Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-03-15
State In force
Source BWB
artikelen 545
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 10 van Richtlijn 94/55/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG 94 L 319), op artikel 10 van Richtlijn 95/50/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 249), op artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 en op artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

Besluit:

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu; b. bevoegde autoriteit: 1°. Minister, 2°. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie, of 3°. een met toepassing van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen erkende instantie; c. richtlijn nr. 2008/68/EG: richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260); d. richtlijn EU 2022/1999: richtlijn (EU) 2022/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (codificatie) (PbEU 2022, L 274).

2.

De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de bijlagen 2, 3 en 4 voorzover daarin niet anders is bepaald.

Artikel 2

Bij deze regeling behoren vier bijlagen:

  • a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;
  • d. bijlage 4: rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Artikel 3

Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.

Artikel 4

1.

De door de bevoegde autoriteiten op basis van randnummer 1.5.1.1 van de ADR overeengekomen tijdelijke afwijkingen worden in de vorm van een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie voorgelegd door de bevoegde autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. Van dergelijke afwijkingen doet de Minister mededeling aan de Europese Commissie.

2.

De afwijkingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

Artikel 5

Bijlage 1 wordt bekendgemaakt op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-infrastructuur-en-waterstaat.

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel a, en 3 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Gepubliceerd op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-infrastructuur-en-waterstaat.

Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer

Artikel 1. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt, en heeft voorrang boven bijlage 1.

Artikel 2. Implementatie van richtlijn 94/55/EG betreffende

1.

De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van bijlage 1 verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van die bijlage te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2.

De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

3.

Ontheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan bedoeld in de eerste twee leden, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.

Artikel 3. N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

  • a. zijn een aanvulling op bijlage 1; of
  • b. treden, voor zover zij met de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1.

1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten

1.

Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1. van bijlage 1.

2.

Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

3.4.1 N Algemene verpakkingsvoorschriften

Het vervoer van kaliumnitraat, natriumnitraat alsmede natriumnitraat en kaliumnitraat, mengsel met respectievelijk UN-nummers 1486, 1498 en 1499 is niet onderworpen aan de voorschriften van bijlage 1, indien dit geschiedt door landbouwondernemers of hun personeel, tussen hun landbouwbedrijf en daarbij behorende landbouwgronden via redelijkerwijs kortste of snelste route.

3.4.4 N Gelimiteerde hoeveelheden

De kenmerking op de colli, bedoeld in randnummer 3.4.4 c) van bijlage 1 is niet verplicht.

5.2.1 N Opschriften, kenmerking en gevaarsetiketten

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.2.1/5.2.2 N Bestrijdingsmiddelen

Bij vervoer van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in colli zijn opschriften of gevaarsetiketten ingevolge bijlage 1 niet nodig, indien de colli zijn voorzien van opschriften of gevaarsetiketten ingevolge de Richtlijn 78/631/EEG van de Raad van 26 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen in de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerk van gevaarlijke preparaten (bestrijdingsmiddelen) (PbEG L 206).

5.4.1.1.1/5.4.1.4 N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument:

  • a. de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal; of
  • b. de aanduiding `ADR' is vervangen door de aanduiding: VLG.

6.8.3.2 N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashbord en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.4.1 N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

7.5.7.3 N Openen van verpakkingen

1.
  1. Bij het vervoer van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, mag het bij het vervoer betrokken personeel daartoe geëigende buitenverpakkingen openen met als doel de binnenverpakkingen af te leveren, op voorwaarde dat:
  • a. in het beproevingsrapport, bedoeld in randnummer 6.1 van bijlage 1, wordt vermeld dat deze buitenverpakkingen geschikt zijn om tussentijds geopend en gesloten te worden met als doel om binnenverpakkingen af te leveren; en
  • b. zij uitsluitend geopend worden door terzake kundig personeel.

8.1.2 N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1 N Speciale opleiding van de bestuurder

De verplichting van randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

  • a. motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in het Voertuigreglement, waarmee lege, ongereinigde tanks met een capaciteit van ten hoogste 3 m3 worden vervoerd, die dieselolie, gasolie en lichte stookolie hebben bevat; of
  • b. brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:
  • 1º. op deze voertuigen gediplomeerd brandweerpersoneel in de zin van het Besluit brandweerpersoneel aanwezig is; en
  • 2º. dit personeel iedere vijf jaar een brandweerbijscholingscursus gevaarlijke stoffen volgt.

9.2.3.3 N Reminrichting

Randnummer 9.2.3.3 van bijlage 1 (retarder) is niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1 N Stabiliteit

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan het artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement.

