Burgerlijk Wetboek Boek 8, Verkeersmiddelen en vervoer

Type Wet
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 874
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Wanneer in geval het vervoer wordt verricht door opvolgende vervoerders, de vervoerder die de zaken moet afleveren met zijn instemming is ingeschreven op de vrachtbrief, kan overeenkomstig lid 1 de rechtsvordering tegen hem worden ingesteld, zelfs als hij de zaken of de vrachtbrief niet heeft ontvangen.

3.

De rechtsvordering tot terugbetaling van een krachtens de vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden ingesteld tegen de vervoerder die dit bedrag heeft geïnd of tegen degene ten voordele van wie dit bedrag is geïnd.

4.

De rechtsvordering ter zake van rembours kan alleen worden ingesteld tegen de vervoerder die de zaken op de plaats van afzending ten vervoer heeft aangenomen.

5.

De rechtsvordering kan tegen een andere dan de in de leden 1 en 4 bedoelde vervoerders worden ingesteld als tegeneis of als verweer in een geding over een op dezelfde vervoerovereenkomst gegronde vordering.

6.

Voorzover deze titel van toepassing is op de ondervervoerder, kan tegen hem eveneens een rechtsvordering worden ingesteld.

7.

Indien de eiser de keuze heeft tussen meer vervoerders, vervalt zijn keuzerecht zodra de rechtsvordering tegen een van hen is ingesteld; dit geldt eveneens indien de eiser de keuze heeft tussen een of meer vervoerders en een ondervervoerder.

Artikel 1592
1.

Door de inontvangstneming van de zaken door de rechthebbende wordt deze vermoed de zaken in goede staat en op tijd te hebben ontvangen.

2.

Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd:

  • a. in geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging, indien
  • i. het verlies of de beschadiging overeenkomstig artikel 1588 is vastgesteld vóór de inontvangstneming van de zaken door de rechthebbende;
  • ii. de vaststelling, die overeenkomstig artikel 1588 had moeten geschieden, slechts door de schuld van de vervoerder achterwege is gebleven;
  • b. in geval van uiterlijk niet waarneembare schade, die is vastgesteld na de inontvangstneming van de zaken door de rechthebbende, indien deze
  • i. de vaststelling overeenkomstig artikel 1588 onmiddellijk na de ontdekking van de schade en uiterlijk binnen zeven dagen na de inontvangstneming van de zaken verlangt, en
  • ii. bovendien bewijst, dat de schade tussen de aanneming ten vervoer van de zaken en de aflevering is ontstaan;
  • c. in geval van overschrijding van de afleveringstermijn, indien de rechthebbende zijn rechten binnen zestig dagen bij een van de in artikel 1591 lid 1 bedoelde vervoerders heeft doen gelden;
  • d. indien de rechthebbende bewijst dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.
3.

Indien de zaken overeenkomstig artikel 1576 doorgezonden zijn, vervallen de vorderingen uit een der voorafgaande vervoerovereenkomsten in geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging als betrof het een enkele overeenkomst.

Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de vervoerovereenkomst

Artikel 1593
1.

Elke vervoerder moet aan de betrokken vervoerders het hun toekomende aandeel betalen van de kosten of andere uit de vervoerovereenkomst ontstane schuldvorderingen, die hij ofwel bij vertrek, ofwel bij aankomst heeft geïnd of had moeten innen. De wijze van betaling wordt in een overeenkomst tussen de vervoerders vastgelegd.

2.

Artikel 1560 is eveneens van toepassing op de betrekkingen tussen opvolgende vervoerders.

Artikel 1594
1.

De vervoerder die krachtens deze titel een schadevergoeding heeft betaald, heeft recht van regres jegens de bij het vervoer betrokken vervoerders overeenkomstig de volgende bepalingen:

  • a. de vervoerder die de schade heeft veroorzaakt, is daarvoor alleen aansprakelijk;
  • b. wanneer de schade is veroorzaakt door meer vervoerders, is ieder van hen aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade; is deze toedeling niet mogelijk, dan wordt de schadevergoeding onder hen volgens onderdeel c verdeeld;
  • c. indien niet kan worden bewezen welke vervoerder de schade heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken vervoerders verdeeld, met uitsluiting van hen die bewijzen, dat de schade niet door hen is veroorzaakt; de verdeling geschiedt naar evenredigheid van het aandeel in de vrachtprijs dat aan iedere vervoerder toekomt.
2.

In geval van onvermogen om te betalen van een van de vervoerders wordt het te zijnen laste komende en door hem niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer betrokken vervoerders verdeeld naar evenredigheid van het aandeel in de vrachtprijs dat aan ieder van hen toekomt.

Artikel 1595
1.

De gegrondheid van de betaling verricht door de vervoerder die krachtens artikel 1594 het regres uitoefent, kan niet betwist worden door de vervoerder tegen wie het bedoeld regres wordt uitgeoefend, wanneer de schadevergoeding door de rechter is vastgesteld en wanneer deze laatstgenoemde vervoerder, naar behoren gedagvaard, de mogelijkheid is geboden tot tussenkomst in het geding. De rechter bij wie de hoofdvordering aanhangig is, stelt de termijnen voor de betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst vast.

2.

De vervoerder die het regres uitoefent, moet zijn vordering instellen in één en hetzelfde geding tegen alle vervoerders met wie hij geen schikking heeft getroffen, op straffe van verlies van regres jegens de niet gedagvaarde vervoerders.

3.

De rechter beslist in één uitspraak over alle bij hem aanhangige regresvorderingen.

4.

Regresvorderingen kunnen niet aanhangig worden gemaakt door het instellen van een rechtsvordering in het geding dat de rechthebbende heeft ingesteld om schadevergoeding te verlangen op grond van de vervoerovereenkomst.

Artikel 1596

De vervoerders kunnen onderling overeenkomsten afsluiten die afwijken van de artikelen 1593 en 1594.

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 1661
1.

De aansprakelijkheid op grond van artikel 173 van Boek 6 ten aanzien van een spoorvoertuig, dat bij een spoorwegonderneming in gebruik is, rust op die spoorwegonderneming. Is het spoorvoertuig in gebruik bij een bedrijf van andere aard, dan rust deze aansprakelijkheid op dit andere bedrijf. Wordt het spoorvoertuig gebruikt door het ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust die aansprakelijkheid op die ander.

2.

De aansprakelijkheid op grond van artikel 174 van Boek 6 ten aanzien van de spoorweginfrastructuur rust op de beheerder.

