-op-aanvraag wordt verleend.

Artikel 79. Verlenen van vakantieverlof niet-op-aanvraag

1.

Bij het verlenen van vakantieverlof niet-op-aanvraag, dat altijd ten minste 2 aaneengesloten werkdagen bedraagt, wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen van de militair.

2.

Van het aantal uren vakantieverlof dat een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee in enig kalenderjaar toekomt, kunnen, in overleg met de medezeggenschapscommissie:

  • a. ten hoogste 120 uren als vakantieverlof niet-op-aanvraag worden verleend, in een periode van ten hoogste drie weken, dan wel
  • b. ten hoogste 40 uren als vakantieverlof niet-op-aanvraag worden verleend.
3.

De in het tweede lid, onder a, bedoelde periode dient zoveel mogelijk te zijn gelegen in de periode van de zomervakanties in het onderwijs.

Artikel 80. Niet verleend vakantieverlof

1.

Niet verleend vakantieverlof wordt overgeboekt naar het volgende kalenderjaar.

2.

Het overgeboekte vakantieverlof, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op 31 december van dat volgende kalenderjaar. Deze vervaldatum wordt met een kalenderjaar uitgesteld indien operationele omstandigheden de commandant hebben verhinderd vakantieverlof te verlenen, of naar het oordeel van de commandant gewichtige persoonlijke omstandigheden of medische redenen de militair hebben verhinderd het vakantieverlof te genieten.

3.

Indien medische redenen de militair hebben verhinderd om vakantieverlof op te nemen, legt de militair een schriftelijke verklaring van de behandelend arts van de militair geneeskundige dienst, of een andere arts indien geen arts van de militaire geneeskundige dienst voorhanden is, over aan de commandant.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof.

5.

Het niet genoten vakantieverlof toegekend voor 1 januari 2019, wordt uiterlijk voor of op 31 december 2023 genoten. Op 1 januari 2024 vervalt de aanspraak op het niet genoten verlof van voor 1 januari 2019.

Artikel 80a. Teveel verleend vakantieverlof

1.

Vakantieverlof op aanvraag dat in enig kalenderjaar teveel is verleend, wordt in mindering gebracht op het vakantieverlof over het volgende kalenderjaar of over de volgende twee of drie kalenderjaren, indien het teveel meer beloopt dan één derde onderscheidenlijk twee derde gedeelte van het de militair ingevolge artikel 73 toekomende vakantieverlof.

2.

Het in enig kalenderjaar verleende vakantieverlof niet-op-aanvraag dat, uitsluitend omdat de militair reeds vakantieverlof op aanvraag is verleend, leidt tot overschrijding van het aan de militair toekomende aantal uren vakantieverlof in dat jaar, wordt niet in mindering gebracht op het vakantieverlof over het volgend kalenderjaar of de volgende kalenderjaren.

Artikel 80b. Vakantieverlof en ontslag

1.

Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de verhoogde bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.

2.

Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de verhoogde bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.

3.

Indien de militair uiterlijk veertien dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

4.

Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.

§ 2. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine

Artikel 81. Bepalingen van algemene aard

1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld die afwijken van de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80, indien de belangen van de dienst een zodanige afwijking vorderen.

2.

Indien op een militair een afwijkende verlofregeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, zijn de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80 niet van toepassing en worden vakantieverloftegoeden, opgebouwd op grond van die artikelen voor dat de afwijkende verlofregeling op de militair van toepassing werd, bevroren. Verlof, opgebouwd op grond van de afwijkende verlofregeling, vervalt op het moment dat de afwijkende verlofregeling niet meer van toepassing is.

3.

Indien een militair kan aantonen dat hij gedurende de tijd dat op hem een afwijkende verlofregeling van toepassing is geweest, minder uren vakantieverlof heeft kunnen opnemen dan het aantal uren vakantieverlof waarop hij aanspraak had kunnen maken op grond van de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80, indien op hem de afwijkende verlofregeling niet van toepassing zou zijn geweest, heeft hij aanspraak op het resterende verschil in uren vakantieverlof.

4.

De militair, op wie over een gedeelte van een kalenderjaar een afwijkende verlofregeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, heeft over het overblijvende gedeelte van dat jaar aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hij in dat gedeelte in werkelijke dienst is.

Artikel 82. Afronding

Vervallen

§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof

Artikel 83. Aanspraak op inschepingsverlof

1.

