Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht
- a. tijdelijk luitenant ter zee der 3e klasse/tweede luitenant wanneer hij het theoretische deel van die functie- of loopbaanopleiding met goed gevolg heeft afgerond;
- b. luitenant ter zee der 2e klasse/eerste luitenant wanneer hij de gehele functie- of loopbaanopleiding met goed gevolg heeft afgerond.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor bevordering tijdens of aansluitend op een opleiding dan wel op grond van ervaringsopbouw.
Artikel 24c. Akte van bevordering
Aan de militair die is bevorderd, wordt als akte van bevordering een afschrift van of uittreksel uit het betreffende besluit tot bevordering uitgereikt. In een akte inzake een tijdelijke bevordering als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, en artikel 24b, tweede lid, worden de reden en het tijdelijke karakter van die bevordering uitdrukkelijk vermeld.
Paragraaf 4. Functie- en loopbaanbegeleiding
Artikel 28a. Loopbaangesprek
Met de militair die zich in loopbaanfase één bevindt:
- a. wordt in ieder geval een jaar voor het einde van loopbaanfase één een loopbaangesprek gevoerd door de employabilitybegeleider;
- b. wordt daarnaast op zijn aanvraag een loopbaangesprek gevoerd door de employabilitybegeleider.
Met de militair die zich in loopbaanfase twee of drie bevindt wordt tijdens elke functievervulling, maar ten minste eenmaal per drie jaar, minimaal één loopbaangesprek gevoerd door de employabilitybegeleider.
Op verzoek van de militair kan een derde persoon deelnemen aan het loopbaangesprek, mits dit uiterlijk een week voordat het gesprek plaats vindt, wordt gemeld aan de andere deelnemer(s) aan het gesprek.
In het loopbaangesprek wordt ten minste aan de volgende aspecten aandacht besteed:
- a. de loopbaanwensen van de militair;
- b. de kansen en mogelijkheden binnen het door hem gevolgde loopbaanpad;
- c. de kansen en mogelijkheden bij het mogelijk wijzigen van het loopbaanpad;
- d. de ontwikkelpunten inzake kennis, ervaring en competenties, gericht op het vervolg van de loopbaan.
Indien het een militair betreft die een functie in fase twee vervult, wordt daarnaast aandacht besteed aan de kansen en mogelijkheden voor het vervolgen van de loopbaan in fase drie in afwachting van het doorstroombesluit.
Afspraken die in het loopbaangesprek worden gemaakt, worden vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen persoonlijk ontwikkelplanformulier. Het formulier wordt ondertekend door de militair, de employabilitybegeleider en de commandant operationeel commando.
De afspraken uit het persoonlijk ontwikkelplan, vastgelegd in het formulier, genoemd in het zesde lid, zijn bindend, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen uitvoering van de gemaakte afspraken.
Indien de in het zesde lid genoemde afspraken niet kunnen worden uitgevoerd om zwaarwegende redenen van dienstbelang, biedt de commandant van het operationeel commando, waarbij de militair is ingedeeld, binnen één jaar, vanaf het moment dat duidelijk wordt dat de oorspronkelijke afspraak niet wordt uitgevoerd, een gelijkwaardig alternatief aan.
Wanneer de afspraken niet zijn nagekomen en de militair van mening is dat geen gelijkwaardig alternatief, bedoeld in het achtste lid, is aangeboden kan hij zich binnen vier weken wenden tot een door Onze Minister in te stellen commissie van advies voor een mogelijke oplossing.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van loopbaangesprekken en het opstellen, vaststellen en nakomen van de afspraken, vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelplanformulier alsmede ten aanzien van de commissie van advies, genoemd in het negende lid.
Artikel 28b. Beoordeling
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a. eerste beoordelaar: de functionele chef van de militair;
- b. tweede beoordelaar: de commandant van de militair. In het geval de commandant de eerste beoordelaar is, treedt in beginsel de functionele chef van de commandant op als tweede beoordelaar.
Indien de militair of zijn commandant dit wenselijk vindt wordt een beoordeling over het functioneren van de militair opgemaakt. De militair kan hiertoe een aanvraag indienen bij zijn commandant.
Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
In de beoordeling wordt een oordeel gegeven over de wijze waarop de militair zijn functie, inclusief eventueel andere opgedragen werkzaamheden, heeft vervuld gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling wordt gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen militair. Daarbij kunnen ook omstandigheden worden meegewogen buiten de dienst die van invloed zijn geweest op het vervullen van de functie.
