Besluit van 26 oktober 1983, tot vaststelling van een reglement houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan

Type Koninklijk besluit
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 177
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Zwemmen, watersport zonder gebruik te maken van een schip en onderwatersport zijn verboden:

  • a. op een wachtplaats of in de onmiddellijke nabijheid van een brug, een sluis of een stuw;
  • b. in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande scheepvaart;
  • c. in routes van veerponten;
  • d. in havens en nabij de ingangen daarvan;
  • e. in de nabijheid van meergelegenheden;
  • f. in gebieden aangewezen voor snelvaren of waterskiën;
  • g. in de door de bevoegde autoriteit aangewezen gebieden.
3.

De bevoegde autoriteit kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het tweede lid. Aan de vrijstelling of ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.

Bijlage 11

De vaarwegen, bedoeld in artikel 10.01, eerste lid, zijn:

    1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, het Scheur, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal, het Hartelkanaal en het Yangtzekanaal, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil, daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
    1. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
    1. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede deze havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
    1. de havens van Termunten, van Delfzijl en van Scheveningen;
    1. de zeehaven van de gemeente Eemsmond (Eemshaven);
    1. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan.

Bijlage 18. Varend bunkeren

De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.08, zijn:

    1. de Waddenzee;
    1. de Oosterschelde (met inbegrip van de Zandkreek), het Keeten, het Mastgat, het Zijpe en het Krammer bewesten de Krammersluizen.
Artikel 1.24. Afwijken voorschriften door handhavingsdiensten, brandweer en schepen bestemd tot inzet bij calamiteiten

Schepen van handhavingsdiensten en brandweer, en reddingsvaartuigen betrokken bij reddingsoperaties mogen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1.04 en 1.05, afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover dat voor een goede vervulling van hun taak noodzakelijk is.

Hoofdstuk 2. Kentekens

Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen

Afdeling I. Algemene bepalingen

Afdeling II. Tekens tijdens het varen

Afdeling III. Tekens tijdens het stilliggen

Artikel 4.07. Gebruik van en uitrusting met een Inland AIS apparaat.
1.

Een schip dat vaart op een vaarweg van CEMT-klasse I of hoger, moet zijn uitgerust met een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van ES-TRIN. Het Inland AIS-apparaat moet goed functioneren.

De eerste volzin is niet van toepassing op de volgende schepen:

  • a. schepen van duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van het schip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt;
  • b. kleine schepen, met uitzondering van:
  • 1°. schepen van de politie die met een radarapparaat zijn uitgerust, en
  • c. duwbakken en drijvende werktuigen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
2.

Het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn en de ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.

De eerste volzin geldt niet,

  • a. indien de bevoegde autoriteit een uitzondering voor wateren die bouwkundig van het vaarwater zijn gescheiden, heeft toegestaan;
  • b. voor schepen van de politie, ingeval het verzenden van AIS-gegevens het uitvoeren van politieopdrachten in gevaar kan brengen;
  • c. voor schepen die stilliggen langs een vaarweg van CEMT-klasse II of lager,

Schepen bedoeld in het eerste lid, derde volzin, onderdeel a, moeten aan boord aanwezige Inland AIS-apparatuur uitschakelen, zolang deze schepen deel van het samenstel zijn.

3.

Er moeten minstens de volgende gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van de bijlage van Verordening (EG) nr. 415/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PbEU L 105) worden gezonden:

  • a. User Identifier (Maritime Mobile Service Identity, MMSI, Radio Call Sign);
  • b. naam van het schip;
  • c. scheeps- of samensteltype;
  • d. Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of, voor zeeschepen voor zover geen ENI werd toegekend, het IMO-nummer;
  • e. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
  • f. breedte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
  • g. positie (WGS 84);
  • h. snelheid over de grond;
  • i. koers over de grond;
  • j. tijd van de elektronische positiebepaling;
  • k. vaarstatus overeenkomstig bijlage 4;
  • l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 4;
4.

De schipper moet de volgende gegevens bij wijzigingen onmiddellijk actualiseren:

  • a. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
  • b. breedte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 4;
  • c. samensteltype;
  • d. vaarstatus overeenkomstig bijlage 4;
  • e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met een nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 4.
5.

Een klein schip dat AIS gebruikt, mag uitsluitend een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van ES-TRIN, een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A of een AIS-apparaat van klasse B gebruiken. AIS-apparatuur van klasse B moet aan de dienovereenkomstige eisen van Aanbeveling ITU-R.M 1371, aan Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU L 153) alsmede aan de internationale norm IEC 62287-1 of 2 (inclusief DSC kanaalmanagement) voldoen. Het AIS-apparaat moet goed functioneren en de in het AIS-apparaat ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.

6.

Een klein schip waaraan geen uniek Europees scheepsidentificatienummer is toegekend, hoeft de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, niet over te dragen.

7.

Een varend klein schip dat AIS gebruikt, moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip-schip verkeer die goed functioneert en voor ontvangst is ingeschakeld.

8.

Op de in bijlage 4 aangewezen vaarwegen mag een schip zijn uitgerust met een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A. Het AIS-apparaat van klasse A moet ingeschakeld zijn wanneer een schip niet is uitgerust met een Inland AIS-apparaat.

9.

Ingeval een zeegaand schip is uitgerust met een Inland AIS-apparaat, is dit permanent ingeschakeld en zijn de leden 1, 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4A. Marifoon en radar

Hoofdstuk 5. Verkeerstekens

Afdeling I. Algemene bepalingen

Afdeling II. Voorbijvaren op tegengestelde koersen en voorbijlopen

Afdeling III. Andere vaarregels

Afdeling VI. Slecht zicht

Deel II

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de in beheer bij het Rijk zijnde vaarwegen en op andere met name genoemde vaarwegen

Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen voor de vaarwegen tussen de zee en de zeehavens

Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de langs de Westerschelde gelegen havens

Hoofdstuk 13. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart van, naar en in de haven van Den Helder

Bijlage 3. Optische tekens van schepen

I. Algemeen

2.