Aan de militair die is aangewezen voor het verrichten van dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland en om die reden naar verwachting ten minste 6 maanden achtereen buiten Europa onderscheidenlijk buiten Nederland zal verblijven, wordt uiterlijk vóór de dag van vertrek inschepingsverlof verleend voor:

  • a. 5 werkdagen, indien het verblijf buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland naar verwachting minder dan 9 maanden achtereen zal duren;
  • b. 10 werkdagen, indien het verblijf buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland naar verwachting 9 maanden of meer zal duren.
2.

Aan de militair die is aangewezen voor het verrichten van dienst buiten Nederland in Europa, anders dan aan boord van een varend schip en om die reden naar verwachting ten minste 6 maanden achtereen buiten Nederland zal verblijven, wordt uiterlijk vóór de dag van vertrek inschepingsverlof verleend voor ten hoogste 5 werkdagen.

3.

Ten aanzien van de militair die inschepingsverlof heeft genoten en die zijn bestemming niet volgt ten gevolge van omstandigheden afhankelijk van zijn wil of toedoen, kan het hoofd defensieonderdeel dat verlof aanmerken als verleend vakantieverlof.

Artikel 84. Aanspraak op ontschepingsverlof

1.

De militair heeft na een verblijf voor dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland gedurende één maand of langer achtereen, aanspraak op ontschepingsverlof van één werkdag voor elke maand dat het verblijf voor dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland heeft geduurd, zulks met een maximum van 20 werkdagen.

2.

Het ontschepingsverlof, bedoeld in het eerste lid, wordt aaneengesloten of in gedeelten aan de militair verleend zo spoedig mogelijk nadat hij in Nederland is teruggekeerd.

3.

Aan de militair wordt na een verblijf voor dienst buiten Nederland in Europa, anders dan aan boord van een varend schip, van ten minste 6 maanden achtereen, ten hoogste 5 werkdagen ontschepingsverlof verleend.

4.

De aanspraak op ontschepingsverlof dat binnen 12 maanden na terugkeer niet is genoten, vervalt. Het hoofd defensieonderdeel kan bepalen dat het ontschepingsverlof alsnog na het verstrijken van dat tijdvak wordt verleend, indien naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden, verband houdende met de dienst, het verlenen van ontschepingsverlof aan de betrokken militair binnen dat tijdvak hebben belet.

Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof

Artikel 85. Aanspraak op buitengewoon verlof

1.

Aan de militair wordt op zijn aanvraag buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten verleend:

  • a. tot het bijwonen van vergaderingen van organen van het georganiseerd overleg militairen;
  • b. voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van verenigingen van militairen, die aangesloten zijn bij een tot het overleg toegelaten centrale van overheidspersoneel als bedoeld in artikel 4 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie, zulks volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
  • c. tot het verkrijgen van woonruimte, indien de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, verandert: voor ten hoogste twee werkdagen ingeval het land van plaatsing niet verandert, en voor ten hoogste vier werkdagen indien het land van plaatsing wel verandert, welke dagen desgewenst in halve dagen kunnen worden verleend;
  • d. bij verhuizing, indien de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, verandert: voor ten hoogste vier werkdagen, indien de militair een eigen huishouding voert, of voor ten hoogste twee werkdagen, indien zulks niet het geval is;
  • e. bij zijn ondertrouw: voor één werkdag, indien de ondertrouw op zulk een dag valt;
  • f. bij zijn huwelijk: voor vier werkdagen, met dien verstande dat de militair dat verlof desgewenst kan opnemen gedeeltelijk ten tijde van de voltrekking van het huwelijk en gedeeltelijk ten tijde van de godsdienstige plechtigheden die verband houden met het huwelijk;
  • g. bij het huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste graad, van stief- of pleegouders, dan wel van stief- of pleegkinderen: voor één werkdag, indien het huwelijk wordt voltrokken in de woonplaats van de militair, en voor ten hoogste twee werkdagen, indien het huwelijk buiten die plaats wordt voltrokken;
  • h. bij de toekenning van een diensttijdgratificatie wegens het volbrengen van een diensttijd van 25 of 35 jaren, en bij zijn vijfentwintig- en veertigjarig huwelijksjubilieum: voor één werkdag, indien de datum van de gebeurtenis op zulk een dag valt of op zulk een dag wordt gevierd;
  • i. tot het bijwonen van het vijfentwintig-, het veertig-, het vijftig- en het zestigjarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief-, pleeg-, schoon- of grootouders: voor één werkdag, indien het jubileum op zulk een dag valt of op zulk een dag wordt gevierd;
  • j. tot het deelnemen aan een bezinningsbijeenkomst, georganiseerd door of met medewerking van een dienst van de geestelijke verzorging bij de krijgsmacht: eenmaal per kalenderjaar voor ten hoogste twee werkdagen;
  • k. voor het afleggen van bezoeken of het voldoen aan oproepingen, verband houdende met het zoeken van een werkkring: gedurende de laatste zes maanden van zijn verblijf in werkelijke dienst voor in totaal ten hoogste vier werkdagen;
2.

Buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend en verleend verlof wordt ingetrokken, indien het niet zal of kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het is bestemd.

Artikel 86. Buitengewoon verlof in andere gevallen

In andere gevallen dan die, genoemd in artikel 85, kan aan de militair op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend, indien naar het oordeel van degene die bevoegd is het verlof te verlenen bijzondere redenen daartoe aanleiding geven, met dien verstande dat:

  • a. de commandant dit verlof slechts kan verlenen voor ten hoogste 10 werkdagen per kalenderjaar en
  • b. het hoofd defensieonderdeel dit – zonder de onder a bedoelde beperking van het aantal werkdagen per kalenderjaar –, eveneens kan verlenen al of niet met behoud van militaire inkomsten of een gedeelte daarvan naar nader bij ministeriële regeling te stellen regels.

Artikel 87. Buitengewoon verlof van lange duur

1.

Het hoofd defensieonderdeel kan, indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat, aan de militair op diens aanvraag buitengewoon verlof van lange duur verlenen, al of niet met behoud van militaire inkomsten en volgens nader bij ministeriële regeling te stellen regels.

2.

Indien het verlof, bedoeld in het vorige lid, uitsluitend het persoonlijk belang van de militair dient, kan hem dat verlof slechts worden verleend zonder behoud van militaire inkomsten.

3.

Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de militair in de gelegenheid te stellen een functie buiten de krijgsmacht te vervullen en met de verlening van het verlof naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet alleen het persoonlijke belang van de militair, maar mede het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof - onverminderd het bepaalde in het vierde lid - in beginsel worden verleend voor ten hoogste een jaar en zonder behoud van militaire inkomsten.

4.

Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de militair in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst, hetzij een functie te vervullen in dienst van een volkenrechtelijke organisatie, hetzij tijdelijk werkzaam te zijn ten behoeve van de Nederlandse Antillen dan wel als deskundige ten behoeve van een vreemde mogendheid, en naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel met de verlening van het verlof in overwegende mate het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof in beginsel worden verleend voor ten hoogste drie jaren en zonder behoud van militaire inkomsten.

5.

Het verlof, bedoeld in de vorige leden, gaat niet eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de militair.

Artikel 87a. Buitengewoon verlof bij calamiteiten en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden

1.

Onverminderd artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg wordt aan de militair buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten verleend:

  • bij plotselinge ziekte van de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- of aanverwanten in de eerste graad of wanneer een andere noodsituatie, waarvoor de militair onverwijld een voorziening moet treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen, maar voor ten hoogste één werkdag per zich voordoende situatie;
  • bij de bevalling van zijn echtgenote of de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont;
  • bij overlijden en lijkbezorging van de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en aanverwanten in de eerste graad: vanaf het overlijden tot en met de dag van de begrafenis of de crematie en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten;
  • bij overlijden van:
  • bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
  • bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,

met dien verstande dat indien de militair is belast met de regeling van de begrafenis, de crematie of van de nalatenschap dan wel van beide, het verlof voor ten hoogste 4 werkdagen kan worden verleend en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten.

2.

De militair meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de militair het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden.

3.

Het verlof, bedoeld in het eerste lid, vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de commandant aan hem kenbaar maakt dat tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang bestaat, dat het belang van de militair daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

4.

Van een zwaarwegend dienstbelang als bedoeld in het derde lid, is in ieder geval sprake bij het varen, het vliegen en oefeningen en de direct daarmee samenhangende werkzaamheden als mede de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht en de voorbereiding daarop.

5.

De commandant kan achteraf van de militair verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens een van de redenen, genoemd in het eerste lid.

§ 2. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine

Artikel 88. Verlofverlening aan militairen, werkzaam in continu- of ploegendienst

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, ingeval het betreft buitengewoon verlof anders dan van lange duur of buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg, toekomend aan een militair die werkzaamheden en/of diensten in continu- of ploegendienst verricht, onder werkdag verstaan elke tijdseenheid van ten hoogste vierentwintig uur gedurende welke de militair volgens het voor hem geldende rooster zodanige werkzaamheden en/of diensten moet verrichten.