Artikel 4

De volgende N-bepalingen vervallen op 1 januari 2002:

  • a. 3.4.1 N;
  • b. 3.4.4 N;
  • c. 5.2.1/5.2.2 N;
  • d. 7.5.7.3 N.

6.8.3.4. N Inspectie

Artikel 1. Toepassingsbereik

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

2.

Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, mobiele tank of IBC gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1:

  • a. te laden elders dan op het adres van de afzender, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend; of
  • b. te lossen elders dan op het adres van de ontvanger, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend.

Artikel 3. Tunnelregime

1.

Het is verboden:

  • a. de in tabel 3 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie I, genoemd in tabel 1;
  • b. de in tabel 4 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie II, genoemd in tabel 2;
  • c. stationaire drukhouders die zijn vrijgesteld ingevolge randnummer 1.1.3.2 die mengsels van koolwaterstoffen met UN-nummer 1965 hebben bevat, te vervoeren door tunnels van categorie I of II.
2.

De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Naam Weg en plaats Onder
Benelux-tunnel A4 bij Vlaardingen en Hoogvliet Nieuwe Waterweg
Coentunnel A10 in Amsterdam Noordzeekanaal
Drechttunnel A16 tussen Zwijndrecht en Dordrecht Oude Maas
Noordtunnel A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam Noord
Vlaketunnel A58 tussen Kruiningen en Kapelle Kanaal door Zuid-Beveland
Wijkertunnel A9 tussen Beverwijk en Velsen Noordzeekanaal
Zeeburgertunnel A10 in Amsterdam IJ
Naam Weg en plaats Onder
--- --- ---
Botlektunnel A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg Oude Maas
Heinenoord-tunnel A29 tussen Barendrecht en Oud-Beijerland Oude Maas
IJtunnel Stedelijke weg te Amsterdam IJ
Kiltunnel S43 tussen Dordrecht en `s-Gravendeel Dordtse Kil
Maastunnel Stedelijke weg te Rotterdam Nieuwe Maas
Piet Heintunnel Stedelijke weg te Amsterdam Amsterdam-Rijnkanaal
Velsertunnel A22 bij Velsen Noordzeekanaal

Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 Alle stoffen boven
de hoeveelheden als
bedoeld in 1.1.3.6
alsmede vuurwerk
met de UN-nummers
0336 en 0337 met
een totale netto
explosieve massa
van meer dan 20
kilogram
2 letters F, T, TF,
TC, TO, TFC, TOC,
UN 1858, UN 2073
4.1 UN 3221, 3222,
3231,3232
4.2 UN 1366, 1370,
1380, 1381, 2003,
2005, 2445, 2447,
2845, 2870, 3049,
3050, 3051, 3052,
3053, 3076, 3194,
3203
4.3 alle stoffen alle stoffen
5.2 UN 3101, 3102,
3111, 3112
6.1 UN 1092, 1238,
1239, 1259, 1613,
1695, 2334, 2382,
2438, 3294
8 UN 1052, 1744, UN 2502
1786, 1790, 1829,
1831, 2240, 2502,
2817

lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 alle stoffen boven
de hoeveelheden als
bedoeld in 1.1.3.6
alsmede vuurwerk
met de UN-nummers
0336 en 0337 met
een totale netto
explosieve massa
van meer dan 20
kilogram
2 letters F, T, TF, alle stoffen met
TC, TO, TFC, TOC, brandbare (F)
UN 1858, UN 2073 eigenschappen
3 stoffen van stoffen van
verpakkingsgroep I verpakkingsgroep I
en II en II
4.1 UN 3221, 3222,
3231, 3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, UN 1051, 1092,
1143, 1163, 1182, 1098, 1143, 1163,
1185, 1238, 1239, 1182, 1185
1244, 1251, 1259, 1238,1239, 1244,
1613, 1695, 1994, 1251, 1259,1613,
2334, 2382, 2438, 1614, 1695, 1994,
2482, 2484, 2485, 2334, 2382, 2407,
2606, 2929(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1., 2438, 2480, 2482,
3279(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1., 3294 2484, 2485, 2606,
2929()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1., 3279()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1.,
3294
8 alle stoffen alle stoffen alle stoffen

lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden

1.

Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 m, is het niet toegestaan:

  • a. gevaarlijke stoffen te vervoeren in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000 liter is;
  • b. vuurwerk boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6, alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.
2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

  • a. indien door weersomstandigheden het zicht minder is dan 50 m; of
  • b. bij glad wegdek.
3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

  • a. sprake is van langdurige gladheid; en
  • b. het spoedeisende karakter van het vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond. 1

Artikel 7. Zout veer

1.

Onder `zout veer' wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

  • a. Den Helder - Texel
  • b. Harlingen - Vlieland
  • c. Harlingen - Terschelling
  • d. Holwerd - Ameland
  • e. Lauwersoog - Schiermonnikoog
  • f. Vlissingen - Breskens
  • g. Kruiningen - Perkpolder.
2.

Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3.

Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:

  • a. ten hoogste twee transporteenheden als laatste geplaatst op een open rijdek; of
  • b. ten hoogste één transporteenheid als laatste geplaatst op een gesloten rijdek.
4.

Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met brandbare gassen (F, TF en TFC) van klasse 2 of stoffen van:

  • a. klasse 3 met verpakkingsgroep I en II;
  • b. klasse 6.1 met een vlampunt lager dan 23° C met verpakkingsgroep I; of
  • c. klasse 8 met UN-nummers 2401, 2734, 2920.
5.

Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6.

De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

7.

De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

8.

Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 a. alle stoffen en
vuurwerk met de UN-
nummers 0336 en 0337
met een totale netto
explosieve massa van
meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, alle stoffen met
TC, TO, TFC, TOC, brandbare (F)
UN 1858, alsmede UN eigenschappen
2073
3 1093, 1099, 1100, 1093,1099, 1100,
1106(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1125, 1106(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1125, 1131,
1131, 1154, 1158, 1154, 1158, 1160,
1160, 1162, 1182, 1162, 1182, 1184,
1184, 1194, 1196, 1194, 1196, 1204,
1214, 1221, 1214, 1221, 1228(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,
1228(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1230, 1230, 1235, 1238,
1235, 1238, 1250, 1250, 1277, 1289(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,
1277, 1289(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1296,1297(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1298,
1296, 1297(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1305, 1695, 1717,
1298, 1305, 1695, 1723, 1815, 1922,
1717, 1723, 1815, 1986()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,1988()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,1991,
1921, 1922, 1992, 2266, 2270,
1986()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1988()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2284, 2333, 2335,
1991, 1992, 2266, 2336, 2353, 2354,
2270, 2284, 2333, 2359, 2360, 2378,
2335, 2336, 2353, 2379, 2383, 2386,
2354, 2359, 2360, 2395, 2396, 2399,
2378, 2379, 2383, 2404, 2411, 2438,
2386, 2395, 2396, 2478(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2481, 2483,
2399, 2404, 2438, 2486, 2493, 2535,
2411, 2478(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2603, 2605, 2622,
2483, 2486, 2493, 2733, 2758, 2760,
2535, 2603, 2605, 2762, 2764, 2772,
2622, 2733, 2776, 2778, 2780,
2758(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2760, 2782, 2784, 2787,
2762, 2764, 2772, 2924(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2945, 2983,
2776, 2778, 2780, 2985, 3024, 3021,
2782, 2784, 2787, 3064, 3079, 3165,
2924(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2945, 3248(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 3273, 3274,
2983, 2985, 3286, 3346, 3350
3024(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 3021,
3079, 3248(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,
3273, 3274, 3286,
3346, 3350
4.1 UN 3221, 3222, 3231,
3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, UN 1051,1092, 1098,
1143, 1163, 1182, 1143, 1163, 1182,
1185, 1238, 1239, 1185, 1238 ,1239,
1244, 1251, 1259, 1244, 1251, 1259,
1613, 1695, 1994, 1613, 1614, 1695,
2334, 2382, 2438, 1994, 2334, 2382,
2482, 2484, 2485, 2438, 2480, 2482,
2606, 2929(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1, 2484, 2485, 2606,
3279(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1, 3294 2929()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1, 3279()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1,
3294
6.2 UN 2814, 2900 UN 2814, 2900
(risicogroep 3 + 4) (risicogroep 3 + 4)
8 alle stoffen, alle stoffen alle stoffen

Artikel 8. Pont

Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:

  • a. een transporteenheid beladen met ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 wordt met voorrang op de pont toegelaten boven andere voertuigen of personen;
  • b. tijdens een transport als bedoeld in onderdeel a bevinden zich geen andere voertuigen of personen op de pont, tenzij deze personen behoren tot de bemanning van de transporteenheid dan wel benodigd zijn voor de bediening van de pont;
  • c. transporteenheden met tanks gekenmerkt ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 worden zodanig op de pont geplaatst dat zij snel kunnen worden verwijderd; en
  • d. de bestuurder van een transporteenheid, beladen met gevaarlijke stoffen, verstrekt, alvorens de pont op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

Artikel 9. Kenmerking en etikettering der voertuigen

Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de kenmerking en etikettering die ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.

Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks

1.

In dit artikel wordt verstaan onder ‘kleine mobiele tanks’: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.

2.

De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:

  • a. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.2.1 van bijlage 1;
  • b. in Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige tankcontainers; of
  • c. in Nederland beproefde en toegelaten kleine mobiele tanks.
3.

De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.

