Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer
87 versions
· 2025-12-31
2025-12-31
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 9, 10
2025-09-17
Wet luchtvaart — art. 9
2025-04-04
Wet luchtvaart — art. 9
2025-01-01
Wet luchtvaart — art. 9
2024-07-01
Wet luchtvaart — art. 9
2024-01-01
Wet luchtvaart — art. 9
2023-04-19
Wet luchtvaart — art. 9
2023-02-18
Wet luchtvaart — art. 9
2022-07-01
Wet luchtvaart — art. 9
2021-07-10
Wet luchtvaart — art. 9
2021-07-01
Wet luchtvaart — art. 9
2021-06-30
Wet luchtvaart — arts. 9, 5
2021-01-01
Wet luchtvaart — art. 9
2020-07-01
Wet luchtvaart — arts. 9, 7
2020-04-01
Wet luchtvaart — arts. 9, 8
2020-01-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 9, 10
2019-11-27
Wet luchtvaart
2019-07-10
Wet luchtvaart
2018-07-28
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 9, 10
2018-07-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 5 y 5 más
2018-05-25
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 5 y 5 más
2018-05-01
Wet luchtvaart
2018-02-17
Wet luchtvaart
2017-08-30
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 9, 10
2017-07-01
Wet luchtvaart
2017-04-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 9, 10
2016-11-01
Wet luchtvaart
2016-01-18
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 9, 10
2016-01-01
Wet luchtvaart
2015-10-17
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2015-08-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2015-01-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2014-11-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2014-08-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2014-04-18
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2014-03-15
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5, 10
2014-01-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 2 más
2013-10-24
Wet luchtvaart
2013-04-25
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2013-04-01
Wet luchtvaart
2013-03-15
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2013-01-01
Wet luchtvaart
2012-10-27
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2012-10-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2012-07-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2012-06-06
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2012-01-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2011-05-25
Wet luchtvaart
2011-01-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2010-10-10
Wet luchtvaart
2010-10-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2010-07-07
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 3 más
2010-07-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 5 y 11 más
2010-04-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 5 y 11 más
2010-03-31
Wet luchtvaart
2010-02-24
Wet luchtvaart
2010-01-30
Wet luchtvaart
2009-12-16
Wet luchtvaart
2009-11-01
Wet luchtvaart
2009-07-01
Wet luchtvaart
2008-08-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 5 más
2008-07-19
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 5 más
2008-07-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 5 más
2008-06-13
Wet luchtvaart — arts. 2, 5, 5 y 5 más
2008-06-11
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 5 y 13 más
2008-05-28
Wet luchtvaart
2008-05-18
Wet luchtvaart
2007-12-21
Wet luchtvaart
2007-02-02
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 12 más
2006-12-13
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 27 más
2006-11-29
Wet luchtvaart
2006-08-02
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 27 más
2006-07-19
Wet luchtvaart
Wijzigingen op 2006-07-19
@@ -18,7 +18,7 @@
- b. Eurocontrol-organisatie: de Organisatie, ingesteld bij het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart «Eurocontrol» (Trb. 1961, 62), zoals gewijzigd bij Protocol van 12 februari 1981 (Trb. 1981, 182);
- c. gevaarlijke stoffen: indien zij krachtens [artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of [artikel 10.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zijn aangewezen.
- c. gevaarlijke stoffen: indien zij krachtens [artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of [artikel 10.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zijn aangewezen.
- 1°. ontplofbare stoffen of voorwerpen;
@@ -40,7 +40,7 @@
- d. gezagvoerder: degene, die de leiding heeft bij en verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van de vlucht;
- e. houder van een luchtvaartuig: degene, op wiens naam een luchtvaartuig in het register, bedoeld in [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), dan wel in een buitenlands register van luchtvaartuigen is ingeschreven;
- e. houder van een luchtvaartuig: degene, op wiens naam een luchtvaartuig in het register, bedoeld in [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), dan wel in een buitenlands register van luchtvaartuigen is ingeschreven;
- f. klaring: machtiging aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig om een vlucht aan te vangen of te vervolgen onder door een luchtverkeersleidingsdienst gestelde voorwaarden;
@@ -62,11 +62,11 @@
- o. luchtverkeersleiding: het regelen van het luchtverkeer door het geven van klaringen en aanwijzingen aan deelnemers aan het luchtverkeer;
- p. LVNL: de organisatie voor luchtverkeersdienstverlening, bedoeld in [artikel 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.1&artikel=5.22&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- p. LVNL: de organisatie voor luchtverkeersdienstverlening, bedoeld in [artikel 5.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.1&artikel=5.22&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- q. Nederlands luchtvaartuig: een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig;
- r. opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- r. opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in [artikel 11.3, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- s. STD: een trainingsinstrument zijnde een vluchtnabootser, een vliegtrainingsinstrument, een trainer voor vlieg- en navigatieprocedures of een ander trainingsinstrument (Synthetic Training Device);
@@ -84,19 +84,19 @@
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, op nader in die algemene maatregel aan te geven categorieën van personeel of op bepaalde soorten van luchtvaartuigen, op bepaalde soorten van vervoer of op bepaalde vormen van vluchtuitvoering, indien toepassing van deze wet in redelijkheid niet kan worden gevergd en de veiligheid van het luchtverkeer niet in gevaar wordt gebracht, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn:
- –. de[artikelen 2.1 tot en met 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of één of meer van deze artikelen,
- –. [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&z=2006-03-08&g=2006-03-08),
- –. [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=4&z=2006-03-08&g=2006-03-08),
- –. [titel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08),
- –. [titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of [titel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08),
- –. [hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), of
- –. [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- –. de[artikelen 2.1 tot en met 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of één of meer van deze artikelen,
- –. [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&z=2006-07-19&g=2006-07-19),
- –. [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=4&z=2006-07-19&g=2006-07-19),
- –. [titel 5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19),
- –. [titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of [titel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19),
- –. [hoofdstuk 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), of
- –. [hoofdstuk 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
3. Bij de toepassing van het tweede lid kunnen bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur voorschriften en beperkingen worden opgenomen met betrekking tot één of meer buiten toepassing van de wet te laten onderdelen. Deze voorschriften en beperkingen kunnen mede betrekking hebben op de beperking van geluidshinder.
@@ -132,11 +132,11 @@
- a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, hetzij
- b. een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08) aangewezen staat of door een door hem aangewezen internationale organisatie. Betrokkene dient in geval van toepassing van [onderdeel **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08) tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), afgegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat.
- b. een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van [artikel 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19) aangewezen staat of door een door hem aangewezen internationale organisatie. Betrokkene dient in geval van toepassing van [onderdeel **a**](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19) tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), afgegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere werkzaamheden aan boord van een burgerluchtvaartuig worden aangewezen, die niet mogen worden verricht zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer
@@ -172,7 +172,7 @@
- b. slechts onder in die algemene maatregel bepaalde voorwaarden mag uitoefenen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08). Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19). Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
- a. de aanvraag en afgifte van bewijzen van bevoegdheid en de aanvraag, afgifte en verlenging van bevoegdverklaringen;
@@ -188,15 +188,15 @@
- g. de vernieuwing van het document, waarop bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen worden weergegeven;
- h. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van het bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of het bewijs van gelijkstelling, de verlenging van een bewijs van bevoegdheid of verlenging een bevoegdverklaring, het afleggen van een theorie- of praktijkexamen,,“praktijkexamen,,” moet zijn “praktijkexamen,” de vernieuwing van het document, bedoeld in [onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), de afgifte van de autorisatie, bedoeld in [onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), de afgifte en verlenging van de medische verklaring, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en de afgifte en verlenging van de kwalificatie, bedoeld in [onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- h. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van het bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of het bewijs van gelijkstelling, de verlenging van een bewijs van bevoegdheid of verlenging een bevoegdverklaring, het afleggen van een theorie- of praktijkexamen,,“praktijkexamen,,” moet zijn “praktijkexamen,” de vernieuwing van het document, bedoeld in [onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de afgifte van de autorisatie, bedoeld in [onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de afgifte en verlenging van de medische verklaring, bedoeld in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en de afgifte en verlenging van de kwalificatie, bedoeld in [onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
7. Bij het besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bedoeld in het zesde lid, onderdeel e, kunnen in aanmerking genomen worden het aantal reeds geautoriseerde examinatoren, hun specifieke deskundigheid en de spreiding van examinatoren over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte.
8. [Artikel 2.1, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), is met betrekking tot [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08) van overeenkomstige toepassing.
8. [Artikel 2.1, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), is met betrekking tot [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 2.4
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.
2. De medische verklaring wordt, al dan niet onder beperkingen, verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verlengt op aanvraag de medische verklaring voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, indien de houder voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
@@ -210,11 +210,11 @@
- d. de eisen waaraan een geneeskundige of geneeskundige instantie moet voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen;
- e. de aanwijzing van instellingen die in het kader van een autorisatie als bedoeld in [onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) een certificaat kunnen afgeven;
- e. de aanwijzing van instellingen die in het kader van een autorisatie als bedoeld in [onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) een certificaat kunnen afgeven;
- f. de mogelijkheid van herbeoordeling;
- g. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de autorisatie, bedoeld in [onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- g. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de autorisatie, bedoeld in [onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan worden afgegeven.
@@ -244,13 +244,13 @@
- b. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid kan doen blijken, dat hij bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid niet in gevaar brengt;
- c. de wijze waarop de houder van een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), opnieuw kan doen blijken aan de bij of krachtens dat onderdeel bedoelde eisen te voldoen.
5. Onze Minister kan een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van de autorisatie niet langer voldoet aan de bij of krachtens dat onderdeel gestelde eisen.
6. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
7. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- c. de wijze waarop de houder van een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), opnieuw kan doen blijken aan de bij of krachtens dat onderdeel bedoelde eisen te voldoen.
5. Onze Minister kan een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van de autorisatie niet langer voldoet aan de bij of krachtens dat onderdeel gestelde eisen.
6. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
7. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
8. Schorsing van het bewijs van bevoegdheid betekent schorsing van op het document weergegeven bevoegdverklaringen voor de duur van die schorsing.
@@ -270,11 +270,11 @@
2. Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, dan wel zijn bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen zijn ingetrokken, is hij verplicht het document, waarop zijn bewijs van bevoegdheid en eventuele bevoegdverklaringen zijn weergegeven, onverwijld bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in te leveren.
3. Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
5. Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
3. Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.4, derde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
5. Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in [artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
6. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels geven met betrekking tot de procedure van intrekking.
@@ -284,13 +284,13 @@
2. Het bewijs van gelijkstelling geeft niet meer bevoegdheden dan het betrokken bewijs van bevoegdheid en wordt slechts eenmaal afgegeven voor ten hoogste de duur van geldigheid van het betrokken bewijs van bevoegdheid doch niet langer dan een jaar.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van gelijkstelling intrekken wanneer de omstandigheden, bedoeld in [artikel 2.6, eerste lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zich voordoen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bewijs van gelijkstelling intrekken wanneer de omstandigheden, bedoeld in [artikel 2.6, eerste lid, onder c of d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zich voordoen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over de voorwaarden en omstandigheden waaronder een bewijs van gelijkstelling wordt afgegeven.
##### Artikel 2.8
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen van bevoegdheid of bewijzen van gelijkstelling, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), gestelde eisen, zijn afgegeven door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen van bevoegdheid of bewijzen van gelijkstelling, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), gestelde eisen, zijn afgegeven door
- a. de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of
@@ -334,11 +334,11 @@
4. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten gedurende de tijd, waarvoor een rijverbod als bedoeld in [artikel 162, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=162) geldt.
5. Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als bedoeld in [artikel 2.11 of in het eerste of derde lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen verrichten.
5. Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als bedoeld in [artikel 2.11 of in het eerste of derde lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen verrichten.
##### Artikel 2.13
Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van [artikel 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08) worden uit het register, bedoeld in [artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126), op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van [artikel 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19) worden uit het register, bedoeld in [artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=126), op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
## TITEL 2.3. ADVIESCOMMISSIE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN
@@ -386,7 +386,7 @@
- a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en
- b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
@@ -412,7 +412,7 @@
##### Artikel 3.4
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving wijzigen, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving wijzigen, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een inschrijving ambtshalve wijzigen, wanneer:
@@ -420,15 +420,15 @@
- b. de feiten die ten grondslag liggen aan de gegevens, tijdens de duur van de inschrijving wijziging hebben ondergaan.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving door, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving door, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in [artikel 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een inschrijving ambtshalve doorhalen, wanneer:
- a. de houder ten behoeve van de inschrijving onjuiste gegevens heeft verstrekt;
- b. de houder niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), of
- c. gedurende langer dan een jaar het desbetreffende luchtvaartuig niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in [artikel 3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- b. de houder niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in [artikel 3.3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), of
- c. gedurende langer dan een jaar het desbetreffende luchtvaartuig niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in [artikel 3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat haalt een inschrijving ambtshalve door, wanneer het betrokken luchtvaartuig:
@@ -438,27 +438,27 @@
##### Artikel 3.5
1. Ten bewijze van inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie met betrekking tot het ingeschreven luchtvaartuig een bewijs van inschrijving. Onze Minister wie het aangaat kan een inschrijvingsbewijs wijzigen. Het bewijs wordt verstrekt voor onbepaalde tijd.
2. In geval van toepassing van [artikel 3.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een bewijs van inschrijving voor de termijn, waarvoor het betrokken luchtvaartuig is ingeschreven.
