Besluit van 20 december 1991, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit accijns

Type AMvB
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 87
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 1991, nr. WV 91/343, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Gelet op de artikelen 2, derde lid, 3, derde lid,5, derde lid, 41, eerste lid, 51, tweede lid, 64, eerste lid, 65, eerste lid, 66, eerste lid, 67, eerste lid, 68, eerste lid, 70, eerste lid, 71, eerste lid, 80, eerste lid, 82, eerste lid, 85, eerste lid, 91, derde lid, onderdeel b, en 95, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns (Stb. 1991, 561), artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en artikel 28 van de Wet van 15 juni 1951 (Stb. 215);

De Raad van State gehoord (advies van 13 december 1991, nr. W06.91.0589);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 1991, nr. WV 91/436, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1a, derde lid, 2, negende lid, 2a, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 2e, derde lid, 5, derde lid, 41, eerste lid, 42a, tweede lid, 50b, eerste lid, 50d, tweede lid, 50f, zesde lid, 50h, derde lid, 50i, tweede lid, 50j, derde lid, 50k, tweede lid, 51, tweede lid, 56, derde lid, 64, eerste lid, 64a, eerste lid, 65, eerste lid, 66, eerste lid, 66a, eerste lid, 66b, eerste lid, 68, eerste lid, 69a, eerste lid, 70, eerste lid, 71, eerste lid, 71g, eerste lid, 71h, zesde lid, 75, zesde en achtste lid, 80, eerste lid, 82, eerste lid, 85, eerste lid, en 89, eerste lid, van de Wet op de accijns en artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Afdeling 2. Overbrengen van accijnsgoederen

Artikel 2

1.

Het brengen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar de in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a tot en met f, van de wet bedoelde bestemmingen, geschiedt onder dekking van een e-AD.

2.

De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht dient een voorlopig e-AD in.

3.

Indien de gegevens in het voorlopig e-AD niet in orde zijn bevonden, draagt de vergunninghouder zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het voorlopig e-AD opnieuw in.

4.

Indien de gegevens in het voorlopig e-AD in orde zijn bevonden, ontvangt de vergunninghouder de ARC, die aan het e-AD is toegekend.

5.

De vergunninghouder verstrekt de persoon die de accijnsgoederen vergezelt een gedrukt exemplaar van het e-AD of een ander handelsdocument waarop de ARC duidelijk herkenbaar is vermeld.

6.

Het in het vijfde lid bedoelde document moet op ieder moment van de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur of aan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat kunnen worden getoond.

7.

De vergunninghouder mag het e-AD annuleren zolang de overbrenging nog niet is aangevangen overeenkomstig artikel 2b, eerste lid, van de wet. Hij dient daartoe een voorlopig bericht van annulering in.

8.

Tijdens de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, kan de vergunninghouder de accijnsgoederen via het EMCS een nieuwe bestemming geven, die een van de in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a, b, c, d of f, van de wet bedoelde bestemmingen moet zijn. Hij dient daartoe een voorlopig bericht van bestemmingswijziging in.

9.

Indien de geadresseerde van minerale oliën die onder een accijnsschorsingsregeling over zee of via binnenwaterwegen worden overgebracht, nog niet definitief vaststaat wanneer de vergunninghouder het voorlopig e-AD indient, kan de inspecteur toestaan dat de vergunninghouder de gegevens van de geadresseerde niet invult.

10.

Zodra de gegevens van de geadresseerde, bedoeld in het negende lid, bekend zijn, maar uiterlijk bij het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de wet, zendt de vergunninghouder de gegevens toe aan de inspecteur. Hij dient daartoe een voorlopig bericht van bestemmingswijziging in.

11.

Aan de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats van waaruit minerale oliën onder dekking van een e-AD worden overgebracht naar een van de bestemmingen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet, wordt toegestaan dat de desbetreffende overbrenging wordt gesplitst in twee of meer deeltransporten, mits:

De vergunninghouder dient daartoe een voorlopig bericht van splitsing in.

12.

Indien een overbrenging van minerale oliën als bedoeld in het negende lid, waarvan de geadresseerde nog niet definitief vaststaat, wordt gesplitst als bedoeld in het elfde lid, kan de inspecteur toestaan dat de vergunninghouder voor een van de deeltransporten de gegevens van de geadresseerde niet invult met inachtneming van hetgeen is bepaald in het tiende lid.

13.

Indien, in de gevallen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdelen d en f, van de wet, de goederen het grondgebied van de Unie niet langer verlaten, wordt de afzender hiervan in kennis gesteld. Na ontvangst van de kennisgeving annuleert de afzender het e-AD overeenkomstig het zevende lid, of wijzigt hij de bestemming van de goederen overeenkomstig het achtste lid.