4.

In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.

5.

De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.

6.

De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:

  • a. telkenmale voordat de laatste goedkeuring haar geldigheid verliest;
  • b. na een belangrijke herstelling; of
  • c. wanneer de Dienst Wegverkeer een onderzoek om redenen van veiligheid noodzakelijk acht.
7.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.

8.

Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.

9.7.5.1. N Stabiliteit

Artikel 1

De directeur van de Divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

  • a. heeft betrekking op een representatief deel van het vervoer;
  • b. wordt verricht overeenkomstig artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4060/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing van controles aan de grenzen van de Lid-Staten voor wegvervoer en binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);
  • c. wordt uitgevoerd met toepassing van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG;
  • d. wordt uitgevoerd door middel van steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het wegennet.
2.

Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG.

Artikel 3

1.

De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de directeur of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

2.

De afdeling Gevaarlijke Stoffen en Advies van de Divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat verleent de ontheffing. Informatie over de wegen en de weersomstandigheden verstrekt het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 1. Erkende instanties

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

Randnummer Instanties
1.8.2.2 DGG
1.8.2.3
1.8.3.7
1.8.3.8
1.8.3.10
1.8.3.14
1.8.3.16
2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit,
genoemd in het Handboek beproevingen en criteria
2.2.1.1.3 TNO PML of Defensie,
2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190 laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, TNO PML
genoemd in het Handboek beproevingen en criteria
2.2.41.1.13
2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit,
genoemd in het Handboek beproevingen en criteria
2.2.52.1.8
2.2.62.1.5 LNV of VWS
2.2.62.1.7
2.2.9.1.12 VROM
3.3.1, bijzondere 16 TNO PML of Defensie,
bepaling 178 laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
3.3.1, bijzondere 181 TNO PML
bepaling 237
239
266
3.3.1, bijzondere 268 TNO PML of Defensie,
bepaling laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
3.3.1, bijzondere 271 TNO PML
bepaling 272
278
3.3.1, bijzondere 283 DvhSt
bepaling
3.3.1, bijzondere 288 TNO PML
bepaling 636
3.3.1, bijzondere 645 IVW Divisie Vervoer
bepaling
4.1.4.1, P099 en P101 TNO PML of Defensie,
laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.1.4.1, P200, DvhSt
P201,
P202,
P203
4.1.4.1, P405(2)b), TNO PML of Defensie,
laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.1.4.1, P601 (3) g) TNO Industrie
4.1.4.1, P802 (5) DvhSt
4.1.4.1, P905
4.1.4.2 IBC99 TNO PML
4.1.4.2 IBC520
4.1.4.2 LP99
4.1.4.4 PR6 DvhSt
4.1.5.15 TNO PML of Defensie,
4.1.5.18 laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.1.7.2.2 TNO PML
4.1.10.4, MP21 TNO PML of Defensie,
laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.2.1.7 RDW/DvhSt/Klassenbur
4.2.1.9.1
4.2.1.13.1 RDW in overeenstemming met DGC
4.2.1.13.3 TNO PML
4.2.3.7.1 RDW/DvhSt
4.2.4.1.1
4.2.4.3, TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 RDW/DvhSt/Klassenbureau
4.3.2.1.5, voetnoot 2 RDW/DvhSt
4.3.3.2.5
5.2.2.1.9 TNO PML
5.5.1.2 LNV of VWS
5.5.1.3
6.1.1.2 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.1.1.4
6.1.3.1 TNO Industrie
6.1.3.3
6.1.4.8.8 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.1.4.13.7
6.1.5.1.1 TNO Industrie
6.1.5.1.3
6.1.5.1.5
6.1.5.1.10
6.1.5.2.5
6.1.5.9.2
6.2.1.1.2 SZW
6.2.1.4.1 DvhSt
6.2.1.4.2
6.2.1.4.3
6.2.1.4.5
6.2.1.5.1
6.2.1.5.2
6.2.1.6.1
6.2.3
6.2.3.2.2
6.3.1.1 TNO Industrie
6.3.2.7
6.5.1.1.2 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.5.1.1.3 TNO Industrie
6.5.1.6.1 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.5.1.6.4 TNO Industrie
6.5.1.6.6
6.5.2.1.1
6.5.2.2.3
6.5.2.2.4
6.5.4.1.1
6.5.4.2.1
6.5.4.2.2
6.5.4.3.4
6.5.4.13.2
6.5.4.14.1
6.6.1.2 TNO Industrie in overeenstemming met met DGG
6.6.3.1 TNO Industrie
6.6.5.1.1
6.6.5.1.3
6.6.5.1.5
6.6.5.1.7
6.6.5.1.8
6.6.5.4.3
6.7.1.2 RDW/DvhSt
6.7.2.2.1 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.7.2.2.14
6.7.2.3.1 RDW/DvhSt
6.7.2.3.3.1
6.7.2.4.3 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.7.2.6.2
6.7.2.6.3
6.7.2.6.4
6.7.2.7.1
6.7.2.8.3
6.7.2.10.1
6.7.2.12.2.4
6.7.2.18.1
6.7.2.19.5
6.7.2.19.9
6.7.2.19.10
6.7.3.2.1 RDW/DvhSt
6.7.3.2.11
6.7.3.3.3.1
6.7.3.7.3
6.7.3.8.1.2
6.7.3.14.1
6.7.3.15.3
6.7.3.15.5
6.7.3.15.9
6.7.3.15.10
6.7.4.2.1
6.7.4.2.8.1
6.7.4.2.8.2
6.7.4.2.14
6.7.4.3.3.1
6.7.4.5.10
6.7.4.6.4
6.7.4.7.4
6.7.4.13.1
6.7.4.14.3
6.7.4.14.6 b)
6.7.4.14.10 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.7.4.14.11
6.8.2.1.4 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.8.2.1.16
6.8.2.1.19
6.8.2.1.20 RDW/DvhSt
6.8.2.1.23 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.8.2.2.2
6.8.2.3.1
6.8.3.2.16 RDW/DvhSt
6.8.3.2.24
6.8.3.4.4
6.8.3.4.6 b) RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.8.3.4.12
6.8.3.7 RDW/DvhSt
6.8.4 TE1 RDW
6.8.4 TA2 RDW in overeenstemming met TNO/PML
6.8.5.2.2 RDW/DvhSt
6.9.1.1 RDW
6.9.2.1
6.9.2.13
6.9.2.14.4
6.9.2.14.5
6.9.4.2.4
6.9.4.4.1
6.9.5.3
7.3.3, VV12 VV13 RDW
7.5.2.2 voetnoot a)
8.2.1.1 CCV
8.2.1.2
8.2.1.5
8.2.1.7
8.2.1.8
8.2.1.9
8.2.2.4.2
8.2.2.6.1
8.2.2.6.4
8.2.2.6.5
8.2.2.6.7
8.2.2.7.1.3
8.2.2.7.1.5
8.2.2.8.3
9.1.2
9.1.2.1.2 RDW