2.

Indien aan de in het eerste lid bedoelde militair met toepassing van artikel 85, 86 of paragraaf 4b buitengewoon verlof onderscheidenlijk buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg wordt verleend kan daarbij:

  • a. overschrijding plaatsvinden van het met toepassing van het vorige lid vastgestelde aantal tijdseenheden buitengewoon verlof, indien zulks nodig is ter verwezenlijking van het met het buitengewoon verlof beoogde doel;
  • b. vermindering plaatsvinden van het met toepassing van het vorige lid vastgestelde aantal tijdseenheden buitengewoon verlof, indien met minder tijdseenheden kan worden volstaan voor de verwezenlijking van het met het buitengewoon verlof beoogde doel.

Artikel 89. Uitvoering

Vervallen

Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg

Artikel 90. Ziektekostenverzekering

1.

De militair in werkelijke dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, met inbegrip van de militair aan wie buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten is verleend, is verzekerd voor geneeskundige verzorging aan de militair verleend door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.

2.

Bij ministeriële regeling wordt de omvang van de geneeskundige zorg vastgesteld.

3.

Bij ministeriële regeling wordt de in verband met de verzekering verschuldigde premie vastgesteld na ontvangst van een daartoe strekkend voorstel van de in artikel 90a bedoelde rechtspersoon. De premie wordt ingehouden op de bezoldiging, voor zover door Onze Minister niet in de premie wordt bijgedragen.

4.

Onze Minister draagt op bij ministeriële regeling te bepalen wijze bij in de in het derde lid bedoelde premie.

5.

De in het derde lid bedoelde ministeriële regeling vormt geen onderwerp van overleg als bedoeld in artikel 3 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.

6.

Aan de verzekering kunnen geen aanspraken worden ontleend door of ten behoeve van:

  • a. degene die tijdens een vredes- of humanitaire operatie in het buitenland plaatselijk is geworven en met toepassing van artikel 11 tijdelijk is aangesteld als militair;

Artikel 90a. Uitvoering van de ziektekostenverzekering

1.

Een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon is belast met de uitvoering van de in artikel 90 bedoelde verzekering.

2.

De voorzitter en de overige leden van het bestuur van de rechtspersoon worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.

3.

Wijzigingen in de statuten van de rechtspersoon worden ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister.

4.

De rechtspersoon verstrekt Onze Minister informatie met betrekking tot de uitvoering van de verzekering, waaronder jaarlijks een jaarrekening die is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

5.

Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde aanwijzing intrekken, wanneer de rechtspersoon tekortschiet in de uitvoering van de verzekering dan wel de verplichtingen genoemd in dit artikel niet nakomt.

Artikel 90b. Aanspraken reservisten en tijdelijk aangestelde militairen

De militair bedoeld in:

heeft gedurende de periode dat hij in werkelijke dienst is, aanspraak op geneeskundige verzorging door of vanwege de militair geneeskundige diensten.

Artikel 91. Geneeskundige verzorging

De geneeskundige verzorging verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst omvat al de maatregelen, voorzieningen en geneeskundige verstrekkingen in het belang van de bescherming, het behoud, het herstel en de bevordering van de gezondheid van de militair alsmede in het belang van het behoud, het herstel en de bevordering van de geschiktheid van de militair voor de dienst.

Artikel 91a. Ziekte of een gebrek verband houdende met de uitoefening van de dienst

De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die lijden aan een ziekte of een gebrek, verband houdende met de uitoefening van de dienst, hebben ten aanzien van die ziekte of dat gebrek naar bij ministeriële regeling te stellen regels en voorwaarden aanspraak op geneeskundige verzorging tot het op grond van artikel 90a, derde lid vastgestelde maximum.

Artikel 92. Maatregelen ter bescherming van de gezondheid

De militair in werkelijke dienst is verplicht de maatregelen in acht te nemen die door de minister worden voorgeschreven ter bescherming van de gezondheid van de militair of die van anderen, zulks onverminderd de wettelijke mogelijkheden ten aanzien van bepaalde maatregelen van die verplichting te worden ontheven.

Artikel 93. Verplichtingen in geval van ziekte

1.

De militair in werkelijke dienst die wegens ziekte geheel of gedeeltelijk verhinderd is dienst te verrichten, is verplicht, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, daarvan kennis te geven aan zijn commandant en een (tand)arts te consulteren.