14.

Bij ontvangst van de accijnsgoederen op de in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde bestemming zendt de geadresseerde, behoudens in ten genoegen van de inspecteur naar behoren gerechtvaardigde gevallen, onverwijld en uiterlijk binnen vijf werkdagen na het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de wet, een bericht van ontvangst.

15.

Indien de gegevens in het bericht van ontvangst niet in orde zijn bevonden, draagt de geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

Artikel 2a

1.

Bij het brengen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats naar een andere accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, kan het e-AD, bedoeld in artikel 2, eerste lid, op verzoek achterwege blijven indien:

2.

De toestemming voor toepassing van het eerste lid wordt opgenomen in de vergunning voor beide in het eerste lid bedoelde accijnsgoederenplaatsen. Op de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de wet van overeenkomstige toepassing.

3.

De administratie van de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden overgebracht bevat in ieder geval:

4.

De administratie van de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen worden overgebracht, bevat in ieder geval:

5.

De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het eerste lid bedoelde maandverklaring.

6.

De in het eerste lid bedoelde maandverklaring moet binnen één maand na de maand waarop de maandverklaring betrekking heeft zijn terugontvangen door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de accijnsgoederen zijn overgebracht, dat de accijnsgoederen hun bestemming hebben bereikt en in de administratie van zijn accijnsgoederenplaats zijn opgenomen.

7.

Indien de maandverklaring niet wordt terugontvangen voorzien van de in het zesde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht de inspecteur daarvan onverwijld in kennis, maar uiterlijk binnen één week na afloop van de maand waarin de maandverklaring door hem moet zijn terugontvangen.

8.

Bij toepassing van het eerste lid is artikel 34 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2b

Vervallen

Artikel 3

1.

Het brengen, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de wet, van een accijnsgoed vanuit een belastingentrepot of door een in een andere lidstaat gevestigde geregistreerde afzender naar de in artikel 2a, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de wet bedoelde bestemmingen, geschiedt onder dekking van een e-AD.

2.

De persoon die de accijnsgoederen vergezelt moet op ieder moment van de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur een gedrukt exemplaar van het e-AD of een ander handelsdocument waarop de ARC duidelijk herkenbaar is vermeld kunnen tonen.

3.

Bij ontvangst van de accijnsgoederen op een van de in artikel 2a, tweede lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde bestemmingen zendt de geadresseerde, behoudens in ten genoegen van de inspecteur naar behoren gerechtvaardigde gevallen, onverwijld en uiterlijk binnen vijf werkdagen na het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de wet, een bericht van ontvangst.

4.

Indien de gegevens in het bericht van ontvangst niet in orde zijn bevonden, draagt de geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

Artikel 3a

1.

Het brengen, bedoeld in artikel 2a, derde lid, van de wet, van een accijnsgoed door een in Nederland gevestigde geregistreerde afzender van de plaats van invoer naar de in artikel 2a, derde lid, onderdelen a tot en met f, van de wet bedoelde bestemmingen, geschiedt onder dekking van een e-AD.

3.

Tijdens de overbrenging, bedoeld in het eerste lid, kan de geregistreerde afzender de accijnsgoederen via het EMCS een nieuwe bestemming geven, die een van de in artikel 2a, derde lid, onderdelen a, b, c, d of f, van de wet bedoelde bestemmingen moet zijn. Hij dient daartoe een voorlopig bericht van bestemmingswijziging in.

4.

Aan de geregistreerde afzender die onder dekking van een e-AD minerale oliën van de plaats van invoer overbrengt naar een van de bestemmingen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet, wordt toegestaan dat de desbetreffende overbrenging wordt gesplitst in twee of meer deeltransporten, mits:

De geregistreerde afzender dient daartoe een voorlopig bericht van splitsing in.

5.

Indien een overbrenging van minerale oliën als bedoeld in artikel 2, negende lid, waarvan de geadresseerde nog niet definitief vaststaat, wordt gesplitst als bedoeld in het vierde lid, kan de inspecteur toestaan dat de geregistreerde afzender voor een van de deeltransporten de gegevens van de geadresseerde niet invult met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 2, tiende lid.

6.

Bij ontvangst van de accijnsgoederen op de in artikel 2a, derde lid, onderdeel a, van de wet bedoelde bestemming zendt de geadresseerde, behoudens in ten genoegen van de inspecteur naar behoren gerechtvaardigde gevallen, onverwijld en uiterlijk binnen vijf werkdagen na het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de wet, een bericht van ontvangst.

7.