Artikel 2

1.

In tabel 1 wordt verstaan onder:

a. BZK: 1º. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2º. ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB); b. CCV: zelfstandige divisie van de Stichting CBR; c. Defensie: Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van Defensie; d. DGG: Minister, namens hem hoofd van de afdeling Lading en Risicobeleid van het Directoraat-Generaal Goederenvervoer; e. DvhSt: Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie; f. IVW Divisie Vervoer: Minister, namens deze de directeur-hoofdinspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Vervoer; g. klassenbureau: privaatrechtelijke organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker van tankcontainers of transporttanks en die is erkend overeenkomstig artikel 4 van deze bijlage; h. LNV: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; i. RDW: Dienst Wegverkeer; j. RDW/DvthSt: 1º. Dienst Wegverkeer, of 2º. Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie; k. RDW/DvhSt/Klassenbureau: 1º. Dienst Wegverkeer, 2º. Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie, of 3º. klassenbureau, voor zover het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens de dichtheidsproef); l. SEV: Stichting Exameninstituut Veiligheidsadviseur; m. SZW: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; n. TNO PML: Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO Prins Maurits Laboratorium); o. TNO Industrie: Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek; p. VROM: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; q. VWS: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

3.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel e, gelden indien wordt verwezen naar voorschriften of bepalingen, de normen van de Dienst voor het Stoomwezen.

Artikel 3

1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. overeenstemming vooraf: de CCV doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien accoord, instemt;
  • b. informatie achteraf: de CCV informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van een jaarlijks verslag, houdende:
  • a. aantallen examens;
  • b. aantallen geslaagden aan wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; alsmede
  • c. een evaluatie van het in onderdeel a en b genoemde.
2.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft de CCV toepassing aan tabel 2.

ADR-randnummer bevoegdheid van de CCV overeenstemming vooraf Informatie achteraf
8.2.1.2 Afgifte X
8.2.14 + 8.5; S1, vakbekwaamheidscertificaten
S11, S12 volgens model B.6 en
8.2.21 aantekening
8.2.1.2 herhalingscursus
8.2.15
8.2.18
8.2.19
8.2.1.2 inhoudelijke eisen X
8.2.1.3 opleiding: vaststellen
8.2.1.4 eindtermen
8.2.2.3.1
8.2.2.3.2
8.2.2.3.3
8.2.2.3.4
8.2.2.3.5
8.2.2.6.1 goedkeuren van de X
8.2.2.6.4 opleidingen; vaststellen
8.2.2.6.5 van erkenningsrichtlijn
8.2.2.7.1.3 eisen aan examens en wijze X
8.2.2.7.1.6 van examineren: opstellen
van examenrichtlijn en
afnemen examen

Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden

1.