Het beoordelingstijdvak, waarin ten minste één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste zes maanden en maximaal 2 jaren. Per kalenderjaar kan slechts één beoordeling worden opgemaakt.
De beoordeling wordt opgemaakt door de eerste beoordelaar en vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen beoordelingsformulier.
Na het opstellen van de beoordeling wordt deze besproken met de militair. De militair ontvangt een afschrift van de beoordeling waarna hij twee weken de tijd heeft om bedenkingen kenbaar te maken bij de tweede beoordelaar. Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
De tweede beoordelaar neemt de beoordeling en de eventueel daartegen ingediende bedenkingen in beschouwing en stelt de beoordeling vast. De militair ontvangt een afschrift van de vastgestelde beoordeling.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
Artikel 28c. Ambtsberichten
Gegevens betreffende gedragingen of omstandigheden van een militair kunnen schriftelijk worden vastgelegd in een ambtsbericht.
De militair wordt schriftelijk in kennis gesteld van een voorgenomen ambtsbericht, waarna hij vier weken de tijd heeft om eventuele schrifelijke bedenkingen kenbaar te maken. Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
Onze Minister houdt bij de vaststelling van een ambtsbericht rekening met de door de militair ingediende bedenkingen en stelt vervolgens het ambtsbericht vast. Onze Minister kan besluiten af te zien van het vaststellen van het ambtsbericht.
De militair ontvangt een afschrift van het ambtsbericht. Indien Onze Minister besluit af te zien van het vaststellen van een ambtsbericht ontvangt de militair een afschrift hiervan.
Een ambtsbericht kan gedurende een periode van ten hoogste zes jaar na de vaststelling worden meegewogen bij een te nemen rechtspositioneel besluit.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening van ambtsberichten.
Artikel 29b. Korporaals en overeenkomstige rangen
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder korporaals en overeenkomstige rangen:
- a. bij de Koninklijke marine: matrozen der 1e klasse en mariniers der 1e klasse;
- b. bij de Koninklijke landmacht en luchtmacht: korporaals en korporaals der 1e klasse;
- c. bij de Koninklijke marechaussee: marechaussees der 1e en 2e klasse.
Voor korporaals en overeenkomstige rangen bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.
Ten aanzien van korporaals en overeenkomstige rangen wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29c.
Onze Minister besluit over de bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis van:
- a. de beschikbare functies;
- b. het aantal militairen dat de hogere rang mag bekleden, genoemd in artikel 29 en
- c. de geschiktheid van de militair voor functievervulling in de hogere rang.
Korporaals of militairen met een overeenkomstige rang komen niet in aanmerking voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.
Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
Artikel 29c. Onderofficieren en officieren
Voor korporaals bij de Koninklijke marine, sergeanten, wachtmeesters alsmede sergeanten/wachtmeesters der 1e klasse bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee in totaal tien jaren.
Voor officieren in de rang van luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie, kapitein der mariniers of kapitein bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht of marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee negen jaren.
Voor een onderofficier bedoeld in het eerste lid en een officier bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk drie jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, een besluit genomen over zijn mogelijkheden tot doorstroom naar fase drie.
Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
Artikel 31a. Begeleiding naar de civiele arbeidsmarkt
De soldaat, genoemd in artikel 29a, de korporaal of de militair met een overeenkomstige rang, genoemd in artikel 29b, of de militair aan wie een besluit, als bedoeld in artikel 31, vierde lid onder b of c, is meegedeeld en aan wie ontslag zal worden verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, wordt door de commandant van het operationeel commando, waarbij hij is ingedeeld, uiterlijk één jaar voor het beoogde ontslagmoment aangemeld bij de employabilitybegeleider, voor begeleiding bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
De militair die om ontslag verzoekt, kan op zijn aanvraag, onder regie van de employabilitybegeleider, gedurende ten hoogste een periode van een jaar, voorafgaand aan de datum van ontslag, worden begeleid bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
Afspraken, gemaakt in het kader van de bemiddeling, worden vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelplanformulier, genoemd in artikel 28a, zesde lid. Artikel 28a, zevende tot en met tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 5. Schorsing
Hoofdstuk 6. Ontslag
Hoofdstuk 6a. Rechten en verplichtingen bij het vervallen dan wel het niet toewijzen van een functie
Paragraaf 2. Toepassingsbereik
Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst
Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen
Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie
Hoofdstuk 8. Verlof
§ 3. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee
Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof
§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
§ 5. Bijzondere bepalingen
Paragraaf 1. Ziektekostenstelsel
Hoofdstuk 11a. Integriteit
§ 1. Regels omtrent goed handelen als militair ambtenaar
§ 1. Regels omtrent goed handelen als militair ambtenaar
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 3. Financiële tegemoetkoming
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 53a. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- militair de militair die is aangesteld bij het beroepspersoneel;
- boventalligheid de situatie dat een militair zijn functie verliest omdat binnen de te reorganiseren organisatie of een onderdeel daarvan, meerdere militairen een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies resteren;
Artikel 53b. Passende functie
Een functie is in beginsel passend wanneer de daaraan verbonden werkzaamheden op de capaciteiten en ervaring van de militair zijn berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de militair kan worden gevergd.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 53c. Aanwijzing als herplaatsingskandidaat
De militair wordt door de commandant operationeel commando aangewezen als herplaatsingskandidaat indien:
- a. hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na het vervallen van zijn functie of de vaststelling van zijn boventalligheid geen functie is of kan worden toegewezen;
- b. hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na afloop van de duur van een functievervulling of na het afronden van een opleiding geen functie is of kan worden toegewezen.
De militair wordt over zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat bedoeld in het eerste lid, schriftelijk geïnformeerd.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister in een ministeriële regeling bepalen dat specifieke categorieën militairen, aan wie geen functie is of kan worden toegewezen bedoeld in het eerste lid, niet worden aangewezen als herplaatsingskandidaat.
Artikel 53d. Herplaatsingsonderzoek
Onze Minister onderzoekt gedurende drie maanden, te rekenen vanaf het moment dat de militair is aangewezen als herplaatsingskandidaat, of herplaatsing van de militair op een passende functie binnen het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
Indien het onderzoek bedoeld in het eerste lid niet heeft geleid tot herplaatsing, onderzoekt Onze Minister, aansluitend aan de periode bedoeld in het eerste lid, gedurende drie maanden of herplaatsing van de militair op een passende functie binnen of buiten het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
Indien het onderzoek bedoeld in het tweede lid niet heeft geleid tot herplaatsing, onderzoekt Onze Minister, aansluitend aan de periode bedoeld in het tweede lid, gedurende zes maanden of herplaatsing van de militair op een passende functie buiten het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
De periode van zes maanden bedoeld in het derde lid, wordt voor elk volledig jaar dat de militair is aangesteld bij het Ministerie van Defensie, verlengd met een halve maand tot maximaal twaalf maanden.
Onze Minister kan op verzoek van de militair die is aangewezen als herplaatsingskandidaat de duur van de herplaatsingsperiode, zoals vastgesteld op grond van het eerste tot en met het vierde lid, verlengen indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 53e. Verplichtingen van de herplaatsingskandidaat
De herplaatsingskandidaat is verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden en mee te werken aan het herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 53d.
De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te aanvaarden tijdens het herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 53d, derde en vierde lid.
De herplaatsingskandidaat die zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit artikel opgelegde verplichting, kan in verband daarmee een ontslag bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d, worden verleend.
Artikel 53f. Voorzieningen in verband met dreigende overtolligheid en gedurende het herplaatsingsonderzoek
Onze Minister kan voorzieningen treffen:
- a. om dreigende overtolligheid te voorkomen door ontslag op aanvraag te stimuleren;
- b. ten behoeve van militairen die zijn aangewezen als herplaatsingskandidaat bedoeld in artikel 53c.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden
Paragraaf 7. Pauzeregeling
Hoofdstuk 8. Verlof
§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof
Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen
Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen
Paragraaf 4b. Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte
§ 1. Regels omtrent goed handelen als militair ambtenaar
§ 2. Melden van een misstand
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 126a. Afleggen eed of belofte
Zo spoedig mogelijk na aanstelling legt de militair de volgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de krijgstucht.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)».
In afwijking van het eerste lid legt de militair die bij zijn aanstelling is aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, de eed of belofte af zo spoedig mogelijk na het voltooien van die opleiding.
Indien de militair ingevolge een eerdere aanstelling reeds de eed of belofte heeft afgelegd, wordt deze niet opnieuw afgelegd.