Gebruikte symbolen

Bijlage 3. Optische tekens van schepen

A.. VERBODSTEKENS

2. Referentiepunt voor de positie-informatie op het schip.

3. Vaarwegen waarop een schip mag zijn uitgerust met een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A.

A.. VERBODSTEKENS

B.. GEBODSTEKENS

C.. BEPERKINGSTEKENS

G.. TEKENS AAN KUNSTWERKEN

  • Bij een vaste brug met slechts één doorvaartopening kan een geel licht boven die doorvaartopening zijn aangebracht als oriënteringslicht

E.. AANWIJZINGSTEKENS

Bijlage 8

F.. BIJKOMENDE TEKENS

2.1. Hoofdmarkering

2.2. Aanvullende markering

2.2. Aanvullende markering

4. BIJZONDERE MARKERING

1 indien aanwezig

4. BIJZONDERE MARKERING

6. MARKERING OP BREDE VAARWATERS EN MEREN

6.1.2. Oost Cardinaal betonningsvoorwerp

7.1. Indien voorzien van lichten

Deze markering geeft losliggende gevaren aan die beperkt van afmeting zijn en die - op voldoende afstand - rondom passeerbaar zijn. Evenals bij de cardinale markering zijn de belangrijkste kenmerken het topteken, altijd bestaande uit 2 bollen, en het licht, bestaande uit 2 schitteringen.

7.1. Indien voorzien van lichten

Deze markering geeft een positie aan waar rondom veilig genavigeerd kan worden. Zij wordt gebruikt om het midden of het diepste gedeelte van een vaarwater, of een aanloop of verkenningspositie aan te geven. Deze betonning wordt in het BPR-gebied zonder topteken toegepast, ter onderscheiding van de scheidingsmarkering (2.1.3).

1 indien aanwezig

Bijlage 9. Marifoonverplichting en radarvaart

De vaarwegen, bedoeld in artikel 4.05, derde en vierde lid, artikel 6.29, derde lid, artikel 6.33, tweede lid, en artikel 9.07 tweede lid, zijn:

    1. de Maasmond, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Nieuwe Waterweg, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 2a. het Scheur;
    1. de Nieuwe Maas, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Koningshaven, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Hollandsche IJssel;
    1. het Zuiddiepje, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Oude Maas, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 8a. Hartelhaven;
    1. het Calandkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Beerkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 10a. het Yangtzekanaal alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Noord;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Boven-Merwede;
    1. de Nieuwe Merwede;
    1. de Dordtsche Kil en daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
    1. het Zuid-Hollandsch Diep;
    1. het Hollandsch Diep;
    1. de Schelde-Rijnverbinding;
    1. het Volkerak, het Zuid-Vlije en de Krammer beoosten de Krammersluizen;
    1. het vaarwater van de Krammer, Zijpe, Keeten en Oosterschelde tussen de Krammersluizen en de ingang van het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, met inbegrip van de daaraan gelegen havens;
    1. het Afgesloten-IJ;
    1. het betonde vaarwater van het Buiten-IJ;
    1. het Amsterdam-Rijnkanaal;
    1. het Lekkanaal;
    1. de Geldersche IJssel;
    1. de Twenthekanalen;
    1. het Keteldiep;
    1. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
    1. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede de havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
    1. de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen;
    1. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan;
    1. het Zwarte Water;
    1. het Meppeler Diep;
    1. de Maas;
    1. de Bergse Maas;
    1. de Amer;
    1. het Maas-Waalkanaal;
    1. Prinses Margrietkanaal;
    1. Van Starkenborghkanaal;
    1. Eemskanaal.

Bijlage 10

De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.01, zijn:

    1. het Calandkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Beerkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 3a. het Yangtzekanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Zuid-Willemsvaart vanaf sluis 19 tot de splitsing bij de doorgaande route sluis Bosscherveld-Smeermaas;
    1. haven Oudeschild;
    1. het Oosterhornkanaal.

2.2. Aanvullende markering

3. MARKERING GEVAARLIJKE PUNTEN EN OBSTAKELS

4. BIJZONDERE MARKERING

3. MARKERING GEVAARLIJKE PUNTEN EN OBSTAKELS

7. MARKERING INGANG VAN HAVENS EN AFTAKKINGEN

6.1.3. Zuid Cardinaal betonningsvoorwerp

7.1. Indien voorzien van lichten

7.2. Indien niet voorzien van lichten

Bijlage 6. Geluidsseinen

A. Algemene seinen
B. Seinen bij naderen op tegengestelde koersen
C. Seinen bij voorbijlopen
D. Seinen bij het keren
E. Seinen bij het uit- en invaren van havens en nevenvaarwateren en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater
F. Niet overgenomen
G. Seinen bij slecht zicht
Zeer korte stoot, tijdsduur ongeveer een kwart seconde
--- ---
Korte stoot, tijdsduur ongeveer 1 seconde
Lange stoot, tijdsduur ongeveer 4 seconden
Sein met de scheepsklok

De tijdruimte tussen twee opéénvolgende stoten bedraagt ongeveer 1 seconde.

Een reeks zeer korte stoten wordt gevormd door tenminste 6 stoten, elke durende ongeveer een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen de opéénvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt. (art. 1.01, onder C, 8°).

Een reeks klokslagen moet ongeveer 4 seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.

Een groot motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. (art. 4.01, lid 2).

Een klein schip moet ter voorkoming van aanvaring zonodig het attentiesein, het sein «Ik kan niet manoeuvreren» en het noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zonodig een der overige algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A, en het mistsein, vermeld in afdeling G van bijlage 6, geven, maar mag niet de manoeuvreerseinen, vermeld in afdeling B, C, D en E van bijlage 6, geven (art. 4.02, lid 2 en lid 3).