1. Ten bewijze van inschrijving in het register, bedoeld in [artikel 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie met betrekking tot het ingeschreven luchtvaartuig een bewijs van inschrijving. Onze Minister wie het aangaat kan een inschrijvingsbewijs wijzigen. Het bewijs wordt verstrekt voor onbepaalde tijd.
2. In geval van toepassing van [artikel 3.3, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), verstrekt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een bewijs van inschrijving voor de termijn, waarvoor het betrokken luchtvaartuig is ingeschreven.
3. In geval van:
- a. wijziging van de inschrijving, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), of
- b. doorhaling van de inschrijving, bedoeld in [artikel 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan de aanvrager een tijdelijk bewijs van inschrijving ver trekken voor ten hoogste vier weken. Wijziging of doorhaling van de inschrijving vindt plaats na verstrijken van de termijn, waarvoor het tijdelijk bewijs van inschrijving is verleend.
4. In geval van ambtshalve wijziging of doorhaling van de inschrijving, bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), tweede respectievelijk vierde of vijfde lid, levert de houder van het bewijs van inschrijving dit bewijs terstond in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
- a. wijziging van de inschrijving, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), of
- b. doorhaling van de inschrijving, bedoeld in [artikel 3.4, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan de aanvrager een tijdelijk bewijs van inschrijving ver trekken voor ten hoogste vier weken. Wijziging of doorhaling van de inschrijving vindt plaats na verstrijken van de termijn, waarvoor het tijdelijk bewijs van inschrijving is verleend.
4. In geval van ambtshalve wijziging of doorhaling van de inschrijving, bedoeld in [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), tweede respectievelijk vierde of vijfde lid, levert de houder van het bewijs van inschrijving dit bewijs terstond in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
5. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van het bewijs van inschrijving eisen worden vastgesteld.
##### Artikel 3.6
Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is verleend, geldt het vereiste, dat een inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld, niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert, dat door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan die natuurlijke of rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel 3.2, tweede lid, is van toepassing.
Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is verleend, geldt het vereiste, dat een inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld, niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert, dat door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan die natuurlijke of rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel 3.2, tweede lid, is van toepassing.
##### Artikel 3.7
Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering van [de artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08). Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering van [de artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19). Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
- a. de procedure van aanvraag, wijziging of doorhaling van een inschrijving, alsmede de gegevens, welke bij elke procedure dienen te worden verstrekt;
@@ -482,11 +482,11 @@
- –. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie afgegeven bewijs van luchtwaardigheid, hetzij
- –. voor burgerluchtvaartuigen, een bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- –. voor burgerluchtvaartuigen, een bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 3.9
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag met betrekking tot een type-ontwerp van een burgerluchtvaartuig dan wel van een voortstuwingsinrichting of propeller bestemd voor een burgerluchtvaartuig, dat nog niet eerder in Nederland is onderzocht en waarvoor geen typecertificaat als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is afgegeven, een type-certificaat af, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag met betrekking tot een type-ontwerp van een burgerluchtvaartuig dan wel van een voortstuwingsinrichting of propeller bestemd voor een burgerluchtvaartuig, dat nog niet eerder in Nederland is onderzocht en waarvoor geen typecertificaat als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is afgegeven, een type-certificaat af, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.
2. Een type-certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
@@ -506,9 +506,9 @@
- a. het een ingrijpende wijziging van het type-ontwerp betreft, waarvoor een type-certificaat is afgegeven, en
- b. aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen wordt voldaan.[Artikel 3.9, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), alsmede [artikel 3.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister van Defensie kan een aanvullend typecertificaat afgeven. Artikel 3.9, vierde lid, alsmede [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zijn van overeenkomstige toepassing.
- b. aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen wordt voldaan.[Artikel 3.9, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), alsmede [artikel 3.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister van Defensie kan een aanvullend typecertificaat afgeven. Artikel 3.9, vierde lid, alsmede [artikel 3.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 3.12
@@ -522,11 +522,11 @@
##### Artikel 3.13
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft aan de houder van een burgerluchtvaartuig, dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is ingeschreven, op aanvraag een bewijs van luchtwaardigheid met betrekking tot dat luchtvaartuig af, indien:
- a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat als bedoeld in [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), of [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is afgegeven;
- b. ten aanzien van dat luchtvaartuig geen bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08); en
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft aan de houder van een burgerluchtvaartuig, dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is ingeschreven, op aanvraag een bewijs van luchtwaardigheid met betrekking tot dat luchtvaartuig af, indien:
- a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat als bedoeld in [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), of [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is afgegeven;
- b. ten aanzien van dat luchtvaartuig geen bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven als bedoeld in [artikel 3.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19); en
- c. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.
@@ -542,7 +542,7 @@
1. Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot Nederlandse militaire luchtvaartuigen bewijzen van luchtwaardigheid af, indien:
- a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat is afgegeven als bedoeld in [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08); en
- a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat is afgegeven als bedoeld in [artikel 3.9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19); en
- b. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.
@@ -558,7 +558,7 @@
1. Het bewijs van luchtwaardigheid voor burgerluchtvaartuigen wordt afgegeven voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke voor de verschillende bewijzen van luchtwaardigheid verschillend kan zijn.
2. Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gestelde eisen.
2. Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens [artikel 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19) gestelde eisen.
3. Het bewijs van luchtwaardigheid voor militaire luchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
@@ -630,7 +630,7 @@
##### Artikel 3.20
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie typecertificaten, aanvullende typecertificaten, bewijzen van luchtwaardigheid of geluidscertificaten, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08), respectievelijk [artikel 3.19b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19b&z=2006-03-08&g=2006-03-08), gestelde eisen, zijn afgegeven door:
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie typecertificaten, aanvullende typecertificaten, bewijzen van luchtwaardigheid of geluidscertificaten, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 3.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [artikel 3.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19), respectievelijk [artikel 3.19b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19b&z=2006-07-19&g=2006-07-19), gestelde eisen, zijn afgegeven door:
- –. de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of
@@ -680,7 +680,7 @@
- d. de procedure van aanvraag, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid;
- e. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging als bedoeld in [artikel 3.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- e. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging als bedoeld in [artikel 3.11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- f. het aan luchtvaartuigen te verrichten onderhoud;
@@ -716,7 +716,7 @@
##### Artikel 3.27
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
@@ -724,7 +724,7 @@
- a. de houder daarom verzoekt;
- b. het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- b. het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;
@@ -736,7 +736,7 @@
##### Artikel 3.28
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gestelde eisen,
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19) gestelde eisen,
- a. erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of
@@ -756,7 +756,7 @@
- e. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, verlenging, vernieuwing of wijziging van een erkenning;
- f. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als bedoeld in [artikel 3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en
- f. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als bedoeld in [artikel 3.25, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en
- g. het model en de uitvoering van de erkenningen.
@@ -766,7 +766,7 @@
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag bewijzen van bevoegdheid afgeven voor het zonder toezicht verrichten van onderhoud aan burgerluchtvaartuigen. De artikelen 2.1, vierde en vijfde lid, 2.2, 2.3 en 2.5 tot en met 2.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Behoudens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is het verboden zonder toezicht onderhoud aan burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid ontbreekt.
2. Behoudens [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is het verboden zonder toezicht onderhoud aan burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid ontbreekt.
##### Artikel 3.31
@@ -778,7 +778,7 @@
##### Artikel 5.1
Het bepaalde bij of krachtens [de artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08) tot en met [5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is van toepassing op:
Het bepaalde bij of krachtens [de artikelen 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19) tot en met [5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is van toepassing op:
- a. deelnemers aan het luchtverkeer binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, en
@@ -818,7 +818,7 @@
- f. gedrag van het verkeer op een luchtvaartterrein.
3. In het bepaalde ingevolge [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) kan aan de LVNL de bevoegdheid worden gedelegeerd tot het geven van een ontheffing, vrijstelling of toestemming, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer.
3. In het bepaalde ingevolge [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) kan aan de LVNL de bevoegdheid worden gedelegeerd tot het geven van een ontheffing, vrijstelling of toestemming, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer.
##### Artikel 5.6
@@ -828,7 +828,7 @@
1. De gezagvoerder bevindt zich aan boord van het luchtvaartuig.
2. De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen bedient of niet, ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Van de regels bedoeld in [de eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken.
2. De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen bedient of niet, ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Van de regels bedoeld in [de eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie bij ministeriële regeling aan te wijzen onbemande luchtvaartuigen.
@@ -838,7 +838,7 @@
##### Artikel 5.9
1. Voor de aanvang van iedere vlucht waaraan luchtverkeersleiding wordt gegeven wordt door of namens de gezagvoerder een vliegplan ingediend overeenkomstig de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 5.5, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), gestelde regels. Het vliegplan bevat de gegevens en inlichtingen omtrent de voorgenomen vlucht.
1. Voor de aanvang van iedere vlucht waaraan luchtverkeersleiding wordt gegeven wordt door of namens de gezagvoerder een vliegplan ingediend overeenkomstig de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in [artikel 5.5, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), gestelde regels. Het vliegplan bevat de gegevens en inlichtingen omtrent de voorgenomen vlucht.
2. Alvorens een vlucht waaraan luchtverkeersleiding wordt gegeven aan te vangen, of een gedeelte daarvan uit te voeren moet een desbetreffende klaring zijn gevraagd en verkregen.
@@ -856,7 +856,7 @@
3. Op voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het uitoefenen van het burgerluchtverkeer boven gebieden aangewezen overeenkomstig [artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=1.2).
4. Van de regelingen krachtens het eerste en tweede lid wordt mededeling gedaan via de luchtvaartpublicaties bedoeld in [artikel 5.23, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.2&artikel=5.23&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en voor zover nodig via de luchtverkeersdienstverlening aan de betrokken gezagvoerder.
4. Van de regelingen krachtens het eerste en tweede lid wordt mededeling gedaan via de luchtvaartpublicaties bedoeld in [artikel 5.23, eerste lid, onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.2&artikel=5.23&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en voor zover nodig via de luchtverkeersdienstverlening aan de betrokken gezagvoerder.
5. Het is verboden aan het luchtverkeer deel te nemen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste, tweede en derde lid van dit artikel.
@@ -894,9 +894,9 @@
##### Artikel 5.14
1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08), kunnen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie:
- a. met de Eurocontrol-organisatie overeenkomen dat deze, binnen bepaalde delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam of aan bepaald luchtverkeer, luchtverkeersdienstverlening geeft op voorwaarde dat daarbij vastgelegd wordt dat het bepaalde bij of krachtens [de artikelen 5.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.15&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [5.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17a&z=2006-03-08&g=2006-03-08) wordt nageleefd.
1. In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19), kunnen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Defensie:
- a. met de Eurocontrol-organisatie overeenkomen dat deze, binnen bepaalde delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam of aan bepaald luchtverkeer, luchtverkeersdienstverlening geeft op voorwaarde dat daarbij vastgelegd wordt dat het bepaalde bij of krachtens [de artikelen 5.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.15&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [5.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17a&z=2006-07-19&g=2006-07-19) wordt nageleefd.
- b. delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen, na overleg met de bevoegde autoriteiten van een aangrenzende Staat, luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven door een instantie van die Staat;
@@ -910,17 +910,17 @@
##### Artikel 5.16
1. Het is verboden luchtverkeersdienstverlening te geven zonder een daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling en zonder daartoe verkregen opdracht van een in [artikel 5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of 5.14 aangewezen instantie. De artikelen 2.1, vierde en vijfde lid, en 2.2 tot en met 2.9 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat:
1. Het is verboden luchtverkeersdienstverlening te geven zonder een daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling en zonder daartoe verkregen opdracht van een in [artikel 5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of 5.14 aangewezen instantie. De artikelen 2.1, vierde en vijfde lid, en 2.2 tot en met 2.9 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat:
- a. het bewijs van bevoegdheid geldig is voor de duur van de medische verklaring;
- b. de zinsnede in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), «aan een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat erkende, gekwalificeerde of geregistreerde opleidingsinstelling» niet van toepassing is;
- b. de zinsnede in [artikel 2.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), «aan een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat erkende, gekwalificeerde of geregistreerde opleidingsinstelling» niet van toepassing is;
- c. in artikel 2.2, vierde lid, in plaats van «het document waarop het bewijs van bevoegdheid en de bevoegdverklaringen worden weergegeven» wordt gelezen: het model en de uitvoering van het bewijs van bevoegdheid, en
- d. artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel f, wordt vervangen door: de vernieuwing van een bewijs van bevoegdheid.
2. In afwijking van [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), stelt de LVB-organisatie de regels met betrekking tot de kennis, de bedrevenheid en de ervaring op, waaraan degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft, dient te voldoen om zijn bewijs van bevoegdheid te behouden. De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. In afwijking van [artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), stelt de LVB-organisatie de regels met betrekking tot de kennis, de bedrevenheid en de ervaring op, waaraan degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft, dient te voldoen om zijn bewijs van bevoegdheid te behouden. De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onderdelen van luchtverkeersdienstverlening aangewezen worden, waarvoor geen bewijs van bevoegdheid vereist is.
@@ -928,13 +928,13 @@
1. Het is verboden een grondstation of een mobiel station in de luchtvaartmobiele band, waarvoor een machtiging is vereist als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen, te bedienen, zonder een daartoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling. De artikelen 2.1, vierde en vijfde lid, en 2.2 tot en met 2.9 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is onverminderd [artikel 1.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), eveneens van toepassing op het continentaal plat, bedoeld in [artikel 1 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=1), voor zover dat buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam ligt.
2. Het eerste lid is onverminderd [artikel 1.2, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), eveneens van toepassing op het continentaal plat, bedoeld in [artikel 1 van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=1), voor zover dat buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam ligt.
