Wet van 7 juli 1988, houdende regels betreffende loodsen

Type Wet
Publication 2022-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 148
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitvoerende taken van de overheid ten aanzien van het loodsen van zeeschepen te beëindigen en in de plaats daarvan een openbaar lichaam voor beroep in te stellen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, daarbij regels stellend over de opleiding tot loods en de bevoegdheid tot uitoefening van dit beroep, aldus tevens de grondslag scheppend voor de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, waaronder de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het loodsen van schepen door Noordzeeloodsen op de Noordzee en in het Kanaal (Pb EG L33/32);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • b. loods:
  • 1°. registerloods;
  • 2°. degene die voldoet aan de eisen met betrekking tot opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid;
  • d. algemene raad: de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie;
  • f. registerloods: degene die is ingeschreven in het register;
  • g. loodsplichtige scheepvaartwegen: de scheepvaartwegen waarop krachtens wettelijk voorschrift de kapitein van een schip verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods;
  • h. verwerking van persoonsgegevens, onderscheidenlijk verwerkingsverantwoordelijke: hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 4, onderdelen 1, 2 en 7, van de Algemene verordening gegevensbescherming;
  • j. vervallen;
  • k. arbeidsvergoeding: arbeidsvergoeding voor registerloodsen, bestaande uit:
  • 1°. een integraal uurtarief voor de uitvoering van verrichtingen van een registerloods aan boord of loodsen door een registerloods op afstand, met inbegrip van een vaste opslag voor de daarbij te maken reis-, wacht- en beschikbaarheidsuren; en
  • 2°. een integraal uurtarief voor de uitvoering van andere taken dan bedoeld onder 1°, die bij of krachtens deze wet of anderszins aan een registerloods zijn toevertrouwd, met inbegrip van een vaste opslag voor de daarbij te maken reis- en wachturen;
  • l. persoonsgegevens over gezondheid: persoonsgegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming.
2.

De begrippen in deze wet en de daarop berustende bepalingen hebben, tenzij anders is bepaald, dezelfde betekenis als in de Scheepvaartverkeerswet.

Hoofdstuk II. De loodsen

§ 1. Algemeen

Artikel 2
1.

De loods adviseert aan boord de kapitein of verkeersdeelnemer over de door deze te voeren navigatie.

2.

Indien de loods zijn functie aan boord van het te loodsen schip uitoefent, mag hij met instemming van de kapitein optreden als verkeersdeelnemer.

3.

Indien de loods zijn functie niet aan boord van het te loodsen schip kan uitoefenen, mag hij de kapitein of de verkeersdeelnemer vanaf een ander schip of vanaf de wal adviseren.

4.

Indien de loods zijn functie vanaf een ander schip of vanaf de wal uitoefent, mag hij, voor zover hij daartoe bij of krachtens artikel 9 van de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, de kapitein of de verkeersdeelnemer ook verkeersinformatie geven.

5.

Indien zich aan boord van het te loodsen schip een loods bevindt, kan een loods vanaf de wal aan deze loods adviezen en, voor zover hij daartoe bij of krachtens artikel 9 van de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, verkeersinformatie geven, in het geval van verminderd zicht, slechte weersomstandigheden of andere bijzondere omstandigheden.

6.

Ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld die de loodsen voor en bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.

Artikel 3

De loods is, voor zover hij handelt in de uitoefening van de in artikel 2 genoemde taken en bevoegdheden, slechts aansprakelijk voor schade door hem veroorzaakt door opzet of grove schuld.

§ 2. Registerloodsen

Artikel 4
1.

Bij of krachtens verordening worden regels gesteld met betrekking tot de bevoegdheid van de registerloods ten aanzien van loodsplichtige scheepvaartwegen en categorieën van schepen en met betrekking tot het op peil houden van de in verband met het uitoefenen van het beroep van registerloods benodigde kennis en vaardigheden. Deze verordening en de krachtens die verordening te geven regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

2.

Het is degene die geen daartoe bevoegd registerloods is, verboden diensten als loods aan te bieden dan wel te verlenen aan:

  • a. zeeschepen op loodsplichtige scheepvaartwegen; en
  • b. schepen die anderszins ingevolge een wettelijke regeling verplicht zijn gebruik te maken van de diensten van een loods.
3.

Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet met betrekking tot schepen voor de vaart op loodsplichtige scheepvaartwegen, aangewezen krachtens artikel 10, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover die schepen op binnenwateren varen.

4.

Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet voor de tot de Belgische loodsdienst behorende loods die krachtens het Scheldereglement als zodanig optreedt en de tot de Duitse loodsdienst behorende loods die krachtens het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Trb. 1960, 69) als zodanig optreedt.

§ 3. Niet-registerloodsen

Artikel 5
1.

Onverminderd artikel 4, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen gesteld met betrekking tot de opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid voor het loodsen van schepen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren en ten aanzien van het in verband met de beroepsuitoefening af te geven document.

2.

De kosten verbonden aan en de kosten die samenhangen met de bij of krachtens het eerste lid, gestelde eisen, kunnen ten laste worden gebracht van de aanvrager van het in die maatregel genoemde examen of document.

3.

De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

4.

Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde eisen worden persoonsgegevens verwerkt over gezondheid. De verwerking van deze gegevens strekt ertoe te kunnen beoordelen of de geschiktheid voor het loodsen van schepen aanwezig is of niet meer aanwezig is. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

Hoofdstuk III. De loodsencorporaties

§ 1. De Nederlandse loodsencorporatie

Artikel 6
1.

De gezamenlijke registerloodsen vormen de Nederlandse loodsencorporatie. De corporatie is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Zij is gevestigd te Rotterdam.