A. ALGEMENE SEINEN ALGEMENE SEINEN Artikel
Attentie
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik sla achteruit
Ik kan niet manoeuvreren 3.18 en 3.35
Er dreigt gevaar voor aanvaring
Verzoek om medische hulp 3.46, lid 3
Noodsein 4.01, lid 4
Blijf weg sein 4.04
Verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug of van een sluis 6.26, lid 7 6.28, lid 4
B. SEINEN BIJ NADEREN OP TEGENGESTELDE KOERSEN SEINEN BIJ NADEREN OP TEGENGESTELDE KOERSEN Artikel
--- --- --- ---
1. Op alle vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel en de Maas Op alle vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel en de Maas
Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord; afwijking van de hoofdregel; (tevens tonen lichtblauw bord) Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord; afwijking van de hoofdregel; (tevens tonen lichtblauw bord)
Ik wil stuurboord op stuurboord voorbijvaren
Akkoord, u kunt stuurboord op stuurboord voorbijvaren
Neen, u kunt niet stuurboord op stuurboord voorbijvaren 6.04a, lid 6
2. Op de Geldersche IJssel en de Maas Op de Geldersche IJssel en de Maas
Voornemen tot ontmoeten bakboord op bakboord Voornemen tot ontmoeten bakboord op bakboord
Opvarend schip: «Ik wil bakboord op bakboord voorbijvaren» 6.05, lid 5
Afvarend schip: «Akkoord, u kunt bakboord op bakboord voorbijvaren» 6.05, lid 6
Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord (tevens tonen lichtblauw bord) Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord (tevens tonen lichtblauw bord)
Opvarend schip: «Ik wil stuurboord op stuurboord voorbijvaren»
Afvarend schip: «Akkoord, u kunt stuurboord op stuurboord voorbijvaren»
C. SEINEN BIJ HET VOORBIJLOPEN SEINEN BIJ HET VOORBIJLOPEN Artikel
--- --- --- ---
Voornemen tot voorbijlopen aan bakboord van de opgelopene Voornemen tot voorbijlopen aan bakboord van de opgelopene
Oploper: «Ik wil u aan bakboord voorbijlopen»
Opgelopene: «Akkoord, u kunt mij aan bakboord voorbijlopen»1Niet verplicht
afwijking: afwijking:
Opgelopene: «Neen, u moet mij aan stuurboord voorbijlopen»
Oploper: «Akkoord, ik zal u aan stuurboord voorbijlopen»
Voornemen tot voorbijlopen aan stuurboord van de opgelopene Voornemen tot voorbijlopen aan stuurboord van de opgelopene
Oploper: «Ik wil u aan stuurboord voorbijlopen»
Opgelopene: «Akkoord, u kunt mij aan stuurboord voorbijlopen»1Niet verplicht
afwijking: afwijking:
Opgelopene: «Neen, u moet mij aan bakboord voorbijlopen»
Oploper: «Akkoord, ik zal u aan bakboord voorbijlopen»
Indien voorbijlopen onmogelijk is Indien voorbijlopen onmogelijk is
Opgelopene: «U kunt mij niet voorbijlopen»
D. SEINEN BIJ HET KEREN SEINEN BIJ HET KEREN Artikel
--- --- --- ---
Ik ga over stuurboord keren
Ik ga over bakboord keren
E. SEINEN BIJ HET UIT- EN INVAREN VAN HAVENS EN NEVENVAARWATEREN EN HET DAARBIJ INVAREN OF OVERSTEKEN VAN EEN HOOFDVAARWATER SEINEN BIJ HET UIT- EN INVAREN VAN HAVENS EN NEVENVAARWATEREN EN HET DAARBIJ INVAREN OF OVERSTEKEN VAN EEN HOOFDVAARWATER Artikel
--- --- --- ---
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik ga oversteken
F. NIET OVERGENOMEN NIET OVERGENOMEN NIET OVERGENOMEN
--- --- --- ---
G. SEINEN BIJ SLECHT ZICHT SEINEN BIJ SLECHT ZICHT SEINEN BIJ SLECHT ZICHT
--- --- --- ---
1. Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven) Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven) Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven)
Varend groot schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1), dat met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen Varend groot schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1), dat met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen
Varende veerpont die met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen Varende veerpont die met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen
2. Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven) Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven) Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven)
Varend schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1). Varend schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1).
Varende veerpont Varende veerpont
3. Seinen tijdens het stilliggen Seinen tijdens het stilliggen Seinen tijdens het stilliggen
Schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt of is vastgevaren, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort Schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt of is vastgevaren, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort
Idem; mag alleen worden gegeven door een zeegaand schip Idem; mag alleen worden gegeven door een zeegaand schip

Bijlage 7. Verkeerstekens

H.. OVERIGE AANDUIDINGEN

Bijlage 8

G.. TEKENS AAN KUNSTWERKEN

2. LATERALE MARKERING

2.2. Aanvullende markering

3. MARKERING GEVAARLIJKE PUNTEN EN OBSTAKELS

4. BIJZONDERE MARKERING

6. MARKERING OP BREDE VAARWATERS EN MEREN

7.1.2 Stuurboordszijde

De ingangen van havens, zijvaarten, aftakkingen, e.d. kunnen als volgt zijn gemarkeerd (invarend gezien):

7.1. Indien voorzien van lichten

7.1.1 Bakboordszijde

1 In deze gevallen wordt ter betere ondersdcheiding van andere vaarwegmarkeringen afgeweken van het onder 1.3.3 beschreven beginsel

Bijlage 9. Marifoonverplichting en radarvaart

De vaarwegen, bedoeld in artikel 4.05, derde en vierde lid, artikel 6.29, derde lid, artikel 6.33, tweede lid, en artikel 9.07 tweede lid, zijn:

    1. de Maasmond, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Nieuwe Waterweg, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 2a. het Scheur;
    1. de Nieuwe Maas, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Koningshaven, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Hollandsche IJssel;
    1. het Zuiddiepje, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Oude Maas, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 8a. Hartelhaven;
    1. het Calandkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Beerkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 10a. het Yangtzekanaal alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Noord;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Boven-Merwede;
    1. de Nieuwe Merwede;
    1. de Dordtsche Kil en daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
    1. het Zuid-Hollandsch Diep;
    1. het Hollandsch Diep;
    1. de Schelde-Rijnverbinding;
    1. het Volkerak, het Zuid-Vlije en de Krammer beoosten de Krammersluizen;
    1. het vaarwater van de Krammer, Zijpe, Keeten en Oosterschelde tussen de Krammersluizen en de ingang van het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, met inbegrip van de daaraan gelegen havens;
    1. het Afgesloten-IJ;
    1. het betonde vaarwater van het Buiten-IJ;
    1. het Amsterdam-Rijnkanaal;
    1. het Lekkanaal;
    1. de Geldersche IJssel;
    1. de Twenthekanalen;
    1. het Keteldiep;
    1. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
    1. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede de havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
    1. de havens van Termunten, van Delfzijl, van Hefshuizen (Eemshaven) en van Scheveningen;
    1. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan;
    1. het Zwarte Water;
    1. het Meppeler Diep;
    1. de Maas;
    1. de Bergse Maas;
    1. de Amer;
    1. het Maas-Waalkanaal;
    1. Prinses Margrietkanaal;
    1. Van Starkenborghkanaal;
    1. Eemskanaal.