2.

De in het vorige lid bedoelde militair kan op verzoek van zijn commandant door of vanwege de militair geneeskundige dienst aan een onderzoek worden onderworpen ter beantwoording van de vragen:

  • a. of, in welke mate en tot welk tijdstip er van die verhindering tot dienstverrichting sprake is;
  • b. of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn geschiktheid voor de dienst.
3.

De militair in werkelijke dienst is in geval van ziekte verplicht zich te houden aan de voorschriften, hem door de behandelend (tand)arts gegeven, met dien verstande dat hij niet verplicht is zich te onderwerpen aan een ingreep van heelkundige aard of een andere kunstbewerking.

4.

De militair in werkelijke dienst die zich onder behandeling heeft gesteld van een (tand)arts, niet behorende tot de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst, is verplicht hiervan kennis te geven aan deze dienst.

Artikel 94. Verplichtingen van de commandant

1.

De commandant is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs mogelijk is, opdat de militair die in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte verhinderd is dienst te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat, dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de commandant, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, de inschakeling van de militair in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.

2.

Uit hoofde van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt de commandant in overeenstemming met de militair of de gewezen militair een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de militair of de gewezen militair regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

3.

Om te beoordelen of de militair gevolg geeft aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 94a wint de commandant een hierop betrekking hebbend advies in van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit advies mede in beschouwing.

Artikel 95. Diensthervatting na ziekte

Zodra de verhindering tot dienstverrichting heeft opgehouden te bestaan, is de in werkelijke dienst verblijvende militair verplicht zich te wenden tot de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst teneinde zo nodig een onderzoek te ondergaan ter beantwoording van de vraag of hij weer volledig geschikt kan worden geacht voor de uitoefening van de dienst.

De commandant kan in afwijking hiervan de aanwijzing geven dat betrokkene zich meldt bij de bedrijfsgeneeskundige dienst. Betrokkene is verplicht de dienst te hervatten, behoudens indien en voor zover door of vanwege vorenbedoelde geneeskundige dienst anders wordt bepaald.

Artikel 96. Infectieziekten

1.

De militair in werkelijke dienst die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektenwet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.

2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, mag de militair geen dienst verrichten en heeft hij geen toegang tot de plaats van zijn tewerkstelling dan met toestemming gegeven door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege deze dienst gegeven aanwijzingen, welke mede kunnen bestaan in een verbod om zich naar een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht te begeven.

3.

Indien een militair krachtens het tweede lid geen dienst mag verrichten, wordt hij voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wegens ziekte verhinderd te zijn tot dienstverrichting.

Artikel 97. Periodiek geneeskundig of tandheelkundig onderzoek

1.

De militair in werkelijke dienst kan worden verplicht zich periodiek te onderwerpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.

2.

Aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid zal in ieder geval worden onderworpen de militair die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van die werkzaamheden aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen.

Artikel 98. Incidenteel geneeskundig of tandheelkundig onderzoek

De militair in werkelijke dienst kan worden verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst, wanneer de commandant operationeel commando dit noodzakelijk acht in verband met toelating tot een opleiding, plaatsing in een andere functie, plaatsing bij bepaalde onderdelen of in bepaalde gebieden, dan wel beëindiging van het verblijf in werkelijke dienst.

Artikel 99. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek op verzoek van de commandant

De militair in werkelijke dienst, van wie door zijn commandant op goede gronden wordt verondersteld dat zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid een beletsel vormt om naar behoren dienst te verrichten, kan, op verzoek van zijn commandant, worden onderworpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.

Artikel 100. Vrijstelling van werkzaamheden of diensten op grond van uitslag geneeskundig of tandheelkundig onderzoek

1.

Indien bij een onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, 98, en 99 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de militair, dat zijn belangen of het dienstbelang zich tegen gehele of gedeeltelijke voortzetting van zijn werkzaamheden of diensten verzetten, wordt hij door zijn commandant geheel of gedeeltelijk van die werkzaamheden of diensten vrijgesteld. Alsdan kunnen hem door zijn commandant – in overleg met de betrokken militair geneeskundige dienst – passende andere werkzaamheden of diensten worden opgedragen.

2.

Indien en voor zover een militair krachtens het vorige lid van de dienst is vrijgesteld van zijn normaliter te verrichten werkzaamheden of diensten en hem geen passende andere werkzaamheden of diensten zijn opgedragen, wordt hij voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wegens ziekte verhinderd te zijn tot dienstverrichting.