2.

De corporatie heeft een voorzitter, een algemene raad en een ledenvergadering.

Artikel 7

De voorzitter vertegenwoordigt de corporatie in en buiten rechte.

Artikel 8
1.

De algemene raad voert het geldelijk beheer en het overig bestuur. Deze raad bestaat uit de voorzitter en de voorzitters van de regionale corporaties of hun plaatsvervangers.

2.

De voorzitter wordt door de ledenvergadering benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren. Hij is geen lid van het bestuur van een regionale corporatie.

3.

De voorzitter wordt bij verhindering vervangen door een lid van de algemene raad, daartoe door die raad aangewezen.

Artikel 9
1.

De algemene raad heeft in het bijzonder tot taak:

  • a. met betrekking tot het beroep van registerloods:
  • 1°. het verzorgen van de opleiding tot registerloods en het afnemen van de examens;
  • 2°. het verzorgen van de opleiding tot registerloods van degene die daartoe op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties in aanmerking komt, voor zover dit betreft het gedeelte van de opleiding dat betrokkene dient te volgen nadat hij heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van geschiktheid, zoals vastgesteld krachtens het tweede lid;
  • 3°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
  • 4°. het bevorderen van de vakbekwaamheid;
  • 5°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn; en
  • b. het geven van advies aan Onze Minister inzake de uitvoering van deze wet, hetzij op verzoek van Onze Minister hetzij uit eigen beweging.
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid die worden gevorderd bij de toelating tot de opleiding en bij de examens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en worden regels gesteld omtrent de wijze van examinering.

3.

Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en tweede lid, worden persoonsgegevens verwerkt over gezondheid. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de geschiktheid voor het uitoefenen van het beroep van registerloods aanwezig is.

4.

De taken genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 5°, worden uitsluitend verricht voor zover deze betrekking hebben op registerloodsen in meer dan één regio.

5.

Voor de deelname aan een van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, 2°, is een vergoeding verschuldigd voor de kosten aan de algemene raad, volgens een bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA vast te stellen tarief.

§ 2. De regionale loodsencorporaties

Artikel 10
1.

De gezamenlijke registerloodsen van eenzelfde regio vormen de regionale loodsencorporatie in die regio.

2.

De namen en de vestigingsplaatsen van de regionale loodsencorporaties zijn als volgt:

  • a. Noord te Delfzijl;
  • b. Amsterdam-IJmond te IJmuiden;
  • c. Rotterdam-Rijnmond te Rotterdam;
  • d. Scheldemonden te Vlissingen.
3.

De grenzen van een regio worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

4.

Een regionale corporatie is rechtspersoon.

5.

Een regionale corporatie heeft een voorzitter, een bestuur en een ledenvergadering.

Artikel 11

De voorzitter van een regionale corporatie vertegenwoordigt de regionale corporatie in en buiten rechte.

Artikel 12
1.

Het bestuur voert het geldelijke beheer en het overige bestuur van de regionale corporatie.

2.

Het bestuur bestaat uit de voorzitter van de regionale corporatie en:

  • a. ten minste twee en ten hoogste vier leden voor regionale corporaties die niet meer dan honderd leden tellen;
  • b. en ten minste twee en ten hoogste zes leden voor regionale corporaties die meer dan honderd leden tellen.
3.

De voorzitter van de regionale corporatie, de andere leden van het bestuur, alsmede hun plaatsvervangers, worden door de ledenvergadering uit de leden van de regionale corporatie benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren.

4.

De voorzitter van de regionale corporatie en de andere leden van het bestuur worden bij verhindering vervangen door hun plaatsvervangers.

Artikel 13
1.

Het bestuur van de regionale corporatie heeft in het bijzonder tot taak:

  • a. met betrekking tot het beroep van registerloods:
  • 1°. er voor zorg te dragen dat er steeds voldoende personen worden opgeleid;
  • 2°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
  • 3°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn;
  • c. het voorbereiden van ledenvergaderingen.
2.

De taken, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3° of 5°.

§ 3. De vergaderingen

Artikel 14
1.

De voorzitter van de corporatie of van een regionale corporatie, roept een vergadering bijeen zo vaak hij zulks nodig acht of indien zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, wordt verzocht:

  • a. voor de ledenvergadering van de corporatie: door de ledenvergadering van ten minste een regionale corporatie;
  • b. voor een ledenvergadering van een regionale corporatie: door ten minste tien procent van de leden;
  • c. voor de algemene raad en voor het bestuur van een regionale corporatie: door ten minste twee leden.
2.

De ledenvergaderingen van de corporatie zijn openbaar voor zover daarin ontwerpen van verordeningen aan de orde zijn. Hiervan wordt door de algemene raad op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze mededeling gedaan.

3.

De ledenvergadering van een regionale corporatie voorziet bij reglement in het doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen.

§ 4. Verordeningen

Artikel 15
1.

De ledenvergadering van de corporatie stelt de verordeningen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, vast, alsmede andere verordeningen, waaronder die in het belang van:

  • a. een goede beroepsuitoefening;
  • b. een doelmatige dienstverlening, waarbij ten minste dient te worden voorzien in:
  • 1°. de verplichting van de registerloods zijn diensten tijdig en op non-discriminatoire wijze aan te bieden en te verlenen aan schepen als bedoeld in artikel 4, tweede lid; en
  • 2°. de verplichting van de registerloodsen om in onderling verband zorg te dragen voor het vervoer ten behoeve van hun beroepsuitoefening en de verdere organisatie van de dienstverlening;
  • c. sociale voorzieningen voor registerloodsen en voor nabestaanden van overleden registerloodsen;
  • d. een doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen van de corporatie; en
  • e. de borging van de kwaliteit van de loodsdienstverlening, waarbij ten minste wordt voorzien in de wijze waarop ten minste iedere vijf jaar een visitatie wordt uitgevoerd met het oog op de kwaliteit van de loodsdienstverlening.
2.