Artikel 126b. Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden
De militair meldt aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die de militair verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
De door militairen met de rang van vice-admiraal/luitenant-generaal of een hogere rang gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
De militair verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 126c
Onze Minister wijst de militairen aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen militair meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
De militair verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
Het is de militair verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 126d. Geen vergoedingen, beloningen, steekpenningen
Vergoedingen, beloningen, giften of beloften worden door de militair in zijn ambt niet van derden gevorderd of verzocht of, anders dan met goedvinden van Onze Minister, aangenomen.
De militair neemt geen steekpenningen aan.
Artikel 126e. Deelname aan aannemingen en leveringen
De militair neemt geen deel, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.
De militair gedraagt zich naar hetgeen voor de militair is bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 126f. Deelneming aan vennootschappen, stichtingen of verenigingen
Aan de militair die is aangesteld bij het beroepspersoneel kan door Onze Minister worden verboden commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een vennootschap, stichting of vereniging, die geregeld in aanraking komt, of krachtens haar opzet kan komen met de krijgsmacht.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 39d
Onze Minister kan op aanvraag van een militair van de artikelen 39a, 39b of 39c afwijken voor zover toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Bij ministeriële regeling wordt de datum vastgesteld waarop een aanvraag als bedoeld in dit artikel uiterlijk kan worden ingediend
Hoofdstuk 6a. Rechten en verplichtingen bij het vervallen dan wel het niet toewijzen van een functie
Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse rusttijd
Paragraaf 7. Pauzeregeling
Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst
Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen
Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen
Hoofdstuk 8. Verlof
§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof
Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen
Paragraaf 3a. Afwijkende verlofbepalingen
§ 4. Inschepings- en ontschepingsverlof
Paragraaf 4a. Buitengewoon verlof
Paragraaf 4b. Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg
§ 5. Bijzondere bepalingen
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte
Paragraaf 3. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard
§ 2. Melden van een misstand
Artikel 126a. Afleggen eed of belofte
Zo spoedig mogelijk na aanstelling legt de militair de volgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de krijgstucht.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)».
In afwijking van het eerste lid legt de militair die bij zijn aanstelling is aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, de eed of belofte af zo spoedig mogelijk na het voltooien van die opleiding.
Indien de militair ingevolge een eerdere aanstelling reeds de eed of belofte heeft afgelegd, wordt deze niet opnieuw afgelegd.
Artikel 126b. Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden
De militair meldt aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die de militair verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
De door militairen met de rang van vice-admiraal/luitenant-generaal of een hogere rang gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
De militair verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 126c
Onze Minister wijst de militairen aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen militair meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
De militair verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
Het is de militair verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 126d. Geen vergoedingen, beloningen, steekpenningen
Vergoedingen, beloningen, giften of beloften worden door de militair in zijn ambt niet van derden gevorderd of verzocht of, anders dan met goedvinden van Onze Minister, aangenomen.
De militair neemt geen steekpenningen aan.
Artikel 126e. Deelname aan aannemingen en leveringen
De militair neemt geen deel, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.
De militair gedraagt zich naar hetgeen voor de militair is bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 126f. Deelneming aan vennootschappen, stichtingen of verenigingen
Aan de militair die is aangesteld bij het beroepspersoneel kan door Onze Minister worden verboden commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een vennootschap, stichting of vereniging, die geregeld in aanraking komt, of krachtens haar opzet kan komen met de krijgsmacht.
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Hoofdstuk 11a. Integriteit
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 2. Procedure voor het melden van een vermoeden van een misstand
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
§ 1. Rechten en verplichtingen bij het vervallen dan wel het niet toewijzen van een functie
Artikel 53g. Voorzieningen ter regulering van de instroom, doorstroom en uitstroom
Ten behoeve van het reguleren van de instroom, doorstroom en uitstroom worden door Onze Minister ten aanzien van een of meer militairen die behoren tot een bij ministeriële regeling vastgestelde categorie personeel, voorzieningen getroffen.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
Paragraaf 12. Overige bepalingen
Hoofdstuk 8. Verlof
Paragraaf 4b. Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg
Paragraaf 1. Ziektekostenstelsel
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte
Paragraaf 3. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard
Hoofdstuk 11a. Integriteit
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 16bis. Individuele opleidingsaanspraak
De militair wordt op zijn aanvraag door Onze Minister aangewezen voor een opleiding indien de militair de beschikking heeft over een individuele opleidingsaanspraak. Over de periode van het volgen van de opleiding worden vooraf afspraken gemaakt tussen de militair, de commandant en de employabilitybegeleider.