##### Artikel 5.17a
1. Het is verboden luchtverkeersdienstverlening te geven dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in [artikel 5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-03-08&g=2006-03-08) te bedienen, terwijl degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft dan wel een grondstation of een mobiel station bedient, verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het geven van luchtverkeersdienstverlening of het bedienen van een grondstation kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht zulks naar behoren te verrichten.
2. [De artikelen 2.12, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Het is verboden luchtverkeersdienstverlening te geven dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in [artikel 5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-07-19&g=2006-07-19) te bedienen, terwijl degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft dan wel een grondstation of een mobiel station bedient, verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het geven van luchtverkeersdienstverlening of het bedienen van een grondstation kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht zulks naar behoren te verrichten.
2. [De artikelen 2.12, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 5.18
@@ -966,9 +966,9 @@
##### Artikel 5.21
1. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die een luchtvaartuig te zijner beschikking heeft en [dit onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer, en daarbij gebruik maakt van een luchtverkeersdienst verstrekt door een in [artikel 5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of 5.14 bedoelde instantie, is aan deze instantie een vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten van de luchtverkeersbeveiliging, anders dan bedoeld in [artikel 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
2. De eigenaar van het luchtvaartuig, bedoeld in het eerste lid, is hoofdelijk aansprakelijk voor de vergoeding tenzij hij op eerste vordering de natuurlijk persoon of rechtspersoon aanwijst die het luchtvaartuig te zijner beschikking heeft en [dit onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer.
1. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die een luchtvaartuig te zijner beschikking heeft en [dit onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer, en daarbij gebruik maakt van een luchtverkeersdienst verstrekt door een in [artikel 5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of 5.14 bedoelde instantie, is aan deze instantie een vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten van de luchtverkeersbeveiliging, anders dan bedoeld in [artikel 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. De eigenaar van het luchtvaartuig, bedoeld in het eerste lid, is hoofdelijk aansprakelijk voor de vergoeding tenzij hij op eerste vordering de natuurlijk persoon of rechtspersoon aanwijst die het luchtvaartuig te zijner beschikking heeft en [dit onder](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer.
3. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld door het bestuur, onder goedkeuring door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, onderscheidenlijk Onze Minister van Defensie.
@@ -976,7 +976,7 @@
5. Van de hoogte van de vergoedingen wordt mededeling gedaan in de luchtvaartpublicaties.
6. Het op grond van [het eerste lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-03-08&g=2006-03-08), ten behoeve van de LVNL, geïnde bedrag wordt afgedragen aan de LVNL.
6. Het op grond van [het eerste lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19), ten behoeve van de LVNL, geïnde bedrag wordt afgedragen aan de LVNL.
## Titel 5.3. De luchtverkeersbeveiligings-organisatie
@@ -992,7 +992,7 @@
1. De LVNL is, ter bevordering van een zo groot mogelijke veiligheid van het luchtverkeer in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, belast met de volgende taken:
- a. het geven van luchtverkeersdienstverlening overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- a. het geven van luchtverkeersdienstverlening overeenkomstig het bepaalde in [artikel 5.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- b. het definiëren, verwerven, installeren, beheren en instandhouden van technische installaties en systemen ten behoeve van luchtverkeersbeveiliging;
@@ -1000,7 +1000,7 @@
- d. het verzorgen of doen verzorgen van opleidingen ten behoeve van luchtverkeersbeveiliging;
- e. het doen van voorstellen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat betreffende het tarief van de heffingen bedoeld in [de artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [5.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- e. het doen van voorstellen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat betreffende het tarief van de heffingen bedoeld in [de artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [5.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- f. het adviseren van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat alsmede Onze Minister van Defensie betreffende aangelegenheden op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging;
@@ -1080,9 +1080,9 @@
3. Besluiten van het bestuur betreffende de volgende onderwerpen behoeven voorafgaande instemming van de raad van toezicht:
- a. de reglementen bedoeld in [de artikelen 5.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.4&artikel=5.34&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.5&artikel=5.36&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.6&artikel=5.37&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [5.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.7&artikel=5.39&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- b. het voorstel aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat terzake van de tarieven bedoeld in [de artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [5.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- a. de reglementen bedoeld in [de artikelen 5.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.4&artikel=5.34&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.5&artikel=5.36&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.6&artikel=5.37&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [5.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.7&artikel=5.39&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- b. het voorstel aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat terzake van de tarieven bedoeld in [de artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [5.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- c. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
@@ -1178,11 +1178,11 @@
De geldmiddelen van de LVNL bestaan uit:
- a. de opbrengst van de in [artikel 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en 5.21 bedoelde vergoedingen;
- b. uit compensatie, indien en voorzover verleend door het Rijk, voor tekorten ontstaan door de bij de in [artikel 5.20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) van deze wet bedoelde algemene maatregel van bestuur verleende vrijstelling van de heffingenplicht voor vluchten en voor de exploitatietekorten op de regionale velden die ontstaan indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tarieven goedkeurt op een lager dan kostendekkend niveau;
- c. de opbrengst van de vergoedingen voor verleende diensten waarvan de kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in [de artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [5.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- a. de opbrengst van de in [artikel 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en 5.21 bedoelde vergoedingen;
- b. uit compensatie, indien en voorzover verleend door het Rijk, voor tekorten ontstaan door de bij de in [artikel 5.20, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) van deze wet bedoelde algemene maatregel van bestuur verleende vrijstelling van de heffingenplicht voor vluchten en voor de exploitatietekorten op de regionale velden die ontstaan indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tarieven goedkeurt op een lager dan kostendekkend niveau;
- c. de opbrengst van de vergoedingen voor verleende diensten waarvan de kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in [de artikelen 5.20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.20&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [5.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=5.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- d. andere baten hoe ook genoemd.
@@ -1220,7 +1220,7 @@
- d. de verklaring van de door de raad van toezicht aangewezen externe registeraccountant; en
- e. een document, houdende de instemming bedoeld in [artikel 5.32, derde lid onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.3&artikel=5.32&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- e. een document, houdende de instemming bedoeld in [artikel 5.32, derde lid onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.3&artikel=5.32&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 5.42
@@ -1254,7 +1254,7 @@
##### Artikel 5.44
Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het bepaalde in [artikel 5.43, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.8&artikel=5.43&z=2006-03-08&g=2006-03-08), binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het bepaalde in [artikel 5.43, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.8&artikel=5.43&z=2006-07-19&g=2006-07-19), binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
##### Artikel 5.45
@@ -1276,7 +1276,7 @@
##### Artikel 9.2
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de [artikelen 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [9.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
@@ -1302,15 +1302,15 @@
##### Artikel 9.6
1. Onze Minister kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
2. Onze Minister van Defensie kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens [artikel 9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
1. Onze Minister kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. Onze Minister van Defensie kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens [artikel 9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
### HOOFDSTUK 10. MILITAIRE LUCHTVAART
##### Artikel 10.1
1. Behoudens titel 2.2 is [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&z=2006-03-08&g=2006-03-08) niet van toepassing op het bedienen van militaire luchtvaartuigen.
1. Behoudens titel 2.2 is [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&z=2006-07-19&g=2006-07-19) niet van toepassing op het bedienen van militaire luchtvaartuigen.
2. Militaire luchtvaartuigen worden bediend door cockpitpersoneel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
@@ -1324,13 +1324,13 @@
##### Artikel 10.2
1. [Artikel 5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is niet van toepassing op luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht. Dit personeel voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
2. [Artikel 10.1, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zijn van overeenkomstige toepassing.
1. [Artikel 5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is niet van toepassing op luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht. Dit personeel voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
2. [Artikel 10.1, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10.3
Onze Minister van Defensie kan voor militaire luchtvaartuigen toestaan, dat van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), wordt afgeweken.
Onze Minister van Defensie kan voor militaire luchtvaartuigen toestaan, dat van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk bedoeld in [artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), wordt afgeweken.
##### Artikel 10.4
@@ -1338,19 +1338,19 @@
##### Artikel 10.5
[Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is niet van toepassing op de vluchtuitvoering met militaire luchtvaartuigen alsmede op de vluchtuitvoering ten behoeve van militaire doeleinden.
[Hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is niet van toepassing op de vluchtuitvoering met militaire luchtvaartuigen alsmede op de vluchtuitvoering ten behoeve van militaire doeleinden.
### Hoofdstuk 11. Toezicht-, opsporings- en strafbepalingen
##### Artikel 11.1
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast:
- a. de in [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat dit toezicht zich niet uitstrekt tot het bepaalde bij of krachtens [titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en de[artikelen 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, met uitzondering van de [artikelen 8.25d tot en met 8.25h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn belast:
- a. de in [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=141) bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat dit toezicht zich niet uitstrekt tot het bepaalde bij of krachtens [titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en de[artikelen 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- b. voor zover het betreft de burgerluchtvaart de hiertoe door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij of krachtens deze wet;
- c. voor zover het betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in [titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en de[artikelen 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08), met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, de hiertoe door Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde artikelen gesteld bij of krachtens deze wet.
- c. voor zover het betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in [titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en de[artikelen 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [10.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19), met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, de hiertoe door Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde artikelen gesteld bij of krachtens deze wet.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met het oog op de coördinatie van het beleid ten aanzien van het toezicht algemene aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
@@ -1368,7 +1368,7 @@
##### Artikel 11.2a
1. Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de erkenning, bedoeld in [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08), behoort in ieder geval:
1. Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de erkenning, bedoeld in [artikel 3.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19), behoort in ieder geval:
- a. het periodiek onderzoeken van het erkende bedrijf;
@@ -1386,7 +1386,7 @@
2. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd het verrichten van werkzaamheden aan boord van luchtvaartuigen of het bedienen of opstijgen van luchtvaartuigen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te verbieden of te beletten en voor zover het een burgerluchtvaartuig betreft, het luchtvaartuig, waarmee de overtreding wordt begaan naar een door hen aangewezen plaats over te brengen of te doen overbrengen en aldaar in bewaring te stellen.
3. De betrokken ambtenaar maakt van de inbewaringstelling proces-verbaal op, dat hij binnen vierentwintig uur zendt aan de officier van justitie van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de inbewaringstelling geschiedt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd uitgereikt of toegezonden aan de gezagvoerder en aan de houder van het betrokken luchtvaartuig. [Artikel 11.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08), is ten aanzien van de gezagvoerder en de houder van overeenkomstige toepassing.
3. De betrokken ambtenaar maakt van de inbewaringstelling proces-verbaal op, dat hij binnen vierentwintig uur zendt aan de officier van justitie van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de inbewaringstelling geschiedt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd uitgereikt of toegezonden aan de gezagvoerder en aan de houder van het betrokken luchtvaartuig. [Artikel 11.7, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19), is ten aanzien van de gezagvoerder en de houder van overeenkomstige toepassing.
4. De kosten verbonden aan de uitvoering van het tweede lid komen ten laste van de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig en kunnen door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden ingevorderd bij dwangbevel, dat op kosten van de houder bij deurwaardersexploit wordt betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze bij het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827) ten aanzien van vonnissen en authentieke akten is voorgeschreven.
@@ -1398,9 +1398,9 @@
##### Artikel 11.5
1. Een opsporingsambtenaar kan het lid van het boordpersoneel van wie, uit het in [artikel 11.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van de opsporingsambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van een stof, als bedoeld in [artikel 2.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is zijn werkzaamheden behoorlijk te verrichten, een vliegverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren, tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het lid van het boordpersoneel, dat aanstalten maakt zijn werkzaamheden te gaan verrichten.
2. In geval van verdenking van overtreding van [artikel 2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), kan een opsporingsambtenaar aan het betreffende lid van het boordpersoneel een vliegverbod opleggen tot ten hoogste vierentwintig uren.
1. Een opsporingsambtenaar kan het lid van het boordpersoneel van wie, uit het in [artikel 11.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van de opsporingsambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van een stof, als bedoeld in [artikel 2.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), verkeert, dat hij onvoldoende in staat is zijn werkzaamheden behoorlijk te verrichten, een vliegverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren, tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het lid van het boordpersoneel, dat aanstalten maakt zijn werkzaamheden te gaan verrichten.
2. In geval van verdenking van overtreding van [artikel 2.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), kan een opsporingsambtenaar aan het betreffende lid van het boordpersoneel een vliegverbod opleggen tot ten hoogste vierentwintig uren.
3. De opsporingsambtenaar, die een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
@@ -1408,13 +1408,13 @@
##### Artikel 11.6
1. Bij verdenking dat een lid van het boordpersoneel werkzaamheden heeft verricht in strijd met [artikel 2.12, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.12, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
1. Bij verdenking dat een lid van het boordpersoneel werkzaamheden heeft verricht in strijd met [artikel 2.12, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.12, derde lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. Het lid van het boordpersoneel aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.12, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08). Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 2.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in [artikel 2.12, derde lid, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19). Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in [artikel 2.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5. Indien het lid van het boordpersoneel zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
@@ -1422,7 +1422,7 @@
7. De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8. De krachtens het zevende lid vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloedonderzoek het gebruik van de in [artikel 2.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bedoelde stoffen of het in 2.12, derde lid, onder **b** genoemde gehalte vast te stellen.
8. De krachtens het zevende lid vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloedonderzoek het gebruik van de in [artikel 2.12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19) bedoelde stoffen of het in 2.12, derde lid, onder **b** genoemde gehalte vast te stellen.
9. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen opsporingsambtenaren, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte, aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
@@ -1432,15 +1432,15 @@
1. Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het boordpersoneel, tegen wie door een van die personen ter zake van overtreding van:
- a. [artikel 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08), indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde lid, onderdeel a respectievelijk onderdeel b, van dat artikel blijkt of bij gebreke van een dergelijk onderzoek een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan tweehonderdzeventig microgram (270 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht respectievelijk drievijfde milligram (0,6 mg) alcohol per milliliter bloed, of
- b. [artikel 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), proces-verbaal wordt opgemaakt,
- a. [artikel 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19), indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde lid, onderdeel a respectievelijk onderdeel b, van dat artikel blijkt of bij gebreke van een dergelijk onderzoek een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan tweehonderdzeventig microgram (270 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht respectievelijk drievijfde milligram (0,6 mg) alcohol per milliliter bloed, of
- b. [artikel 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), proces-verbaal wordt opgemaakt,
verplicht tot afgifte van het hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling.
2. Het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling wordt, tegelijk met het proces-verbaal, onverwijld opgezonden aan de betrokken officier van justitie. Deze is bevoegd het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling onder zich te houden, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In het laatste geval levert de ambtenaar, na het bovenbedoelde tijdstip, het bewijs van bevoegdheid of van gelijkstelling in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het ingevorderde bewijs onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid als bedoeld in [artikel 11.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het bewijs is ingevorderd of ingevorderd geweest, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen.
3. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het ingevorderde bewijs onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid als bedoeld in [artikel 11.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het bewijs is ingevorderd of ingevorderd geweest, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen.
4. De opsporingsambtenaar, die gebruik maakt van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, en de officier van justitie, die gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, doen daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Indien de officier van justitie het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling aan de houder teruggeeft, doet hij daarvan op gelijke wijze mededeling.
@@ -1450,19 +1450,19 @@
##### Artikel 11.8
1. Indien het proces-verbaal, bedoeld in [artikel 11.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08), betreft een lid van het boordpersoneel als bedoeld in [artikel 10.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), stelt de opsporingsambtenaar onverwijld, voor de afloop van de in [artikel 11.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), bedoelde periode, de officier van justitie bij het gerecht, bedoeld in [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=II), titel [I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=I), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=III) of [IV van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=IV) daarvan in kennis.
1. Indien het proces-verbaal, bedoeld in [artikel 11.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19), betreft een lid van het boordpersoneel als bedoeld in [artikel 10.1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), stelt de opsporingsambtenaar onverwijld, voor de afloop van de in [artikel 11.5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), bedoelde periode, de officier van justitie bij het gerecht, bedoeld in [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=II), titel [I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=I), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=III) of [IV van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=IV) daarvan in kennis.
2. De officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd het betrokken lid van het boordpersoneel een vliegverbod op te leggen, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
3. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, heft hij het vliegverbod op. Opheffing vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid, bedoeld in [artikel 11.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08), zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur wordt opgelegd dan de tijd gedurende welke het vliegverbod geldt, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van oplegging van het vliegverbod is aangevangen. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
3. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, heft hij het vliegverbod op. Opheffing vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid, bedoeld in [artikel 11.11, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur wordt opgelegd dan de tijd gedurende welke het vliegverbod geldt, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van oplegging van het vliegverbod is aangevangen. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
4. In geval van toepassing van het tweede lid kan iedere belanghebbende bij klaagschrift daartegen in beroep komen. Artikel 11.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, bedoeld in [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=II), titel [I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=I), [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=III) of [IV van de Wet militaire strafrechtspraak](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004789&hoofdstuk=IV) en de beschikking van de rechtbank eveneens onverwijld aan Onze Minister van Defensie wordt betekend.
5. Ten aanzien van het vliegverbod, bedoeld in het tweede lid, is [artikel 11.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), van overeenkomstige toepassing.
5. Ten aanzien van het vliegverbod, bedoeld in het tweede lid, is [artikel 11.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 11.8a
[De artikelen 11.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.5, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft als bedoeld in [artikel 5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-03-08&g=2006-03-08) of 10.2 dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in [artikel 5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bedient, met dien verstande, dat voor de toepassing van [artikel 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) in plaats van het opleggen van een vliegverbod treedt het verbieden van het geven van luchtverkeersdienstverlening of het gebruiken van een grondstation als bedoeld in [artikel 5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
[De artikelen 11.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.5, eerste, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft als bedoeld in [artikel 5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of 10.2 dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in [artikel 5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-07-19&g=2006-07-19) bedient, met dien verstande, dat voor de toepassing van [artikel 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) in plaats van het opleggen van een vliegverbod treedt het verbieden van het geven van luchtverkeersdienstverlening of het gebruiken van een grondstation als bedoeld in [artikel 5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 11.9
@@ -1470,29 +1470,29 @@
- a. handelt in strijd met de artikelen
- 1°. [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 2°. [2.1, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [2.3, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [2.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [2.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 3°. [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.16&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19a&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.19b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19b&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.19c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19c&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.19e, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19e&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.19f, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19f&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.22, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.22&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.3&artikel=3.30&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 4°. [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 5°. [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.6 tot en met 5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 6°. [6.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.59&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 10°. [10.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 11°. [11.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.2a&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en [11.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8a&z=2006-03-08&g=2006-03-08) voor zover het betreft de[artikelen 11.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en [11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 1°. [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 2°. [2.1, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [2.3, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [2.5, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [2.6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [2.10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [2.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 3°. [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.16, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.16&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.19a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19a&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.19b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19b&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.19c, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19c&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.19e, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19e&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.19f, vijfde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.19f&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.22, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.22&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.25, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.2&artikel=3.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.3&artikel=3.30&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 4°. [4.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=4&artikel=4.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 5°. [5.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.6 tot en met 5.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.10, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.16&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 6°. [6.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.59&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 10°. [10.1, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [10.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 11°. [11.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.2a&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [11.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8a&z=2006-07-19&g=2006-07-19) voor zover het betreft de[artikelen 11.4, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- b. handelt in strijd met het bepaalde krachtens de artikelen
- 1°. [2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [2.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 3°. [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08),[3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.23&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.3&artikel=3.31&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- 5°. [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [5.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [5.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- 1°. [2.1, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [2.3, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 3°. [3.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.1&artikel=3.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19),[3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.23&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.3&artikel=3.31&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- 5°. [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [5.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.1&artikel=5.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [5.12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
@@ -1502,21 +1502,21 @@
1. Met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie wordt gestraft degene, die handelt in strijd met de artikelen
- a. [1.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.2a&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- b. [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- c. [3.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [3.13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- d. [5.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17a&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- k. [11.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08) voor zover het betreft de [artikelen 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [11.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.12&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [11.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.14&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
- a. [1.2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.2a&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- b. [2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.2&artikel=2.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- c. [3.8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [3.13, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=3&titeldeel=3.2¶graaf=3.2.1&artikel=3.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- d. [5.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=5.17a&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- k. [11.5, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.8a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19) voor zover het betreft de [artikelen 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [11.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.12&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [11.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.14&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 11.11
1. Bij veroordeling wegens overtreding van een der in [artikel 11.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), strafbaar gestelde feiten kan de bevoegdheid
1. Bij veroordeling wegens overtreding van een der in [artikel 11.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), strafbaar gestelde feiten kan de bevoegdheid
- a. aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel,
@@ -1526,25 +1526,25 @@
voor ten hoogste drie jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling wegens overtreding van een der in [artikel 11.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), strafbaar gestelde feiten kan een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
3. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in [artikel 11.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, nog geen drie jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een der in [artikel 11.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bedoelde strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
4. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in [artikel 11.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.10&z=2006-03-08&g=2006-03-08), nog geen zes jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste twaalf jaren worden ontzegd.
2. Bij veroordeling wegens overtreding van een der in [artikel 11.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19), strafbaar gestelde feiten kan een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
3. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in [artikel 11.9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, nog geen drie jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een der in [artikel 11.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19) bedoelde strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
4. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in [artikel 11.10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.10&z=2006-07-19&g=2006-07-19), nog geen zes jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste twaalf jaren worden ontzegd.
##### Artikel 11.12
1. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of een daarop aangetekende bevoegdverklaring krachtens [artikel 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is geschorst, verboden gedurende de tijd van schorsing werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
2. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling krachtens [artikel 11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is ingevorderd, verboden gedurende de tijd, dat het bewijs is ingevorderd, werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
3. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in [artikel 11.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is ontzegd, verboden gedurende de tijd, dat hem die bevoegdheid is ontzegd, die werkzaamheden te verrichten.
1. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of een daarop aangetekende bevoegdverklaring krachtens [artikel 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is geschorst, verboden gedurende de tijd van schorsing werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
2. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling krachtens [artikel 11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is ingevorderd, verboden gedurende de tijd, dat het bewijs is ingevorderd, werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
3. Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in [artikel 11.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is ontzegd, verboden gedurende de tijd, dat hem die bevoegdheid is ontzegd, die werkzaamheden te verrichten.
##### Artikel 11.13
1. Bij de toepassing van [artikel 11.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gaat de bijkomende straf in en verliest elk aan de veroordeelde ingevolge [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-03-08&g=2006-03-08) afgegeven bewijs van bevoegdheid of ingevolge [artikel 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) afgegeven bewijs van gelijkstelling zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak voor wat genoemde bijkomende straf betreft, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De uitspraak is, voor wat de bijkomende straf betreft, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn, waarvoor hem bij een of meer andere rechterlijke uitspraken die bevoegdheid is ontzegd, nog niet verstreken zijn.
2. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald, dat de tijd, gedurende welke het bewijs van bevoegdheid van de veroordeelde ingevolge [artikel 11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) voor het tijdstip, waarop de uitspraak voor wat betreft de in [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.13&z=2006-03-08&g=2006-03-08) genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, dan wel ingevolge [artikel 11.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-03-08&g=2006-03-08), een vliegverbod is opgelegd, op de duur van de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht.
1. Bij de toepassing van [artikel 11.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.11&z=2006-07-19&g=2006-07-19) gaat de bijkomende straf in en verliest elk aan de veroordeelde ingevolge [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.2&z=2006-07-19&g=2006-07-19) afgegeven bewijs van bevoegdheid of ingevolge [artikel 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=2&titeldeel=2.1&artikel=2.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) afgegeven bewijs van gelijkstelling zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak voor wat genoemde bijkomende straf betreft, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De uitspraak is, voor wat de bijkomende straf betreft, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn, waarvoor hem bij een of meer andere rechterlijke uitspraken die bevoegdheid is ontzegd, nog niet verstreken zijn.
2. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald, dat de tijd, gedurende welke het bewijs van bevoegdheid van de veroordeelde ingevolge [artikel 11.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) voor het tijdstip, waarop de uitspraak voor wat betreft de in [dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.13&z=2006-07-19&g=2006-07-19) genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, dan wel ingevolge [artikel 11.8, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.8&z=2006-07-19&g=2006-07-19), een vliegverbod is opgelegd, op de duur van de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht.
3. Voor wat betreft de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf is [artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=557) op rechterlijke uitspraken niet van toepassing.
@@ -1582,15 +1582,15 @@
2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de LVNL tegen een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
3. De in [het eerste lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=12&artikel=12.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bedoelde overgang van vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op geldleningen van de Staat aan de LVNL. De voorwaarden van de geldlening worden door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën vastgesteld, waarbij een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met onze Minister van Financiën te bepalen deel van het te lenen bedrag achtergesteld zal zijn bij alle andere verplichtingen van de LVNL.
4. Ten aanzien van de in [het eerste lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=12&artikel=12.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
3. De in [het eerste lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=12&artikel=12.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) bedoelde overgang van vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op geldleningen van de Staat aan de LVNL. De voorwaarden van de geldlening worden door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën vastgesteld, waarbij een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met onze Minister van Financiën te bepalen deel van het te lenen bedrag achtergesteld zal zijn bij alle andere verplichtingen van de LVNL.
4. Ten aanzien van de in [het eerste lid van dit artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=12&artikel=12.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
5. Ter zake van de verkrijging door de LVNL van de vermogensbestanddelen bedoeld in het eerste lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
##### Artikel 12.6
In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.3&artikel=5.31&z=2006-03-08&g=2006-03-08) benoemt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de leden van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 5.31, tweede lid onder a, b, c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.3&artikel=5.31&z=2006-03-08&g=2006-03-08) de eerste maal als volgt:
In afwijking van het bepaalde in [artikel 5.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.3&artikel=5.31&z=2006-07-19&g=2006-07-19) benoemt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de leden van de raad van toezicht, bedoeld in [artikel 5.31, tweede lid onder a, b, c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=5&titeldeel=5.3¶graaf=5.3.3&artikel=5.31&z=2006-07-19&g=2006-07-19) de eerste maal als volgt:
- a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie;
@@ -1626,15 +1626,21 @@
- b. **luchthavenluchtverkeer**: het in onderdeel a, onderdeel 1°, bedoelde luchtverkeer;
- c. **luchthavenindelingbesluit**: het besluit, bedoeld in artikel 8.4;
- d. **luchthavenverkeerbesluit**: het besluit, bedoeld in artikel 8.15;
- c. **luchthavenindelingbesluit**: het besluit, bedoeld in [artikel 8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.2¶graaf=8.2.1&artikel=8.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- d. **luchthavenverkeerbesluit**: het besluit, bedoeld in [artikel 8.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.3¶graaf=8.3.1&artikel=8.15&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- e. **luchtverkeerweg**: een ten behoeve van geleiding van het luchthavenluchtverkeer afgebakend deel van het luchtruim;
- f. **exploitant van de luchthaven**: de N.V. Luchthaven Schiphol;
- g. **inspecteur-generaal**: de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
- f. **luchthavenexploitatievergunning**: de vergunning, bedoeld in [artikel 8.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- g. **exploitant van de luchthaven**: de N.V. Luchthaven Schiphol, of, indien dit een ander is, de houder van de luchthavenexploitatievergunning;
- h. **inspecteur-generaal**: de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
- i. **gebruiker**: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;
- j. **raad**: de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, bedoeld in [artikel 2 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=2).