In een verordening kan aan de algemene raad of aan het bestuur van een regionale corporatie de bevoegdheid worden verleend tot het geven van nadere voorschriften omtrent bij die verordening geregelde onderwerpen.

Artikel 16
1.

De ontwerpen van verordeningen worden door de algemene raad opgesteld, hetzij op last van de ledenvergadering hetzij uit eigen beweging.

2.

Op de voorbereiding van verordeningen is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat daaraan toepassing wordt gegeven door de algemene raad.

3.

De algemene raad brengt de naar voren gebrachte zienswijzen ter kennis van de leden.

4.

De verordeningen worden na de vaststelling onverwijld ter kennis gebracht van Onze Minister en vervolgens bekendgemaakt in de Staatscourant. Indien zij de goedkeuring van Onze Minister behoeven, wordt bij de bekendmaking aan de voet van de verordening het besluit vermeld waarbij deze is goedgekeurd.

5.

De verordeningen treden, tenzij zij anders bepalen, in werking met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking.

6.

Het vierde en vijfde lid zijn eveneens van toepassing op de nadere voorschriften, bedoeld in artikel 15, tweede lid.

Artikel 17
1.

De verordeningen zijn slechts verbindend voor de leden, de corporatie, de algemene raad, de regionale corporaties en hun besturen alsmede, voor zover zij betrekking hebben op personen die worden opgeleid voor het beroep van registerloods, voor deze personen.

2.

Bepalingen gesteld bij of krachtens een verordening die strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet zijn onverbindend.

Artikel 18
1.

Besluiten van de algemene raad of van de ledenvergadering van de corporatie kunnen op de voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2.

Ingeval van vernietiging geschiedt deze binnen zes maanden na de in artikel 16, vierde lid, bedoelde ter kennis brenging of, wanneer het een ander besluit betreft, binnen zes maanden nadat het besluit ter kennis van Onze Minister is gekomen.

Hoofdstuk IV. Adspirant-registerloodsen

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Hoofdstuk V. Het loodsenregister

Artikel 21
1.

Er is een openbaar loodsenregister. Ten behoeve van dit register worden persoonsgegevens verwerkt met betrekking tot ingeschreven registerloodsen. De verwerking van deze gegevens vindt plaats ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit, de continuïteit en de rechtszekerheid van de loodsdienstverlening, alsmede van de uitvoering van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels. De algemene raad is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

2.

Bij verordening worden regels gesteld over de inrichting van het register, de wijze van inschrijving en van doorhaling en het geven van afschriften uit het register.

3.

De tarieven voor de kosten van het verstrekken van afschriften uit het register worden vastgesteld bij besluit van de Autoriteit Consument en Markt, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk VIA.

4.

In het register wordt degene die voldoet aan artikel 22, eerste lid, op zijn aanvraag ingeschreven als registerloods. Bij een inschrijving worden in het register vermeld de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de aanvrager, alsmede de loodsplichtige scheepvaartwegen en de categorieën van schepen waarvoor hij bevoegd is en tot welke regionale corporatie hij behoort.

5.

Indien een registerloods in meer dan een regio bevoegd is, bepaalt de algemene raad, gehoord de besturen van de betreffende regionale corporaties en de betrokken registerloods, ten aanzien van welke regionale corporatie de inschrijving zal plaatsvinden.

6.

De algemene raad is belast met het beheer van het register.

Artikel 22
1.

Degene die met goed gevolg de examens, bedoeld in artikel 9, heeft afgelegd, of beschikt over een ten aanzien van het beroep van registerloods verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties" wordt op zijn aanvraag in het register ingeschreven, indien hij:

  • b. beschikt over een verklaring van toelating, afgegeven door het bestuur van de desbetreffende regionale corporatie.
2.

Ter uitvoering van de aanvraag om inschrijving in het register worden persoonsgegevens over gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor de inschrijving als registerloods is voldaan. De algemene raad is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.

3.

De aanvrager ontvangt van de inschrijving in het register een verklaring volgens een bij verordening vast te stellen model.

Artikel 23
1.

De inschrijving in het register wordt geweigerd, indien:

  • a. de aanvrager niet de bewijsstukken van het voldoen aan artikel 22, eerste lid, binnen dertien weken nadat het laatste bewijsstuk is uitgegeven, heeft overgelegd of, na het verstrijken van deze termijn, niet tevens een aanvullende verklaring van toelating, afgegeven door het bestuur van de betreffende regionale corporatie, heeft overgelegd; of
  • b. ten aanzien van de aanvrager ingevolge artikel 40 of artikel 48, de bevoegdheid als registerloods is geschorst of vervallen verklaard.
2.

De algemene raad doet van een beschikking tot weigering van de inschrijving in het register mededeling door toezending van een afschrift daarvan aan het bestuur van de regionale corporatie.

Artikel 24
1.

De inschrijving in het register wordt doorgehaald:

  • a. bij overlijden van de ingeschrevene;
  • b. op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;
  • e. indien de ingeschrevene niet beschikt over geldige geneeskundige verklaringen volgens de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels;
  • f. indien de ingeschrevene gedurende een bij verordening te bepalen termijn niet ten minste een bij in die verordening te bepalen aantal malen zijn beroep feitelijk aantoonbaar heeft uitgeoefend;
  • g. gedurende de termijn waarvoor de bevoegdheid ingevolge rechterlijke uitspraak of als maatregel is geschorst; of
  • h. indien de reden voor weigering van de inschrijving eerst na de inschrijving is gebleken.
2.