De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan de CCV.

2.

Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door de CCV, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

  • a. rechtspersoonlijkheid heeft;
  • b. redelijkerwijs onafhankelijk is van de betrokken opdrachtgever;
  • c. beschikt over voldoende vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste MBO-niveau;
  • d. beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingssysteem; en
  • e. voldoet aan andere door de Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.
3.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.

4.

Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.

5.

De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.

6.

De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

7.

De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 6. Weersomstandigheden

Artikel 2

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.

EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.

EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.

EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.

EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.

EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.

EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.

EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.

EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.

EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).

IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.

Artikel 7. Zout veer

Artikel 3

1.

Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

  • a. het Voertuigreglement;
  • b. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2; en
  • c. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
2.

Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 4

De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.

Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4

1.

Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

Artikel 7. Zout veer

§ 4. Constructie

Artikel 6

Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.

§ 2. Beoordelingsnormen/Codes

Artikel 7

1.

Bij tanks wordt ter vaststelling van:

  • a. wanddikte;
  • b. eventuele bescherming;
  • c. ondersteuning; en
  • d. bevestiging aan het chassis; uitgegaan van waarden, zoals vastgelegd in de EN die betrekking heeft op het desbetreffende materiaal.
2.

De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.

3.

Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.

Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.

4.

Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.

5.

Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).

Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4

Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:

  • a. de AD-Merkblätter; en
  • b. de Regels voor toestellen onder druk.

Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6

1.

Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:

  • a. voor de materialen zacht staal en roestvrij staal: de klassering van de waargenomen afwijkingen volgens de IIW-code (oud);
  • b. voor aluminium en legeringen: klassering volgens de op de specifieke materiaalgroep betrekking hebbende IIW-codering;
2.

Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:

  • a. voor staal: EN 25817:1992 (ISO 5817:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
  • b. voor aluminium en legeringen: EN 30042 (ISO 10042:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
  • c. HP 5/3, § 4 van de AD-Merkblätter; of
  • d. blad T0111, § 3 en bijlage 1 van de Regels voor toestellen onder druk.
3.

Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.

Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:

  • a. dat indien de coëfficiënt lambda (λ) = 0,8 van toepassing is, de radiografische controle ten minste omvat:
  • 1°. 10% van de rondnaden, met inbegrip van alle kruisende naden,
  • 2°. 10% van de langsnaden, en
  • 3°. 100% van de las van (ronde) inzetstukken ter voorkoming van kruisende lassen;
  • b. dat, in afwijking van het in onderdeel a bepaalde en ongeacht de voorgeschreven coëfficiënt lambda (λ), ter controle van de beheersing van het lasproces, de radiografische controle van de lasnaden bij de eerste tank, vervaardigd door een bedrijf waar niet eerder door de RDW tanks voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn gekeurd, de volledige lengte van de lassen omvat;
  • c. dat de controle van lasnaden in samengestelde eindbodems geschiedt overeenkomstig de bepalingen voor rondnaden;
  • d. dat indien de wanddikte van het middendeel van de onder c) genoemde bodems ten minste gelijk is aan de wanddikte van de omhaling, volstaan kan worden met radiografische controle van uitsluitend het in de omhaling gelegen deel van de lasnaad;
  • e. dat bij samengestelde tussenbodems welke op druk op de bolle zijde zijn berekend, geen radiografische controle behoeft te worden uitgevoerd;
  • f. dat indien bij toepassing van lambda = 0,8 of 0,9 op grond van de radiografische controle ontoelaatbare afwijkingen in de lasnaad zijn vastgesteld welke moeten worden hersteld, van de herstelling en, voor zover van toepassing, van het aan weerszijden van de oorspronkelijke opname gelegen deel van de las een radiografische opname wordt gemaakt;
  • g. dat indien bij deze controle of bij de visuele controle van de lassen opnieuw afwijkingen worden vastgesteld, de directeur, afhankelijk van de plaats en de aard van deze afwijkingen, aanvullende radiografische controle kan voorschrijven tot 100 % van de lasnaden;
  • h. dat radiografische controle van lasnaden plaats vindt voordat deze door tankringen, dubbelplaten of andere constructieve elementen worden afgedekt;
  • i. dat indien lassen zodanig zijn uitgevoerd of geplaatst dat radiografische controle niet mogelijk is of de resultaten niet interpreteerbaar zijn, zoals bij hoeklassen of bij lassen, gesitueerd in de ringvormige ruimte, omsloten door een slingerschot of tussenbodem, een tegenring en de tankwand, de directeur vervangende controlemethoden kan voorschrijven, bijvoorbeeld penetrantonderzoek overeenkomstig de norm EN 571-1:1997.