##### Artikel 8.2
@@ -1714,7 +1720,7 @@
##### Artikel 8.11
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge [hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8) worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 8.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.2¶graaf=8.2.1&artikel=8.9&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge [hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=8) worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in [artikel 8.9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.2¶graaf=8.2.1&artikel=8.9&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.
##### Artikel 8.12
@@ -1838,201 +1844,1027 @@
##### Artikel 8.25
1. Het is verboden de luchthaven te exploiteren zonder vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
2. Een luchthavenexploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
## Titel 8.5. Informatievoorziening
#### § 8.5.1. Algemeen
##### Artikel 8.26
Een ministeriële regeling op grond van deze titel wordt vastgesteld door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
#### § 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
##### Artikel 8.27
1. De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn.
2. Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
#### § 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
##### Artikel 8.28
1. De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal:
- a. de op grond van artikel 8.27 geregistreerde gegevens;
- b. gegevens over de in artikel 8.27 bedoelde metingen en berekeningen.
2. De exploitant, de verlener van luchtverkeersdienstverlening en de luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens over de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen.
3. De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in artikel 8.19. De verlener van luchtverkeersdienstverlening verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in de artikelen 8.20 en 8.21.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de gegevensverstrekking.
##### Artikel 8.29
1. De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verslag uit over de veiligheids- en milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van:
- a. de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen;
- b. de ter uitvoering van artikel 8.22 getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de verslaglegging.
##### Artikel 8.30
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van gegevens als bedoeld in artikel 8.28.
2. De openbaarmaking geschiedt door kennisgeving van de gegevens of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien alleen van de zakelijke inhoud kennis wordt gegeven, worden de gegevens tegelijk ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer de gegevens ter inzage liggen.
## Titel 8.6. Financiële aspecten
##### Artikel 8.31
1. Indien een belanghebbende ten gevolge van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Een aanvraag om schadevergoeding wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit of het desbetreffende besluit op grond van een van genoemde besluiten onherroepelijk is geworden. Van de aanvrager heft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een recht ten bedrage van € 300. De aanvrager wordt gewezen op de verschuldigdheid van het recht en wordt medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangegeven rekening moet zijn bijgeschreven. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven, wordt de aanvrager niet ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, stort Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het betaalde recht terug.
3. [Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=49) blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.32
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden.
##### Artikel 8.33
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan regels stellen ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte bestemmingsplannen.
## Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
##### Artikel 8.34
1. Er is een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol.
2. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en vertegenwoordigers van:
- a. de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht;
- b. gemeenten in de in onderdeel a genoemde provincies;
- c. de exploitant van de luchthaven;
- d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening;
- e. luchtvaartmaatschappijen die geregeld van de luchthaven gebruik maken.
##### Artikel 8.35
De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.34 bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.
##### Artikel 8.36
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt nadere regels omtrent de taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke in artikel 8.34, tweede lid, bedoelde gemeenten en luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn.
##### Artikel 8.37
1. De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat benoemd, geschorst en ontslagen.
2. Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt.
3. De benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.
##### Artikel 8.38
De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
##### Artikel 8.39
De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement geregeld.
##### Artikel 8.40
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### HOOFDSTUK 10. MILITAIRE LUCHTVAART
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
##### Artikel 11.15
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van verplichtingen als bedoeld in de [artikelen 8.25d tot en met 8.25h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 11.16
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:
- a. artikel 8.12, 8.19, 8.20 of 8.21 of van een beperking of voorschrift als bedoeld in artikel 8.23;
- b. een maatregel als bedoeld in artikel 8.22.
2. Een boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen worden opgelegd.
3. De boete bedraagt ten hoogste:
- a. 100 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
- b. 1 000 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
4. Een boete wordt niet opgelegd indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.
5. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete wordt in ieder geval rekening gehouden met de ernst en de duur van de overtreding en zo nodig met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
6. De bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt vijf jaren na het plegen van de overtreding. Indien tegen de boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.
##### Artikel 11.17
1. De boete wordt opgelegd aan degene aan wie de overtreding kan worden toegerekend. Geen boete wordt opgelegd indien aan de betrokkene wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.
2. De overtreding wordt toegerekend aan de rechtspersoon waarbij de pleger van de overtreding in dienst is, indien de overtreding plaatsvindt tijdens de uitoefening van zijn dienst.
3. In andere gevallen wordt de overtreding toegerekend aan degene die de overtreding pleegt.
##### Artikel 11.18
1. Van de overtreding wordt een rapport opgemaakt. Het rapport vermeldt in ieder geval de overtreding, het overtreden voorschrift en zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.
2. De overtreder wordt in de gelegenheid gesteld over het voornemen tot het opleggen van een boete zijn zienswijze naar voren te brengen. Bij de uitnodiging daartoe wordt de overtreder het rapport toegezonden of uitgereikt.
3. Degene die aan een handeling vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd, is niet langer verplicht ten behoeve van deze oplegging inlichtingen omtrent de overtreding te verstrekken. Hij wordt hierop gewezen alvorens hem mondeling wordt gevraagd inlichtingen te verstrekken en in ieder geval wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot oplegging van de boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
4. Aan degene die van de overtreding een rapport heeft opgemaakt, wordt geen mandaat verleend tot het opleggen van de boete.
##### Artikel 11.19
1. De boete wordt opgelegd bij beschikking. De beschikking vermeldt in ieder geval de overtreding, het overtreden voorschrift en het bedrag van de boete.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen twaalf weken vanaf de dag waarop de boetebeschikking is bekendgemaakt.
3. De boete en de rente zijn verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de beschikking onherroepelijk is geworden.
4. De boete en de rente worden betaald binnen zes weken nadat zij verschuldigd zijn geworden.
5. Indien niet is betaald binnen de in het vierde lid genoemde termijn, wordt degene die de boete is verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, de rente en de kosten van de aanmaning, te betalen.
##### Artikel 11.20
1. Bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 11.19, vijfde lid, kan van de overtreder de boete, de rente en de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel worden ingevorderd.
2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](onbekend).
3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat.
4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.50
Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de[artikelen 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [6.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.56&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.57&z=2006-07-19&g=2006-07-19), niet van toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=1).
##### Artikel 6.51
1. Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
3. Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het laten staan op een luchtvaartterrein van een luchtvaartuig waarin zich dergelijke stoffen bevinden.
##### Artikel 6.52
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 6.53
1. De regels, bedoeld in [artikel 6.51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19), kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;
- b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt dienen te worden;
- c. de stuwage en de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
- d. het onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;
- e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van verpakkingskenmerken;
- f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel e;
- g. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen worden geladen of gelost;
- h. de keuring van de inrichtingen, voertuigen of werktuigen, bedoeld in onderdeel g;
- i. de melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling, als bedoeld in [artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- j. het opstellen van een risico-inventarisatie met betrekking tot het vervoeren, laden of lossen van door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe aangewezen stoffen;
- k. het aanwijzen van luchtroutes waarlangs door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
2. De betrokkene is een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vast te stellen vergoeding verschuldigd voor de kosten van een keuring, als bedoeld in onderdeel h van het eerste lid, gebaseerd op de werkelijke kosten.
##### Artikel 6.54
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid ten aanzien van luchtvaartuigen die door hem aangewezen gevaarlijke stoffen vervoeren, bepalen dat die luchtvaartuigen uitsluitend van door hem aangewezen luchtvaartterreinen mogen starten of op die luchtvaartterreinen mogen landen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid bepalen, dat de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen op de in het eerste lid bedoelde luchtvaartterreinen slechts mogen worden geladen, gelost of neergelegd op door hem op die luchtvaartterreinen aangewezen plaatsen.
3. Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire helikopters de in het eerste en tweede lid bedoelde beperkingen ook doen gelden voor door hem aangewezen terreinen, niet zijnde luchtvaartterreinen.
4. Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste of tweede lid.
##### Artikel 6.55
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te vervoeren, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning.
2. Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, dan wel voor onbepaalde tijd indien door de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon voldaan wordt aan de bij of krachtens die maatregel met betrekking tot de erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon:
- a. niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
- b. handelt in strijd met het bij of krachtens deze titel bepaalde.
Hij heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken, wanneer:
- a. de houder daarom verzoekt;
- b. de houder niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
- c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;
- d. de houder handelt in strijd met de[artikelen 6.51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19), of [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.52&z=2006-07-19&g=2006-07-19);
- e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst;
- f. de houder in staat van faillissement verkeert.
6. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen, alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten.
##### Artikel 6.56
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkent een opleiding voor een theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld in [artikel 6.55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-07-19&g=2006-07-19), indien die opleiding voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de erkenning van een opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen voldoet.
3. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gegeven.
##### Artikel 6.57
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in [artikel 6.55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-07-19&g=2006-07-19), verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-07-19&g=2006-07-19) gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
##### Artikel 6.58
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de beperkingen bedoeld in het eerste lid.
3. De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare veiligheid.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen:
- a. op verzoek van de houder;
- b. op grond van de openbare veiligheid.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer
- a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;
- b. de openbare veiligheid dit vereist;
- c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
6. De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een door deze vast te stellen vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd op de werkelijke kosten.
##### Artikel 6.59
Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.
##### Artikel 6.60
1. Degene, die een handeling als bedoeld in [artikel 6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19), verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 6.61
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in [artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19) , alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen als bedoeld in [artikel 6.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.60&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid te stellen termijn.
##### Artikel 6.61a
1. Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat luchtvaartuig bevinden.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te worden.
## Titel 6.6. Vervoer van dieren
##### Artikel 6.62
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen met het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij regels worden gegeven met betrekking tot dat vervoer.
2. Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels.
### Hoofdstuk 8. De luchthaven Schiphol
## Titel 8.1. Algemeen
## Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
#### § 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
#### § 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.3. Het luchthavenluchtverkeer
#### § 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.4. De exploitatie van de luchthaven
## Titel 8.3. Het luchthavenluchtverkeer
#### § 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
#### § 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting
#### § 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
## Titel 8.6. Financiële aspecten
## Titel 8.4. De exploitatie van de luchthaven
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
##### Artikel 10.6
1. [Titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is niet van toepassing op internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
2. [Titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is, met uitzondering van [artikel 6.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.54&z=2006-07-19&g=2006-07-19), niet van toepassing op nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
3. [Artikel 6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19), geldt niet voor het nationale vervoer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen, niet zijnde ontplofbare stoffen of voorwerpen, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, of behorend tot de uitrusting van personen die met een dergelijk luchtvaartuig worden vervoerd, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
4. [Artikel 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is niet van toepassing op het door personeel van de krijgsmacht verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen ten aanzien van het nationaal vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare stoffen of voorwerpen,met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
5. De[artikelen 6.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.60&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [6.61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.61&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [6.61a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.61a&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn van overeenkomstige toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen en het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is met dien verstande dat:
- a. in [artikel 6.60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.60&z=2006-07-19&g=2006-07-19), in plaats van «als bedoeld in [artikel 6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19),» wordt gelezen «als bedoeld in [artikel 10.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19)»;
- b. in [artikel 6.61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.61&z=2006-07-19&g=2006-07-19), in plaats van «[artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19)» wordt gelezen [artikel 10.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 10.7
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie, worden regels gegeven inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen, alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen. De [artikelen 6.51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.52&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie , worden regels gegeven inzake het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen of voorwerpen. De [artikelen 6.51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.52&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. het aanwijzen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, die niet door de lucht mogen worden vervoerd;
- b. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid worden vervoerd;
- c. de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
- d. de eisen waaraan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, moeten voldoen;
- e. de eisen waaraan de verpakking moet voldoen;
- f. de etiketten of aanduidingen op de verpakking;
- g. de eisen, waaraan bij het laden en lossen voldaan moet worden;
- h. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, worden geladen of gelost;
- i. de melding voorafgaande aan een handeling inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid;
- j. de begeleiding van het vervoer en de eisen die aan de begeleider worden gesteld;
- k. het uitzonderen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van het luchtvaartuig, of behorend tot de uitrusting van personen die met het luchtvaartuig worden vervoerd.
##### Artikel 10.8
1. Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de krachtens [artikel 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-07-19&g=2006-07-19) gegeven regels, wanneer de taakuitvoering met militaire luchtvaartuigen meebrengt, dat die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar komt. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2. Het[tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.58&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10.9
[Titel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19) is niet van toepassing op vervoer van dieren met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### § 8.5.4. Gegevensverstrekking, geluidbelastingkaart en actieplan in verband met de richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
## Titel 8.6. Financiële aspecten
## Titel 8.4. De exploitatie van de luchthaven
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 8.30a
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 30 juni 2007 en vervolgens vóór 30 juni van elk vijfde kalenderjaar een geluidbelastingkaart vast die betrekking heeft op een geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
2. Onder geluidbelasting Lden wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van [richtlijn nr. 2002/49/EG](32002L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 07.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar. Onder geluidbelasting Lnight wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 2, van [richtlijn nr. 2002/49/EG](32002L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar.