Bij doorhaling is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Doorhaling van de inschrijving brengt mee verlies van de betrekkingen waarbij de hoedanigheid van lid van de corporatie of van de regionale corporatie, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde, vereiste voor benoembaarheid of verkiesbaarheid is.

4.

Bij een doorhaling krachtens het gestelde in het eerste lid, onderdeel g, eindigt de doorhaling van rechtswege na het verstrijken van de in dat onderdeel bedoelde termijn.

Artikel 25

Degene die in het register ingeschreven is geweest, wordt, indien de vorige inschrijving is doorgehaald op de grond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, op zijn verzoek opnieuw in het register ingeschreven als bij de aanvraag daarvoor het bewijs wordt overgelegd dat deze grond heeft opgehouden te bestaan.

Hoofdstuk VI. Financiën

Artikel 26
1.

Bij verordening worden regels vastgesteld ten aanzien van de bedragen, de verschuldigdheid daarvan, de maatstaven voor de vaststelling, alsmede de betaling met betrekking tot:

  • a. de diensten van registerloodsen;
  • b. de door de algemene raad en de besturen van de regionale corporaties krachtens deze wet te verzorgen taken;
  • c. de taken ten behoeve van de door de registerloodsen te verlenen diensten.
2.

De regels, vastgesteld bij de verordening, bedoeld in het eerste lid, houden rekening met de totale te verwachten opbrengst uit loodsgelden en voorzien in ieder geval in:

  • a. een evenredigheid voor de maatstaven met betrekking tot de bedragen voor de diensten van registerloodsen en de verschillende regio's;
  • b. een waarborg voor het kunnen verzorgen van de taken van de algemene raad en de besturen van de regionale corporaties.
Artikel 27

Vaststelling van een verordening tot wijziging van de verordening, bedoeld in artikel 26, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op een wijziging van de bedragen of de maatstaven voor de vaststelling daarvan, vindt slechts plaats door een besluit van de ledenvergadering met een meerderheid van twee derden van de in die ledenvergadering uitgebrachte geldige stemmen.

Hoofdstuk VIA. Tarieven en markttoezicht

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 28
1.

De registerloods is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk registerloods niet betaamt, ter zake van enige overtreding van een verordening of van een krachtens een verordening gegeven nader voorschrift als bedoeld in artikel 15.

2.

De tuchtrechtspraak in eerste aanleg wordt uitgeoefend door het tuchtcollege loodsen.

3.

De tuchtrechtspraak in hoger beroep wordt uitgeoefend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beslist in hoogste ressort.

§ 2. Systeem van kostentoerekening

Artikel 29
1.

Het tuchtcollege loodsen bestaat uit een voorzitter en vier leden. Er kunnen een of meer plaatsvervangende voorzitters en leden zijn.

2.

Het tuchtcollege loodsen heeft een secretaris en kan een of meer plaatsvervangende secretarissen hebben.

3.

De voorzitter, leden en hun plaatsvervangers worden door Onze Minister benoemd voor een periode van vier jaren en zijn terstond herbenoembaar. De benoemingstermijn van degene die wordt benoemd ter vervulling van een tussentijdse vacature, eindigt bij het verstrijken van de benoemingstermijn van degene in wiens plaats hij is getreden.

4.

Tussen de voorzitter, de leden, de secretaris en hun plaatsvervangers bestaat geen nauwe persoonlijke betrekking.

5.

Benoembaar tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter zijn degenen:

  • a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend, of
  • b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht hebben verkregen om de titel meester te voeren.
6.

Uit iedere regionale corporatie wordt op een voordracht van het bestuur van die regionale corporatie een registerloods benoemd, die geen lid of plaatsvervangend lid van het bestuur van die betreffende regionale loodsencorporatie is.

7.

Onze Minister verleent aan de voorzitter en zijn plaatsvervanger in elk geval ontslag met ingang van de maand, volgende op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt, en op eigen verzoek tussentijds.

8.

Het lidmaatschap van leden van het tuchtcollege vervalt van rechtswege indien een lid benoemd wordt in het bestuur van een regionale loodsencorporatie of bij het verlies van de hoedanigheid van registerloods.

Artikel 30
2.

De artikelen 13a, 13b, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van de voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers, met dien verstande dat:

  • a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van het tuchtcollege; en
  • b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld in artikel 13a, te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel.
Artikel 31
1.

De secretaris en plaatsvervangend secretaris zijn voor de uitoefening van hun taken uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter.

2.

De secretaris en plaatsvervangend secretaris worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Schorsing en ontslag vindt plaats op voordracht van de voorzitter.

3.

Artikel 29, vijfde lid, is op de secretaris en plaatsvervangend secretaris van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32
1.

De voorzitter, de secretaris, de leden en hun plaatsvervangers ontvangen vacatiegeld, alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten en van andere verschotten.

2.

Het in het eerste lid bedoeld vacatiegeld, de reis- en verblijfskosten en andere verschotten worden overeenkomstig Hoofdstuk VIA, bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 33
1.

De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, mogen zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun raadslieden of gemachtigden over enige zaak die bij het tuchtcollege loodsen aanhangig is, of waarvan zij weten of kunnen vermoeden dat deze bij het tuchtcollege loodsen aanhangig zal worden gemaakt.

2.

De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers zijn verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

3.

De voorzitter, de leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit.

Artikel 34
1.

Een zaak wordt in eerste aanleg bij het tuchtcollege loodsen aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van de algemene raad, het bestuur van een regionale loodsencorporatie of van degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

2.