Bijlage 10

De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.01, zijn:

    1. het Calandkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Beerkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. het Hartelkanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
  • 3a. het Yangtzekanaal, alsmede de havens aan deze vaarweg;
    1. de Zuid-Willemsvaart vanaf sluis 19 tot de splitsing bij de doorgaande route sluis Bosscherveld-Smeermaas;
    1. haven Oudeschild;
    1. het Oosterhornkanaal.

Bijlage 11

De vaarwegen, bedoeld in artikel 10.01, eerste lid, zijn:

    1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, het Scheur, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal, het Hartelkanaal en het Yangtzekanaal, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil, daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
    1. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
    1. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede deze havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
    1. de havens van Termunten, van Delfzijl en van Scheveningen;
    1. de zeehaven van de gemeente Eemsmond (Eemshaven);
    1. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan.

Bijlage 12. Vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen

De gevaarlijke stoffen in de zin van de IMDG-codeb1IMDG-code: International Maritime Dangerous Goods Code., bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, zijn:

    1. a. Stoffen van de klasse 1, gevarengroep 1.1 en 1.5, indien het schip in totaal meer vervoert dan 100 kg bruto gewicht;
  • b. stoffen van de klasse 1, gevarengroep 1.2, 1.3, 1.4, 1.6 of stoffen van de klasse 5.2; deze laatste voorzover zij overeenkomstig de IMDG-code moeten zijn voorzien van een gevaarsetiket «ontplofbaar», indien het schip in totaal meer vervoert dan 1000 kg bruto gewicht; of
  • c. stoffen van de klasse 2, die overeenkomstig de IMDG-code moeten worden voorzien van een gevaarsetiket «giftig», indien het schip in totaal meer vervoert dan 1000 kg bruto gewicht.
    1. Stoffen van alle klassen, indien zij worden vervoerd door een tankschip.
    1. Voor tankschepen worden onder de in het tweede lid bedoelde gevaarlijke stoffen mede verstaan de gevaarlijke gassen die zijn ontstaan tijdens het vervoer van die stoffen en die zich nog in die tanks bevinden.

Bijlage 13. Toegestane afmetingen van een schip of een samenstel op de vaarwegen, bedoeld in artikel 9.02, eerste lid

Vervallen

Artikel 2.06. Kenteken van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
1.

Een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt, voert een kenteken.

2.

Dit kenteken is rechthoekig, met de vermelding «LNG» in witte letters op een rode ondergrond, met een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm.

De afmeting van de langste zijde van de rechthoek bedraagt ten minste 60 cm.

De letters hebben een hoogte van ten minste 20 cm. De breedte van de letters en de stamdikte staan in goede verhouding tot de hoogte.

3.

Het kenteken is op een geschikte en goed zichtbare plaats aangebracht.

4.

Het teken wordt zo nodig verlicht om 's nachts duidelijk zichtbaar te zijn.

Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen

Afdeling I. Algemene bepalingen

Afdeling II. Tekens tijdens het varen

Afdeling III. Tekens tijdens het stilliggen

Afdeling IV. Bijzondere optische tekens

Hoofdstuk 6. Vaarregels

Afdeling II. Voorbijvaren op tegengestelde koersen en voorbijlopen

Artikel 7.06a. Walstroom
1.

Op ligplaatsen waar het teken B.12 (bijlage 7) is geplaatst en een walstroomaansluiting beschikbaar en bedrijfsklaar is, worden schepen aan een walstroomaansluiting aangesloten en wordt de volledige behoefte aan elektrische energie tijdens het stilliggen daaruit gedekt.

2.

Uitzonderingen op het eerste lid kunnen worden aangegeven op een toegevoegd rechthoekig wit bord, dat onder het teken B.12 is aangebracht.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die tijdens het stilliggen uitsluitend van een energievoorziening gebruikmaken, die geen geluid alsmede geen schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes veroorzaakt.

Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen

Artikel 8.09. Veiligheid aan boord van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
1.

Alvorens te beginnen met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) vergewist de schipper van het schip dat gaat bunkeren zich ervan dat:

  • a. de voorgeschreven brandbestrijdingsmiddelen te allen tijde operationeel zijn; en
  • b. tussen het schip en de kade de voorgeschreven middelen aanwezig zijn voor de evacuatie van personen aan boord van het schip dat gaat bunkeren.
2.

Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) zijn alle toegangen en alle openingen van ruimten toegankelijk vanaf het dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht gesloten, met uitzondering van:

  • a. aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren;
  • b. ventilatieopeningen van machinekamers indien de motoren in bedrijf zijn;
  • c. ventilatieopeningen voor een ruimte met een overdrukinstallatie; en
  • d. ventilatieopeningen van een airconditioningsinstallatie, indien deze openingen zijn voorzien van een gasdetectie-installatie.

Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper worden geopend.

3.

Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) vergewist de schipper zich er voortdurend van dat het rookverbod aan boord en in de bunkerzone wordt nageleefd. Het rookverbod is eveneens van toepassing op elektronische sigaretten en andere soortgelijke apparaten. Het rookverbod is niet van toepassing in de accommodatieruimten en het stuurhuis, indien daarvan de ramen, deuren, schijnlichten en luiken gesloten zijn.

4.

Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) worden alle vanaf het dek toegankelijke ruimten ontlucht.

Deel II

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de in beheer bij het Rijk zijnde vaarwegen en op andere met name genoemde vaarwegen

Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen voor de vaarwegen tussen de zee en de zeehavens

Hoofdstuk 11. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de boventoeleidingskanalen op de Maas

Hoofdstuk 11. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de boventoeleidingskanalen op de Maas

Hoofdstuk 13. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart van, naar en in de haven van Den Helder

1.

De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.

Bijlage 4. Gebruik van het Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 4.07, derde, vierde en achtste lid,

1. Navigatiestatus

Bijlage 6. Geluidsseinen

A. Algemene seinen
B. Seinen bij naderen op tegengestelde koersen
C. Seinen bij voorbijlopen
D. Seinen bij het keren
E. Seinen bij het uit- en invaren van havens en nevenvaarwateren en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater
F. Niet overgenomen
G. Seinen bij slecht zicht
Zeer korte stoot, tijdsduur ongeveer een kwart seconde
--- ---
Korte stoot, tijdsduur ongeveer 1 seconde
Lange stoot, tijdsduur ongeveer 4 seconden
Sein met de scheepsklok

De tijdruimte tussen twee opéénvolgende stoten bedraagt ongeveer 1 seconde.