Indien de gegevens in het bericht van ontvangst niet in orde zijn bevonden, draagt de geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

Artikel 3b

Bij het brengen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel e, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel e, van de wet, van een accijnsgoed naar een geadresseerde als bedoeld in artikel 69 van de wet, gaan de accijnsgoederen vergezeld van een certificaat van vrijstelling.

Artikel 3c

1.

In afwijking van artikel 2 en 3a kan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats onderscheidenlijk de in artikel 3a, eerste lid, bedoelde geregistreerde afzender, hierna de afzender genoemd, wanneer het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling aanvangen op voorwaarde dat:

2.

Indien het EMCS niet beschikbaar was om aan de afzender toe te schrijven redenen, worden die redenen afdoend vermeld.

3.

Wanneer het EMCS opnieuw beschikbaar komt, dient de afzender een voorlopig e-AD in overeenkomstig artikel 2, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3a, tweede lid.

4.

Zodra de gegevens in het voorlopig e-AD overeenkomstig artikel 2, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 3a, tweede lid, in orde bevonden zijn, vervangt dit document het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

5.

Zolang de gegevens in het e-AD niet in orde zijn bevonden, wordt de overbrenging geacht plaats te vinden onder een accijnsschorsingsregeling onder dekking van het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

6.

Een kopie van het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door de afzender ter staving van zijn administratie bewaard.

7.

Indien het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, verstrekt de afzender de in artikel 2, achtste lid, onderscheidenlijk artikel 3a, derde lid, bedoelde informatie met behulp van andere communicatiemiddelen. Hij informeert daartoe de inspecteur voordat de bestemming van de overbrenging wordt gewijzigd. De informatie wordt weergegeven in de vorm van gegevenselementen, die op dezelfde wijze als in het voorlopig bericht van bestemmingswijziging, worden uitgedrukt. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

8.

Indien het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, verstrekt de afzender de in artikel 2, elfde lid, onderscheidenlijk artikel 3a, vierde lid, bedoelde informatie met behulp van andere communicatiemiddelen. Hij informeert daartoe de inspecteur voordat de overbrenging wordt gesplitst. De informatie wordt weergegeven in de vorm van gegevenselementen, die op dezelfde wijze als in het voorlopig bericht van splitsing worden uitgedrukt. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

9.

In de gevallen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdelen d en f, van de wet, verstrekt de afzender een kopie van het nooddocument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan de aangever.

Artikel 3d

1.

Indien, in de in de artikelen 2, veertiende lid, 3, derde lid, en 3a, zesde lid, bedoelde gevallen, het in die bepalingen bedoelde bericht van ontvangst bij het eindigen van de overbrenging niet binnen de in die bepalingen vastgestelde termijn kan worden ingediend, hetzij omdat het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, hetzij omdat de in die bepalingen bedoelde geadresseerde het e-AD nog niet heeft ontvangen als gevolg van het niet beschikbaar zijn van het EMCS in de lidstaat van verzending, dient de geadresseerde, behoudens in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, bij de inspecteur een noodbericht van ontvangst in waarin wordt verklaard dat de overbrenging is geëindigd.

2.

Zodra het EMCS in Nederland weer beschikbaar komt of de in het eerste lid bedoelde geadresseerde het e-AD heeft ontvangen, dient de geadresseerde onverwijld een bericht van ontvangst in overeenkomstig onderscheidenlijk artikel 2, veertiende lid, 3, derde lid, en 3a, zesde lid. De artikelen 2, vijftiende lid, 3, vierde lid, en 3a, zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

1.

De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of de in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde kan verzoeken om toestemming tot het toepassen van rechtstreekse aflevering, bedoeld in artikel 2a, vijfde lid, van de wet.

2.

De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen in de vergunning van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of van de in Nederland gevestigde geregistreerde geadresseerde. Op de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 46 en 48 tot en met 50 van de wet van overeenkomstige toepassing.

3.

De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend onder de hierna genoemde voorwaarden en beperkingen:

4.

De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend:

Artikel 5

1.

In afwijking van de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, behoeft het door middel van een pijpleiding brengen van minerale oliën vanuit een accijnsgoederenplaats naar een belastingentrepot, alsmede het door middel van een pijpleiding brengen van minerale oliën vanuit een belastingentrepot naar een accijnsgoederenplaats niet te worden aangetoond met een e-AD.

2.

Van het brengen, bedoeld in het eerste lid, wordt door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats maandelijks een opgaaf verstrekt aan de inspecteur.

Artikel 6

1.

De overbrenging van reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat geschiedt onder dekking van een e-VAD.

2.

De gecertificeerde afzender dient een voorlopig e-VAD in via het EMCS.

3.