Een klacht bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a. de naam, het adres en de woonplaats van de klager;
  • b. de naam en, voor zover bekend, het adres en de woonplaats van de registerloods op wie de klacht betrekking heeft; en
  • c. een omschrijving van de gedraging, waarop de klacht betrekking heeft en de bezwaren daartegen.
3.

De organen van de corporatie of een regionale loodsencorporatie verlenen desgevraagd hun medewerking bij de behandeling van de klacht door het tuchtcollege loodsen.

4.

Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van de gedraging pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

Artikel 35
1.

De voorzitter kan een klacht na een summier onderzoek terstond afwijzen bij een met redenen omklede schriftelijke beslissing indien hij van oordeel is dat de klager kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel de klacht kennelijk ongegrond of het tuchtcollege loodsen onbevoegd is.

2.

De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de beslissing van de voorzitter aan de registerloods over wie geklaagd is, aan de klager en aan de algemene raad.

3.

De klager en de algemene raad kunnen binnen twee weken na de dag van verzending van de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een klacht schriftelijk verzet doen bij het tuchtcollege. Ten gevolge van het verzet vervalt de eerdere beslissing van de voorzitter.

4.

De voorzitter brengt klachten die niet door hem zijn afgewezen onverwijld ter kennis van het tuchtcollege loodsen.

5.

Intrekken van de klacht, nadat deze is ingediend, of staking van de werkzaamheden door de registerloods over wie geklaagd is, heeft op de verdere behandeling van de klacht geen invloed, wanneer naar het oordeel van het tuchtcollege loodsen het algemeen belang dat vermoedelijk is geschonden vordert dat de behandeling wordt voortgezet of wanneer degene over wie geklaagd is, schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de behandeling van de klacht te verlangen.

§ 5. Vaststelling van de tarieven en voorwaarden

Artikel 36
1.

Aan de behandeling van een zaak door het tuchtcollege loodsen nemen deel de voorzitter of zijn plaatsvervanger en vier leden of hun plaatsvervanger, waarvan een uit elke regionale loodsencorporatie.

2.

De voorzitter en de leden kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt indien er te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor de onpartijdigheid van het tuchtcollege loodsen schade zou kunnen lijden.

3.

Het tuchtcollege loodsen beslist zo spoedig mogelijk over een verzoek tot verschoning of wraking. Aan de besluitvorming wordt niet deelgenomen door de voorzitter of het lid waarop het verzoek betrekking heeft. Indien het verzoek betrekking heeft op de voorzitter, neemt een plaatsvervangend voorzitter deel aan de besluitvorming. Bij staking van stemmen wordt het verzoek tot verschoning of wraking toegewezen.

Artikel 37
1.

Zodra het tuchtcollege loodsen een klacht in behandeling heeft genomen, zendt de secretaris een afschrift van de klacht aan de registerloods waartegen de klacht zich richt.

2.

De registerloods waartegen de klacht zich richt kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van de klacht, als bedoeld in het eerste lid, een verweerschrift indienen. De voorzitter kan deze termijn op verzoek van de registerloods verlengen.

3.

De secretaris zendt een afschrift van het verweerschrift aan de klager.

Artikel 38
1.

De voorzitter bepaalt het tijdstip en de locatie voor de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting. De secretaris draagt zorg voor de tijdige publicatie van deze informatie op de door de algemene raad ter beschikking gestelde internetsite.

2.

De secretaris roept de klager en de registerloods waartegen de klacht zich richt ten minste twee weken voorafgaand aan de datum van de zitting bij aangetekende brief op voor de zitting.

3.

De behandeling van een klacht door het tuchtcollege loodsen, geschiedt in een openbare zitting, tenzij het tuchtcollege loodsen om gewichtige redenen beveelt dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel daartoe houdt de overwegingen in waarop het steunt.

4.

De registerloods, waartegen de klacht zich richt, is verplicht aan de oproeping, bedoeld in het tweede lid, gevolg te geven. Indien hij na oproeping niet ter zitting verschijnt, kan het tuchtcollege loodsen de officier van justitie verzoeken hem te dagvaarden. Hij is verplicht na dagvaarding te verschijnen.

5.

Indien de registerloods waartegen de klacht zich richt, op de dagvaarding niet ter zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het tuchtcollege loodsen dagvaarden, met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

6.

De registerloods waartegen de klacht zich richt, kan zich door een raadsman doen bijstaan.

7.

Het tuchtcollege loodsen kan weigeren personen die geen advocaat zijn als raadsman of als gemachtigde ter zitting toe te laten. Bij een zodanige weigering houdt het tuchtcollege loodsen de zaak tot een volgende zitting aan.

8.

Het tuchtcollege loodsen stelt de registerloods waartegen de klacht zich richt en zijn raadsman ten minste twee weken voor de zitting in de gelegenheid om van alle op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen.

9.

De secretaris maakt van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal op dat door de voorzitter en de secretaris wordt ondertekend.

10.

De kosten die samenhangen met de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting komen ten laste van de algemene raad.

Artikel 39
1.

Het tuchtcollege loodsen kan, hetzij op verzoek van de registerloods waartegen de klacht zich richt, hetzij op verzoek van de klager, hetzij ambtshalve, getuigen en deskundigen voor de zitting oproepen en horen.

2.

De secretaris roept getuigen en deskundigen bij aangetekende brief voor de zitting op. Eenieder die als getuige of deskundige door het tuchtcollege loodsen is opgeroepen, is verplicht aan die oproeping gevolg te geven.

3.

Indien een getuige of deskundige na oproeping niet ter zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het tuchtcollege loodsen dagvaarden. Hij is verplicht na dagvaarding te verschijnen.