3. De geluidbelastingkaart geeft ten minste een weergave van:
- a. de geluidbelasting Lden en de geluidbelasting Lnight veroorzaakt door de luchthaven in de periode van een jaar van 1 november van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart tot en met 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart, en
- b. het aantal woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en bewoners van woningen die aan bepaalde waarden van geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight worden blootgesteld.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent deinhoud, vormgeving en inrichting van de geluidbelastingkaart. Ten behoeve van de bepaling van de geluidsbelasting Lden en de geluidsbelasting Lnight vanwege de luchthaven kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
##### Artikel 8.30b
1. De exploitant van de luchthaven verschaft ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8.30a, eerste lid, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op zijn verzoek alle noodzakelijke inlichtingen en gegevens.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de te verschaffen inlichtingen en gegevens, waaronder de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze moeten worden verschaft.
##### Artikel 8.30c
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft binnen één maand na vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8.30a, eerste lid, mededeling van deze vaststelling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen dan wel op andere geschikte wijze. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van de geluidbelastingkaart.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:
- a. stelt de geluidsbelastingkaart zo mogelijk elektronisch ter beschikking van eenieder;
- b. voegt bij de geluidsbelastingkaart een overzicht van de belangrijkste punten van die kaart.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt de geluidbelastingkaart binnen één maand na vaststelling aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
##### Artikel 8.30d
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 18 mei 2008 aan de hand van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8.30a, een actieplan vast met betrekking tot de luchthaven. Indien er sprake is van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de vaststelling wordt het actieplan opnieuw overwogen, en zo nodig aangepast.
2. Het actieplan bevat ten minste een beschrijving van:
- a. het te voeren beleid om geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight te beperken, en
- b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen om overschrijding van in het luchthavenverkeerbesluit vastgestelde waarden van geluidbelasting Lden of geluidbelasting Lnight te voorkomen of ongedaan te maken en de te verwachten effecten van die maatregelen.
3. Een actieplan wordt voorbereid met overeenkomstige toepassing van de in [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend) geregelde procedure, met dien verstande dat in afwijking van [artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend), eenieder zienswijzen naar voren kan brengen.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud, vormgeving en inrichting van het actieplan.
5. Artikel 8.30c is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van actieplannen.
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 8.6. Financiële aspecten
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9.7
1. In afwijking van [artikel 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) richt Onze Minister van Defensie, voordat hij de hem krachtens [artikel 9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) toekomende bevoegdheid uitoefent, een verzoek aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat om aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te voldoen. Onze Minister van Defensie oefent de bevoegdheid krachtens [artikel 9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-07-19&g=2006-07-19) niet uit dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te kennen heeft gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek.
2. In dringende omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken van het eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het oordeel van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat toelaten, wordt aan de door Onze Minister van Defensie gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Indien de in [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19) toegekende bevoegdheid door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt uitgeoefend op verzoek van Onze Minister van Defensie als bedoeld in het eerste lid, vindt toekenning van een vergoeding krachtens [artikel 9.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.6&z=2006-07-19&g=2006-07-19), plaats in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van Onze Minister van Defensie.
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3.19a
1. Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat:
- a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of
- b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is.
2. Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist, hetzij
- –. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor dat luchtvaartuig afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring, hetzij
- –. een geluidscertificaat als bedoeld in artikel 3.20.
##### Artikel 3.19b
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geluidseisen gelden en dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is ingeschreven, met betrekking tot dat luchtvaartuig een geluidscertificaat af, indien:
- a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een type-certificaat als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, of artikel 3.20 is afgegeven;
- b. ten aanzien van dat luchtvaartuig geen geluidscertificaat is afgegeven; en
- c. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde geluidseisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door onze Minister van Verkeer en Waterstaat een geluidscertificaat kan worden afgegeven.
3. Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven.
4. Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de in voorgaande leden bedoelde geluidseisen.
##### Artikel 3.19c
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig, in aanvulling op het in artikel 3.19b bedoelde geluidscertificaat een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.
3. De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.
4. Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
##### Artikel 3.19d
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:
- a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en
- b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer:
- a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of
- b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring.
##### Artikel 3.19e
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.
2. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.
3. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
##### Artikel 3.19f
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
- a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan;
- b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden;
- c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
- d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken;
- e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of
- g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
- a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
- b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;
- c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of
- d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:
- a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;
- b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of
- c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen dan wel uit het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is uitgeschreven.
5. De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
6. Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.
7. Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
8. Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.
#### § 3.2.3. Diverse bepalingen
### Hoofdstuk 4. Vluchtuitvoering
##### Artikel 4.1
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.2
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.3
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.4
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.5
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.6
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.7
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.8
De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoemde documenten mee te voeren.
### Hoofdstuk 5. Luchtverkeer, luchtverkeersbeveiliging en luchtverkeersbeveiligingsorganisatie
## Titel 5.1. Luchtverkeer
## Titel 5.2. Bepalingen met betrekking tot de luchtverkeersdienstverlening
#### § 5.2.1. Luchtverkeersdienstverlening
#### § 5.2.2. Vergoedingen
## Titel 5.3. De luchtverkeersbeveiligings-organisatie
#### § 5.3.2. Taken van de LVNL
#### § 5.3.4. Inrichting en bedrijfsvoering
#### § 5.3.5. Geïnstitutionaliseerd overleg met gebruikers
#### § 5.3.6. Personeel van de organisatie
#### § 5.3.7. Geldmiddelen en financieel beheer
#### § 5.3.8. Inlichtingen, verslaglegging en controle
### Hoofdstuk 6. Luchtvervoer
## Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen
## Titel 6.6. Vervoer van dieren
### Hoofdstuk 8. De luchthaven Schiphol
## Titel 8.1. Algemeen
## Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
#### § 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
#### § 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
#### § 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.5. Informatievoorziening
#### § 8.5.1. Algemeen
#### § 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting
#### § 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
#### § 8.5.4. Gegevensverstrekking, geluidbelastingkaart en actieplan in verband met de richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
## Titel 8.5. Informatievoorziening
## Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 8.2a
1. De overheid bezit ten minste een meerderheid van het economisch en juridisch belang in de exploitant van de luchthaven.
2. Onze Minister van Financiën wijst bij regeling een of meerdere overheidsorganisaties aan ter voldoening van de in het eerste lid genoemde eis.
3. De krachtens het tweede lid vast te stellen regeling heeft in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid genoemde eis en de wijze waarop de overheid in gezamenlijkheid blijvend invulling geeft aan de continuïteit van de Mainport.
4. Het voorstel voor de krachtens het tweede lid vast te stellen regeling wordt gedaan door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
## Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
#### § 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.3. Het luchthavenluchtverkeer
#### § 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
#### § 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
##### Artikel 8.24a
1. De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de [Luchtvaartwet](onbekend) gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de luchthaven toe te laten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten, oefenvluchten en proefvluchten.
3. De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten.
## Titel 8.5. Informatievoorziening
##### Artikel 8.25a
De exploitant van de luchthaven is verplicht tot exploitatie van de luchthaven en treft met inachtneming van [artikel 8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.1&artikel=8.3&z=2006-07-19&g=2006-07-19) daartoe de voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het luchthavenluchtverkeer en het daarmee samenhangende personen- en goederenvervoer op de luchthaven.
##### Artikel 8.25b
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een vergunning intrekken indien:
- a. de exploitant van de luchthaven zich schuldig maakt aan wanbeheer waardoor de continuïteit van de luchthaven in gevaar wordt gebracht;
- b. het nationale ruimtelijke beleid niet langer voorziet in een luchthaven op de desbetreffende locatie.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag van de exploitant van de luchthaven de vergunning intrekken indien het algemeen belang zich niet tegen die intrekking verzet.
##### Artikel 8.25c
Indien een ernstig vermoeden bestaat dat een omstandigheid als bedoeld in [artikel 8.25b, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25b&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zich dreigt voor te doen, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de exploitant van de luchthaven een aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn maatregelen te treffen ter voorkoming van wanbeheer.
##### Artikel 8.25d
1. De exploitant van de luchthaven stelt ten minste eenmaal per jaar de tarieven en voorwaarden vast voor de activiteiten van de exploitant van de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers. De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling van de tarieven en voorwaarden.
2. De tarieven en voorwaarden zijn redelijk en non-discriminatoir.
3. De tarieven voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn voor het geheel van de activiteiten kostengeoriënteerd.
4. Onverminderd het derde lid, zijn de tarieven voor de beveiliging van passagiers en hun bagage voor het geheel van de beveiligingsactiviteiten kostengeoriënteerd.
5. Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de luchthaven de toegerekende opbrengsten in aanmerking uit overige activiteiten van de exploitant van de luchthaven die rechtstreeks verband houden met de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
6. Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de luchthaven de kosten in aanmerking van structurele maatregelen voor de uitvoering van een bijzondere aanwijzing van Onze Minister van Justitie, bedoeld in [artikel 37ac, tweede lid, van de Luchtvaartwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002267&artikel=37ac), voor zover die maatregelen betrekking hebben op de beveiliging van passagiers en hun bagage.
7. Bij de vaststelling van de tarieven kan, in afwijking van het derde en vierde lid, de exploitant van de luchthaven een bijdrage uit andere activiteiten dan die, bedoeld in het eerste en vijfde lid, in aanmerking nemen.
8. Bij de vaststelling van de tarieven wordt de bijdrage, bedoeld in het zevende lid, naar rato van de kosten toegerekend aan de activiteiten voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in het vierde lid, en de overige activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers, bedoeld in het vijfde lid.
9. De exploitant van de luchthaven verrekent bij de vaststelling van de tarieven, nadat deze zijn bepaald met inachtneming van het tweede tot en met achtste lid, het verschil tussen de geraamde en de werkelijke opbrengsten en kosten in verband met de prognoses en de realisatie van het volume van het luchthavenluchtverkeer, het vervoer van passagiers en vracht en van de uitvoering van investeringen, zoals volgt uit de financiële verantwoording over het aan het moment van vaststelling van de tarieven voorafgaande boekjaar.
10. Bij de vaststelling van het tarief voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, nadat deze is bepaald met inachtneming het tweede tot en met achtste lid, verrekent de exploitant van de luchthaven de extra opbrengst voor de beveiliging van passagiers en hun bagage die is verkregen nadat een structurele maatregel als bedoeld in het zesde lid, is ingetrokken, en het tarief voor de beveiliging van passagiers en hun bagage nog niet dienovereenkomstig is aangepast.
11. De exploitant van de luchthaven hanteert de tarieven en voorwaarden die ingevolge het eerste lid zijn vastgesteld, gedurende de periode waarop de vaststelling van de tarieven en voorwaarden betrekking heeft.
12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
- a. de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers waarvoor tarieven en voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld;
- b. de activiteiten, bedoeld in het vijfde lid, die rechtstreeks verband houden met de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven, bedoeld in het eerste lid;
- c. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt;
- d. de kostenoriëntatie, bedoeld in het derde en vierde lid;
- e. het tijdstip van vaststelling en inwerkingtreding van de tarieven en voorwaarden;
- f. de wijze waarop de exploitant van de luchthaven, zonodig in afwijking van de regels, bedoeld in onderdeel e, uitvoering geeft aan het zesde lid.
##### Artikel 8.25e
1. Voorafgaand aan de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in [artikel 8.25d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), doet de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers van de luchthaven mededeling van een voorstel van deze tarieven en voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten, alsmede een toelichting, inhoudende een economische onderbouwing en een omschrijving, aan de hand van indicatoren, van het kwaliteitsniveau van de aangeboden diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven.
2. De exploitant van de luchthaven raadpleegt de gebruikers van de luchthaven over het voorstel, bedoeld in het eerste lid, alvorens de tarieven en voorwaarden vast te stellen.
3. De exploitant van de luchthaven houdt bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden rekening met de zienswijze van de gebruikers van de luchthaven naar aanleiding van de raadpleging, bedoeld in het tweede lid, en motiveert bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden zijn overwegingen omtrent de ingebrachte zienswijzen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
- a. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt;
- b. de wijze waarop de raadpleging, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt;
- c. de indicatoren, bedoeld in het eerste lid;
- d. de gegevens die door de exploitant van de luchthaven moeten worden opgenomen in het voorstel voor de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en de daarbij behorende toelichting.
##### Artikel 8.25f
1. Indien binnen vier weken na de mededeling, bedoeld in [artikel 8.25d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden daartoe een aanvraag van een gebruiker is ingediend, stelt de raad vast of de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels. De raad deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker is ontvangen.
2. De raad beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag doch uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal worden verlengd met ten hoogste acht weken.
3. Indien de raad vaststelt dat de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt hij dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven stelt opnieuw de tarieven en voorwaarden vast met inachtneming van de overwegingen van de raad op grond van het eerste lid.
4. Het eerste lid en [artikel 8.25e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25e&z=2006-07-19&g=2006-07-19) zijn niet van toepassing op de vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in het derde lid.
5. De exploitant van de luchthaven hanteert de ingevolge het derde lid vastgestelde tarieven en voorwaarden gedurende het resterende deel van de periode waarvoor de tarieven en voorwaarden overeenkomstig [artikel 8.25d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), waren vastgesteld.
6. Vanaf de dag waarop door de raad is vastgesteld dat de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, tot het moment dat de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het derde lid, zijn vastgesteld, hanteert de exploitant van de luchthaven de tarieven en voorwaarden die golden in de periode voorafgaande aan de periode waarvoor de bestreden tarieven waren vastgesteld.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de raad en omtrent de vaststelling van tarieven en voorwaarden, bedoeld in het derde lid.