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen de vervoerders

Afdeling 2. Goederenvervoer

Artikel 1727
1.

Een rechtsvordering gegrond op een overeenkomst tot goederenvervoer over spoorwegen verjaart door verloop van één jaar. De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar indien de rechtsvordering:

  • a. strekt tot betaling van een door de vervoerder van de geadresseerde geïnd rembours;
  • b. strekt tot betaling van de opbrengst van een door de vervoerder verrichte verkoop;
  • c. gegrond is op een schade ontstaan uit een handeling of nalaten geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien;
  • d. gegrond is op één van de aan de doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het geval bedoeld in artikel 1576.
2.

De verjaring neemt een aanvang bij rechtsvorderingen:

  • a. tot schadevergoeding wegens geheel verlies: op de dertigste dag na afloop van de afleveringstermijn;
  • b. tot schadevergoeding wegens gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van de aflevering: op de dag van de aflevering;
  • c. in alle overige gevallen: op de dag waarop het recht kan worden uitgeoefend.

De als begin van de verjaringstermijn vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.

3.

Ingeval overeenkomstig artikel 1589 een schriftelijke vordering buiten rechte met de nodige bewijsstukken is ingediend, is de verjaring geschorst tot de dag waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de bijgevoegde stukken terugzendt. Bij gedeeltelijke erkenning van de vordering begint de verjaringstermijn weer te lopen voor het nog betwiste gedeelte van de vordering. Het bewijs van de ontvangst van de vordering of van het antwoord en van de teruggave van de stukken rust op de partij die zich daarop beroept. Latere vorderingen buiten rechte met dezelfde inhoud schorsen de verjaring niet.

Afdeling 3. Bijzondere exploitatie-overeenkomsten

Afdeling 4. Uitoefening van rechten

Afdeling 5. Vervoer van personen

Afdeling 2. Gevaarlijke stoffen aan boord van een spoorrijtuig

Afdeling 7. Rederij

Afdeling 8. Rechtsvorderingen jegens kapitein of schipper

Afdeling 10. Hulpverlening

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 12. Gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een voertuig en een spoorvoertuig

Algemene Slotbepaling

Artikel 929a
1.

De vervoerder stelt het schip aan de afzender ter beschikking met ten minste de krachtens de Waterwet en bij algemene maatregel van bestuur bepaalde losstandaard. Zodra met het laden een aanvang is gemaakt, wordt het schip geacht aan dit vereiste te voldoen.

2.

De afzender en de ontvanger – en in geval zij van een overslaginstallatie gebruik maken in hun plaats de exploitant daarvan – zijn jegens elkaar en jegens de vervoerder verplicht de voor ieder van hen krachtens de Wet milieubeheer of de Waterwet en bij algemene maatregel van bestuur voorgeschreven maatregelen met betrekking tot het laden en lossen van het schip te treffen. Voor zover het betreft hun onderlinge verplichtingen kunnen de afzender en de ontvanger anders overeenkomen dan uit de vorige volzin voortvloeit.

3.

Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste of tweede lid op andere wijze wordt afgeweken dan volgens die leden geoorloofd is.

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over binnenwateren

Afdeling 4. Enige bijzondere overeenkomsten

Titel 11. Ongevallen

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 2. Hulpverlening

Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord van een binnenschip

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

IV. Wegvervoersrecht

Titel 13. Wegvervoer

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over de weg

Afdeling 4. Verhuisovereenkomst

Titel 14. Ongevallen

Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord van een voertuig

V. Luchtrecht

Titel 15. Het luchtvaartuig

Afdeling 4. Verhuisovereenkomst

Afdeling 2. Voorrechten op luchtvaartuigen

Titel 16. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer door de lucht

Afdeling 1. Algemene bepalingen

VI. Vervoer langs spoorstaven

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de vervoerovereenkomst

Afdeling 3. Aansprakelijkheid

Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen de vervoerders

Titel 19. Ongevallen

Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de vervoerovereenkomst

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Goederenvervoer

Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen de vervoerders

Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen de vervoerders

Afdeling 4. Uitoefening van rechten

Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen de vervoerders

Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur

Afdeling 2. Gevaarlijke stoffen aan boord van een spoorrijtuig

Afdeling 3. Bijzondere exploitatie-overeenkomsten

Afdeling 2. Goederenvervoer

Afdeling 12. Gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een voertuig en een spoorvoertuig

Afdeling 7. Rederij

Algemene Slotbepaling

Afdeling 5. Aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie

Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

III. Binnenvaartrecht

Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling 2. Rechten op binnenschepen

Afdeling 2. Rechten op binnenschepen

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Afdeling 2. Rechten op binnenschepen

Afdeling 6. Slotbepalingen

Titel 9. Bemanning van een binnenschip

Afdeling 3. Huurkoop van teboekstaande binnenschepen

Titel 10. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepaling

Afdeling 3. Huurkoop van teboekstaande binnenschepen

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over binnenwateren

Afdeling 4. Enige bijzondere overeenkomsten

Titel 11. Ongevallen

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord van een binnenschip

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

IV. Wegvervoersrecht

Titel 13. Wegvervoer

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Afdeling 4. Verhuisovereenkomst

Titel 14. Ongevallen

Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord van een voertuig

V. Luchtrecht

Titel 15. Het luchtvaartuig

Afdeling 1. Rechten op luchtvaartuigen

Afdeling 2. Voorrechten op luchtvaartuigen

Afdeling 3. Slotbepaling

Titel 14. Ongevallen

Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord van een voertuig

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer door de lucht

VI. Vervoer langs spoorstaven

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de vervoerovereenkomst

Afdeling 3. Aansprakelijkheid

Afdeling 4. Opvolgend vervoer

Titel 19. Ongevallen

Afdeling 2. Gevaarlijke stoffen aan boord van een spoorrijtuig

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur

Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen de vervoerders

Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur

Afdeling 9. Aanvaring

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 11. Avarij-grosse

Artikel 1833a

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit hoofde van afdeling 5 van titel 6 vervalt door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag waarop de schade is ontstaan en in ieder geval door verloop van zes jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Indien de gebeurtenis bestond uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, loopt de termijn van zes jaren vanaf de dag waarop het eerste van die feiten plaatsvond.