Indien de gegevens in het voorlopig e-VAD niet in orde zijn bevonden door de inspecteur, draagt de gecertificeerde afzender zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het voorlopig e-VAD opnieuw in.

4.

Indien de gegevens in het voorlopig e-VAD in orde zijn bevonden door de inspecteur, ontvangt de gecertificeerde afzender de VARC die aan het e-VAD is toegekend.

5.

De gecertificeerde afzender verstrekt de persoon die de accijnsgoederen vergezelt de VARC.

6.

De persoon die de accijnsgoederen vergezelt toont desgevraagd de VARC op ieder moment van de overbrenging aan de inspecteur of de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat.

7.

Tijdens de overbrenging kan de gecertificeerde afzender via het EMCS de bestemming veranderen in een andere, door dezelfde gecertificeerde geadresseerde beheerde plaats van bestemming in dezelfde lidstaat of veranderen in de plaats van verzending. De gecertificeerde afzender dient daartoe een voorlopig bericht van bestemmingswijziging in bij de inspecteur.

8.

De gecertificeerde afzender ontvangt van de inspecteur een afschrift van het bericht van ontvangst.

9.

Het afschrift van het bericht van ontvangst geldt als afdoende bewijs dat de gecertificeerde geadresseerde alle noodzakelijke formaliteiten heeft vervuld en de verschuldigde accijns aan de lidstaat van bestemming heeft betaald, tenzij de accijnsgoederen zijn vrijgesteld van accijns.

10.

Het eerste tot en met negende lid zijn niet van toepassing op het vervoer van andere minerale oliën dan bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de wet.

Artikel 6a

1.

De overbrenging, bedoeld in artikel 2e, eerste lid, van de wet, van reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen vanuit een andere lidstaat naar Nederland geschiedt onder dekking van een e-VAD.

2.

De persoon die de accijnsgoederen vergezelt toont desgevraagd de VARC op ieder moment van de overbrenging aan de inspecteur.

3.

Bij ontvangst van de accijnsgoederen op de in het EMCS vastgelegde plaats van bestemming in Nederland zendt de gecertificeerde geadresseerde onverwijld en uiterlijk binnen vijf werkdagen na het eindigen van de overbrenging, bedoeld in artikel 2e, zevende lid, van de wet, een bericht van ontvangst via het EMCS aan de inspecteur. Het zenden van een bericht van ontvangst is niet nodig in ten genoegen van de inspecteur naar behoren gerechtvaardigde gevallen.

4.

Indien de gegevens in het bericht van ontvangst door de inspecteur niet in orde zijn bevonden, draagt de gecertificeerde geadresseerde zorg voor aanpassing van de gegevens en dient hij het bericht van ontvangst onverwijld opnieuw in.

5.

Indien de gegevens in het bericht van ontvangst door de inspecteur in orde zijn bevonden, ontvangt de gecertificeerde geadresseerde een bevestiging van de registratie van het bericht van ontvangst.

6.

Het in orde bevonden bericht van ontvangst geldt als afdoende bewijs dat de gecertificeerde geadresseerde alle noodzakelijke formaliteiten heeft vervuld en de verschuldigde accijns in Nederland op aangifte heeft voldaan, tenzij de accijnsgoederen zijn vrijgesteld van accijns.

7.

Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op het vervoer van andere minerale oliën dan bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de wet.

Artikel 6b

1.

Indien het EMCS niet beschikbaar is in de lidstaat van verzending, worden de accijnsgoederen vergezeld van het nooddocument met dezelfde gegevens als het voorlopige e-VAD.

2.

De persoon die de accijnsgoederen vergezelt toont desgevraagd het nooddocument op ieder moment van de overbrenging aan de inspecteur.

3.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en indien het EMCS niet beschikbaar is in Nederland, kan de gecertificeerde afzender een overbrenging van accijnsgoederen aanvangen in afwijking van artikel 6 op voorwaarde dat hij:

4.

Zodra het EMCS bij de gecertificeerde afzender opnieuw beschikbaar komt, dient hij een voorlopig e-VAD in via het EMCS.

5.

Zodra de gegevens in het voorlopig e-VAD in orde bevonden zijn overeenkomstig artikel 6, vierde lid, vervangt het voorlopig e-VAD het nooddocument.

6.

Zolang de gegevens in het voorlopig e-VAD niet in orde zijn bevonden, wordt de overbrenging geacht plaats te vinden onder dekking van het nooddocument.

7.

De gecertificeerde afzender bewaart een kopie van het nooddocument ter staving van zijn administratie.

8.