De kosten verbonden aan de opleiding worden vergoed tot bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen. De kosten kunnen tot vijf jaar voor de datum van het leeftijdsontslag worden vergoed met inachtneming van de hiervoor bedoelde maximum bedragen.
Indien bij de eerste of tweede eerstvolgende functietoewijzing blijkt dat de gevolgde opleiding onderdeel uitmaakt van de functie-eisen, wordt het bedrag van de daarvoor vergoede opleidingskosten weer toegevoegd aan de bedragen, bedoeld in het tweede lid.
Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
Indien de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaats vindt op grond van artikel 39, tweede lid onder i, kan de opleiding na het ontslag worden afgerond met vergoeding van de daarmee samenhangende opleidingskosten met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde maximum bedragen.
De militair aan wie ingevolge artikel 39 ontslag wordt verleend en direct daarop volgend in dienst treedt als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie, behoudt de op dat moment beschikbare individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in het eerste lid. Deze resterende aanspraak wordt overgeheveld naar de individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
De aanspraak bedoeld in het zesde lid bouwt verder door tot de maximum bedragen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, tenzij de aanspraak bij aanvang van de aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie reeds meer is dan het maximum bedrag, bedoeld in artikel 20, tweede lid van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van dit artikel.
Paragraaf 2. Functietoewijzing
Paragraaf 3. Bevordering
Paragraaf 4. Functie- en loopbaanbegeleiding
Hoofdstuk 5. Schorsing
Hoofdstuk 6. Ontslag
Hoofdstuk 6a. Rechten en verplichtingen bij wijziging personeelsbestand
§ 1. Rechten en verplichtingen bij het vervallen dan wel het niet toewijzen van een functie
Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie
Paragraaf 12. Overige bepalingen
Hoofdstuk 8. Verlof
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
Paragraaf 1. Ziektekostenstelsel
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte
Paragraaf 3. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Hoofdstuk 11a. Integriteit
Artikel 153b
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- betrokken derde: betrokken derde als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
- COID: Centrale Organisatie Integriteit Defensie;
- degene die een melder bijstaat: degene die een melder bijstaat als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
- melder: melder als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
- melding: melding als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
- vermoeden van een misstand: vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders.
Artikel 153c
Vervallen
Paragraaf 2. Procedure voor het melden van een misstand
Artikel 153d
Het hoofd defensieonderdeel wijst een of meer vertrouwenspersonen integriteit aan bij zijn defensieonderdeel.
De vertrouwenspersoon integriteit heeft in elk geval tot taak een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde op diens verzoek te adviseren over het omgaan met een vermoeden van een misstand.
Artikel 153e
Een melder doet een melding bij zijn direct leidinggevende, bij een hogere leidinggevende of bij het Meldpunt Integriteit Defensie. De melder kan ook rechtstreeks een melding doen bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
Een melding over een andere organisatie dan het defensieonderdeel waar hij is tewerkgesteld, doet een melder bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of rechtstreeks bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
Artikel 153f
Een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde kan een krachtens artikel 153d, eerste lid, aangewezen vertrouwenspersoon integriteit in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand.
Artikel 153g
Vervallen
Artikel 153h
Degene bij wie een melding is gedaan, stelt de Secretaris-Generaal door tussenkomst van de COID onverwijld in kennis van de melding en de datum waarop deze is ontvangen.
Artikel 153i
Vervallen
Artikel 153j
De Secretaris-Generaal bevestigt de ontvangst van de melding binnen zeven dagen schriftelijk aan de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.
Artikel 153k
De Secretaris-Generaal stelt onverwijld een onderzoek in naar de melding, tenzij:
- a. de melding kennelijk ongegrond is;
- b. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
De Secretaris-Generaal stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, doorlopend en in ieder geval binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 153j, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van informatie over de verdere behandeling van de melding en, in voorkomend geval, de mededeling van het achterwege laten van een onderzoek dan wel de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.
Artikel 153l
Vervallen
Artikel 153m
Indien de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders aan het bevoegd gezag in haar rapport een aanbeveling doet als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onder c, van de Wet bescherming klokkenluiders, stelt het bevoegd gezag de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, en de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, uiterlijk binnen twaalf weken na openbaarmaking van het rapport schriftelijk in kennis van zijn standpunt dienaangaande en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.