4.

Indien een getuige of deskundige op de dagvaarding niet ter zitting verschijnt, doet de officier van justitie hem op verzoek van het tuchtcollege loodsen dagvaarden, met bevel tot medebrenging. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

5.

De voorzitter beëdigt getuigen om de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Getuigen zijn verplicht op de gestelde vragen te antwoorden.

6.

De voorzitter beëdigt deskundigen om hun taak naar geweten te vervullen. Deskundigen zijn verplicht de door het tuchtcollege loodsen gevorderde diensten te bewijzen.

7.

Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

8.

De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon van hun oproep of dagvaarding een door de voorzitter vast te stellen schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Deze schadeloosstelling komt ten laste van de corporatie.

Artikel 40
1.

Het tuchtcollege loodsen kan, indien het van oordeel is dat een tegen een registerloods ingediende klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is, een of meer van de volgende tuchtmaatregelen opleggen:

  • a. waarschuwing;
  • b. berisping;
  • d. schorsing of beperking van de bevoegdheid voor een periode van ten hoogste één jaar;
  • e. definitief vervallen of beperken van de bevoegdheid;
  • f. veroordeling in de kosten die de klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken; of
  • g. veroordeling in de overige kosten die in verband met de behandeling van de tuchtzaak zijn gemaakt.
2.

Het tuchtcollege loodsen kan een klacht gegrond verklaren zonder oplegging van een tuchtmaatregel als bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij het opleggen van een geldboete als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en een veroordeling in de kosten als bedoeld in onderdeel f en g, bepaalt het tuchtcollege loodsen de wijze waarop, en het termijn of de termijnen waarbinnen aan die tuchtmaatregel worden voldaan. De te betalen geldboete komt toe aan de Staat. Voor de toepassing van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de uitspraak van het tuchtcollege loodsen aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4:86 van die wet. Indien niet binnen de gestelde termijn aan de opgelegde tuchtmaatregel wordt voldaan, kan het tuchtcollege loodsen ambtshalve beslissen de registerloods aan wie een in de eerste zin bedoelde tuchtmaatregel is opgelegd, na hem in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, op deze grond een of meer andere tuchtmaatregelen als bedoeld in het eerste lid op te leggen.

4.

Bij het opleggen van de tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste lid, onder c en d, kan het tuchtcollege loodsen bepalen dat deze geheel of ten dele niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het tuchtcollege loodsen bij een latere beslissing anders mocht bepalen op grond van het feit dat de registerloods aan wie de tuchtmaatregelen zijn opgelegd, zich voor het einde van een bij die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste twee jaren heeft gedragen in strijd met een verordening of krachtens een verordening gegeven nader voorschrift als bedoeld in artikel 15.

5.

De tuchtmaatregelen, genoemd in het eerste lid onder c, d, e, f en g, kunnen eerst ten uitvoer worden gelegd nadat de beslissing van het tuchtcollege loodsen onherroepelijk is geworden.

Artikel 41
1.

De beslissing van het tuchtcollege loodsen berust op een deugdelijke motivering.

2.

De voorzitter bepaalt het tijdstip en de locatie voor de openbare zitting waarin de beslissing van het tuchtcollege loodsen zal worden uitgesproken. De secretaris draagt zorg voor de tijdige publicatie van deze informatie op de door de algemene raad ter beschikking gestelde internetsite.

3.

Indien de registerloods waartegen de klacht zich richt, niet ter zitting is verschenen, kan het tuchtcollege loodsen bij verstek uitspraak doen.

4.

De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege loodsen bij aangetekende brief aan:

  • a. de registerloods, tegen wie de klacht zich richt;
  • b. aan de klager;
  • c. aan de algemene raad.
5.

De secretaris publiceert een geanonimiseerd afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege loodsen op een daartoe ter beschikking gestelde internetsite.

Artikel 42

Tegen een beslissing van het tuchtcollege loodsen kan binnen zes weken na de dag van de verzending van de in artikel 41, vierde lid, bedoelde brief hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven:

  • a. door de registerloods indien de klacht die tegen hem is ingediend geheel of ten dele gegrond is verklaard;
  • b. door de klager; of
  • c. door de algemene raad.
Artikel 43
1.

Het hoger beroep wordt ingesteld bij beroepschrift. Bij het beroepschrift wordt overgelegd een afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege loodsen, waartegen het hoger beroep is gericht.

2.

De griffier van het College van Beroep voor het bedrijfsleven zendt binnen een week na ontvangst van het beroepschrift een afschrift daarvan aan de registerloods waartegen de klacht zich richt, aan de klager en de algemene raad, voor zover het hoger beroep niet door hen is ingesteld, alsmede aan de secretaris van het tuchtcollege loodsen.

3.

De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt binnen drie weken na ontvangst van het afschrift van het beroepschrift alle stukken die op de zaak betrekking hebben aan de griffier van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

4.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt de zaak opnieuw in volle omvang. Op de behandeling in hoger beroep zijn de artikelen 35, eerste, tweede en derde lid, 36, tweede en derde lid, 37, 38, met uitzondering van de tweede volzin van het eerste lid, 39, 40 en 41 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44
1.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan op verzoek van een registerloods aan wie een tuchtmaatregel is opgelegd een onherroepelijk geworden beslissing van het tuchtcollege loodsen of van het College van Beroep voor het bedrijfsleven herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

  • a. het tuchtcollege loodsen of het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij de behandeling van de zaak ter zitting niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die
  • b. indien zij het tuchtcollege loodsen of het College van Beroep voor het bedrijfsleven bij de behandeling van de zaak ter zitting wel bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden.
2.