Indien het EMCS niet beschikbaar is bij de gecertificeerde afzender, verstrekt hij de informatie, bedoeld in artikel 6, zevende lid, met behulp van andere communicatiemiddelen. Hij informeert daartoe de inspecteur voordat de overbrenging aanvangt in de vorm van gegevenselementen die worden uitgedrukt op dezelfde wijze als in het voorlopig bericht van bestemmingswijziging. Het vierde tot en met zevende lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2a. Gebruik als brandstof in een accijnsgoederenplaats

Artikel 6c

1.

Het verbruik, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de wet, van minerale oliën als brandstof voor het produceren of verwerken van minerale oliën, dient te blijken uit de administratie.

2.

Als verbruik als brandstof voor het produceren of verwerken van minerale oliën wordt aangemerkt het verbruik voor de energielevering aan bijeenbehorende productie-installaties waar, anders dan door vermenging, ten minste 30 percent van de geproduceerde of verwerkte producten minerale oliën zijn.

3.

De als brandstof voor de energielevering ingezette minerale oliën kunnen bij voorrang worden toegerekend aan de energie-afname van de in het tweede lid bedoelde bijeenbehorende productie-installaties.

4.

Voor de toerekening bij voorrang wordt uitgegaan van een energiebalans per maand per productielocatie. Een productielocatie kan zowel de minerale oliën afdeling als de petrochemische afdeling omvatten.

5.

In de energiebalans worden opgenomen de binnen de productielocatie opgewekte hoeveelheid energie en de hoeveelheid en de soort van de daartoe aangewende brandstoffen, alsmede de hoeveelheid afgegeven energie en alle productie-eenheden waaraan de energie is afgegeven, onderscheiden in die waarin in enigszins betekenende mate minerale oliën worden geproduceerd of verwerkt en andere productie-eenheden.

Afdeling 2a. Gebruik als brandstof in een accijnsgoederenplaats

Artikel 7

1.

De ontheffing, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de wet, vindt uitsluitend toepassing indien uit de administratie van degene die de accijnsgoederen produceert of verwerkt uit andere accijnsgoederen blijkt dat het accijnsbedrag dat eerstbedoelde accijnsgoederen vertegenwoordigen niet hoger is dan het accijnsbedrag dat de accijnsgoederen vertegenwoordigen waaruit zij zijn geproduceerd of verwerkt en dat de accijns voor deze laatstbedoelde goederen is betaald.

2.

De ontheffing, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de wet, vindt uitsluitend toepassing indien degene die de accijnsgoederen produceert of verwerkt in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 65, derde lid, van de wet, die ziet op de productie of verwerking van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

3.

De ontheffing, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, van de wet, vindt uitsluitend toepassing indien de thuis geproduceerde accijnsgoederen worden verbruikt door de producent, zijn huisgenoten of zijn gasten.

4.

De ontheffing, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel d, van de wet, vindt uitsluitend toepassing indien uit de administratie van degene die de minerale oliën produceert, verwerkt of voor commerciële doeleinden voorhanden of in opslag heeft blijkt dat het minerale oliën betreft bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel d, van de wet.

Hoofdstuk II. Vergunningen

Afdeling 2a. Gebruik als brandstof in een accijnsgoederenplaats

Artikel 8

1.

De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats moet:

2.

De administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

3.

Met betrekking tot accijnsgoederenplaatsen waar accijnsgoederen worden geproduceerd of verwerkt, dient de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde administratie tevens de voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens te bevatten omtrent de inkoop van grondstoffen en van halffabrikaten, alsmede omtrent de productie of verwerking van halffabrikaten en van eindproducten.

Artikel 9

1.

Indien degene die om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats verzoekt naar het oordeel van de inspecteur niet volledig kan voldoen aan het bepaalde in artikel 8, eerste lid, stelt de inspecteur voorwaarden met betrekking tot de locatie en de inrichting van de accijnsgoederenplaats, alsmede met betrekking tot het stelsel van toezicht.

2.

De in het eerste lid bedoelde inrichting van een accijnsgoederenplaats heeft mede betrekking op de daar aanwezige productie-, transport- en opslaginstallaties.

Afdeling 3. Ontheffing algemene verbodsbepalingen

Artikel 9a

1.

De geregistreerde geadresseerde moet de administratie van zijn bedrijf zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

2.

De administratie van de geregistreerde geadresseerde dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

Artikel 9b

Vervallen

Afdeling 1. Accijnsgoederenplaats

Artikel 9c

1.

De geregistreerde afzender moet de administratie van zijn bedrijf zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

2.

De administratie van de geregistreerde afzender dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

Afdeling 4. Fiscaal vertegenwoordiger van de verkoper op afstand

Artikel 9d

1.

De fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 50f, eerste lid, van de wet, moet de administratie van zijn bedrijf zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de accijns van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

2.