Een reeks zeer korte stoten wordt gevormd door tenminste 6 stoten, elke durende ongeveer een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen de opéénvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt. (art. 1.01, onder C, 8°).

Een reeks klokslagen moet ongeveer 4 seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.

Een groot motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. (art. 4.01, lid 2).

Een klein schip moet ter voorkoming van aanvaring zonodig het attentiesein, het sein «Ik kan niet manoeuvreren» en het noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zonodig een der overige algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A, en het mistsein, vermeld in afdeling G van bijlage 6, geven, maar mag niet de manoeuvreerseinen, vermeld in afdeling B, C, D en E van bijlage 6, geven (art. 4.02, lid 2 en lid 3).

A. ALGEMENE SEINEN ALGEMENE SEINEN Artikel
Attentie
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik sla achteruit
Ik kan niet manoeuvreren 3.18 en 3.35
Er dreigt gevaar voor aanvaring
Verzoek om medische hulp 3.46, lid 3
Noodsein 4.01, lid 4
Blijf weg sein 4.04
Verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug of van een sluis 6.26, lid 7 6.28, lid 4
B. SEINEN BIJ NADEREN OP TEGENGESTELDE KOERSEN SEINEN BIJ NADEREN OP TEGENGESTELDE KOERSEN Artikel
--- --- --- ---
1. Op alle vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel en de Maas Op alle vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel en de Maas
Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord; afwijking van de hoofdregel; (tevens tonen lichtblauw bord) Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord; afwijking van de hoofdregel; (tevens tonen lichtblauw bord)
Ik wil stuurboord op stuurboord voorbijvaren
Akkoord, u kunt stuurboord op stuurboord voorbijvaren
Neen, u kunt niet stuurboord op stuurboord voorbijvaren 6.04a, lid 6
2. Op de Geldersche IJssel en de Maas Op de Geldersche IJssel en de Maas
Voornemen tot ontmoeten bakboord op bakboord Voornemen tot ontmoeten bakboord op bakboord
Opvarend schip: «Ik wil bakboord op bakboord voorbijvaren» 6.05, lid 5
Afvarend schip: «Akkoord, u kunt bakboord op bakboord voorbijvaren» 6.05, lid 6
Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord (tevens tonen lichtblauw bord) Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord (tevens tonen lichtblauw bord)
Opvarend schip: «Ik wil stuurboord op stuurboord voorbijvaren»
Afvarend schip: «Akkoord, u kunt stuurboord op stuurboord voorbijvaren»
C. SEINEN BIJ HET VOORBIJLOPEN SEINEN BIJ HET VOORBIJLOPEN Artikel
--- --- --- ---
Voornemen tot voorbijlopen aan bakboord van de opgelopene Voornemen tot voorbijlopen aan bakboord van de opgelopene
Oploper: «Ik wil u aan bakboord voorbijlopen»
Opgelopene: «Akkoord, u kunt mij aan bakboord voorbijlopen»1Niet verplicht
afwijking: afwijking:
Opgelopene: «Neen, u moet mij aan stuurboord voorbijlopen»
Oploper: «Akkoord, ik zal u aan stuurboord voorbijlopen»
Voornemen tot voorbijlopen aan stuurboord van de opgelopene Voornemen tot voorbijlopen aan stuurboord van de opgelopene
Oploper: «Ik wil u aan stuurboord voorbijlopen»
Opgelopene: «Akkoord, u kunt mij aan stuurboord voorbijlopen»1Niet verplicht
afwijking: afwijking:
Opgelopene: «Neen, u moet mij aan bakboord voorbijlopen»
Oploper: «Akkoord, ik zal u aan bakboord voorbijlopen»
Indien voorbijlopen onmogelijk is Indien voorbijlopen onmogelijk is
Opgelopene: «U kunt mij niet voorbijlopen»
D. SEINEN BIJ HET KEREN SEINEN BIJ HET KEREN Artikel
--- --- --- ---
Ik ga over stuurboord keren
Ik ga over bakboord keren
E. SEINEN BIJ HET UIT- EN INVAREN VAN HAVENS EN NEVENVAARWATEREN EN HET DAARBIJ INVAREN OF OVERSTEKEN VAN EEN HOOFDVAARWATER SEINEN BIJ HET UIT- EN INVAREN VAN HAVENS EN NEVENVAARWATEREN EN HET DAARBIJ INVAREN OF OVERSTEKEN VAN EEN HOOFDVAARWATER Artikel
--- --- --- ---
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik ga oversteken
F. NIET OVERGENOMEN NIET OVERGENOMEN NIET OVERGENOMEN
--- --- --- ---
G. SEINEN BIJ SLECHT ZICHT SEINEN BIJ SLECHT ZICHT SEINEN BIJ SLECHT ZICHT
--- --- --- ---
1. Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven) Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven) Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven)
Varend groot schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1), dat met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen Varend groot schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1), dat met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen
Varende veerpont die met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen Varende veerpont die met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen
2. Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven) Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven) Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven)
Varend schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1). Varend schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1).
Varende veerpont Varende veerpont
3. Seinen tijdens het stilliggen Seinen tijdens het stilliggen Seinen tijdens het stilliggen
Schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt of is vastgevaren, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort Schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt of is vastgevaren, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort
Idem; mag alleen worden gegeven door een zeegaand schip Idem; mag alleen worden gegeven door een zeegaand schip

Bijlage 7. Verkeerstekens

Verkeerstekens

D.. AANBEVELINGSTEKENSTEKENS

G.. TEKENS AAN KUNSTWERKEN

Bijlage 8

1. ALGEMEEN

2. LATERALE MARKERING

2. LATERALE MARKERING

4. BIJZONDERE MARKERING

5. MARKERING LOOP VAN DE VAARGEUL

6. MARKERING OP BREDE VAARWATERS EN MEREN

7. MARKERING INGANG VAN HAVENS EN AFTAKKINGEN

7. MARKERING INGANG VAN HAVENS EN AFTAKKINGEN

1 In deze gevallen wordt ter betere ondersdcheiding van andere vaarwegmarkeringen afgeweken van het onder 1.3.3 beschreven beginsel

7.2. Indien niet voorzien van lichten

1 In deze gevallen wordt ter betere ondersdcheiding van andere vaarwegmarkeringen afgeweken van het onder 1.3.3 beschreven beginsel

