Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-03-15
State In force
Source BWB
artikelen 545
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Ontheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.

Artikel 3. N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

  • b. treden, voor zover zij met de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1 niet overeenstemmende verplichtingen bevatten, in plaats van bedoelde verplichtingen van de overeenkomstig genummerde bepalingen van bijlage 1.

1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten

1.

Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.

2.

Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

5.2.1 N Opschriften, kenmerking en gevaarsetiketten

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.4.1.4 N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.

6.8.3.2 N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashbord en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.4.1 N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

8.1.2 N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1 N Speciale opleiding van de bestuurder

De verplichting van randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

  • a. motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in het Voertuigreglement, waarmee lege, ongereinigde tanks met een capaciteit van ten hoogste 3 m3 worden vervoerd, die dieselolie, gasolie en lichte stookolie hebben bevat; of
  • b. brandweervoertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten, mits:
  • 2°. dit personeel iedere vijf jaar een brandweerbijscholingscursus gevaarlijke stoffen volgt.

9.2.3.1 N Reminrichting

Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1 N Stabiliteit

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement.

Artikel 2. Ontheffingen

Artikel 1. Toepassingsbereik

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

2.

Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, mobiele tank of IBC gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1:

  • a. te laden elders dan op het adres van de afzender, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend; of
  • b. te lossen elders dan op het adres van de geadresseerde, alsmede op plaatsen waar gevaarlijke stoffen worden aangewend.

Artikel 3. Tunnelregime

1.

Het is verboden:

  • a. de in tabel 3 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie I, genoemd in tabel 1;
  • b. de in tabel 4 vermelde gevaarlijke stoffen te vervoeren door tunnels van categorie II, genoemd in tabel 2;
  • c. stationaire drukhouders die zijn vrijgesteld ingevolge randnummer 1.1.3.2 die mengsels van koolwaterstoffen met UN-nummer 1965 hebben bevat, te vervoeren door tunnels van categorie I of II.
2.

De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Naam Weg en plaats Onder
Beneluxtunnel A4 bij Vlaardingen en Hoogvliet Nieuwe Waterweg
Coentunnel A10 in Amsterdam Noordzeekanaal
Drechttunnel A16 tussen Zwijndrecht en Dor- drecht Oude Maas
Noordtunnel A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam Noord
Sijtwendetunnel N14 te Leidschendam-Voorburg Stadsgebied Leidschendam-Voorburg
Thomassentunnel N15 te Rotterdam Calandkanaal
Vlaketunnel A58 tussen Kruiningen en Kapelle Kanaal door Zuid-Beveland
Westerscheldetunnel N62 tussen Terneuzen en Goes Westerschelde
Wijkertunnel A9 tussen Beverwijk en Velsen Noordzeekanaal
Zeeburgertunnel A10 in Amsterdam IJ
Naam Weg en plaats Onder
--- --- ---
Botlektunnel A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg Oude Maas
Heinenoordtunnel A29 tussen Barendrecht en Oud-Beijerland Oude Maas
IJtunnel Stedelijke weg te Amsterdam IJ
Kiltunnel S43 tussen Dordrecht en 's-Gravendeel Dordtse Kil
Maasboulevard Stedelijke weg te Maastricht Stadgebied Maastricht
Maastunnel Stedelijke weg te Rotterdam Nieuwe Maas
Piet Heintunnel Stedelijke weg te Amsterdam Amsterdam-Rijnkanaal
Velsertunnel A22 bij Velsen Noordzeekanaal

Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC
4.1 UN 3221, 3222, 3231, 3232
4.2 UN 1366, 1370, 1380, 1381, 2003, 2005, 2445, 2447, 2845, 2870, 3049, 3050, 3051, 3052, 3053, 3076, 3194, 3203
4.3 alle stoffen alle stoffen
5.2 UN 3101, 3102, 3111, 3112
6.1 UN 1092, 1238, 1239, 1259, 1613, 1695, 2334, 2382, 2438, 3294
8 UN 1052, 1744, 1786, 1790, 1829, 1831, 2240, 2502, 2817 UN 2502
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
--- --- --- ---
1 alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen
3 stoffen van verpakkingsgroep I en II stoffen van verpakkingsgroep I en II
4.1 UN 3221, 3222, 3231, 3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929, 3279, 3294 UN 1051, 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1614, 1695, 1994, 2334, 2382, 2407, 2438, 2480, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929 3279, 3294
8 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
  • voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1.

Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden

1.

Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 m, is het niet toegestaan:

  • a. gevaarlijke stoffen te vervoeren in transporteenheden met tanks waarvan de capaciteit meer dan 3000 liter is;
  • b. vuurwerk te vervoeren boven de vrijgestelde hoeveelheden als bedoeld in randnummer 1.1.3.6, alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram.
2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

  • a. indien door weersomstandigheden het zicht minder is dan 50 m; of
  • b. bij glad wegdek.
3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

  • a. sprake is van langdurige gladheid; en
  • b. het spoedeisende karakter van het vervoer naar zijn oordeel genoegzaam is aangetoond.De afdeling Gevaarlijke Stoffen en Advies van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat verleent de ontheffing. Informatie over de wegen en de weersomstandigheden verstrekt het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).

Artikel 7. Zout veer

1.

Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

  • a. Den Helder–Texel;
  • b. Harlingen–Vlieland;
  • c. Harlingen–Terschelling;
  • d. Holwerd–Ameland;
  • e. Lauwersoog–Schiermonnikoog.
2.

Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3.

Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:

  • a. ten hoogste twee transporteenheden als laatste geplaatst op een open rijdek; of
  • b. ten hoogste één transporteenheid als laatste geplaatst op een gesloten rijdek.
4.

Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met brandbare gassen (F, TF en TFC) van klasse 2 of stoffen van:

  • a. klasse 3 met verpakkingsgroep I en II;
  • b. klasse 6.1 met een vlampunt lager dan 23 °C met verpakkingsgroep I; of
  • c. klasse 8 met UN-nummers 2401, 2734, 2920.
5.

Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6.

De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

7.

De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

8.

Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 a. alle stoffen en b. vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen
3 1093, 1099, 1100, 1106, 1125, 1131, 1154, 1158, 1160, 1162, 1182, 1184, 1194, 1196, 1214, 1221, 1228, 1230, 1235, 1238, 1250, 1277, 1289, 1296, 1297, 1298, 1305, 1695, 1717, 1723, 1815, 1921, 1922, 1986, 1988, 1991, 1992, 2266, 2270, 2284, 2333, 2335, 2336, 2353, 2354, 2359, 2360, 2378, 2379, 2383, 2386, 2395, 2396, 2399, 2404, 2438, 2411, 2478, 2483, 2486, 2493, 2535, 2603, 2605, 2622, 2733, 2758, 2760, 2762, 2764, 2772, 2776, 2778, 2780, 2782, 2784, 2787, 2924, 2945, 2983, 2985, 3024, 3021, 3079, 3248**, 3273, 3274, 3286, 3346, 3350 1093, 1099, 1100, 1106, 1125, 1131, 1154, 1158, 1160, 1162, 1182, 1184, 1194, 1196, 1204, 1214, 1221, 1228, 1230, 1235, 1238, 1250, 1277, 1289 1296, 1297, 1298, 1305, 1695, 1717, 1723, 1815, 1922, 1986 1988, 1991, 1992, 2266, 2270, 2284, 2333, 2335, 2336, 2353, 2354, 2359, 2360, 2378, 2379, 2383, 2386, 2395, 2396, 2399, 2404, 2411, 2438, 2478, 2481, 2483, 2486, 2493, 2535, 2603, 2605, 2622, 2733, 2758, 2760, 2762, 2764, 2772, 2776, 2778, 2780, 2782, 2784, 2787, 2924, 2945, 2983, 2985, 3024, 3021, 3064, 3079, 3165, 3248**, 3273, 3274, 3286, 3346, 3350
4.1 UN 3221, 3222, 3231, 3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929, 3279, 3294 UN 1051, 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1614, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2480, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929, 3279, 3294
6.2 UN 2814, 2900 (risicogroep 3 + 4) UN 2814, 2900 (risicogroep 3 + 4)
8 alle stoffen, alle stoffen alle stoffen
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
  • voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1.

** voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1.

6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

Artikel 1

De Directeur-Hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

  • a. heeft betrekking op een representatief deel van het vervoer;
  • b. wordt verricht overeenkomstig artikel 3 van verordening (EEG) nr. 4060/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 inzake de afschaffing van controles aan de grenzen van de lidstaten voor wegvervoer en binnenvaart (PbEG L 390) en verordening (EEG) nr. 39123/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 inzake in de Gemeenschap in het wegvervoer en de binnenvaart uitgevoerde controles van in een derde land ingeschreven of tot het verkeer toegelaten vervoermiddelen (PbEG L 359);
  • c. wordt uitgevoerd met toepassing van de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG;
  • d. wordt uitgevoerd door middel van steekproeven en omvat zoveel mogelijk een groot deel van het wegennet.
2.

Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG.

Artikel 3

1.

De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Directeur-Hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Directeur-Hoofdinspecteur of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 1. Erkende instanties

1.

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

Randnummer Instanties
1.4.2.2.4, 1.8.1.1, 1.8.1.2. 1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3 IVW DV
1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.14, 1.8.3.16 SEV
1.9.4 DGG
2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria TNO PML
2.2.1.1.3 2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13 2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.52.1.8 TNO PML
2.2.62.1.5, 2.2.62.1.7 LNV of VWS
2.2.9.1.12 VROM
3.1.2.6 Stoomwezen
3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
3.3.1, bijzondere bepalingen 181, 237, 239, 266, 271, 272 en 278 TNO PML
3.3.1, bijzondere bepaling 283 Stoomwezen
3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 636 TNO PML
3.3.1, bijzondere bepaling 645 IVW DV
4.1.3.6 Stoomwezen
4.1.4.1, P099, P101 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.1.4.1, P200, P201, P203 Stoomwezen
4.1.4.1, P405 (2) b) TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.1.4.1, P601 (3) g) TNO PTC
4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905 Stoomwezen
4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520, 4.1.4.2 LP99 TNO PML
4.1.4.3 LP902, 4.1.4.4 PR6 Stoomwezen
4.1.5.15, 4.1.5.18 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.1.7.2.2 TNO PML
4.1.10.4, MP21 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.2.1.7, 4.2.1.9.1 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3 RDW in overeenstemming met TNO PML
4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1 RDW/Stoomwezen
4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
4.3.2.1.5, voetnoot 2, 4.3.3.2.5 RDW/Stoomwezen
5.2.2.1.9 TNO PML
5.5.1.2, 5.5.1.3 LNV of VWS
6.1.1.2, 6.1.1.4 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.1.3.1, 6.1.3.8 TNO PTC
6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.10, 6.1.5.2.5, 6.1.5.9.2 TNO PTC
6.2.1.1.2 SZW
6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.4.3, 6.2.1.4.5, 6.2.1.5.2, 6.2.1.6.1, 6.2.1.7.1, 6.2.1.7.3, 6.2.1.7.6, 6.2.1.7.7, 6.2.3, 6.2.3.2.2, 6.2.5, 6.2.5.1.2., 6.2.5.6.2.1, 6.2.5.6.2.2, 6.2.5.6.2.3, 6.2.5.6.2.4, 6.2.5.6.2.6, 6.2.5.6.3.2, 6.2.5.6.3.3, 6.2.5.6.4.2, 6.2.5.6.4.3, 6.2.5.6.4.4, 6.2.5.6.4.5, 6.2.5.6.4.6, 6.2.5.6.4.8, 6.2.5.6.4.9, 6.2.5.6.4.10, 6.2.5.6.4.11, 6.2.5.7.1, 6.2.5.7.3, 6.2.5.7.6 Stoomwezen
6.3.1.1, 6.3.2.7, 6.3.3.2 TNO PTC
6.5.1.1.2 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.5.1.1.3 TNO PTC
6.5.1.6.1 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.5.1.6.4, 6.5.1.6.7, 6.5.2.1.1, 6.5.2.2.3, 6.5.2.2.4, 6.5.4.1.1, 6.5.4.2.1, 6.5.4.2.2, 6.5.4.3.4, 6.5.4.13.2, 6.5.4.14.1 TNO PTC
6.6.1.2, 6.6.1.3 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3 TNO PTC
6.7.1.2 RDW/Stoomwezen
6.7.2.2.1, 6.7.2.2.14 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1 RDW/Stoomwezen
6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b) RDW/Stoomwezen
6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1 RDW/Stoomwezen
6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.2.1.20 RDW/Stoomwezen
6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2, 6.8.2.3.1, 6.8.2.4.2, 6.8.2.4.5 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.3.2.16, 6.8.3.2.24, 6.8.3.4.4 RDW/Stoomwezen
6.8.3.4.6 b) RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.3.4.12, 6.8.3.7 RDW/Stoomwezen
6.8.4 TE1 RDW
6.8.4 TA2 RDW in overeenstemming met TNO PML
6.8.5.2.2 RDW/Stoomwezen
6.9.1.1, 6.9.2.1, 6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1, 6.9.5.3 RDW
7.3.3, VV12, VV13 RDW
7.5.11 Burgemeester
7.5.2.2 voetnoot a) RDW
8.1.4.4 BZK
8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.5, 8.2.1.7, 8.2.1.8, 8.2.1.9, 8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7, 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.8.3 CCV
8.5 S1 (4) Burgemeester
9.1.2, 9.1.2.1.2 RDW