##### Artikel 8.25g
1. De exploitant van de luchthaven stelt een toerekeningssysteem vast voor de kosten en opbrengsten van de activiteiten, bedoeld in [artikel 8.25d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), dat voldoet aan de eisen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit. De exploitant van de luchthaven legt het toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de raad.
2. De exploitant van de luchthaven voert voor de activiteiten met betrekking tot het gebruik van de luchthaven door gebruikers een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van de uitvoering van de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in [artikel 8.25d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), afzonderlijk worden geadministreerd.
3. Op grond van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, stelt de exploitant van de luchthaven jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande boekjaar, die bestaat uit een afzonderlijke exploitatierekening en een overzicht van de toegedeelde materiële vaste activa voor het geheel van de activiteiten, bedoeld in [artikel 8.25d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19). De financiële verantwoording bevat een toelichting en is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke accountant.
4. De exploitant van de luchthaven legt binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de exploitant van de luchthaven de financiële verantwoording over het voorafgaande boekjaar tezamen met de verklaring van de onafhankelijke accountant, over aan de raad en de gebruikers die daarom verzoeken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inrichting en goedkeuring van het toerekeningssysteem, bedoeld in het eerste lid, de toedeling van activa aan de activiteiten, bedoeld in [artikel 8.25d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), eerste lid, de inrichting van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en omtrent de financiële verantwoording, bedoeld in het derde lid.
6. Op de voorbereiding van een besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem is [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) van toepassing.
7. Onverminderd [artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:13), kunnen de gebruikers van de luchthaven hun zienswijze naar voren brengen over het voorgenomen besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem.
8. Dit lid is nog niet in werking getreden.
##### Artikel 8.25ga
De exploitant van de luchthaven zendt de raad en de gebruikers binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar een rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau van de geleverde diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven, bedoeld in [artikel 8.25e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25e&z=2006-07-19&g=2006-07-19), over het voorafgaande boekjaar, mede aan de hand van ervaringen van passagiers. De rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau geschiedt aan de hand van de indicatoren, bedoeld in [artikel 8.25e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25e&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 8.25h
1. De exploitant van de luchthaven zendt de raad een afschrift van de mededeling, bedoeld in [artikel 8.25d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en van de mededeling, bedoeld in [artikel 8.25e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25e&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. De raad is bevoegd van de exploitant van de luchthaven alle inlichtingen en gegevens te verlangen, die hij voor de uitoefening van zijn taak op grond van deze wet redelijkerwijs nodig acht.
3. De exploitant van de luchthaven verleent binnen de door de raad gestelde redelijke termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze wet. [Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) is van overeenkomstige toepassing.
4. De raad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en gegevens.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Justitie verstrekken de raad desgevraagd de inlichtingen en gegevens die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
6. De raad gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen op grond van deze wet uitsluitend voor de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze wet.
7. Ingeval van overtreding van het derde lid is [hoofdstuk 8 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&hoofdstuk=8), met uitzondering van de [artikelen 71 tot en met 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=71) en [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=80), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 8.25ha
De raad brengt elk jaar aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verslag uit over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 8.25f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25f&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [8.25g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25g&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
##### Artikel 8.25i
1. Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een besluit als bedoeld in de [artikelen 8.25, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25&z=2006-07-19&g=2006-07-19), [8.25b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25b&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en [8.25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25c&z=2006-07-19&g=2006-07-19).
2. In afwijking van [artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7) is voor beroepen tegen besluiten van de raad op grond van [artikel 8.25f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25f&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [artikel 8.25g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25g&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
3. In geval van een beroep tegen besluiten als bedoeld in [artikel 8.25f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25f&z=2006-07-19&g=2006-07-19), en [artikel 8.25g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25g&z=2006-07-19&g=2006-07-19), blijft [artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1) buiten toepassing.
##### Artikel 8.25j
Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de [artikelen 8.25d tot en met 8.25g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19) wordt gedaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
#### § 8.5.1. Algemeen
##### Artikel 8.26
Een ministeriële regeling op grond van deze titel wordt vastgesteld door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
#### § 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
##### Artikel 8.27
1. De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn.
2. Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
#### § 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting
#### § 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
##### Artikel 8.28
1. De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal:
- a. de op grond van artikel 8.27 geregistreerde gegevens;
- b. gegevens over de in artikel 8.27 bedoelde metingen en berekeningen.
2. De exploitant, de verlener van luchtverkeersdienstverlening en de luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens over de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen.
3. De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in artikel 8.19. De verlener van luchtverkeersdienstverlening verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in de artikelen 8.20 en 8.21.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de gegevensverstrekking.
##### Artikel 8.29
1. De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verslag uit over de veiligheids- en milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van:
- a. de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen;
- b. de ter uitvoering van artikel 8.22 getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de verslaglegging.
##### Artikel 8.30
1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van gegevens als bedoeld in artikel 8.28.
2. De openbaarmaking geschiedt door kennisgeving van de gegevens of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien alleen van de zakelijke inhoud kennis wordt gegeven, worden de gegevens tegelijk ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer de gegevens ter inzage liggen.
## Titel 8.6. Financiële aspecten
##### Artikel 8.31
1. Indien een belanghebbende ten gevolge van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2. Een aanvraag om schadevergoeding wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit of het desbetreffende besluit op grond van een van genoemde besluiten onherroepelijk is geworden. Van de aanvrager heft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een recht ten bedrage van € 300. De aanvrager wordt gewezen op de verschuldigdheid van het recht en wordt medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangegeven rekening moet zijn bijgeschreven. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven, wordt de aanvrager niet ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, stort Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het betaalde recht terug.
3. [Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002375&artikel=49) blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 8.32
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden.
##### Artikel 8.33
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan regels stellen ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte bestemmingsplannen.
##### Artikel 8.29a
1. De exploitant van de luchthaven brengt elke drie jaar, of zoveel eerder als Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig oordeelt, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verslag uit over de exploitatie van de luchthaven. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering van [artikel 8.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25a&z=2006-07-19&g=2006-07-19) getroffen voorzieningen, een overzicht van alle daartoe relevante gegevens en een beschrijving van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de verslaggeving.
#### § 8.5.4. Gegevensverstrekking, geluidbelastingkaart en actieplan in verband met de richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
## Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
##### Artikel 8.34
1. Er is een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol.
2. De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en vertegenwoordigers van:
- a. de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht;
- b. gemeenten in de in onderdeel a genoemde provincies;
- c. de exploitant van de luchthaven;
- d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening;
- e. luchtvaartmaatschappijen die geregeld van de luchthaven gebruik maken.
##### Artikel 8.35
De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.34 bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.
##### Artikel 8.36
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt nadere regels omtrent de taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke in artikel 8.34, tweede lid, bedoelde gemeenten en luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn.
##### Artikel 8.37
1. De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat benoemd, geschorst en ontslagen.
2. Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt.
3. De benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.
##### Artikel 8.38
De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
##### Artikel 8.39
De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement geregeld.
##### Artikel 8.40
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### HOOFDSTUK 10. MILITAIRE LUCHTVAART
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
##### Artikel 11.2b
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de exploitatievergunning, bedoeld in [artikel 8.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25a&z=2006-07-19&g=2006-07-19), een onderzoek instellen bij de exploitant van de luchthaven.
2. Met het onderzoek zijn belast de krachtens [artikel 11.1, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.1&artikel=11.1&z=2006-07-19&g=2006-07-19), aangewezen toezichthoudende ambtenaren.
3. In afwijking van het tweede lid, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het onderzoek laten verrichten door een of meer aangewezen deskundigen.
4. De ingevolge het derde lid aangewezen deskundigen horen gebruikers.
5. Na afloop van het onderzoek wordt daarvan een rapport opgemaakt.
6. Een afschrift van het rapport wordt gezonden aan de exploitant van de luchthaven.
7. De exploitant van de luchthaven wordt gedurende vier weken na de toezending van het rapport, in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
##### Artikel 11.14a
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de [artikelen 8.25d tot en met 8.25h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19) bepaalde zijn belast de bij besluit van de raad van de Nederlandse Mededingingsautoriteit aangewezen ambtenaren van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. De [artikelen 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=51), [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=53) en [54 van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
##### Artikel 11.15
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
##### Artikel 11.16
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:
- a. artikel 8.12, 8.19, 8.20 of 8.21 of van een beperking of voorschrift als bedoeld in artikel 8.23;
- b. een maatregel als bedoeld in artikel 8.22.
2. Een boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen worden opgelegd.
3. De boete bedraagt ten hoogste:
- a. 100 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
- b. 1 000 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
4. Een boete wordt niet opgelegd indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.
5. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete wordt in ieder geval rekening gehouden met de ernst en de duur van de overtreding en zo nodig met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
6. De bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt vijf jaren na het plegen van de overtreding. Indien tegen de boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.
##### Artikel 11.17
1. De boete wordt opgelegd aan degene aan wie de overtreding kan worden toegerekend. Geen boete wordt opgelegd indien aan de betrokkene wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.
2. De overtreding wordt toegerekend aan de rechtspersoon waarbij de pleger van de overtreding in dienst is, indien de overtreding plaatsvindt tijdens de uitoefening van zijn dienst.
3. In andere gevallen wordt de overtreding toegerekend aan degene die de overtreding pleegt.
##### Artikel 11.18
1. Van de overtreding wordt een rapport opgemaakt. Het rapport vermeldt in ieder geval de overtreding, het overtreden voorschrift en zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.
2. De overtreder wordt in de gelegenheid gesteld over het voornemen tot het opleggen van een boete zijn zienswijze naar voren te brengen. Bij de uitnodiging daartoe wordt de overtreder het rapport toegezonden of uitgereikt.
3. Degene die aan een handeling vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd, is niet langer verplicht ten behoeve van deze oplegging inlichtingen omtrent de overtreding te verstrekken. Hij wordt hierop gewezen alvorens hem mondeling wordt gevraagd inlichtingen te verstrekken en in ieder geval wanneer hij in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot oplegging van de boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
4. Aan degene die van de overtreding een rapport heeft opgemaakt, wordt geen mandaat verleend tot het opleggen van de boete.
##### Artikel 11.19
1. De boete wordt opgelegd bij beschikking. De beschikking vermeldt in ieder geval de overtreding, het overtreden voorschrift en het bedrag van de boete.
2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen twaalf weken vanaf de dag waarop de boetebeschikking is bekendgemaakt.
3. De boete en de rente zijn verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de beschikking onherroepelijk is geworden.
4. De boete en de rente worden betaald binnen zes weken nadat zij verschuldigd zijn geworden.
5. Indien niet is betaald binnen de in het vierde lid genoemde termijn, wordt degene die de boete is verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, de rente en de kosten van de aanmaning, te betalen.
##### Artikel 11.20
1. Bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 11.19, vijfde lid, kan van de overtreder de boete, de rente en de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel worden ingevorderd.
2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](onbekend).
3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat.
4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
##### Artikel 11.21
Ingeval van overtreding van de [artikelen 8.25d, eerste tot en met elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de krachtens het twaalfde lid gestelde regels, [8.25e, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25e&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de krachtens het vierde lid gestelde regels, [8.25f, derde, vijfde of zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25f&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de krachtens het zevende lid gestelde regels, [8.25g, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25g&z=2006-07-19&g=2006-07-19), de krachtens het vijfde lid gestelde regels, [8.25ga](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25ga&z=2006-07-19&g=2006-07-19) of [8.25h, eerste of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25h&z=2006-07-19&g=2006-07-19), zijn [artikel 54a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=54a) en [hoofdstuk 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&hoofdstuk=7), met uitzondering van [artikel 63, van de Mededingingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008691&artikel=63) van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
@@ -2040,600 +2872,8 @@
Vervallen
##### Artikel 12.3a
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische Zaken zenden binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de [artikelen 8.25d tot en met 8.25h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=8&titeldeel=8.4&artikel=8.25d&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en de artikelen 11.14a en [11.21 van deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=11&titeldeel=11.2&artikel=11.21&z=2006-07-19&g=2006-07-19) en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze bepalingen in de praktijk.
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 6.50
Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de[artikelen 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [6.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.56&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [6.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.57&z=2006-03-08&g=2006-03-08), niet van toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Kernenergiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002402&artikel=1).
##### Artikel 6.51
1. Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
3. Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het laten staan op een luchtvaartterrein van een luchtvaartuig waarin zich dergelijke stoffen bevinden.
##### Artikel 6.52
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
##### Artikel 6.53
1. De regels, bedoeld in [artikel 6.51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08), kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;
- b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt dienen te worden;
- c. de stuwage en de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
- d. het onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;
- e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van verpakkingskenmerken;
- f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel e;
- g. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen worden geladen of gelost;
- h. de keuring van de inrichtingen, voertuigen of werktuigen, bedoeld in onderdeel g;
- i. de melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling, als bedoeld in [artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- j. het opstellen van een risico-inventarisatie met betrekking tot het vervoeren, laden of lossen van door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daartoe aangewezen stoffen;
- k. het aanwijzen van luchtroutes waarlangs door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
2. De betrokkene is een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vast te stellen vergoeding verschuldigd voor de kosten van een keuring, als bedoeld in onderdeel h van het eerste lid, gebaseerd op de werkelijke kosten.
##### Artikel 6.54
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid ten aanzien van luchtvaartuigen die door hem aangewezen gevaarlijke stoffen vervoeren, bepalen dat die luchtvaartuigen uitsluitend van door hem aangewezen luchtvaartterreinen mogen starten of op die luchtvaartterreinen mogen landen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid bepalen, dat de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen op de in het eerste lid bedoelde luchtvaartterreinen slechts mogen worden geladen, gelost of neergelegd op door hem op die luchtvaartterreinen aangewezen plaatsen.
3. Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire helikopters de in het eerste en tweede lid bedoelde beperkingen ook doen gelden voor door hem aangewezen terreinen, niet zijnde luchtvaartterreinen.
4. Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste of tweede lid.
##### Artikel 6.55
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te vervoeren, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning.
2. Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, dan wel voor onbepaalde tijd indien door de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon voldaan wordt aan de bij of krachtens die maatregel met betrekking tot de erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon:
- a. niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
- b. handelt in strijd met het bij of krachtens deze titel bepaalde.
Hij heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een erkenning intrekken, wanneer:
- a. de houder daarom verzoekt;
- b. de houder niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
- c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;
- d. de houder handelt in strijd met de[artikelen 6.51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08), of [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.52&z=2006-03-08&g=2006-03-08);
- e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst;
- f. de houder in staat van faillissement verkeert.
6. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen, alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten.
##### Artikel 6.56
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkent een opleiding voor een theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld in [artikel 6.55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-03-08&g=2006-03-08), indien die opleiding voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan de erkenning van een opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen voldoet.
3. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gegeven.
##### Artikel 6.57
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in [artikel 6.55, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-03-08&g=2006-03-08), verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens [artikel 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
##### Artikel 6.58
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de beperkingen bedoeld in het eerste lid.
3. De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare veiligheid.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen:
- a. op verzoek van de houder;
- b. op grond van de openbare veiligheid.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer
- a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;
- b. de openbare veiligheid dit vereist;
- c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
6. De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een door deze vast te stellen vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd op de werkelijke kosten.
##### Artikel 6.59
Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.
##### Artikel 6.60
1. Degene, die een handeling als bedoeld in [artikel 6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08), verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 6.61
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in [artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08) , alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen als bedoeld in [artikel 6.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.60&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
2. De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid te stellen termijn.
##### Artikel 6.61a
1. Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat luchtvaartuig bevinden.
2. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te worden.
## Titel 6.6. Vervoer van dieren
##### Artikel 6.62
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen met het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij regels worden gegeven met betrekking tot dat vervoer.
2. Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels.
### Hoofdstuk 8. De luchthaven Schiphol
## Titel 8.1. Algemeen
## Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
#### § 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
#### § 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.3. Het luchthavenluchtverkeer
#### § 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.4. De exploitatie van de luchthaven
## Titel 8.3. Het luchthavenluchtverkeer
#### § 8.3.1. Het luchthavenverkeerbesluit
#### § 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting
#### § 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
## Titel 8.6. Financiële aspecten
## Titel 8.4. De exploitatie van de luchthaven
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
##### Artikel 10.6
1. [Titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is niet van toepassing op internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
2. [Titel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is, met uitzondering van [artikel 6.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.54&z=2006-03-08&g=2006-03-08), niet van toepassing op nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
3. [Artikel 6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08), geldt niet voor het nationale vervoer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen, niet zijnde ontplofbare stoffen of voorwerpen, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, of behorend tot de uitrusting van personen die met een dergelijk luchtvaartuig worden vervoerd, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
4. [Artikel 6.55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.55&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is niet van toepassing op het door personeel van de krijgsmacht verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen ten aanzien van het nationaal vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare stoffen of voorwerpen,met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
5. De[artikelen 6.60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.60&z=2006-03-08&g=2006-03-08), [6.61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.61&z=2006-03-08&g=2006-03-08) en [6.61a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.61a&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn van overeenkomstige toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen en het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is met dien verstande dat:
- a. in [artikel 6.60, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.60&z=2006-03-08&g=2006-03-08), in plaats van «als bedoeld in [artikel 6.51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08),» wordt gelezen «als bedoeld in [artikel 10.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08)»;
- b. in [artikel 6.61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.61&z=2006-03-08&g=2006-03-08), in plaats van «[artikel 6.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08)» wordt gelezen [artikel 10.7, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08).
##### Artikel 10.7
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie, worden regels gegeven inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen, alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen. De [artikelen 6.51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.52&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie , worden regels gegeven inzake het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen of voorwerpen. De [artikelen 6.51, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.51&z=2006-03-08&g=2006-03-08), en [6.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.52&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
- a. het aanwijzen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, die niet door de lucht mogen worden vervoerd;
- b. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid worden vervoerd;
- c. de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
- d. de eisen waaraan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, moeten voldoen;
- e. de eisen waaraan de verpakking moet voldoen;
- f. de etiketten of aanduidingen op de verpakking;
- g. de eisen, waaraan bij het laden en lossen voldaan moet worden;
- h. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, worden geladen of gelost;
- i. de melding voorafgaande aan een handeling inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid;
- j. de begeleiding van het vervoer en de eisen die aan de begeleider worden gesteld;
- k. het uitzonderen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van het luchtvaartuig, of behorend tot de uitrusting van personen die met het luchtvaartuig worden vervoerd.
##### Artikel 10.8
1. Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de krachtens [artikel 10.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=10&artikel=10.7&z=2006-03-08&g=2006-03-08) gegeven regels, wanneer de taakuitvoering met militaire luchtvaartuigen meebrengt, dat die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar komt. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2. Het[tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.5&artikel=6.58&z=2006-03-08&g=2006-03-08) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 10.9
[Titel 6.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=6&titeldeel=6.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08) is niet van toepassing op vervoer van dieren met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
#### § 8.5.4. Gegevensverstrekking, geluidbelastingkaart en actieplan in verband met de richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
## Titel 8.6. Financiële aspecten
## Titel 8.6. Financiële aspecten
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 8.30a
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 30 juni 2007 en vervolgens vóór 30 juni van elk vijfde kalenderjaar een geluidbelastingkaart vast die betrekking heeft op een geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
2. Onder geluidbelasting Lden wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van [richtlijn nr. 2002/49/EG](32002L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 07.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar. Onder geluidbelasting Lnight wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 2, van [richtlijn nr. 2002/49/EG](32002L0049) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar.
3. De geluidbelastingkaart geeft ten minste een weergave van:
- a. de geluidbelasting Lden en de geluidbelasting Lnight veroorzaakt door de luchthaven in de periode van een jaar van 1 november van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart tot en met 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart, en
- b. het aantal woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en bewoners van woningen die aan bepaalde waarden van geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight worden blootgesteld.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent deinhoud, vormgeving en inrichting van de geluidbelastingkaart. Ten behoeve van de bepaling van de geluidsbelasting Lden en de geluidsbelasting Lnight vanwege de luchthaven kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
##### Artikel 8.30b
1. De exploitant van de luchthaven verschaft ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8.30a, eerste lid, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op zijn verzoek alle noodzakelijke inlichtingen en gegevens.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de te verschaffen inlichtingen en gegevens, waaronder de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze moeten worden verschaft.
##### Artikel 8.30c
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft binnen één maand na vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8.30a, eerste lid, mededeling van deze vaststelling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen dan wel op andere geschikte wijze. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van de geluidbelastingkaart.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:
- a. stelt de geluidsbelastingkaart zo mogelijk elektronisch ter beschikking van eenieder;
- b. voegt bij de geluidsbelastingkaart een overzicht van de belangrijkste punten van die kaart.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt de geluidbelastingkaart binnen één maand na vaststelling aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
##### Artikel 8.30d
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt vóór 18 mei 2008 aan de hand van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8.30a, een actieplan vast met betrekking tot de luchthaven. Indien er sprake is van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de vaststelling wordt het actieplan opnieuw overwogen, en zo nodig aangepast.
2. Het actieplan bevat ten minste een beschrijving van:
- a. het te voeren beleid om geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight te beperken, en
- b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen om overschrijding van in het luchthavenverkeerbesluit vastgestelde waarden van geluidbelasting Lden of geluidbelasting Lnight te voorkomen of ongedaan te maken en de te verwachten effecten van die maatregelen.
3. Een actieplan wordt voorbereid met overeenkomstige toepassing van de in [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend) geregelde procedure, met dien verstande dat in afwijking van [artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht](onbekend), eenieder zienswijzen naar voren kan brengen.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud, vormgeving en inrichting van het actieplan.
5. Artikel 8.30c is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van actieplannen.
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 9.7
1. In afwijking van [artikel 1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=1&artikel=1.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) richt Onze Minister van Defensie, voordat hij de hem krachtens [artikel 9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) toekomende bevoegdheid uitoefent, een verzoek aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat om aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te voldoen. Onze Minister van Defensie oefent de bevoegdheid krachtens [artikel 9.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.4&z=2006-03-08&g=2006-03-08) niet uit dan nadat Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te kennen heeft gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek.
2. In dringende omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken van het eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het oordeel van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat toelaten, wordt aan de door Onze Minister van Defensie gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
3. Indien de in [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.3&z=2006-03-08&g=2006-03-08) toegekende bevoegdheid door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt uitgeoefend op verzoek van Onze Minister van Defensie als bedoeld in het eerste lid, vindt toekenning van een vergoeding krachtens [artikel 9.6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005555&hoofdstuk=9&artikel=9.6&z=2006-03-08&g=2006-03-08), plaats in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van Onze Minister van Defensie.
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 3.19a
1. Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat:
- a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of
- b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is.
2. Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist, hetzij
- –. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor dat luchtvaartuig afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring, hetzij
- –. een geluidscertificaat als bedoeld in artikel 3.20.
##### Artikel 3.19b
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geluidseisen gelden en dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is ingeschreven, met betrekking tot dat luchtvaartuig een geluidscertificaat af, indien:
- a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een type-certificaat als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, of artikel 3.20 is afgegeven;
- b. ten aanzien van dat luchtvaartuig geen geluidscertificaat is afgegeven; en
- c. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde geluidseisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door onze Minister van Verkeer en Waterstaat een geluidscertificaat kan worden afgegeven.
3. Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven.
4. Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de in voorgaande leden bedoelde geluidseisen.
##### Artikel 3.19c
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland dan wel in het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig, in aanvulling op het in artikel 3.19b bedoelde geluidscertificaat een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.
3. De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.
4. Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
##### Artikel 3.19d
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:
- a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en
- b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft ingeleverd.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer:
- a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of
- b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring.
##### Artikel 3.19e
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.
2. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.
3. Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
##### Artikel 3.19f
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
- a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan;
- b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden;
- c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
- d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken;
- e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
- f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of
- g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
- a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
- b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;
- c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of
- d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:
- a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;
- b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of
- c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen dan wel uit het register van een staat of van een internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.20 is uitgeschreven.
5. De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
6. Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.
7. Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
8. Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.
#### § 3.2.3. Diverse bepalingen
### Hoofdstuk 4. Vluchtuitvoering
##### Artikel 4.1
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.2
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.3
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.4
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.5
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.6
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.7
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Artikel 4.8
De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoemde documenten mee te voeren.
### Hoofdstuk 5. Luchtverkeer, luchtverkeersbeveiliging en luchtverkeersbeveiligingsorganisatie
## Titel 5.1. Luchtverkeer
## Titel 5.2. Bepalingen met betrekking tot de luchtverkeersdienstverlening
#### § 5.2.1. Luchtverkeersdienstverlening
#### § 5.2.2. Vergoedingen
## Titel 5.3. De luchtverkeersbeveiligings-organisatie
#### § 5.3.2. Taken van de LVNL
#### § 5.3.4. Inrichting en bedrijfsvoering
#### § 5.3.5. Geïnstitutionaliseerd overleg met gebruikers
#### § 5.3.6. Personeel van de organisatie
#### § 5.3.7. Geldmiddelen en financieel beheer
#### § 5.3.8. Inlichtingen, verslaglegging en controle
### Hoofdstuk 6. Luchtvervoer
## Titel 6.5. Vervoer van gevaarlijke stoffen
## Titel 6.6. Vervoer van dieren
### Hoofdstuk 8. De luchthaven Schiphol
## Titel 8.1. Algemeen
## Titel 8.2. De ruimtelijke indeling van en rond de luchthaven
#### § 8.2.1. Het luchthavenindelingbesluit
#### § 8.2.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
#### § 8.3.2. Het voorbereiden en wijzigen van het besluit
## Titel 8.5. Informatievoorziening
#### § 8.5.1. Algemeen
#### § 8.5.2. Het registreren van het veiligheidsrisico en de milieubelasting
#### § 8.5.3. Gegevensverstrekking, verslaglegging en openbaarmaking
#### § 8.5.4. Gegevensverstrekking, geluidbelastingkaart en actieplan in verband met de richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
## Titel 8.6. Financiële aspecten
## Titel 8.7. De commissie regionaal overleg luchthaven schiphol
### Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
### Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
### Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
## Titel 11.1. Toezicht en strafrechtelijke handhaving
## Titel 11.2. Bestuursrechtelijke handhaving
### Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
##### Artikel 12.1
Vervallen
Lasten en bevelen dat deze in het **Staatsblad** zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2006-03-08
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 27 más
2005-05-01
Wet luchtvaart
2005-04-06
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 27 más
2005-03-16
Wet luchtvaart
2005-02-04
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 29 más
2004-07-18
Wet luchtvaart
2004-07-01
Wet luchtvaart
2003-06-20
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 29 más
2003-03-16
Wet luchtvaart
2003-02-20
Wet luchtvaart
2003-01-01
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 31 más
2002-12-18
Wet luchtvaart — arts. 2, 2, 2 y 33 más
2001-10-01
Wet luchtvaart — arts. 1, 1, 2 y 73 más
2001-10-01
Wet luchtvaart
original version
Tekst op deze datum