7.2.2 Stuurboordszijde

Bijlage 14. Ligplaats nemen

    1. de Oude Maas;
    1. het Spui en de Beningen;
    1. de Noord, met inbegrip van de Rietbaan;
    1. de Boven-Merwede;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Nieuwe Merwede;
    1. de Dordtsche Kil;
    1. het tot de hoofdbetonning behorende betonde vaarwater van het Hollandsch Diep en het Haringvliet;
    1. de Nieuwe Maas;
    1. het Scheur;
    1. de Nieuwe Waterweg;
    1. de Maasmond;
    1. de Schelde-Rijnverbinding;
    1. het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Veerse Meer;
    1. de tot de hoofdbetonning behorende betonde vaarwaters van het Volkerak, de Zuid-Vlije, het Krammer, het Keeten, het Mastgat en het Zijpe;
    1. van de Oosterschelde: het Engelsche Vaarwater, de Witte Tonnen Vlije, het gedeelte van het Brabantsche Vaarwater ten zuiden van de Witte Tonnen Vlije en de Aanloop Wemeldinge;
    1. van het Zoommeer: het Tholense Gat, het Bergsche Diep en de Nieuwe Haven;
    1. het Julianakanaal;
    1. het Kanaal Wessem-Nederweert;
    1. de Noordervaart;
    1. het Kanaal Zutphen-Enschede met het Zijkanaal naar Almelo;
    1. het Zwolle-IJsselkanaal;
    1. het Meppelerdiep;
    1. het Amsterdam-Rijnkanaal;
    1. het Lekkanaal;
    1. het Merwedekanaal (benoorden de Lek);
    1. de Binnen- en Buitenhaven te Stellendam;
    1. het betonde vaarwater in het IJsselmeer, Markermeer en de Gouwzee;
    1. het betonde vaarwater in de Randmeren;
    1. het Buiten-IJ;
    1. het Afgesloten-IJ;
    1. de Binnen- en Buitentoeleidingskanalen en de Binnen- en Buitenspuikanalen naar de Noordzeesluizen te IJmuiden;
    1. de Zijkanalen B, C, D, E, G en H; Zijkanaal G slechts over een lengte van 1.000 m gemeten uit de as van het Noordzeekanaal;
    1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, met inbegrip van de daaraan gelegen havens;
    1. de Veerhaven te Terneuzen;
    1. het Maas-Waalkanaal;
    1. het Kanaal van Sint Andries;
    1. het Lateraalkanaal Linne-Buggenum;
    1. het Verbindingskanaal in het Bossche Veld;
    1. de Zuid-Willemsvaart, met inbegrip van de Gekanaliseerde Dieze en het kanaal Engelen-Henriëttewaard;
    1. het Máximakanaal;
    1. de Maas;
    1. de Bergsche Maas;
    1. het Wilhelminakanaal;
    1. het Markkanaal;
    1. de Gekanaliseerde Dieze;
    1. de Donge van km 0,00 tot km 0,93;
    1. het Krabbersgat;
    1. het Oostvaardersdiep;
    1. het Noordzeekanaal;
    1. de Geldersche IJssel, met inbegrip van de daarbij behorende oude rivierarmen en aangetakte zijwateren, voorzover in beheer bij het Rijk;
    1. het Keteldiep;
    1. het Zwarte Water;
    1. het Prinses Margrietkanaal;
    1. het Van Starkenborghkanaal;
    1. het Eemskanaal;
    1. de Hollandsche IJssel;
    1. het Wantij van Riedijkshaven (kmr 0.00) tot Ottersluis (kmr 7.065);
    1. de Amer.
    1. het Oostvaardersdiep;
    1. het Veerse Meer;
    1. Het Spui en de Beningen;
    1. Het Wantij van Prins Hendrikbrug (kmr 0.850) tot Ottersluis (kmr 7.065).

Bijlage 15. Kleine schepen

    1. de vaarweg ten westen van de Noordzeesluizen te IJmuiden, met inbegrip van de daaraan gelegen havens;
    1. het Noordzeekanaal;
    1. de Noord;
    1. de Oude Maas;
    1. de Dordtsche Kil;
    1. het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Brabantsche Vaarwater;
    1. de Witte Tonnen Vlije;
    1. de Schelde-Rijnverbinding;
    1. het Kanaal van Sint Andries;
    1. de Boven-Merwede;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Gekanaliseerde Maas van Maastricht (kmr 12,000) tot Borgharen;
    1. het Julianakanaal;
    1. de Waal;
    1. de Boven-Rijn;
    1. het Pannerdensch Kanaal;
    1. de Neder-Rijn tot kmr 886;
    1. de Geldersche IJssel vanaf de IJsselkop tot aan de monding van het Twenthekanaal;
    1. het Amsterdam-Rijnkanaal;
    1. het Lekkanaal;
    1. het betonde vaarwater van het Buiten-IJ;
    1. het Afgesloten-IJ;
    1. de Nieuwe Maas;
  • 24a. het Scheur;
    1. de Nieuwe Waterweg;
    1. de Maasmond;
    1. het Calandkanaal;
    1. het Beerkanaal;
    1. de Koningshaven;
    1. het Zuiddiepje;
    1. het betonde hoofdvaarwater van de Nieuwe Merwede;
    1. het betonde hoofdvaarwater van het Hollandsch Diep;
    1. de Veerhaven te Terneuzen;
    1. het Prinses Margrietkanaal;
    1. het Van Starkenborghkanaal;
    1. het Eemskanaal.
    1. het Noordzeekanaal en de zijkanalen daarvan met inbegrip van de Voorzaan noordwaarts tot aan de Zaansluizen en het IJ, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de Maasmond, de Nieuwe Waterweg, het Scheur, de Nieuwe Maas, het Beerkanaal, het Calandkanaal, het Hartelkanaal en het Yangtzekanaal, alsmede de havens aan deze vaarwegen;
    1. de Noord, de Oude Maas, de Dordtsche Kil, daarop aansluitend de vaarweg naar het Industrie- en Havenschap Moerdijk, alsmede de havens aan deze vaarwegen en de haven van dat Industrie- en Havenschap;
    1. de vaarweg tussen de zee en de haven van Den Helder, alsmede deze haven;
    1. de vaarwegen tussen de zee en de havens aan de Waddenzee, alsmede deze havens, niet zijnde voorhavens van sluizen;
    1. de havens van Termunten, van Delfzijl, van de gemeente Eemsmond (Eemshaven) en van Scheveningen;
    1. de havens en voorhavens die met de Westerschelde in open verbinding staan;
    1. de Boven-Merwede;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Nieuwe Merwede;
    1. het betonde vaarwater van het Hollandsch Diep;
    1. het Volkerak;
    1. het Zuid-Vlije;
    1. de Krammer;
    1. het Mastgat;
    1. het Keeten;
    1. de Oosterschelde;
    1. het Amsterdam-Rijnkanaal;
    1. het Lekkanaal;
    1. het Prinses Margrietkanaal;
    1. het Van Starkenborghkanaal;
    1. het Eemskanaal.