Als het standpunt en de consequenties afwijken van de aanbeveling, vermeldt de Secretaris-Generaal de reden voor de afwijking.
Artikel 153n
De melder of de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit, die bezwaar maakt of een gerechtelijke procedure instelt, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die procedure, op voorwaarde dat:
- a. de procedure is gericht tegen een melding en gestelde benadeling dan wel de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling van de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit als gevolg van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit;
- b. de benadeling, bedoeld in onderdeel a, heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat de commandant kennis heeft gegeven van de bevindingen en het oordeel, bedoeld in artikel 153k, eerste lid, of binnen vijf jaar na openbaarmaking van een rapport als bedoeld in artikel 17 van de Wet bescherming klokkenluiders door de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders, dan wel binnen vijf jaar nadat de melding anderszins is afgehandeld.
De melder of de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit die zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen beslissing of handeling die naar zijn oordeel een benadeling inhoudt in verband met een melding of de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, indien:
- a. het voornemen is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn, en
- b. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat de voorgenomen beslissing of handeling verband houdt met een melding of het gevolg is van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit.
De melder, de vertrouwenspersoon integriteit, of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit richt een verzoek om een tegemoetkoming aan de Secretaris-Generaal.
Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Artikel 153o
De tegemoetkoming voor iedere afzonderlijke procedure, bedoeld in artikel 153n, eerste en tweede lid, is gelijk aan tweemaal het bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 153p
De Secretaris-Generaal beslist binnen zes weken op het verzoek.
De Secretaris-Generaal kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 153q
Degene aan wie een tegemoetkoming is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling, indien hij de procedure waarop de tegemoetkoming betrekking heeft voortijdig staakt. Deze verplichting geldt niet, indien het staken van de procedure direct voortvloeit uit de intrekking door het bevoegd gezag van de beslissing of het herzien van de handeling, waartegen de procedure is gericht.
Artikel 153r
Als een beslissing of handeling of een voorgenomen beslissing of handeling waarvoor op grond van artikel 153n aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de kosten van de procedures, in de bezwaarprocedure of zienswijzeprocedure wordt herroepen wegens een aan het bevoegd gezag te wijten onrechtmatigheid of de bestreden beslissing of handeling als gevolg van een uitspraak van de rechter die onherroepelijk is geworden wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten, vergoedt het hoofd defensieonderdeel voor iedere afzonderlijke procedure aan de melder, de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit alle daadwerkelijk en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien verstande dat:
- a. de vergoeding wordt toegekend zonder toepassing van het tariefsysteem in voornoemd besluit;
- b. de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed voor een bedrag van ten hoogste € 258,57 per uur tot een bedrag van ten hoogste € 6.205,71, beide bedragen exclusief BTW en kantoorkosten;
- c. aan de betrokkene toegekende bedragen waarop hij op grond van een ander wettelijk voorschrift of een uitspraak van een gerechtelijke instantie aanspraak heeft in verband met de vergoeding van kosten als bedoeld in dit artikel, in aftrek worden gebracht op de vergoeding.
De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.
Artikel 153s
Op meldingen van militairen die zijn gedaan voor 17 december 2021 blijft hoofdstuk 11c van het Algemeen militair ambtenarenreglement, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 23 juni 2023, houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) van toepassing.
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Artikel 161a
Na inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren berust dit besluit op de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 87e. Aanvullend geboorteverlof
Wanneer aan de militair door de commandant aanvullend geboorteverlof als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet arbeid en zorg wordt verleend, behoudt diegene over de periode van het aanvullend geboorteverlof dat ten hoogste vijf gehele weken bedraagt gebaseerd op de voor de militair geldende arbeidsduur per week, 100% van diens verhoogde bezoldiging als bedoeld in artikel 1 van het Inkomstenbesluit militairen.
§ 5. Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
§ 5. Bijzondere bepalingen
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte
Paragraaf 3. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 11c. Het melden van een vermoeden van een misstand
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 2. Procedure voor het melden van een vermoeden van een misstand
Paragraaf 3. Financiële tegemoetkoming
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 11a
In andere gevallen dan bedoeld in artikel 11, kan een tijdelijke aanstelling bij het beroepspersoneel voor de duur van één jaar plaatsvinden.
Deze aanstelling kan op aanvraag van de militair met maximaal één jaar worden verlengd.