Artikel 2

1.

In tabel 1 wordt verstaan onder:

  • a. Burgemeester: de burgemeester van de desbetreffende gemeente;
  • b. BZK:
  • 1°. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
  • 2°. ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB);
  • c. CCV: zelfstandige divisie van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR);
  • d. Defensie: Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van Defensie;
  • e. DGG: Minister, namens hem het hoofd van de afdeling Lading en Risicobeleid van het Directoraat-Generaal Goederenvervoer;
  • f. IVW DV: Minister, namens deze de Directeur-Hoofdinspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat divisie Vervoer
  • g. klassenbureau: privaatrechtelijke organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker van tankcontainers of transporttanks en die is erkend overeenkomstig artikel 4 van deze bijlage;
  • h. LNV: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
  • i. RDW: Dienst Wegverkeer;
  • j. RDW/Stoomwezen:
  • 1°. Dienst Wegverkeer, of
  • 2°. Stoomwezen B.V.
  • k. RDW/Stoomwezen/Klassenbureau:
  • 1°. Dienst Wegverkeer,
  • 2°. Stoomwezen B.V., of
  • 3°. klassenbureau, voor zover het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens de dichtheidsproef);
  • l. SEV: Stichting Exameninstituut Veiligheidsadviseur;
  • m. Stoomwezen: Stoomwezen B.V.;
  • n. SZW: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • o. TNO PML: Het Prins Maurits Laboratorium van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
  • p. TNO PTC: De Product Testing & Consultancy B.V. van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek;
  • q. VROM: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
  • r. VWS: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

Artikel 3

1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. overeenstemming vooraf: de CCV doet schriftelijk een voorstel aan de Minister, die, indien accoord, instemt;
  • b. informatie achteraf: de CCV informeert schriftelijk achteraf de Minister door toezending van een jaarlijks verslag, houdende:
  • a. aantallen examens;
  • b. aantallen geslaagden aan wie een ADR-vakbekwaamheidscertificaat is verstrekt; alsmede
  • c. een evaluatie van het in onderdeel a en b genoemde.
2.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft de CCV toepassing aan tabel 2.

ADR-randnummer Bevoegdheid van de CCV Overeen- stemming vooraf Infor- matie achteraf
8.2.1.2, 8.2.14 + 8.5; S1, S11, S12, 8.2.21, 8.2.1.2, 8.2.15, 8.2.18, 8.2.19 afgifte vakbekwaamheids- certificaten volgens model B.6 en aantekening herhalingscursus X
8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.4, 8.2.2.3.1, 8.2.2.3.2, 8.2.2.3.3, 8.2.2.3.4, 8.2.2.3.5 inhoudelijke eisen opleiding: vaststellen eindtermen X
8.2.2.6.1,8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5 goedkeuren van de opleidingen; vaststellen van erkenningsrichtlijn X
8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.6 eisen aan examens en wijze van examineren: opstellen van examenrichtlijn en afnemen examen X

Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden

1.

De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan de CCV.

2.

Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door de CCV, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

  • a. rechtspersoonlijkheid heeft;
  • b. redelijkerwijs onafhankelijk is van de betrokken opdrachtgever;
  • c. beschikt over voldoende vakbekwaamheid voor de desbetreffende taak op ten minste MBO-niveau;
  • d. beschikt over een geschikt kwaliteitsborgingssysteem; en
  • e. voldoet aan andere door de Minister met het oog op het behoorlijk uitvoeren van de desbetreffende taak te stellen nadere voorschriften.
3.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.