Afdeling 8. Rechtsvorderingen jegens kapitein of schipper

Algemene Slotbepaling

Paragraaf 1. algemene bepalingen en toepassingsgebied

Artikel 639

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. «Verdrag»: het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329);
  • b. «Aansprakelijkheidsverdrag»: het op 27 november 1992 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (Trb. 1994, 229);
  • c. «Onze Minister»: de Minister van Verkeer en Waterstaat;
  • d. «schip», «persoon», «bunkerolie», «preventieve maatregelen», «voorval», «schade door verontreiniging», «Staat waar het schip is geregistreerd», «brutotonnage», «organisatie» en «Secretaris-Generaal»: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Verdrag;
  • e. «scheepseigenaar»: de eigenaar van het schip, hieronder begrepen de geregistreerde eigenaar, rompbevrachter, beheerder of degene in wiens handen de exploitatie van het schip is gelegd;
  • f. «geregistreerde eigenaar»: de persoon of personen die als eigenaar van het schip zijn geregistreerd of, indien er geen registratie heeft plaatsgevonden, de persoon of personen die het schip in eigendom hebben. Indien evenwel een schip eigendom is van een Staat en geëxploiteerd wordt door een maatschappij die in die Staat geregistreerd staat als de exploitant van het schip, betekent «geregistreerde eigenaar» een zodanige maatschappij.
Artikel 640
1.

Deze afdeling is van toepassing op:

  • a. schade door verontreiniging door bunkerolie veroorzaakt in Nederland, de territoriale zee daaronder begrepen;
  • b. schade door verontreiniging door bunkerolie veroorzaakt binnen de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Nederland;
  • c. preventieve maatregelen, waar ook genomen, ter voorkoming of beperking van zodanige schade.
2.

Deze afdeling is niet van toepassing:

  • a. op schade door verontreiniging zoals omschreven in het Aansprakelijkheidsverdrag, ongeacht of ten aanzien van die schade wel of geen schadevergoeding verschuldigd is ingevolge dat verdrag; en
  • b. op oorlogsschepen, ondersteuningsschepen van de marine of andere schepen die toebehoren aan of geëxploiteerd worden door een Staat en die in de betrokken periode uitsluitend worden gebruikt in overheidsdienst voor niet-commerciële doeleinden, behoudens voor zover de desbetreffende Staat anders heeft beslist en daaraan op de voet van artikel 4, derde lid, van het Verdrag genoegzaam uitvoering heeft gegeven.

Paragraaf 2. aansprakelijkheid van de scheepseigenaar

Artikel 641
1.

De scheepseigenaar op het tijdstip van het voorval is, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, aansprakelijk voor schade door verontreiniging veroorzaakt door bunkerolie aan boord of afkomstig van het schip, met dien verstande dat indien het voorval bestaat uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorsprong, de aansprakelijkheid rust op degene die ten tijde van het eerste feit de scheepseigenaar was.

2.

Indien meer dan een persoon aansprakelijk is op grond van het eerste lid, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.

3.

De scheepseigenaar is niet aansprakelijk indien hij bewijst dat:

  • a. de schade het gevolg is van een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;
  • b. de schade geheel en al werd veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde met het opzet schade te veroorzaken; of
  • c. de schade geheel en al werd veroorzaakt door onzorgvuldigheid of een andere onrechtmatige handeling van een overheid of andere autoriteit verantwoordelijk voor het onderhoud van vuurtorens of andere hulpmiddelen bij de navigatie, in de uitoefening van die functie.
4.

Indien de scheepseigenaar bewijst dat de schade door verontreiniging geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of nalaten van de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij geheel of gedeeltelijk worden ontheven van de aansprakelijkheid tegenover die persoon.

5.

Geen vordering tot vergoeding van schade door verontreiniging kan tegen de scheepseigenaar worden ingesteld anders dan in overeenstemming met deze afdeling.

6.

De scheepseigenaar heeft het recht van verhaal op derden die voor de schade uit anderen hoofde, anders dan uit overeenkomst, jegens de benadeelden aansprakelijk zijn.

Artikel 642

Wanneer zich een voorval voordoet waarbij twee of meer schepen zijn betrokken en er ten gevolge daarvan schade door verontreiniging is ontstaan, zijn de eigenaren van alle daarbij betrokken schepen, tenzij deze ingevolge artikel 641 van aansprakelijkheid zijn ontheven, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die redelijkerwijs niet te scheiden is. Op de onderlinge verhouding van de eigenaren van de betrokken schepen is artikel 545, derde lid, laatste volzin, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 643

De scheepseigenaar en de persoon of de personen die verzekeren of een andere financiële zekerheid stellen, kunnen hun aansprakelijkheid per voorval beperken uit hoofde van titel 7.

Artikel 644
1.

Vorderingen tot vergoeding van schade door verontreiniging kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid heeft gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid van de geregistreerde eigenaar wegens schade door verontreiniging. In dit geval kan de verweerder, zelfs indien de scheepseigenaar op grond van artikel 643 niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, zijn aansprakelijkheid beperken tot het bedrag gelijk aan het verzekerde bedrag of het bedrag van de andere financiële zekerheid als bedoeld in artikel 645.

2.

De verweerder komen alle verweermiddelen toe welke de scheepseigenaar tegen de vorderingen zou hebben kunnen aanvoeren, doch hij kan geen beroep doen op de omstandigheid dat de scheepseigenaar surseance van betaling is verleend, dat ten aanzien van de scheepseigenaar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of dat de scheepseigenaar zich in staat van faillissement of vereffening bevindt. Hij kan zich voorts verweren met een beroep op het feit dat de schade is veroorzaakt door opzettelijk wangedrag van de scheepseigenaar zelf, doch andere verweermiddelen welke hij zou hebben kunnen aanvoeren tegen een door de scheepseigenaar tegen hem ingestelde vordering komen hem niet toe.

3.

De verweerder kan de scheepseigenaar steeds in het geding roepen.

Paragraaf 3. verplichte verzekering

Artikel 645
1.

De geregistreerde eigenaar van een in Nederland teboekstaand schip met een brutotonnage van meer dan 1000 is verplicht een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden voor het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt berekend overeenkomstig titel 7, ter dekking van zijn aansprakelijkheid overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling en artikel 7 van het Verdrag.

2.

De geregistreerde eigenaar van een schip met een brutotonnage van meer dan 1000 dat teboekstaat buiten Nederland of een andere vlag voert dan de vlag van het Koninkrijk op grond van voor Nederland geldende rechtsregels, is verplicht om, indien het schip een haven of laad- of losplaats in Nederland aanloopt of verlaat, of een Nederlands binnenwater bevaart, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden voor het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt berekend overeenkomstig titel 7, ter dekking van zijn aansprakelijkheid overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling en artikel 7 van het Verdrag.