De administratie van de fiscaal vertegenwoordiger dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:

Afdeling 2. Geregistreerde geadresseerden

Artikel 9e

1.

Degene aan wie toestemming is verleend om accijnszegels aan te vragen moet per toestemming een zegeladministratie voeren.

2.

Indien de toestemming tot het aanvragen van accijnszegels door de inspecteur wordt ingetrokken, moet degene die de accijnszegels heeft aangevraagd de bij hem aanwezige voorraden accijnszegels, die nog niet op tabaksproducten zijn aangebracht, onverwijld aan de inspecteur zenden.

Hoofdstuk III. Wijze van heffing

Artikel 10

1.

Het bepaalde in artikel 51, tweede lid, van de wet vindt uitsluitend toepassing met betrekking tot minerale oliën die zijn uitgeslagen uit een accijnsgoederenplaats op basis van een schriftelijke opdracht van een vergunninghouder van een andere accijnsgoederenplaats voor minerale oliën.

2.

De vergunninghouder in wiens opdracht de uitslag heeft plaatsgevonden maakt in zijn administratie aantekening van de accijnsgoederenplaats waaruit de uitslag heeft plaatsgevonden, van de naam van de vergunninghouder van de desbetreffende accijnsgoederenplaats en van het nummer van de vergunning van die vergunninghouder.

3.

De vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waaruit minerale oliën zijn uitgeslagen maakt in zijn administratie aantekening van die uitslag, van de naam van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in wiens opdracht de accijnsgoederen zijn uitgeslagen en van het nummer van de vergunning van die vergunninghouder.

Hoofdstuk IV. Vrijstellingen en teruggaven

Afdeling 3a. Gecertificeerde geadresseerden

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 64a, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de wet ter zake van de uitslag tot verbruik van overige alcoholhoudende producten die kennelijk niet zijn bestemd voor inwendig gebruik door de mens wordt verleend voor producten die zijn vermengd met bij ministeriële regeling aangewezen stoffen tot de daarbij te bepalen hoeveelheden.

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet wordt verleend ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën, andere dan minerale oliën van de GN-codes 3811 11 10, 3811 11 90, 3811 19 00 en 3811 90 00, die kennelijk niet zijn bestemd te worden gebruikt als brandstof voor verwarming, als motorbrandstof of als grondstof indien de verkoopprijs exclusief accijns en omzetbelasting van de desbetreffende minerale olie hoger is dan de verkoopprijs inclusief accijns en omzetbelasting van de gelijkwaardige soort minerale olie die wordt gebruikt als brandstof.

Artikel 15a

1.

Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die in hoogovens met het oog op chemische reductie worden ingespoten als toevoeging aan de steenkool, die wordt gebruikt als voornaamste brandstof, wordt verleend, indien degene die de minerale oliën betrekt in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende goederen met vrijstelling mag betrekken met inachtneming van de in het tweede lid opgenomen voorwaarden.

2.

In de in het eerste lid bedoelde vergunning kunnen nadere technische en administratieve voorwaarden worden gesteld ter vaststelling van de betrokken hoeveelheid minerale oliën ter zake waarvan vrijstelling wordt gevraagd.

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet ter zake van de uitslag tot verbruik van sigaretten en rooktabak die geheel uit andere stoffen dan tabak bestaan en die uitsluitend zijn bestemd om te worden gebruikt voor medicinale doeleinden wordt verleend indien de samenstelling van de sigaretten en de rooktabak en de bestemming ervan blijken uit de kleinhandelsverpakking en de presentatie van het product.

Artikel 18

1.

Om de in artikel 65, derde lid, van de wet bedoelde vergunning te kunnen verkrijgen dient de administratie van degene die om de vergunning verzoekt zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens omtrent alle voor de vrijstelling van accijns van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen. Daarin moeten in ieder geval de gegevens zijn opgenomen omtrent de betrokken accijnsgoederen en omtrent de daarvan geproduceerde of verwerkte accijnsgoederen en niet-accijnsgoederen, dan wel omtrent het gebruik van de desbetreffende accijnsgoederen.

2.

Voor accijnsgoederen als bedoeld in artikel 65, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet zijn de artikelen 12, 15 en 17 van overeenkomstige toepassing op de door degene die de goederen met vrijstelling betrekt geproduceerde of verwerkte accijnsgoederen.

3.

Degene die de accijnsgoederen met vrijstelling betrekt dient zekerheid te stellen voor de accijns die hij verschuldigd kan worden. De artikelen 56, zesde tot en met negende lid, en 57 tot en met 60, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Onverminderd de in het eerste tot en met derde lid bedoelde voorwaarden wordt de vrijstelling, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de wet, verleend indien:

5.