Op de behandeling van het verzoek tot herziening zijn de artikelen 35, eerste, tweede en derde lid, 36, tweede en derde lid, 37, 38, tweede tot en met negende lid, 39, 40 en 41, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Aan de behandeling van het verzoek tot herziening ter zitting van het College van Beroep voor het bedrijfsleven nemen geen leden deel die hebben deelgenomen aan de behandeling van de zaak, waarvan de herziening wordt verzocht.

§ 1. Tuchtvergrijpen en maatregelen

Artikel 45
1.

Tegen een beslissing op grond van artikel 44a, eerste, tweede en vijfde lid, kunnen de betrokken registerloods, de algemene raad en het bestuur van de regionale loodsencorporatie waartoe de registerloods behoort binnen zes weken na verzending van een afschrift van de beslissing hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Artikel 43 is van overeenkomstige toepassing.

2.

Het hoger beroep schorst niet de werking van de beslissing waartegen het is gericht.

Hoofdstuk VIII. Dwang-, straf- en opsporingsbepalingen

Artikel 46
1.

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, en tweede lid, artikel 13, eerste lid, onder a, onder 1°, en onder b, artikel 15, eerste lid, onder b, 2°, 21, zesde lid, en artikel 26. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan de corporatie onderscheidenlijk de regionale corporatie.

2.

Van de krachtens het eerste lid genomen maatregelen wordt binnen tweemaal vierentwintig uur een schriftelijk verslag opgemaakt dat onverwijld in afschrift wordt gezonden aan de belanghebbenden alsmede aan de algemene raad onderscheidenlijk het bestuur van de regionale corporatie.

Artikel 47
1.

Overtreding van de bepalingen, gesteld krachtens artikel 2, zesde lid, voor zover daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit aangewezen, of overtreding van artikel 4, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2.

De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 48
1.

Bij veroordeling wegens een overtreding genoemd in artikel 47, eerste lid, kan het vonnis tevens inhouden:

  • a. schorsing of beperking van de bevoegdheid als registerloods onderscheidenlijk schorsing of beperking van de krachtens artikel 5 verkregen bevoegdheid, voor de duur van ten hoogste een jaar;
  • b. verval of beperking van de bevoegdheid als registerloods onderscheidenlijk verval of beperking van de krachtens artikel 5 verkregen bevoegdheid.
2.

Het in het eerste lid gestelde geldt ook bij veroordeling van de loods wegens een overtreding, genoemd in de Scheepvaartverkeerswet, indien de loods die overtreding heeft begaan bij de uitoefening van zijn beroep.

Artikel 49
1.

Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, een vordering of een handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

4.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 49a

Vervallen

Hoofdstuk IX. Bijzondere bepalingen

Artikel 50
1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 52 in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

1.

Onze Minister is bevoegd aanwijzingen te geven aan de registerloodsen met betrekking tot de beschikbaarheid voor het verrichten van de in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid bedoelde diensten en het verrichten van die diensten alsmede aan de organen van de corporatie en de regionale corporaties met betrekking tot het verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten.

2.

De bepalingen gesteld krachtens artikel 2, zesde lid, en de bepalingen gesteld bij of krachtens verordeningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, vinden geen toepassing, voor zover zij onverenigbaar zijn met krachtens het eerste lid gegeven aanwijzingen.

Artikel 53

Het bij of krachtens de Oorlogswet voor Nederland aangewezen militair gezag is bevoegd om indien de beperkte of de algemene noodtoestand is afgekondigd, in afwijking van de bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet, regels te stellen met betrekking tot de beschikbaarheid van registerloodsen voor het verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid en het door registerloodsen verrichten van die diensten, alsmede met betrekking tot het door de organen van de corporatie en de regionale corporaties verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten, voor zover zulks met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid noodzakelijk is.

Artikel 54
1.

Een registerloods die als gevolg van een aanwijzing als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt beperkt in zijn mogelijkheden tot het verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste tot en met vijfde lid en daardoor onevenredig financieel nadeel ondervindt, wordt door Onze Minister een naar billijkheid te bepalen vergoeding toegekend, die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2.

Ingeval artikel 53 toepassing vindt, kan aan de corporatie een vergoeding worden toegekend die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Deze regels kunnen afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 26.

Artikel 55
1.

Overtreding van de krachtens artikel 52 gegeven aanwijzingen en van het bepaalde bij of krachtens de op grond van artikel 53 gestelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2.

De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Artikel 56
1.

Het stellen van regels krachtens de artikelen 2, zesde lid, 5, eerste lid, en 9, tweede lid, kan dienen ter uitvoering van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

2.

Daarbij wordt afgeweken van het bepaalde in deze wet, voor zover de bepalingen van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe nopen.

Artikel 57
1.

De verordeningsbevoegdheid van andere openbare lichamen dan genoemd in artikel 6, eerste lid, blijft ten aanzien van het onderwerp waarin bij of krachtens deze wet is voorzien, gehandhaafd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de financiële gevolgen van een verordening als bedoeld in het eerste lid.

3.

De vaststelling van krachtens het tweede lid te stellen regels geschiedt na overleg met het bestuur van het betrokken openbare lichaam.

4.

De vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid, geschiedt op voordracht van Onze Minister en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59
1.

De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie, alsmede degene op wie een verplichting rust als bedoeld in artikel 46, eerste lid, zijn verplicht Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die hij nodig acht om te kunnen beoordelen of aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 46, eerste lid.

2.

Indien op basis van de verstrekte inlichtingen niet kan worden beoordeeld of er aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 46, eerste lid, kan Onze Minister een nader onderzoek instellen.