Artikel 646

De overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid ten aanzien van een schip dat teboekstaat in Nederland of dat teboekstaat in een Staat die niet partij is bij het Verdrag, of de vlag voert van zulk een Staat, moet voldoen aan het volgende:

  • a. de overeenkomst moet zijn aangegaan met een verzekeraar, een bank of andere financiële instelling of een andere persoon, van wie Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, de financiële draagkracht tot het geven van dekking voor de uit deze afdeling en het Verdrag voortvloeiende aansprakelijkheid voldoende oordeelt;
  • b. de gelden uit de overeenkomst moeten, indien de verstrekker van financiële zekerheid buiten Nederland is gevestigd, ook werkelijk in Nederland ter beschikking kunnen komen;
  • c. uit de overeenkomst moet blijken dat de benadeelde, in overeenstemming met artikel 644 en met artikel 7, tiende lid, van het Verdrag, zijn vordering rechtstreeks tegen de verstrekker van financiële zekerheid kan instellen. Indien de overeenkomst een beding inhoudt dat de scheepseigenaar zelf voor een deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen, moet uit de overeenkomst blijken dat de verstrekker van financiële zekerheid niettemin jegens de benadeelde terzake van schade gehouden blijft tot betaling ook van dat deel van de schadevergoeding;
  • d. uit de overeenkomst moet blijken dat de verstrekker van financiële zekerheid deze binnen de tijdsduur waarvoor het certificaat van artikel 647 is uitgegeven, niet eerder eerder kan schorsen of beëindigen of zodanig wijzigen dat hij niet meer aan dit artikel voldoet, dan na verloop van drie maanden na de datum van ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel 649, eerste lid, tenzij het certificaat is ingeleverd of een nieuw is afgegeven vóór het verstrijken van de termijn.
Artikel 647
1.

Onze Minister geeft aan de geregistreerde eigenaar van een in Nederland teboekstaand schip of van een schip dat niet is teboekgesteld in een Staat die partij is, op diens verzoek een certificaat af als omschreven in artikel 7, tweede lid, van het Verdrag, of waarmerkt als certificaat een door de verstrekker van financiële zekerheid in deze vorm ten behoeve van de geregistreerde eigenaar afgegeven document, indien hem is gebleken dat de geregistreerde eigenaar aan zijn in artikel 645 bedoelde verplichting voldoet.

2.

Bij het verzoek moet de geregistreerde eigenaar de volgende gegevens en stukken overleggen:

  • a. de naam en woonplaats van de geregistreerde eigenaar en de plaats waar diens hoofdkantoor is gevestigd;
  • b. een uittreksel uit de registratie voor schepen als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet, vermeldende ten minste de gegevens bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f, g en j van die wet, alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige aantekeningen, met dien verstande dat ingeval dat uittreksel meer dan twee dagen vóór de dag der overlegging is afgegeven, op dat uittreksel een verklaring van de bewaarder van het Kadaster en de openbare registers moet voorkomen, afgegeven binnen voornoemde termijn van twee dagen, dat sedert de afgifte de op dat uittreksel vermelde gegevens geen wijziging hebben ondergaan;
  • c. een afschrift van de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid;
  • d. de naam van degene die de financiële zekerheid verstrekt en de plaats waar diens hoofdkantoor is gevestigd, alsmede, zo nodig, het kantoor waar deze zekerheid wordt verstrekt;
  • e. het tijdstip waarop de financiële zekerheid ingaat en het tijdstip waarop deze een einde neemt.
Artikel 648

Onze Minister wijst een verzoek als bedoeld in artikel 647 af indien de overgelegde gegevens of stukken onvoldoende of onjuist zijn, of indien de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid niet voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 649
1.

De geregistreerde eigenaar aan wie een certificaat is afgegeven, is verplicht om onverwijld aan Onze Minister schriftelijk mededeling te doen van het ongeldig worden, de schorsing of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid binnen de tijdsduur waarvoor het certificaat is afgegeven, alsmede van elke wijziging welke zich gedurende die tijdsduur voordoet in de gegevens welke bij het in artikel 647 bedoelde verzoek zijn overgelegd.

2.

Onze Minister draagt zorg, dat van een mededeling als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van een overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid voor een in Nederland teboekstaand schip schriftelijk kennis wordt gegeven aan het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers, waar de openbare registers waarin het verzoek tot teboekstelling van het schip is ingeschreven, worden gehouden, welke kennisgeving aldaar wordt bewaard.

3.

Het bestaan en de dagtekening van ontvangst van kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid worden onverwijld vermeld in de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85 van de Kadasterwet. Kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid zijn openbaar.

4.

De in het eerste lid bedoelde mededeling kan behalve door de geregistreerde eigenaar ook worden gedaan door degene die de financiële zekerheid verstrekt.

Artikel 650
1.

Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Financiën, een certificaat intrekken indien door wijziging in de gegevens welke bij het in artikel 647 bedoelde verzoek zijn overgelegd of doordat die gegevens onvoldoende of onjuist blijken te zijn, het niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze afdeling gestelde eisen, of indien er goede gronden zijn om aan te nemen dat de financiële draagkracht van de verstrekker van de financiële zekerheid onvoldoende was, of is geworden of, indien deze buiten Nederland is gevestigd, blijkt van een beletsel voor het werkelijk in Nederland beschikbaar komen van die gelden.

2.

In de beschikking wordt een termijn gesteld voor de inlevering van het certificaat.

3.

De werking van de beschikking wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 651
1.

De geregistreerde eigenaar is verplicht om het certificaat zo spoedig mogelijk nadat overeenkomstig artikel 649, eerste lid, mededeling is gedaan van het ongeldig worden, de schorsing of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid, of nadat de tijdsduur waarvoor het is afgegeven is verstreken, bij Onze Minister in te leveren.

2.

De geregistreerde eigenaar is verplicht om het certificaat ingeval van onherroepelijke intrekking bij Onze Minister in te leveren binnen de termijn bedoeld in artikel 650, tweede lid.

Artikel 652
1.

Onze Minister zendt een afschrift van elk door hem ten aanzien van een in Nederland teboekgesteld schip afgegeven certificaat, alsmede van elke onherroepelijke beschikking tot intrekking van een ten aanzien van een in Nederland teboekgesteld schip afgegeven certificaat, aan het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers, welke kennisgeving aldaar wordt bewaard.