4.

Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.

5.

De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.

6.

De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

7.

De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1. N Stabiliteit

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied

Artikel 2

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.

EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.

EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.

EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.

EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.

EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.

EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.

EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.

EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.

EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).

IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.

Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied

Artikel 3

1.

Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

  • a. het Voertuigreglement;
  • b. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2; en
  • c. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
2.

Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 4

De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.

Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4

1.

Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

Artikel 3. Tunnelregime

Artikel 4

Artikel 6

Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.

Artikel 5. Laden en lossen

Artikel 7

1.

Bij tanks wordt ter vaststelling van:

  • a. wanddikte;
  • b. eventuele bescherming;
  • c. ondersteuning; en
  • d. bevestiging aan het chassis; uitgegaan van waarden, zoals vastgelegd in de EN die betrekking heeft op het desbetreffende materiaal.
2.

De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.

3.

Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.

Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.

4.

Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.

5.

Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).

Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4

Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:

  • a. de AD-Merkblätter; en
  • b. de Regels voor toestellen onder druk.

Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6

1.

Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:

  • a. voor de materialen zacht staal en roestvrij staal: de klassering van de waargenomen afwijkingen volgens de IIW-code (oud);
  • b. voor aluminium en legeringen: klassering volgens de op de specifieke materiaalgroep betrekking hebbende IIW-codering;
2.

Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:

  • a. voor staal: EN 25817:1992 (ISO 5817:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
  • b. voor aluminium en legeringen: EN 30042 (ISO 10042:1992), niveau B met uitzondering van onvolkomenheden waarvoor niveau C geldt;
  • c. HP 5/3, § 4 van de AD-Merkblätter; of
  • d. blad T0111, § 3 en bijlage 1 van de Regels voor toestellen onder druk.
3.

Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.

Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:

  • a. dat indien de coëfficiënt lambda (λ) = 0,8 van toepassing is, de radiografische controle ten minste omvat:
  • 1°. 10% van de rondnaden, met inbegrip van alle kruisende naden,
  • 2°. 10% van de langsnaden, en
  • 3°. 100% van de las van (ronde) inzetstukken ter voorkoming van kruisende lassen;
  • b. dat, in afwijking van het in onderdeel a bepaalde en ongeacht de voorgeschreven coëfficiënt lambda (λ), ter controle van de beheersing van het lasproces, de radiografische controle van de lasnaden bij de eerste tank, vervaardigd door een bedrijf waar niet eerder door de RDW tanks voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn gekeurd, de volledige lengte van de lassen omvat;
  • c. dat de controle van lasnaden in samengestelde eindbodems geschiedt overeenkomstig de bepalingen voor rondnaden;
  • d. dat indien de wanddikte van het middendeel van de onder c) genoemde bodems ten minste gelijk is aan de wanddikte van de omhaling, volstaan kan worden met radiografische controle van uitsluitend het in de omhaling gelegen deel van de lasnaad;
  • e. dat bij samengestelde tussenbodems welke op druk op de bolle zijde zijn berekend, geen radiografische controle behoeft te worden uitgevoerd;
  • f. dat indien bij toepassing van lambda = 0,8 of 0,9 op grond van de radiografische controle ontoelaatbare afwijkingen in de lasnaad zijn vastgesteld welke moeten worden hersteld, van de herstelling en, voor zover van toepassing, van het aan weerszijden van de oorspronkelijke opname gelegen deel van de las een radiografische opname wordt gemaakt;
  • g. dat indien bij deze controle of bij de visuele controle van de lassen opnieuw afwijkingen worden vastgesteld, de directeur, afhankelijk van de plaats en de aard van deze afwijkingen, aanvullende radiografische controle kan voorschrijven tot 100 % van de lasnaden;
  • h. dat radiografische controle van lasnaden plaats vindt voordat deze door tankringen, dubbelplaten of andere constructieve elementen worden afgedekt;
  • i. dat indien lassen zodanig zijn uitgevoerd of geplaatst dat radiografische controle niet mogelijk is of de resultaten niet interpreteerbaar zijn, zoals bij hoeklassen of bij lassen, gesitueerd in de ringvormige ruimte, omsloten door een slingerschot of tussenbodem, een tegenring en de tankwand, de directeur vervangende controlemethoden kan voorschrijven, bijvoorbeeld penetrantonderzoek overeenkomstig de norm EN 571-1:1997.