Bijlage 16. Zeilplanken

De vaarwegen, bedoeld in artikel 9.05, eerste lid, zijn:

    1. het Lateraalkanaal Linne-Buggenum;
    1. de Gekanaliseerde Maas te Maastricht van kmr 8,800-12,000;
    1. het Maas-Waalkanaal;
    1. de Gekanaliseerde Maas benedenstrooms van Maasbracht tot aan het splitsingspunt met de voorhaven van de sluis te Heumen, met uitzondering van het gedeelte van de sluis te Linne tot de sluis nabij Roermond;
    1. de Bergsche Maas;
    1. het betonde vaarwater van de Nieuwe Merwede;
    1. het betonde vaarwater van het Hollandsch Diep;
    1. de Schelde-Rijnverbinding;
    1. het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Brabantsche Vaarwater;
    1. de Witte Tonnen Vlije;
    1. het betonde vaarwater van: het Volkerak, het Zuid-Vlije, de Krammer, het Zijpe, het Mastgat en het Keeten;
    1. de Oosterschelde tussen Wemeldinge en de zuidelijke inloop van het Brabantsche Vaarwater;
    1. de Lek vanaf de bovenstroomse zijde van het splitsingspunt met het Lekkanaal;
    1. de Hollandsche IJssel benedenstrooms van de voorhaven van de Julianasluis;
    1. de Buiten-, Voor- en Binnenhavens behorende bij de sluizen in de Afsluitdijk;
    1. het Krabbersgat;
    1. het Oostvaardersdiep;
    1. de Dordtsche Kil;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Boven-Merwede;
    1. het Lekkanaal;
    1. het Amsterdam-Rijnkanaal;
    1. de Geldersche IJssel vanaf de IJsselkop tot aan de monding van het Twenthekanaal;
    1. de Oude Maas;
    1. de Noord;
    1. de Nieuwe Maas;
    1. het Scheur;
    1. de Nieuwe Waterweg;
    1. het Prinses Margrietkanaal;
    1. het Van Starkenborghkanaal;
    1. het Eemskanaal;
    1. het Noordzeekanaal;
    1. het Afgesloten IJ;
    1. de buiten-, voor- en binnenhavens en spuikanalen behorende bij de Houtribsluizen;
    1. de vaarweg Amsterdam – Lemmer.
Artikel 1.25

(niet overgenomen)

Artikel 1.26. Ontheffingen van dit reglement in het kader van vergaand geautomatiseerd varen
1.

De bevoegde autoriteit kan voor een schip waarmee vergaand geautomatiseerd wordt gevaren of voor een schip dat op afstand wordt bestuurd voor een periode van ten hoogste 2 jaar een ontheffing verlenen van één of meer van de artikelen 1.02, vierde lid, 1.07, tweede lid, 1.09, eerste, derde en vierde lid, 1.10, 1.11, 1.20, 3.13, 3.25, 4.05, eerste, derde, vierde en achtste lid, 4.06, eerste en tweede lid, 4.07, vierde, vijfde en zevende lid, 6.19, tweede, derde en zesde lid, 6.32 of 6.33 en 9.04, tweede lid.

2.

De bevoegde autoriteit kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften en beperkingen verbinden.

3.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de ontheffingsmogelijkheid, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 2. Kentekens

Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen

Afdeling I. Algemene bepalingen

Afdeling II. Tekens tijdens het varen

Afdeling III. Tekens tijdens het stilliggen

Afdeling IV. Bijzondere optische tekens

Hoofdstuk 4. Geluidsseinen; marifoon; radar

Hoofdstuk 6. Vaarregels

Afdeling II. Voorbijvaren op tegengestelde koersen en voorbijlopen

Afdeling III. Andere vaarregels

Afdeling V. Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen

Afdeling VI. Slecht zicht

Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen

Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen

Deel II

Hoofdstuk 9. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de in beheer bij het Rijk zijnde vaarwegen en op andere met name genoemde vaarwegen

Hoofdstuk 10. Bijzondere bepalingen voor de vaarwegen tussen de zee en de zeehavens

Hoofdstuk 12. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart op de langs de Westerschelde gelegen havens

Hoofdstuk 13. Bijzondere bepalingen voor de scheepvaart van, naar en in de haven van Den Helder

Bijlage 4. Gebruik van het Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 4.07, derde, vierde en achtste lid,

Bijlage 6. Geluidsseinen

A. Algemene seinen
B. Seinen bij naderen op tegengestelde koersen
C. Seinen bij voorbijlopen
D. Seinen bij het keren
E. Seinen bij het uit- en invaren van havens en nevenvaarwateren en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater
F. Niet overgenomen
G. Seinen bij slecht zicht
Zeer korte stoot, tijdsduur ongeveer een kwart seconde
--- ---
Korte stoot, tijdsduur ongeveer 1 seconde
Lange stoot, tijdsduur ongeveer 4 seconden
Sein met de scheepsklok

De tijdruimte tussen twee opéénvolgende stoten bedraagt ongeveer 1 seconde.

Een reeks zeer korte stoten wordt gevormd door tenminste 6 stoten, elke durende ongeveer een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen de opéénvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt. (art. 1.01, onder C, 8°).

Een reeks klokslagen moet ongeveer 4 seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.

Een groot motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. (art. 4.01, lid 2).

Een klein schip moet ter voorkoming van aanvaring zonodig het attentiesein, het sein «Ik kan niet manoeuvreren» en het noodsein, vermeld in afdeling A van bijlage 6, geven en het mag zonodig een der overige algemene geluidsseinen, vermeld in afdeling A, en het mistsein, vermeld in afdeling G van bijlage 6, geven, maar mag niet de manoeuvreerseinen, vermeld in afdeling B, C, D en E van bijlage 6, geven (art. 4.02, lid 2 en lid 3).