Artikel 101. Kennisgeving geneeskundig of tandheelkundig onderzoek

Van het voornemen tot het instellen van een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, tweede lid, 98 en 99, wordt de militair door zijn commandant, onder vermelding van de redenen en van de desbetreffende bepaling van dit besluit, schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 102. Verplichting tot medewerking aan een onderzoek

De militair in werkelijke dienst is verplicht medewerking te verlenen aan de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 93, tweede lid, 95, 97, 98 en 99.

Artikel 103. Uitslag geneeskundig of tandheelkundig onderzoek

De uitslag van een onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet, alsmede in de artikelen 93, tweede lid, 95, 97, 98 en 99, wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de militair medegedeeld.

Artikel 104. Hernieuwd geneeskundig of tandheelkundig onderzoek

1.

De militair die zich niet kan verenigen met de in artikel 103 bedoelde uitslag, kan, indien het een onderzoek als bedoeld in artikel 93, tweede lid, of artikel 95, betreft, binnen drie maal vierentwintig uren en, zo het een onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 betreft, binnen zes weken, nadat de uitslag te zijner kennis is gebracht, schriftelijk onder opgave van de redenen daartegen zijn bedenkingen kenbaar maken bij de commandant operationeel commando. Het indienen van de bedenkingen heeft geen schorsende werking.

2.

Behalve indien de commandant operationeel commando, na overleg met de betrokken militair geneeskundige dienst, de bedenkingen van de militair reeds aanstonds voldoende gegrond acht, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift, een hernieuwd geneeskundig of tandheelkundig onderzoek ingesteld.

3.

Het hernieuwd onderzoek geschiedt door een (of meer) daartoe door de inspecteur van de betrokken militair geneeskundige dienst aangewezen deskundige(n) die niet aan het voorafgaande onderzoek heeft (hebben) deelgenomen. De uitslag van het hernieuwd onderzoek wordt de militair zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis gebracht.

Artikel 105

Vervallen

Artikel 106. Begripsbepalingen

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
ZW: Ziektewet
WW: Werkloosheidswet
Werknemersverzekering: WAO, ZW, dan wel WW
Arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid van de WAO
Bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie.

Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard

Artikel 107. Voorschot

Vervallen

Artikel 108. Huisvesting van rijkswege

1.

Aan de militair kan gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, door de commandant van rijkswege huisvesting worden verleend.

2.

De huisvesting van rijkswege wordt zoveel mogelijk verleend bij de eenheid of het onderdeel waar de militair is tewerkgesteld.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen omstandigheden worden aangegeven waarin de militair verplicht is gebruik te maken van de gelegenheid tot nachtverblijf die hem van rijkswege is geboden.

Artikel 109. Voeding van rijkswege

1.

Aan de militair kan gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, door de commandant van rijkswege voeding worden verstrekt.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de verstrekking van huisvesting van rijkswege geschiedt in combinatie met de verstrekking van voeding van rijkswege.

Artikel 110. Vergoeding ter zake van huisvestings- of voedingskosten

De militair die buiten zijn woonplaats is tewerkgesteld en uitsluitend om redenen van dienst gewoonlijk niet dagelijks heen en weer kan reizen tussen die woonplaats en de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, kan, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, een vergoeding worden toegekend ter zake van de kosten wegens het zelf voorzien in huisvesting of voeding.

Artikel 111. Vervoer voor rekening van het rijk en tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten

1.

De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen moeten reizen teneinde te voldoen van een oproep van het bevoegde gezag, dan wel in verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op vervoer voor rekening van het Rijk alsmede op een tegemoetkoming in de noodzakelijk gemaakte verblijfkosten, voor zover zij hierop niet uit anderen hoofde aanspraak kunnen doen gelden.

2.

Indien een militair of een gewezen militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem begeleidt.

Artikel 112. Uitkering ter zake van inkomstenderving van niet in werkelijke dienst verblijvende militairen en gewezen militairen

1.

De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die inkomsten derven wegens het voldoen aan een oproep van het bevoegde gezag, danwel in verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen aanspraak op een uitkering ter zake van gederfde inkomsten over de tijd die zij als gevolg daarvan noodzakelijk hebben verlet, voorzover zij hierop niet uit anderen hoofde recht kunnen doen gelden.

2.

Het bedrag van de uitkering, bedoeld in het vorige lid, is gelijk aan dat van de gederfde netto-inkomsten, maar beloopt per dag ten hoogste het bedrag, genoemd in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, eventueel gewijzigd krachtens artikel 18 van die wet.