2.

Artikel 649, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 653

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de voor de afgifte of waarmerking van een certificaat als bedoeld in artikel 647 verschuldigde vergoedingen.

Paragraaf 4. beroep

Artikel 654

Vervallen

Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

III. Binnenvaartrecht

Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling 2. Rechten op binnenschepen

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Titel 9. Bemanning van een binnenschip

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Titel 10. Exploitatie

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan boord van binnenschepen

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over binnenwateren

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 4. Enige bijzondere overeenkomsten

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

IV. Wegvervoersrecht

Titel 13. Wegvervoer

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 3. Avarij-grosse

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over de weg

Afdeling 4. Verhuisovereenkomst

Titel 14. Ongevallen

Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord van een voertuig

V. Luchtrecht

Titel 15. Het luchtvaartuig

Afdeling 1. Rechten op luchtvaartuigen

Afdeling 1. Rechten op luchtvaartuigen

Titel 16. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer door de lucht

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer door de lucht

Afdeling 4. Opvolgend vervoer

VI. Vervoer langs spoorstaven

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de vervoerovereenkomst

Afdeling 4. Uitoefening van rechten

Titel 19. Ongevallen

Afdeling 2. Gevaarlijke stoffen aan boord van een spoorrijtuig

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 4. Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen

Afdeling 9. Aanvaring

Afdeling 10. Hulpverlening

Afdeling 11. Avarij-grosse

Afdeling 12. Gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een voertuig en een spoorvoertuig

Afdeling 4. Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen

Algemene Slotbepaling

Artikel 500a
1.

Deze afdeling is van toepassing op de overeenkomst van personenvervoer voor zover daarop niet de Verordening van toepassing is.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn op de overeenkomst van personenvervoer waarop de Verordening van toepassing is, de artikelen 509 tot en met 510, 512, 514, 515 en 521 tot en met 529k van deze afdeling van toepassing.

3.

In afwijking van het eerste lid zijn op de overeenkomst van internationaal personenvervoer waarop het Verdrag noch de Verordening van toepassing is, de artikelen 529 tot en met 529k niet van toepassing.

Artikel 500b

Deze afdeling is niet van toepassing op vorderingen voor schade voortvloeiend uit een nucleair ongeval indien de exploitant van een nucleaire installatie aansprakelijk is voor dergelijke schade:

  • a. krachtens het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (Trb. 1961, 27), zoals dit Verdrag is gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 178); of
  • b. krachtens een andere regeling betreffende de aansprakelijkheid voor dergelijke schade, op voorwaarde dat die regeling ten opzichte van de personen die dergelijke schade kunnen ondergaan, tenminste even gunstig is als het onder a genoemde Verdrag.
Artikel 504a
1.

Indien het vervoer geheel of gedeeltelijk door een feitelijke vervoerder wordt uitgevoerd, blijft de vervoerder aansprakelijk voor het volledige vervoer overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. Bovendien is de feitelijke vervoerder onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling en kan hij zich op deze bepalingen beroepen voor het gedeelte van het vervoer dat hij zelf heeft verricht.

2.

De vervoerder is met betrekking tot het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer aansprakelijk jegens de reiziger voor schade door de handelingen en het verzuim van de feitelijke vervoerder en van diens ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers in de uitoefening van hun taak.

3.

Elke overeenkomst waarbij de vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet voortvloeien uit deze afdeling of waarbij de vervoerder afstand doet van rechten die voortvloeien uit deze afdeling, zal ten opzichte van de feitelijke vervoerder slechts gevolg hebben als deze laatste daar uitdrukkelijk en schriftelijk mee heeft ingestemd.

4.

Indien en voor zover de vervoerder en de feitelijke vervoerder beiden aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk verbonden.

5.

Dit artikel laat onverlet enig recht op verhaal van de vervoerder en de feitelijke vervoerder.

Artikel 504b
1.

De in artikel 504 bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen worden toegepast op de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen in het kader van alle aansprakelijkheidsvorderingen bij dood of letsel van een reiziger of bij verlies of beschadiging van zijn bagage.

2.

Bij vervoer door een feitelijke vervoerder kan de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen van de vervoerder, de feitelijke vervoerder, en hun ondergeschikten, vertegenwoordigers en lasthebbers die handelen in de uitoefening van hun taak, niet hoger zijn dan de hoogste vergoeding die de vervoerder of de feitelijke vervoerder krachtens deze afdeling kan worden opgelegd. Geen van de in dit lid genoemde personen kan aansprakelijk worden gesteld voor een bedrag dat de aansprakelijkheidsgrens die voor hem krachtens deze afdeling van toepassing is, te boven gaat.

3.

Indien een ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder zich krachtens artikel 504e kan beroepen op de in artikel 504 bedoelde aansprakelijkheidsgrenzen, gaat de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder en van de ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, die grenzen niet te boven.

Artikel 504c
1.

De vervoerder kan zich niet beroepen op de in artikel 504 bedoelde beperking van aansprakelijkheid, indien bewezen is dat de schade voortvloeit uit een handeling of een verzuim door de vervoerder, hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.

2.

De ondergeschikte, de vertegenwoordiger of de lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder kan zich niet beroepen op de in het eerste lid bedoelde beperking van aansprakelijkheid indien de schade voortvloeit uit een handeling of verzuim door die ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, hetzij met het opzet dergelijke schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat dergelijke schade waarschijnlijk daaruit zou voortvloeien.

Artikel 504d

Geen vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in deze afdeling kan tegen de vervoerder of de feitelijke vervoerder worden ingesteld anders dan in overeenstemming met deze afdeling.

Artikel 504e

Indien een rechtsvordering tegen een ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder wordt ingesteld tot vergoeding van schade waarop deze afdeling van toepassing is, kan die ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, indien hij bewijst dat hij in de uitoefening van zijn functie heeft gehandeld, een beroep doen op de verweren en aansprakelijkheidsgrenzen waarop de vervoerder of de feitelijke vervoerder zich krachtens deze afdeling kan beroepen.

Artikel 504f

Deze afdeling laat de titels 7 en 12 onverlet.

Artikel 529
1.

De vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in Nederland te boek staand schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf reizigers, is verplicht een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit deze afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel van een reiziger. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt ten minste het in artikel 4bis, eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 23 van het Protocol, per reiziger per incident.

2.

De vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een in Nederland te boek staand schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers, is verplicht een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit deze afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel van een reiziger ten gevolge van een van de risico’s die zijn genoemd in punt 2.2 van de IMO richtsnoeren. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt ten minste het laagste van de volgende bedragen:

  • –. 250 000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident, of
  • –. 340 miljoen rekeneenheden in totaal per schip, per afzonderlijk incident.
3.

De vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf reizigers en dat te boek staat buiten Nederland of een andere vlag voert dan de vlag van het Koninkrijk op grond van voor Nederland geldende rechtsregels, is verplicht om, indien het schip een haven of laad- of losplaats in Nederland aanloopt of verlaat, of een Nederlands binnenwater bevaart, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit deze afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel van een reiziger. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt ten minste het in artikel 4bis, eerste lid, van het Verdrag genoemde bedrag, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 23 van het Protocol, per reiziger per incident.

4.

De vervoerder die feitelijk geheel of gedeeltelijk passagiers vervoert aan boord van een schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers en dat te boek staat buiten Nederland of een andere vlag voert dan de vlag van het Koninkrijk op grond van voor Nederland geldende rechtsregels, is verplicht om, indien het schip een haven of laad- of losplaats in Nederland aanloopt of verlaat, of een Nederlands binnenwater bevaart, een verzekering of andere financiële zekerheid, zoals een bankgarantie, in stand te houden ter dekking van de uit deze afdeling voortvloeiende aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel van een reiziger ten gevolge van een van de risico’s die zijn genoemd in punt 2.2 van de IMO richtsnoeren. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid beloopt ten minste het laagste van de volgende bedragen:

  • –. 250 000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk incident, of
  • –. 340 miljoen rekeneenheden in totaal per schip, per afzonderlijk incident.
Artikel 529a

De overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid als bedoeld in artikel 529, moet voldoen aan het volgende:

  • a. de overeenkomst moet zijn aangegaan met een verzekeraar, een bank of andere financiële instelling of een andere persoon, van wie Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, de financiële draagkracht tot het geven van dekking voor de uit deze afdeling en het Verdrag voortvloeiende aansprakelijkheid voldoende oordeelt;
  • b. de gelden uit de overeenkomst moeten, indien de verstrekker van financiële zekerheid buiten Nederland is gevestigd, ook werkelijk in Nederland ter beschikking kunnen komen;
  • c. uit de overeenkomst moet blijken dat de benadeelde, in overeenstemming met artikel 529b en met artikel 7, tiende lid, van het Verdrag, zijn vordering rechtstreeks tegen de verstrekker van financiële zekerheid kan instellen. Indien de overeenkomst een beding inhoudt dat de vervoerder zelf voor een deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen, moet uit de overeenkomst blijken dat de verstrekker van financiële zekerheid niettemin jegens de benadeelde terzake van schade gehouden blijft tot betaling ook van dat deel van de schadevergoeding;
  • d. uit de overeenkomst moet blijken dat de verstrekker van financiële zekerheid deze binnen de tijdsduur waarvoor het certificaat van artikel 529c is uitgegeven, niet eerder kan schorsen of beëindigen of zodanig wijzigen dat hij niet meer aan dit artikel voldoet, dan na verloop van drie maanden na de datum van ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel 529f, eerste lid, tenzij het certificaat is ingeleverd of een nieuw is afgegeven vóór het verstrijken van de termijn.
Artikel 529b
1.

Vorderingen tot schadevergoeding die krachtens deze afdeling door een verzekering of andere financiële zekerheid worden gedekt, mogen rechtstreeks tegen de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, worden ingesteld. In dit geval kan de verweerder, zelfs indien de vervoerder niet gerechtigd is zijn aansprakelijkheid te beperken, zijn aansprakelijkheid beperken tot het bedrag gelijk aan het verzekerde bedrag of het bedrag van de andere financiële zekerheid als bedoeld in artikel 529.

2.

De verweerder komen alle verweermiddelen toe welke de vervoerder tegen de vorderingen zou hebben kunnen aanvoeren, doch hij kan geen beroep doen op de omstandigheid dat de vervoerder surseance van betaling is verleend, dat ten aanzien van de vervoerder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of dat de vervoerder zich in staat van faillissement of vereffening bevindt. Hij kan zich voorts verweren met een beroep op het feit dat de schade is veroorzaakt door opzettelijk wangedrag van de vervoerder zelf, doch andere verweermiddelen welke hij zou hebben kunnen aanvoeren tegen een door de vervoerder tegen hem ingestelde vordering komen hem niet toe.

3.

De verweerder kan de vervoerder en de feitelijke vervoerder steeds in het geding roepen.

Artikel 529c
1.

Onze Minister geeft aan de vervoerder op diens verzoek een certificaat af als omschreven in artikel 4bis, tweede lid, van het Verdrag, of waarmerkt als certificaat een door de verstrekker van financiële zekerheid in deze vorm ten behoeve van de vervoerder afgegeven document, indien hem is gebleken dat de vervoerder aan zijn in artikel 529 bedoelde verplichting voldoet.

2.

Bij het verzoek moet de vervoerder de volgende gegevens en stukken overleggen:

  • a. naam en adres van het hoofdkantoor van het bedrijf van de vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht;
  • b. een uittreksel uit de registratie voor schepen als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet, vermeldende ten minste de gegevens bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f, g en j van die wet, alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige aantekeningen, met dien verstande dat ingeval dat uittreksel meer dan twee dagen vóór de dag der overlegging is afgegeven, op dat uittreksel een verklaring van de bewaarder van het Kadaster en de openbare registers moet voorkomen, afgegeven binnen voornoemde termijn van twee dagen, dat sedert de afgifte de op dat uittreksel vermelde gegevens geen wijziging hebben ondergaan;
  • c. een afschrift van de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid;
  • d. de naam van degene die de financiële zekerheid verstrekt en de plaats waar diens hoofdkantoor is gevestigd, alsmede, zo nodig, het kantoor waar deze zekerheid wordt verstrekt;
  • e. het tijdstip waarop de financiële zekerheid ingaat en het tijdstip waarop deze een einde neemt.
3.

Het certificaat bevindt zich aan boord van het schip en een afschrift hiervan wordt in bewaring gegeven bij de overheidsinstantie die het register houdt waarin het schip staat ingeschreven of, indien het schip niet te boek staat in een staat die partij is bij het Verdrag, bij de overheidsinstantie van de staat die het certificaat afgeeft of waarmerkt.