Artikel 11. rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid

1.

Een lasser wordt als gediplomeerd in de zin van de bijlagen 1 en 2 beschouwd indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a. van de lasser wordt een geldig bewijs van lasvaardigheid overgelegd;
  • b. met betrekking tot de afgelegde proef van bekwaamheid wordt in het bewijs van lasvaardigheid ten minste vermeld:
  • 1º. de lasmethode;
  • 2º. het basismateriaal en het toevoegmateriaal;
  • 3º. eventuele voorbewerking van het proefstuk;
  • 4º. de toegepaste lasstanden overeenkomstig de norm EN ISO 6947:1997;
  • 5º. de beoordelingsnorm van het proefstuk;
  • 6º. de beproevingsmethode; en
  • 7º. de geldigheidstermijn van het bewijs;
  • c. het bewijs is uitgereikt door een instantie, erkend door de directeur, onder andere op basis van referenties in de markt en aantoonbare onafhankelijkheid van de opdrachtgever;
  • d. uit het bewijs blijkt dat de proef van bekwaamheid is afgelegd ten tijde van het dienstverband van de betrokken lasser met de onderneming welke verantwoordelijk is voor de te verrichten laswerkzaamheden;
  • e. de in dit bewijs vermelde gegevens met betrekking tot de proef van bekwaamheid en de beoordeling van de proefstukken komen overeen met de van belang zijnde criteria voor het procédé van de laswerkzaamheden waarvoor ingevolge de bijlagen 1 en 2 bekwaamheid is vereist; en
  • f. er is aangetoond dat de lasser de instelling en de bediening van de ter beschikking staande apparatuur in de omgeving van de uit te voeren laswerkzaamheden beheerst.
2.

De lasmethodekwalificatie voldoet aan de voorschriften daaromtrent in de voor het ontwerp van de tanks toegepaste code of, bij ontbreken daarvan, aan de van toepassing zijnde delen van de norm EN 288.

Artikel 9.

Artikel 12

1.

rn. 6.8.2.1.14 onder (a), lagedruk-tanks

a. Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.

b. Bij een compartimentsinhoud groter dan 15000 liter wordt van de belaste bodem(s) door middel van beproeving dan wel berekening aangetoond dat deze de onder a. genoemde kracht kan (kunnen) opnemen.

2.

rn. 6.9

Van tanks vervaardigd uit glasvezelversterkte kunststof mag de waterinhoud ten hoogste 10.000 liter bedragen.

Artikel 13. klassen 3, 4.1 5.1, 6.1, 6.2, 8 en 9, vloeistoffen

1.

Met uitzondering van voertuigen voor het vervoer van afvalstoffen overeenkomstig rn. 6.10 wordt ter beoordeling van de maximaal toelaatbare massa's van het voertuig in relatie tot de waterinhoud van de tank in principe uitgegaan van de waarden, aangegeven in onderstaande tabel:

Klasse(n) 3, 4.1, 5.1, 6.1, 6.2, 8, 9 8
Vulpercentage 95 95
Soortelijke massa 0,7 1,2
2.

In afwijking van het eerste lid is bij tanks, welke speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één of meer met name genoemde stoffen, de laagste soortelijke massa van deze stof(fen) bepalend.

3.

Bij tanks die als zogenaamde twee-stoffentanks zijn ontworpen en ingericht is bepalend de gezamenlijke waterinhoud van de compartimenten die gelijktijdig zijn gevuld.

4.

Indien een voertuig voor het vervoer van stoffen van de klassen 3, 4.1, 5.1, 6.1, 6.2, 8 en 9 is voorzien van één enkele tank, bestaande uit één compartiment, welke zodanig is ingericht dat deze op grond van rn. 4.3.2.2.4 uitsluitend voor ten minste 80% of ten hoogste 20% gevuld, wordt ter bepaling van de maximaal toelaatbare inhoud van de tank de in de tabel voor stoffen van klasse 8 vastgestelde soortelijke massa 1,2 aangehouden, echter bij een vulpercentage van 80.

Artikel 14. tanks overeenkomstig rn. 6.10

Bij voertuigen, uitgerust met druk-vacuümtanks overeenkomstig rn. 6.10 wordt in principe uitgegaan van de volgende waarden:

  • a. voor voertuigen voor algemene toepassing: vulpercentage 85 bij soortelijke massa 1; en
  • b. voertuigen, uitsluitend voor afgewerkte olie waarvan de tank niet is uitgerust met een scharnierende achterbodem: vulpercentage 90 bij soortelijke massa 0,9.