3.

Indien een militair of een gewezen militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen, zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem begeleidt.

Artikel 113. Tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten van naaste betrekkingen ingeval van ziekte of overlijden van de militair

1.

In geval van verpleging in een zieken- of verplegingsinrichting van een militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van vervoer en van verblijf ter zake van reizen die zij tot het bezoeken van de militair hebben gemaakt.

2.

In geval van overlijden van een militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid worden verleend ter zake van reizen die zij tot het bezoeken van het stoffelijk overschot hebben gemaakt.

3.

Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste en tweede lid kan in de aldaar bedoelde gevallen eveneens worden verleend aan de naaste betrekkingen van de niet in werkelijke dienst verblijvende militair of van de gewezen militair die wordt of - ten tijde van zijn overlijden - werd verpleegd in een zieken- of verplegingsinrichting.

4.

Indien de betrekkingen van de militair of de gewezen militair, in dit artikel, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet alleen kunnen reizen, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing op degene die hen begeleidt.

5.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het verlenen van de tegemoetkoming bedoeld in dit artikel.

Artikel 113a. Berichtgeving aan een militair in het buitenland

1.

Voor de toepassing van dit artikel worden onder belanghebbenden begrepen de echtgenote, ouders, pleeg-, stief- of schoonouders, grootouders, zwagers en schoonzusters, eigen kinderen, stief- of pleegkinderen, kleinkinderen, voogden, verloofde, broers en zusters.

2.

Aan de militair in werkelijke dienst die ingevolge een dienstopdracht in het buitenland verblijft, kunnen door het hoofd defensieonderdeel voor rekening van het rijk berichten worden verzonden in geval van:

  • a. overlijden van belanghebbenden;
  • b. ziekte of ongeval van belanghebbenden;
  • c. bevalling van de echtgenote;
  • d. bijzondere gevallen, die naar het oordeel van de met berichtgeving belaste ambtenaar onmiddellijk aan de militair moeten worden bericht.

Artikel 114. Voortijdige terugkeer of overkomst in verband met omstandigheden in het gezin

Aan de militair die om redenen van dienst verblijft buiten het land, waar zijn gezin woonachtig is, kan door het hoofd defensieonderdeel worden toegestaan voor rekening van het rijk voortijdig naar dat land terug te keren of over te komen, indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel omstandigheden in het gezin die terugkeer of die overkomst noodzakelijk maken.

Artikel 115. Schadeloosstelling

Onze Minister kan de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.

Artikel 116. Vergoeding ter zake van verlies of beschadiging van persoonlijke eigendommen

Vervallen

Artikel 117. Verstrekking in natura en tegemoetkoming in kosten van kleding en andere goederen

1.

De militair heeft met betrekking tot de uniformkleding en andere goederen, behorende tot zijn persoonlijke standaarduitrusting, aanspraak hetzij op een verstrekking van rijkswege en voor rekening van het rijk in natura, hetzij op een tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing.

2.

Met betrekking tot de uniformkleding en andere goederen, bedoeld in het vorige lid, die de militair in eigendom moet hebben, kan hem een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van onderhoud en vernieuwing en in de kosten van voorgeschreven veranderingen van die kleding en goederen.

3.

Aan de militair kan in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing of van onderhoud en vernieuwing worden verleend ter zake van uniformkleding en andere goederen die niet tot zijn persoonlijke standaarduitrusting behoren, maar die hij niettemin in eigendom moet hebben, alsmede ter zake van burgerkleding van hemzelf en - in geval van uitzending van de militair met zijn gezin naar bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden - van kleding van leden van zijn gezin.

4.

De verstrekking in natura en die van de tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, geschieden naar regels bij ministeriële regeling te stellen.

Artikel 118. Aanspraken bij overlijden

1.

Indien een militair in Nederland overlijdt terwijl hij om redenen van dienst buiten zijn woonplaats verbleef, worden aan de nabestaanden de kosten vergoed van het doen overbrengen van het stoffelijk overschot naar een plaats van keuze in Nederland.

2.

Indien een militair in werkelijke dienst overlijdt en het overlijden verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst, wordt aan de nabestaanden een tegemoetkoming in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal € 5 000.

3.

Indien een militair in werkelijke dienst overlijdt ten gevolge van een vliegongeval tijdens een dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit dienstreizen defensie, wordt aan de nabestaanden een som ineens ten bedrage van € 15.000 toegekend. Deze aanspraak vervalt indien aanspraak bestaat op een uitkering op grond van artikel 20 van het Inkomstenbesluit militairen.