Artikel 10. Toelating van voertuigen

§ 6. Uitrusting

Artikel 3

Artikel 1. Erkende instanties

Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden

Hoofdstuk I Algemeen

Hoofdstuk I Algemeen

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Artikel 3

Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4

Artikel 6

§ 2 Dimensionering

§ 3 Constructie

Artikel 14

Artikel 15 scharnierende tank

Artikel 17

Artikel 17

§ 5

Artikel 26

Artikel 28

Artikel 31

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.

Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer

Artikel 1. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt.

De Minister verleent een ontheffing als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen slechts op voorwaarden dat de veiligheid niet in gevaar komt en het vervoer waarvoor de ontheffing wordt verleend duidelijk is gespecificeerd en van tijdelijke aard is.

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten

1.

Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.

5.1.2.1./5.2.1 N Opschriften en kenmerking

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.4.1.4. N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

7.5.7.5/8.3.3 Openen van colli

In afwijking van randnummers 7.5.7.5/8.3.3 van Bijlage 1, mag de chauffeur of de bijrijder:

8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder

Het bepaalde in randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

9.2.3.1. N Reminrichting

Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan de daaromtrent in de Regeling voertuigen gestelde eisen.

Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en:

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en:

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC of bulkcontainer gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1 te laden of te lossen elders dan:

Artikel 3. Tunnelregime

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, bulkcontainer of mobiele tank gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1 te laden of te lossen elders dan:

Het vervoer van de stoffen die in tabel 1 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden

1.

Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:

Artikel 5. Laden en lossen

2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1:

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt niet voor het vervoer van medische isotopen.

4.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

Artikel 7. Zout veer

1.

Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

2.

Onder ‘open rijdek’ wordt verstaan: rijdek op een schip waarop het openen van de boegdeur en de hekdeur geen negatief effect heeft op de lekstabiliteit van het schip.

3.

Het vervoer van gevaarlijke stoffen op zoute veren in tanks of in colli in hoeveelheden die niet onder de vrijstelling van 1.1.3.6 ADR vallen is niet toegestaan, met uitzondering van de in tabel 2 vermelde stoffen.

4.

Het vervoer van de in tabel 2 vermelde gevaarlijke stoffen is slechts toegestaan indien:

5.

Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.

6.

Rondom de transporteenheden, beladen met gevaarlijke stoffen, wordt tijdens de vaart in het horizontale vlak ten opzichte van andere voertuigen een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter. Ten opzichte van passagiers wordt tijdens de vaart een afstand van ten minste vijf meter aangehouden.

7.

De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen houdt tijdens de vaart toezicht op zijn voertuig.

8.

De bestuurder van een transporteenheid beladen met gevaarlijke stoffen die zijn vermeld in tabel 2, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper of kapitein dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent de aard en hoeveelheid gevaarlijke stoffen.

Artikel 8. Pont

Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:

Artikel 9.

Vervallen.

1.

In Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.3.1 van bijlage 1, kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer.

1.

In Nederland geregistreerde, ingevolge deze regeling keuringsplichtige voertuigen als bedoeld in randnummer 9.1.3.1 van bijlage 1, kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer.

2.

De goedkeuring wordt geweigerd, indien een voertuig als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.

3.

In afwijking van het tweede lid kunnen voertuigen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd indien de technische inrichting en uitrusting der voertuigen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.

4.

De eigenaar of houder van een voertuig als bedoeld in het eerste lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het voertuig is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.

5.

De eigenaar of houder van een voertuig als bedoeld in het eerste lid zorgt dat dit voertuig voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:

6.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in het vijfde lid, blijkt dat een voertuig als bedoeld in het eerste lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.

7.

Indien een voertuig als bedoeld in het eerste lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.

Artikel 11. 1.3.3 en 1.10.2.4 Bewaartermijn opleidingsdossiers

Artikel 12. 1.8.3.2. Uitzondering verplichting veiligheidsadviseur

De voorschriften onder randnummer 1.8.3 van bijlage 1 zijn niet van toepassing op ondernemingen als bedoeld in randnummer 1.8.3.2.

Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2

1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

1.

De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

Artikel 4

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van richtlijn (EU) 2022/1999, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 6

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voorzover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voorzover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Hoofdstuk I Algemeen

Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);

1.

Voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

Artikel 4

Vervallen.

Vervallen.

1.

Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van de VT waaronder de ondernemer ressorteert.

1.

Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van de VT waaronder de ondernemer ressorteert.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Artikel 10

Vervallen.

Vervallen.

Artikel 11

Vervallen.

Vervallen.

1.

Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.

Artikel 13

Artikel 14

Vervallen.

Artikel 15 scharnierende tank

2.

In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

§ 4 Bescherming

1.

Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.

Artikel 18 binnenbekleding

Artikel 18 binnenbekleding

Artikel 18 binnenbekleding

Artikel 21

Vervallen.

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 23

Artikel 24

Vervallen.

§ 5

Vervallen.

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 27

Vervallen.

Artikel 29

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 30

Vervallen.

Vervallen.

Hoofdstuk III

Hoofdstuk III

Artikel 33

Artikel 34

Vervallen.

Artikel 35

Artikel 35

Artikel 36

Vervallen.

Artikel 37

Vervallen.

Artikel 38

Vervallen.

Artikel 39

Vervallen.

Artikel 40

Vervallen.

Artikel 41

Artikel 41

Hoofdstuk IV Chassis

Hoofdstuk IV Chassis

Vervallen.

Artikel 43

Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.

Artikel 44

Vervallen.

Artikel 45

Artikel 45

Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5

Overdrukventielen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b:

§1. Motor voor aandrijving van het voertuig

Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5

Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5

1.

Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:

Artikel 38 mangatdeksels

Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

Artikel 28 rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en met d en 6.8.2.2.6 overdrukventiel

Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

Artikel 40 materiaalaanduiding

Artikel 41

3.

Bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:

Hoofdstuk IV Chassis

Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat

Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat

Artikel 43 steunpoten

Artikel 43 steunpoten

Artikel 44 rn. 9.7.3 tankbevestiging

4.

Het derde lid is niet van toepassing op voertuigen die zijn uitgerust met een uitlaatgasnabehandelingssysteem, voor zover het voertuigen betreft die minimaal voldoen aan de emissiegrenswaarden als opgenomen in de rijen B1, B2 of C van tabel 1 van bijlage 1 van richtlijn nr. 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PbEU L 275) of als opgenomen in bijlage 1 van verordening (EU) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU L 188).

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Artikel 51

Vervallen.

Hoofdstuk VI

Vervallen.

Artikel 53

1.

Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet aan de volgende voorschriften:

Artikel 54

Artikel 54

*Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar*

1.

Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.

Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

3.

indien een bediening van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.

Hoofdstuk VII Merktekens

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 57

Artikel 58

Artikel 58

Vervallen.

Artikel 59

Vervallen.

Hoofdstuk VIII

3.

Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.

Vervallen.

Artikel 61

Vervallen.

§ 2.

1.

Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:

Artikel 62

Vervallen.

§ 2.1

Artikel 63

Vervallen.

Artikel 64

Artikel 65

Vervallen.

Artikel 66

Vervallen.

Artikel 67

Artikel 67

Vervallen.

§ 2.2.

Artikel 68

Vervallen.

§ 3.

Artikel 69

Vervallen.

§ 4.

Artikel 70

Vervallen.

Artikel 71

Vervallen.

Artikel 72

Vervallen.

Artikel 73

Vervallen.

Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen

§ 1. Algemeen

Artikel 74

Vervallen.

Artikel 75

Vervallen.

Artikel 76

Vervallen.

Artikel 77

Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.

Artikel 78

Voor zover geen inwendige inspectie van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:

Artikel 79

1.

Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde in artikel 77 bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.

Artikel 80

1.

Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.

Artikel 65

2.

Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgemaakt veiligheids- en gezondheidsverklaring overgelegd. Deze veiligheids- en gezondheidsverklaring wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage IX van de Arbeidsomstandighedenregeling vastgesteld modellen.

Artikel 66

4.

Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:

Artikel 81

§ 2. Beproevingen (Algemeen)

§ 2. Beproevingen (Algemeen)

Vervallen.

Artikel 83

Artikel 83

Artikel 84

Vervallen.

Artikel 85

Vervallen.

Vervallen.

§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1

Vervallen.

Artikel 87 proefpersing

Artikel 87 proefpersing

§ 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2

De in artikel 71, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.

Artikel 88

Artikel 89

Artikel 89

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)