3.

De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie, alsmede degene op wie een verplichting rust als bedoeld in artikel 46, eerste lid, zijn verplicht om aan dat onderzoek alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs kan worden gevorderd.

Artikel 60

Vervallen

Artikel II

Artikel 61

Vervallen

Artikel III

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

Onze Minister kan verordeningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, voor de eerste maal als ministeriële regeling vaststellen, voor zover deze, naar het oordeel van Onze Minister, op de datum waarop artikel 3, van de Loodswet 1957 wordt ingetrokken, in werking dienen te treden. Zij blijven, behoudens eerdere intrekking door Onze Minister, van kracht totdat zij bij verordening zijn ingetrokken en vervangen.

Artikel 68
1.

Wanneer de algemene raad voor de eerste maal na inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen een voorstel als bedoeld in artikel 27c, derde lid, doet, is de raming, bedoeld in artikel 27c, zevende lid, onderdeel c, gebaseerd op de voor het jaar 2015 geldende hoogte, vermeerderd met de indexering vastgesteld krachtens artikel 27d, tweede lid.

2.

Bij ministeriële regeling wordt de voor het jaar 2015 geldende hoogte van de integrale uurtarieven vastgesteld.

Artikel IV

Artikel 69

De op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen geldende loodsgeldtarieven, vastgesteld krachtens artikel 27fvan de Loodsenwet, zoals dat artikel luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet actualisatie markttoezicht registerloodsen, blijven van kracht tot het tijdstip waarop het besluit in werking treedt, waarbij het desbetreffende tarief voor de eerste maal met toepassing van de door eerdergenoemde wet gewijzigde artikelen is vastgesteld.

Artikel 70

Deze wet wordt aangehaald als: Loodsenwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 27a

De loodsgeldtarieven en de tarieven voor het verrichten van andere diensten die bij of krachtens de wet bij uitsluiting aan registerloodsen zijn opgedragen, onderscheidenlijk de vergoedingen voor de taken die bij of krachtens de wet aan de algemene raad of een regionale loodsencorporatie zijn opgedragen, worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 27b
1.

De ledenvergadering van de corporatie stelt in het belang van een op de kosten gebaseerde tariefstelling een toerekeningssysteem vast voor de kosten van de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a.

2.

Het toerekeningssysteem bevat een omschrijving van de wijze waarop de kosten van de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a, in de tarieven worden doorberekend.

3.

Het toerekeningssysteem wordt opgesteld met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens artikel 15ba, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

4.

Het toerekeningssysteem behoeft de instemming van de Autoriteit Consument en Markt. Afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op de instemming. Tevens stelt de Autoriteit Consument en Markt de methode en parameters voor de berekening van de vermogenskostenvoet bij besluit vast.

5.

Voorafgaand aan vaststelling van het toerekeningssysteem stelt de algemene raad de besturen van de regionale loodsencorporaties, de bij ministeriële regeling te bepalen vertegenwoordigers van rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf in staat hun zienswijze over een ontwerp voor een toerekeningssysteem naar voren te brengen.

6.

De algemene raad zendt het toerekeningssysteem en de ingebrachte zienswijzen tegelijkertijd naar de Autoriteit Consument en Markt en naar degenen die op grond van het vijfde lid zijn gevraagd om een zienswijze. Daarbij is gemotiveerd of en op welke wijze de ingebrachte zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het toerekeningssysteem. Indien een zienswijze niet heeft geleid tot aanpassing, geeft de algemene raad de redenen daarvoor aan.

7.

De Autoriteit Consument en Markt kan de ledenvergadering opdragen een vastgesteld toerekeningssysteem te wijzigen. De ledenvergadering is verplicht aan een opdracht gevolg te geven. Het derde en vierde lid zijn van toepassing.

8.

Onverminderd het zevende lid, wordt het toerekeningssysteem uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding herzien.

§ 3. Voorstel tot vaststelling tarieven

Artikel 27c
1.

De algemene raad doet de Autoriteit Consument en Markt een voorstel voor de tarieven en vergoedingen voor de diensten en taken, bedoeld in artikel 27a. In op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen stelt de algemene raad een ingediend voorstel bij. Indien het ingediende voorstel niet wordt bijgesteld, geeft de algemene raad de redenen daarvoor aan

2.

Een voorstel als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld met inachtneming van het uitgangspunt dat elk afzonderlijk tarief redelijk en non-discriminatoir is.

3.

Een voorstel als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de loodsgeldtarieven wordt opgesteld met inachtneming van het uitgangspunt dat de loodsgeldtarieven voor het geheel kostengeoriënteerd zijn.

4.

Voorafgaand aan de indiening van een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven vraagt de algemene raad een zienswijze aan de besturen van de regionale loodsencorporaties, de bij ministeriële regeling te bepalen vertegenwoordigers van rechtspersonen, betrokken bij het bestuur van een of meer zeehavens en representatieve organisaties van ondernemers in het scheepvaart- en havenbedrijf.

5.

De algemene raad zendt een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven en de ingebrachte zienswijzen tegelijkertijd naar de Autoriteit Consument en Markt en naar degenen die op grond van het vierde lid zijn gevraagd om een zienswijze. Daarbij is gemotiveerd of en op welke wijze de ingebrachte zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het tariefvoorstel. Indien een zienswijze niet heeft geleid tot aanpassing, geeft de algemene raad de redenen daarvoor aan.

6.

Een voorstel met betrekking tot de loodsgeldtarieven wordt jaarlijks ingediend, is mede gebaseerd op de financiële verantwoording van het aan de indiening voorafgaande kalenderjaar en heeft betrekking op het volgende kalenderjaar.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)