De verklaring, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, blijft achterwege indien degene die de accijnsgoederen met vrijstelling betrekt tevens een van degenen is als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b.

6.

De verklaring, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, kan bij levering van een accijnsgoed vanuit een accijnsgoederenplaats aan een persoon die de accijnsgoederen met vrijstelling betrekt, op verzoek achterwege blijven, indien:

7.

Met betrekking tot het gebruik van de maandverklaring, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, is artikel 2a, tweede tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van minerale oliën die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen, wordt verleend indien:

Artikel 19a

Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van andere accijnsgoederen dan de in artikel 19 bedoelde minerale oliën, die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren.

Artikel 20

1.

Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 19 wordt voor lichte olie niet verleend.

2.

Vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 19 wordt voor halfzware olie en gasolie uitsluitend verleend indien die oliën zijn voorzien van herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de wet.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op producten van GN-code 3824 99 92 (met uitzondering van roestwerende preparaten die aminen als werkzame bestanddelen bevatten en anorganische preparaten voor het oplossen of voor het verdunnen van vernissen of van dergelijke producten) voor zover deze voor de toepassing van het tarief kunnen worden gelijkgesteld met halfzware olie of gasolie alsmede van de GN-codes 3826 00 10 en 3826 00 90.

Artikel 21

Vervallen

Artikel 21a

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen, andere dan voor de voortstuwing bestemde minerale olie, die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat wordt verleend indien:

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

1.

Vrijstelling van accijns ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen die worden gebruikt voor onderzoek, kwaliteitscontroles en smaaktesten buiten een accijnsgoederenplaats wordt verleend indien de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen worden uitgeslagen dan wel degene die de goederen invoert, in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende accijnsgoederen met vrijstelling mag uitslaan dan wel invoeren.

2.

De vergunning wordt op verzoek verleend. In het verzoek om de vergunning worden vermeld:

3.

Bij het verzoek om de vergunning moet de schriftelijke opdracht voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen worden overgelegd.

4.

De vergunning kan worden verleend voor een bepaalde periode of voor periodiek wederkerende onderzoeken, controles of testen. De in het tweede lid bedoelde opdrachten dienen alsdan afzonderlijk per onderzoek, controle of test uit de administratie te blijken.

5.

De accijnsgoederen die na afloop van de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen resteren moeten na de onderzoeken, controles of testen worden overgebracht naar een accijnsgoederenplaats, worden uitgevoerd of onder ambtelijk toezicht worden vernietigd.

Afdeling 2. Teruggaven

Artikel 24

Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen in gevallen waarin deze accijnsgoederen op de voet van artikel 65 van de wet zouden kunnen worden betrokken met vrijstelling, is artikel 18, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25

1.

Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen waarvoor op de voet van de artikelen 66 en 66a van de wet aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:

2.

Bij de toepassing van het eerste lid is artikel 20 van overeenkomstige toepassing voor zover het minerale oliën betreft die worden gebruikt voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen.

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 27a

Vervallen

Artikel 28

1.

Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn verloren gegaan wordt verleend indien de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren en de belanghebbende onverwijld nadat is geconstateerd dat de accijnsgoederen zijn verloren gegaan, daarvan melding doet bij de inspecteur.

2.

De soort, de hoeveelheid en de voor de berekening van de teruggaaf van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen die zijn verloren gegaan, alsmede het tijdstip waarop en de oorzaak waardoor de accijnsgoederen verloren zijn gegaan, dienen door de belanghebbende te worden aangetoond.

3.

Teruggaaf wordt uitsluitend verleend indien het verloren gaan van de accijnsgoederen is te wijten aan overmacht of ongeval.

Artikel 29

Voor de toepassing van de teruggaaf voor onder ambtelijk toezicht vernietigde accijnsgoederen is artikel 28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30

Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn gebracht naar een derde land, wordt verleend indien in de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van accijns documenten zijn opgenomen die zijn vereist op grond van wettelijke bepalingen als bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, waarmee wordt aangetoond dat de accijnsgoederen ten uitvoer zijn aangegeven en het grondgebied van de Unie hebben verlaten.

Artikel 31

Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn gebracht binnen een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, wordt verleend aan de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de goederen zijn overgebracht wanneer hij om teruggaaf verzoekt en uit de administratie blijkt dat de goederen in zijn accijnsgoederenplaats zijn opgenomen.

Artikel 31a

Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die door een gecertificeerde afzender zijn overgebracht in de zin van artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van de wet, moet die gecertificeerde afzender:

Artikel 31b

Voor de toepassing van de teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn geleverd in de zin van artikel 71, eerste lid, onderdeel f, van de wet, moet belanghebbende:

Artikel 32

1.