Artikel 529d

Geldbedragen die door de verzekeraar of door de verstrekker van een andere overeenkomstig artikel 529a verzorgde financiële zekerheid ter beschikking worden gesteld, dienen uitsluitend voor de voldoening van uit hoofde van deze afdeling ingestelde vorderingen, en enige uitbetaling van deze bedragen heeft tot gevolg dat iedere aansprakelijkheid uit hoofde van deze afdeling met een bedrag ten belope van de uitgekeerde bedragen wordt verminderd.

Artikel 529e

Onze Minister wijst een verzoek als bedoeld in artikel 529c af indien de overgelegde gegevens of stukken onvoldoende of onjuist zijn, of indien de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid niet voldoet aan de daaraan bij of krachtens deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 529f
1.

De vervoerder aan wie een certificaat is afgegeven, is verplicht om onverwijld aan Onze Minister schriftelijk mededeling te doen van het ongeldig worden, de schorsing of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid binnen de tijdsduur waarvoor het certificaat is afgegeven, alsmede van elke wijziging welke zich gedurende die tijdsduur voordoet in de gegevens welke bij het in artikel 529c bedoelde verzoek zijn overgelegd.

2.

Onze Minister draagt zorg, dat van een mededeling als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van een overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid voor een in Nederland te boek staand schip schriftelijk kennis wordt gegeven aan het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers, waar de openbare registers waarin het verzoek tot teboekstelling van het schip is ingeschreven, worden gehouden, welke kennisgeving aldaar wordt bewaard.

3.

Het bestaan en de dagtekening van ontvangst van kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid worden onverwijld vermeld in de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85 van de Kadasterwet. Kennisgevingen als bedoeld in het tweede lid zijn openbaar.

4.

De in het eerste lid bedoelde mededeling kan behalve door de vervoerder ook worden gedaan door degene die de financiële zekerheid verstrekt.

Artikel 529g
1.

Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Financiën, een certificaat intrekken indien door wijziging in de gegevens welke bij het in artikel 529c bedoelde verzoek zijn overgelegd of doordat die gegevens onvoldoende of onjuist blijken te zijn, het niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze afdeling gestelde eisen, of indien er goede gronden zijn om aan te nemen dat de financiële draagkracht van de verstrekker van de financiële zekerheid onvoldoende was, of is geworden of, indien deze buiten Nederland is gevestigd, blijkt van een beletsel voor het werkelijk in Nederland beschikbaar komen van die gelden.

2.

In de beschikking wordt een termijn gesteld voor de inlevering van het certificaat.

3.

De werking van de beschikking wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 529h
1.

De vervoerder is verplicht om het certificaat zo spoedig mogelijk nadat overeenkomstig artikel 529f, eerste lid, mededeling is gedaan van het ongeldig worden, de schorsing of de beëindiging van de overeenkomst tot verstrekking van financiële zekerheid, of nadat de tijdsduur waarvoor het is afgegeven is verstreken, bij Onze Minister in te leveren.

2.

De vervoerder is verplicht om het certificaat ingeval van onherroepelijke intrekking bij Onze Minister in te leveren binnen de termijn bedoeld in artikel 529g, tweede lid.

Artikel 529i
1.

Onze Minister zendt een afschrift van elk door hem afgegeven certificaat, alsmede van elke onherroepelijke beschikking tot intrekking van een afgegeven certificaat, aan het kantoor van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers, welke kennisgeving aldaar wordt bewaard.

2.

Artikel 529f, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 529j

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de voor de afgifte of waarmerking van een certificaat als bedoeld in artikel 529c verschuldigde vergoedingen.

Artikel 529k

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze afdeling de rechtbank Rotterdam bevoegd.

Afdeling 4. Enige bijzondere overeenkomsten

Titel 6. Ongevallen

Afdeling 4. Enige bijzondere overeenkomsten

Afdeling 2. Hulpverlening

Afdeling 3. Avarij-grosse

Afdeling 5. Aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie

Paragraaf 1. algemene bepalingen en toepassingsgebied

Paragraaf 2. aansprakelijkheid van de scheepseigenaar

Paragraaf 2. aansprakelijkheid van de scheepseigenaar

Paragraaf 4. beroep

Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

III. Binnenvaartrecht

Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling 1. Rederij van het binnenschip

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan boord van binnenschepen

Titel 9. Bemanning van een binnenschip

Afdeling 2. Schipper

Titel 10. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepaling

Afdeling 6. Slotbepalingen

Titel 11. Ongevallen

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 2. Hulpverlening

Afdeling 2. Hulpverlening

Afdeling 2. Hulpverlening

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

IV. Wegvervoersrecht

Titel 13. Wegvervoer

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over de weg

Afdeling 4. Verhuisovereenkomst

V. Luchtrecht

Titel 15. Het luchtvaartuig

Afdeling 2. Voorrechten op luchtvaartuigen

Titel 16. Exploitatie

Afdeling 3. Slotbepaling

Afdeling 4. Opvolgend vervoer

VI. Vervoer langs spoorstaven

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 3. Aansprakelijkheid

Afdeling 4. Uitoefening van rechten

Titel 19. Ongevallen

Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 3. Bijzondere exploitatie-overeenkomsten

Afdeling 3. Bijzondere exploitatie-overeenkomsten

Afdeling 4. Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen

Artikel 1750a
1.

Elke rechtsvordering tot schadevergoeding op grond van afdeling 3 van titel 5, die voortvloeit uit dood of letsel van de reiziger, of uit verlies of beschadiging van de bagage, verjaart na een termijn van twee jaar.

2.

De verjaringstermijn begint te lopen:

  • a. bij letsel, vanaf de datum van ontscheping van de reiziger;
  • b. bij overlijden tijdens het vervoer, vanaf de datum waarop de reiziger had moeten ontschepen en, in geval van een tijdens het vervoer opgelopen letsel dat de dood van de reiziger na zijn ontscheping tot gevolg heeft, vanaf de datum van het overlijden; de verjaringstermijn mag evenwel niet langer zijn dan 3 jaar te rekenen vanaf de datum van ontscheping;
  • c. bij verlies of beschadiging van bagage, vanaf de ontschepingsdatum of de datum waarop deze had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen.
3.

Verlenging of stuiting van de verjaring heeft niet tot gevolg dat een rechtsvordering uit hoofde van afdeling 3 van titel 5 kan worden ingesteld na verloop van een van de volgende termijnen:

  • a. een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de ontscheping van de reiziger of de datum waarop die had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen; dan wel, indien eerder
  • b. een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de eiser op de hoogte was van het door het incident veroorzaakte letsel, verlies of schade of hiervan redelijkerwijze op de hoogte had moeten zijn.
4.