Artikel 15. klasse 2

1.

Bij tanks voor het vervoer van een vloeibaar gemaakt gas van klasse 2 is voor het bepalen van de maximaal toelaatbare tankinhoud het door de directeur dan wel Stoomwezen B.V. vastgestelde maximumvulgewicht bij de maximumvullingsgraad maatgevend.

2.

Indien de tank is bestemd voor het vervoer van meer dan één gas zal het maximumvulgewicht van de lichtste gassoort bepalend zijn.

§ 4. Constructie

Artikel 16. lasverbindingen

1.
  1. Kruisende lasnaden in de tankwand zijn niet toegestaan. Ter voorkoming hiervan zijn de volgende methoden toegestaan:
  • a. naden die aan weerszijden van een kruisende lasnaad ten minste 5 cm zijn versprongen; of
  • b. het vervangen van de kruisende naden door een rond inzetstuk met een doorsnede van ten minste 15 cm.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing op lasnaden van versterkingsringen, dubbelplaten en dergelijke die lasnaden in de tankwand kruisen.

Artikel 17. rn.. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot

Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.

Artikel 18. scharnierende tank

1.

Met uitzondering van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.

2.

In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:

  • a. de tank in rijdende toestand van het voertuig automatisch is vergrendeld; en
  • b. het kipmechanisme tijdens het rijden niet in werking kan worden gesteld.

Artikel 19. scharnierende eindbodem

Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van de bijlagen 1 en 2 mogen niet met een scharnierende eindbodem zijn uitgerust .

Artikel 20. rn.. 6.10 explosiebestendige tank

1.

Voor de constructie van een explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:

  • a. het toe te passen tankmateriaal bezit een rek (A) (normwaarde) van ten minste 16%;
  • b. voor de berekening van de drukdragende delen van de tank en zijn afsluitingen is een berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) toegepast;
  • c. in de formules van de toegepaste berekeningscode wordt voor de waarde van de toegelaten spanning gekozen: trekvastheid (Rm) /1,3 (bijvoorbeeld ter vervanging van de uitdrukking K/S in de AD-Merkblätter);
  • d. de tank bevat geen onderdelen die de explosiedruk kunnen verhogen, zoals slingerschotten.
2.

In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.

Artikel 21. bovenlossing

1.

Bij tankvoertuigen voor het vervoer van stoffen waarbij in de bijlagen 1 en 2 bovenlossing is voorgeschreven, is elk tankcompartiment voor bovenlossing ingericht. In het keuringsdocument is aangetekend: dit voertuig is zodanig ingericht, dat de lading alleen via de bovenzijde van de tank kan worden gelost.

2.

Bij tankvoertuigen welke als zogenaamde twee-stoffentankwagens zijn ontworpen en ingericht, zijn alleen die tankcompartimenten voor bovenlossing ingericht waarin stoffen worden vervoerd waarbij in de bijlagen 1 en 2 bovenlossing is voorgeschreven.

Artikel 22. binnenbekleding

1.

Bij elke metalen tank waarvan het tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse, alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.

2.

Indien de binnenbekleding uitsluitend is aangebracht om de zuiverheid van de lading te waarborgen, is de bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen maatgevend.

3.

Van het, in het eerste en tweede lid genoemde, toe te passen bekledingsmateriaal, wordt ter beoordeling door de directeur de compatibiliteit met het tankmateriaal, zoals de hechtingseigenschappen, aangetoond.

4.

Naast het bepaalde in het eerste lid, wordt bij tanks vervaardigd van aluminiumlegeringen de mate van bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen aangetoond, waaraan in elk geval is voldaan indien op basis van algemene bestendigheidslijsten, zoals van de fabrikant van het tankmateriaal, wordt aangetoond dat aantasting van de aluminiumlegering door de te vervoeren stof slechts in beperkte mate is te verwachten.

Artikel 23. rn.. 6.8.2.2.4 mangaten

Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 450 mm.

Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Artikel 24. rn.. 9.7.6 stootbalk algemeen

1.

Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm³.

2.

Indien de in het Voertuigreglement genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.

3.

(apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.

4.

Indien de tank niet is voorzien van de in rn. 6.8.2.2.2 genoemde eindafsluiter aan het einde van elke vul- en losleiding, bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging van de stootbalk om de zwakste doorsnede ten minste 30 cm3.

5.

Indien de tank:

  • a. scharnierend op het voertuig is bevestigd; en
  • b. is voorzien van een scharnierende achterbodem,

mag de stootbalk aan de betreffende achterbodem zijn bevestigd mits de stootbalk ten minste 10 cm achter het achterste punt van elke vul- en losleiding is gelegen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)