Bij een verzoek om teruggaaf binnen drie maanden na een tariefwijziging van de accijns wordt de teruggaaf ingevolge deze afdeling bij een tariefverhoging naar het daarvóór geldende tarief en bij een tariefverlaging naar het dan geldende tarief verleend, tenzij de belanghebbende aantoont dat de accijns waarvan teruggaaf wordt gevraagd, is voldaan naar het na de tariefverhoging geldende onderscheidenlijk vóór de tariefverlaging gegolden hebbende hogere tarief.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een gedeeltelijke teruggaaf van accijns.

Artikel 33

Vervallen

Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen

Afdeling 2. Teruggaven

Artikel 34

1.

Van accijnsgoederen, andere dan tabaksproducten die zijn voorzien van de wettelijk voorgeschreven accijnszegels, die worden vervoerd of voorhanden zijn, niet zijnde onder een accijnsschorsingsregeling, wordt aan de hand van bescheiden de herkomst aangetoond.

2.

Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van accijnsgoederen die worden vervoerd, niet zijnde onder een accijnsschorsingsregeling, mag niet ouder zijn dan zes dagen, tenzij wordt aangetoond dat het vervoer langer dan zes dagen geleden is aangevangen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op accijnsgoederen:

Artikel 34a

Vervallen

Artikel 35

Van ruwe en van gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak die wordt vervoerd moet aan de hand van bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.

Artikel 36

1.

Degene die handel drijft in ruwe tabak dient in het bezit te zijn van een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur.

2.

De vergunning wordt op verzoek verleend. In het verzoek wordt opgave gedaan van de plaatsen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. In de vergunning worden voorwaarden opgenomen met het oog op het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen.

3.

Ruwe tabak en monsters van ruwe tabak mogen uitsluitend worden verstrekt aan vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten en aan agenten, commissionairs of makelaars in ruwe tabak.

4.

De agent, commissionair of makelaar, die monsters ruwe tabak aan anderen dan vergunninghouders van een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten afstaat, is onderworpen aan de voor handelaren in ruwe tabak geldende bepalingen.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ruwe tabak mede verstaan gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak.

Afdeling 2. Overige bepalingen

Artikel 37

Met betrekking tot het verlenen, het aanpassen en het intrekken van op grond van dit besluit te verlenen vergunningen zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38

In een publiek douane-entrepot type II als bedoeld in artikel 1, drieëndertigste lid, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie of een particulier douane-entrepot als bedoeld in artikel 240, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie mogen accijnsgoederen met de douanestatus van Uniegoederen als bedoeld in artikel 5, drieëntwintigste lid, van het Douanewetboek van de Unie voorhanden zijn die voor uitvoer zijn vrijgegeven en die in afwachting van het verlaten van de Unie worden opgeslagen in een douane-entrepot, met toepassing van artikel 237, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie, in samenhang met artikel 177 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie.

Artikel 39

1.

De opslagruimte van een particulier douane-entrepot als bedoeld in artikel 240, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie kan voor de opslag van accijnsgoederen als accijnsgoederenplaats worden aangewezen.

2.

Uit de administratie van de vergunninghouder voor de accijnsgoederenplaats en voor een douane-entrepot als bedoeld in het eerste lid, blijkt op overzichtelijke wijze welke goederen in de accijnsgoederenplaats zijn opgeslagen en welke in het douane-entrepot.

3.

Met betrekking tot plaatsen waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in het eerste lid, wordt onder het in artikel 2a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet bedoelde brengen van accijnsgoederen vanuit het douane-entrepot naar een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoederen als zodanig is aangewezen, mede verstaan het in de administratie overboeken van de goederen van het douane-entrepot naar de accijnsgoederenplaats.

4.

Voor de in het derde lid bedoelde overbrengingen is geen e-AD vereist.

Artikel 39a

1.

De inspecteur kan toestaan dat de vervoerder, de eigenaar of de gecertificeerde afzender, bedoeld in artikel 56, derde lid, van de wet, zekerheid stelt in plaats van de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, de geregistreerde afzender of de gecertificeerde geadresseerde, indien hiertoe een gezamenlijk verzoek van die vervoerder, eigenaar of gecertificeerde afzender en die vergunninghouder, geregistreerde afzender of gecertificeerde geadresseerde wordt ingediend.

2.

In het verzoek worden vermeld:

Hoofdstuk IVA. Bijzondere regeling voor biobrandstoffen

Afdeling 1. Controlebepalingen

Artikel 40

Vervallen

Afdeling 1. Controlebepalingen

Artikel 41

Vervallen

Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

Artikel 42

Strafbare feiten zijn:

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 43

1.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op de accijns in werking treedt.

2.

Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit accijns.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)