Ongeacht de bepalingen van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel kan de verjaringstermijn worden verlengd op grond van een verklaring van de vervoerder of een overeenkomst die tussen de partijen wordt gesloten nadat de grond voor een aanspraak is ontstaan. Deze verklaring of overeenkomst wordt schriftelijk opgesteld.

Afdeling 5. Vervoer van personen

Afdeling 7. Rederij

Afdeling 5. Vervoer van personen

Afdeling 10. Hulpverlening

Afdeling 9. Aanvaring

Afdeling 12. Gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een voertuig en een spoorvoertuig

Afdeling 11. Avarij-grosse

Algemene Slotbepaling

Artikel 99

Deze afdeling is slechts van toepassing voor zover Verordening (EU) Nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55) niet van toepassing is.

Afdeling 6. Overeenkomst van gecombineerd vervoer van personen

II. Zeerecht

Titel 3. Het zeeschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling 1. Rederij van het zeeschip

Afdeling 2. Rechten op zeeschepen

Afdeling 3. Voorrechten op zeeschepen

Afdeling 4. Voorrechten op zaken aan boord van zeeschepen

Afdeling 5. Slotbepalingen

Titel 4. Bemanning van een zeeschip

Afdeling 2. Kapitein

Titel 5. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over zee

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over zee

Afdeling 4. Enige bijzondere overeenkomsten

Titel 6. Ongevallen

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 2. Hulpverlening

Afdeling 3. Avarij-grosse

Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip

Afdeling 5. Aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie

Paragraaf 1. algemene bepalingen en toepassingsgebied

Paragraaf 2. aansprakelijkheid van de scheepseigenaar

Paragraaf 3. verplichte verzekering

Paragraaf 4. beroep

Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

III. Binnenvaartrecht

Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling 1. Rederij van het binnenschip

Afdeling 2. Rechten op binnenschepen

Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen

Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan boord van binnenschepen

Afdeling 6. Slotbepalingen

Titel 9. Bemanning van een binnenschip

Afdeling 2. Schipper

Titel 10. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepaling

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over binnenwateren

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over binnenwateren

Titel 11. Ongevallen

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 3. Avarij-grosse

Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord van een binnenschip

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

IV. Wegvervoersrecht

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over de weg

Artikel 1139

Deze afdeling is slechts van toepassing voor zover Verordening (EU) Nr. 181/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (Pb EU L 55) niet van toepassing is.

Afdeling 4. Verhuisovereenkomst

Titel 14. Ongevallen

Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord van een voertuig

V. Luchtrecht

Titel 15. Het luchtvaartuig

Afdeling 1. Rechten op luchtvaartuigen

Afdeling 2. Voorrechten op luchtvaartuigen

Titel 16. Exploitatie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer door de lucht

VI. Vervoer langs spoorstaven

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 3. Aansprakelijkheid

Afdeling 4. Uitoefening van rechten

Titel 19. Ongevallen

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Goederenvervoer

Afdeling 4. Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen

Afdeling 3. Bijzondere exploitatieovereenkomsten

Afdeling 9. Aanvaring

Afdeling 10. Hulpverlening

Afdeling 10. Hulpverlening

Afdeling 10. Hulpverlening

Afdeling 13. Luchtrecht

Algemene Slotbepaling

Afdeling 6. Aansprakelijkheid voor de kosten van het lokaliseren, markeren en opruimen van een wrak

Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

III. Binnenvaartrecht

Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan boord daarvan

Afdeling 1. Rederij van het binnenschip

Afdeling 2. Rechten op binnenschepen

Afdeling 3. Huurkoop van teboekstaande binnenschepen

Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan boord van binnenschepen

Afdeling 6. Slotbepalingen

Titel 9. Bemanning van een binnenschip

Afdeling 6. Slotbepalingen

Titel 9. Bemanning van een binnenschip

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over binnenwateren

Titel 11. Ongevallen

Afdeling 1. Aanvaring

Afdeling 3. Avarij-grosse

Titel 12. Beperking van aansprakelijkheid van eigenaren van binnenschepen

IV. Wegvervoersrecht

Titel 13. Wegvervoer

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Afdeling 3. Overeenkomst van personenvervoer over de weg

Titel 14. Ongevallen

Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord van een voertuig

V. Luchtrecht

Titel 15. Het luchtvaartuig

Titel 16. Exploitatie

Afdeling 2. Overeenkomst van goederenvervoer door de lucht

VI. Vervoer langs spoorstaven

Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer over spoorwegen

Afdeling 3. Aansprakelijkheid

Afdeling 4. Uitoefening van rechten

Titel 19. Ongevallen

Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur

VII. Slotbepalingen

Titel 20. Verjaring en verval

Afdeling 3. Bijzondere exploitatie-overeenkomsten

Afdeling 5. Vervoer van personen

Afdeling 7. Rederij

Afdeling 8. Rechtsvorderingen jegens kapitein of schipper

Afdeling 7. Rederij

Afdeling 8. Rechtsvorderingen jegens kapitein of schipper

Afdeling 11. Avarij-grosse

Afdeling 12a. Vorderingen ter zake van kosten van het lokaliseren, markeren en opruimen van een wrak

Afdeling 11. Avarij-grosse

Algemene Slotbepaling

Artikel 655

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. «Verdrag»: het op 18 mei 2007 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake het opruimen van wrakken, 2007 (Trb. 2008,115);
  • b. «wrak», «schip», «maritiem ongeval», «gevaar», «geregistreerde eigenaar», «Staat waar het schip geregistreerd is»: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Verdrag;
  • c. «lokaliseren, markeren en opruimen»: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Verdrag.
Artikel 656
1.

De geregistreerde eigenaar is, behoudens het bepaalde in deze afdeling, aansprakelijk voor de kosten van het lokaliseren, markeren en opruimen van het wrak overeenkomstig de paragrafen 2.3 en 2.4 van hoofdstuk 2, waar nodig in samenhang met hoofdstuk 5, van de Wet bestrijding maritieme ongevallen.

2.

De geregistreerde eigenaar is niet op grond van deze afdeling aansprakelijk indien hij bewijst dat het maritiem ongeval dat tot het wrak geleid heeft:

  • a. het gevolg is van een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;
  • b. in zijn geheel is veroorzaakt door een handelen of nalaten door een derde met het oogmerk schade te veroorzaken; of

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)