Bij een tijdelijke aanstelling als bedoeld in het eerste lid kan worden afgeweken van de bij en krachtens artikel 5, eerste lid, gestelde voorwaarden.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanstelling, bedoeld in dit artikel.
Hoofdstuk 3. Opleiding, functietoewijzing en bevordering alsmede functie- en loopbaanbegeleiding
Paragraaf 1. Opleidingen
Paragraaf 2. Functietoewijzing
Paragraaf 3. Bevordering
Paragraaf 4. Functie- en loopbaanbegeleiding
Hoofdstuk 4. Doorstroom naar fase drie
Hoofdstuk 5. Schorsing
Hoofdstuk 6. Ontslag
Hoofdstuk 6a. Rechten en verplichtingen bij wijziging personeelsbestand
§ 1. Rechten en verplichtingen bij het vervallen dan wel het niet toewijzen van een functie
Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst
Paragraaf 12. Overige bepalingen
Hoofdstuk 8. Verlof
§ 2. Vakantieverlof voor militairen die zijn ingedeeld bij de Koninklijke marine
Paragraaf 4c. Buitengewoon verlof in het kader van deeltijdarbeid
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
Paragraaf 3. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 11c. Het melden van een vermoeden van een misstand
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 3. Financiële tegemoetkoming
Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 1. : Overgangsbepalingen in verband met de introductie van het flexibel personeelssysteem
Paragraaf 2. : Overige bepalingen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 87f. Buitengewoon verlof in het kader van deeltijdarbeid
De militair kan Onze Minister verzoeken om aanpassing van diens arbeidsduur, indien de militair tenminste 26 weken voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing in werkelijke dienst is.
Aanpassing van de arbeidsduur vindt bij vermindering van de arbeidsduur plaats door het verlenen van buitengewoon verlof zonder behoud van militaire inkomsten in verband met deeltijdarbeid.
Aanpassing van de arbeidsduur vindt bij vermeerdering van de arbeidsduur plaats door het beëindigen van het buitengewoon verlof, bedoeld in het tweede lid, of het aanpassen daarvan.
Onze Minister kan een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur afwijzen of een verleend buitengewoon verlof als bedoeld in het tweede en derde lid tijdelijk opschorten, als naar diens oordeel een zwaarwegend dienstbelang dat vereist. Een dergelijke afwijzing of opschorting gaat vergezeld met een besluit.
Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 2, negende lid, van de Wet flexibel werken is van een zwaarwegend dienstbelang in ieder geval sprake bij varen, vliegen, oefenen, alsmede de inzet van de krijgsmacht, de voorbereiding daarop en voltijdse opleidingen in verband met het functioneren van de krijgsmacht.
De artikelen 2, derde en vierde, zevende tot en met tiende, twaalfde, vijftiende en zestiende lid, en de artikelen 2a, 3 en 3a van de Wet flexibel werken zijn van overeenkomstige toepassing voor zover deze zien op een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur.
Buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid dat is verleend op basis van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen wordt geacht te zijn gebaseerd op dit artikel.
Onze Minister kan verleend buitengewoon verlof in het kader van deeltijdarbeid in geval van buitengewone omstandigheden beëindigen.
Artikel 87g. Toepassing opschorting buitengewoon verlof in het kader van deeltijdarbeid
Op aanvraag van de militair beslist Onze Minister dat gedurende een vooraf vastgestelde periode, geen gebruik wordt gemaakt van de opschorting, bedoeld in het vierde lid van artikel 87f.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt in ieder geval rekening gehouden met:
- a. de aard van de huidige functie;
- b. de capaciteit aan inzet gereed personeel van de eenheid;
- c. het vaar-, vlieg- en oefenprogramma van de eenheid; en
- d. de planning van de inzet van de eenheid.
De periode, bedoeld in het eerste lid, vangt aan binnen een redelijke termijn, doch uiterlijk binnen drie jaren na de beslissing op de aanvraag, en voor zover noodzakelijk onder toewijzing van een andere functie.
De vooraf vast te stellen periode bedraagt in totaal maximaal zes jaar, doch deze periode kan worden gesplitst in meerdere periodes van minimaal één jaar.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
Paragraaf 1. Ziektekostenstelsel
Paragraaf 2. Rechten en verplichtingen in geval van ziekte
Paragraaf 3. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard
Hoofdstuk 11a. Integriteit
Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
Hoofdstuk 11c. Het melden van een vermoeden van een misstand
Paragraaf 3. Financiële tegemoetkoming
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)