A. ALGEMENE SEINEN ALGEMENE SEINEN Artikel
Attentie
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik sla achteruit
Ik kan niet manoeuvreren 3.18 en 3.35
Er dreigt gevaar voor aanvaring
Verzoek om medische hulp 3.46, lid 3
Noodsein 4.01, lid 4
Blijf weg sein 4.04
Verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug of van een sluis 6.26, lid 7 6.28, lid 4
B. SEINEN BIJ NADEREN OP TEGENGESTELDE KOERSEN SEINEN BIJ NADEREN OP TEGENGESTELDE KOERSEN Artikel
--- --- --- ---
1. Op alle vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel en de Maas Op alle vaarwegen met uitzondering van de Geldersche IJssel en de Maas
Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord; afwijking van de hoofdregel; (tevens tonen lichtblauw bord) Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord; afwijking van de hoofdregel; (tevens tonen lichtblauw bord)
Ik wil stuurboord op stuurboord voorbijvaren
Akkoord, u kunt stuurboord op stuurboord voorbijvaren
Neen, u kunt niet stuurboord op stuurboord voorbijvaren 6.04a, lid 6
2. Op de Geldersche IJssel en de Maas Op de Geldersche IJssel en de Maas
Voornemen tot ontmoeten bakboord op bakboord Voornemen tot ontmoeten bakboord op bakboord
Opvarend schip: «Ik wil bakboord op bakboord voorbijvaren» 6.05, lid 5
Afvarend schip: «Akkoord, u kunt bakboord op bakboord voorbijvaren» 6.05, lid 6
Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord (tevens tonen lichtblauw bord) Voornemen tot ontmoeten stuurboord op stuurboord (tevens tonen lichtblauw bord)
Opvarend schip: «Ik wil stuurboord op stuurboord voorbijvaren»
Afvarend schip: «Akkoord, u kunt stuurboord op stuurboord voorbijvaren»
C. SEINEN BIJ HET VOORBIJLOPEN SEINEN BIJ HET VOORBIJLOPEN Artikel
--- --- --- ---
Voornemen tot voorbijlopen aan bakboord van de opgelopene Voornemen tot voorbijlopen aan bakboord van de opgelopene
Oploper: «Ik wil u aan bakboord voorbijlopen»
Opgelopene: «Akkoord, u kunt mij aan bakboord voorbijlopen»1Niet verplicht
afwijking: afwijking:
Opgelopene: «Neen, u moet mij aan stuurboord voorbijlopen»
Oploper: «Akkoord, ik zal u aan stuurboord voorbijlopen»
Voornemen tot voorbijlopen aan stuurboord van de opgelopene Voornemen tot voorbijlopen aan stuurboord van de opgelopene
Oploper: «Ik wil u aan stuurboord voorbijlopen»
Opgelopene: «Akkoord, u kunt mij aan stuurboord voorbijlopen»1Niet verplicht
afwijking: afwijking:
Opgelopene: «Neen, u moet mij aan bakboord voorbijlopen»
Oploper: «Akkoord, ik zal u aan bakboord voorbijlopen»
Indien voorbijlopen onmogelijk is Indien voorbijlopen onmogelijk is
Opgelopene: «U kunt mij niet voorbijlopen»
D. SEINEN BIJ HET KEREN SEINEN BIJ HET KEREN Artikel
--- --- --- ---
Ik ga over stuurboord keren
Ik ga over bakboord keren
E. SEINEN BIJ HET UIT- EN INVAREN VAN HAVENS EN NEVENVAARWATEREN EN HET DAARBIJ INVAREN OF OVERSTEKEN VAN EEN HOOFDVAARWATER SEINEN BIJ HET UIT- EN INVAREN VAN HAVENS EN NEVENVAARWATEREN EN HET DAARBIJ INVAREN OF OVERSTEKEN VAN EEN HOOFDVAARWATER Artikel
--- --- --- ---
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik ga oversteken
F. NIET OVERGENOMEN NIET OVERGENOMEN NIET OVERGENOMEN
--- --- --- ---
G. SEINEN BIJ SLECHT ZICHT SEINEN BIJ SLECHT ZICHT SEINEN BIJ SLECHT ZICHT
--- --- --- ---
1. Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven) Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven) Op radar varende schepen (zo dikwijls als nodig is te geven)
Varend groot schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1), dat met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen Varend groot schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1), dat met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen
Varende veerpont die met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen Varende veerpont die met de andere schepen geen marifooncontact tot stand kan brengen
2. Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven) Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven) Zonder radar varende schepen (met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven)
Varend schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1). Varend schip of samenstel2Bij een samenstel moet het geluidssein slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt. (art. 6.32, lid 6 en art. 6.33, lid 1).
Varende veerpont Varende veerpont
3. Seinen tijdens het stilliggen Seinen tijdens het stilliggen Seinen tijdens het stilliggen
Schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt of is vastgevaren, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort Schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat in het vaarwater of in de nabijheid daarvan op een gevaarlijke plaats stilligt of is vastgevaren, wanneer het per marifoon verneemt dat andere schepen naderen of wanneer en zolang het het geluidssein van een naderend schip hoort
Idem; mag alleen worden gegeven door een zeegaand schip Idem; mag alleen worden gegeven door een zeegaand schip

Bijlage 7. Verkeerstekens

H.. OVERIGE AANDUIDINGEN

Bijlage 8

1. ALGEMEEN

2.1. Hoofdmarkering

3. MARKERING GEVAARLIJKE PUNTEN EN OBSTAKELS

5. MARKERING LOOP VAN DE VAARGEUL

6. MARKERING OP BREDE VAARWATERS EN MEREN

7.1.2 Stuurboordszijde

7.2. Indien niet voorzien van lichten

7.2.1 Bakboordszijde

7.2.2 Stuurboordszijde

Bijlage 17. Manoeuvreerbaarheid van schepen en samenstellen

    1. het Hartelkanaal;
    1. de Nieuwe Maas;
    1. de Oude Maas;
    1. de Dordtse Kil;
    1. het Hollandsch Diep;
    1. de Nieuwe Merwede;
    1. de Beneden-Merwede;
    1. de Boven-Merwede;
    1. de Amer.
    1. de Schelde-Rijnverbinding;
    1. het Kanaal door Zuid-Beveland;
    1. het Veerse Meer;
    1. het Brabantsche Vaarwater;
    1. de Witte Tonnen Vlije;
    1. het Afgesloten-IJ;
    1. het Buiten-IJ.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)