4.

Tenzij Onze Minister anders bepaalt, is dit artikel niet van toepassing in buitengewone omstandigheden en ten aanzien van militairen die zijn overleden in de tijd waarin zij waren ingedeeld bij een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de bekendmaking, bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht, is gedaan.

Artikel 119. Bemiddeling bij procedure en vergoeding van proceskosten bij vermissing

1.

Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, kunnen de naaste betrekkingen van een militair die vermist is geraakt bij de uitoefening van de dienst dan wel ten gevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van de dienst hebben voorgedaan, in aanmerking komen voor bemiddeling van Onze Minister bij het voeren van de procedure tot het verkrijgen van een verklaring, dat rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste militair bestaat.

2.

De naaste betrekkingen van een militair als bedoeld in het vorige lid hebben, indien de procedure, bedoeld in dat lid, niet kosteloos kan worden gevoerd, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, aanspraak op een vergoeding van de kosten die ter zake voor hun rekening zijn gekomen.

3.

Het hoofd defensieonderdeel kan, indien een gezinslid van een militair vermist is geraakt ten gevolge van omstandigheden die naar zijn oordeel verband houden met de dienst van de militair, ten aanzien van die militair overeenkomstige voorzieningen treffen.

Artikel 120. Doorbetaling van bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid na ontslag

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. gewezen militair: de militair die is ontslagen uit de dienst bij het beroepspersoneel;
  • b. laatstelijk genoten bezoldiging: de som van de geldelijke inkomsten per maand, die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag van de militair, zulks naar de toestand op de dag voorafgaande aan het ontslag.
2.

De gewezen militair die wegens ziekte of een gebrek, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft gedurende een termijn van twaalf maanden na zijn ontslag aanspraak op zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Het in de vorige volzin bepaalde geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken.

3.

De gewezen militair die binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft, mits hij gedurende twee maanden onmiddellijk aan evenbedoeld tijdstip voorafgaande in werkelijke dienst is geweest, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, gedurende die ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang daarvan, aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging.

4.

Indien de gewezen militair binnen een tijdvak van vier weken, nadat de volgens het tweede en derde lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van in die leden bedoelde ongeschiktheid welke elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken zijn opgevolgd, samengeteld.

  • a. Het tweede, derde en vierde lid zijn eveneens van toepassing op de gewezen vrouwelijke militair die na afloop van de periode gedurende welke zij in verband met zwangerschap of bevalling aanspraak heeft op een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg nog wegens ziekte arbeidsongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht.
  • b. De in het derde lid bedoelde termijn van een jaar vangt aan op de dag na die van de bevalling.
6.

De voorgaande leden vinden geen toepassing op de gewezen militair die op het tijdstip van ingang van zijn ontslag ongeschikt is dan wel binnen een maand daarna ongeschikt wordt, en op de gewezen vrouwelijke militair wier ongeschiktheid na het tijdstip, bedoeld in het vorige lid onder b, voortduurt, vanaf de dag met ingang waarvan zij na evenbedoelde tijdstippen in verband met de aanvaarding van een volledige betrekking aanspraak kunnen maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet.

7.

De aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging bestaat niet indien de betrokkene:

  • a. de ziekte of het gebrek heeft voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, niet kan worden aangenomen; of
  • b. de ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt.
8.

De uitbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de betrokkene de door Onze Minister krachtens het tweede of derde lid vastgestelde voorschriften niet nakomt.

9.

Het bedrag van de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in dit artikel, wordt in voorkomende gevallen:

  • a. gewijzigd overeenkomstig een algemene herziening die voor de betrokkene zou hebben gegolden, ware hij niet ontslagen;
  • c. verminderd met:
  • 1°. de periodieke inkomsten waarop hij uit hoofde van het laatstelijk door hem beklede ambt na het ontslag aanspraak kan maken;
  • 2°. inkomsten die hij inmiddels mocht zijn gaan genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten bezoldiging.

Artikel 120a. Samenloop van doorbetaling van bezoldiging na ontslag en uitkering op grond van een wettelijke of bovenwettelijke werknemersverzekering

1.

Indien de gewezen militair, bedoeld in artikel 120, recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, dan wel een bovenwettelijke WW-uitkering berustend op de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging is verbonden, wordt die uitkering daarop in mindering gebracht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)